Column Ploegtactiek over BK veldrijden in De Morgen van maandag 11 januari 2021

Ploegtactiek

Rik Van Looy bezwoer mij ooit dat wielrennen geen ploegsport is. Dat was niet de schuld van de sport die zich daartoe niet zou laten lenen, wel van de sporters die het niet in zich hebben om in ploeg op te treden. Wielrenners waren volgens Van Looy spitsen in het voetbal: oog in oog met de doelman trappen ze altijd op doel.

Van Looy is al meer dan een halve eeuw gestopt en hij zal ook wel hebben gezien dat het ploegspel vooral in grote rondes tot in de perfectie is afgesproken. Hoewel – denk maar aan Sunweb in de Giro – het heel af en toe fout gaat of er nog wel eens een voor eigen rekening rijdt. Wees als kopman tevreden, aldus Van Looy, dat ze in je ploeg niet tegen jou rijden.

Daar moest ik aan denken toen ik in de eerste ronde van het Belgisch kampioenschap veldrijden na een bocht of drie Laurens Sweeck op kop zag rijden, met in zijn dankbaar spoor Wout van Aert en Toon Aerts. Sweeck viel op het eerste gezicht niets te verwijten. De ploegconsignes waren duidelijk: we hebben drie kopmannen en als die elk om beurten vooraan prikken, moeten Van Aert en Aerts – die niemand in steun hebben – telkens dat gat dichten.

Dus reed Sweeck als een gek op kop, heel goed wetende dat zijn ploegmaats Eli Iserbyt en Michael Vanthourenhout niet mee waren. Sweeck zei in de nababbel: “Ik had geen zicht op wat er gebeurde in het begin”. Daarmee komt hij in zijn ploeg niet weg, geloof mij vrij. Wielrenners weten dat wel. Die hebben voelsprieten. Die hebben ogen op hun gat. Die zien wie mee is en wie niet. Crossen is bochten draaien en bij elke bocht zie je een stuk van het veld. Eli en Michael waren niet mee en toch reed Sweeck vooraan de hele kopgroep aan flarden. Driekwart ronde verder werd hij het gedroomde lanceerplatform en weg was de raket Wout van Aert.

Ja, het was weer eens bingo bij de jongetjes van Pauwels Sauzen-Bingoal. De eerste ploegleider die werd geïnterviewd, vond nog wel dat Laurens Sweeck de ploegtactiek goed had begrepen. Ten minste, dát deel van het plan was goed gelukt, zei hij sarcastisch. Het tweede deel, dat de andere twee kopmannen op een halve minuut zouden moeten jagen, was een beetje anders uitgedraaid dan voorzien.

Later zouden ploegbaas Jurgen Mettepenningen en sportdirecteur Gianni Meersman zich al wat kritischer uitlaten. Toen in de laatste rondes bleek dat Van Aert helemaal niet meer uitliep, maar zelfs seconde per seconde prijs moest geven en Michael Vanthourenhout in normale omstandigheden en zonder pech zijn evenknie had kunnen zijn, kon Vermeersch zijn ergernis nog maar moeilijk verbergen.

En al die tijd bleef die Sweeck maar met opengesperde bek rondrijden. Hij bleef sleuren op kop, heel goed wetende dat iemand van zijn ploeg uit de achterste gelederen een halve minuut in zijn eentje had goedgemaakt. Iemand die niet zoals hij sinds 22 november het podium niet meer had gezien. Iemand die nota bene de laatste weken had bewezen dat hij van alle Sausjes de grote drie – van wie Van der Poel en Pidcock niet aanwezig waren om evidente redenen – kon benaderen. Wat men er achteraf ook van zegt, de ene Sauzen-man heeft de andere in de vernieling gereden en dat is niet voor het eerst in die ploeg.

Wout van Aert reed zowat een uur aan de leiding en won met geen twintig seconden voorsprong. Dat leverde een mooie driekleur op, maar erg comfortabel leek het allemaal niet. Van Aert heeft de rest alvast niet aan flarden gereden en je kreeg ook niet de indruk dat hij freewheelde. Een koploper in de cross heeft graag een minuutje of wat reserve, kwestie van een occasionele schuiver of een lekke band te kunnen opvangen. Waren Iserbyt-Vanthourenhout-Sweeck wel in trio bij hem gebleven samen met Toon Aerts, dan hadden ze hem het vuur aan de schenen kunnen leggen.

Van Aert zelf had een uitleg klaar. Hij had zes nachten amper geslapen. Bij zijn flashinterview kon hij zijn tranen nauwelijks bedwingen toen hij zijn vrouw Sarah bedankte omdat ze negen maanden voor het kind had gezorgd. Tja, zo gaat dat nu eenmaal in de natuur. Het is niet dat de vrouw er voor kiest dat die baarmoeder bij haar zit, maar bon, een bedanking is uiteraard op zijn plaats. De dracht tot daar aan toe, veel vrouwen vinden die leuk liet ik mij destijds wijsmaken. Ik heb die van mij eerder bedankt voor de bevalling.

De overwegingen van Van Aert bewijzen wel wat ik van in het begin heb gezegd. Er zijn drie privébesognes die de carrière van een atleet overhoop kunnen halen: alleen gaan wonen, samenwonen, kinderen krijgen. Nu zit hij nog op zijn wolk, maar hij zal snel weer op aarde staan.

Column De beste van de wereld in De Morgen van zaterdag 9 januari 2021

De beste van de wereld

Niet dat ik reclame wil maken voor de concurrentie, maar ik kijk toch halsreikend uit naar de column van René Vandereycken in Het Nieuwsblad. René vervangt Hein Vanhaezebrouck, die KAA Gent net voor eind maart in play-off 1 zal parkeren en zes jaar na de eerste aan een tweede titel zal helpen. Of niet, maar dat zien we dan wel weer.

René stond gisteren al met een quote in de krant. “Ik bewonder de topschutter Lukaku, maar ik vind hem nog altijd geen goeie voetballer.” Wellicht zeggen we over afzienbare tijd over hem ongeveer hetzelfde: Vandereycken is een veel betere columnist dan hij ooit trainer is geweest. De columnist Vanhaezebrouck was dan weer even goed als de trainer.

Lukaku geen goede voetballer… Pfff. Ik ben ook geen fan van Lukaku, maar dan als publiek figuur. Hij verkoopt iets te veel theater en debiteert te veel onnozeliteiten over zijn zogezegd helse jeugd om nog geloofwaardig over te komen. Maar Lukaku de voetballer is natuurlijk wel top. Dat is nu typisch René Vandereycken: een driekwartvol zwart glas zal hij krompraten tot het een halfleeg doorschijnend glas is.

Oké, soms springt nog weleens een bal van zijn voet en als Romelu wegzakt, zakt hij dieper dan de hele ploeg, maar Lukaku is een spits en een spits moet scoren en dat doet Lukaku. Meer zelfs, hij scoort aan de lopende band in een competitie waarin het lastig scoren is. Lukaku is een hele goede spits en dus een zeer goede voetballer, maar hij is niet – zoals een deel van onze media ons willen laten geloven – de beste spits ter wereld. Erving Haaland en Robert Lewandowski zijn alvast beter.

Niettemin, als het de bedoeling is om te gepasten tijde wat tegengas te geven en tegendraads te zijn, heten we René van harte welkom bij het broederschap der columnisten. De lidkaart en het stortingsformulier voor het lidgeld krijgt hij eerstdaags in de bus.

Tegengas is af en toe nodig. Waar dat vroeger omgekeerd was en die van ons niks konden, hebben we de laatste jaren de vervelende gewoonte aangenomen onze eigen kweek te overschatten. Zo is Kevin De Bruyne voor de Belgische media de beste middenvelder ter wereld. Journalisten schrijven dat niet altijd van ganser harte maar laten hun broek op hun enkels zakken in de hoop dat Kevin-de- beste hun een exclusief interview toestaat. In dezelfde serie verscheen ook al dat Thibaut Courtois de beste doelman ter wereld is, dat Eden Hazard de beste dribbelaar op links ter wereld is. Zelfs Toby Alderweireld, Jan Vertonghen en eerder Vincent Kompany waren de beste ter wereld in iets en Axel Witsel was de beste regelaar, ook van de wereld.

Dat is niet typisch Belgisch wil ik hier uitdrukkelijk nuanceren. Ik lees L’Equipe en de Nederlandse kranten. Zij vinden hun Kylian Mbappés en Frenkie de Jongs ook de beste van de wereld en dat zijn ze niet, Mbappé uitgezonderd misschien.

Naar het schijnt voert Kevin De Bruyne nu onderhandelingen met Manchester City over een verlenging en verbetering van zijn contract dat nu 18 miljoen euro per jaar waard is. Voorlopig vangt hij bot. Het CIES Football Observatory in Neuchâtel weet misschien waarom. Zij brachten de marktwaardes van de spelers in de grote vijf voetballanden in kaart. De Bruyne heeft een waarde van 71,9 miljoen euro, net iets meer dan zijn doublure Youri Tielemans. In de Premier League staan onze landgenoten met dit bedrag op de 29ste en 30ste plaats. Natuurlijk is de transfersom gelieerd aan leeftijd en contractduur en nog wat parameters, maar het is wel een indicatie. Net als de rangschikking als je filtert op ‘midfielder’. KDB de beste van de wereld? Niet volgens het CIES. Die zetten hem op plaats dertien en Tielemans op veertien.

De duurste Belg is Romelu Lukaku. Die zou voor net geen 100 miljoen van de hand gaan. Hij staat daarmee zestiende bij de aanvallers. Thibaut Courtois heb je al voor 48 miljoen en kost net iets meer dan Timothy Castagne. Axel Witsel krijg je voor een bedrag tussen de 15 en 20 miljoen. Eden Hazard (27,5 miljoen) is iets duurder, maar nog altijd 2,5 miljoen goedkoper dan Alexis Saelemaekers.

Zegt dat wat, zo’n rangschikking? Ja en neen. Neen, omdat marktwaarde kan fluctueren en het nooit algoritmes zijn die de prijs bepalen, al zou dat misschien te overwegen zijn. Ja, omdat de marktwaarde van de Belgen in verhouding tot de top fel is geslonken.

Zegt dat iets over de kansen op het EK volgende zomer? Ook niet. De Fransen, de Engelsen en de Duitsers hebben een duurdere selectie en ook dat heeft niks te betekenen. Behalve dan dat we ons beter nestelen in onze historische rol van underdog.

Column Wat is Sport? in De Morgen van maandag 28 december 2020

Wat is sport?

Vijfendertig jaar geleden – jawel, ik ben een boomer – volgde ik een paar zomers lang cursus aan de Sporthochschule. In ons werkgroepje met heel veel West-Duitse en een handvol Oost-Duitse piepjonge sportjournalisten (wellicht zat er ook een Stasi-mannetje bij) moesten we een antwoord verzinnen op ‘wat is sport?’ en vooral ‘wat is geen sport?’.

We geraakten nooit tot een allesomvattende volzin, wel tot enkele criteria waaraan moest voldaan zijn om van sport te kunnen spreken. Het moest een fysieke activiteit zijn, of nog beter, een inspanning die een gevolg had op hart- en bloedvaten. Bijkomende eis: er moest sprake zijn van algemeen geldende regels. Ten derde: de regelgebonden inspanning moest onder de vorm van een competitie tegen een tijd, volgens een score of om ter eerst.

Het scheren van de haag in een hoog tempo zou een vorm van competitie kunnen zijn als je dat tegen je buur doet, maar het staat vast dat daar geen algemeen geldende regels voor afgesproken zijn. Veruit het belangrijkste criterium is de inspanning, met een verhoogde activiteit op het niveau van hart- en bloedvaten. Hoeveel verhoogd? Dat is van geen belang.

Opgelet, niet alles waar je hart sneller gaat van kloppen en waar je gaat van hijgen, is sport. Als boomer herinner ik mij dat je op je adem kunt trappen van stomende seks, maar ook dat telt niet als sport omdat er bijvoorbeeld geen regels zijn en geen jury is die punten geeft. Behalve dan op Temptation Island, laten we dat als een twijfelgeval beschouwen.

Wat is ook geen sport? Alle sport waarbij bètablokkers helpen, dat zijn middelen die de hartslag vertragen. Dus: alle hersen- zogeheten-sport. De hengel-zogeheten-sport, de bridge- en schaak-zogeheten-sport. Allemaal verdomd moeilijk, maar geen sport.

En neen, wat men u ook wil wijsmaken: darts is geen sport, want ook daar helpen bètablokkers. Gisteren zag ik een obese Belg verliezen van een Engelsman op het WK darts. Een andere obese Belg, ene Dimitri Van den Bergh, gooide zich met een 4-0 wel naar de achtste finale. Ter plaatse verzin ik nu een bijkomend criterium om bepaalde skills en handigheden uit te sluiten als sport. Als de vermeende atleten, zeg liever beoefenaars, eruitzien alsof ze met hun onderliggende problemen snel in aanmerking komen voor het vaccin, wees dan zeker: het is geen sport.

Als bewijs dat darts wel sport zou zijn, worden soms rare argumenten gehanteerd. Bijvoorbeeld: doe het zelf maar eens. Onzin natuurlijk, er zijn wel meer dingen waarvoor je erg handig of slim moet zijn, die ik ook niet kan. Niet alles wat moeilijk is, is sport. Mijn dochter haar biochemiecursus vond ik onoverkomelijk moeilijk, maar dat zijn studies, geen sport.

Nog zo’n non-argument: schieten, dressuur en curling zijn ook sporten en zelfs met een olympisch statuut. Dat klopt en de repliek is simpel: het is niet omdat die handigheden ooit verkeerdelijk tot sport zijn opgewaardeerd dat we nogmaals die fout moeten maken.

Sommige bezigheden die aan alle criteria beantwoorden en in normale omstandigheden beoefend onbetwistbaar het predikaat sport verdienen, neigen zo tot het extreme dat je kunt betwijfelen of er nog wel sprake is van sport. De cross van gisteren in Dendermonde bijvoorbeeld. Wat was me dat voor een ongein, onzin en nonsens op een hoop?

Wie heeft dit in godsnaam verzonnen? Jurgen Mettepenningen natuurlijk. Die man heeft naast een ploeg ook enkele crossen in beheer en daarom bleef de kritiek veelal binnensmonds. Ik heb alvast van één staflid van een toptienrenner een whatsappje met ‘schande’ gekregen. En Mathieu van der Poel noemde het achteraf wereldbeker-onwaardig. Van de Sporza-commentatoren Michel Wuyts en Paul Herygers had ik meer moed verwacht. Het parcours in Dendermonde verdiende minimaal publiekelijk te worden gedesavoueerd.

Niet dus. Dat krijg je met die hele inteelt van rechtenhouders, organisatoren, commentatoren die zelf organiseren en renners en de rimram eromheen: als puntje bij paaltje komt, klitten ze in dat crosswereldje aan elkaar. Niet te geloven dat de UCI dit parcours heeft goedgekeurd. Als men zich nog afvraagt waarom mountainbiken populairder en meer wereldsport is dan dit regionale gedoe van modderploeteren/strontlopen, dat men dan het uurtje Dendermonde 2020 nog eens afspeelt. Dit had niks met de sport veldrijden te maken, zoals die is doorontwikkeld en zoals de internationale wielrennerij die graag vanuit de Vlaamse blubber wil halen. Dit was terug naar af.

Met Wout van Aert heeft de beste gewonnen. Dat is hem gegund, want uiteindelijk is dit een verhaal geworden van wattages, met dank aan de regen.

Copyright ©2020 Belga. Alle rechten voorbehouden

Column Knuffelboete in De Morgen van zaterdag 26 december 2020

Knuffelboete

Wat jammer dat de Pro League niet heeft doorgezet met die gele kaarten voor voetballers die vanuit een soort virale oerdrang elkaars lichaamssappen en aerosolen uitwisselen als ze een doelpunt maken. Knuffelkaart, die kn aan het begin, die alliteratie, die ideale drie lettergrepen,… daar was in de verkiezing voor het woord van het jaar geen woord tegen opgewassen.

Voor wie de laatste tijd onder een steen zat en die niet af en toe omhoog heeft geduwd, er is bij de publieke opinie ophef ontstaan over voetballers die zich voor de wedstrijd in een bubbel van een man of vijftien oppeppen, waarna de wedstrijd begint en ze bij een doelpunt op elkaar springen, diep in de ogen kijken, zoenen, vastpakken, toeschreeuwen, dat alles op anderhalve centimeter,… Na de wedstrijd volgt dan nog een begroeting van de tegenstander, inclusief de stafleden en bestuurders als die het veld zijn opgeraakt. Minimaal met een vuistje, soms met een mondkapje maar niet altijd. Meestal worden gewoon handen geschud en krijgen de intiemere concullega’s een knuffel.

Wat de eerste minister daarvan vond, vroeg iemand tijdens ‘De Zevende Dag’. De eerste minister – Alexander De Croo – keek zorgelijk en had een passend antwoord: “Wij vragen van iedereen om gewoontes op te geven: handen schudden, zoenen, in grote groepen elkaar zien. Dan hoort het niet dat voetbal gewoon doet alsof er niets aan de hand is zich niets aantrekt van de voorzorgsmaatregelen.”

De mevrouw die de vraag stelde, kreeg nogal snel de hoon over zich. Ze dook zelfs met voornaam en naam op in wat moest doorgaan voor een voetbalverslag. De voorzitter van de voetbalbond Mehdi Bayat vond het allemaal wat overtrokken en zag geen probleem, tenzij dan een perceptieprobleem.

Daar heeft hij helemaal gelijk. Voetbal is één groot perceptieprobleem en daar werkt hij zelf naarstig aan mee. Mehdi Bayat is naast bondsvoorzitter ook CEO van Sporting de Charleroi. Toen die club zich in september had gekwalificeerd voor de laatste voorronde van de Europa League, mengde hij zich onder de supporters en danste mee.

Dat de meeste van die supporters geen mondmasker droegen, vond hij geen probleem. Dat drie spelers meedansten – Dorian Dessoleil, Nicolas Penneteau en Guillaume Gillet – was ook geen probleem. “De politie keek toe, dan kan er toch niets illegaals aan zijn geweest?”, reageerde Bayat.

Het voetbal laat nooit een gelegenheid voorbijgaan om zich van zijn meest asociale kant te laten zien. Het zoveelste bewijs dat die sociale dimensie van de voetbalclub – hoe idealistisch de communitycel ook is en hoe goedbedoeld hun initiatieven zijn – voor heel wat bestuurders een rookgordijn is. Profvoetbal is de meest geprivilegieerde economische sector: welke andere industrie verdient grof geld met mensenhandel, kan alle maatschappijke regels aan de laars lappen en krijgt jaarlijks van diezelfde maatschappij 170 miljoen euro aan lastenverlagingen?

Donderdag kwam de Pro League dan met het voorstel om boetes te geven. Clubs bij wie de inbreuken vastgesteld worden, kunnen een boete van maximum 10.000 euro (1A) en 5.000 euro (1B) krijgen. Spelers en stafleden die inbreuken begaan zullen bovendien zelf een bijkomende ‘vergoeding’ van 750 euro moeten betalen, bovenop een verplichte inschakeling in sociale en maatschappelijke projecten.

10.000 euro op een (gemiddelde) omzet van 20 miljoen. Of 750 euro op een gemiddeld voetballerssalaris van 210.000 euro. De sportmedia vond dat hoge boetes. Vergelijk dat eens met 250 euro boete op een doorsnee nettoloon van 1.842 euro. Of met de 1.600 tot 32.000 euro en een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden bij een inbreuk op artikel 187 van de wet op de civiele veiligheid, waar de rechtbanken nu mee dreigen.

Juichen bij een doelpunt kan makkelijk worden gereglementeerd. Ooit sprongen doelpuntenmakers op de afrastering nadat ze hun shirt hadden uitgetrokken. Het ene noch het andere is toegelaten en wordt al een aantal seizoenen consequent met geel bestraft. Dat had tijdelijk ook gekund met doelpuntenvieringen die niet coronaproof verlopen.

Veel erger dan die opstoot van testosteron en gelukshormonen zijn natuurlijk de lockdownfeestjes die door voetballers zijn georganiseerd of waar een aantal voetballers werden opgepakt. Daar hoor je de Pro League niet over. Het recht houdt op aan de stadionpoort, was ooit de boutade van een sportadvocaat. Klopt helemaal: eens voorbij de poorten van het voetbalstadion begint een parallel universum van ongeziene privileges.

Column over 2021 in De Morgen van zaterdag 26 december 2020

Mijn Favoriete Speeltuin

Ik heb lang geaarzeld of ik wel wilde gaan, maar begin december heb ik dan toch mijn vliegticket voor de Olympische Spelen van 2021 geboekt. Om redenen die u inmiddels bekend zijn, zijn wij vorige zomer niet in Tokio geraakt. Ik vlieg graag met Lufthansa, waar ik inmiddels zoveel miles heb verzameld dat ik mijzelf tot in de pilotencabine kan upgraden, als ik dat zou willen. De ruimte net achter de pilotencabine – waar het allemaal iets luxer is, het eten beter, de bediening af en de bedden echt – volstaat. Dat is het plan.

Dit zal mijn laatste intercontinentale trip als journalist zijn en ik wil terugkeren in stijl. Als ik de volgende Spelen haal – bij leven en welzijn en voldoende goesting – is dat per trein. Van Lille naar hartje Parijs is een uurtje en van mijn huis naar Lille is ook een uurtje. Er zijn niet veel Olympische Spelen waar je in twee uurtjes op de plaats van bestemming bent, toch niet als je van thuis kunt vertrekken. Maar goed, dat is over drieënhalf jaar, een eeuwigheid voor een mens en in de journalistiek.

In 2021 is Tokio aan de beurt. Ik zag er lang tegen op. Tokio is nooit een feest, het is gewoon geen plezante stad. Combineer dat met die Japanse obsessie voor hygiëne en kadaverdiscipline, bovendien in pandemische tijden, en u weet wat ik bedoel. De laatste keer in Tokio is alweer twintig jaar geleden, maar ik gok dat het er nu niet minder druk is. Het hotel waar de organisatie mij tegen 120 dollar voor een nacht een kamer heeft toegewezen, ligt in een achterafbuurt, gelukkig wel op een boogscheutje van een metrostation. Google Street View laat zien dat mijn hotel het midden houdt tussen een bunker en een afwerkplek voor dolgedraaide salarymen en hun concubines.

Ik stel al mijn hoop op die terugvlucht in stijl en natuurlijk dat metrostation. Laten we hopen dat de snelste vorm van vervoer in Tokio ook tijdens de Spelen de snelste vorm van vervoer is. In Peking was dat de persbus, maar dan alleen nadat ik het IOC de oren van de kop had gezeurd over de files op Ring 2. Wonder boven wonder mochten een paar dagen later alleen de auto’s met oneven kentekens de weg op, een dag nadien de even kentekens. Ik denk nog steeds dat mijn gezeur bij de grote bazen van het IOC daar iets mee te maken had. In Tokio zal dat niet lukken. De opperbaas is al acht jaar een andere en mijn (olympische) status is tanende.

De Spelen zijn mijn favoriete speeltuin. Ik heb EK’s voetbal gecoverd en ook de laatste World Cup voetbal. Ik heb gezworen dat ik in november 2022 niet naar de World Cup in Qatar ga en dat heeft niks te maken met protest omwille van de Nepalezen die daar worden uitgebuit en vermorzeld bij de bouw van de stadions. Ik heb die Nepalezen in de Himalaya in lijfeigenschap van India op 5.000 meter hoogte ook wegen in rotsen zien uithakken. Het is overal wat, heb ik na al die jaren wel door.

Naar de World Cup voetbal krijgen ze mij niet meer, maar die Olympische Spelen in Tokio wil ik niet missen. Een eindtoernooi in het voetbal is als eten bij McDonald’s. Na een tijd heb je de hele menukaart gehad en weet je het wel: cheeseburger, gewone burger, chicken filet, met of zonder bacon, whatever, het blijft elke keer een burger.

Voetbal is fastfood: 64 voetbalwedstrijden in 32 dagen. Maar die zestien dagen van Olympische glorie zijn een bruisende uitgaansbuurt, met sterrenrestaurants – zwemmen, gymnastiek, atletiek – en een food court met exotische specialiteiten. Sportjournalistiek is voor mij altijd één groot avontuur geweest en daar geef ik niet meer op toe.

Interview Dirk Van Tichelt in ‘De Wending’ – De Morgen van 22 december 2020

‘Zoveel kracht dat het ineens krak zei’

Tokio in 2021 haalt hij niet meer. Judoka en olympisch medaillewinnaar Dirk Van Tichelt wordt na zijn sportieve pensioen wel gerecycleerd en ingezet ter behoud van een oude Belgische judotraditie: prijzen pakken. ‘Ik wil die jonge gasten de weg tonen.’

Interviews bij topsporters thuis waren ooit de regel. Dat gebeurde voor of na een training, of als het echt druk was tussen twee trainingen. Vaste prik om het ijs te breken was de vraag: wat doe je vandaag nog? Waarna een antwoord volgde zoals: nog wat kracht, nog wat techniek, beetje losrijden (wielrenners) of x aantal kilometer extensief als het lopers waren.

Een tip voor wanhopige collega’s die genoeg hebben van Zoom en andere fakegesprekken, bij Dirk Van Tichelt (36) kun je nog steeds aan huis komen. Met mondmasker aan de voordeur, zonder als je nadien ver genoeg aan de lange tafel gaat zitten. En je kunt nog steeds dezelfde vraag stellen.

Van Tichelt: “Wat ik vandaag nog doe als jullie weg zijn? Verder helpen met het renoveren van de badkamer. Elke olympische cyclus heb ik afgesloten met grote werken.”

Ben jij een van de indirecte slachtoffers van de coronapandemie?

“Ja, eigenlijk wel. Ik was van plan te stoppen eind 2020, maar dan na mijn vierde Olympische Spelen. Alleen, ja, die Spelen zijn een jaar uitgesteld. Na Rio heb ik het van jaar tot jaar bekeken in de optiek van ‘alles wat er nog bijkomt is mooi meegenomen’. Ik deed het nog wel erg graag, zeker met al die jonge gasten die er waren bijgekomen. Die hielden mij jong en ik kon hen een beetje wegwijs maken. Als je dan zo’n talent als Matthias Casse kunt helpen, geeft dat voldoening.”

Was er een moment dat je de klik hebt gemaakt: het is genoeg, ik stop?

“Die nek die pijn deed, die hernia is de hoofdreden. Ik had tien jaar geleden al eens een inspuiting gehad. De pijn was toen weggegaan. Twee jaar geleden is die teruggekomen en weer weggegaan door een inspuiting. Nu was ze sneller terug en heb ik twee spuiten gekregen. Toen ik in de zetel lag en geen kant op kon, kwam mijn zoontje mij vragen om op de trampoline te spelen. Ik moest zeggen: papa kan niet, hij heeft te veel pijn. Dan denk je: is het dat allemaal nog waard?

“Ik heb toen tegen mijn vriendin gezegd: ik denk dat het goed is geweest. Jaja, zei ze, morgen heb jij een afspraak bij de kinesist en die zal je wel weer oplappen. Effectief, ik voelde mij veel beter en ik sprak anders: ‘Oh Esther, het heeft goed gedaan, het komt in orde.’ Het weekend erna verbeterde het niet meer. Ik terug naar de specialist.”

In de pijnkliniek?

(knikt) “Dan zit je al ver, dat klopt, maar dat hoort bij topsport. Die sprak overigens niet van stoppen. Het was niet gevaarlijk als ik zou doordoen, zei die. Ik moest alleen een beetje oppassen dat ik met mijn hoofd niet op de grond terechtkwam. Dat is natuurlijk een heel goede raad, maar waar je met je hoofd terechtkomt, dat ligt in judo vaak aan je tegenstander. Ik ben ook nog bij een neurochirurg langsgegaan en die zei ook dat ik verder kon. Alleen was het zaadje van de twijfel geplant en dat is blijven groeien.

“Komt daarbij dat ik door corona nog nooit zo intensief met mijn kinderen heb samen geleefd. Ik sliep de laatste jaren meer met Matthias Casse dan met mijn vriendin. Ik had nog die droom van mijn vierde Olympische Spelen, maar al het andere dat ik daarvoor moest missen had ik nu ook gezien. Voeg daarbij nog het besef dat langer doorgaan mij later weleens heel hard zou kunnen spijten.

“Hoe ik dat dan aan mijn manager heb gezegd dat ik wilde stoppen, weet je dat ik dat niet eens meer weet? Het was een proces en het heeft even geduurd voor ik om was. Een maand ongeveer was het van ja, neen, ja, neen… Tot het ja was.”

Had je niet moeten stoppen in januari 2019 nadat die voorste kruisband was afgescheurd?

“Dat was stom, hoe dat is gegaan. We waren op een internationale stage in Oostenrijk en de training zat er eigenlijk op toen een jonge talentvolle judoka nog eens naar mij toe stapte voor een gevecht. Ik dacht: allee, waarom niet, het is een goeie en ik vecht er graag tegen, nog eentje. Ik probeerde die uit alle macht te gooien, over mijn schouder en daarbij zette ik zoveel kracht vanuit mijn been dat het ineens krak zei.

“Niet opereren was toen een optie. Mijn vriendin heeft ook judo gedaan op hoog niveau en loopt al tien jaar met een niet-herstelde voorste kruisband. Dat geeft iets meer slijtage en topsport zit er dan niet meer in, maar het kan. Ik heb er even over nagedacht maar dan toch snel de knoop doorgehakt: repareren, zo snel mogelijk revalideren en dan de vierde Spelen.

“Ik had anderhalf jaar om te revalideren en mijn olympisch ticket af te dwingen. Dat liep niet best, althans niet in wedstrijden. In Abu Dhabi verloor ik om de derde plek, maar ik moest in het voorjaar nog wel in wat grote toernooien een resultaat neerzetten om mij te kwalificeren. Ik had tegen de trainer gezegd: als jij het niet meer ziet zitten met mij, zeg het mij, dan stop ik ermee.

“Hij vond dat ik nog heel goed vocht. Dat bleek ook uit de trainingen. Tegen Matthias Casse, wereldtop in een categorie hoger, ging het nog steeds gelijk op en dan weet je dat je internationaal niet bent uitgespeeld. Toen corona alles stillegde, zag ik dat eerst als een buitenkans: eindelijk nog eens de conditie opbouwen en een stevige basis leggen. De rest volgt dan wel. Maar de rest kwam niet.”

In Tokio Olympische Spelen in de mythische Budokan, dat was wel een mooie afsluiter geweest.

“Bwa. Ik weet dat in 1964 het eerste olympisch judotoernooi ooit daar is doorgegaan en dat Anton Geesink er die Japanner heeft geklopt. Maar om dat nu een mythische plek te vinden, neen.”

The Beatles waren de eersten in 1966 om er live op te treden. En Made in Japan van Deep Purple is daar opgenomen.

“O ja? Dat wist ik niet. Het is een mooie hal, dat wel, met de vorm van een tempel. De Budokan ligt ook in het groen. Maar als ik ergens ben om te vechten kan dat evengoed in een vervallen kot. Ik heb er geen te beste herinneringen aan. Het was vorig jaar het eerste WK na mijn operatie en ik verloor meteen in de eerste ronde.”

Is je glas nu helemaal leeg?

“Daar trek ik mij niet te veel van aan. Ik kijk niet terug. Ik zal wel een ander glas vinden om uit te drinken. (lacht) Ik ben daar nuchter in. De knop is omgedraaid en ooit moest er een einde aan komen. Het lukt best, ook omdat ik die collega-judoka’s niet meer heb gezien. Misschien als ik terug op hun training kom dat het dan erger wordt.”

Je zou in de begeleiding van de toptalenten gaan werken, klopt dat?

“Daar is vorige week een beslissing in gevallen. Ik ga de junioren vanaf achttien jaar voor mijn rekening nemen. Ik denk wel dat dit mij ligt. Ik heb bovendien alle nodige diploma’s, zowel trainer A als licentiaat lichamelijke opvoeding.”

Dat laatste op zich is al knap dat je dat als topsporter er nog bij hebt genomen.

“Ik wilde een diploma hebben voor ik stopte. De eerste twee kandidaturen heb ik in twee jaar gedaan. Wel telkens tweede zit. Ik zei altijd: die tweede zit is in de prijs van de inschrijving inbegrepen. Over de twee licenties heb ik nog eens vijf jaar gedaan, tot en met de thesis die ging over de kumi-kata, het vastgrijpen van de tegenstander bij het begin van het gevecht. Mijn promotor was professor Peter Clarys, zelf een judoka.

“Daar heb ik nog een mooi verhaal over. Ik was net begonnen op de VUB toen we een Belgisch kampioenschap hadden. Een van mijn tegenstanders was die prof, maar ik herkende hem niet meteen. Ik wist wel: die heb ik al eens gezien, maar ik dacht in het judo. Nadien begon het mij te dagen: dat is verdorie die prof van mij. Die week heb ik een training verlegd om bij hem in de les te kunnen zijn. De eerste vijf rijen bleven zoals altijd vrij en ik ging pal voor hem zitten. Komt die prof binnen, kijkt in het auditorium en ziet daar die gast zitten die hem de zondag voordien een ippon had aangesmeerd. Ik was toen nog een gewone junior die elk EK in de eerste ronde verloor en helemaal niet bekend. Met een brede smile keek ik hem aan. Hij is zijn les begonnen met vertellen over onze wedstrijd.”

Je bent een van de drie Belgische mannen die ooit een prestigieuze judomedaille hebben gewonnen. Robert Van de Walle blijft de keizer met goud en brons. Ken je je klassiekers?

“Jaja. Robert was op dat WK in Tokio ook uitgenodigd, net als Ulla Werbrouck (goud in Atlanta, HVDW) trouwens. Ik ken de Belgische traditie in judo. Ik zat in 1997 als jonge judoka met het hele gezin gekluisterd aan de tv voor dat EK waar Jean-Marie Dedecker en zijn nationale ploeg negen medailles wonnen, waarvan zes keer goud. Een weekend later was het familiedag met de nationale ploeg en daar was ik ook om fotokaartjes en handtekeningen te verzamelen.

“Dat EK in Oostende was uniek en zal nooit meer worden verbeterd. Dat waren andere tijden. Voor een klein land als België wordt het steeds moeilijker om te concurreren met andere, grotere landen of landen waarin judo meer beoefenaars heeft. Neem nu Georgië. Matthias Casse verliest op het EK van een Georgiër. Waarom denk je? Omdat Matthias weinig of geen tegenstand heeft gehad in eigen land. Hij zat vast door corona, kon niet naar het buitenland en kon alleen met zijn broer sparren. Die Georgiërs zijn met drie in hun categorie aan elkaar gewaagd en die maken elkaar beter.

“Judo is een wereldsport. Een kleine sport, dat wel, maar uit alle continenten komen medaillekandidaten. Als ik dan hoor hoe hier euforisch over veldrijden wordt gesproken… Alles in het veldrijden wordt gewonnen door Vlamingen of een Nederlander die in België woont.”

Wat nu in het judo? Je graden wat bijspijkeren via kata’s?

“Zeg nooit nooit, maar nu heb ik daar geen zin in. Ik ben zwarte gordel tweede dan en die heb ik moeten halen omdat je anders niet naar de Spelen mag. Om nu al die andere graden te halen, ik zie daar het nut niet van in. Die kata’s (stijloefeningen met nadruk op de perfecte uitvoering, HVDW), dat is een beetje hetzelfde als een student die alles van buiten blokt, grootste onderscheiding haalt, maar die niks in de praktijk kan brengen.”

Robert Van de Walle was ook eerst behept met het demonteren van de tegenstander en is pas aan het einde van zijn carrière over zijn sport gaan nadenken.

“Die filosofie, dat sacrale in het judo interesseert mij wel. Ik heb wedstrijdjudo gedaan en dat gaat dan meestal zonder veel bij na te denken. Je trekt die andere over en hij valt. Of niet. Maar hoe dat nu zit met dat spel van de krachten, waarom en wanneer iemand valt, daar stel ik mij meer en meer vragen over. Dus misschien komt het er nog van. Overigens vraag ik mij af waarom ik geen graadverhoging heb gekregen na mijn olympische medaille. Vroeger was dat het gebruik, maar dat heeft de gradencommissie afgeschaft.”

Is het judo veranderd tussen 2007 toen jij internationaal doorbrak en nu?

“Er zijn reglementsaanpassingen gekomen om te beletten dat het onder impuls van de Oost-Europeanen te veel op worstelen ging lijken. Ze hangen nu minder over elkaar dan in het begin toen ik judo deed. Verder blijft het doel toch die andere op de grond kegelen. Hoe dat dan gebeurt, is toch met geoorloofde middelen.

“Judo is altijd een faire sport gebleven, met respect voor de tegenstander. Het gaat erom de andere uit te schakelen door hem te immobiliseren, niet door hem knock-out te slaan of zo te kwetsen dat die niet meer verder kan zoals in boksen. Oké, er is de wurging en dat is een techniek waarbij de gewurgde moet afkloppen of hij valt flauw. Sommigen doen dat niet. Ik heb het zelf nooit meegemaakt, maar ik heb er al genoeg weggewurgd.”

Van de Walle sprak over armklemmen en trekken tot het krak zegt.

“Juist, maar die krak is niet het been dat breekt, wel de ligamenten van het gewricht die worden uitgerekt. Doet ook geen deugd en je kunt natuurlijk afkloppen, waarna je verloren bent. Japanners kloppen bijna nooit af. Ik herinner mij een kamp tegen Akimoto, nu een van de Japanse vrouwencoaches, op de Masters. Op een gegeven moment had ik hem op de grond in armklem. Ik dacht k’em ‘um en heb daar met mijn twee armen aan zijn arm getrokken tot ik helemaal leeg was. Die had echt heel veel pijn, dat kon niet anders, maar niet afkloppen. Dus riep de scheidsrechter na een tijd ‘mate’ en we konden herbeginnen. Hij met één lamme arm en ik met twee compleet lege armen. Hij heeft die kamp nog gewonnen want hij stond een bestraffing voor. Niet te geloven.”

Op de Olympische Spelen haal je ex-judoka’s – ze mogen nog zestig zijn – er zo uit.

“Dat geloof ik best. Beetje moeilijk te been, die kop wat scheef omdat er nog pijn in de nek zit, en die bloemkooloren natuurlijk. Het is een sport die je redelijk sloopt, toch op topniveau. Ik heb nu nog wat pijn aan mijn nek, maar dat gaat al veel beter. Ik kan alweer op de trampoline. Mijn vingers doen pijn als ik moet knijpen, die hebben jaren de judogi van die andere moeten vastpakken en maar trekken en sleuren. De impact van die duizenden keren dat je bent moeten vallen, is niet te onderschatten.

“Heb ik nu spijt? Bah neen. Ik zou het direct opnieuw doen, op dezelfde manier. Oké, ik heb wat pijntjes en als ik Robert en Ingrid (Berghmans, HVDW) zie stappen, dan weet ik dat mij dat ook te wachten staat. Dat komt door het judo en dat hebben we mooi gehad. Wat er later van komt, zien we dan wel weer.

“Ik ga training geven aan junioren en op clubniveau zie ik mij ook nog wel zelf aan judo doen. Je kunt wel degelijk een beetje judoën. Grondwerk kun je lang volhouden, maar allemaal wel met een andere intensiteit. En de tegenstand zal natuurlijk ook minder zijn. Ik heb hierboven nog mijn fitnessmateriaal staan en nu ik voor het eerst lang heb gerevalideerd van mijn nek, na twee spuiten met cortisone, kan ik opnieuw wat trainen.”

Dat dertien jaar topjudo sloopwerk is, was hem niet aan te zien toen hij in de eerste coronagolf deelnam aan De container cup, een programma van VIER dat furore maakte omdat atleten van allerlei kunne het tegen elkaar opnamen in verschillende korte disciplines. Mathieu van der Poel werd de eindwinnaar, maar het programma kreeg een populariteitsboost nadat de wervelwind Dirk Van Tichelt was gepasseerd. Vlaanderen leerde een topsporter-academicus kennen die zich op allesbehalve academische wijze vloekend, schurkend, zwetend en boerend doorheen de vijf proeven naar de leiding worstelde. Vooral zijn prestatie bij het golfen ging viraal, minder omwille van die 116 meter dan om zijn swing die leek op houthakken met een golfclub.

Is ‘Start to golf’ hier in Tessenderlo op de Millennium-club niks voor jou?

(lacht) “Neen, niet echt. Ik dacht dat ik een try-out moest doen voor dat programma. Toen bleek dat Pieter Timmers en Remco Evenepoel al waren gepasseerd en dat het menens was. Ze hadden die proeven doorgestuurd maar daar had ik niet naar gekeken. Ik heb boven nog wel een loopband en een spinfiets staan. Had ik het geweten, dan had ik daar wel een paar keer op getraind om te zien wat de beste tactiek was. Ik denk dat ik zelfs het zadel van die fiets niet heb verzet, ook het wattage niet. Ik vond het wel plezant. Weet je dat ik nooit méér in de kranten heb gestaan en mijn naam heb horen vernoemen dan met dat programma?”

Hoor ik daar kritiek op de media?

“Een beetje wel. Jullie beseffen niet hoe frustrerend een gebrek aan aandacht is. En hoe dat doorwerkt? Neem nu sponsoring. Na Rio, waar ik brons won, hebben mijn manager en ik het hele Autosalon platgelopen om autosponsoring te krijgen. Elk merk vond het tof dat we langskwamen en ze kenden mij allemaal, overal wilden ze een selfie. Maar toen weer contact werd opgenomen, vingen we overal bot. ‘We gaan het toch niet doen.’ Waarom? Omdat ik maar eens om de vier jaar in de media kom. Rio is de laatste keer dat ze een hele wedstrijd hebben laten zien van mij of van een andere judoka, van hajime (het begin) tot sore-made (het einde).

“Op dat laatste EK vochten Sami Chouchi en Matthias Casse tegen elkaar voor brons. Twee wereldtoppers, twee Belgen tegen elkaar. Waarom wordt die wedstrijd niet uitgezonden? Waarom moet het altijd wielrennen en voetbal zijn? De eerste de beste voetballer die zich laat vallen met een gefakete blessure en meteen weer opstaat, krijgt meer zendtijd dan om het even welke olympische wereldtopper. Ik kan daar niet bij. In andere landen is dat beter verdeeld. Dus wil ik iets veranderen? Ja, ik wil iets veranderen. Als ik maar één journalist kan beïnvloeden dat die naar zijn baas gaat en zegt dat ze iets meer aan judo moeten doen, of een andere olympische topsport, heb ik mijn doel bereikt.”

Column Trainerswissel in De Morgen van maandag 22 december 2020

Trainerswissel

Bij het tikken van deze column stond AA Gent voor het eerst dit seizoen in de linkerkolom. Zevende meer bepaald, met 25 punten gelijk met Standard en Antwerp, die wel nog aan hun wedstrijd moesten beginnen. Belangrijker: op vier punten van de vierde, OH Leuven, dat net aan de wedstrijd was begonnen en uiteindelijk zou verliezen.

Wat de inzet was, ben ik vergeten – wellicht een etentje – maar ik heb een maand geleden gewed met iemand van AA Gent dat ze Europees niet zouden doorgaan en play-off 1 zeker niet halen. De man van Gent beweerde het omgekeerde. Op dat moment waren ze Europees nog niet uitgeteld en vierde worden kon nog altijd. In dat Europese verhaal heb ik mijn gelijk al gehaald; nul op achttien is een negatief record voor een Belgische ploeg in de Europa League. Het is zelfs beschamend voor een ploeg die de laatste jaren in Europa van zich liet spreken en samen met Anderlecht de enige Belgische ploeg is die in de Champions League de tweede ronde wist te halen.

Gisteren won Gent zowaar voor de derde opeenvolgende keer. Die derde telt voor vijf, want het ondenkbare gebeurde op het veld van aartsrivaal Club Brugge. “Gent hield stand, ondanks het vroege uitvallen van Vadis Odjidja.” Zo zult u dat ongetwijfeld in uw krant hebben gelezen of van de commentatoren hebben gehoord. Het is anders: wellicht is het dankzij het uitvallen van Odjidja dat Gent die 0-1 heeft kunnen vasthouden. Het scheelt een slok op een borrel in aanvallend opzicht als hij er niet bij loopt, daar is iedereen het over eens. Maar elke speler die in de plaats komt van Odjidja, uitvinder van de alibiverdediging, maakt meer verdedigende meters en daarmee hebben ze het gisteren gehaald.

Gentenaars zijn cynisch en doorgaans niet goed in bewieroken, maar winnen op Club verandert de zaak. Dat eerste is nog niet geplaatst en inmiddels zijn ze al op zoek naar een plek voor het tweede standbeeld van Hein Vanhaezebrouck. Een tip: in het Citadelpark staat nog het redelijk foute Moorke (Gents voor ‘zwartje’). Haal dat weg en daar kan het standbeeld van Hein komen. In het Zuidpark staat de sokkel waar vroeger de buste van Leopold II op stond: laten we daar een buste van Hein zetten.

Vanhaezebrouck heeft zijn rentree in Gent niet gemist en ontkracht daarmee de stelling ‘trainerswissels halen niets uit’. Ik interpelleerde daarover per whatsapp de collega die destijds als een van de eersten onderzoek had gedaan naar trainerswissels in België en tot die conclusie was gekomen in zijn afstudeerthesis. Zijn antwoord was kort en simpel: “We spreken over Hein, niet zomaar een trainer. Zelfs gedegen wetenschappelijk onderzoek heeft daar geen vat op.”

Hoewel, dit is al het tweede voorbeeld van een gelukte trainerswissel bij Gent. Op 4 oktober 2017 werd Yves Vanderhaeghe daar voorgesteld als nieuwe coach. Gent stond toen veertiende en had amper één keer gewonnen na acht speeldagen. Zijn eerste wedstrijd tegen Waasland-Beveren werd met 2-0 gewonnen en was de eerste thuiszege van het seizoen. Vanderhaeghe eindigde in de reguliere competitie vierde, na Club Brugge, Anderlecht en Charleroi.

De play-offs waren een wisselend succes. AA Gent begon en eindigde met een zes op zes tegen Club Brugge en Anderlecht. Tussenin haalde hij maar één punt, waardoor de twijfel in de bestuurskamer weer toenam. Voor wie het is vergeten: Vanderhaeghe nam toen over van Vanhaezebrouck, die door een deel van de spelersgroep, de staf en het bestuur werd uitgespuwd en zelf uitgekeken was op het trainingscentrum in Oostakker en de Ghelamco.

Geen drie jaar na zijn vertrek in stijl – een persconferentie samen met het bestuur om afscheid te nemen, dat zie je niet vaak – werd hij een eerste keer gepolst. Dat was in augustus. De Gentse top (en een deel van de staf) had al langer twijfels bij de houdbaarheid van het ‘laisser faire, laisser passer-model’ van Jess Thorup, die zijn eieren in het mandje van de bepalende spelers legde. Vanhaezebrouck kon niet. Hij had al onder het mes gemoeten in de lente, maar die gespecialiseerde operatie – de aandoening was volgens zijn eigen mededeling niet levensbedreigend – werd uitgesteld naar eind augustus, waarna hij de tijd zou nemen voor een lange revalidatie.

Ondertussen bleef hij Gent wel op de voet volgen, gaf wekelijks zijn mening in zijn uitstekende column in Het Nieuwsblad en liet niet na ook de Gentse deconfiture te becommentariëren. Met Hein staat er een man, zei Roman Jaremtsjoek. Dat vat het ongeveer samen. Hoe het met dit Gent afloopt, is onduidelijk. Ik heb alvast twee nieuwe weddenschappen afgesloten over 1) hoelang het zal duren voor Vanhaezebrouck Odjidja naar de uitgang duwt en 2) wanneer ze bij bestuur/management weer een punthoofd krijgen van hem.

Hemelpost aan Kobe Bryant in De Morgen van zaterdag 20 december 2020

Closest thing to Jordan

Dear Kobe,

Zal ik maar meteen met de deur in huis vallen, in jouw geval jammer genoeg de hemelpoort? Voor mij is Michael Jordan de greatest of all time, de GOAT. Niet alleen van het basketbal, maar van alle sporten. Jazeker, meer nog dan Muhammad Ali.

Ik was, ben en zal altijd een fan zijn van Michael Jordan. Op hem zijn die typisch Amerikaanse superlatieven als ‘out of our league’, ‘beyond imagination’, ‘the closest thing to Jesus’ van toepassing. Op niemand anders. Niet op LeBron James, ook niet op jou, hoe tragisch je einde ook was. Op een speciale manier aan je einde komen, beïnvloedt anders wel in gunstige zin het beeld dat men van je overhoudt – denk maar aan maffia- en cocaïnehoerMaradona, hoe die ineens de nummer één van het voetbal werd.

Ongehoord. Jouw dossier – om het zo even te duiden – is ook niet vrij van bezwarende stukken. Als rookie van achttien sprak je zo min mogelijk tegen je medespelers van de Lakers, tenzij om hun te zeggen dat ze je zo snel mogelijk die basketbal moesten geven. Shaquille O’Neal noemde jou al meteen ‘Showboat’. Je coach Phil Jackson moest na een paar jaar Kobe in psychotherapie, zo erg hing je het uit.

Je kopieerde Jordan om hem te overtreffen. Je belde, sms’te hem om de haverklap. In jullie eerste wedstrijd tegenover elkaar vroeg je hem in de wedstrijd raad over je jump-shot, heel goed wetende dat hij je een vervelend baasje vond. Jij scoorde 33 punten, hij 36. Jordan was geen doetje voor zijn medemaats, maar bij jou was er twintig jaar lang één constante: ‘me, myself and I’.

Ik heb een zwarte zelfverklaarde schrijfster, niet gehinderd door de minste kennis van topsport, weten schrijven dat jij ‘het rolmodel was waar wij zwarte jongeren krampachtig naar op zoek waren’. De donkerste passage uit je leven, die verkrachtingszaak uit 2003, deed zeaf als een vergissing. Ach ja, je had je verontschuldigd. Je dacht abusievelijk dat het om seks met instemming ging. Dat je naar aloude Amerikaanse traditie voor 2,5 miljoen dollar de zaak had afgekocht, was de schrijfster vergeten op te schrijven.

Ik had al bij al geen positief beeld van jou. Misschien dwaal ik, dacht ik, nadat ik Michael Jordan hoorde op je uitvaartplechtigheid in Staples Center op 24 februari van dit jaar. Je was toen al bijna een maand daarvoor verongelukt, in een helikopter bestuurd door iemand die geen vergunning had, die te laag vloog in de mist, samen met je dochter: hoeveel tragiek kan een mens/gezin overkomen?

Na een minuut in zijn elf minuten durende speech was MJ al aan het huilen. Jij was eerst zijn kleine broer, dat ettertje dat soms in de weg loopt, een vervelend kereltje. Alvorens zijn dear friend te worden, een tegenstander naar wie hij opkeek en, eenmaal op dat parket, alles gaf. Zijn bewondering voor jou kwam er pas nadat hij doorhad dat jij hem nog meer bewonderde en toen ging het alleen nog maar over gedeelde passie. Zijn mooiste woorden die avond waren: ‘Kobe wilde de beste speler zijn die hij kon zijn (niet dé beste, begrepen) en ik wilde de beste grote broer zijn die ik voor hem kon zijn.’

Kobe Bryant, laten we het hier en nu afkloppen, je was the closest thing to Jordan.

Interview Roberto Martínez in De Morgen van zaterdag 20 december 2020

‘Het is bijna een zonde als je hier zegt dat je goed bent’

Als 2021 het jaar van de Belgische voetbaloogst wordt, gaat onze dank nu al uit naar Roberto Martínez (47). In een lege lobby van een leeg hotel, in trainingspak, wuift de bondscoach de lof weg, én de druk om prijzen te pakken. ‘De reis is belangrijker dan het doel.’

Geen ander land dat niet met België wil wisselen: voor de derde keer op rij gaan de Rode Duivels een nieuw jaar in als nummer één op de FIFA-ranking. Die plek mag dan nog een verhaal van cijfers en voorlopig niet van bekers zijn, zo’n on-Belgische dominantie is wel een halve eeuw geleden, van de tijd van Eddy Merckx meer bepaald. Nooit is het in een ploegsport vertoond, laat staan in de belangrijkste sport ter wereld.

“Is that so, fifty years?”, zegt Roberto Martínez. “Wel, dat maakt het nog specialer. We kunnen er smalend over doen, maar ik vind die ranking erg belangrijk en onze spelers ook. Vooral omdat we pas het derde land zijn dat die ranking zo lang na elkaar aanvoert. Alleen Brazilië, zeven jaar, en Spanje, dat het zes jaar volhield, hebben ons dat voorgedaan. Frankrijk, Duitsland, Argentinië, Italië en Nederland hebben ook nog op één gestaan. Acht landen, en wij zijn daar bij.

“Ik hoor wel eens opmerkingen als: je wordt eerste als je veel vriendschappelijke wedstrijden wint. Dat klopt niet. Het gaat om de echte wedstrijden, voor een kwalificatie of een kampioenschap. De friendlies tellen nauwelijks mee. De reden dat wij op één stonden, ook aan het einde van WK-jaar 2018, was precies omdat we in Rusland zes wedstrijden wonnen, onder meer tegen Japan en Brazilië. Zes gewonnen wedstrijden op dat WK, dat was evenveel als wereldkampioen Frankrijk. En daarna zijn we op dat niveau blijven presteren.

“Dat onze spelers het ook belangrijk vinden om de FIFA-ranglijst aan te voeren, zie je aan hun ingesteldheid als ze naar de nationale ploeg komen. Clubs en nationale ploeg, dat bijt elkaar normaliter. Ik heb ook in de positie gezeten waarbij ik liever niet wilde dat een speler van mijn club werd opgeroepen. De spelers zitten in het midden, aan hen wordt van twee kanten getrokken, maar die van ons blijven graag komen.

“Het verschil met 2018 is de grootte van onze groep. We weten dat spelers het soms zwaar hebben om alle verplichtingen na te komen. Welnu, andere spelers staan klaar. We hebben een mooie, brede groep van enerzijds gevestigde waarden en anderzijds jonge talenten.”

Voorin komt er nu ook nog eens zo’n Charles De Ketelaere bij, die indruk maakt bij Club Brugge.

“Negentien jaar is hij, en waar heeft hij van Philippe Clement al moeten, mógen spelen? Links in de aanval, rechts in de aanval, op de negen, op de tien, zelfs als linksback, en dat in een team dat moet winnen. Heel opmerkelijk dat zoiets gebeurt, maar ongelooflijk goed voor zijn ontwikkeling. In maart, toen alles stillag, hebben we ons gebogen over de uitdaging om de volgende generatie klaar te stomen. We hebben nu in onze brede kern spelers die in 2000 tot 2002 geboren zijn.

“Wij roepen hen op en introduceren hen bij de Rode Duivels: Jérémy Doku (eerst bij Anderlecht, nu bij Rennes), Yari Verschaeren (Anderlecht), Charles De Ketelaere, Zinho Vanheusden (Standard), Alexis Saelemaekers (AC Milan), Sebastiaan Bornauw (1. FC Köln) en dan zal ik er nog een paar over het hoofd zien. Zij leren bij door die andere topspelers te zien functioneren. Leren gaat hand in hand met trauma’s en ontgoochelingen. Bornauw speelt in de Bundesliga elke minuut, zijn prestatie laatst bij de nationale ploeg was niet af, neen, maar dat is deel van het proces waarin hij zit.”

Het Belgisch voetbalmodel stoot zijn talenten te snel af.

“Helemaal mee eens, we verliezen spelers aan andere competities hoewel ze nog niet rijp zijn om daar een rol te spelen. Dat moet ophouden, het is slecht voor de speler en slecht voor ons competitievoetbal. Club Brugge toont hoe het moet. Zij halen toppers terug en houden de key players. Anderlecht heeft Doku moeten verkopen. Ze hadden hem willen houden, maar dat kon niet. Alle begrip. Gelukkig is Jérémy een ster in Rennes en zal hij zich daar verder kunnen ontwikkelen omdat hij speelt.”

Een tennisspeler die lang op één staat, maar geen grandslamtoernooi wint, vinden we eerder een rekenwonder dan een grote speler. Moeten de Duivels hun ‘grand slam’ nog winnen?

“De intentie is er, wees gerust. Ik ga niet mee in de fataliteit van ‘we hebben nooit iets gewonnen, het zal lastig zijn’. Het is niet dat we werken om níét te winnen. Ons doel is consistent te presteren. Of je daarmee een groot toernooi wint, hangt af van dat presteren, maar ook van andere aspecten als geluksmomenten of uiteraard de tegenstander van die dag. Dat kun je moeilijk controleren. We moeten vooral plezier vinden in de vaststelling dat wij om die prijzen kunnen strijden. Ontgoocheling als het volgende zomer en de jaren erna niet lukt, is nergens voor nodig. We ondernemen een reis en waar we uitkomen zie we dan wel weer.”

Aha, de Boeddha. Die zei: ‘Het is beter goed te reizen, dan aan te komen.’
“Well, than that makes me a buddhist. (lacht) Het uiteindelijke doel haal je nooit zonder de reis zo perfect mogelijk te laten verlopen.” U bent erin geslaagd bij de internationals de balans tussen werk en plezier te houden.

“Alles wat ik bij de nationale ploeg heb gedaan komt voort uit mijn ervaring als clubtrainer. Een speler wordt bijna gestraft als hij voor de nationale ploeg wordt geselecteerd. Het is een eer, maar als speler krijgt hij extra werk, en als mens ziet hij zijn familie minder vaak, want hij is niet vrij als de anderen wel vrij zijn. En daar komt de oplopende vermoeidheid nog eens bij.

“Ik heb meteen gezorgd voor genoeg rust, tijd met de gezinnen, families. Als we werken, vraag ik honderd procent inzet. Daarnaast krijgen ze ruimte om te ontspannen. De spelers hebben dat vertrouwen verdiend. Daarom trainen we ook vaak in Tubeke, vanwaar ze snel naar huis kunnen als daar tijd voor is.”

Let u erop niet te overcoachen?

“Jazeker. Het is een misdaad om de meest getalenteerde generatie die we hebben met te veel tactiek aan banden te leggen. Het is een dunne lijn tussen genoeg coachen om te presteren en overcoachen. Duidelijkheid, sterke structuur, werken, en vervolgens het talent laten renderen.”

U hebt in al die wedstrijden één misstap beleefd, dat 5-2-verlies in Zwitserland in de voorronde van de vorige Nations League.

“Het was meer dan een misstap. Dat was pijnlijk. Daar hebben we veel uit geleerd. Elk team heeft een moment van ontgoocheling nodig om daarna te kunnen groeien. Stel je voor: je leidt met 0-2, eigenlijk 0-3 met de heenwedstrijd er bij, en dan krijg je er vijf binnen. Zonder die nederlaag zouden we in de kwalificatie voor Euro 2021 nooit dertig op dertig hebben gehaald.”

Dit team is klinischer geworden. Ze scoren en maken de wedstrijd makkelijker dood.

“Klinisch is het goede woord. Dat is hoe een team groeit. Nadat we eerst in alle aspecten gewoon goed zijn geworden, zijn we na vierenhalf jaar samen gewerkt te hebben bepaalde elementen van ons spel gaan perfectioneren. In de drie wedstrijden in november hebben we tegen ploegen als Zwitserland en Engeland, allebei in de top tien, 27 à 28 spelers gebruikt, en we hebben telkens gewonnen.

“Als spelers straks in maart naar de nationale ploeg terugkeren, duurt het nauwelijks één training of ze vinden elkaar weer. Dat gaat steeds sneller, ons team is een echt team geworden, ze spelen ook al zo lang samen dat ze elkaar door en door kennen en weten wat de andere zal doen. Beter spelen betekent sneller en preciezer spelen en daarin worden we steeds meer bedreven.

“Het moeilijkste in voetbal is een doelpunt maken. Wij houden het meest van ploegen die denken dat ze ons hoog kunnen vastzetten. Dan zullen we altijd de ruimte vinden. Tegen teams die een lager blok zetten en cynischer zijn dan wij, hebben we het lastig. Zo verloren we op het WK tegen Frankrijk, bijvoorbeeld.”

2021

“… wordt een mooi jaar voor de Rode Duivels. Euro 2021 kondigt zich aan als een bijzonder toernooi. We moeten in de groepsfase twee keer uit, bij organiserende landen, dat op zich wordt al bijzonder. Daar komen vanaf maart nog eens drie kwalificatiewedstrijden voor de World Cup in Qatar in 2022 bij. In november mag ik een halve thuiswedstrijd in en tegen Wales gaan coachen. Ik kijk er echt naar uit.”

Hoe evolueert het voetbal?

“Ik haal veel uit clubvoetbal omdat ze daar de meeste trainingsuren hebben. Aanvallers als eerste verdedigers, zoals het Liverpool van Jürgen Klopp speelt, is iets waar ik op let. Maar ik let ook op hun mentaliteit. Ze verliezen met Virgil van Dijk (aanvoerder en Nederlandse verdediger, red.) hun beste speler en de resultaten blijven hetzelfde. Ook de moed van de Leeds-spelers van coach Marcelo Bielsa die tegen wie ze ook staan gewoon hun spel spelen, is een voorbeeld.

“Zelfs als je neutraal bent, is het Manchester City met Kevin De Bruyne een plezier om te zien. Het Red Bull-model, die constante intensiteit, is eveneens een inspiratie. Maar ook Borussia Dortmund en Borussia Mönchengladbach spelen heel spannend voetbal. Veel is terug te voeren op fysieke paraatheid en snelheid van uitvoering, sprints op hoge snelheid, keer op keer.

“Dus als je vraagt hoe het voetbal evolueert, denk ik meteen aan nog meer atletisch vermogen in combinatie met een verbeterde techniek. Vandaar ook de VAR. Dit spel kunnen de scheidsrechters niet meer volgen, alles gaat gewoon te snel.

“Vergeleken met die van twintig jaar geleden zijn voetballers niet in de eerste plaats sjotters, maar atleten. Het voetbal als je de bal níét hebt, wordt even belangrijk als wanneer je hem wél hebt. Voetbalvelden zijn ook anders dan twintig jaar terug. Je ziet nergens nog modder, wat het spel ten goede komt. Sneller en beter uitgevoerd, dat is de evolutie. Dit is het oudste spel ter wereld, al de rest is al eens geprobeerd. Je zult in het huidige topvoetbal zowel elementen uit het catenaccio terugvinden, als dingen uit het totaalvoetbal van Rinus Michels en Johan Cruijff.”

Kan het lichaam van de speler dat wel aan? Eden Hazard had een zwak seizoen bij Real Madrid, maar hij had in zijn laatste jaar bij Chelsea 72 wedstrijden gespeeld.

“Dat is veel, heel veel, maar ligt het daaraan dat hij dit jaar minder wedstrijden speelde dan ooit? Ik hou het echt op weerkerende pech, waarna je op de duur een achterstand oploopt die je moeilijk nog wegwerkt. En dan krijgt hij nog een positieve coronatest op zijn dak. Eden heeft één voordeel: bij Chelsea heeft hij in acht seizoenen maar twintig wedstrijden gemist, hij heeft normaliter weinig last van blessures. Dat komt wel goed.

“De belasting is steeds groter en van de spelers wordt steeds meer gevergd, maar de training is ook aangepast, geïndividualiseerd vooral. Ze bestaat uit blokken van dertig minuten van vooral individueel werk, met in het midden misschien een halfuurtje met het hele team. Ik ben niet naïef: ik weet dat we dit seizoen door het gemis aan voorbereiding tussen 16 en 20 procent meer blessures zullen krijgen. We moeten er in het voetbal maar slim mee omgaan, zoals met verbeterde recuperatie, aangepaste training, grotere selecties en vijf of meer wissels. Bovendien wil ik het dit seizoen niet hebben over de workload. Dit is een unieke tijd, waarin wij van het voetbal onze job mogen uitoefenen.”

Kunt u Romelu Lukaku niet wat adviseren in zijn communicatie? Zo’n overbodige uitspraak als ‘ik ben bij de vijf beste spitsen’, waar was dat nu weer voor nodig?

“Ah Rom, ik heb een zwak voor die man sinds ik hem als negentienjarige bij Everton had en hij zijn eerste 24 wedstrijden in de Premier League onder mij speelde. En die uitspraken, ach ja. Jij bent van de media, jij weet toch ook dat je negenennegentig op honderd keer de juiste dingen kunt zeggen, maar dat die ene quote er zal worden uitgelicht – en zal worden overbelicht. Niet te zwaar aan tillen, Romelu ontwikkelt zich goed. Ik zie geen andere spits in Europa die kan wat hij kan, voor zichzelf met de bal en voor het team als hij de bal niet heeft.”

Is uw carrière gelopen zoals u dacht?

“Neen. had je mij op mijn 36ste – toen ik in de Premier League Wigan coachte – gezegd dat ik zeven jaar later bondscoach zou zijn, dan had ik eens goed gelachen. Ik ben destijds wel naar Bart Verhaeghe (nu Club Brugge-voorzitter, in 2016 ook nog vicevoorzitter van de Belgische voetbalbond, red.) getrokken met de wil om de Rode Duivels te coachen. Ik had mijzelf voorbereid en ik had een presentatie over hoe ik het zag en wat ik met het team wilde. Het sloeg aan, er was meteen een klik.

“Dat deel van mijn verhaal is gelopen zoals ik het wilde, maar dat ik vierenhalf jaar later nog bondscoach zou zijn, met een contract tot na Qatar, dus nog eens twee jaar erbij, had ik nooit durven te voorspellen.

“Mijn aanvankelijk idee was het team op de World Cup 2018 voor te bereiden en er te presteren. Daarna lag alles open. Ik ben gebleven omdat ik van het Belgisch voetbal hou, van het talent dat we hier hebben en ook inmiddels van het land. We wonen hier goed in Waterloo, onder de leeuw. Ik mag deel zijn van de mooie plannen die ze hier maken. Straks komt er een echte high performance- omgeving.”

Is de rol van architect-bondscoach-technisch directeur u ook niet meer op het lijf geschreven dan die van dakdekker-clubcoach die elke dag verantwoording moet afleggen over hoe de pannen liggen?

“Het verschil tussen bondscoach en clubcoach is simpel: met de club heb je 65 wedstrijden per jaar, met de nationale ploeg zes. Dat speelde mij aanvankelijk parten, dat geef ik toe.

“Die eerste zes maanden, dat was echt wel aanpassen aan het trage tempo. Als je zoals in november 2018 in Zwitserland verliest, then you’re in a dark place. Dan is het vier maanden wachten om dat recht te zetten. Inmiddels zijn wij ook nog eens op een punt beland dat we niet meer met slecht spel mogen winnen.

“Een bondscoach kan meer bouwen, dat klopt wel weer. Je kunt ook meer terugkijken. Een clubcoach kijkt alleen maar naar voren: volgende wedstrijd, volgende wedstrijd, enzovoort. Ik ben graag architect, maar de intensiteit van meer dan zestig wedstrijden per seizoen beviel mij ook. Ik ben niet bang om daar ooit naar terug te keren. In 2022 zal ik 49 zijn, dat is jong. Voor alle duidelijkheid: voorlopig heb ik geen plannen. Als ik ergens kom, is dat voor honderd jaar.”

Het leven in België, dat vergde toch een aanpassing?

“Hoezo? Neen. Ik ben een getraind reiziger en gewend mij ergens te vestigen en in de omgeving op te gaan. Zo deed ik dat als Spanjaard in Wales ook. België is een makkelijk land om je aan te passen, heel divers.”

Vooral heel ingewikkeld. Dat zie je onder meer aan het aantal coronadoden.

“Die doden waren in elk land een probleem, toch?”

U hebt toch wel al door dat België een even rijk als inefficiënt land is, mag ik hopen?

(glimlacht) “Oké ja, het is een complex land met veel verschillende mensen die vanuit hun verschillende bevoegdheden beslissen. Maar met de Rode Duivels en de voetbalbond hebben we daar geen last van.”

Neen, u hebt een cultuur van winnen geïnstalleerd. Dat is in dit land uniek.

“Het enige wat ik heb gedaan, is duidelijke doelen stellen. Dat heeft geholpen om de buitengewone talenten die we hebben en die in grote clubs een belangrijke rol spelen, helemaal achter de nationale ploeg te krijgen. Dat was iets waarvan ik eerst dacht dat het moeilijk zou lopen, maar we zijn er in geslaagd een omgeving te creëren waarin we samen beter willen worden.

“België mag iets minder bescheiden zijn. Het is bijna zonde als je hier zegt dat je goed bent en dat je er alles aan wilt doen om te winnen. Dat wordt dan niet gezegd omdat je bang bent te verliezen. Nergens voor nodig: concentreer je gewoon op het werk dat je levert om beter te worden. Verliezen hoort daarbij.”

Hoe is het leven van een bondscoach in tijden van corona?

“Uitdagend. Maar dat geldt voor iedereen, neem ik aan. Ik vind het een treurige situatie waarin we nu zitten, maar tegelijk heeft de mensheid voor het eerst sinds lang een gemeenschappelijke vijand die ons met onze voeten terug op de aarde zet. We weten nu wat echt belangrijk is, wat we echt missen in het leven: de mensen van wie we houden, de kleine dingen in het leven, het contact met anderen. Ik denk dat we er als betere mensen zullen uitkomen.

“Iedereen had of heeft wel ervaring met dit virus, van nabij of veraf. Persoonlijk is het voor mij meegevallen, Mijn gezin, schoonouders noch ouders zijn ziek geweest. Mijn ouders wonen in Balaguer nabij Lerida en hebben zich goed staande gehouden. Bijna 170 dagen zijn ze niet buiten gekomen. Voor jonge mensen is dit virus vervelend, maar voor mensen van die leeftijd is het dubbel: je kunt niet doen wat je vroeger deed, je mag niemand zien en je leven wordt ook nog eens bedreigd.

“De laatste keer dat ik hen fysiek heb ontmoet, was in januari. We facetimen wel, maar dat is niet hetzelfde. Met Kerstmis zal ik hen zien. Wij gaan naar ons huis in Manchester en zij komen onze kant uit. We brengen Kerstmis samen door. In het Verenigd Koninkrijk kunnen drie gezinnen een tijdelijke kerstbubbel vormen, maar no worries, we blijven het coronaproof houden.”

Voetbal ontsnapte nog wonderwel aan het virus, de eerste lockdown niet te na gesproken.

“Voor de ervaren spelers was het aanpassen, voor de jongere talenten is er een echt probleem. Die hebben een jaar van hun opleiding verloren, dat zullen we later nog wel merken. In de A-ploeg heb ik alleen maar bereidheid gevonden om het te doen werken. Coachen in een leeg stadion is niet plezant. Maar de keuze is niet: coachen in een leeg of een vol stadion; de keuze is: coachen in een leeg stadion of niet coachen. In dat geval verkies ik het lege stadion. Maar goed, zodra de stadions weer vollopen, zullen we weten wat we hebben gemist en zullen we het hopelijk waarderen.”

Ik reed hierheen, het was koud, donker, met regen en files, om depri van te worden. En dan zit ik hier met u en straks kan ik terug met het glas weer halfvol.

(lacht) “Wat is het nut van een glas halfleeg te zien? Er is veel in het leven wat je niet kunt controleren, maar een van de dingen waar je wel vat op hebt, is je mindset. Ervoor kiezen om negatief te zijn, omwille van het excuus dat je dan hebt, brengt niks bij, niet voor jezelf en niet voor de mensen rond jou. Ik ben een gelukkig mens zolang ik oplossingen zie in het leven – dat inderdaad niet perfect is. Ik kies ervoor om positief te zijn.”

Column Sportstad Sarajevo in De Morgen van zaterdag 19 december 2020

SPORTSTAD SARAJEVO

Donderdag opende ik de krant en zag dat deze week 25 jaar geleden de akkoorden van Dayton zijn gesloten. Die maakten een einde aan de Joegoslavische burgeroorlogen. Ik dacht meteen aan Sarajevo. Zelden heeft een stad meer indruk op mij gemaakt, en hoewel ik gruwel van verjaardagsjournalistiek toch deze trip down memory lane.

Ik was er voor het eerst in 1986 met Kruikenburg Ternat voor een Europese final four. Dat was amper twee jaar na de Olympische Winterspelen (met de hemelse Katarina Witt), die de stad een boost hadden bezorgd. Sarajevo was toen minder een sportstad dan wel een kruispunt van culturen, met op het centrale plein een synagoge, katholieke kerk, orthodoxe kerk en de grootste moskee van Europa. Vandaag is Sarajevo etnisch en min of meer religieus gezuiverd. De glamour van weleer is weg, die verloor het in die wrede etnische/godsdienstoorlog.

Op het vliegtuig terug naar Zagreb zaten de (Kroatische) broers Petrovic, de illustere basketbalspelers, die hun legerdienst in Sarajevo volbrachten. Drazen, de eerste Europese NBA-ster, zou in 1993 op de Autobahn verongelukken op weg naar het EK in Duitsland, waar hij met Kroatië aan de slag moest. Zijn oudere broer Aleksandar zou ik later ontmoeten op een basketbalbedevaart naar Cibona Zagreb. Hij liet mij het schrijn voor zijn broer bezoeken.

Toen Drazen verongelukte, was het al oorlog in Sarajevo en wijde omstreken. Hij was op weg naar een EK basketbal in Duitsland, het eerste sporttoernooi ooit met een team van Bosnië en Herzegovina. De spelers uit Sarajevo, niet eens allemaal moslims maar ook orthodoxen en katholieken, kregen veel internationale pers omdat ze bij nacht en ontij uit het belegerde Sarajevo waren ontsnapt. Daartoe hadden ze een geheime tunnel gebruikt onder de landingsbaan van de luchthaven, die in Servische handen was.

Toen nog Joegoslavië (Servië en Montenegro) was ook op dat EK basketbal van 1993 en protesteerde heftig. “Zoveel misplaatst medelijden voor een groepje marginalen aangevoerd door ene Samir Avdic, een officier van het Bosnische leger, een moordenaar nog wel.” Avdic gaf bij persconferenties grif toe dat hij tussen de schaarse basketbaltrainingen door Serviërs om zeep had geholpen: “Zoals alle jonge mannen in mijn land deed ik mijn plicht.” Maar Bosnië mocht toch op het toernooi blijven.

In 2004 ben ik teruggekeerd – verjaardagsjournalistiek, jawel. De stad was nog lang niet hersteld van die 1.395 dagen onder Servisch geschut. De trip van de luchthaven naar het centrum was een schoktherapie. De flatgebouwen hadden één gemeenschappelijk kenmerk: mortier-, obus- en kogelgaten. In de stad herinnerden de rozen van de dood, bloedspatten van rode verf op de trottoirs, aan de gruwel van de granaataanvallen. De moslimbegraafplaats Kovaci, met al die witte stèles naast elkaar, drong vanuit de heuvels met hun witte gletsjertongen de stad binnen. Het Mezarje-kerkhof had alle voetbalvelden rond het olympisch stadion ingenomen.

Mijn chauffeur die trip was tijdens de oorlog de chauffeur van president Izetbegovic. Hij toerde met mij in de heuvels rond Sarajevo. Of we nu op Selimovic Boulevard – toen beter bekend als Sniper Alley – of in de olympische skigebieden van Bjelasnica of Jahorina reden, waar tien jaar eerder de zware Servische kanonnen stonden, of later in de heuvels rond de stad, zijn mantra bleef: “Cetniks. Nie gut. Boem boem, rattatatatata.”

Het bevreemdende gezicht van het zwartgeblakerde hotel Igman, in 1984 het olympische hoofdkwartier bij de langlauf, de graven midden op de skipistes, het olympische monument bij Bjelasnica dat de Serviërs voor hun schietoefeningen hadden gebruikt en waar nog stukken van de ringen aanhingen, het was ontluisterend. Toen ik vroeg om een toiletstop ontstond paniek. Hij wees op de bordjes in de bermen: MINE! Niet te ver plassen, was de opdracht.

En dan had ik Trebevic, de site van het bobsleeën, nog niet gezien. Die had hij bewaard voor het laatst. Weer hetzelfde: “Jaja, Trebevic, Chetnik. Viel boem boem.” Trebevic is de dichtste hoge heuvel die op Sarajevo uitkijkt. De bobbaan of wat daarvan overbleef, was tot op tien meter benaderbaar. Dit was de dichtste munitieopslagplaats van de Serviërs bij de stad en op 5 februari 1994 werd vanuit die stelling – de bobbaan diende als lanceerplatform – de Markale-groenmarkt in de stad met mortieren bestookt. In één klap vielen 67 doden.

Het was op die trip dat ik een wijsheid hoorde die mij altijd is bijgebleven: “Het eerste dat ophoudt door oorlog is sport. Het eerste dat herbegint als het even kan, is ook sport.”