Column over de marathonrecords (en de schoenen) in De Morgen van maandag 29 april 2019

It’s the shoes, stupid

Kent u deze nog: de Speedo LZR Racer…, zwemmen…, records…, doet het een belletje rinkelen? Tussen februari 2008 en juli 2009 werden 140 wereldrecords gezwommen in een revolutionair pak. Op één WK alleen flashte 43 keer New World Record op het scorebord. Dat was een probleem en de LZR Racer werd kort daarna verboden. We zijn tien jaar later en het heeft er alle schijn van dat de topsport opnieuw voor een dilemma staat, niet door de minsten omschreven als technologische doping.

Eerst even dit. Mijn respect voor hun prestaties is immens en ik wil de heren Koen Naert (2u07:39, verbetering met 2:11 in Rotterdam) en Bashir Abdi (2u07:03, verbetering met 3:42, gisteren in Londen) in de eerste plaats feliciteren en vooral niet voor het hoofd stoten. Maar… na de marathon van Rotterdam dit jaar ging al een lichtje branden toen zeven van de eerste acht lopers in Nike-schoenen over de meet kwamen en de meesten hun persoonlijke besttijden verpulverden.

Na de recordtijden gisteren in de London Marathon met weeral bijna uitsluitend Nike-lopers voorin, moeten we als journalist serieus blijven: it’s the shoes, stupid. Of toch voor een deel. Hoe groot dat deel is, daar hebben we het raden naar – of niet, zie verder – maar het is hoogst onwaarschijnlijk dat deze progressie volledig toe te schrijven is aan de atleet.

Zowel Koen Naert als Bashir Abdi lopen op Nike. Naert liep nog op de ‘oude’ Vaporfly 4%, een schoen die een spin-off is van het prototype waarmee Eliud Kipchoge op 6 mei 2017 op twintig seconden na faalde in zijn poging om een marathon onder de twee uur te lopen. In september vorig jaar liep hij op die schoen met 2u01:39 een echt wereldrecord in de supersnelle marathon van Berlijn.

Die 4% in de naam van de schoen duidt op de verbeterde loopeconomie. Bij een test aan de University of Colorado lieten zestien lopers een verbeterde economie tussen 1,59 procent en 6,26 procent optekenen. Het gemiddelde was die vier procent, niet hetzelfde als vier procent sneller lopen. Voor de toppers werd uitgegaan van twee procent sneller, iets meer of iets minder kon ook. Twee procent is iets meer dan twee minuten.

Een studie van de top 100-marathonlopers, mannen en vrouwen, laat duidelijk zien dat de tijden sneller worden na de introductie van de Vaporfly 4% in juli 2016. Dat werd trouwens bevestigd door een onderzoek via Strava in de New York Times: ook de recreanten op Vaporfly liepen sneller.

Opmerkelijk dat Nike durfde uit te pakken in de naamgeving van de schoen met dat voordeel. Dat durfden ze niet in 2000, toen ze de Nike Shox introduceerde. Die schoen suggereerde veertjes in de zool en hoewel het niet om veertjes ging en Nike nooit uitsprak dat je er hoger kon mee springen, gaven ze wel die indruk. Wat ook hielp, was de fenomenale dunk van Vince Carter eerder dat jaar op de Olympische Spelen van Sydney. Die sprong zo hoog dat hij over het hoofd van de Franse centerspeler Frédéric Weis vloog. Weis was (en is, hopelijk voor hem) 2m18. Carter droeg toen prototypes van de Shox.

Veerkracht of een energierespons vanuit de schoenen is iets waar de schoenenindustrie al decennia gek op is, sinds een pionier bij Nike op zoek ging naar meer schokdemping en rubberen zolen goot in het wafelijzer van zijn vrouw. Ga een stap verder en je krijgt een schoen die je moeiteloos door de zweeffase helpt.

Bij de Vaporfly 4% en Next% is dat voordeel aanwezig. Hoe dat komt? Ze hebben een gebogen carbonplaat in de schoen. Niet zo dik als in de fietsschoenen, maar dik genoeg om een stijfheid te induceren die profijt geeft bij elke pas. Daarnaast zit er in de middenzool ook nog een speciaal schuim, maar of dat nu zoveel verschil maakt, is niet duidelijk. Andere schoenmerken hebben ook schuim.

De oranje Vaporfly 4% is enkele dagen geleden vervangen door de gifgroene ZoomX Vaporfly Next%. Dus nog meer procenten progressie? Dat laatste valt te betwijfelen, maar ongeveer de volledige kopgroep gisteren in Londen liep in de nieuwe Vaporfly Next%, zo ook onze Bashir Abdi.

Twitter verhitte al na Rotterdam maar na Londen is het hek van de dam.

Je kan in deze discussie twee standpunten innemen: “foei, verbieden die schoenen” of “doe maar, sport en technologie gaan hand in hand”.

Of de schoenen ooit worden verboden zoals de zwempakken is lang niet zeker. Nike is in tegenstelling tot Speedo een miljardenbedrijf en andere schoenmerken azen op een gelijkaardige schoen. Met technologische evolutie is niets mis, maar een sport die niet Formule 1 heet heeft een probleem als het schoenenmerk even belangrijk is als het atletisch vermogen.

 

It’s the shoes-mail

Column Straffen en Hard of Propere Handen in De Morgen van zaterdag 27 april 2019

Straffen, en hard

Degradatie voor KV Mechelen en Waasland-Beveren, naast het royeren uit het voetbal van al wie zich actief en passief – niet onbelangrijk – schuldig heeft gemaakt aan corruptie. Dat wordt geëist door het bondsparket en dat is niet onlogisch, want zo staat het in de reglementen. Alleen, het staat er niet heel duidelijk in. Alvast niet letterlijk, en dus wordt niet door de minste specialisten juridische munitie aangesleept om de degradatie te ontwijken.

Een van de discussiepunten is een bondsartikel waarin staat dat de straf vóór 15 juni van dat jaar had moeten worden opgelegd. Een ander artikel spreekt dan weer over een verjaring van acht jaar. Het zullen echt niet de enige bondsreglementen zijn die rammelen. Dat laatste overigens met grote instemming van de clubs, die daar al jaren garen bij spinnen en in beroep altijd weer een straf teruggedraaid zien. Voor het Arbitragetribunaal worden de meeste straffen zelfs geschrapt, simpelweg omdat zelfs de slimste kat in die bondsreglementen haar jongen niet terugvindt.

Even terzijde, je zult dat ook zien in de Anderlecht-case naar aanleiding van de afgebroken wedstrijd bij Standard. “Het is niet bewezen dat het onze fans waren”, zegt de clubleiding. Alsof niet-Anderlechtfans een kans maken om bij een uitwedstrijd naar Standard in het Anderlechtvak te geraken en daar bij toeval dan een paarse vuurpijl afschieten. Die wedstrijd met gesloten deuren komt er niet.

Maar goed, het ging hier over Waasland-Beveren-KV Mechelen. Naast de juridische munitie wordt ook emotionele munitie in stelling gebracht. Kun je een club sportief straffen voor wat haar bestuur heeft uitgevreten? Kun je andere clubs laten profiteren van een postume degradatie terwijl zij niet de benadeelde club waren? De eerder benadeelde club, hoe zit het daarmee, kan die nog genoegdoening eisen?

Dat laatste is nu toevallig een non-argument omdat de omkopende partij niemand heeft benadeeld. Ze kochten om, of probeerden minimaal de uitslag te beïnvloeden, maar het volstond niet. Gerechtigheid geschied, dan maar? Ook niet natuurlijk. Er zullen eeuwig twijfels blijven hangen over die onzalige Eupen-Moeskroen en de Qatar-connectie tussen beide clubs. Overigens, hadden de spelers van Eupen (en hun makelaars) geen meldingsplicht toen ze net voor de cruciale wedstrijd thuis tegen Moeskroen werden ingefluisterd dat er interesse was van KV Mechelen? Ooit, maar wellicht langer dan acht jaar na datum, komen we het misschien allemaal te weten en tot dan blijft het bij gissen.

Het is natuurlijk zonde als een bloeiende, ambitieuze club met een prachtige achterban als KV Mechelen niet in eerste klasse speelt. Of het ook zonde zou zijn als Waasland-Beveren uit eerste klasse verdwijnt, daar is al minder consensus over. Schone tribune, dat wel, en redelijk goed gewerkt de laatste seizoenen. Geen groeipool evenwel, maar toch meer potentie dan het sterfhuis SK Lokeren. Over die lachende derde in Lokeren werd kapitein Killian Overmeire van de week iets gevraagd op de radio en hij kreeg net geen tongzoenen van de redactie nadat hij met de hand op het hart had verklaard dat hij niet zit te wachten op het ongeluk van een ander om daar zelf beter van te worden.

Hoe edel en wat slim gezegd, maar het klopt natuurlijk van geen kanten. Overmeire en heel Lokeren hopen maar al te zeer dat Waasland-Beveren moet zakken. Stel je voor, de gehate tegenstander met wie om de hegemonie op de akkers tussen Gent en Antwerpen wordt gestreden die móét zakken en Sporting Lokeren dat mág blijven, hoe mooi kan het leven zijn?

Terug naar de hamvraag: mag je een hele club straffen – spelers, supporters en alles wat daarrond leeft – omdat enkele bestuurders zich hebben misdragen? Mijn standpunt is: ja, ja en nog eens ja. Maar ik heb evengoed begrip voor wie neen zegt. Alles is terug te voeren op een andere vraag: wat is een voetbalclub?

Is dat een community van goedmenende mensen, soms vrijwilligers, die uren voor de club in de weer zijn tegen – als ze daarvan weten – 500 euro per maand vrijgestelde vergoeding, geschraagd door fans die al generaties lang die kleuren aanhangen en die hun bruto familiaal geluk aan de resultaten van hun clubje ophangen, een soort opvangtehuis voor verarmde emoties dus?

Of is een voetbalclub een import-exportbedrijf van hoofdzakelijk niet-Europees talent of hele jonge spelers, die gigantische sectorale voordelen geniet, waarmee je in eerste klasse met een beetje geluk serieuze winst kunt maken, die haar spelers 350.000 euro gemiddeld betaalt en haar bestuurders/managers laat meegenieten op de transfers, waar de communitywerking als schaamlapje dient en de supporters gewoon klanten zijn?

Nogmaals, helemaal zeker ben ik niet, maar ik neig naar de stelling het tweede. In dat geval: straffen en hard. Dus: degraderen en royeren.

 

 

STraffen en hard

Verhaal over De Mens die MOET lopen om te overleven in De Morgen van zaterdag 27 april 2019

Lopen, zowat het domste wat de mens ooit is gaan doen

Homo currens, de lopende mens:aap

Die moderne spelende mens, de homo ludens, op zoek naar bevrediging, bevestiging of voldoening is een uitvloeisel van iets wat wij mensen als beste kunnen van alle zoogdieren met wie we ooit strijd hebben geleverd: een gemiddelde inspanning heel lang volhouden. Onder de primaten zijn wij de vreemde aap in de bijt, de homo currens of lopende mens.

De eerste officiële loopwedstrijd om de sport van het lopen en om als eerste aan te komen – waarvan we tenminste het bestaan kennen – is georganiseerd door de Grieken op hun Olympische Spelen in 776 voor Christus. Die race duurde niet eens 200 meter,
een sprint dus. Later leerden we door de boodschapper Phidippides dat de mens ook veel en veel langer kan lopen, al bezweek de moedige koerier wel toen hij net uit Marathon was gearriveerd met zijn goede nieuws. Ter verschoning: hij had volgens de overlevering in de dagen daarvoor ook al een retourtje Athene-Sparta onder de leden en dat is toch al gauw 500 kilometer.

Vandaag is de Spartathlon tussen Sparta en Athene een van de bekendste ultralopen ter wereld. Al miljoenen jaren beseft de mens maar al te goed dat geen zoogdier langer kan lopen. Onze voorouders liepen om te leven en ook voor de homo erectus, de rechtop lopende mens, lag er een eindstreep met de bijbehorende voldoening. Niet de trotse familie of het liefhebbende lief om in de armen
te vallen, maar de bejaagde prooi die zich uitgeput overgaf in de ongelijke strijd tegen dat roofdier met die fenomenale uithouding – de mens.

‘Born to run’. Dat zingt Bruce Springsteen en hoewel hij het anders bedoelde en het over ‘tramps like us’ had, het klopt helemaal: de mens is gemaakt om te lopen, om lang te lopen, om veel te lopen, en daarvan afgeleid, om minimaal op gezette tijden te bewegen. Goed nieuws? Jazeker, maar er is een maar: de mens die zijn biologie en zijn antropologie verwaarloost en te weinig fysieke activiteit aan de dag legt, zal dat cash betalen in gezondheidsproblemen. Een dier heeft daar minder last van en onze neef de aap al helemaal niet.

Wij zijn niet de allerbeste langeafstandslopers van het dierenrijk, laat dat even vooropstaan, maar onder de zoogdieren behoren we bij de absolute top. Sledehonden en kamelen zijn nog een stukje beter voorzien van uithoudingscapaciteiten. Die zouden makkelijk de marathon, die de snelste mens nu in goed twee uur loopt, in 1u20′ of zelfs één uur afhaspelen.

Dieren zijn over het algemeen óf erg snel óf kunnen erg lang lopen. De gaffelbok is de uitzondering: die haalt snelheden tot 100 kilometer per uur én kan in een uur lang haast 50 kilometer afleggen. In zijn habitat, in Noord-Amerika, heeft de gaffelbok geen vijanden meer die zo lang en zo snel kunnen lopen, tenzij dan een dier dat hem in de eerste meters zou verrassen.

Dieren (en ook mensen) hebben hun specifieke fysieke capaciteiten ontwikkeld om te overleven. Zo is de gaffelbok om hem een kans op overleven te geven, net iets sneller dan de jachtluipaard, al is die uitgestorven in Amerika. De Afrikaanse jachtluipaard is dan weer de Usain Bolt van het dierenrijk, maar moet na 250 meter tegen 100 per uur topsnelheid wel weer gaan rusten. De mens tegen de jachtluipaard is een ongelijke strijd: de eerste tien seconden verlopen in het voordeel van de jachtluipaard, maar daarna neemt de mens de bovenhand en dat beseft de jachtluipaard maar al te goed. Vandaar dat hij zich snel uit de voeten maakt als hij mensen ziet.

De lopende aap

Om onze uitzonderingspositie in het dierenrijk en meer in het bijzonder in de familie van de primaten te begrijpen, moeten we tussen de 7 en 6 miljoen jaar terug. Een verandering in menselijk gedrag viel samen met een verandering in anatomie en een gewijzigde fysiologie. Dat alles getriggerd door zelfbehoud, om te verhinderen dat de mensensoort zou uitsterven.

Lange tijd is aangenomen dat de ontwikkeling van de mens parallel met de apensoorten die we vandaag kennen, er een was van gedrag en van anatomie, versterkt door onder meer ecologische veranderingen. Het resultaat was een jager-verzamelaar met een steeds grotere herseninhoud, almaar ingewikkelder gereedschap en een continu groeiend lichaam.

Recente bevindingen, onder meer van evolutionair antropoloog Herman Pontzer van het Amerikaanse Duke University, die in Oeganda in het Kibale National Park de chimpansees bestudeerde, laat een ander licht schijnen op deze evolutie. Ook het fundamenteel functioneren van onze cellen is door de geschiedenis heen veranderd. Totaal verschillend van onze neven en nichten de apen en apinnen, zijn wij mensen afhankelijk geworden van fysieke activiteit. De mensensoort is zo geëvolueerd dat ze moet bewegen om te overleven, in tegenstelling tot de apen die een hele dag op hun luie kont kunnen zitten.

Herman Pontzer: “Een dag in de jungle ziet er voor een chimp hetzelfde uit als die van de gepensioneerde op een cruiseschip in de Caraïben. Wakker worden, fruit voor ontbijt en buikje vol eten, dan een tukje doen want moe van het eten, misschien even de vacht schoonmaken. Na een uurtje weer een vijgenboom zoeken en buikje opnieuw vol eten, gevolgd door socializen, weer wat persoonlijke hygiëne en nog een slaapje. Tegen vijf uur steekt de honger weer de kop op en gaat de aap eten, fruit, met een blaadje tussendoor. Daarna wordt het stilaan tijd om een nest te zoeken in een boom en te slapen, een uurtje of tien.”

Alle apen zijn lui, of wat volgens onze normen geldt als ‘lui’. Grote apen rusten tien uur op een dag en slapen ook nog eens negen tot tien uur. Klimmen, zo vond Pontzer, beperkte zich tot 100 meter of het equivalent van 1,5 kilometer wandelen voor een mens. Dat wat de chimpansees betreft, gorilla’s verzetten nog minder arbeid.

Vandaag zet de gemiddelde Amerikaan 5.000 stappen per dag, terwijl dat er 10.000 zouden moeten zijn om niet in de cardiologische en andere gevarenzones te komen. Omgekeerd, als een aap die dagelijkse arbeid zou moeten leveren, komt hij ook in de problemen.

Ooit leefden onze verre voorouders als apen en kwamen ze absoluut niet aan 10.000 stappen per dag. De homininae, de oudste tak van de mensachtigen, die 7 tot 6 miljoen jaar geleden leefde, liep al wel hoofdzakelijk op de achterste poten maar was meer aap dan mens en had een dieet van vruchten en planten. Zijn opvolger, de Ardipithecus (4,4 miljoen jaar geleden), had lange armen, goed voor het betere zwierwerk door de bomen, maar liep ook vooral rechtop. (Apen kunnen ook rechtop lopen als het moet, maar hun bekken is minder geschikt om dat lang vol te houden.)

Tussen 4 en 2 miljoen jaar geleden leefde de Australopithecus, van wie Lucy de bekendste is, en die heeft een anatomie die nog meer gericht is op een bestaan op de grond, rechtop lopend. Dat bood gaandeweg een ander perspectief voor de voedselvoorziening, de voornaamste bezigheid van onze voorouders: lopend kon meer afstand worden afgelegd op zoek naar de nodige calorieën. Andere habitats zoals de savanne konden worden bejaagd. De sedentaire planteneters werden over een tijdspanne van miljoenen jaren nomadische jagers en voedselverzamelaars. Dat betekende kilometers maken en gaandeweg moest ook het metabool systeem zich aanpassen.

De mens maakte het zichzelf niet makkelijk door steeds verder voedsel te gaan zoeken. De uithouding verbeterde wel en met de hulp van werktuigen en de ontwikkeling van het brein werd de transitie van herbivoor tot carnivoor een succes. Carnivoren ontwikkelden grotere breinen, niet omdat ze vlees aten, maar omdat het zoeken naar en het verschalken van hun prooi hun intelligentie ontwikkelde.

De homo sapiens van 300.000 jaar geleden legde al 14 kilometer per dag af, hoofdzakelijk om de prooi uit te putten. De homo sapiens had al een aangepast hormonaal systeem vergeleken bij de Australopithecus. Door hun fysieke activiteit kwamen hormonen vrij die vandaag ook bij lopers vrijkomen en het zogeheten runner’s high veroorzaken. Het ene effect versterkte het andere, wat resulteerde in een vorm van training, waardoor de mens uiteindelijk uitkwam op een maximale zuurstofopname, vier keer hoger dan de chimpansee.

We hebben meer trage vezels en meer rode bloedcellen dan de apen. Allemaal winst, maar hebben we dan niks ingeleverd? Jawel, snelheid en kracht. Vergeleken met onze verre familieleden zijn we veel minder snel of krachtig.

Toen we van de jungle naar de savanne migreerden en langere benen, dikkere spieren, grotere voeten en zweetklieren ontwikkelden, hebben we een gen ingeleverd. Om correct te zijn is het CMAH-gen nog steeds aanwezig in de mens, maar het is gemuteerd naar een non-actieve variant. Proeven met muizen waarbij door genetische manipulatie het gen ook op non-actief werd gezet, wezen uit dat muizen met een non-actief CMAH-gen anderhalve keer verder konden lopen dan hun collega’s die een nog actief gen in zich hadden.

Ingebouwde airco

De lopers in Londen, Antwerpen of Damme – waar morgen de mooie loop naar Brugge en terug doorgaat – hebben geluk met het weer. Elke loper weet dat 15 graden of kouder een ideale temperatuur is. Alles hoger doet het lichaam stomen en het menselijk afkoelsysteem dat dan in werking treedt, vreet energie die ten koste gaat van het lopen zelf.

Nochtans is de mens het enige dier dat standaard wordt geleverd met een efficiënte ingebouwde airco. Dat wij zo lang kunnen lopen, hebben we te danken aan het beste koelsysteem ooit ontwikkeld in het dierenrijk. Wij hebben geen vacht (meer), wij hebben tussen 2 en 4 miljoen zweetklieren, we lopen rechtop waardoor de zon minimale impact heeft op onze huid en we onze longinhoud maximaal kunnen aanwenden. Viervoeters als honden moeten hijgen om af te koelen, paarden en kamelen zweten ook, maar minder efficiënt waardoor ze na een uur sneller afgemat raken en trager worden dan de mens.

Geboren om te lopen, jazeker, maar dat is niet hetzelfde als een aangeboren uithouding. Alles is aanwezig om die te ontwikkelen, maar daarvoor moeten we wel wat doen: wij moeten trainen. Onze energiekost per stap die we zetten is van de hoogste van alle dieren. Onze loopeconomie is die van een oude twaalfcilinder: we verstoken energie in een ongezien tempo en daardoor warmen we zo snel op.

Het grote verschil met de dieren is de menselijke motivatie om te lopen. Wij kunnen onze psyche zo manipuleren dat, ook al doet het pijn, ook al hebben we geen zin, we toch gaan hardlopen. Hoeveel zouden er morgen niet aan de start staan die al diepe spijt hebben maar toch starten? Een dier dat geen zin heeft in lopen, heeft stokslagen nodig om in gang te geraken, anders verzet het geen poot.

Door die training kunnen we beter worden. De lopers die hebben getraind om beter te worden, willen dezelfde afstand sneller afleggen, of tegen een bepaalde snelheid langer kunnen lopen.

En dan zijn er nog de biomechanische aanpassingen: onze pezen en gewrichtsbanden kunnen vijftien tot twintig keer meer elastische energie opslaan dan ons naaste familielid, de chimpansee. Het is die energie die ons in staat stelt om ons voort te bewegen, weze het tegen een trage, maar volgehouden snelheid.

De uithoudingscapaciteit en het vele lopen resulteerden in een verbeterde fitheid van de homo sapiens en voorouders, wat danweer goed van pas kwam in de zoektocht naar hoogcalorisch voedzaam eten. Toppunt van cynisme toch dat de hedendaagse homo sapiens de calorieën zonder enige moeite in de mond komen gevlogen en dat die loopt en beweegt om de negatieve gevolgen van het overdadig aanwezige voedsel te neutraliseren.

Leven en vooral rusten en niksen als een aap is voor ons mensen de rechte weg naar het graf. Een Australische studie verschenen in het British Journal of Sports Medicine berekende ooit dat elk uur gezeten voor de televisie het leven met 22 minuten verkort. Wie alle afleveringen van Game of Thrones heeft bekeken, heeft al een dag van zijn leven ingeboet.

Voor wie bewegen en sport allemaal zever, gezever vindt, er is een effectieve manier om vooral níét getraind te geraken. Meer zelfs, je kunt je lichaam immuniseren tegen de positieve, of negatieve zo u wil, effecten van oefening: neem een kantoorbaan, pakweg als journalist, zit het grootste deel van de dag, kom thuis, ga zitten en kijk dan tv. Een studie aan de University of Texas verschenen in
The Journal of Applied Physiology toonde aan dat vier dagen van hoofdzakelijk zittend werk volstonden om het effect van een uur doorgedreven lopen op een loopband teniet te doen. Correctie, er was een kortdurend effect op het metabolisme, maar bij de testgroep die minder uren zat, bleven de metabole effecten langer duren.

Professor Ed Coyle van The University of Texas zet nu in op een vervolgstudie: “Er zijn aanwijzingen dat ook één dag zitten achter een bureau, zonder oefening tussendoor of nadien, al een negatieve invloed heeft op het trainingseffect. Wij vermoeden dat 8.000 tot 10.000 stappen per dag zouden kunnen volstaan om het systeem in staat van paraatheid te houden om de positieve effecten van het sporten te prolongeren.”

Dat is wat men in de VS denkt, waar het sedentarisme en de obesitas hoge toppen scheren. In het veel gezondere Canada, waar
in de jaren 70 al studies verschenen over de effecten van bewegen op de gezondheid, heeft men het advies om te bewegen tegen een gemiddelde of hoge intensiteit (niet onbelangrijk!) opgetrokken tot 150 minuten per week verspreid over sessies van minstens 10 minuten.

Bewegen is ons lot, of we het nu willen of niet. Wij mogen dan de apen als naaste familie hebben, wij zíjn geen apen. Zelfs apen in gevangenschap konden hun metabolisme zo reguleren dat ze niet aankwamen en dat hun vetpercentage gelijk bleef. Des te minder arbeid ze leveren, des te beter ze in vorm zijn, zo lijkt het wel. Zelfs in de zoo waar het eten hen in de mond komt vliegen, is diabetes bij apen een rariteit. Hoewel hoog in de cholesterol hebben ze toch geen dichtgeslibde en verkalkte aderen. Hartproblemen, daar hebben de heer en mevrouw aap evenmin van gehoord.

De mens daarentegen… “Oefening is niet optioneel voor de mens,” zegt Herman Pontzer, “het is verplicht.” Maar het is een fabeltje dat je van sporten en bewegen vermagert. “De Hadza-jager-verzamelaars uit het noorden van Tanzania hebben nog steeds dezelfde energie-output als hun verre voorouders. Hun fysieke activiteit per dag overstijgt die van de gemiddelde Amerikaan per week, maar ondanks dat ze een hele dag in de weer zijn, verbranden ze maar evenveel calorieën als de Amerikaanse couch potato. Door oefening krijg je wel een efficiëntere verbranding, ons lichaam gaat beter werken.”

De Hadza staan ook nog bekend om hun gezondheid: geen diabetes, geen hartproblemen, gezonde natuurvoeding en genoeg beweging. Bovendien leven ze in een gezonde omgeving zonder pollutie en is hun samenlevingsvorm gebaseerd op gelijkheid en een sterke familieband. Ook dat is te overwegen.

Bewegen is winst

Om het hoofd te bieden aan alle negatieve invloeden, zoals stress, zittend leven en te veel calorieën, hebben wij westerlingen geen andere keus dan ons metabool systeem voortdurend in gang te houden en beter nog, uit te dagen van als dat even kan. De winst krijgen we aan het eind van het leven terug in lengte van jaren en in kwaliteit. Het Midas Dekkers-argument dat sporten de snelste weg is naar de dood, wordt door alle wetenschappelijke studies weerlegd.

Het is net andersom: sporten of bewegen verlengt het leven. Alleen jarenlang intensief sporten op hogere leeftijd zou een verhoogd gevaar kunnen inhouden op een hartaandoening, en ook daar zijn de studies niet eenduidig. De positieve effecten overstijgen zelfs bij intensief sporten altijd de negatieve. Wie voldoende beweegt, gaat minder vroeg dood en leeft langer. Wie meer dan voldoende beweegt, gaat nog later en nog gezonder dood.

Ook The Lancet kwam vorige zomer tot die conclusie na een review van dertien studies. Langer zitten verhoogt merkelijk het risico op voortijdig overlijden. Zeven tot acht uur per dag zou het maximum mogen zijn. Elk uur langer en de kans op voortijdig doodgaan stijgt met 5 procent. Alleen mensen die extreem actief zijn en vijf keer meer bewegen dan normaal, kunnen ongestoord de aap uithangen, in dit geval zo lang zitten en liggen als ze willen.

 

Column Game Changer over Mathieu VDP na de AGR in De Morgen van dinsdag 23 april 2019

Gamechanger

Wanneer en waar hebben we dat nog gezien? In een mannenklassieker van dat niveau? Vier kilometer op kop sleuren, één minuut goedmaken, over de koplopers gaan en vervolgens de sprint winnen.

Nu ja, sprint… Eén renner dacht dat hij misschien, wie weet, uit het wiel zou kunnen komen van de man die zich de pleuris had gereden en zo jeugdig overmoedig was dat hij dacht nog jus over te hebben om als eerste aan de meet te komen. Hij sprintte mee, maar jammer, eindigde op een fietslengte. Hij stond nog net op de foto en was daar zo blij om dat hij na afloop gelukkiger leek dan de winnaar zelf die hij uitbundig op de schouder kwam kloppen. “Wtf, I was part of history”, zal Simon Clarke gedacht hebben. Nog een andere renner was iets eerder de sprint begonnen, maar herinnerde zich plotsklaps hoe hij eerder in de week op Schavei in de Brabantse Pijl ongenadig was gedegradeerd tot een tweedeklasser. Dat ging toen flink bergop en nu was het zo goed als plat, kansloze missie dus, en hij ging al gauw zitten.

Waar we dat nog gezien hebben in een wedstrijd van dat niveau? Ik als klein manneke, van mijn jeugdheld nog wel. Ik dacht op de Via Roma, maar ik kan mij vergissen. Een renner dacht Milaan-Sanremo te gaan winnen, toen daar ineens vanuit het niets Eddy Merckx kwam aanstormen, hem inhaalde en ter plaatse liet. Dat was Mathieu van der Poel zondag in de Amstel Gold Race: hij was Merckx.

“Misschien is hij wel de nieuwe Merckx”, zei zijn ploegleider Christoph Roodhooft met tranen in de ogen en hij gooide er snel een sorry achteraan. Dat had niet gemoeten. De vraag stellen is al lang geen blasfemie meer. Of Mathieu van der Poel de nieuwe Merckx is, zullen we pas over een jaar of tien weten en dan zullen we geen palmaressen mogen vergelijken.

Elf grote rondes, zoals die vandaag voor klimmers zijn geconcipieerd, vergeet het. Aan negentien monumenten en 525 overwinningen geraakt Van der Poel ook nooit, zelfs niet als we daar de crossen bijtellen, maar dit voorjaar zit hij alvast aan een Merckxiaans gemiddelde van winst in één op drie koersdagen. Raakt hij niet ingesloten in Wevelgem en heeft hij geen pech in de Ronde van Vlaanderen, dan won hij die ook en is het één op twee keer prijs.

Je kan en mag geen tijdperken vergelijken. Grenzeloze bewondering voor deze ex-renner, maar Roger De Vlaeminck is manifest fout als hij beweert dat het vroeger lastiger was om koersen te winnen dan vandaag. Het is andersom. Vroeger kon de sterkste renner het makkelijker halen in een peloton van honderd man waar het vaker één tegen één ging. Vandaag zijn de ploegconsignes zo streng dat de beste renner, als hij in de tang zit (en het gaat niet ongenadig bergop), altijd kan verliezen.

Half januari interviewde ik Mathieu van der Poel. Hij moest toen nog wereldkampioen veldrijden worden en die paar wedstrijden op de weg tussen de grote jongens, dat was maar een uitlopertje om te proberen. Ik vroeg toen wat hij ervan vond als ik zou schrijven dat hij het grootste talent op twee wielen was sinds Merckx. (Jawel, soms zijn we hier visionair ;-)) Hij schokschouderde een keer, keek naar Christoph, en glimlachte. “Schrijf maar, dat doet mij niks”, zei hij.

Die onbevangenheid, randje s’en foutisme, daarin verschilt hij alvast van Merckx. Een beetje probleemstelling voor de voeten van Eddy Merckx en die kroop/kruipt in zijn schulp. Geklopt worden, betekende bij Eddy korte nietszeggende antwoorden en de blik op huilen. Soms was het zelfs de fout van een ander. Merckx kon niet goed tegen zijn verlies. Van der Poel misschien nog minder, maar hoe extravert ook, hij zal het niet in het openbaar tonen. Geef hem een ambetante vraag en hij beantwoordt ze.

Wat ze wel gemeen hebben, is het gevoel voor drama. Dat gaan liggen na een overwinning, Merckx deed dat ook wel eens. Ook die nooit aflatende honger naar de fiets. Naadloos van het crossseizoen in het wegseizoen stappen en daar nog eens een verlengstuk aan breien in het loodzware mountainbike, om dan vervolgens weer via de weg aan de cross te beginnen zoals Van der Poel, dat deed Merckx op zijn manier. Van de klassiekers naar de grote rondes en terug. Zijn winterse crossen waren zesdaagsen, in die tijd nog iets lastiger dan vandaag.

Neen, nooit komt er nog een nieuwe Merckx, maar Van der Poel benadert hem het dichtst: die panache, die branie, die uithouding, die dash, dat roofdierachtige. Eddy was disruptief nog voor het woord was uitgevonden, Mathieu is dat een halve eeuw later evengoed.
In elke sport komt om de zoveel tijd een atleet die alles op de kop zet. Het zijn de gamechangers waar elke sport om snakt, gezonden door een hogere sportmacht.

 

Game Changer

Column Hands in De Morgen van zaterdag 20 april 2019

Hands

Wie niet heeft gevoetbald, kan/ mag niet over voetbal praten! Cafévoetbal of schoolvoetbal is een begin, maar hoe hoger het voetbalniveau, des te groter de praatjes. Neem nu het geval Roeslan Malinovski, de Oekraïner die zijn been en voet tegen alle wetten van de fysica en biomechanica naar links liet vallen terwijl hij naar rechts lag gekeerd. Neutrale toeschouwers zagen er meteen een opzet in.

Opzet om het hoofd van Birger Verstraete tot bloedens toe te treffen? Dat nu ook niet. Wel opzet om de man die hem had omvergetrokken een tik uit te delen, of minimaal niet als eerste te laten opstaan. Of nog: uit revanche, zoals hem weleens eerder was overkomen. De reactie van Genk was begrijpelijk: geen fout, geen straf. Die van de analisten was vreemd: die vonden het ook geen fout en dus verdiende hij geen straf.

Ik heb met een van die gasten achteraf een boom opgezet en al snel gaf hij toe: tuurlijk was het opzettelijk, maar allee, het was toch niet meer dan een normale reactie en je wilt Malinovski voor zo’n bagatel tegen Gent toch niet schorsen voor die kapitale wedstrijd tegen Brugge?

Daar viel veel voor te zeggen, maar reglementen zijn reglementen. Als de scheidsrechter en de VAR iemand uitsluiten met erbovenop een gedetailleerd rapport dat uitgaat van opzet, dan lijkt een straf op zijn plaats. Zeven speeldagen vragen was wel wat overdreven, wetend dat Axel Witsel in 2009 voor zijn doodschop op Marcin Wasilewski, waarbij de Pool een dubbele beenbreuk opliep, maar acht wedstrijden kreeg en een boete van ocharme 250 euro.

Die eis van zeven speeldagen was het sein voor de analisten om bondsprocureur Kris Wagner als ongeloofwaardig weg te zetten, daarbij voorbijgaand aan het feit dat die functie nu eenmaal een advocaat-van-de-duivelgehalte inhoudt. Maar Wagner had niet gevoetbald en wie niet heeft gevoetbald, mag zich volgens de analisten en sommige journalisten die twee derde van hun leven in voetbalstadions hebben doorgebracht niet over heikele kwesties in het voetbal uitspreken.

Het is nochtans andersom: belangrijke dingen in de sport mag je vooral niet aan de sport(ers) zelf overlaten. Dat gaat op voor de veiligheid en de doping in het wielrennen, maar evengoed voor de zeden en gewoontes in het voetbal. Zelfs reglementen laat je beter niet over aan voetballers en al helemaal niet aan ex-voetballers die er een bijverdienste als analist op nahouden.

De handsregel leek nergens op, aldus de analisten/journalisten, want die was niet opgesteld door mensen die wisten hoe voetbal werd gespeeld. Om een punthoofd van te krijgen.

Van de week was er de hoekschop die Fernando Llorente in doel werkte namens Tottenham tegen Manchester City. Dat was een schoolvoorbeeld: de bal kwam tegen de arm of de hand, dat was niet zo duidelijk, maar beiden waren netjes tegen het lichaam. Vandaar niks aan de hand toen de bal doorschoot naar zijn heup en zo achter het levend fresco Ederson in doel belandde.

“Ik weet het niet meer, wat nu al dan niet hands is”, jammerde Vincent Kompany. Hoezo niet weten? Hoe duidelijk kan het zijn? Een bal tegen een hand of arm los van het lichaam is hands. Vrijwillig of niet, beweging of niet, doelgevaar of niet, het belangrijkste criterium is voortaan of de armen los van het lichaam zijn.

Los is strafschop, tegen het lichaam is geen strafschop. Dit is geen verkeerde regel. Een sport die vastgeroest zit in oude gewoontes en zich niet kan aanpassen, is verkeerd. In andere sporten heeft men daar blijkbaar minder moeite mee. In basketbal is hand checking (de verdediger die de aanvaller voelt en afhoudt) ook van de ene op de andere dag strenger bestraft. In hockey weet elke verdediger dat als de aanvaller in het aanvalsvak komt, hij zijn onderste ledematen moet beschermen of desgevallend moet opspringen want als de bal tegen voet of been komt, is het strafcorner.

De consequentie van die regel is dat voetballers in het strafschopgebied voortaan hun handen en armen naast het lichaam moeten houden, of erachter. En niet zoals Brandon Mechele los van het lichaam en achter het lichaam, terwijl je met je rug naar de tegenstander verdedigt. Dat is vragen om problemen en dan maar jammeren over een onterechte strafschop en een fout reglement, of Frank De Bleeckere die een uitzondering is vergeten te powerpointen.

Geen enkele regel kan alle twijfel weghalen, maar de toekomst zal uitwijzen dat de nieuwe handsregel prima is. Het is wennen, zoals met alle nieuwe regels, maar het is een prima regel omdat hij duidelijkheid schept. Een sport die aan elkaar hangt van toeval en interpretatie moet dat toejuichen.

Column AnderSlecht in De Morgen van maandag 15 april 2019

AnderSlecht

Dat beeld van die kleine paarse kapitein, de wanhoop in de ogen, tussen de verbrande grasplakken van het Stade Maurice Dufrasne, Sclessin dus… Hoe hij met handgebaren zijn harde kern tot kalmte aanmaant, maar hoe zijn ogen verraden dat hij beseft dat het kalf al verdronken is. Dat de nul op twaalf wenkt en dat de supporters – of wat daarvoor moet doorgaan – gekomen zijn om de barak van de barakis af te breken, in brand te schieten met hun vuurpijlen. Dat de wedstrijd nooit negentig minuten zal duren.

Na een goed halfuur en na de 2-0, en na een nieuwe lading vuurpijlen, heeft Sven Kums zich de moeite van een nieuwe kruisgang bespaard en het ordewoord van scheidsrechter Erik Lambrechts gevolgd: “Opzouten, allen naar de kleedkamer!”

Nog een beeld: Pieter Gerkens die halfweg die aftocht naar de kleedkamers beteuterd aan Lambrechts komt vragen wat er nu te gebeuren staat. “Deze wedstrijd eindigt hier, brave jongen, het spijt mij.”

Beeld drie: de beschadigde spelersbus grand chic van Royal Sporting Club Anderlecht die koers zet richting Brussel, maar niet naar Neerpede want daar heeft een volksgericht zich verzameld en dat volk – zo wordt gerapporteerd – is in lynchmodus. Dan maar een hotel gezocht, wellicht in de buurt van de luchthaven, een zakenhotel, de vrijdagavonden zijn daar het rustigst en het goedkoopst.

Beeld vier: directeur Michael Verschueren die wordt geïnterviewd bij ontstentenis van de voorzitter en die niks verbloemt. “Er is iets gebroken, dit was erover, dit is niet Anderlecht, ik weet niet hoe dit nu verder moet.”

Wie wel, Michael, Marc, Frank, Fred en co.?

Ik ben in mijn vrije tijd ook fan van een team, ook in play-off 1, ook met nul op twaalf. Ik durf weleens te roepen op de slechterik van de anderen die een van de onzen een tik verkoopt. Omgekeerd ben ik soms blind. Ik vind de scheidsrechter meestal een oen en ik pleit schuldig voor deze systeemfout uit mijn verleden als actieve sporter.

Ik scheld weleens een van de onzen uit en ik durf weleens in vraag te stellen wat de gazetten schrijven. Dat deze of gene speler onmisbaar is. Dat de trainer zo super is. Dat de transfers zo doordacht waren. En na het zoveelste onnodige verlies rep ik mij naar de auto en naar huis en onderweg zegt mijn vrouw: “We gaan hier toch niet ambetant van lopen, hein?” Neen dus, maar hoe eloquent en doordacht zijn analyses ook zijn, Peter Vandenbempt en Radio 1 hoeven even niet op te staan. Joe dan maar.

Dat duurt een uur en dan komt het besef: het is wel máár fucking voetbal. Daarom veracht ik (jawel, van het werkwoord verachten, dat in hoge mate minachten betekent) zij van wie het bruto persoonlijk en familiaal geluk wordt bepaald door de uitslag van hun ploeg en die langer dan een paar uur ziek lopen van verlies. Ik veracht wie zich onledig houdt met onnozele liedjes te zingen gericht aan de tegenstander. Ik veracht ieder die zijn identiteit ontleent aan clubkleuren.

Ik ben tegelijk trots dat mijn clubje, dat het ook niet te best doet, gespaard blijft van die volkswoede. Voorlopig althans. Ik maak mijzelf niks wijs. Of misschien toch, zoals dat ons superieur relativeringsvermogen te maken heeft met een hoger gemiddeld IQ in de tribunes.

Maar neen, volkswoede houdt direct verband met de verwachtingen en daarom zijn volksopstanden niet van alle clubs. Bij Cercle hebben ze weleens “Guyot buiten” geroepen en dat was dan het grofste wat je kon horen. Bij Zulte Waregem herinner ik mij hooguit gemor. Bij Antwerp hebben ze de zwaarste harde kern, wordt gezegd, maar ook zij zijn na jaren in tweede klasse gelouterd en weten met tegenslagen om te gaan.

Volksopstanden zijn van de clubs die het vaakst titels hebben gewonnen in onze competitie: Anderlecht, Club Brugge en Standard. Bij Standard kookt het potje geregeld over, dat is streekgebonden. Bij Club is het al geleden van de herfst van 2015 toen ze in Gent een pakje slaag kregen en moedige manager Mannaert – ook toen geen voorzitter te bespeuren – de toorn van de meegereisde fans ging trotseren. Datzelfde seizoen zou Club alsnog kampioen worden en ineens ging de druk van de ketel.

Wat het Anderlecht-crapuul vrijdag heeft gepresteerd, is ongezien voor België en heeft de historische clubklassering inzake misdragingen helemaal door elkaar gegooid. Anderlecht staat nu met stip en onbedreigd op één. Een wedstrijd zo verneuken dat hij niet meer kan verder worden gespeeld, dat is iets van bananenrepublieken, dat is van Griekenland of Turkije, niet van België. Op het veld en in de bestuurskamers was het al een ramp, sinds vrijdag is het ook in de tribunes AnderSlecht. Er zal meer nodig zijn dan het geld en de blabla van Marc Coucke om dat imago te repareren.

 

Column Pseudo-wielrenners in De Morgen van zaterdag 13 april 2019

Pseudowielrenners

Bij de E3 Prijs een voormalige voetballer-analist tegen het lijf gelopen. “Wat een job hé, coureur. Wat verdienen die gasten nu eigenlijk?”, vroeg hij. “Klopt het dat er zulke grote verschillen zijn?” Ik ratel dan een stukje uit mijn lessen op:

– dat we heel weinig weten van salarissen van wielrenners;

– dat het komt omdat de verschillen zo groot zijn, want dat een renner van 35.000 euro bruto per jaar onderweg soms naast een renner van 3,5 miljoen euro per jaar rijdt en hem op een goede dag kan kloppen;

– dat het gemiddeld salaris van 350.000 euro per jaar zoals in het Belgisch voetbal niet wordt gehaald;

– dat de totale omzet van de WorldTour-ploegen – de Champions League van het wielrennen – een derde waard is van één club, Real Madrid, of 60 procent van de Jupiler Pro League.

“Oei,” zei de ex-voetballer die inmiddels fanatiek golft, “en dat voor zo’n zware sport, echt eerlijk is dat niet.” Voorspelbare reactie, maar onterecht. Er zijn wel meer zware jobs die weinig betalen, zoals Patrick Lefevere van de week aangaf, en die zijn een stuk minder plezant en ook gevaarlijk.

Van de week was er wat spel over een enquête die Sporta had afgenomen bij wielrenners. De kop in een krant loog er niet om: ‘De helft van het peloton kan niet leven van zijn loon.’ Als de procontinentale en continentale ploegen daar ook bij zijn gerekend, kan het kloppen en is het ook niet meer dan terecht.

Even verder stond nog een grafiekje dat de wervende titel tegensprak. Het statement ‘dankzij de koers kan ik sparen’ werd positief beantwoord door 97 procent van de WorldTour-renners, 64 procent van de procontinentale renners en maar liefst 58 procent van de continentale renners. De helft zeurt dat ze niet rondkomen, maar driekwart slaagt er toch in om te sparen, het is het één of het ander.

Jan Bakelants vond dat de koek groter moest. Het wielrennen is geen koek, hooguit een petit-beurretje. Breek dat en je hebt vooral kruimels. Ticketing? Onbestaande. Tv-rechten? Te verwaarlozen want geen mens – behalve de Vlaming en enkele niches geïnteresseerden in andere landen – kijkt naar koers. Ook nog: de productiekosten zijn veel te duur. Sponsoring? Dat zou een oplossing zijn, maar als zich een grote speler als Sky of opvolger Ineos aandient, staat het peloton op zijn achterste poten omdat het competitief evenwicht zou worden ontwricht. Daarbij vergeten ze dat de helft van de WorldTour-ploegen overleeft bij de gratie van een mecenas of een overheid.

Volgens twee verschillende rankings op basis van verschillende gecombineerde criteria is wielrennen wereldwijd even groot als badminton. Dat hoeft geen belemmering te zijn voor een goed economisch model. Het meest lucratieve businessmodel in de sport is American football. De teams zijn daar 1 miljard euro waard en de spelers verdienen gemiddeld 2 miljoen euro. American football is wereldwijd kleiner dan wielrennen.

Nog een voorbeeld dichter bij huis: veldrijden. Er zijn BK’s geweest met meer camera’s dan ingeschreven profs, maar een beetje veldrijder verdient goed zijn boterham. Het businessmodel van veldrijden klopt: relatief weinig organisatorische en tv-productiekosten, ticketing op een vast circuit, spektakel, een gebald tv-format en weinig fietsend personeel om te betalen.

De wegwielrenner die niet rondkomt, zou er beter mee ophouden of een parttimejob erbij nemen. Het kan, een beetje werken én trainen én koersen. De would-beprofs die drie/vier uur gaan trainen bij een echte prof in het wiel en verder geen slag uitvoeren, zoals de echte prof, heb ik op verschillende momenten in mijn loopbaan zien voorbijkomen. Bij de wielerbond onder de vorm van de domste maatregel die ooit is uitgevonden: het VDAB-statuut, waardoor ze hun dop krijgen zonder werk te moeten zoeken. Of als docent: zelfs de pseudovoetballers komen (op maandagochtend) vaker naar de les dan de pseudowielrenners.

Hoeveel Belgen met een koersfiets noemen zich prof? Honderdvijftig, tweehonderd? Honderd daarvan zijn hobbyisten. Als het Belgisch wielrennen één probleem moet erkennen, dan in de eerste plaats dat er te veel wielrenners zijn. Dat is geen nieuwe conclusie. De systeemfout is in de jaren 60 begonnen toen de verlaagde sociale zekerheid voor wielrenners werd ingevoerd om de sector te helpen. (Juist, de maatregel die nu bij voetbal onder vuur ligt en terecht.) De ongemakkelijke waarheid is dat het Belgisch wielrennen al een halve eeuw boven zijn stand leeft en door allerlei goedbedoelde maatregelen maar niet gesaneerd geraakt.

 

20190413_De-Morgen_p-19_Pseudowielrenners

Verhaal over werelduurrecordpoging van Victor Campenaerts in De Morgen van zaterdag 13 april 2019

Het eenzaamste uur van zijn leven

(versie van zaterdag 13 april 2019 19u)

Nooit is een meer vastberaden en beter voorbereid renner aan het uur pijn lijden begonnen. Vraag niet óf Victor Campenaerts aanstaande dinsdag beter kan doen dan Bradley Wiggins, wel met hoeveel meter en hoe dat nu precies zit met die luchtdruk. Een handleiding bij de wetenschap achter het werelduurrecord.

De puurste prestatie

De schoonheid van het werelduurrecord (WUR) ligt in de eenvoud: één fiets, één renner, één verzet, één uur en dat alles op een oneindige baan. Geen doel om naar toe te rijden, geen decor om je te verstrooien.

Je rijdt naast een zwarte lijn, waar je dicht bij moet blijven, en een rode lijn daar rechts van, te vermijden of je rijdt te veel meters. De start uitgezonderd, lig je in dezelfde houding op een fiets met een vaste pion die je, als je Campenaerts heet, 6.120 keer moet ronddraaien. Rechtkomen, benen stilhouden, rug strekken, darmen ontluchten, het is niet aan te raden. Het beste is gewoon blijven liggen, maar dat doet het meeste pijn. Het brein zegt stop, de benen ook, maar de ratio zegt dóórgaan.

Toen huidig recordhouder Bradley Wiggins op 7 juni 2015 zijn rondjes draaide in de Lee Valley-velodroom in Londen, in bijzonder slechte omstandigheden (waarover verder meer), kwam hij na een uur uit op 54,526 kilometer. Laten we aannemen dat Campenaerts en co. mikken op een halve kilometer meer, dan komen we uit bij 55 kilometer. Gedeeld door 250 meter – de lengte van een olympische velodroom waarop vier van de laatste vijf records zijn gevestigd – betekent dat 220 rondjes draaien aan een theoretisch gemiddelde van 16,36 seconde per ronde.

De ploeg houdt rondetijden van 16,4 aan, wat hem amper enkele meters voorbij Wiggins zou brengen. Volgens bronnen binnen de ploeg mikt Campenaerts evenwel op rondjes van 16,2. Dat zou hem bij 55,555 kilometer doen uitkomen, één kilometer beter. Máár, er moet ook worden gestart en met dat zware verzet (zie verderop) wordt het harken die eerste twee rondjes, tot de snelheid van 56 kilometer per uur is bereikt. Je hebt geen snelheidsmeter, geen vermogensmeter, geen lichtsignaal om achteraan te rijden; dat is allemaal verboden door de internationale wielerunie UCI.

Eén man langs de baan mag aanwijzingen geven. Het idee is om hem met een iPad in verschillende kleuren de tijden te laten tonen. Misschien wordt ook nog de ‘truc met de opschuivende man’ toegepast. Al tussen de twee wereldoorlogen opteerde een Nederlandse kandidaat-verbeteraar ervoor om zijn begeleider langs de baan te posteren en te laten opschuiven of afzakken naargelang de voorsprong dan wel de achterstand op het schema.

238ste poging, 32ste record?

31 keer is het record verbeterd, van de eerste recordhouder Henri Desgrange in 1893 in Parijs tot Bradley Wiggins in 2015 in Londen. Tegenover die 31 staan de 139 mislukte pogingen waarbij het uur werd volgemaakt en 67 voortijdig afgebroken pogingen.

De laatste van de mislukkingen is evenwel een half gelukte. De jonge Deense wereldkampioen tijdrijden bij de U23, Mikkel Bjerg, trok zijn vorm van het WK in Innsbruck door en strandde op 4 oktober 2018 in Odense op amper drie rondjes van Bradley Wiggins. Zijn 53,730 kilometer was ronduit fenomenaal voor een negentienjarige en belooft voor september, als hij een nieuwe poging waagt.

31 recordhouders zijn door de UCI erkend. Tot en met Eddy Merckx werd gereden op een conventionele baanfiets uit die tijd, zij het wel zo licht mogelijk gemaakt. Die van Merckx woog 5,9 kilogram, vandaag moet die minstens 6,8 kilogram wegen. Tussen 1972 (Merckx) en 2000 (Chris Boardman) is het record negen keer verbeterd, maar steeds op een futuristische fiets in zogenoemde Superman- of bidsprinkhaanhouding, extreem plat liggend om de luchtweerstand te verminderen. Francesco Moser twee keer, Graeme Obree, Boardman, weer Obree, Miguel Indurain, Tony Rominger twee keer en ten slotte nog eens Boardman, brachten het record tot 56,375 kilometer, maar werden teruggefloten door toenmalig UCI-voorzitter Hein Verbruggen. Wie niet op een conventionele pistefiets had gereden, kreeg een beste wereldprestatie achter zijn naam maar was geen werelduurrecordhouder. Die status was exclusief voorbehouden voor de Merckx-houding.

Pas in 2000 zou Chris Boardman zich aan een nieuwe poging in Merckx-houding op een klassieke fiets wagen. Hij kwam exact tien meter verder uit dan onze nationale Eddy, en dat 28 jaar later. Daarbij dient vermeld dat de meeste historische records wellicht zijn geleverd met doping. In de jaren 70 waren bijvoorbeeld anabole steroïden gemeengoed in de wielrennerij, net als epo in de jaren 90.

Begin 2014 werden de regels nog maar eens veranderd. Voortaan kon een WUR worden gevestigd op elke baanfiets die door de UCI was gehomologeerd. Vanaf 2014 regende het weer pogingen, waarvan er vier lukten en acht niet. De verbetering door Bradley Wiggins op 7 juni 2015 met haast 1,6 kilometer van het record van Alex Dowsett, was de grootste verbetering sinds Jean Dubois in 1894 het eerste record van Henri Desgrange aan diggelen had gereden.

Een baan, hooggelegen en van hout

Op 29 augustus 1933 reed de Fransman Maurice Richard 44,777 kilometer in één uur. Hij deed dat op de 300 meterbaan van het Vissegat in Sint-Truiden. Op die plek is nu een tennisclub. Het is de enige geslaagde recordpoging in België.

De Belg Victor Campenaerts trekt voor zijn poging op hoogte en koos voor het Velódromo Bicentenario in het Mexicaanse Aguascalientes, op 1.888 meter. Zowel de Nederlanders Thomas Dekker, Dion Beukeboom als de Deen Martin Toft Madsen beten daar hun tanden stuk op het WUR. Voorlopig is maar één werelduurrecord gevestigd op die baan, bij de vrouwen dan wel: op 13 september 2018 legde de Italiaanse Vittoria Bussi 48,07 kilometer af.

Tot vandaag zijn maar drie mannen in hun uurrecordpogingen op hoogte geslaagd. Eddy Merckx in Mexico City op de Agustín Melgar- baan (2.240 meter hoog) was de laatste in 1972; hij verbeterde het record van Ole Ritter uit 1968, dat ook op diezelfde olympische baan werd gereden. Die was 333 meter lang en van hout.

Alle laatste records zijn op houten banen gereden en sinds Jens Voigt in 2014 steevast op een 250 meterbaan, met uitzondering van Matthias Brändle (2014), die het in Aigle deed op een 200 meterbaan. De baan in Aguascalientes is ideaal, maar kan weleens vuil zijn, ondervond Jim van den Berg, de sportwetenschapper/trainer uit Amsterdam die zowel Thomas Dekker en Dion Beukeboom begeleidde. “Zelf schrobben is de boodschap.”

De hellingsgraad en, daarmee verband houdend, de bochten zijn van extreem belang. Hoe breder de baan, hoe platter en des te makkelijker de bochten lopen. Een mooie bocht rijden is niet simpel voor wie van de weg komt, en vereist soms tot 80 watt meer vermogen dan het rechte stuk.

Campenaerts wil zijn recordpoging doen in optimale klimatologische omstandigheden, en heeft uiteindelijk gekozen voor komende dinsdag, 16 april. Oorspronkelijk waren vier dagen voorzien om daaruit het beste moment te kiezen, maar op twee daarvan zijn de plaatselijke officials verhinderd omdat ze naar een congres in Mexico City moeten. Het aanvangstijdstip ligt wel al min of meer vast, in verband met de rechtstreekse uitzending door Sporza: 11 uur lokale tijd (18 uur Belgische tijd). Dat vindt Jim van den Berg geen goed idee: “Als ze maar weten dat het daar heel snel kan opwarmen onder dat plastic zeildak. Warm is goed, maar te warm is nefast.”

De recordhoudster bij de vrouwen had het vorig jaar vlaggen: omdat ze bij haar eerste poging onder het schema bleef, brak ze haar poging na veertig minuten af. Een dag later waren de klimatologische en barometrische omstandigheden beter en verbeterde ze het record wel. Met 27 meter.

De volle benen en de lage druk

Meervoudig olympisch kampioen (ploegen)achtervolging Bradley Wiggins was een grote motor, die enorme wattages kon leveren. Hij won in 2012 niet voor niets de Ronde van Frankrijk. Victor Campenaerts is eerder een Vespa. “Als ik het record breek, betekent dat niet dat ik een betere renner ben dan jij”, zei Campenaerts ootmoedig tegen Wiggins bij de uitreiking van de Kristallen Fiets. Die knikte.

Toch heeft Campenaerts zijn mogelijkheden niet overschat. Hij weet dat het uurrecord helemaal niet scherp staat. Het vermogen dat Campenaerts zal (moeten) leveren, is onmogelijk precies te bepalen, ook omdat wattagemeters verboden zijn, maar een wel erg ruwe schatting levert een waarde op tussen 385 en 420 watt die Campenaerts een uur lang zou moeten leveren om het record te breken.

Alles hangt af van dé twee variabelen waarop Campenaerts inzet om voorsprong te nemen op Wiggins: een betere aerodynamica en een gunstige luchtdruk en -weerstand.

De aerodynamica is van belang om onderweg zo min mogelijk lucht tegen te komen. Die waarde wordt uitgedrukt in CdA (Cd is de weerstandscoëfficiënt en A het frontaal oppervlak). Op de vraag hoeveel die CdA bedraagt, wil het team niet antwoorden. Campenaerts is verschillende keren in windtunnels gaan testen en liet zich onder meer bijstaan door professor Bert Blocken van de TU Eindhoven en de KU Leuven. Terwijl Wiggins een CdA had van 0,223, lijkt het er sterk op dat Campenaerts met zijn houding op de fiets en zijn oog voor detail geslaagd is die terug te dringen tot 0,2. (VOLGENS nieuwe info van vandaag zaterdag zou zijn CdA nóg minder bedragen en wel maar 0,185. 360-365 watt vermogen zou volstaan om het record te breken. Op voorwaarde dat hij die gunstige houding een uur kan volhouden.)

Campenaerts heeft geleerd uit eerdere pogingen dat het uurrecord meer wetenschap is dan fietsen. Geen fractie van een procent marginale winst werd verwaarloosd. Zo bleek uit testen dat hij best rijdt zonder scherm op zijn helm, die hij ook nog eens opzettelijk op een vreemde manier op zijn hoofd zet. Zijn snor maakt geen verschil, weet hij ook, maar zijn benen zullen zeker zijn geschoren.

Alles heeft te maken met de luchtweerstand van mens en fiets, die tussen de 75 en 90 procent van de energie van de fietser vraagt. De andere procenten zijn voor rekening van de rolweerstand. De luchtweerstand wordt in grote mate bepaald door de CdA, in combinatie met luchtdruk, temperatuur en luchtvochtigheid. Bij Wiggins was de luchtdruk 1.036 hectopascal (vroeger millibar) en dat is zeer ongunstig, want dan is de druk op het lichaam het grootst. De vochtigheid was bovendien erg hoog met 5.000 toeschouwers in de hal. De gemiddelde luchtdruk op zeeniveau is 1.013. Had Wiggins 990 gehad, dan zou hij in Londen met dezelfde energiekost makkelijk zeshonderd meter verder zijn geraakt.

Net als in het schaatsen zou de UCI beter de wereldrecords opsplitsen in laagland- en hoogterecords, want het voordeel van de hoogte en de verminderde luchtweerstand is veel groter dan het nadeel dat de zuurstof minder makkelijk in de longen geraakt door die lagere luchtdruk. Het verlies qua zuurstofopname bedraagt voor een goed geacclimatiseerde renner in Aguascalientes tussen de 7 en 8,5 procent, vergeleken met de zuurstofopname op zeeniveau. Ook die acclimatisering kun je aan Campanaerts toevertrouwen.

In Aguascalientes zou de luchtdruk normaal 800 hectopascal moeten bedragen. Dat levert Campenaerts een geschenk op van 2.400 meter ten opzichte van Wiggins. De Brit, zo berekenden wetenschappers zou tot 2,7 kilometer verder hebben kunnen rijden als hij zich de moeite had getroost om zich – zoals Campenaerts – maandenlang voor te bereiden en op hoogte het record aan te vallen. Wiggins heeft het er maar een beetje bijgenomen als een soort circusnummer op een slechte locatie, op een niet-ideale baan, en daarbij ook nog eens in slechte omstandigheden.

Inmiddels tussen de oren

Sportwetenschapper Jon Wiggins was ooit baancoach bij Cycling Vlaanderen. Ook hij schat de kansen van Campenaerts gunstig in, maar wijst op een valkuil. “De warmte in combinatie met de hoogte zorgde bij de wereldbekerwedstrijden in Aguascalientes altijd voor een flinke terugval in de laatste twintig minuten van de ploegenkoers, die ook een uur duurt. Daar doorheen raken wordt de opdracht. Heeft hij wel genoeg op de wielerbaan getraind? Echte pistiers weten tot op een tiende van een secondewelke tijd ze rijden. Als het wat moeilijk gaat, zou zijn gebrek aan ervaring hem zuur kunnen opbreken en zal hij slechte lijnen gaan rijden.”

Dé uitdaging zit tussen de oren, meer in het bijzonder het verbijten van de pijn. Uit experimenten weet men inmiddels dat hetbrein sneller een beperkende factor is dan het fysiologisch systeem. Elektrostimulatie van het brein (tDCS of ‘transcranial direct current stimulation’) is een steeds meer toegepaste techniek om dat brein te foppen. Campenaerts is een early adopter van nieuwe technieken. Op onze mail of hij heeft gedacht aan tDCS, kwam geen antwoord.

 

Andere lapmiddeltjes dan maar? Dion Beukeboom smeerde lidocaïne op zijn armen om die lokale pijn van dat uur in de beugels te verbijten. Niet zeker of Campenaerts dat doet. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal hij een flinke paracetamol tot zich nemen. In de wielerspecial van Sport/Voetbalmagazine had Campenaerts het over zijn directe voorbereiding op een tijdrit: cafeïne was daarbij, en uiteraard ook sportdrank. In de Franstalige versie van de special was men in dat rijtje rituelen de paracetamol (bekend als Dafalgan) vergeten te censureren. Dopingtechnisch is daar niks mis mee, want het product staat net als cafeïne en lidocaïne niet op de lijst, en ook het overgrote deel van het wegpeloton rijdt op paracetamol zodra de benen pijn gaan doen. Een beetje meer openheid daaromtrent zou voor iedereen beter zijn.

De fiets met het reuzenverzet

Ridley Bikes bouwde voor Campenaerts’ pistefiets op maat verder op de Ridley Arena TT, de achtervolgingsfiets voor de Olympische Spelen in Rio (2016) van medaillewinnares Jolien D’hoore. Er is een op maat gemaakt(e) stuur/ligbeugel van de Nederlander Edwin van Vugt, waarvoor Campenaerts vorig jaar door de UCI al eens is berispt, maar dat nu wel is gehomologeerd.

De aandrijving is van teamsponsor Campagnolo (Wiggins had Sram). Wiggins deed het met 58 tanden vooraan en een 14 achteraan. Bij elke trap (6282 in totaal) kwam hij 8,68 meter vooruit en eindigde na een uur op een mooie 54,526 kilometer. Campenaerts had aanvankelijk zijn zinnen gezet op een 63×15 en 105 pedaalomwentelingen per minuut tegenover de 104,7 van Wiggins. Dat scenario had hem bijna een kilometer verder gebracht dan Wiggins.

Na trainingen en tests in Mexico kwam vorige week het bericht dat hij geen trapfrequentie 105 aankan en op 100 of 102 omwentelingen zou mikken. Dat Campenaerts afstapt van de ambitie om een pedaalcadans van 104-105 aan te houden, is niet noodzakelijk een goed voorteken. Hij denkt nu aan 60×14 of 61×14. Kan ook. Bij eenzelfde wielomtrek als Wiggins (een onbekende factor in deze veronderstelling) zou hij met 61×14 en trapfrequentie 100 uitkomen bij 54,795 meter, 335 meter beter dan Wiggo. Met een 60×14 en 102 omwentelingen eindigt hij rond de 54,975 meter.

De monomaan: van zwemmer tot tijdrijder

Victor Campenaerts (27) heeft dit jaar in de kleine rittenwedstrijd Tirreno-Adriatico zijn eerste World Tour-zege gepakt, uiteraard een tijdrit. Dat is het specialisme waarvoor hij heeft gekozen en dat hij heeft meegenomen vanuit zijn verleden.

Campenaerts komt uit het zwemmen, maar realiseerde zich al heel snel dat hij te klein was om de beste te zijn. Dus testte hij op de topsportschool voor triatlon en werd hij prompt aanvaard op basis van een uiterst snelle 1.500 meter lopen.

“Ik heb nooit meer sneller gelopen dan toen die dag”, legde hij eerder aan deze krant uit. “Te veel blessures maakten een eind aan mijn triatlondroom.” Dus werd het wielrennen en hij werd in 2013 Europees kampioen tijdrijden bij de beloften. Uiteindelijk geloofde alleen de opleidingsploeg Sport Vlaanderen in hem. Daar toonde hij zijn kwaliteiten en kwam hij zo terecht bij Lotto-Soudal.

De monomaan Campenaerts verzamelde op eigen houtje een hele batterij uiterst kundige mensen rondom zich en bekwaamde zich obsessief in de kunst en vooral de wetenschap van het tijdrijden. Toen hij zag hoe Matthias Brändle het werelduurrecord brak, groeide de idee om dat ook ooit te proberen. De wetenschap dat Bradley Wiggins veel beter had kunnen doen, sterkte hem nog meer in zijn overtuiging.

Twee maanden op stage op de hoogvlakte van Namibië, drie weken van tevoren afreizen naar Aguascalientes, continu in een lage druktent slapen op 2.500 meter hoogte… Met zijn nooit eerder geziene minutieuze voorbereiding zette Victor Campenaerts een nieuwe standaard voor een werelduurrecordpoging.

Bronnen:
Ron Couwenhoven, De wereld van het uurrecord
Jurgen van Teeffelen, Het maakbare uur
Interviews met Jim van den Berg, Bert Blocken en Jon Wiggins

DISCLAIMER: Voor dit verhaal werden vragen naar info niet beantwoord of door derden afgeblokt op vraag van de ploeg. Geheel in de traditie van het old school wielrennen, willen zij geen openheid van (wetenschappelijke) zaken geven tenzij dan dat er twijfels zijn rond de keuze van het verzet. Dat Victor onderweg naar Mexico de film Bohemian Rapsody wel kon waarderen, was zowat het meest waardevolle nieuws dat uit de hapsnap-communicatie kon worden gehaald.

 

Column Doodlopende straat in De Morgen van maandag 8 april 2019

Doodlopende straat

Die Ronde van Vlaanderen toch. Alle Vlamingen aan het feest, behalve die van wie we het hadden verwacht, die gasten op hun koersfiets. Maar wat hebben ze dat weer goed gedaan, de mannen van Flanders Classics: van de armlastige koers een verdienmodel maken is hun kunstje. Van de week stonden Wouter Vandenhaute en Tomas Van Den Spiegel broederlijk zij aan zij in de kranten. Tomas sprak maar een kwart van de tijd en bewees daarmee slimmer te zijn dan al zijn voorgangers die ooit zijn geofferd op het altaar van het ego van de kleine grote baas.

Er werd geklaagd over de wurggreep van de Tour de France op het hele wielerbestel. Terecht, maar het Vlaams voorjaar houdt evengoed het Belgisch wielerbestel in een wurggreep en de regionale obsessie met de Ronde hypothekeert de ontwikkeling van onze renners. Om het te vertalen voor Tomas: met pleintjesbasket is het lastig de NBA te halen.

In het verlengde daarvan wordt het stilaan tijd dat we ons afvragen waarom wij zoveel steengoede renners hebben – niet sarcastisch bedoeld, want in de breedte zijn we meer dan ooit een topland – en waarom we toch zo weinig winnen. In voetbaltaal: we spelen mooi voetbal, creëren kansen bij de vleet, maar scoren o zo moeilijk. Analyseer de Belgische overwinningen van de laatste decennia en
je vindt één constante: wij zijn op ons best als het erg lastig wordt. Doe daar wat regen bij, slechte wegen en een snuifje kou en wij blinken uit. Herinner u Tiesj Benoot in de Strade Bianche vorig jaar.

Als lastig ons ding is, moeten we ook uitblinken in grote rondes, toch? Ja nou ja, dat ligt eraan. Grote rondes zijn vaak erg lastig, maar het gaat geregeld bergop en onze renners blinken niet uit op de weegschaal. De naald slaat althans niet uit in de richting waar ze zou moeten uitslaan. Dat heeft minder te maken met een aversie voor anorexia dan wel met de typologie van de jonge renner die zich doorheen de jeugdcategorieën heeft geworsteld en uiteindelijk een profcontract krijgt.

De mooiste Belgische triomfen van de laatste jaren in grote klassiekers werden behaald in de Ronde van Vlaanderen en Parijs- Roubaix, twee extreem lastige thuiswedstrijden waarbij het sloopwerk loonde en er na een schifting uiteindelijk nog een Belg of meer dan één overbleef die de rest aan gort kon rijden. Greg Van Avermaet was onze beste van de voorbije jaren, maar ook hij is van het extreme sloopwerk. Van Avermaet ís de hedendaagse Vlaamse renner, zo klassiek en zo ‘Briek’ als maar kan. Greg kan alles goed – hard rijden op vlak, klimmen, sprinten – maar kan niks supergoed. Nochtans is dat in meer dan één topsport een vaststelling: ook de allrounder moet iets erg goed kunnen.

Analyseer de winnaars van de grote monumenten van de laatste jaren en je vindt één constante: grote motoren met een enorme versnelling. Of grote motoren met aan het eind een sterke sprint. Of grote motoren die ook bijzonder goed kunnen klimmen en als ze dan ook nog eens kunnen versnellen en sprinten op commando, zoals Julian Alaphilippe, ben je er nooit mee klaar.

Onze Vlaamse renners zijn permekeaanse figuren die kromgebogen over hun stuur tegen of met de wind hele pelotons op sleeptouw nemen. Mijn extreme bewondering voor ‘El Tractor’ Tim Declercq of voor ‘John Deere’ Yves Lampaert is oneindig, maar met dat beulswerk win je heel zelden.

Tiesj Benoot, Sep Vanmarcke, Jasper Stuyven… Noem ze maar op, alle jonge Belgische renners die winstkans werden toegedicht. Fantastische atleten, daar niet van, maar ze komen allemaal uit dezelfde mal. Het zijn beukers, zware machines, de ene met al meer pk dan de andere, coureurs van het zuiverste soort, maar geen finisseurs.

Het valt te vrezen dat het aan onze opleiding ligt. Van bij de jeugd is koers rijden in dit land een puur darwinistisch gebeuren, een slopende overlevingsstrijd. Alleen de meest fysiek geavanceerden in hun ontwikkeling blijven over. Wielrennen heeft geen categorie zoals in voetbal met talenten die nog iets te licht wegen voor hun leeftijdsgenoten.

Wie te licht is, soms letterlijk, wordt in de Vlaamse jeugdkoersen ongenadig uit het wiel geblazen en vernederd. De sterkste renners winnen hun wedstrijden door een overaanbod wattage, niet door koersinzicht of door een allesbepalende versnelling, en al helemaal niet omdat ze doordacht zijn opgeleid.

Onze talentenfuik bestaat uit kasseikoersen en molshoopsprinten, de core van het Vlaamse voorjaar en zo voorbeeldig gepromoot door Flanders Classics, waardoor elk rennertje hier te lande denkt dat de Kwaremont naar de hemel voert. Een misvatting, de Kwaremont is een doodlopende straat (ook al staan er volgende week drie Belgen op het podium in Roubaix).

20190408_De-Morgen_p-19-mail

Interview Tiesj Benoot in De Morgen van zaterdag 6 april 2019

‘Mijn vriendin slaapt perfect in mijn hoogtetent’

Je ziet eerder een IT-nerd in hem, of een econoom. Laat Tiesj Benoot (25) nu net economie studeren. Is hij ook de klasbak met de grote motor op wie Vlaanderen rekent om de nul in de grote klassiekers uit te vegen? ‘Ik zal meedoen. Maar meedoen om te winnen?’

Van 3 maart, 2018 welteverstaan, is het geleden dat een Belg nog eens een echte grote wedstrijd won. Tiesj Benoot kwam toen als eerste boven in Siena, aan het einde van een slopende Strade Bianche. Nadien volgden nog World Tour-zeges van de tweede garnituur voor Yves Lampaert in Dwars door Vlaanderen en in de Bretagne Classic voor Oliver Naesen.

Sindsdien niks meer, althans geen overwinningen. Eén Belgische ploeg uitgebreid aan het feest (Deceuninck-QuickStep, dat wel, maar met buitenlanders. Hier en daar een Belg op het podium, maar ook niet overdreven veel. In 2019 zijn we alweer twaalf wedstrijden ver in de World Tour, en weer geen Belgen die winnen.

Van alle excuses van het voorbije weekend, met de E3 en Gent-Wevelgem, klonken die van Tiesj Benoot het meest oprecht. “Gent- Wevelgem tot daar aan toe, dat is mijn koers niet, maar na de E3 Prijs was het balen. Je weet dat je aan de Paterberg vooraan moet zitten en toch ga je een keer te veel in de remmen waardoor je te ver zit. Het was mijn eigen fout. Goed, er komen nog wel een paar wedstrijden aan waarin ik kan meedoen, en het goeie nieuws is: ze worden steeds lastiger. Ik kan wel zeggen: er wordt dit jaar harder gereden dan ooit.”

Blijf je niet nog altijd te veel denker op de fiets in plaats van je te smijten?

“Dat weet ik niet. Het klopt dat ik niet te veel moet nadenken en in het begin had ik daar wel last van. Nu niet meer, dat ben ik haast zeker. Ik had het daar met Nathan Kahan (ex-atleet en nu sportpsycholoog, HV) over en ik vind dat ik vorig jaar veel meer onbevangen heb gekoerst. Niet altijd met evenveel succes, maar wel rijden om te winnen. Wat niet makkelijk is in mijn geval: ik heb niet die verschroeiende demarrage, maar ik kan wel een paar keer wegrijden zonder dat ik kapot ga.”

In de wedstrijd zie je eruit alsof je in één ruk van de andere kant van de wereld bent gekomen, maar zoals je hier zit, ben je echt een urban boy.

“Zie ik er meer gesloopt uit dan de anderen? Dat ligt aan de bril. Ik heb ook een koersbril, maar ik rij het liefste zonder bril en zeker bij slecht weer en regen want dan zie ik beter. Dat geeft een totaal ander beeld en wellicht zie ik er dan anders uit dan de concurrentie.

“En urban boy… Ik ben een fiere Gentenaar en kom graag in de stad. Ik zou het erg plezant vinden om in centrum Gent te wonen, als ik géén wielrenner was. Op de fiets van en naar het centrum zou er te veel aan zijn, maar zoals nu, aan de rand van de stad, dat is het beste van de twee werelden. In mei wordt ons nieuw huis opgeleverd, in Drongen-Luchteren, ook randje Gent.”

Goeie uitvalsbasis om te trainen.

“Als ik thuis ben wel. In de winter ben ik haast altijd op stage als ik geen wedstrijden rijd. Zoals dit seizoen: beginnen met twee weken Calpe in Spanje, drie dagen thuis, Argentinië gereden, één dag thuis en dan drie weken Sierra Nevada, op laagte trainen, op hoogte slapen. Thuis heb ik ook een hoogtetent, maar daar slaap ik niet zo vaak in. Ik heb liever the real deal.”

Zo’n tent met een ronkende motor is ook niet bevorderlijk voor een jong stel.

“Pas op, mijn vriendin slaapt daar wel nog oké in. In ons nieuwe huis heb ik een kamer laten voorzien die ik onder lage druk kan zetten. Ik ben een lange slang gaan halen bij de doe-het-zelver, om die generator ver genoeg te kunnen zetten.”

Je collega’s vroeger hadden het een stuk makkelijker om die rode bloedlichaampjes op orde te krijgen.

“Geef mij maar zoals het nu gaat. Enfin, niet zoals in Oostenrijk dan (refereert naar het Aderlass- bloeddopingschandaal waarin ook wielrenners bekenden, HV). Ik was gedegouteerd toen ik dat filmpje van die langlaufer met die naald in zijn arm zag. Waar denk je als atleet aan als je daar mee bezig bent? Georg Preidler (Oostenrijks wielrenner die bekende bloedtransfusies te hebben ondergaan, red.) had ook nog eens gestudeerd. Dat die de relativiteit van het wielrennen niet inziet en toch bloeddoping gebruikt, gaat er bij mij niet in. Hij speelt vals en maakt zijn leven en dat van zijn omgeving kapot.

“Wie zich zo bewust dopeert, rijdt 300 in zone 30 en mag van mij levenslang krijgen. Dit gaat niet over neussprays of over iets dat nog moet worden bewezen of het doping is. Dit is doelbewust de boel bedriegen. Normaal is doping geen item aan de rennerstafel, maar toen dat uitkwam, was het toch even het onderwerp van de dag. Het ergste is dat die gast gewoon een bloedzak inbracht net voor de competitie en dus dacht daarmee weg te komen. Ik vrees dat er genoeg trucs zijn om die controles te omzeilen.”

Hoeveel keer ben jij dit jaar al gecontroleerd?

“Bloedcontrole? De ochtend van de ploegentijdrit in de Tirreno en toen was het al geleden van november. Ik ben ooit wel meer gecontroleerd, zoals in de Tour van 2017 toen ik net voor de start van hoogtestage terugkwam en een voor mijn doen erg hoog hematocriet had. Nadien ben ik wel vijf keer gecontroleerd, kort op elkaar.

“Maar deze winter geen enkele keer. Dat kan toch niet? Ik heb de indruk dat er te weinig geld is. Victor Campenaerts (ploeggenoot) zat twee maanden in Namibië en heeft geen controleur gezien. Kom één keer naar de Sierra Nevada en je hebt dertig renners, idem voor de Teide op Tenerife.”

Tegenwoordig worden heel wat wedstrijden gewonnen door één à twee minuten heel hard te rijden.

“Juist. Maar vooral aan het einde van een lange wedstrijd nog rap kunnen rijden, dàt is de kunst. Vorig jaar zijn bijna alle mooie eendagswedstrijden solo gewonnen. Ik train daar ook op en ik heb het gevoel dat er nog rek op zit. Ik ben ook nog maar pas 25.”

 

Je was een laatbloeier in de jeugd, maar wel meteen vijfde op je 21ste in de Ronde van Vlaanderen als prof.

“Ik heb nooit de illusie gehad een veelwinnaar te zijn, maar ik rij geregeld ereplaatsen en vorig jaar heb ik de Strade Bianche gewonnen met de ervaring van die Ronde van Vlaanderen van 2015. Wat ik toen achteraf heb meegemaakt, is mij vorig jaar van pas gekomen. Zoals? Onder meer de hectiek van de Belgische wielermedia. Een beetje wat Remco Evenepoel nu overkomt, al is het bij hem nog erger dan toen met mij.

“Het jaar erna, 2016, heb ik het meeste geleerd: hoe met tegenslagen om te gaan en hoe relatief alles is wat over jou wordt gezegd en geschreven. Vorig jaar was de teneur ‘wanneer gaat Benoot winnen, het komt er niet uit’. Ik was toen nog steeds maar 23 en ineens won ik een ultrazware Strade Bianche. Daarna stond ik dan weer in een lijstje met de tien renners die op die jonge leeftijd een wedstrijd van dat niveau hadden gewonnen.”

Maar een veelwinnaar…

“… die word ik nooit. Maar als ik er één win is het een schone, want ik rij altijd de finales van die schone koersen. Op mij kan je rekenen: ik zal er zijn, ik zal in conditie zijn, ik zal meedoen. Maar om te winnen… neen, dat is niet simpel. Je kan mij een beetje vergelijken met Niki Terpstra. Die heeft ook niet de superversnelling en wint dit jaar ook minder. Voor alle duidelijkheid: Terpstra is een supergoeie renner, maar dit jaar rijden ze wèl achter hem aan nu hij niet langer bij QuickStep zit.”

Het is Deceuninck-QuickStep.

(lacht) “Juist, maar geef toe: Deceuninck, dat klinkt toch niet?”

Ben jij geen tien centimeter te lang?

“Qua watt per kilo lichaamsgewicht kom ik goed uit, maar ik ben geen top. Ik weeg nu 72 kilo en daarmee ben ik achtste waard in de Tirreno, als ik daar niet lek rijd. Onder de 70 is geen doel. Voor mijn 1m89 zou dat te weinig zijn. In de Tour weeg ik het minst. Ik denk dat ik het gewicht van Tom Dumoulin kan evenaren, zijn tijdrit daarentegen…”

Je bezeerde je knie ernstig in de Omloop. Went dat vallen op den duur?

“Nooit. Maar je wordt er wel door gehard. Mijn eerste val herinner ik mij nog goed: ik was elf, viel in een koersje in Haaltert en had een schaafwondje op mijn bil. Die avond gingen we nog naar de Gentse Feesten, maar dat schaafwondje wreef tegen mijn broek en ik kon het niet meer uithouden van de pijn. En nu… in de Omloop lag mijn knie helemaal open. Ze hebben die verschillende keren onderhuids moeten naaien, maar mijn eerste vraag was: wanneer kan ik weer op die fiets?

“Vallen heeft een impact op het lichaam. Neem nu zo’n schaafwonde, de warmte die daarrond vrijkomt, dat vraagt enorm veel energie van een lichaam. Dat zoveel renners ziek worden de week nadat ze zwaar zijn gevallen, kan geen toeval zijn. Het ergste is als je op je hoofd valt. In andere sporten hebben ze protocols voor wanneer iemand terug in het veld mag. Elke renner in de Tour die een hersenschudding oploopt, hoopt dat de dokter het door de vingers ziet zodat hij de dag nadien kan starten

“Zelf ben ik in 2016 zwaar gevallen in de Ronde van Vlaanderen en had ik een whiplash. Achteraf bleek ik daardoor met een gekantelde maag te zitten, met als gevolg in twee weken tijd drie keelontstekingen, iets wat ik normaal nooit heb. Ik kreeg een maagzuurremmer en daarop kreeg ik alweer een voedselvergiftiging. Ik dacht: dit is echt niet meer normaal. Gelukkig heeft een chiropractor gevonden wat het probleem was.

“Het enige probleempje dat mij nu nog ambeteert is mijn schouder. Bij mijn zware val in de Tour van vorig jaar zijn twee ligamenten afgescheurd. Het komt er nu op aan om die spieren genoeg op te trainen om dat gewricht op zijn plaats te houden. Bij een nieuwe val zou het kunnen dat het allemaal afscheurt.”

Is er veel veranderd met John Lelangue in plaats van Paul De Geyter als CEO van de ploeg?

“Niet veel, maar hij heeft toch wel een aantal regels ingesteld. Welke? Dat blijft intern, anders zou ik een aantal mensen schofferen en dat wil ik niet. Wijn aan tafel? Laten we zeggen dat er ook op dat vlak wel wat regels zijn veranderd.”

Jullie hebben nog Campenaerts achter de hand als gegarandeerd succesnummer dit voorjaar.

“Roubaix is op 14 april en Victor valt het uurrecord aan op 16 of 17 april, perfect om tegelijk wat uit te rusten, want dan ben ik in principe klaar, tenzij ik doorga tot de Amstel Gold Race. Ik denk dat Victor het werelduurrecord zal breken.

“In de Tirreno kwam Geraint Thomas naast mij rijden – dat was ook voor het eerst – en ik vroeg hem wat hij dacht van Campenaerts. Waarop hij informeerde naar het vermogen dat Victor denkt te duwen. Volgens mij hangt het af van de luchtdruk. Ik weet dat Victor vooral een rondetijd in zijn hoofd heeft.

“Het is bewonderenswaardig wat die gast doet. Ik ken hem al van bij de beloften. Victor is iemand van extremen. Zoals hij ernaartoe leeft, en wat hij allemaal doet, daar valt je mond van open. Nee, geen voorbeelden, want dan verklap ik zijn marginal gains. (lacht) Als we iets gaan drinken – buiten het seizoen, voor alle duidelijkheid – gaat het er evengoed extreem aan toe. Drie pinten na elkaar heb ik hem nog zien bestellen, uitdrinken, en daarna een water vragen waar hij een ORS (zoutenoplossing tegen uitdroging, HV) in gooit om een kater tegen te gaan. Geen idee of dat werkt, maar hij deed het wel.”

Is het bij jullie in de ploeg niet te vaak van ‘goed is al goed genoeg’? Jullie hebben geen Patrick Lefevere om bang voor te zijn.

 

“Misschien wel. Marc Sergeant en Patrick Lefevere zijn twee verschillende karakters. Het is wel geen geschenk voor ons om te worden vergeleken met een ploeg als Deceuninck-QuickStep die meer geld te besteden heeft en dus betere renners kan aantrekken.”

Ik heb gehoord dat die Benoot wel zouden willen.

(lacht) ” Ah ja? Dat ze dan maar eens contact opnemen met mijn manager, Dries Smets. Dit jaar ben ik voor het eerst einde contract. Ik hoef niet weg bij Lotto-Soudal, ik voel mij hier goed en zit hier toch al vijf jaar, maar ik ben niet getrouwd met de ploeg. Anderzijds ben ik hen dankbaar dat ik mij op mijn eigen manier heb mogen ontwikkelen.”

Ben je soms bang om níét te presteren?

“Faalangst? Neen, als je alles hebt gedaan om goed te zijn, dan moet je er ook vrede mee kunnen nemen als je tekortschiet. Het is een heel competitief milieu. Iedereen doet er alles aan om beter te worden. Ik hoor ook hoe Mathieu van der Poel het doet: naar buiten toe is het allemaal los, maar het weegschaaltje staat ook bij hem op tafel. Alle goeie coureurs werken hard, ik ook.”

Dus je bent een goeie coureur?

“Ik vind dat ik een goeie coureur ben.” Waar zie je jezelf over tien jaar?

“In Drongen, want dan ben ik verhuisd? (lacht) Ik hoop van nog enkele grote koersen te kunnen winnen zoals de Strade Bianche. Ik ben op een punt aanbeland dat ik niet meer tevreden kan zijn met een vijfde plaats in die wedstrijd zoals dit jaar. Ik ga voortaan meer risico’s nemen om te winnen, met het gevaar een topplaats te verspelen.”

Jij bent topwielrenner en je jongere broer Jaat is topballetdanser in Monaco. Van een uniek broederpaar gesproken.

“Er zit drieëneenhalf jaar verschil tussen ons. Fysiek verschillen we enorm. Jaat is veel meer atleet dan ik, supergespierd. Hij danst, ik kan niet dansen. Ik fiets. Wat we wel gemeen hebben, is de passie waarmee we doen wat we doen. Ik denk dat het terug te voeren is op de manier waarop we thuis zijn gestimuleerd.

“Het is niet evident voor een gemiddeld Vlaams gezin om de ene zoon te zien koersen terwijl de andere zegt dat hij ballet wil gaan doen. Mijn ouders hadden gelukkig de reactie: tuurlijk, waarom niet? Jaat is op zijn twaalfde naar Antwerpen gegaan en op zijn zestiende naar Monaco. Ik heb hem nooit anders gekend dan als danser. Op zijn vierde wist hij al dat hij dat wilde doen, net zoals ik op mijn vierde met mijn koersfietsje over de speelplaats reed.

“Natuurlijk zijn het twee totaal verschillende werelden en natuurlijk heb ik hem als kind wel eens gepest met zijn dansen zoals broers elkaar pesten, maar nooit dat het naar werd. Ik ben één keer bij hem geweest in Cap-d’Ail voor een dubbelinterview, maar verder hebben we te weinig contact. Behalve dan vorige zomer toen hij zijn hand had gebroken en in Gent is komen revalideren. Ik koers ook haast nooit daar in de buurt en bovendien zit hij over de hele wereld, laatst nog een paar weken in China. Jaat kan mij volgen, maar ik hem niet en dat is vervelend, want ik ben nog nooit naar een optreden kunnen gaan kijken.”

 

20190406_De-Morgen_p-78_-Mijn-vriendin-slaapt-perfect-in-mijn-hoogtetent–all-mail