Column Verdachtmakingen in De Morgen van zaterdag 26 juli 2025

Verdachtmakingen

De gemiddelde snelheid van deze Tour de France was tot voor de vrijdagrit 43,2 kilometer per uur. Dat is voorlopig een kilometer per uur sneller dan de snelste Tour en dat was die van 2022, de eerste eindzege van Jonas Vingegaard.

Je hoort het elke dag: deze Tour breekt alle records, is dit nog normaal?

Ze breken niet alle records. Tadej Pogacar reed Vingegaard in een rechtstreeks duel naar de filistijnen op Hautacam. Hij klom een halve minuut trager dan Bjarne Riis in 1996, haast dertig jaar geleden. Op de Ventoux waren ze dan weer merkelijk sneller dan het vorige record uit 2004. Ook Primoz Roglic en Florian Lipowitz gingen onder de 55:51 van Iban Mayo, die hij neerzette in een klimtijdrit in de Dauphiné.

Sneller aan het eind van een vlakke rit dan in een klimtijdrit die met epo is gereden, moeten we dat twintig jaar later verdacht vinden? Neen. In andere sporten zie je dezelfde progressie. Nog slechts vijf van de veertig zwemrecords dateren uit 2009. Dat was het laatste jaar van de drijvende zwempakken, wellicht de extreemste vorm van doping in de sportgeschiedenis.

Oké, maar elke dag weer zo snel rijden? Juist, er wordt elke dag van bij het begin van de etappe hard gereden. Vast staat dat de gemiddelde renner sneller is geworden en de besten onder die verbeterde renners worden geselecteerd voor het Tour-peloton. Vast staat dat de gemiddelde fiets ook veel sneller is geworden en dat het geleverde vermogen vandaag resulteert in een hogere snelheid dan vijf, tien en twintig jaar geleden.

Vervolgens zijn er de verbeterde trainingen, de gerichte voeding en de kennis van de recuperatie. In twintig jaar is veel veranderd. Lance Armstrong at nog confituur- en rijsttaartjes uit Izegem tijdens de rit en een bord aardappels met olijfolie als hij in het hotel arriveerde. Vandaag gaat het om precies samengestelde koolhydraatrijke producten en uitgekiende maaltijden achteraf.

Nog geen tien jaar geleden luidde de theorie dat 70 gram koolhydraten opnemen per uur het maximum was, in de hoop dat 60 gram hun weg zouden vinden naar de spieren. Vandaag zijn er renners die hun maag-darmstelsel hebben laten wennen aan het dubbele.

De renners zijn vooral beter geworden door de vroege selectie. Zoals ex-prof Tom Danielson onlangs op X zette: “Mijn zoon van vijftien draait WorldTour-trainingsprogramma’s en rijdt nu al waarden die ik als beginnend prof pas haalde.” Gevolg: dat peloton is met de jaren dichter geworden, vooral in kwaliteit, en dat resulteert in een grote snelheid van dat hele pak.

Het belangrijkste argument om doping vooralsnog uit te sluiten is de totale afwezigheid van concrete geruchten. Sinds het eerste gebruik van doping wist iedereen in en rond het peloton wat er werd gebruikt, te beginnen met amfetamines, later cortico- en anabole steroïden en vanaf de jaren negentig erytropoëtine. Men wist wat aan de hand was, maar er werd over gezwegen en door de pers niet over geschreven of gesproken. Vandaag zijn dat geruchtencircuit en de heen- en weerbeschuldigingen onbestaand, ondanks een nooit eerder zo groot verloop tussen de ploegen.

De verdachtmakingen vandaag zijn vooral gebaseerd op het begrip watts per kilogram lichaamsgewicht dat in klimprestaties wordt gehanteerd. Zo zou Pogacar tijdens de 23 minuten lange klimtijdrit naar Peyragudes 7,3 watt hebben geleverd. Volgens sportfysiologen correspondeert dat met een maximale zuurstofopname van minstens 96. Hoewel daar geen absolute bovengrens op zit – misschien is Pogacar wel een poolhond want die gaan tot 200 – is 96 zo onwaarschijnlijk hoog dat er ergens sprake moet zijn van een systeemfout.

Watt per kilo is een waarde bij benadering, gebaseerd op de snelheid waarmee wordt geklommen en gecorrigeerd volgens omgevingsfactoren. Vervolgens wordt alles teruggerekend naar een standaardrenner van 60, 65 en soms zelfs 70 kilo. Onnodig te zeggen dat de foutenmarge daarop erg groot is en de toprenners hebben geen zin om de juiste data te delen.

Zo wordt de drafting (in het zog rijden) wellicht schromelijk onderschat, evenals de (stijg)winden. De snelle tijden op de Ventoux hebben alles te maken met de tactiek van Visma om de hele klim tempo te maken. Pogacar reed daar het zwaarste deel van de klim in derde of vierde positie en dat is de gunstigste plek om te zitten.

In een snel peloton praat je op plek vier over een besparing tot 70 procent vermogen. Pogacar won en leverde minder vermogen dan Vingegaard. Dat was op de Ventoux, officieel 1.910 meter, maar de aankomst ligt in werkelijkheid op 1.897 meter, nog een aanwijzing dat er met het begrip watt per kilo heel veel mis is.