Interview Mathieu van der Poel in De Morgen van zaterdag 28 december 2019

‘Ik vind het wel cool wat ik doe’

In 2019 presteerde hij soms hemels, maar in 2020 gaat Mathieu van der Poel (24) buitenaards. Grenzen verleggen, geschiedenis schrijven, daar is het ’s werelds meest complete wielrenner om te doen. Op zíjn manier: ‘Ik probeer zo weinig mogelijk te doen in het huishouden.’

“Is hij dan toch niet onklopbaar?” Je hoorde de twijfel in de stem van commentator Michel Wuyts in Ronse twee weken geleden. In een veldrit die door de vele regen was herschapen in drie kilometer modder- en strontlopen, had Mathieu van der Poel eerst Toon Aerts moeten laten gaan en even later reed ook de kleine Eli Yserbit hem fluks voorbij. Na 35 overwinningen op rij zou de beste crosser aller tijden nog eens verliezen.

“Mmm… Een nachtje slapen en het kan morgen al weer heel anders zijn.” Co-commentator Paul Herygers had zo zijn twijfels of het wel echt verval was. Een dag later in Overijse reed Van der Poel al vóór half koers alleen vooraan, forceerde niet maar consolideerde en won op automatische piloot. De twee weken ervoor had hij aan de Costa een flinke fond gelegd en dat was broodnodig met het oog op wat zou komen.

Bij de testen in het Spaanse hinterland van Benicassim, met uw krant als aandachtig toeschouwer, had zijn manager-coach-toeverlaat Christoph Roodhooft een bekentenis gedaan. “Hij heeft tot nog toe wel alle crossen gewonnen, maar ik heb hem vaak gezegd: ‘Mathieu, je wint wel, maar het was niet goed’. Na het WK op de weg heb ik hem laten doen. Wilde hij trainen, dan trainde hij, wilde hij iets anders doen, dan deed hij iets anders. Daar kwamen nog eens die twee weken bij dat zijn grootvader (Raymond Poulidor, HV) op sterven lag en uiteindelijk overleed en waarin hij begrijpelijkerwijs geen zin had in de fiets. Vóór de stage heb ik hem gezegd dat de speeltijd voorbij is.”

Mathieu van der Poel: “Na het WK op de weg had ik wat tijd nodig om te recupereren. Ik heb toen alleen met de fiets gereden als ik het echt wilde. Later ben ik wat meer gaan trainen en dan begin november in competitie gekomen. Ik won meteen alles, maar eigenlijk was het vaker niet goed dan wel. Die strijd van mijn grootvader en dan dat overlijden heeft er aardig ingehakt. Ik heb twee weken niet getraind en alleen wedstrijden gereden op adrenaline. Die won ik ook, maar ik wist: dit kan ik geen winter volhouden. Daarom ben ik ook twee weken op stage gegaan.”

Dat WK op de weg in Harrogate…

“Ja, dat WK…Dat is de reden dat ik 2019 een goed jaar vind, maar het had nog beter kunnen zijn.” Dat WK heeft Mad Pedersen niet gewonnen, maar hebt u verloren.

“Daar ben ik het niet mee eens. Jij vindt dat ik fouten heb gemaakt met eten. Jazeker, ik ben met mijn zakken vol eten aangekomen en mijn bidons waren ook nog vol en onderweg heb ik Philip (Roodhooft, broer van Christoph, red.) en Christoph zien staan met die Snickers, en ook die heb ik niet aangenomen… Weet je, ik kreeg niks meer naar binnen. Ik had geen honger, of misschien wel, maar het eten ging er niet door. Ik had geen vertering meer en bovenaan kon er niks meer bij. Het was ineens op. Daarvoor had ik nog een stevige kopbeurt van twee minuten gedaan, het bewijs dat ik het niet zag aankomen. Ik wilde toch mijn eerste WK uitrijden en in die laatste kilometers heb ik nog tien minuten verloren, compleet in overlevingsmodus. Zelden ben ik zo lang, zo slecht geweest na een wedstrijd.

“Ik weet heus wel hoe ik vooraf moet eten en tijdens de race heb ik mijn 90 gram koolhydraten per uur ingenomen. De omstandigheden waren te extreem en ik kan al niet goed tegen regen en koude. Ik ben geen uitzondering. Halfweg reed ik naast Julian Alaphilippe: sjonge, daar zat echt geen leven meer in, hij keek dwars door mij heen. Dat lange wedstrijden mij niet zouden liggen, is ook onzin. In de Ronde van Vlaanderen reed ik wel mee tot het laatst.”

Daar had u ook kunnen winnen.

“Als ik niet was gevallen, was ik er misschien bij geweest toen Alberto Bettiol aanviel. Als, als, als: daar koop je niets voor. Ik voelde mij wel prima die dag en dat ik na die val iedereen inhaalde en in geen tijd weer vooraan zat, was ook een goed teken. Het was op adrenaline, maar je moet wel nog steeds de vermogens trappen.”

Nooit gedacht dat ik u dit jaar nog op de weg zou zien na die namiddag in maart in Nokere.

“O ja, dat was een flinke crash, mijn zwaarste ooit op de weg. Gelukkig was het op kasseien, daar hou je meer kneuzingen, maar minder schaafwonder aan over. Vier dagen later won ik in Dénain en een week later Dwars door Vlaanderen. Toen deed het al geen pijn meer, maar die eerste twee uur in Dénain was het afzien.

“In Gent-Wevelgem raakte ik ingesloten, maar daar had ik zelfs in een open sprint niet kunnen winnen. Mijn beste sprint was niet die van de Brabantse Pijl, maar die van Dwars door Vlaanderen. Toen die Anthony Turgis aanging en ik reageerde, heb ik mijn beste vijf seconden ooit getrapt.”

Uw beste vijf kilometer waren de laatste vijf van de Amstel Gold Race.

(bekijkt de uitdraai van zijn vermogensmeter) “Ja, dat was een mooie. Kijk: 197 maximale hartslag. Best mogelijk dat ik dit heel af en toe op de mountainbike haal, maar daar rij ik nooit met een metertje dus ik weet het niet. Op de weg is dit uniek en ook in de cross kom ik nooit in de buurt. Dat wil wel zeggen dat ik dan nog echt goed zat.

“Op de laatste beelden leek het natuurlijk dat ik helemaal alleen dat laatste stuk heb dicht gereden, maar dat klopt niet. En het waren ook niet de motoren. Het stuk na de Bemelerberg was niet in beeld en juist dan hebben we in ons groepje prima rond gedraaid. Vraag het maar aan alle vijf. (stiller) Helaas kun je het aan Bjorg niet meer vragen, die zat daar ook. (Bjorg Lambrecht overleed in de Ronde van Polen na een val, HV).

“Toen ik dat laatste stuk als een gek op kop ging rijden was dat nog voor een podium. Ineens zag ik die twee rijden en het was nog bijna een kilometer naar de aankomst. Dat heb ik dan wel: als ik de meet zie, kan ik door een muur.

“Die foto, hoe ik daar na de aankomst op het asfalt blijf liggen, dat was he-le-maal geen schwalbe. Dat was een mix van uitputting en vreugde. En opluchting, want tactisch was het geen meesterstuk hoe ik daar heb gereden. Ik heb nadien ook gelezen hoe Armstrong dat de meest onwaarschijnlijke finish ooit vond. (aarzelt) Het is een moeilijke om daar op te reageren, zonder in de problemen te komen.”

Ik vergeleek u al met Eddy Merckx en die had ook dat gevoel voor drama.

(ernstig) “Ja Merckx, er valt niet aan te ontsnappen zeker? Ik zal nooit zijn palmares rijden en hij zal nooit in mijn disciplines winnen, dus waar gaat de vergelijking op? Dat we drie verschillende dingen combineren, oké. Merckx was een supergoeie tijdrijder en reed ook zesdaagsen. Tijdrijden, daar hou ik nog wel van. In zesdaagsen zal je mij nooit zien.

“Ik wil net als Eddy Merckx geschiedenis schrijven, maar dan op mijn manier. Niemand heeft ooit geprobeerd om in drie totaal verschillende disciplines de grootste wedstrijden te winnen. Wellicht zal dat ook niet snel meer gebeuren. Dus in die zin vind ik het wel cool wat ik presteer.”

Waarom bent u nu zo goed?

“Genetica? Ik denk het wel. Mijn pa had ook een goede uithouding en mijn moeder is een Poulidor. En natuurlijk het milieu van de fiets waarin ik opgroeide. Ik rij graag met alle soorten fietsen, dat heeft geholpen.”

Uit de tests vorig jaar bleek vreemd genoeg dat uw uithouding misschien al goed zat voor de lange wedstrijden, maar dat u nog aan explosiviteit kon winnen.

“Dat was inderdaad een vreemde vaststelling, maar ze is wel correct gebleken. Ik had de indruk dat ik vooral een explosieve renner was, maar daar zat nog de meeste rek op. Die uithouding was er altijd al en eigenlijk wist ik dat wel. Na drie keer lang trainen merkte ik al een verschil en bij andere renners duurde dat veel langer.

“De komst van Kristof De Kegel als performancemanager heeft ons geholpen om vervolgens ook die overstap te maken naar het mountainbikeseizoen. Ik heb die eerste wedstrijden vooral voorbereid op de wegfiets, maar wel met specifieke mountainbiketrainingen met korte, intensieve blokken.”

Ook bij het zondagskind Van der Poel komt het dus niet vanzelf.

“Ik zal zelfs vaker een uurtje te veel dan te weinig doen. Ik weet goed uit gesprekken met anderen dat ik een van de hardste werkers uit het peloton ben. Dat we geen plan zouden hebben, is ook onzin. Je kan niet in drie disciplines willen scoren zonder plan.

“Ik train en rij zo vaak mogelijk met vermogensmeter en volgens schema. Tenzij ik mij er niet goed bij voel en dan overleg ik met de trainer. Het lichaam heeft het laatste woord. Als het niet te best gaat met mij, moet ik juist rustig trainen, terwijl ik vroeger dacht: nu moet het extra hard. Neen dus.”

De meeste progressie maakte u op de mountainbike, maar u bent daardoor ook een betere crosser geworden.

“Een technisch crossparcours is niks vergeleken bij een technisch mountainbikeparcours. Die zijn de laatste jaren zo extreem geworden, niet normaal. Dan heb je net een minutenlange steile klim achter de kiezen, ontplof je bijna, en moet je meteen een supertechnische afdaling in. Cross heeft dat niet. Daar kan je een rondje makkelijk op een egale hartslag rijden. In het mountainbike rij ik veel vaker tegen de limiet aan en die heb ik dit jaar kunnen verleggen.

“Weet je, ik begrijp niet dat ik zo’n overwicht heb op de rest van het veld. Het is voor een deel mentaal. Oké, Wout van Aert is er voorlopig niet bij, maar dan nog: ik was in het begin echt niet goed en toch won ik nog makkelijk. Ik snap niet dat ze niet meer hun best doen om dichter te komen. Zo heb ik ook lang tegen Nino Schurter (Zwitsers topmountainbiker, 8-voudig wereldkampioen en regerend olympisch kampioen, red.) aangekeken, maar ik wilde wel wedstrijd na wedstrijd het gevoel hebben dat ik dichter kwam en dit jaar in Novo Mesto voelde ik dat ik niet meer zou kraken als hij zou versnellen. Het was omgekeerd: toen ik versnelde, moest hij lossen. Daar had ik dan echt voor getraind. Overigens vind ik Schurter nog steeds de maat der dingen in het mountainbike, dus dat wordt nog een harde strijd volgende zomer in Tokio.”

In 2020 wordt u Captain Kirk: stoutweg gaan waar niemand ooit is geweest. Wereldkampioen cross worden, een monument winnen en olympisch goud op de mountainbike, dat is veel.

“Het is niet weinig, maar ik denk dat het kan, anders begon ik er niet aan. We trainen nu al in functie van volgend jaar. Deze stage was ik vorig jaar al super, nu nog niet. Dat moet in januari anders. Na het WK veldrijden begin ik dan op de weg te rijden.

“Van de monumenten rij ik normaal Vlaanderen en Roubaix. Amstel Gold Race? Weet ik nog niet. Oké, ik ben dan wel Nederlander en ik heb daar gewonnen, maar als het te veel is, zou ik die best wel eens kunnen laten schieten.

“Gent-Wevelgem rij ik liever niet. Dat is toch meer een wedstrijd voor sprinters dan voor punchers als ik. De Waalse Pijl lijkt meer mijn ding, met die laatste helling die het verschil maakt, maar ook die is niet zeker. Denk je dat de Muur van Hoei te steil is voor mij? Ik ben niet bang van steil. Ik denk wel dat ik die klim goed zou verteren. Ik hou van bergop rijden. Dat is ook een van mijn eerste herinneringen: negen was ik toen ik met het koersfietsje l’Alpe d’Huez op reed.”

Behalve dat u dingen combineert die nog niemand heeft gecombineerd, hebt u ook lak aan alle geplogenheden.

“Hoezo dan? Dat ik het WK mountainbike niet heb gereden terwijl ik de meest World Cups heb gewonnen, had te maken met de jetlag. Dat WK was in Canada en ik kon mij dat niet permitteren. Ik kies mijn wedstrijden uit in functie van wat mijn lichaam aankan. Ik bouw ook rust in en als net dan een mooie wedstrijd wordt verreden, dan is dat maar zo. Ik ga volgend jaar ook maar vijftien crossen rijden, de vijftien die ik het mooiste vind, niet omdat ze deel uitmaken van een klassering.”

(Tussen het interview en verschijnen werd Mathieu van der Poel Sportman van het Jaar in Nederland. Hij ging niet naar de uitreiking, 140 kilometer verder. ‘Mathieu blijft liever thuis in een drukke periode’, legde de ploegleiding uit. Daar keken ze in Nederland van op, HV))

U hebt wel inmiddels een heel sterk team rond jou voor dat wegprogramma.

“Dat was ook nodig. We hadden al een goede ploeg, maar met wat we nu allemaal op ons bord krijgen, moest er nog kwaliteit bij.”

Welke wegwedstrijd wilt u het liefste winnen?

(denkt lang na)”Doe mij dan toch maar Parijs-Roubaix. Voor één keer hoop ik dat het dan regent, dat is in mijn voordeel op die gladde kasseien. En het is te hopen dat we niet lek rijden, maar op die kasseistroken heb je altijd een dosis geluk nodig.”

In hoeverre bent u betrokken bij de uitbouw van deze ploeg?

“Mijn raad wordt gevraagd en dan zeg ik wat ik te zeggen heb. Ik heb niet het gevoel dat ik zomaar een werknemer ben, maar echt mee kan bepalen waar het met deze ploeg naartoe moet. Ik voel mij ook verantwoordelijk voor de ploeg. Natuurlijk zou ik ook voor Ineos of zo kunnen rijden, maar daar zou ik mij moeten inpassen in een bestaande structuur. Als ik start en denk dat ik kan winnen, ben ik in deze ploeg de enige kopman.”

Is dat enig kopmanschap de reden dat u bij die ploeg zit?

“Ja, maar vooral de reden waarom ik destijds niet ben blijven voetballen. Ik heb getest bij Willem II en bij Antwerp, maar het ergerde me afhankelijk te zijn van anderen om te winnen. Ik wil het zelf doen en als ik de beste ben, wil ik kunnen winnen. Daarom hou ik het meeste van mountainbike of cross, dat zijn de eerlijkste wielerdisciplines, eerlijker dan de weg waar de beste even vaak niet wint.

“Het is ook minder saai dan wegwielrennen, want die eerste uren overbruggen blijft toch een bekommernis. Ik heb inmiddels wel wat renners in het peloton met wie ik een praatje kan slaan om de tijd te doden. De meeste komen uit mijn ploeg, maar met Stijn Vandenbergh van AG2R heb ik het dan weer over auto’s. Tot hij wordt geroepen om op kop te rijden.”

Tussen u en het management, Philip en Christoph Roodhooft, is een chemie ontstaan waar niemand tussenkomt.

“Ik denk dat wij een heel aparte band hebben. Dat is begonnen met hoe ze mijn broer materiaal gaven en daarna ook zijn kleine broer, aan mij dus. Later kwam ik in hun jeugdteam en zijn we samen gegroeid. Ik ken de Roodhoofts al meer dan tien jaar en we hebben weinig woorden nodig om elkaar te begrijpen. Ik begrijp wel dat ze af en toe liever zouden hebben dat ik sommige dingen anders doe, en dat zeggen ze dan ook, maar ze laten mij zijn wie ik ben. Ik denk dat zij beseffen dat ze met mij iets speciaals in handen hebben en omgekeerd besef ik dat ik door hen ben kunnen worden wie ik ben.”

Toen u in april ging samenwonen met uw vriendin dacht ik: oei, als dat maar goed afloopt.

“We wonen nog steeds samen, is dat je vraag? Het was wel een verandering, maar ik kan niet zeggen dat ik anders train of leef. Ik ga nog steeds even graag op stage, al zit mijn vriendin dan thuis. Ik hou ervan om 24 uur, zeven op zeven met mijn vak bezig te zijn en aan niks anders te moeten denken. Thuis is er meer afleiding. Gaan shoppen naar Antwerpen? Neen, dat is niks voor mij. Uiteten wel, dat doen we ook vaak.

“Ik weet niet of ik zo’n goeie partner ben om mee samen te leven. Ik probeer zo weinig mogelijk te doen in het huishouden (lacht), maar ik moet nu wel mijn eigen kleren wassen en pa is er ook niet meer om mijn fiets te poetsen. Neen, niet met de hogedrukreiniger. Ik doe het zoals het hoort. In tien minuten is dat gefikst. Als er iets aan mijn fiets moet worden bijgesteld, rij ik wel eens naar Morkhoven bij Christoph of tot bij mijn ouders.”

Missen die u niet?

“Ik denk het wel. Ik was toch een beetje de sfeermaker in huis. Mijn moeder heeft het kwaad gehad toen opa stierf, maar ze moet ook gewoon verder en het is niet dat we het niet hebben zien aankomen. Eigenlijk wisten we al weken dat het slecht zou aflopen.”

Bouwt u nog illegale parcoursen in bossen die niet van u zijn?

(lacht) “Neen. Alleen als de eigenaar van de grond toestemming geeft. BMX’en doe ik niet meer en mijn zware crossmotoren heb ik ook verkocht. Pitbikes (kleine motoren met kleine wielen, HV), daar rij ik nog wel eens op. We hebben onlangs nog met wat vrienden

een parcours aangelegd, en daar kwam wat kraanwerk bij kijken. Wanneer ik daar de tijd voor heb? Als ik niet moet fietsen. Rusten? Ja, ik weet het, ik kan niet stilzitten.”

Hoewel, u staat erom bekend soms uren afgezonderd met die koptelefoon op uw hoofd in een hoek te zitten. Van der Poel, de gamer.

“Voor gamen kan ik wel op een stoel blijven zitten, dat klopt. Is dat niet hetzelfde als rusten? Ik dacht het wel. Thuis speel ik gemiddeld meer dan twee uur per dag, maar ik heb ook al eens dagen gehad waarop ik niet moest trainen dat ik wel tien uur aan één stuk speelde.”

Gamen is het nieuwe drinken of roken. Verslavend en ongezond.

“Ja, nou heb ik wel voldoende beweging als ik niet game. Dat ongezonde gaat voor mij niet op, maar ik begrijp wat je bedoelt. Het ís verslavend en toch ben ik niet verslaafd. Hier op stage heb ik niks meegenomen omdat de wifi hier niet goed genoeg is. Dan speel ik veertien dagen niet. Ik heb ook niet de indruk dat ik minder sociaal ben. Voor een spelletje poker ben ik ook van de partij.”

Is het leven voor u niet één groot spel?

“Meer één grote uitdaging, zolang het maar leuk blijft. Neem nu zo’n mountainbikestage in de bergen. Inspanningen zijn mij niks te veel. Alleen denk ik tijdens die lange klimtrainingen hoe ik daarna ook nog eens het zwarte downhillparcours naar beneden kan razen, zo hard mogelijk. Op mijn gewone mountainbike. Gevaarlijk? Neen hoor. Ik heb best wel controle en het maakt van mij ook een betere mountainbiker.”

Fietsen is gamen op twee wielen.

(lacht) “Nu je dat zo zegt, misschien wel. Ik moet plezier halen uit wat ik doe, anders hou ik het niet vol.”

 

20191228_De-Morgen_p-50_-Ik-begrijp-niet-waarom-ik-zo-dominant-ben-in-de-cross–all-mail

Interview Delfine Persoon in De Morgen van zaterdag 21 december 2019

‘Af en toe een blauw oog of een gebroken neus, dat stelt niks voor’

Waar je niet dood van gaat, maakt je sterker. Delfine Persoon (34) verloor dit jaar – volgens velen onterecht – de ‘kamp van haar leven’, zat even heel diep, vocht terug en is eind 2019 toch weer de beste vrouwelijke bokser van de wereld. In 2020 doet ze een gooi naar olympische roem.

Filiep Tampere, coach, begeleider, toeverlaat en partner van Delfine Persoon, gromt als hij zijn vriendin achterlaat met ‘die journalist die had geschreven dat twee vrouwen die elkaar tot bloedens toe slaan geen reclame is voor de sport’.

Delfine Persoon: “Ik dacht: waar komt die nu mee af? We hebben het wel over profboksen hè, en daar kan wat bloed bij vloeien. Maar de keren dat ik dit jaar heb gebloed of mijn neus heb gebroken, kwam door een kopstoot, niet door een slag.”

Vorige week lieten Persoon en Tampere weten dat zij gaat proberen zich te plaatsen voor de Olympische Spelen in Tokio, volgende zomer. Persoon geeft daarvoor haar statuut van profbokser op en zal deelnemen aan een kwalificatietoernooi in maart in Londen. Het vertrouwen in een goede afloop is groot. “W’en z’ol bekeke. We weten hoe het moet. Dat ze ons maar laten doen tot in Tokio”, zegt Tampere. En weg is hij.

Als je niet tegen haar moet vechten, is Delfine geen kwaaie. Het argument dat ik haar kom interviewen als bewonderenswaardige atlete neemt ze dankbaar in ontvangst. Ze excuseert zich zelfs voor de ontvangst – “we zullen straks een koffie gaan drinken” -, zet twee stoelen bij elkaar in haar bokszaaltje naast Café De Boksneuze op het Stationsplein in Lichtervelde en wacht op de ijsbreker.

Gefeliciteerd! Pound for pound (een ‘algemeen klassement’ van alle gewichtsklassen dooreen, red.) bent u de beste vrouwelijke bokser ter wereld. Opnieuw.

“Ja, normaal wordt die ranking nu ongeveer bekendgemaakt, en aangezien ik dit jaar drie kampen van de hoogste categorie vocht, sta ik weer op één, zo heeft Filiep uitgerekend. Die vergist zich daar niet in.”

De blazers van de verwarming verspreiden een weeë geur van oud zweet die je ook in slecht verluchte bergruimtes van sporthallen vindt. Het past bij het kader. Boksen is een sport van bloed, zweet en in het geval van Delfine zeker ook tranen. Of ze nog eens haar verhaal van 2019 wil doen? Vooruit dan maar, ook al zullen er dan ongewild weer demonen worden opgeroepen.

Op 1 juni verloor Delfine Persoon ‘de kamp van haar leven’. In de legendarische Madison Square Garden-zaal in New York bokste ze tegen de Ierse Katie Taylor om de WBC-wereldtitel. Hoewel vele waarnemers meenden dat Persoon de beste was en tot winnaar had moeten worden uitgeroepen, gaf de jury de zege met miniem verschil aan Taylor. Het leidde tot tandengeknars, woede en tranen, veel tranen.

Dat u in die algemene rangschikking de beste vrouwelijke bokser bent, is dat nu een schrale troost of helpt het om uw verlies in juni tegen Katie Taylor te plaatsen?

“Het goeie weegt niet op tegen het slechte. Als ik aan die kamp terugdenk, ben ik ontroostbaar. Zelfs landgenoten en vrienden van Taylor vonden het een onterechte uitslag. Laila Ali, de dochter van, zei op Instagram: ‘Mijn vader draait zich om in zijn graf.’ En toch: frustratie overheerst.

“Filiep heeft er langer over gedaan dan ik om het te verwerken. Onze relatie heeft daar niet onder geleden, al waren er wel de klassieke discussies. Hij die zegt dat ik dat stapje achteruit had moeten zetten en ik die hem dan weer verwijt dat hij luider had moeten roepen. Het heeft geholpen dat we snel allebei weer zijn gaan werken. Ik weet dat hij een beetje met een schuldgevoel zit ten opzichte van mij. Wij zijn ook niet de types die dat eventjes uitpraten bij een etentje. Binnenvetters, West-Vlamingen, wat wil je…”

Een collega-kenner voorspelde: ‘Persoon zal Taylor uit de ring moeten slaan, of ze verliest.’

“Dat klopt en dat wisten we. Onze tactiek was goed. Ik de conditie en de slagkracht, zij de techniek. Het kwam er op aan haar geen speelruimte te geven en de pas af te snijden na haar combinaties om haar zo te vermoeien, Dat deed ik goed.

“De fout die ik heb gemaakt is te blijven hangen toen ze mij telkens weer bij de armen greep – ‘grab her arms’, riep die coach van haar altijd. Ik had toen sneller een stap terug moeten doen en weer aanvallen, zo zou het tempo van de hele kamp hoger hebben gelegen en dat was zeker in mijn voordeel uitgedraaid.

“Dat ik ben bedrogen, dat weet inmiddels iedereen en nog heeft het niks gescheeld of ik had haar voor het einde op de knieën gekregen.

“Die laatste ronde was dertien seconden te kort, niet toevallig toen ze aan het gaan was. Dat hebben ze goed gezien. Bij het begin van de laatste ronde moeten boksers altijd even met de handschoenen tegen elkaar tikken. Normaal begint de klok pas te tikken na dat ‘handschoenmoment’, maar nu liep ze al toen we uit onze hoek kwamen. Zo waren er al dertien seconden weg. Daarmee werd ook mijn chronoman op het verkeerde been gezet, want die waarschuwt mij altijd dertig seconden voor het einde van de ronde om er nog eens volle bak in te vliegen. In een andere ronde waarin ze in de problemen kwam, hebben ze dat ook geflikt. We hebben dat allemaal aangekaart, maar wat helpt het?”

Durft u de kamp opnieuw te bekijken?

(lacht) “We zijn met het vliegtuig in België geland, zijn naar huis gereden en hebben onmiddellijk drie keer na elkaar de kamp bekeken. In totaal heb ik hem – denk ik – dertig keer of zo gezien. Masochisme? Neen, dat denk ik niet. Ik wil gewoon weten dat ik goed heb gebokst. We hebben zes ronden voor mij, twee voor haar en twee ronden onbeslist. Dan is het nog 6-4 voor mij. Filiep zegt zelfs dat ik er zeven had moeten krijgen.

“Nu weten we natuurlijk hoe we het de volgende keer moeten aanpakken. Stapje achteruit als ze mij vastpakt bijvoorbeeld, maar ook sneller beginnen met mijn rechtse jab (een stoot rechtdoor, red.). De eerste vijf ronden heb ik die niet gebruikt omdat we bang waren voor haar counter. Alleen kwam die counter niet. Eigenlijk hebben we haar niveau te hoog ingeschat.”

Katie Taylor moest dus winnen. Wat heeft zij wat u niet hebt?

“Het is een Ierse, ze woont in Philadelphia waar een grote Ierse kolonie is, ze heeft Eddie Hearn van Matchroom (grote promotor van boks- en andere sportevenementen, red.) als manager en die bepaalt de uitslag. Ook in het Verenigd Koninkrijk en Ierland is ze een ster met haar olympisch goud. Het was dus inderdaad een kwestie van hen geen kans te geven om de uitslag te fiksen. Dat is vooral mijn frustratie, dat we er zo dicht bij waren.

“Dichter kom ik niet. Ik geloof niet in een rematch. Er wordt van alles gezegd en geschreven, maar wij weten nergens van. Ik denk dat Matchroom het wel zou willen voor pay-per-view. Vrouwenboksen brengt tegenwoordig ook geld op.”

U bent in de dagen voor de kamp ongelooflijk veel gepest.

“Niet normaal. Ineens moesten we uit ons hotel omdat Katie Taylor mij niet wilde zien. Wist ik veel dat zij daar ook logeerde. Dan moest weer mijn astma worden onderzocht terwijl die al is vastgesteld in België en ik daar een uitzondering voor heb gekregen. Maar neen, de regels van het Wereld Antidopingagentschap (WADA) telden niet in het Amerikaans boksen.

“Twee uur voor de kamp kreeg ik ineens dopingcontrole, en daarna zou ik niets meer mogen eten of drinken behalve water dat zij mij zouden geven. Toen heeft Filiep ingegrepen en we zijn pas veel later gaan plassen.

“Een uur voor de kamp kwam de dokter binnen in mijn kleedkamer en zag dat ik mijn enkelgewrichten tapete, iets wat ik altijd doe. Ah neen, ook dat mocht niet. Alsof je met je voeten bokst. Mee naar de sportverantwoordelijke. Die keek en zei: oei, dat is een zaak voor de hoofdverantwoordelijke. Dan is die aan mijn enkels beginnen sleuren en toen het oké was, hadden we nog een kwartier om te tapen en op te warmen.

“Dat heeft Filiep goed gedaan: hij heeft mij in vijf minuten zo opgejut, zo agressief gemaakt dat ik er meteen kon invliegen terwijl ik normaal drie ronden lang als een diesel warm moet draaien.

“In de kamp had ze verschillende keren een waarschuwing moeten krijgen. Ik zág er nadien niet uit, maar dat was van de kopstoten en van één elleboogstoot, níét van slagen. De scheidsrechter hield zich de hele kamp van de domme. Integendeel, ze haalde ons een paar keer onterecht uit elkaar toen het voor Taylor te gevaarlijk werd. De scheidsrechter was een Amerikaanse. Ik zag in haar ogen echt een paar keer de vrees dat ik zou gaan winnen. Dat was duidelijk niet haar afspraak met de matchpromotor.”

U werkt fulltime als agent bij de federale politie. Hoe bent u daar eigenlijk terechtgekomen?

“Ik ben bachelor lichamelijke opvoeding. Les geven had ik ook wel willen doen. Ik heb ooit een interim gedaan in de gesloten meisjesinstelling De Zande. Dat kon ik ook wel aan. Maar als je geen connecties had in het onderwijs, kon je een vaste job wel vergeten. Daarom ben ik bij de spoorwegpolitie gegaan. Daar was een vacature. Niks doen is geen optie in het gezin waar ik ben opgegroeid.”

Hoe bereidde u zich voor op de kamp van uw leven, in juni, tegen Katie Taylor?

“Dat begon met verlof vragen. Politiebaas Catherine De Bolle had mij destijds al overgeplaatst van de spoorwegpolitie naar de federale politie, maar ik was wel voltijds blijven werken. Haar opvolger als commissaris-generaal (Marc De Mesmaeker, red.) ken ik ook. We hebben hem twee keer uitgenodigd naar kampen en hij beloofde dat hij mij zou helpen. Ik heb vijftien dagen extra vakantie gekregen, maar in de dagen voor ik stopte heb ik op het werk wel vol gas moeten geven.

“Ik ben verantwoordelijk voor de planning van de opleidingen geweldbeheersing. Dat valt uiteen in dwang zónder en mét vuurwapen, en ik ben een van de weinigen die ze allebei heeft gevolgd.

“Mijn job bestaat erin om die opleidingen te coördineren en schietoefeningen en andere trainingen in te plannen. Dat was helemaal uitgewerkt tot na mijn kamp. Enkele dagen nadat ik terug was uit New York, zat ik alweer aan mijn bureau. In juli en augustus heb
ik volle bak gewerkt en had ik weer 150 overuren opgespaard die ik dan heb opgenomen in de aanloop naar mijn kamp van eind november. Om de dag neem ik dan vrij. Een vrije dag betekent: twee keer trainen. Een werkdag combineer ik met één keer sporten, bijvoorbeeld een looptraining.”

Is dat bureauwerk niet te saai voor u?

“Ja en neen. Ik ga soms nog het terrein op, maar het grootste voordeel van binnen werken zijn de betere uren. In 2015 was ik uitgeput en heb ik drie keer achter elkaar gordelroos gehad, van vermoeidheid. Dat shiftensysteem – twee nachten, een vroege, een late, weer nacht – was dodelijk voor mij, zeker in combinatie met de trainingen. Ik ben één keer van de vroege shift niet thuis geraakt en dat is amper van Brugge tot Lichtervelde. Ik at een appel, raam wijd open, muziek luid en nóg kon ik niet wakker blijven. Ik heb de auto aan de kant moeten zetten, helemaal op was ik. De dokter zei: ‘Je bent dertig en niet versleten, op voorwaarde dat je je bioritme op orde krijgt.’

“Ik wilde wijkagent worden, maar De Bolle stelde me voor om op het Operationeel Coördinatiesecretariaat in Brugge te gaan werken. Sindsdien gaat het beter. In de aanloop naar de kamp laten ze mij met rust en ik kan zelf veel regelen. Als er geen kamp is, werk ik nog wel eens ‘buiten’ en ik spring ook in voor collega’s. (Net als ze dat zegt, gaat de telefoon. Of ze vrijdagnamiddag iemands shift wil overnemen.)

“Niemand werkt graag laat door op vrijdag, maar mij kan dat niet schelen. Ik werk ook in de kerstperiode. Zo kan ik iets terugdoen. Maar evengoed spring ik bij als we voor de illegalen naar Zeebrugge moeten, of naar een voetbalwedstrijd.

“Nu zit ik alweer aan de antivirale middelen. Ik moet oppassen. De voorbije maanden waren zwaar. Ik werk en boks niet alleen, ik organiseer ook. Op 11 november hadden we een kamp in Oostende, georganiseerd door Filiep en mij en enkele andere mensen. Nadat we er enkele keren bekaaid van af zijn gekomen met mensen die hun beloftes niet nakwamen, doen we nu alles zelf.

“De drie maanden voor de kamp kwam ik thuis van de training, om halftien of zo, en zat ik tot na middernacht op de laptop mails te sturen, dingen te coördineren, budgetten te maken. Alle betalingen doe ik zelf, ticketing idem, tot op de dag van de kamp. Wij zetten zelf de stoelen in de zaal. Tot enkele uren voor ik de ring in moet, ben ik nog van alles aan het regelen. Daarna zonder ik mij af om me voor te bereiden. Niet ideaal, ik weet het, maar het blijft boksen, een sport van weinig geld. Enfin, aan deze kamp hebben we wel wat verdiend, dat is ook al wat.”

Klopt het dat u 200.000 dollar hebt gekregen voor de kamp tegen Taylor?

“Ja, maar dat heeft wel wat voeten in de aarde gehad. We hadden al een contract getekend, maar in New York kregen we dan weer een ander onder de neus geschoven. Met papierwerk ben ik wel vertrouwd, dus ik las dat na en zag dat er een bedrag ingehouden werd, zodat er maar ruim 170.000 overbleef. Dat hebben we niet willen tekenen en dat gedoe kwam nog eens terug bij de weging, samen met die extra astmatests. Een dag voor de wedstrijd! De weging was om vier uur en om negen uur zaten wij daar nog, zonder te hebben gegeten. Uiteindelijk zijn we vertrokken.

“In ons hotel waren ze daar wéér met dat papier, dat ik weigerde te tekenen. Toen hebben ze gedreigd dat de kamp niet zou doorgaan, maar ook daar zijn we niet voor gezwicht. Het bedrag dat ze afhielden was zogezegd voor de gordels van de verschillende bonden. Filiep riep toen: ‘You can keep your belts, put them in your ass, we just want to defeat Katie Taylor.’ We hebben niet getekend. Na de kamp: hetzelfde verhaal. Uiteindelijk is de New York Boxing Association toch gezwicht.”

U bent de hardste tante die ik ken. Vechten met een gebroken neus vanaf de tweede ronde, zoals in november tegen Helen Joseph, hoe doet u dat?

“Op adrenaline. Ik was niet te best in die kamp, een beetje trager dan anders, maar 80 procent schat ik. Dan overkomt je zoiets. Een gebroken neus voel je en als je er nadien een slag op krijgt, doet dat extra veel pijn. Achteraf bleek dat het een rechte breuk was. Het is de tweede keer dat ik hem breek. Na die eerste keer stond hij al een beetje scheef en dat is niet veranderd. Of toch: na de vorige keer kon ik alleen door mijn rechterneusgat ademen, nu alleen nog uit mijn linker.” (lacht)

U zit hier best wel vrolijk aan het eind van een jaar waarin u uw grootste sportieve tegenslag hebt gekend.

“Goh ja, waarom niet? Met je hoofd in de grond zitten, dat heb ik genoeg gezien bij mijn ouders, daar schiet je niets mee op. Ik heb best nog wel wat plannen en ideeën en dan helpen donkere gedachten niet. Al het geld dat wij verdienen zetten we opzij omdat we een stuk grond willen kopen en een bokszaal bouwen. Dat is onze grote droom, alleen trappelen we nu al vijf jaar ter plaatse. Ik ken inmiddels alles over bouwgrond, verkavelingsvoorschriften, bestemmingen, RUP, enzovoort, maar voor je grond vindt waar je zoiets op mag bouwen, pfff…

“Kortrijk heeft ons een aanbod gedaan om in hun vechtsportencentrum iets op te starten. Ik zou het liever in mijn eentje doen, maar misschien moeten we daar ook eens gaan luisteren.

“Dat eigen project zal iets zijn van rond de 600.000 euro. Dat halen we uit eigen middelen en subsidies van de provincie, plus een lening. Alles hebben we: het financieringsplan, de bouwplannen, een locatie in Gits hadden we op het oog, alleen de toestemming ontbreekt.”

U zou ook gewoon aan een rustige nacarrière kunnen denken.

“Rustig? Ik? Neen hoor, ik wil bezig blijven, ik blijf een kind van boeren. Vandaar dat ik ook fulltime blijf werken. Ik woon nu momenteel bij Filiep en ik verhuur mijn eigen huis, dat is profijtiger. Dat huis moet ik nog afbetalen, vandaar dat ik moet blijven werken. Soms zegt men mij: goh, wat heb jij het zwaar, fulltime werken en dan nog eens boksen op het hoogste niveau. Tja, het is veel, maar mijn pa werkte van zes ’s ochtends tot elf ’s avonds. Dat is veel zwaarder dan wat ik doe, werken en sporten, wat eigenlijk een hobby is.

“Het beheer van die zaal hier, dat doen wij ook. Ik sta in voor de lidgelden, tenminste, bij wie het kan betalen. Je hebt ze hier al zien toekomen, de gasten die hier trainen, dat is niet met de auto maar met de fiets of met de trein. Soms kunnen ze niet betalen en dan mogen ze toch blijven trainen, op voorwaarde dat ze meehelpen de zaal opruimen, stoelen zetten op een meeting of les geven aan kinderen. Daarnaast vraag ik respect binnen en buiten de ring.”

U wilt zich in maart plaatsen voor de Olympische Spelen. Wéér een nieuwe uitdaging.

“Ja, in maart in Londen zal het moeten gebeuren. Ik kijk er wel naar uit. We hebben met het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) gepraat en met Sport Vlaanderen, en dat zit goed. Filiep mag mij coachen, maar de nationale trainer zal ook in de buurt zijn. Daar doe ik niet moeilijk over, maar ik wil wel Filiep in mijn hoek.

“De handschoenen zijn iets dikker en zachter en een olympische wedstrijd duurt maar drie ronden. Gelukkig wel drie minuten in plaats van twee vroeger, dat is dan weer in mijn voordeel. Filiep is nu al de tegenstanders aan het scouten.

“Bij de boksfederatie dachten ze aan toernooien als voorbereiding, maar ons plan is om ons pas te tonen op dat olympisch kwalificatietoernooi. Ze kennen mij allemaal en er zullen er wel een paar bang zijn. Ik ben het gewend om hard te slaan. Van dat

verrassingseffect moeten we kunnen profiteren. Als we ons kunnen plaatsen voor Tokio, wil Filiep sparren tegen de olympische boksers van Rio die nu prof zijn, om dat andere boksen beter onder de knie te krijgen.

“Als ze ons zo’n voorbereidingstraject kunnen garanderen, wil ik er vol voor gaan. Ik vraag geen profcontract, ik moet geen geld, ik ben gewend om het alleen te doen, mijn bazen willen ook een inspanning doen, maar het zou mooi zijn als ze mijn voorbereiding zouden betalen en als ze Filiep vrij zouden kunnen krijgen.”

U wordt 35, u hebt dit jaar drie zware kampen gehad, slagen uitgedeeld en slagen gekregen. Elke bokser kan maar zoveel incasseren.

“Die blauwe ogen, die open wenkbrauwen en zelfs die neusbreuk, dat stelt niet veel voor. Wij zweren bij Reparil in pilvorm en Feldène als ontstekingsremmer. Dat helpt, dat moet je echt eens proberen als je een bloeduitstorting hebt. Na een paar dagen is het ergste voorbij en na een paar weken zie je er niks meer van.

“Op het werk klagen ze nog niet dat ik dingen begin te vergeten. (lacht) Ik ben nog nooit knock-out gegaan. Je ziet het wanneer iemand niet meer reageert of incasseert. Lang voor Sugar Jackson stopte, zei Filiep al dat het te veel was.

“Wij hebben ooit een bokser van ons zijn laatste kamp laten boksen tegen een veel sterkere tegenstander, maar zo ingepraat op die ander dat hij nooit naar het hoofd sloeg. Die jongen van ons werd gespaard, maar wist niet wat er was afgesproken en is toch met een goed gevoel gestopt.

“Ik zal nooit de kamp te veel boksen. En als ik het niet meer besef, dan zal Filiep mij wel tegenhouden.”

 

 

 

Delfine Persoon DM dec 2019-mail

Column Iedereen trainer in De Morgen van zaterdag 21 december 2019

Iedereen trainer

 

Van de week op de radio: “Philippe Clement heeft de Trofee Raymond Goethals gewonnen. Die bekroont de trainer die het best de waarden van Raymond Goethals benadert.” Of toch in die woorden, ongeveer. Het begrip waarden werd in één zin gebruikt met Goethals en dat volstond om haast in de gracht te rijden.

Zoals ik het verbazingwekkend vond dat wij ooit een jeugdprijs de naam gaven van een veroordeelde dopingzondaar (in het wielrennen) en er nog steeds (ook in het wielrennen) een grote prijs bestaat van een veroordeelde dopingzondaar, is ook de Raymond Goethals-trofee totaal misplaatst.

Over welke waarden hebben we het? Dat hij voetbal zag? Dat hij zelden of nooit aanviel en afwachtte? Daar kun je over discussiëren en van mening verschillen. Maar waar geen discussie over bestaat, is zijn rol bij twee omkoopdossiers: de eerste keer bij Waterschei- Standard in 1982 was hij de initiatiefnemer en de tweede keer bij de wedstrijd Olympique de Marseille tegen Valenciennes was hij de coach die wist van de omkoping. Twee keer ging het om een ‘ontmoedigingspremie’ voor de tegenstander, zodat die niet te fel zou spelen, waarna de eigen ploeg een paar dagen later frisser aan het Europees duel zou kunnen beginnen. Twee keer speelde Goethals een centrale rol en naar die man noemen wij de trofee voor de voetbaltrainer van het jaar. Als het er al niet over is, grenst dit toch aan normvervaging. Typisch voetbal.

Benieuwd welke voetballers van de Golden Generation – die tot nog toe niet verder is geraakt dan brons voor alle duidelijkheid – over tien of twintig jaar die trofee mogen komen ophalen. Misschien is er tegen die tijd een Belgische trainer doodgegaan die echt iets heeft gewonnen en naar wie we een prijs noemen en niet zoals Goethals moest voetballen zoals zijn voorzitter Bernard Tapie hem opdroeg en daar warempel een Europese titel mee won.

Onze Rode Duivels krijgen een verkorte trainerscursus, zo raakte van de week bekend. Althans, die krijgen ze cadeau van de bond en volgens de eerste geruchten is er heel veel interesse. De cursus zal worden ingericht bij de stages van de Rode Duivels in het kader van interlands. Als dat klopt, hebben de trainingen of die lessen niet veel te betekenen, maar dat laatste was al langer bekend. Als je ziet wie ze allemaal heeft gevolgd, van wie je vermoedt dat ze amper hun naam foutloos kunnen spellen, dan weet je het wel. Inschrijven en betalen staat gelijk aan slagen.

Als er sprake is van een verkorte cursus moet er ook een volledige cursus zijn. Wat zouden ze dan wel verkorten voor die internationals? Voor welke vakken zijn die vrijgesteld?

Internationals hoeven niet meer te leren om tegen een bal te stampen, dat is duidelijk. De basis van tactiek zullen ze ook wel onder de knie hebben, en zelfs een groep met de juiste instelling op het veld brengen moeten ze vanuit hun ervaring kunnen. Maar trainen is zoveel meer dan weten hoe er moet worden gevoetbald.

Misschien is het de bedoeling dat onze gouden generatie meteen een elftal sterren of galácticos gaat aansturen, en in dat geval kan een kind de was doen. Toptrainers bij topclubs hebben topassistenten zoveel ze willen. Linietrainers, conditietrainers, hersteltrainers, hulptrainers… Noem het op en ze hebben het in drievoud. Maar zelfs dan heb je skills nodig om de hele fabriek aan te sturen. Nu zal ik misschien wat overdrijven, maar deze generatie is doorgaans zo wereldvreemd dat ze nauwelijks nog met echte mensen in contact komt en op gras een spel speelt dat ze kent van de computer.

Ongetwijfeld weten ze als geen ander hoe het spel moet worden gespeeld en kan worden gespeeld als hun baasjes hun spel tenminste weten op te pikken, maar ook dan hebben we dit seizoen geleerd dat zelfs een slimme voetballer/mens als Vincent Kompany zich daarop kan verkijken.

Alles wat ze beter kunnen dan een modale collega zal hen eerder hinderen dan helpen om een goeie trainer te worden. Het is slim om de oefenstof van Pochettino, Guardiola of van de geniale gek Bielsa te hebben opgeschreven, maar je schiet er geen ene moer mee op. Topvoetballers hebben geen verkorte maar een verlengde cursus nodig.

De eerste eigenschap van een trainer/coach is het inschatten van de capaciteiten van zijn groep en daar een spel mee spelen dat die groep wil en kan spelen. De tweede is daarvoor de gepaste oefenstof ontwikkelen en de derde is spelers beter maken, ook door uitdagende oefenstof. Dat moet je leren, door scha en schande en door onderaan te beginnen. Dat is een leerproces en daar valt niks aan te verkorten.

 

20191221_De-Morgen_p-19

Column Parafernalia in De Morgen van maandag 16 december 2019

Parafernalia

Wat Jeff Hoeyberghs en Anderlecht gemeen hebben, is dat het geweeklaag om hun boodschap inmiddels vele malen belachelijker is dan de boodschap zelf. Verder is er geen vergelijking tussen hen, tenzij dat Anderlecht en Hoeyberghs geen openingen meer vinden waar ze hun ding in kunnen doen. (Ik schrijf het maar op zoals het is gezegd, met excuses.) Of nog: dat ze niet weten wanneer ze moeten zwijgen.

Anderlecht gooide van de week olie op het eigen vuur met een brief waarin de supporters werd uitgelegd dat het misschien dit seizoen niet zal lukken. Communicatief is het bij RSCA een zootje, zoveel is duidelijk. De club heeft David Steegen, die een jaar geleden door Coucke opzij gezet was, maar recent weer op het hoofdspoor gerangeerd werd. Vincent Kompany heeft voor zijn boodschappen en imago zakenpartner Klaas Gaublomme en Marc Coucke werkt voor zijn persoonlijke communicatie met Wim Demeyere.

De brief is een schuldbekentenis, aldus de supporters. Of een knieval, aldus de media. Sowieso niet te vatten, zeggen analisten. Conclusie: Anderlecht onwaardig. Nog maar eens is een barrière gesloopt. Straks eisen de supporters bij elke wedstrijd een brief waarin wordt uitgelegd wie speelt, hoe er zal worden gespeeld, wie zal worden vervangen en waarom, om te eindigen met een oproep aan de fans of ze suggesties hebben voor de ploeg van volgende week.

Die supporters krijgen steeds meer noten op hun zang. Dat heb je natuurlijk als je er een gewoonte van maakt om de fans te gaan groeten. Ooit begon dat bij hoge uitzondering na winst op een erfvijand of na een titel. Gaandeweg werd dat uitgebreid naar alle winstwedstrijden. In België is het de laatste jaren de gewoonte om de fans altijd te gaan groeten: dikke of magere winst, gelijkspel, nipt of zwaar verlies, de spelers zullen zich na afloop naar de harde kern begeven en daar de lofbetuigingen, c.q. beledigingen in ontvangst nemen. Chadli liet zich uitkleden. Wat komt hierna? Voetbalspelers die als dokter Livingstone in de brousse parafernalia meenemen naar de stamhoofden met het doel om hen gunstig te stemmen?

Inmiddels zijn we het proces dat Anderlecht doormaakt uit het oog verloren. Vele malen interessanter in dat verband was het nieuws dat Anderlecht zich in de toekomst zou beroepen op een revolutionair scoutingsysteem, de Current Impact Score.

Scouting is een moeilijk verhaal in voetbal, omdat het geen sjablonensport is waarin steeds weer dezelfde vooraf doorgesproken wedstrijdacties worden opgezet. Voetbal is daarnaast ook nog eens de laagst scorende sport die de mens heeft uitgevonden en is daarom afhankelijk van toeval. Anderzijds kan je toeval een handje helpen door de dingen juist te doen en niét te laten afhangen
van de inspiratie van het moment. Dieumerci Mbokani wordt altijd als voorbeeld aangehaald: loopt geen meter te veel, is een alibiverdediger als geen andere, maar scoort, altijd weer. Conclusie in het scoutingrapport: prima voor België, maar hoger schiet je er niks mee op, wat ook is gebleken.

Er zijn twee soorten scouting: prestatiescouting en het veel meer gecompliceerde talentscouting, dat naar de potentie op zoek gaat. Prestatiescouting is simpel: je laat een computer los op alle acties en je brengt in kaart hoeveel en waar een speler heeft gelopen, hoe vaak aan welke snelheid, gewonnen duels, doelpunten, schoten op doel en niet te vergeten wat zijn tegenstander inmiddels heeft gepresteerd. Dat is een momentopname en geen hersenchirurgie, voor alle duidelijkheid. Het komt er op aan veel data te hebben van diezelfde speler en van vergelijkbare spelers in eenzelfde systeem. Als je vervolgens weet wat zijn opdrachten waren, en die van de spelers rond hem, pas dan kan je een prestatie min of meer beoordelen.

Het lijkt mij dat het Current Impact System prestatiescouting is. Veel interessanter voor Anderlecht is talentscouting. Dat begint bij de fysieke capaciteiten van een voetballer: de uithouding, de pieksnelheid, de belastbaarheid. Allemaal moeilijk te meten, al helemaal als daar de mentale component bij komt. Het minst moeilijke om in kaart te brengen zijn de voetbalcapaciteiten, dat ziet het oog van de meester. Het allermoeilijkste is dan weer hoeveel rek er nog zit op de technische, tactische en fysieke ontwikkeling.

Ach, Anderlecht maakt het allemaal veel moeilijker dan het is en heeft zich verloren in een communicatie waaruit het geen uitweg meer ziet. Het verhaal, ook naar de supporters, had simpelweg moeten zijn: “Ja, de club gaat door een dal, maar soms moet je een stap terug zetten, om achteraf veel beter te doen. Neen dus, we zullen geen kampioen spelen. Ooit weer wel. Wanneer? Zo snel mogelijk.”

 

20191216_De-Morgen_p-19

Column De Europese flosj in De Morgen van 14 december 2019

De Europese flosj

Vijf Belgische clubs begonnen in augustus aan het Europees avontuur. Vier mochten naar de poulefase en als die Antwerpenaars het zot niet in de kop hadden gekregen, dan waren ze met vijf. Van die vier waren twee bij voorbaat kansloos, niet toevallig kampioen Genk en Club Brugge in de Champions League.

Voor Club was dat een succes, want een tweede Belgische deelnemer die zich via de voorrondes van het kampioenenbal plaatst is een zeldzaamheid. En zie, Club is een van de Belgische teams die doorgaat omdat het netjes derde werd in een aartsmoeilijke groep.

KAA Gent is een andere overwinteraar. Gent won zowaar zijn poule in de Europese tweede klasse, ook bekend als de Europa League. Standard verknoeide naar de traditie van het huis zijn kansen en nam donderdag afscheid van Europa.

Voor het eerst in de formule met 32 teams en met één poulefase komen alle zestien teams in de tweede ronde van de Champions League uit de grote vijf voetballanden. Grootste slachtoffer was het dit seizoen net iets minder wonderbaarlijke Ajax Amsterdam. Net iets minder betekende net iets minder stevig, vooral dan achterin, net iets minder dominant in het midden, net iets minder dodelijk voorin. Braindrain op cruciale posities, dat is de realiteit. Zestien ploegen uit de G5 is geen statistiek en voorlopig geen nieuwe trend. Tot nader order is het toeval.

Nog toeval: Gent als hoogst gerangschikte Belgische club op de Europese coëfficiëntentabel. Dat is een momentopname die rekening houdt met de laatste vijf jaar. Volgend jaar verliezen ze de punten van hun verrassende tweede ronde van de Champions League uit 2015-2016. Zelfs als Gent deze keer doorgaat tot de halve finale van de Europa League zakken ze flink wat plaatsen. En België ook.

Europees voetbal is goed om af en toe een aardige cent bij te verdienen, goed voor het ego van de Napoleonnetjes die onze clubs besturen, maar voorts schiet je er niet mee op. Gent ging een jaar na de achtste finale in de Champions League nog door op het elan en klopte Tottenham in de Europa League, maar heeft met al die miljoenen weinig kunnen aanvangen.

Europese inkomsten zijn voor onze Belgische clubs de flosj op de kermis. Dat ding hangt daar, als je het kunt pakken kun je trots
een rondje draaien, maar evengoed grijp je de volgende keren altijd weer naast. Waar je niet jaar na jaar na jaar kunt op rekenen, laat daar nooit je beleid van afhangen. Eenmalige inkomsten kunnen niet dienen voor recurrente uitgaven, hooguit om structureel te investeren. Dat is een beetje de fout die veel Belgische clubs hebben gemaakt in het verleden. Hun extra Europese miljoenen werden hoofdzakelijk ingezet in het bieden op jonge buitenlandse talenten en niet voor de verbetering van de accommodatie, laat staan de verbetering van het Belgische economisch voetbalmodel in het algemeen.

Club en Genk staan elk een klein stukje van hun Champions League-miljoenen af aan de andere eersteklassers. Omwille van het marktverstorend effect zou die solidariteit in de Belgische context minimaal 50 procent of meer moeten bedragen, iets wat Eddy Wauters van Antwerp begin de jaren 90 al bepleitte. Kansloze missie. Club Brugge is zelfs bezig met een operatie desolidarisering. Zij willen meer geld van de tv-rechten en lonken naar Europa of zelfs naar de Beneliga, die er – read my lips – nooit komt.

Het Brugs argument dat te veel clubs in eerste klasse geleid worden door puissant rijke voorzitters die weigeren structureel te investeren in hun import-exportvoetbalbedrijf is valabel. Een nieuw of verbeterd stadion en jeugdopleiding zijn van geen tel voor de financial fair play, dus wie het goed voorheeft met het voetbal kan gerust zijn gang gaan. Alleen hebben onze clubs en onze politici de (onder meer fiscale en andere) randvoorwaarden gecreëerd waardoor buitenlandse eigenaars alleen interesse betonen in de marktplaats die het Belgisch voetbal is.

Club Brugge gebruikt dat argument als drogreden voor een groter doel. Het wil vanuit de Belgische waaier naar de Europese rijden. Dat heet gezonde ambitie, maar het is hybris in het kwadraat. FCB is dan wel de Belgische nummer één, het blijft een regionaal clubje met een beperkte achterban en vooral met een klein economisch hinterland. Real Madrid was eerlijk tegen het Brugs bestuur: “Wij willen in de toekomst liever niet meer tegen jullie voetballen.”

Aan economische en geografische realiteiten valt niet te verhelpen. Zelfs al verrijst er straks een oosters voetbalpaleis uit de poldergrond aan de Blankenbergse Steenweg, als er ooit een Belgisch team toegelaten wordt tot de Europese elite zal dat misschien in de Europese hoofdstad liggen. Als… misschien…

 

20191214_De-Morgen_p-21-mail

Column Olympische stage in De Morgen van maandag 9 dec 2019

Olympische stage

De kop is eraf. Het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) heeft de voorbije weken verzamelen geblazen voor de klassieke preolympische stage. Een mislukte uitstap naar Sevilla niet te na gesproken – de tapastour eindigde toen net niet in een vechtpartij – was het sinds 1991 gebruikelijk om de hele equipe op Lanzarote uit te nodigen.

Wie de stage van 1995 heeft meegemaakt, spreekt nog over de ‘vergaderingen’ in de late, soms nachtelijke uren, overgoten met de nodige wijn en heel af en toe eindigend in agressie of in het verkeerde (atleten)bed. Het belette het Belgische olympisch team niet om een jaar later in Atlanta het beste resultaat ooit neer te zetten, met zes medailles waaronder twee keer goud.

Club La Santa is heel erg oké als trainingsomgeving, maar de Gloria Sports Arena in Belek aan de Turkse Riviera is gewoon top. Het is er iets kouder, maar meer sporten kunnen er terecht in ideale omstandigheden. Zo is België een hockeyland geworden en hockeyen doe je op een goed kunstgrasveld. Dat hebben ze in Belek. Hoe het bedrijf Gloria die Sports Arena van hen onderhoudt en financiert is een groot mysterie, maar zolang het daar draait moet dat de minste van de Belgische zorgen zijn.

Het was de deelnemers aan deze achtste preolympische stage verboden om openlijk alcohol te drinken. Die oekaze, waar meer goede dan slechte argumenten voor zijn, kwam vanuit het BOIC zelf. De olympische cultuuromslag is daarmee compleet. Ik heb de tijd nog meegemaakt dat op het BOIC de stafmeetings een uur werden verlaat en halfweg werden onderbroken door de secretaresse van de secretaris-generaal die de bestellingen voor het aperitief kwam opnemen.

Het BOIC hoopt op tien medailles. Dat is geen echte prognose, meer een soort wishful thinking. Op basis van de resultaten op EK’s en vooral WK’s in olympische disciplines en rekening houdend met de concurrentie van steeds sterker wordende sportlanden – nu komt Japan er nog eens bij – én steeds meer kleine landen die zich specialiseren in een sport waar ze goed in zijn, is een prognose tussen vijf en zeven medailles voor België veel correcter.

Is het BOIC veranderd? Dat vroeg ik aan collega’s die de ooit zo eerbiedwaardige instelling al een tijdje kennen. Niet echt, vonden ze. Wat vind jij van het BOIC en de sfeer op deze stage? Dat vroeg ik dan weer aan collega’s die er voor het eerst bij waren en al heel wat kilometers in de topsport hebben. De kwalificatie varieerde van oubollig, heel erg francofoon, tot ‘is het dat maar?’. Ikzelf vond de sfeer al bij al relax en dus goed om als journalist mee te maken.

Het BOIC wil de motor zijn van de topsport in België, maar is het niet (meer). Het topsportpad werd meer dan twintig jaar geleden verlaten en dat hebben ze nog niet helemaal teruggevonden, zoveel is duidelijk. Gaandeweg zijn ze verveld tot een selectiebureau voor olympische atleten, en toen ook dat wegviel door de strenge internationale limieten en quota werd het een tweejaarlijks logistiek centrum met onlangs een zware focus op marketing.

Het blijft een vervelende vaststelling dat als het BOIC niet zou bestaan, er meer rechtstreekse financiële steun naar de topsport zou gaan. Al te veel sponsoring, geld van de Nationale Loterij en vooral veel energie gaat nog steeds op aan behoeften creëren en organiseren van activiteiten in de rand die met topsport weinig vandoen hebben.

De meerwaarde van het BOIC is klein. Van elke topsporteuro in dit land genereert het BOIC 7,5 cent – ongeveer wat ze van de overheden en de Nationale Loterij krijgen – maar het heeft praatjes voor een hele euro. Zo zette de voorzitter van het BOIC zich op een slide op gelijke hoogte met de ministers van Sport, van een overschatting gesproken.

Gelukkig heeft de nieuwe wind die al een tijd door de Vlaamse topsport waait inmiddels ook het BOIC bereikt. Hulde wie het toekomt: het hockeysucces is dan wel voor het grootste deel betaald met Vlaams geld, de dromers in dat verhaal kwamen uit het BOIC. Misschien, heel misschien is er zelfs een kentering in de maak. Er is een nieuwe sportdirecteur aangetreden met Olav Spahl, een man van staal vergeleken met zijn voorganger Eddy De Smedt, en in het departement topsport is met Bob Maesen zowaar ook een ex- topatleet/olympiër beginnen te werken. De eerste ooit, dat zegt alles.

Na Tokio kiest het BOIC een nieuwe voorzitter in de plaats van Pierre-Olivier Beckers. Wie dat wordt maakt niet uit, als het maar iemand is met een (top)sportverleden die niet direct zit te azen op een adellijke titel en het IOC-lidmaatschap.

 

20191209_De-Morgen_p-19-mail

Verhaal over Rusland en doping in De Morgen van zaterdag 7 dec 2019

‘Schors die Russische handel’

In Rio waren alleen de Russische atleten niet welkom, in Pyeongchang moest het Russisch team een tijdje op de strafbank. Na het zoveelste bedrog buigt het mondiale antidopingagentschap WADA zich maandag over een aanbeveling tot een échte schorsing van Rusland.

In de late namiddag van 22 oktober lichtten meer dan enkele lichtjes op in de controlekamers van de verschillende intelligentiedepartementen van de Russische republiek. Dat de Duitse tv was langsgegaan bij Joeri Ganus, hoofd van Rusada, dát was geen geheim. De SVR, de GU, de FSB, alle afgekorte geheime diensten in Rusland hadden elke stap van die Duitsers op Russisch grondgebied gevolgd. Wat hun mannetje Ganus precies had gezegd en of hij zich de aanbevelingen ter harte had genomen, dat was nog afwachten.

IJdele hoop. Het Rusada heeft een geschiedenis van dissidenten (zie tijdslijn) en Ganus lijkt die traditie in eer te houden. Voor wie in dopingtoestanden is geïnteresseerd: zoek het op via YouTube of op de site van ARD – Ganus intikken volstaat. Al na enkele minuten, zonder dat er expliciet wordt naar gevraagd, geeft de CEO van het Russische antidopingagentschap Rusada toe dat zijn landgenoten bedrog hebben gepleegd.

Vladimir Poetin en zijn sportminister Pavel Kolobkov zullen zich de ogen hebben uitgewreven. Vervolgens zullen hun oren zijn beginnen te tuiten en niet zeker dat ze de hele 21 minuten hebben uitgekeken. Een paar vragen verder wijst Ganus al met een beschuldigende vinger naar de minister van Sport Kolobkov, zesvoudig medaillewinnaar in het schermen en bevriend met de grote baas. “Hij is verantwoordelijk voor deze tragedie. Er moet iemand anders komen.”

Over de rol van zijn president Poetin blijft Ganus op de vlakte. “Ik heb hem nooit gesproken, maar ik zou dat graag eens doen.” Zijn conclusie is wel zonneklaar: “Wij Russen hebben het weer eens verknoeid en als dat niet tot een zware straf leidt, wat dan wel?”

Ruim tweeduizend urinestalen

Verknoeid is licht uitgedrukt. De zoveelste Russische overtreding van de dopingregels komt hierop neer. Na hun rehabilitatie in september van vorig jaar bij het wereldantidopingagentschap WADA – die kreeg veel kritiek maar achteraf bekeken was het een geniale zet – werden de Russen verplicht om mee te werken aan het onderzoek. Ze moesten onder meer tegen 31 december van vorig jaar een authentieke kopie van de analytische data aan het WADA bezorgen en een maand later de meer dan tweeduizend urinestalen die het lab in bewaring had.

Dat ging al meteen mis. Aan die eerste voorwaarde werd een maand te laat voldaan en de stalen kwamen pas in april van dit jaar vrij. Terwijl de hardliners in de sport schreeuwden om strenge straffen, togen de analytici van het WADA onder leiding van een Duitse ex- politieman gespecialiseerd in cybercriminaliteit in alle stilte aan het werk.

Hun bevindingen waren niet minder dan hallucinant:

– De data waren niet compleet en niet correct.

– Honderden data tot en met 2015 (zie LIMS-Sobolevski-Migachev in de tijdslijn) waren verdwenen uit de kopie van 2019.

– De kopie bevatte ook ontelbare veranderingen en antidateringen.

– Mailverkeer werd aangepast en veranderd om getuigen te incrimineren.

– Op 23 oktober, na de eerste vragen van het WADA over die fraude, kwamen de Russen met nieuwe data die ze “nog hadden gevonden”; ook die bleken vol te zitten met vervalsingen.

Met de bekentenis van Ganus kunnen we twee kanten uit. Volgens Peter Van Eenoo van het Docolab in Gent is de kans erg groot dat Rusada het licht heeft gezien. “Het nieuwe Rusada laat vaak stalen bij ons analyseren, zoals in andere Europese labs, en de samenwerking is erg transparant. Anderzijds hou ik altijd een slag om de arm.”

Wat als Ganus mee in het Russische complot zit? Die these is op zijn minst even plausibel als dat hij de zoveelste gedegouteerde is in het Rusada. De kans dat de Russen zich weer hebben vergist in het aanstellen van een nieuwe baas in de dopingbestrijding lijkt klein, maar afgezien daarvan hebben ze in alle andere aspecten van de zaak onwaarschijnlijk geblunderd. Het geknoei met de databases is ofwel amateurisme van een kinderlijke naïviteit of ze rekenen op de twijfel die bij enkele sportprominenten zal ontstaan.

Het Russische antwoord is vrij simpel en zaait verwarring: “Ho maar, de database die wij hebben overhandigd is correct; de database die jullie hebben is vervalst door jullie klokkenluider(s).” Die bewering hebben de onderzoekers van het WADA inmiddels kunnen counteren. Uit de achterliggende cyberdata is makkelijk te achterhalen wanneer en hoe de data zijn aangepast en op dat moment waren de drie naar de VS gevluchte Russen niet meer in Moskou.

Deur op een kier

Maandag zal het WADA een beslissing adviseren aan de internationale sportbonden, het Internationaal Olympisch Comité (IOC) op kop. Dat wordt ongetwijfeld ‘schorsen, die Russische handel’. De mondiale atletiekfederatie IAAF zal niet op de stappen terugkeren: het aantal Russische atleten dat volgende zomer in Tokio loopt, springt en werpt zal op twee handen te tellen zijn.

 

Hoe het IOC zal reageren, is minder voorspelbaar. Sportpaus Thomas Bach, die in 2013 mede met de zegen van Poetin opvolger werd van Jacques Rogge, wees onlangs nog op de onschuld van de cleane Russische atleet.

Bach wil wellicht de deur op een kier houden, zoals in Pyeongchang bij de Winterspelen van 2018. De hele kwestie zal draaien rond hoeveel ‘Russia’ te zien zal zijn in Tokio. Uiteindelijk liepen de Russen in Zuid-Korea rond in hun kleuren en met ‘Olympic Athlete from Russia’ op de rug. Alleen hun vlag werd niet uitgehangen en hun volkslied is ook niet gehoord toen de medailles hun kant uitkwamen.

Niet in rood-blauw-wit maar in appelblauwzeegroen en Olympic Athlete op de rug, een beetje zoals de excuusploeg met olympische vluchtelingen, dat zou een mooi compromis zijn voor Tokio.

Historie vol doping

2008

Russische atleten en roeiers worden in de aanloop naar Peking uitgesloten van de Olympische Spelen omwille van fraude met urinestalen.

2010

In de marge van de Winterspelen van Vancouver raakt bekend dat Russische biatleten en langlaufers zich massaal zouden doperen.

Inmiddels is een werknemer van het Russische antidopingagentschap Rusada (Joeri Stepanov, wiens vrouw Julia atlete is) begonnen met lekken naar het wereldantidopingagentschap WADA van info over systematische doping.

2011

De directeur van het Rusada, Grigori Rodtsjenkov, en zijn zus worden door de Russen beschuldigd van fraude bij dopingcontroles
en afpersing van atleten met dopingproblemen. Rodtsjenkov probeert zelfmoord te plegen, belandt in het ziekenhuis maar gaat na genezing vrijuit en wordt weer directeur van het Rusada. “Met de verplichting mee te werken aan het dopingprogramma”, zegt hij zelf.

2012

In december mailt Daria Pisjalnikova (zilver op de Spelen van Londen in het discuswerpen) het WADA over een staatsgestuurd dopingprogramma. Later wordt ze zelf met terugwerkende kracht betrapt en verliest haar medaille.

2014

Op de Winterspelen in het eigen Sotsji wint Rusland 33 medailles, het hoogste aantal ooit, maar later zullen dertien medailles worden afgenomen na bewezen fraude met door de geheime diensten verwisselde stalen. Na een beroep bij het Arbitragetribunaal voor de Sport (TAS) in Lausanne verliest Rusland er uiteindelijk slechts vier.

In december komt het Duitse ARD met een eerste documentaire over het Russische staatsgestuurd dopingprogramma. De Russen ontkennen en zijn dat blijven doen.

2015

Die zomer arriveren twee Russen met vakantie in de Verenigde Staten. Tim Sobolevski en zijn partner Oleg Michagev zijn werknemers van Rusada en zijn de homofobie in hun thuisland en de dopingpraktijken moe. Ze vragen asiel aan. Sobolevski werkt vandaag op het dopinglab in Los Angeles. Zijn vriend was de IT’er van Rusada en heeft kopieën mee van het LIMS, het Lab Information Management System waar alle data van alle atleten en analyses op staan.

In november schorst de internationale atletiekbond IAAF Rusland voor onbepaalde tijd.

Op 10 november neemt Rusada-directeur Rodtsjenkov ontslag. Hij slaagt erin diezelfde week met dank aan zijn permanent internationaal congresvisum te vluchten naar de VS, waar hij sindsdien als klokkenluider in bescherming is genomen en een andere identiteit kreeg.

2016

In februari overlijden twee medewerkers van het Rusada, Vjatsjeslav Sinev en Nikita Kamaev, overwacht. Hun dood veroorzaakt paniek in Rusland en daarbuiten.

Half juli komt het eerste deel van het McLaren-rapport naar buiten. Zonder harde bewijzen, waardoor het Internationaal Olympisch Comité (IOC) Rusland niet kan/mag schorsen. De IAAF laat slechts twee zuivere Russische atleten toe. In december verschijnt deel twee en daaruit blijkt dat tussen 2011 en 2015 minstens duizend Russische gedopeerde sporters vrijuit gingen. De hele Sotsji- machinatie met verwisselde stalen wordt ook uit de doeken gedaan.

2017

Het jaar gaat op aan onderzoeken en verwijten heen en weer tussen Rusland, het WADA en het Westen. Op 5 december schorst het IOC het Russisch Olympisch Comité voor de Winterspelen van 2018, maar laat cleane Russen toe onder de olympische vlag en de omschrijving Olympic Athlete from Russia (OAR).

2018

Hoewel twee cleane Russen worden betrapt op de Winterspelen, laat het IOC Rusland opnieuw toe in de olympische familie. Ondertussen gaat de hertesting van oude stalen van 2008 en 2012 onverminderd door en maken de Russen een kwart uit van de retroactief geschorsten.

In september besluit ook het WADA de schorsing van Rusland op te heffen, met als voorwaarde dat de database van het Rusada voor eind dat jaar in hun bezit is. Het IAAF houdt de ban in stand.

2019

De gevraagde documenten worden overhandigd, maar na de deadline. Uit analyse blijkt dat die massaal zijn vervalst. Maandag beslist het WADA, met nieuwe voorzitter Witold Banka, meer dan waarschijnlijk om het Rusada en Rusland op non-actief te zetten.

 

 

 

20191207_De-Morgen_p-18-19-mail

Column Tijdritdilemma in De Morgen van zaterdag 7 dec 2019

Het tijdritdilemma

Het blijft een van de grote mysteries van de Belgisch topsport: ondanks een bijna totale desinteresse de laatste drie decennia is tijdrijden ineens een Belgisch specialisme geworden. Ineens was daar Yves Lampaert, daarna kwam Victor Campenaerts. Nog iets later probeerde Remco Evenepoel hoe het voelde om een uurtje plat te liggen en dat voelde goed. Campenaerts verbeterde in april in Mexico het werelduurrecord, Evenepoel won zilver op het WK in Harrogate. Tussen Mexico en Harrogate won Wout van Aert de tijdrit in de Dauphiné en aansluitend werd hij ook Belgisch kampioen, waarbij hij Lampaert, Evenepoel en Campenaerts klopte.

Resultaat van dat wonderbaarlijke 2019: niet alleen heeft België twee quotaplaatsen voor de olympische tijdrit en vijf kandidaten, maar in tegenstelling tot vorige Olympische Spelen toen het smeken was om een wegwielrenner te vinden die ook de tijdrit wilde rijden, hebben ze nu alle vijf goesting. Het grootste verschil: ze kunnen alle vijf prijs rijden. De vijfde is overigens Thomas De Gendt, die zichzelf een hele tijdrijder vindt en hij heeft nog gelijk ook.

Eén wielrenner is al zeker van zijn nominatieve quotaplaats en dat is Remco Evenepoel, die op het wereld- kampioenschap alleen in Rohan Dennis zijn meerdere moest erkennen. Normaal had Victor Campenaerts zich ook geplaatst voor Tokio 2020. Daarvoor moest hij gewoon bij de eerste acht eindigen op het WK, maar dat lukte niet. Campenaerts kwam ten val en werd elfde. Was hij op zijn fiets blijven zitten, dan hield deze column hier op.

Het was die woensdag in de mixed zone in Harrogate meteen duidelijk dat dit een heel vervelend scenario was, want wie moest nu de tweede tijdrijder op het WK worden? Een superspecialist of toch maar een wegrenner die later in de week ook goed uit de voeten zou kunnen op het erg selectieve parcours? Dat vraagstuk is vandaag nog steeds hangende en voorlopig is er geen oplossing en dus ook geen tweede naam.

Aldus tekent zich een dilemma af voor de wielerbond: kan die het zich veroorloven om werelduurrecordhouder Victor Campenaerts thuis te houden? En zo ja, ten voordele van wie? In een normaal sportland en in een andere sport zou men kiezen voor de combinatie beste atleet/beste voorbereiding, dus Campenaerts. Alleen zijn wij geen normaal sportland en is wielrennen een beetje een aparte sport waarin andere dan sportieve belangen spelen en de logica van de topsport soms ver zoek is.

De wielerbond moet zijn prioriteiten bepalen. Wat is belangrijker: één, misschien twee medailles halen in het tijdrijden? Of voluit gaan voor Remco Evenepoel in de wegrit? Een combinatie van beide nummers met Evenepoel twee keer als speerpunt? Voor wie niet mee is met de hele toestand van quota- en andere plaatsen: België heeft zeven plaatsen (twee voor de tijdrit en vijf voor de wegrit) maar eigenlijk zijn dat er vijf want dat is het maximaal aantal wegrenners dat een land naar de Spelen mag afvaardigen. Twee tijdrijders moeten ook de wegrit rijden of omgekeerd.

Zoals de kaarten nu liggen, gaat het voor de tweede startplaats in de tijdrit tussen Campenaerts en Van Aert. De eerste heeft bewezen dat hij kan pieken als hij 100 procent naar een evenement toeleeft. De tweede heeft bewezen dat hij een hele grote motor heeft, als hij tenminste snel weer zijn oude niveau haalt.

Van de week stonden ze samen in de krant. Ook dat is wielrennen: keiharde concurrenten en toch beschaafd samen een interview geven. Campenaerts wil die tweede plek, Van Aert ook. Campenaerts had die plaats kunnen eisen op basis van zijn status maar deed dat niet. Van Aert excuseerde zich dan weer bijna voor zijn olympische droom. Was een van beiden nog in dienst bij een ploeg gesponsord door de Nationale Loterij, dan had de wielerbond de knoop al lang doorgehakt, maar zowel Van Aert (het Nederlandse Jumbo-Visma) als Campenaerts (het Japanse NTT, vroeger Team Dimension Data) rijdt in het buitenland.

De logica bestaat erin dat Campenaerts voorlopig het tweede olympisch ticket krijgt, zich volle bak mag voorbereiden op de Olympische Spelen (dat wil zijn ploeg ook) en op een vastgesteld tijdstip vormbehoud toont. Geen enkele andere renner zal zo minutieus kunnen en willen focussen voor dat ene uur olympisch zo hard mogelijk rijden als Campenaerts. Haalt hij tegen juni geen niveau, dan wordt het plan B. Of dat Van Aert moet zijn, zal nog moeten blijken. De Gendt idem.

Toch even deze slotbemerking: renners die zichzelf de nek afrijden in de Tour en de Spelen snel-snel meepakken, die tijd hebben we hopelijk achter ons. Olympische Spelen zijn belangrijker dan een rit in Tour.

 

20191207_De-Morgen_p-19-mail

Column Toernooiploeg van maandag 2 dec 2019

Toernooiploeg

Eén keer ging Peter Vandenbempt zaterdag in de fout bij het becommentariëren van de meest vreemde loting in de geschiedenis. Nou ja fout, het was meer een korte aarzeling in de volgorde van de wedstrijden van de Belgen op het aanstaande Europees kampioenschap voetbal.

Soms leek het erop dat Peter nog voor Gullit, Casillas en alle andere sterren hun balletje hadden open gekregen – vooral Gullit had wat last – wist wat er uit het balletje zou komen, in welke groep het desbetreffende land moest worden ingedeeld en wanneer dat land ook nog eens tegen de andere landen uit de groep moest voetballen. Hij had duidelijk gestudeerd op de lotingsprocedure.

Ik heb inmiddels begrepen: een hele week lang. Geen mens behalve de secretaris-generaal ad interim van de UEFA die wellicht beter wist hoe die loting moest gaan, zou gaan en uiteindelijk ook ging, behalve Peter Vandenbempt (en ongetwijfeld met hem nog enkele andere commentatoren, maar die heb ik niet gehoord). Van de week kwam het nieuws dat de helft van de Vlamingen geen werkbaar werk heeft. Een loting uitvlooien die geen loting is, moet hoog staan in de lijst met onwerkbaar werk.

Wij wisten al dat er niet in Brussel zou worden gevoetbald en dat zout zullen we tot en met 12 juli nog honderden keren met veel plezier in de wonde strooien. Wij wisten ook al dat de Rode Duivels in Sint-Petersburg tegen de Russen moesten, in Kopenhagen tegen de Denen, maar wat we nog niet wisten: wat is het derde land tegen wie ook in Sint-Petersburg wordt gevoetbald? Dat kon – ik snap het nog steeds niet – alleen maar Wales of Finland zijn.

Het werd Finland. Behalve dat het niét Wales werd, gaf dat geen aanleiding tot vreugdeuitingen. Meteen werd gewezen op het feit dat we nooit winnen van Finland, dat Finland ook nog eens niet ver van Sint-Petersburg ligt en dat de Finnen wellicht massaal de oversteek zullen maken voor de wedstrijd tegen de Belgen. Een beetje zoals de IJslanders op het EK van 2016.

Dat is misschien iets te simpel geredeneerd: u moet weten dat de Finnen schrik hebben van de Russen (hun kolonisator tot honderd jaar geleden) en met de grote beer-buur eigenlijk het liefst helemaal niets te maken hebben. Het grensgebied – water, heide, bossen en veel muggen – is een soort niemandsland met aan beide zijden van de grens te veel militaire activiteit.

Wales, dat was pas een drama geweest. Die zijn amper met een goede drie miljoen waaronder drie voetballers die naam waardig, maar ze klopten België wel in de kwartfinale op die memorabele avond in Villeneuve d’Asq op 70 kilometer van mijn huis-tuin-terras waardoor ik anderhalf uur na de wedstrijd met een gin tonic naar de sterren in mijn tuin zat te kijken.

Wales was een toernooiploeg, onverzettelijk tegen elke tegenstander, en zo hebben de Rode Duivels hun tegenstanders niet graag. Intrinsiek behoren de Belgen tot de beste landen van Europa, samen met – dat vergeten we soms – Spanje, Frankrijk, Duitsland, Italië en Engeland. Wellicht is dit het sterkst bezette Europees Kampioenschap voetbal ooit. Het zal er op aan komen om deze goedweer- ploeg op het juiste moment, in de juiste vorm en vooral met de ingesteldheid van een toernooiploeg in het veld te krijgen.

Niet vergeten dat België in Rusland op het WK door het oog van de dunst mogelijke naald is gekropen, vooral dan tegen Japan. Iedereen heeft de mond vol van die fenomenale countergoal, excuus omschakelingsdoelpunt, Courtois-De Bruyne-Meunier-Lukaku- Chadli. Terecht, maar als Kawashima geen vliegenvanger maar een echte doelman was geweest, valt die kopbal van Jan Vertonghen nooit binnen en is België na de achtste finale naar huis.

Het geluk viel toen letterlijk uit de lucht. In normale toernooien moet je geluk afdwingen en dat vergt een heel andere ingesteldheid dan in een competitie. Laat alle nationale ploegen met een uit- en een thuiswedstrijd tegen elkaar spelen, geen twijfel mogelijk: België wint of eindigt heel hoog. Een eindtoernooi met rechtstreekse uitschakeling is een totaal ander verhaal: meer een mindgame dan tactiek, techniek of wat dan ook.

De Rode Duivels hebben vooralsnog niet de onverzettelijkheid van een toernooiploeg die slim en berekend maar te allen prijze voor
de winst gaat. Die in elke wedstrijd twee spelers ziet opstaan die dingen doen waarvan niemand vermoedde dat ze dat in zich hadden. Rusland met 7-1 geklopt in de kwalificaties? Wil niets zeggen. Denemarken zonder veel talent? Telt niet. Eerste op de FIFA-ranking? Wil niets zeggen. Straks op 13 juni in Sint-Petersburg tegen Rusland beginnen we zoals alle andere landen op nul. Het talent is er. Aan de bondscoach om hen onverzettelijkheid aan te praten.

 

20191202_De-Morgen_p-19-2-mail

Column Hillsborough in De Morgen van zaterdag 30 november 2019

Hillsborough

Ik ben drie keer moeten verschijnen voor de Raad voor de Journalistiek. Die bestaat nog niet zo lang als ik al bezig ben, dus het kan daaraan liggen dat het bij drie is gebleven.

De eerste keer omdat ik in een overduidelijke zaak van mensenhandel met Nigeriaanse voetballers door Roeselare een rechter uit Kortrijk, die de feiten niet bewezen achtte, een oen had genoemd. Die kon dat niet verdragen en stapte naar de Raad voor de Journalistiek. Hij kreeg geen gelijk, natuurlijk niet, maar ik was wel een halve dag kwijt.

De tweede keer was in 2014 toen ik in een persiflage voorafgaand aan het WK had gelachen met de Afrikaanse voetballanden omdat die altijd roepen voor een worldcup dat ze gaan winnen, maar er niets van terecht brengen. Dat is toe te wijzen aan veel oorzaken, waarvan er geen te maken hebben met het feit van donker te zijn, wel met een gebrek aan prestatiecultuur. Het stond daar een beetje anders, scherper, maar goed: meer nurture dan nature.

Een donkere halve Braziliaanse Belg die muziek speelt – uitgestuurd door KifKif – voelde zich aangesproken. Hij pleitte betrokken partij te zijn (anders mag je geen klacht indienen) en vond het nodig mij van racisme te betichten. Ik heb mijn zegje gedaan, en passant even de vooringenomen Afrikaanse juriste van Unia op haar plaats moeten zetten omdat ze onzin verkondigde en heb de zaak gewonnen. Weer een halve dag kwijt. Bon, wat ik aan zaak twee overhield, was een aversie voor KifKif, Unia en de Raad voor de Journalistiek.

Toen moest zaak drie nog komen en daarvoor moet ik eerst even terug naar 15 april 1989, toen ik van onze hoofdredacteur Paul Goossens de opdracht kreeg om naar Sheffield te reizen en daar verslag uit te brengen van een stadionramp. Wat ik deed en ik arriveerde op zondag, een dag na de ramp, in de sporthal naast Hillsborough Stadium waar alle lijken lagen. Ik liep daar tussen de bodybags samen met Margaret Thatcher, toen de premier van het Verenigd Koninkrijk.

Ik ben uiteindelijk naar Liverpool gereden en ben daar een week gebleven. Uit de getuigenissen van de Liverpool-fans die ik de dagen daarna sprak, was het duidelijk dat dit een drama was in de ergste zin van het woord. Omdat een heel stel fans – een aantal dronken en zonder ticket zoals toen de gewoonte was – bang was de wedstrijd te missen en begon te duwen tegen de ordediensten, de suppoosten en de hekkens, werden die door de politie opengezet. De fans zijn vervolgens allemaal het vak aan Leppings Lane binnengestormd, maar dat vak zat al vol. Uit de getuigenissen bleek dat de Liverpool-fans eigenlijk hun collega’s hadden verpletterd.

In 2016 verscheen ineens het bericht bij ons dat de dienstdoende commissaris uit die tijd, ene David Duckenfield, en bij uitbreiding het hele politiekorps verantwoordelijk was voor de dood van de 96 Liverpool-fans. Geen woord over de schuld van supporters die absoluut een vak in wilden dat al overvol was. Dat vond ik vreemd en ik schreef er een column over.

Waarop een Belg die af en toe naar Liverpool gaat kijken – heerlijke ploeg, heerlijke sfeer, dus hij heeft groot gelijk – klacht indiende tegen mij bij de Raad voor de Journalistiek.

Mijn inschatting was dat ze die zouden klasseren wegens niet ter zake doende. Maar neen, ik werd gesommeerd te verschijnen. Dat heb ik aan mijn laars gelapt met de melding dat ik zelden met lezers in discussie ga en al helemaal niet met voetbalsupporters. Iemand van onze bazen is in mijn plaats gegaan, waarvoor dank, heeft hetzelfde riedeltje als altijd afgehaspeld: een column is een mening
en iedereen is vrij een mening te hebben zolang die niet blablabla… Raad eens? Ik heb ook die zaak gewonnen. Gevolg: er mag gebeuren wat er wil, maar ik ga nooit meer naar de Raad voor de Journalistiek.

Daarna kreeg ik nog telefoon van de plaatselijke krant Liverpool Echo die mij net niet vilde voor zoveel onbegrip. Ik herhaalde mijn stelling: beschaafde mensen gaan niet ergens naar binnen waar geen plaats meer is en beginnen vooral niet te duwen met honderden tegelijk. “Zijn onze voetbalsupporters dan niet beschaafd?”, vroeg de journaliste. Ik zei: “Meestal niet en die van jullie zelden, remember The Heysel 1985.” Toen kreeg ze een beroerte.

Van de week is politiecommissaris David Duckenfield vrijgesproken. Justice is done. Het is te hopen dat Liverpool dertig jaar na de laatste titel de Premier League wint, dat zou ook gerechtigheid zijn. En misschien de wonden wat helen.

 

 

20191130_De-Morgen_p-19-mail