Column Fully vaccinated in De Morgen van 31 mei 2021

Fully vaccinated

Een van de vele nadelen van dit vak is dat mensen rondom jou denken dat je overal een antwoord op hebt. Een afgeleid nadeel of een nevenschade daarvan is dat je dat ook op den duur gaat geloven. Ik mag mijn neus niet buiten het venster steken of daar zijn de vragen. Steekt omgekeerd iemand een neus door mijn venster, idem.

Zoals over de Giro: goh, die Remco Evenepoel met zijn dikke nek, wat denk je daarvan, staat die weer eventjes met beide voeten op de grond zeg?

Mijn antwoord: “Jaja, maar zo dik is die nek van hem ook niet en toevallig heeft hij wel heel veel talent, maar we hebben ons allemaal een beetje verkeken – hij en zijn ploeg niet het minst – op zo’n eerste grote ronde. Het komt wel goed met hem. Ooit wint hij die Giro.”

Of over de Champions League-finale: wat denk je, Chelsea of Manchester City?

Mijn antwoord (hier moet ik opletten want eigenlijk wil ik antwoorden dat het mij geen zak interesseert): “Ja, het zou mooi zijn voor onze Kevin om de beker met de grote oren te winnen. Meestal supporter ik voor de minst onsympathieke ploeg, maar kiezen tussen een vertrouweling van Poetin en een oliesjeik, dat is kiezen tussen de pest en de cholera. Doe dan toch maar City, maar het zal erop aankomen wie de meeste jus in de benen heeft en de slag om het middenveld wint.” Dat soort antwoorden is ook herbruikbaar in hoofde van je gesprekspartner die daarna bij zijn vrienden de slimme kan uithangen.

Euro 2021 is ook populair in de vragenronde: en, wat denk je, gaan we dat winnen? Ik dacht het niet, toch?

Mijn antwoord (ook hier is het een beetje op eieren lopen): “Deze generatie loopt op haar laatste benen en het zou mooi zijn, maar de traditie is dat soort ploegen niet gunstig gezind. Er zijn wel veel vraagtekens, maar als ze er een paar België-Braziliës uitpuren zoals destijds in Kazan zie ik het wel gebeuren.” Waarna je dan moet uitleggen dat op de World Cup van 2018 die wedstrijd tegen alle logica en statistieken in werd gewonnen – alleen inzake overtredingen wonnen de Belgen het pleit – en dat eigenlijk ook die achtste finale tegen Japan met een gelukje werd gewonnen.

Maar de helft van de vragen gaat over de Olympische Spelen. De vraag die steeds terugkomt: en, wat denk je, zal het doorgaan?

Mijn antwoord: “Ja.” Maar daar zeg ik meteen bij dat ik dat ook vorig jaar dacht. Ik was nog maar net op het Internationaal Olympisch Comité in audiëntie ontvangen en dacht dat ik een klare kijk op de zaak had. Niet dus.

Nu denk ik dat het wel doorgaat, tenzij er ineens een superdodelijke Okinawa-variant opduikt waarop mijn Pfizer-vaccin – 31 mei en 5 juli zegt het e-ticket aan mijn magnetische bord – geen antwoord heeft. Dan denk ik dat ze afgelasten. En als zij niet afgelasten, gelast ik mijzelf af.

Wat u moet weten over Covid-19 en Japan is dat ze een atypisch verloop hebben gekend van de pandemie. Ze hadden het al heel snel te pakken, maar panisch als ze daar zijn voor virussen groot en klein hielden ze het behoorlijk onder controle. Tot rond de jaarwisseling en toen hadden ze een week lang gemiddeld 6.374 gevallen per dag. Is dat veel? Welnu, de Japanners zijn met 126 miljoen. Ons record voor 11 miljoen was rond 27 maart: 5.446 nieuwe gevallen. Op hun top hadden ze er dus tien keer minder dan wij.

Wat u moet weten over berichtgeving rond Olympische Spelen is dat in de aanloop altijd weer rampberichten opduiken. Nu is ook een krant – die tegen de regering is, dat moet er toch even bij – op de kar van de afgelasters gesprongen en dat wordt dan gebracht als groot nieuws. Enkele dagen eerder, toen nog meer gevallen werden gemeld, zat wel al publiek bij voetbalwedstrijden en toen Thomas Vermaelen scoorde vielen ze – mondmaskers onder de kin – in elkaars armen. Als dat kan, zullen hyperbeveiligde Spelen met dagelijkse testen ook wel kunnen.

Waar zeuren ze dan over in Japan, waar het de laatste twee weken steil bergaf gaat met de cijfers en ze nog op twee derde van de piek van hun tweede golf zitten? Welja, dat is dus een van de vragen waar we hier mee zitten. Wat we als buitenlanders wel kunnen verwachten is xenofobie in de letterlijke betekenis, maar wie al eens in Japan was weet wat dat betekent.

Angstige mensen die met een wijde boog om niet-Japanners heen lopen, geen oogcontact, nooit een antwoord geven op een vraag. Openbaar vervoer en andere openbare plaatsen zouden veertien dagen no-gozones worden. Ze doen maar. Ik weet uit ervaring dat je met een beetje westerse assertiviteit en flair wel een eind komt. Ik denk ook aan bedrukte T-shirts met daarop ‘Fully vaccinated by Pfizer’. Vooraan in het Japans en op de rug in het Engels.

Column Remcooooch (bis en slot) in De Morgen van dinsdag 25 mei 2021

Remcooooch (bis en slot)

(Verschenen na weekend van de Zoncolan, vóór de val over de vangrail. Er komt geen derde over Evenepoel, tijd na de opgave voor wat rust en afstand.)

Dit hoorde ik op Eurosport: “En Remco Evenepoel, voor wat het waard is en voor wie het wil weten thuis, die volgt op twee kilometer van Egan Bernal, dus op zo’n vijf minuten.” In de eerste weken van de Ronde van Italië – sprint, klimmen, door berg en dal of zelfs op de rustdag – gaat het in elke zin over jou, om dan in de laatste week nog alleen terloops vernoemd te worden. Vooral dat bijzinnetje ‘voor wat het waard is’… redelijk dodelijk.

Dat Eurosport overigens wordt in Vlaanderen niet gesmaakt. Twee punten van kritiek steken er bovenuit: hoewel een West-Vlaamse commentator, toch te Hollands – Noord-Nederlands wordt bedoeld – in de omkadering. Dat laatste klopt, vooral dat ‘Kop over Kop’ na afloop van de etappe. Met alle respect, maar dat kan beter, interessanter. De drie van de nababbel zijn onveranderlijk Nederlanders, maar dat komt dan weer omdat Discovery Channel – het hoofdhuis van Eurosport – in Amsterdam (hoofdzetel) en Hilversum (redactie) zit en het management van Discovery Benelux onveranderlijk uit Nederlanders bestaat. Dat ze overigens in Nederland zitten, heeft minder te maken met de Nederlanders dan wel met Nederland als belastingparadijs, maar dat horen ze niet graag bij Eurosport/ Discovery en ook niet in Nederland.

Tweede punt van kritiek: de vele onderbrekingen. Soms is dat reclame, maar evenzeer kunnen dat fragmenten zijn van grote sportmomenten waar Eurosport bij was. Hebben we al tig keer zien passeren: Froome op de Ventoux (lopend, zonder fiets), de kussende Nadal (had een ballenmeisje ongewild een bal in het gezicht gemept), een winnende en huilende Federer (overkomt hem wel meer), de déconfiture van Roglic en triomf van Pogacar (maar minder dan die andere fragmenten, want nogal pijnlijk voor het Nederlandse Jumbo-Visma).

In Vlaanderen zijn wij natuurlijk verwend met onze staatszender die ritten van begin tot einde uitzendt, zonder één minuut onderbreking. Komt daar nog eens bij dat de combinatie Eurosport/Italiaanse regie en productie dodelijk is, helemaal toen de Italianen de laatste vijftien kilometer er niet in slaagden één wedstrijdbeeld in de huiskamers te krijgen. Alsof het voor het eerst slecht weer was in de Dolomieten.

Wat die onderbrekingen betreft moet ik de criticasters ongelijk geven: als wielrennen ooit een financieel gezonde sport wil zijn/worden, zal het toch onder meer komen van een verdienmodel gebaseerd op televisierechten en gespijsd met reclameblokken. Het is niet anders, dit is hoe sport functioneert. Bovendien, wen er maar al aan: de VRT heeft beperkte uitzendrechten van de Olympische Spelen (gekocht bij Discovery) en straks is het met Tokio weer van dat.

Tja Remco. Een groot kenner van het wielrennen sms’te vorige week “wat had je gedacht, die jongen heeft nog nooit een bergrit gereden”. Klopt als een bus, de verwachtingen waren niet realistisch, niet van de media, niet van het team (die hoopten op een paar nummertjes) en niet van Evenepoel zelf die zichzelf ook wel zag schitteren en misschien hoopte op meer.

De Giro is al geen gewone rittenkoers met al die hoogtemeters, maar daar bovenop nog eens dat vreselijke weer. In de hitte rijden door Frankrijk kan behoorlijk slopend zijn – en je slaapt minder goed – maar aanhoudend door de kou en de regen moeten fietsen, woont een mens helemaal uit.

Wat nu met die derde week? Het is niet duidelijk waarom Evenepoel gisteren moest lossen: was het van niet kunnen of niet willen? Is het op, of tankt hij bij, in het vooruitzicht van een nummertje in de laatste week of die tijdrit op zaterdag. Wat het ook wordt, naar huis of blijven, nog wat winnen of niks meer winnen, deze Giro zal Remco Evenepoel bijblijven. Voor het eerst in zijn leven heeft hij in een koers gereden en had hij niet het gevoel dat hij de beste was. Voor het eerst in zijn leven heeft iemand – en meer dan één – hem bergop gelost. Hij heeft de voorbije twee weken leergeld betaald en dat zal hem uiteindelijk goed uitkomen. Aan zijn talent moet na deze Giro nog altijd niet worden getwijfeld. Ooit wint deze jongen een grote ronde.

En moeten we nog iets zeggen over Egan Bernal? Ja toch. Won op zijn 22ste meteen de Ronde van Frankrijk en prikt daar nu even een Girootje achteraan. En hoe. Het beeld van deze Giro is toch Bernal die op de Passo di Giau wegrijdt van de rest, helemaal alleen afdaalt (waar we niets van zagen), vervolgens Cortina binnenrijdt in de regen (ook niet te zien) en als hij weer in beeld komt, op die spekgladde kleine kasseitjes nog even zijn regenjasje uitspeelt, netjes achteraan wegstopt, om dan in triomf in het roze over de eindstreep komen. Grande Bernal. Zonder meer.

Column Remcoooch van zaterdag 22 mei 2021 in De Morgen

Remcooooooch

(Let wel, verschenen op de zaterdag van de Zoncolan, na de etappe over de Strade Bianche)

Ik heb al een keertje Remcoooooo gebruikt. En ook al een keer Remcooooooh. Nu is het Remcooooooch. Dat is een samentrekking van Remco en och, zoals in ‘ocharme manneke toch’. Ja, wij hebben lezers aan wie we echt alles moeten uitleggen als het over sport gaat. Ik heb het ooit anders geweten, maar afgelopen week is mij nog eens vanuit de controletoren op het hart gedrukt dat tijden veranderen. Schrijvend vanuit mijn home office, met zicht op een tuin waarin wel drie cateraars hun ding kunnen doen, heb ik van die veranderingen niet veel mee gekregen. Ik prijs mij zo gelukkig.

Allee dan. Voor wie onder een steen zat, de voorbije weken was wielerminnend Vlaanderen in de ban van een jongeman uit de buurt van Brussel die naar de Ronde van Italië was afgereisd vol verwachtingen en ambitie. Het is te zeggen, hij zei dat er geen verwachtingen en ambities waren, behalve zich amuseren. Na veertig jaar in dit vak weet ik als geen ander: als getalenteerde sporters dát zeggen, bedoelen ze vaak het omgekeerde maar de huispsycholoog heeft hen op het hart gedrukt om de ambitie niet te veruitwendigen.

Dat amuseren, dat leek te gaan lukken, behalve die eerste keer bergop in de regen, dat was wat minder. Ik heb zowat alle ritten gezien en er was dat ene ritje waar ergens niks te verdienen viel voor de klassementsrenners, maar waar de nummer één van het klassement toch een gooi deed naar drie bonificatieseconden onderweg. De nummer twee – toen nog wel – liet dat niet gebeuren en ging nog over de nummer één, waarna een attente ploegmaat van de nummer één over de nummer twee ging en die drie seconden afsnoepte.

De nummer één heette Egan Bernal. De nummer twee, die zo graag die drie seconden had gepakt, was Remco Evenepoel. Het was een anekdote, een detail, niet het vermelden waard, maar toch was het een voorbode van wat zou komen, een signaal: don’t mess with us. Het was om te spelen, maar ik had dat toch niet gedaan als ik Remco was. Om het in zijn taal van vroeger te zeggen: als je weet dat je in het middenveld aan elkaar gewaagd bent, probeer dan niet iemand te jennen door hem te poorten.

Als je dat in het voetbal doet, word je onder het gras gestopt. In het wielrennen, in deze Giro, beland je bij gebrek aan gras onder het gravel. Dat is wat Remco Evenepoel is overkomen afgelopen woensdag in de rit naar Montalcino, dat ik dan weer ken van de Brunello, maar wat deze generatie renners natuurlijk niks zegt. De vorige generatie wel, nogmaals het bewijs dat die tijden beter niet te hard veranderen.

Dus, samenvattend: in die rit naar Montalcino verloor Evenepoel dik twee minuten op Bernal. Zijn supportersclub, sommigen in het bezit van een persaccreditatie, maakte er geen drama van, maar wijdde er wel zes pagina’s aan, volgestouwd met theorieën over hoe en waarom het fout ging en waarom misschien nog niet alles verloren was.

Even tussendoor, en ik kan mij vergissen, maar toen ik afgelopen woensdag de laatste twintig kilometer opnieuw bekeek op Eurosport meende ik bij de cocommentator Karsten Kroon een toontje van ‘zie je wel, jongen, eet nog maar wat boterhammen’ te bespeuren. Nogmaals, ik kan mij vergissen, maar ik denk het niet. Dat ligt in de lijn van de verbazing waarmee onze noorderburen kijken naar hoe idolaat onze media omgaan met een jonge renner, even beloftevol als er haken en ogen aan zitten.

Weeral in voetbaltaal: mathematisch is nog alles mogelijk. Die Evenepoel is geen gewone soldaat en vandaag bijvoorbeeld vindt hij een kolfje naar zijn hand met de steile Monte Zoncolan, het beest van Friuli.

Er zijn zoals gezegd meerdere theorieën waarom Evenepoel op de witte grindstroken van Toscane niet kon volgen. Het lijkt erop dat er maar één hoofdreden is waarom Evenepoel woensdag niet kon volgen en dat is dezelfde reden waarom hij vorig jaar in augustus in dat ravijn is gedoken: hij kan niet sturen zoals de rest van het peloton en al helemaal niet zoals Nibali bergaf en Bernal op grind.

Werk aan de winkel voor de huispsycholoog. Ik stel voor om hem beelden te laten zien van Chris Froome, te beginnen met de tijdrijder Froome die op het WK in Salzburg in 2006 dertig meter na het startpodium in zijn eerste bocht op een steward knalde en zijn eerste afdalingen reed als een postbode. Gaandeweg beterde dat en Froome zou zeven grote rondes winnen.

Moraal van het verhaal: je bent nooit te oud om te leren. Maandag in de koninginnenrit met 5.700 hoogtemeters, eindigend met de pijlsnelle en af en toe verraderlijke afdaling van de Giau, zullen we zien hoe het met Remco’s daalcapaciteiten is gesteld.

Portret Elise Mertens in De Morgen van zaterdag 15 mei 2021

Elise Mertens

Ze komt niet in de buurt van het atletisch vermogen van de jonge Kim Clijsters of het talent van Justine Henin, maar Elise Mertens – nummer één in het dubbel – is geduldig. En ze weet wat ze wil: de echte top tien halen.

Neen, het was niet te best, afgelopen week in Rome. Als veertiende in de ranking verloor Elise Mertens van nummer 28 Veronika Koedermetova. Kan gebeuren, alleen was daar weer die vervelende hamstringblessure die haar een week eerder in Madrid ook al parten had gespeeld in haar kwartfinale tegen Aryna Sabalenka. Ze had toen een ronde eerder grandslamwinnares Simona Halep geklopt, naar eigen zeggen haar mooiste zege ooit.

Twee weken geleden had ze diezelfde Koedermetova nog met 6-4 en 6-1 genadeloos wandelen gestuurd in de halve finale in Istanbul. In Rome kon ze niet vol afzetten en sloeg ze maar liefst negen dubbele fouten. “Mijn lichaam heeft rust nodig”, concludeerde ze
niet onterecht, om er daarna aan toe te voegen dat ze in Rome wel eerst nog het dubbel zou spelen met haar nieuwe Taiwanese dubbelpartner Su-Wei Hsieh. “Dat is niet zo belastend en we moeten aan elkaar wennen.” De kenners zuchtten en schudden het hoofd. Twee dagen later lagen Mertens-Hsieh na hun eerste wedstrijd uit het toernooi.

Elise Mertens (25) timmert onverstoord aan een weg die ze zelf heeft uitgezet. Tennis heet een vroeg-specialisatiesport te zijn, wat betekent dat je er vroeg bij moet zijn om alle skills in te slijpen, wat dan weer nodig zou zijn om op latere leeftijd succesvol te zijn. Elise Mertens was er vroeg bij. De eerste keer dat haar naam opduikt in een krant is op 3 september 2003 in een klassement van de Campina Tour bij de meisjes tot negen jaar: ze eindigt 34ste.

In april 2004, zeven maanden later, staat ze ineens tweede achter ene Jolien Franssen in het jeugdsterrencircuit en nog een jaar later heeft ze met Franssen van plaats gewisseld. Mertens is in de zomer van 2005 de onbetwistbare nummer één van haar leeftijd. Die zomer zal aan de overkant van de oceaan een andere Limburgse haar eerste grote triomf boeken: Kim Clijsters wint op de US Open van Mary Pierce met 6-1 en 6-3 en wordt derde van de wereld. In 2003 had ze door een overload aan wedstrijden de eerste plaats in de ranking bezet. Het was het begin van een reeks blessures die haar tot op vandaag achtervolgen.

In 2005 wordt Mertens voor het eerst voorwerp van een artikel… “Bij Lommelse TC werd afgelopen week een manche van de Delta Lloyd Talent Cup afgewerkt voor de 10-jarigen. Elise Mertens, uit Hamont maar lid bij TC Diest, heeft bij de meisjes knap de eindzege behaald. ‘Elise versloeg Sarah De Clercq in de finale met 1-4, 4-2, 4-2’, legt mama Mertens uit. ‘Elise kent een sterke periode. Ze heeft in het toernooi van Vandewiele ook alles gewonnen. De komende weken speelt ze de toernooien van het Jeugdsterrencircuit en ook de Nationale de Borman Beker staat op het programma.'”

Winst in Sharm-el-Sheikh

Zestien jaar later is haar oogst aan overwinningen indrukwekkend. Ze ligt nog wel in balans met Sabine Appelmans (ooit nr 16, zeven WTA-toernooien), Yanina Wickmayer (nr. 12, vijf WTA-titels) en Dominique Monami (nr 9, vier titels), maar zal zonder ongelukken eindigen met het derde beste palmares van het Belgisch vrouwentennis. Justine Henin en Kim Clijsters spelen met hun nummeréénstatus (respectievelijk 117 en 20 weken) en grandslamzeges (zeven voor Henin en vier voor Clijsters) voorlopig in een andere competitie.

Elise Mertens begon in 2010 op het circuit van de International Tennis Federation (ITF) te spelen. Dat zijn de mindere opstaptoernooien. Die primeur was dicht bij de deur, op De Koddaert-club in Torhout. Ze is dan amper veertien, sneuvelt in de kwalificaties en haalt de hoofdtabel niet.

In 2011 zien ze haar internationaal niet, om in 2012 weer het ITF-circuit in te duiken. In 2013 wint ze haar eerste kleine toernooi, in Sharm-el-Sheikh, waar ze drie jaar op rij zou winnen. Ze rijgt de ITF-toernooizeges aan elkaar – tien tussen 2013 en 2015 – en in dat laatste jaar probeert ze ook eens bij de grote mensen, in het circuit van de Women’s Tennis Association (WTA). Hoewel al negentien, raakte ze nooit voorbij de kwalificaties.

Bij Tennis Vlaanderen keken ze daar niet van op. Zij hadden haar al na één jaar Topsportschool wandelen gestuurd. Volgens technisch directeur Ivo Van Aken omdat ze niet de juiste motivatie had en te behoudsgezind tenniste. Van Wilrijk trok ze naar Parijs, naar de tennisacademie van Patrick Mouratoglu, de coach van Serena Williams, maar ook daar staat ze niet te boek als het grote talent.

Agressiever spelen

Pas in 2016 gaat ze anders tennissen. Ze vormt sinds dat jaar een koppel met Robbe Ceyssens, die in De Boneput – later de Kim Clijsters Academy – speelt en Vlaams indoorkampioen is geworden. Hij wordt er trainer en die ene keer dat hij inviel voor de vaste trainer van Mertens, ontstond de klik. Ceyssens besluit zijn vriendin voltijds te coachen. Voor hem is het duidelijk: ze moet agressiever tennis spelen.

Begin 2017 levert dat een eerste prijs op: ze wint het WTA-toernooi van Hobart, verder van huis kan niet. Dat jaar maakte ze de grootste sprong: van plaats 120 naar 35. In november 2018 staat ze even twaalfde en eindigt als dertiende. België maakt zich op voor een nieuwe toptienspeelster en wie weet nieuwe triomfen in het enkelspel op grote toernooien.

Kenners zuchten opnieuw als ze van zoveel enthousiasme horen. Inmiddels is Elise Mertens ook een fervente dubbelspeelster geworden. Meer zelfs: ze is een betere dubbelspeelster dan enkelspeelster en dat heeft zich vorig week nog geconcretiseerd in de eerste plaats op de dubbelranking. “Een droom die uitkomt”, zegt ze zelf. Waanzin, al die dubbeltoernooien, zeggen de experts, té belastend.

Sowieso doet Mertens (1m79, kilo’s onbekend maar zichtbaar afgetraind) haar zin, typisch voor een laatbloeier en een doordouwer. Ze bevestigt daarmee de gangbare theorie dat prematuurtjes – ze werd twee maanden te vroeg geboren als het overlevende kindje van een tweeling – vaak vechtertjes worden. Voeg daar ook nog eens aan toe dat ze niet uit het klassieke, tennis spelende betere- middenklassengezin kwam.

Vader Mertens is nu gepensioneerd, maar was toen een zelfstandig meubelmaker die vooral voor kerken werkte. Dat was geen vetpot, maar de opofferingen hebben geloond. In Humo getuigde ze drie jaar geleden dat het zonder de hulp van vader en moeder en het voorbeeld van haar zus – die ouder was en ook tenniste op dezelfde club – nooit was gelukt.

Buitengewone dingen

Na nog geen zes jaar in het circuit heeft Mertens 7 miljoen euro aan prijzengeld bij elkaar getikt. Ze won 343 wedstrijden tegenover 178 verliespartijen en won zes WTA-titels. Alleen die ene grote overwinning ontbreekt. En die toptienranking, dat wordt ook een hele klus.

Tenniscoach Marc De Hous, ooit bij Kim Clijsters, was in zijn commentaar tegen Sporza het meest uitgesproken: “Een toptienplaats voor Elise Mertens wordt niet makkelijk. Om het verschil te maken met de rest zou ze iets extra’s aan haar spel moeten toevoegen. Hard kloppen kunnen er heel veel. Ik heb wel enkele ideeën, maar dat hou ik liever voor mezelf. Toch dit: haar tennis zou meer moeten verrassen. Tegen voorspelbare patronen is het makkelijk spelen.”

Sabine Appelmans: “Een top tien voor Elise? Ik aarzel. Hebben wij het beste al gehad, of moet dat nog komen? Vaak zie ik buitengewone dingen bij Elise, op andere momenten mist ze toch wat kracht.”

De perfectioniste in Elise Mertens weet dat het goed komt, maar er in de verte loert een valkuil, als ze er al niet half is ingetuimeld: overbelasting. De WTA tweette net voor haar partij van afgelopen dinsdag een kwisje: wie van de drie – Mertens, Sabalenka of Strycova – heeft het meeste wedstrijden gespeeld sinds 2017? De helft van de reacties zat juist: Elise Mertens. De statistiek was mindblowing: Mertens heeft sinds 1 januari 2017 423 wedstrijden gespeeld. Niemand komt in haar buurt: Strycova heeft er 70 minder en Sabalenka, de nummer drie in die onzalige ranking, heeft er zelfs 100 minder.

Dat leverde Mertens geen windeieren op: ze speelde inmiddels negentien dubbelfinales, waarvan ze er dertien won. Als het haar bedoeling is om zo snel mogelijk ‘binnen’ te zijn, onder meer via het lucratieve dubbelen, dan is dat haar goed recht. Wil ze de ‘echte’ top tien halen, zal het anders moeten. Misschien toch maar eens Kim Clijsters bellen.

Column Donkerroze in De Morgen van zaterdag 15 mei 2021

Donkerroze

We zijn vandaag toe aan etappe acht in de Giro d’Italia. Het gaat van Foggia naar Guardia Sanframondi. Zuidelijker komt de Giro dit jaar niet en zo zijn we ongemerkt zelfs even onder Napels geraakt. Vanaf nu gaat het naar boven, in alle betekenissen: zowel richting het noorden als bergop. Vandaag al met een aankomst ergens boven, morgen nog zwaarder en weer aan het eind een slotklim, waarna maandag een rustigere etappe volgt en vreemd genoeg op dinsdag de eerste rustdag, daags voor de etappe over de witte landwegen van Toscane.

Volgende week zaterdag staat dan na twee ritten over berg en dal de gevreesde Monte Zoncolan op het programma. Wie dan nog niet van zijn fiets is gevallen van vermoeidheid en nog wat in de benen heeft, krijgt nog een paar interessante bergetappes met – hoe raadt u het – drie aankomsten bergop.

Aan de bazen van Deceuninck-QuickStep volgend dringend verzoek: goed bekeken van jullie om eergisteren nog niet dat roze te pakken, wacht nu maar tot de Zoncolan. Dat maakt het voor ons media wat prettiger, bouwt de spanning op, is ook goed voor de kijkcijfers van Eurosport in de namiddag en Eén in de vooravond. De orgie kan dan een week duren tot in Milaan, waarna we in België de roze polonaise dansen. Vervolgens kunnen we naadloos overgaan in de Euro-euforie rond de Rode Duivels, want die worden Europees kampioen. Daarna nemen we een breakje, met uitzondering van wat etappezeges voor Wout van Aert in de Tour, en halen we een recordaantal medailles in Tokio. Als we daar geraken tenminste.

Maar eerst de Giro naar onze hand zetten. Voor de media hier te lande is het een uitgemaakte zaak: Remco Evenepoel is de topfavoriet en Egan Bernal van Ineos Grenadiers doet het in zijn broek voor maar één renner en dat is die van ons. ‘Hij is goed. Héél goed’ blokletterde een krant gisteren na de etappe van donderdag. Een andere krant drukte op de één een foto af van Remco in korte mouwen, het hondenweer trotserend, en zette daarboven de kop ‘Een kwestie van dagen’.

In deze krant werd het een quote ‘Roze trui veroveren was vandaag niet het doel’ en De Standaard hield het ook rustiger met ‘Remco Evenpoel is héél goed’. Dat weten we al een tijdje. Zijn familie weet dat al van de eerste maand dat hij begon te woelen, zijn voetbalploegen weten dat ook, zijn eerste trainer Fred Vandervennet wist niet waar zijn limiet lag. En nu weten wij dat ook (niet).

Ik weet niet of u begrijpt wat de bedoeling is van dit stukje. Alvast niet spotten met het wonderkind uit Schepdaal, eerder de verwachtingen een beetje temperen. Deze Giro is het Inferno van Dante op twee wielen, vol verraderlijke onbekenden. Hoe heeft dat slechte weer er ingehakt? Wie van de favorieten zal nog vallen? Wie wordt ziek? (Merckx werd ziek in zijn eerste Giro in de derde week.) Wat brengt de mini-Strade Bianche?

En dan het grote mysterie, nu al opdoemend in de Belgische media: hoe doet onze Remco het boven de 2.000 meter? Als je de commentaren mag geloven lukt het tot 1.999 meter nog wel om de zuurstofhuishouding op orde te houden, maar is alles boven de 2.000 meter een aanslag op de rode bloedcellen en mitochondriën. Alsof er bij 2.000 meter een man staat met een hamer.

Zo werkt het dus niet. Je leest weleens over hoogte en minder zuurstof in de lucht. Welnu, u kunt op beide oren slapen en Remco en co. ook: overal in de troposfeer zit ongeveer evenveel zuurstof in de lucht. Die troposfeer is boven de polen maar zes kilometer dik en boven de evenaar tot wel zestien kilometer dik. Daarboven beginnen de problemen echt, maar dat is de stratosfeer en daar wordt niet gekoerst.

Is er dan niks aan de hand met de zuurstof naarmate je hoger gaat in de troposfeer? Tuurlijk wel. Die komt namelijk minder vlot binnen in de longen omdat de luchtdruk minder wordt. De luchtdruk vanop zeeniveau wordt lang niet meer gehaald op hoogte. Op 5.500 meter is die nog maar de helft en op de Everest (bijna 9.000 meter hoog) nog maar 30 procent.

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat Remco Evenepoel niet boven de 2.000 meter zou kunnen klimmen en er is nog goed nieuws. Paniek is nergens voor nodig want alleen in de koninginnenrit van maandag 24 mei naar Cortina d’Ampezzo gaan de renners over drie cols van boven de 2.000 meter. De laatste, de Giau, is de kwaadste. Die klimt naar 2.233 meter en daarna is het nog achttien kilometer bergaf naar de aankomst. Tegen dan rijdt Evenpoel in het donkerroze en zal deze natie bij elke bocht, elk viaduct, elk brugje bidden dat hij recht mag blijven.

Column Remmende voorsprong in De Morgen van maandag 10 mei 2021

Remmende voorsprong

Als Club Brugge kampioen wordt is dat een pleidooi voor de play-offs. Als Club Brugge geen kampioen wordt ook. Elke einduitslag is oké want de regels waren van bij de start duidelijk: na afloop van een competitie waarin iedereen tegen iedereen thuis en uit heeft gespeeld, gaan we met de eerste vier dat nog eens over doen. Dus 34 wedstrijden plus nog zes erachteraan en aan het eind kijken we wie eerste staat en die wordt kampioen. O ja, detail: de punten na 34 wedstrijden delen we in twee.

Club heeft nog vijf punten voorsprong op Racing Genk, waarvan het vrijdagavond een 3-0 om de oren kreeg. Volgens de voetbaljournalisten is de spanning terug. Zou kunnen. Maar ook niet. Club hoeft alleen rekening te houden met dat Racing Genk. Antwerp en Anderlecht volgen op acht punten en zijn met nog zestien punten te verdienen zo goed als uitgeschakeld. Tenzij Club natuurlijk donderdag verliest bij Antwerp.

Een avondje eerder spelen Genk en Anderlecht tegen elkaar. Dat wordt een hele interessante partij. Genk speelt erg aanvallend, maakt het veld breed en geeft ruimte weg. Anderlecht wil niet liever. Dus, voor alle blauw-zwarten die sinds vrijdag met de daver op het lijf lopen: supporter maar voor paars-wit. Het kan zomaar dat Anderlecht in Genk wint en dan staan ze bij Genk op vijf punten van Club. Het enige wat Club dan nog moet doen in Antwerpen is een gelijkspel halen en dan staan ze er zes voor op Anderlecht en Genk en acht op Antwerp. Met nog drie wedstrijden te spelen en negen punten te verdienen (en twee thuiswedstrijden) mag het niet meer fout gaan.

Wint Genk ook van Anderlecht en speelt Club gelijk, dan scheelt het nog drie punten. Verliest Club dan nog twee. Voetbal kan simpel zijn.

Neen, Club is niet meer zo dominant als het ooit was, bijvoorbeeld net na de winterstop toen Bas Dost nog werd gehaald. Waar dat mee te maken heeft, wie zal het zeggen? Ik las dat de covidbesmettingen er misschien voor iets tussen zitten, maar ik wist niet dat je van covid humeurig werd. Het valt op dat meer dan één speler kregelig reageert bij het minste dat fout gaat. Hans Vanaken heeft dat altijd wel een beetje in zich gehad, maar ook anderen van wie je dat niet verwacht tonen zich emotioneel kwetsbaar.

Ruud Vormer voerde al in die eerste wedstrijd tegen Anderlecht in de rust een raar theaterstukje op. Niet wat hij schreeuwde ging door merg en been, dat kon er nog door komend van een aanvoerder, wél dat steenkolenengels van hem. Hij heeft het voor Louis van Gaal, die hem ooit bij AZ liet debuteren. Niks mis mee, maar daarom hoeft hij zijn Engels nog niet te imiteren. Volgend keer, Ruudje uit Hoorn, gewoon in het Noord-Hollands.

Philippe Clement weet het stilaan ook niet meer, tenzij zijn keuzes zijn beïnvloed vanuit de controlekamer, zoals bij elke club. Het management heeft altijd spelers die het liever in het uitstalraam ziet dan andere spelers en meldt dat meestal ongevraagd. Daarbij hoort dan de toegift: het spreekt vanzelf dat jij de ploeg opstelt. Het moet al een sterke trainer zijn om daar geen rekening mee te houden.

De vervanging van Charles De Ketelaere afgelopen vrijdag was voor velen een mysterie. Oké, bij dat eerste doelpunt zag hij er wat ongelukkig uit, maar De Ketelaere kent inzake eentijds aanvalsspel zijn gelijke niet. Dit is zowat het grootste talent dat Club ooit zelf heeft voortgebracht en een garantie op een mooie verkoopprijs, alleen nog niet volgende zomer.

En nu even ernstig: wat hiervoor staat, is een en al speculatie. Wellicht heeft het tanende Club Brugge te maken met de wet van de remmende voorsprong. Het was de befaamde Nederlandse historicus Jan Romein die daar in augustus 1935 op wees in zijn essay ‘De dialectiek van de vooruitgang’. Zoals Wikipedia zegt: het fenomeen is in tal van omgevingen toepasbaar, dus ook sport.

De wet stelt dat een voorsprong op een bepaald domein er vaak toe leidt dat er weinig stimulans is om verdere verbetering of vooruitgang op te zoeken, zodat men vroeg of laat wordt voorbijgestreefd c.q. ingehaald. Door te berusten in een voorsprong wordt men geremd om nog verder te gaan.

Het is het onontkoombare lot van de dominante partij. Omgekeerd is er de wet van de stimulerende achterstand. Club Brugge is het doel, het mikpunt, de schietschijf voor heel België. Iedereen zal zich straks verbazen/verkneukelen of zal jammeren/klagen als Club straks alsnog naast de titel grijpt. Dat zal niet gebeuren: de jonge traditie wil dat de play-offs nog nooit een onterechte kampioen hebben opgeleverd.

Column Kapitaalvernietiging in De Morgen van zaterdag 8 mei 2021

Kapitaalvernietiging

Ik kan het niet helpen, ik zal wel niks van voetbal kennen, maar ik heb het niet voor Real Madrid. Nooit gehad. Heeft te maken met mijn jeugd. Spanje was een no-goland: fascistisch, dictator aan de macht, Basken verdrukt (over Catalanen spraken we toen nog niet) en Franco was de baarlijke duivel want wij kenden hoogstpersoonlijk Basken die voor hem waren gevlucht.

Real Madrid was de sportieve veruitwendiging van dat fascisme. De Caudillo (generaal Franco) zat daar in de tribune. Je was dus niet of nooit voor Real Madrid. Later, na de democratisering, gingen mijn ouders vaak naar Spanje met vakantie, en ik zit al 25 jaar van als het kan op Lanzarote, meer Afrika dan Europa, maar technisch gezien nog steeds Spanje.

Spanje is nu oké, maar niet Real Madrid, no way. Doe dan maar Barcelona. Helemaal toen Johan Cruijff daar in 1973 landde en hen meteen kampioen maakte. Dat gebeurde in 1974 en Franco werd ziek en stierf een goed jaar later. Ook na de dood van Franco is Real die rechtse tot uiterst rechtse falangistenclub gebleven, de trots van de oude rijken van Castilië. De Koninklijke die koopt wat ze kan kopen: eerst spelers en als gevolg daarvan titels.

Wat hoorde ik woensdagavond tijdens de wedstrijd tegen Chelsea FC, die ze kansloos verloren met 2-0? Geen enkele club had in 2020 meer uitgegeven dan dat sympathieke, jonge, driftige Chelsea. Dat ben ik gaan opzoeken en het klopt. Bijna 300 miljoen euro ging over de toonbank in Londen. Kai Havertz en Timo Werner kwamen uit Duitsland voor respectievelijk 80 miljoen en 53 miljoen euro. Ben Chilwell werd gehaald voor de verdediging. Kostte ook 50 miljoen. Hakim Ziyech kwam over van Ajax: 40 miljoen en komt niet van de bank af. Voor de goal kochten ze Edouard Mendy van Rennes, nog eens 20 miljoen. Thiago Silva en Malang Sarr kwamen voor niks.

Real Madrid daarentegen had niks gehaald. U leest het goed: 0 euro uitgegeven en alleen maar verkocht, voor het eerst in de recente geschiedenis van de club. Gareth Bale (uitgeleend) en James Rodríguez (gratis) spelen nu in de Premier League. De verkoop van Achraf Hakimi, Sergio Reguilón en Oscar Rodríguez bracht 83 miljoen in het laatje.

Het ene jaar is het andere niet. Op 17 juni 2019 had Real Madrid al voor ruim 300 miljoen euro aan spelers gehaald en toen moest de transfermarkt nog opengaan. Ze zouden landen op een goeie 350 miljoen euro, een record voor een voetbalclub, al komen het Manchester City en Barcelona van in 2017-’18 aardig dicht in de buurt.

In die zomer van 2019 was de top signing van Real Madrid een Belg: Eden Hazard kwam over van Chelsea voor 115 miljoen euro. Een deel van dat kapitaal is woensdagavond onherstelbaar vernietigd, in rook opgegaan. Hazard trapte geen deuk in een pakje boter. Het moet gezegd dat Chelsea er omgekeerd wel alles aan deed om een deuk in Hazard te trappen en zelfs meer dan één.

Die anonieme wedstrijd was niet eens het probleem. Zijn maatje Karim Benzema en dribbelwonder Vinícius Júnior deden het niet beter. Wat na de wedstrijd gebeurde, was andere koek. Zelfs al kan het je geen ene moer schelen of je hebt verloren dan wel gewonnen en vind je het al zo prettig om dat laatste weekend in mei vrij te zijn met het gezinnetje, je lacht niet na een verlieswedstrijd zoals Hazard samen met N’Golo Kanté lachte. Een speler die verliest, die bovendien nog eens minder heeft gespeeld (omdat die ploegt hem niet ligt, maar dat doet er even niet toe), die speler hoort niet te lachen zoals Hazard lachte.

Natuurlijk is het hypocriet om hem op basis van die ene ongelukkige schaterlach en dat dollen met Kanté af te maken zoals in dat naar het schijnt veel bekeken televisieprogramma. De conclusie daar was dat Hazard geen toekomst heeft in Madrid en weg moet. “Bye bye Eden”, schreef een krant. Een andere krant had het over een bejaarde uit Benidorm en Hazard zou niet begrijpen wat het is om bij Real te spelen. Misschien begrijpen ze bij Real niet wat het is om met Hazard te spelen.

Wat er ook van aan is, en welke richting dit uitgaat, misschien moet Real zich eens bezinnen want dit is al de tweede recordaankoop die dreigt te mislukken. Hazard was de duurste aller tijden, Bale is de nummer twee. Van hem kon je nog vermoeden dat hij een over het paard getilde en dus te dure voetballer was, maar niet van Eden Hazard. Daarom alleen zal de soep niet zo heet worden gegeten als ze wordt opgediend, al was het maar om die investering te beschermen. De marktwaarde van Hazard was ooit 150 miljoen euro. In maart van dit jaar werd die door Transfermarkt bijgesteld naar 40 miljoen euro. Daar gaat nu nog wat vanaf.

Verhaal over Giro, Belgen en Evenepoel in De Morgen van zaterdag 8 mei 2021

Roze Remco, waarom niet?

Hij houdt de boot af en zijn ploeg nog meer. Toch hoopt deze grote kleine wielernatie dat Remco Evenepoel (21) in zijn eerste Giro d’Italia eerdere Belgen als Eddy Merckx achternagaat. Een rit of twee winnen zou mooi zijn. Maar eindwinst is ook een optie.

Op 31 mei 1967 begonnen de renners van een sterk bezette Giro d’Italia – Jacques Anquetil was er en Felice Gimondi en de vier laatste winnaars – aan de 220 kilometer lange twaalfde etappe van Caserta naar Blockhaus, of Passo Lanciano, een col in de Abruzzen. Het was in die Giro de eerste zware bergrit met een aankomst boven de 2.000 meter. De groten van het peloton bleven zowat de hele rit samen, ook in de klim.

Onder hen een 21-jarige Belg die eerder in het seizoen Milaan-San Remo had gewonnen en daarna de Waalse Pijl. Vooral die eerste overwinning, zijn tweede op rij in San Remo, had de Italianen op het spoor gezet van Edouard – zeg maar Eddy – Merckx die na 288 kilometer in een sprint met vier Gianni Motta, Franco Bitossi en Felice Gimondi, drie Italianen van faam, had geklopt.

In die rit naar Blockhaus viel Italo Zilioli op 2 kilometer van de meet aan. Hij nam onmiddellijk een comfortabele voorsprong, tot een hijgende, stoempende, wiegende achtervolger hem inhaalde. Met nog 1 kilometer te gaan waren ze met twee voorop en toen zette Merckx een aanval in. Hij kwam boven met tien seconden voorsprong. De dag erna kopte een krant: Il Giro d’Italia ha un nuovo favorite. De nieuwe favoriet werd bewierookt: ‘Merckx heeft zijn les geleerd, nu gaat hij voor het roze’. Belgische kranten kenden hun nieuwe ster nog niet zo goed en kopten: ‘Sprinter wint nu ook in de bergen’.

Twee dagen later won hij nog een etappe, nu wel in de sprint. Hij stond heel even op 30 seconden van de leidersplaats, maar zou in de laatste week door ziekte afhaken en als negende eindigen, op twaalf minuten van winnaar Felice Gimondi. Een jaar later was Merckx terug, niet meer als kopman van Peugeot, maar in loondienst van het Italiaanse Faema. Hij bleef drie weken gezond en reed Gimondi in zijn prime tureluurs. Negen minuten bedroeg de afrekening.

De Muynck en Pollentier

De Ronde van Italië en bij uitbreiding ook andere wielerwedstrijden in dat land hebben wel meer Belgen zien schitteren. De Giro mag dan nooit de envergure van de Tour hebben gehad, in de jaren 60 en 70 – met dank aan Merckx – kwam die toch in de buurt. Merckx won vijf edities van de zeven die tussen 1968 en 1978 door Belgen werden gewonnen. Dat hadden er acht kunnen zijn als Roger De Vlaeminck zijn ploegmaat Johan De Muynck in de editie van 1976 die hij zelf wilde winnen, niet in de steek had gelaten nadat hij op een kansloze achterstand was beland. De Muynck stond heel even op winst, maar verloor nog met 19 seconden van Gimondi. In 1978 – die keer met de hulp van zijn nieuwe ploegmaat Gimondi – zou hij zich revancheren.

Ook de Giro van 1977 was voor de Belgen. Elf van de 22 etappes werden door landgenoten gewonnen, waaronder tien voor de Flandriaploeg en zeven alleen al voor Freddy Maertens. De kopman van die ploeg, Michel Pollentier, reed in de zeventiende rit naar Cortina d’Ampezzo leider Francesco Moser uit het roze. Hij bouwde in de daaropvolgende ritten zijn voorsprong uit zonder te schitteren, maar zou er in de voorlaatste nog een tijdritoverwinning aan toevoegen, kwestie van zijn eindoverwinning wat meer glans te geven.

Is het slim van Deceuninck-Quick-Step om Remco Evenepoel van het groterondewerk te laten proeven in Italië? De geschiedenis zal het leren, maar de Giro is debuterende Belgen meestal erg goed gezind. Voor de relatief onervaren debutant Evenepoel was dit de beste optie, zegt de meest ervaren arts van het peloton, Yvan Vanmol. “Inzake stijgingspercentages en kilometers bergop liep de Giro altijd wel voorop, maar nu ontlopen de grote rondes elkaar niet meer. Dat is voor Remco ook niet zo van belang. Veel interessanter is de aard van de koers. De Tour is elke etappe nerveus vanaf de eerste kilometer, de Giro niet. Ritten trekken zich mooi op gang en de hectiek rond het peloton is ook minder.

“Remco heeft negen maanden niet in een peloton gekoerst. Hem meteen naar de Tour sturen, zou niet slim zijn. In de Giro kan hij weer wennen en zijn stuurvaardigheid wat aanscherpen. Niet vergeten: zijn laatste herinnering aan de koers was toen hij die bocht miste en over dat muurtje in het ravijn dook. Voor iemand die 3,5 jaar echt koerst – in de wetenschap dat je toch vijf, zes jaar nodig hebt om je die skills eigen te maken – is dat heel heftig.”

Startnummer 91 of 92

De 104de Giro d’Italia start vandaag in Turijn met een korte tijdrit en finisht traditioneel in Milaan drie weken later op zondag 30 mei, ook met een tijdrit. Er wordt bijna 3.500 kilometer per fiets gereden voor in totaal 47.000 hoogtemeters, een gemiddelde van meer dan 2.000 meter klimmen over elk van de 22 etappes. De eerste aankomst bergop ligt in Sestola, al meteen in de vierde etappe. Voorts staan maar zeven ritten als vlak aangeduid, en dan nog. Onder meer in de eerste week kan ook de wind een rol spelen.

Tussendoor wordt een mini-Strade Bianche gereden, maar het zwaartepunt ligt traditioneel in de derde week als het peloton zich al twee weken door berg en dal heeft gesleurd en eindelijk in de Alpen arriveert. Daar in het noorden staat in etappe 14 na 186 kilometer eerst de gevreesde Monte Zoncolan op het menu. Gelukkig van de ‘makkelijke’ kant vanuit Sutrio: slechts 9 procent gemiddeld met een max van 13,6. De andere kant vanuit Ovara heeft een gemiddelde van 12 procent.

Iets verder die week wordt Cortina d’Ampezzo aangedaan, na beklimmingen van de Passo Fedaia, Pordoi en de Giau. Een uitgelezen rit voor Evenepoel om zich te tonen. De laatste drie dagen zijn gruwelijk: twee aankomsten bergop en als uitsmijter een vlakke tijdrit van 30 kilometer. Egan Bernal (Ineos Grenadiers), Simon Yates (BikeExchange) en Jai Hindley (DSM) zijn de topfavorieten. Outsiders zijn George Bennett (Jumbo-Visma), Dan Martin (Israel Start-Up Nation), Mikel Landa (Bahrain-Victorious), Vincenzo Nibali (Trek-Segafredo), Marc Soler (Movistar), Hugh Carthy (EF Education-Nippo). Van Belgische kant is de Portugees João Almeida een kanshebber, hij is voor Deceuninck-Quick-Step de kopman. Of zou dat moeten zijn. De rugnummers van alle eerder genoemde favorieten eindigen op 1. Het rugnummer van Almeida is 92. De 91 bij Deceuninck-Quick-Step is voorbehouden voor Remco Evenepoel.

Is dat een voorteken? José De Cauwer, in de podcast De tribune, dacht van wel. Bij de ploeg houden ze de boot af en spreken ze van toeval. Met hun communicatie eind vorige week bij de aankondiging van de geselecteerde renners zaaiden ze nog meer verwarring. Daar staat de Deen Mikkel Honoré prominent vooraan op de foto en blijven zowel Almeida als Evenepoel deels in de schaduw. “Dat heeft te maken met de lengte van de renners”, hoor je bij de ploeg. Dat slaat pas nergens op, want de renners staan vanaf hun middel afgebeeld.

Wat er ook van aan is en wie ook de echte en de schaduwkopman is, Deceuninck-Quick-Step vertrekt voor het eerst in de geschiedenis met een ploeg die vol voor het eindklassement gaat in een drie weken durende Ronde. De selectie die wordt bijgestaan door Davide Bramati, Klaas Lodewyck en Geert Van Bondt als ploegleiders heeft geen sprinter maar wel twee hardrijders mee om in de vlakke en tussenetappes eventueel iets recht te zetten. Dat zijn Iljo Keisse en Rémi Cavagna, respectievelijk 72 en 78 kilogram zwaar. Pieter Serry (66), Fausto Masnada (65, derde in Romandië vorige week) en Mikkel Honoré (68) zijn van het slag allrounder en kunnen overal uit de voeten. Evenepoel (61), Almeida (63) en James Knox (58) zijn de speerpunten als de stijgingspercentages in de dubbele cijfers gaan.

NV Evenepoel

Of ze dat bij Deceuninck-Quick-Step nu willen of niet, alle ogen zijn nationaal en internationaal op Remco Evenepoel gericht. Het zondagskind uit Schepdaal dat het ook als voetballer had kunnen maken, was 19 jaar en acht maanden oud toen hij zich op de voorgrond stuntte in de Clásica San Sebastián. Aanvankelijk ging hij mee met de kopgroep alvorens te worden gelost. Vanuit de commentaarhokjes daalde de lof over hem neer omdat hij het zo lang had uitgehouden, om vervolgens plaats te maken voor verwondering toen hij nog een laatste keer bij de kopgroep kwam aansluiten. De monden vielen open en de commentaar werd lyrisch toen hij uit de kopgroep wegreed en met 38 seconden voorsprong over de meet reed.

Dat was augustus 2019. In 2020 won hij alle wedstrijden waarin hij startte. Het begon pre-corona in de Ronde van San Juan: winst in de tijdrit en eindwinst. Daarna de Ronde van Algarve: ritwinst bergop en in de tijdrit én eindwinst. Hij nam rust, keerde terug in de Ronde van Burgos eind juli met ritwinst bergop en eindwinst. Ook eindwinst in de Ronde van Polen waar geen aankomst bergop voorzien was, maar hij toch in een zware etappe na een monstervlucht Jakob Fuglsang op 1’48” en Simon Yates op 2’22” reed. Diezelfde Yates die nu topfavoriet is, weet maar al te goed wat Evenepoel kan.

Na Polen volgde de Ronde van Lombardije waar hij in de kopgroep zat toen hij zijn buiteling maakte. Die bijna fatale afloop droeg nog bij aan zijn aura van superster. Voordien was Evenepoel al grotendeels van de mediaradar verdwenen. Al anderhalf jaar wordt hij als een schaars goed gepositioneerd. Stephanie Clerckx is zijn personal assistant. Niet helemaal duidelijk of zij dan wel in dienst is van het team en zo is toegewezen aan Evenepoel, dan wel in dienst is van de nv Evenepoel, inmiddels ook met eigen kledinglijn.

Het is een detail, maar het is tekenend voor hoe Evenepoel in de markt wordt gezet en tegelijk wordt afgeschermd. Spreken met Evenepoel is streng gereglementeerd en gecensureerd, spreken óver het wonderkind kan ook de nodige gram opwekken. Laatst nog in De tribune op Radio 1 samen met Thijs Zonneveld vergeleken wat Tom Dumoulin was overkomen met de druk die de inmiddels 21- jarige op zijn schouders krijgt als grote Belgische Rondehoop. Dat was voldoende om door ploegbaas Patrick Lefevere gebanbliksemd te worden. “Laat die jongen toch met rust.” Mevrouw Clerckx ging er overheen met een duidelijk “da’s gesproken”.

Evenepoel is het goudhaantje en zowat de levensverzekering voor de ploeg van Lefevere. Op 6 april tekende hij bij voor vijf jaar. Het is binnen de ploeg bekend dat Lefevere zijn sponsoring rond heeft tot en met 2023, maar de officiële communicatie daarover ontbreekt. Een knalprestatie in een grote Ronde zou nieuwe sponsors kunnen aantrekken, maar daar legt de boekhouder in Lefevere zijn bonen liever niet op te week. Hij als geen ander beseft hoe snel het mis kan gaan.

127 rondes geen winst

Alles wijst erop dat Remco Evenepoel niet naar de Giro trekt om een keertje een grote Ronde te rijden en wat te roderen na zijn lange revalidatie. Ook die revalidatie was trouwens met de nodige mist omgeven. Eerst hakte Lefevere met zijn gekende nuances in op zijn eigen medische staf, vervolgens luidde het volgens de officiële communicatie dat Evenepoel rust moest nemen omdat de breuk niet volledig was geheeld en hij veel te vroeg te hard had getraind. Een telefoontje later bleek het over een irritatie te gaan op de plek waar het zitbeen bij die val was gebarsten. Vervelend en pijnlijk, maar een kwestie van tijd en van wat anders trainen.

Remco Evenepoel zelf had er eerst nog alle vertrouwen in dat het helemaal goed zou komen tegen de Giro, maar heeft dat narratief de laatste weken omgedraaid. In een interview in ProCycling liet hij tot twee keer toe uitschijnen dat België niet al te veel van hem moet verwachten. Dat is voorwaar jammer, want van alle grote wielerlanden wacht België het langst op een Ronde-overwinning. Sinds Johan De Muynck in 1978 in diezelfde Giro zijn 127 grote rondes gereden en geen landgenoot kwam nog maar in de buurt van de eindoverwinning.

Ook populair als quote komende uit de mond van Remco Evenepoel: “Ik ben sinds die val een ander mens geworden. Voordien was ik alleen maar met koers bezig, nu geniet ik van het moment, het kan sneller gedaan zijn je denkt.” Pas 21 is hij en hij spreekt als een arme stakker die maandenlang op intensieve zorg de dood in de ogen heeft gekeken. Dit is deel van een zorgvuldig opgebouwd imago – de hypergetalenteerde, maar immer bescheiden en sympathieke buurjongen – dat kan niet anders.

Een voorspelling nog voor deze Giro van start gaat: Remco Evenepoel zal niet ver van de eindwinst eindigen en wint minstens twee etappes. Zijn fysiologische/fysieke waarden zijn top, zijn drive is gebleven, wat hij ook wil laten uitschijnen, en de ploeg is sterker dan ooit om hem te helpen. Zelf heeft hij er alles aan gedaan: deze week nog een verkenning van de etappe van de Strade Bianche. Nog meer mist werd gespuid rond zijn tijdrit. In ProCycling heette het dat die qua aerodynamica niet meer kon verbeteren, of hij zou op een kader voor kinderen moeten rijden. Nochtans zijn ze recent een halve dag in de weer geweest op de wielerbaan van de Blaarmeersen en hebben ze daar door een nog betere houding nog wat vermogen gewonnen.

Uiteraard blijven er vragen en die heeft de ploeg ook. Yvan Vanmol kent die als geen ander: “Er zijn zoveel factoren die een rol kunnen spelen. Wat met die eerste week? In die eerste ritten kan ook van alles gebeuren. Wat met de hoogte? Ze gaan een paar keer boven de 2.000 meter. Uiteraard heeft hij op die hoogte al getraind en dat zag er allemaal best goed uit, maar dit is een wedstrijd. En ten slotte, wat met de derde week?”

Die werd in zijn eerste deelname ook Eddy Merckx fataal. Het is leergeld dat moet worden betaald, maar als één renner met een dikke portemonnee vandaag aan de start staat in Turijn, dan wel Remco Evenepoel uit Schepdaal. Schrijf hem maar bij op het lijstje van de favorieten.

Column Obesitasepidemie in De Morgen van maandag 3 mei 2021

Obesitaspandemie

Wat heb ik onthouden van deze vroege weekendkrant die al op vrijdag verscheen? Dat op pagina’s 10 en 11 van de dagkrant stond ‘Veel zaad lozen is erg goed voor de prostaat’. En op pagina 42 van Zeno ‘Mannen moeten minder klaarkomen’. Dat spoort niet
en u vindt dat een mysterie? Ik denk dat ik weet hoe dat komt. Bij de Zeno zijn de vrouwen op de redactie de baas, in de dagkrant gebeurt het heel af en toe dat ook een man iets te zeggen heeft. Beide verhalen zijn wel geschreven door een vrouw en die ene van de prostaat ken ik. Nog beter, ik ken ook haar man, die sinds vrijdag ongetwijfeld als een trotse haan door Gent paradeert. Ik gun het hem van harte.

Hét verhaal van het weekend staat op pagina 6. Het gaat over de obesitasepidemie. Die zou zijn blootgelegd door de coronapandemie. Waarbij meteen moet worden opgemerkt dat wereldwijd veel meer mensen sterven aan de gevolgen van obesitas dan aan corona, en obesitas dus meer pandemie is dan eender welke virale systeemfout.

Bovendien heeft corona niets blootgelegd. Die obesitas was er lang voor die vleermuis besloot een gordeldier te bijten en een Chinees dat ene gordeldier opvrat. Of was het een buideldier? Maakt niet uit. Aan obesitas werd geen belang gehecht of het werd weggelachen. “Maatje meer, moet kunnen” werd “twee maatjes meer, ach ja, de natuur” enzovoort tot “vier maatjes meer, wat kan je er nog aan doen?” en toen kwamen ze bij de VRT ook nog eens met dat onzalige Albatros.

Het verhaal van pagina 6 werd opgehangen aan een endocrinoloog, ik vat even voor u samen wat die vond: dikke mensen mogen niet worden aangesproken op hun dik zijn, want ze kunnen er niet aan doen. Een andere bekende endocrinoloog die eerder al eens in de krant stond, had het nochtans over corona als eye opener en de verdomde plicht die ieder van ons heeft om het lichaam op orde te houden en het gewicht onder controle.

Die laatste, de strenge, werkt in de genderbusiness en sprak dus vrijuit. Die eerste is voorzitter van de Belgian Association for the Study of Obesity. Als onze association president zou zeggen dat ieder van ons (voor een groot deel) verantwoordelijk is voor het eigen gewicht, dan heeft zijn vereniging niets meer te bestuderen, dus ik begrijp het wel. Ik ken die redenering, typisch voor deze tijd waarin niemand nog op zijn individuele verantwoordelijkheid wil worden gewezen, maar voor alles wat misgaat een goede reden vindt waar men zelf niets kan aan doen.

Ik zit nu al halfweg deze column en waar wil ik na deze brede omweg landen? Bij jeugdsport zowaar. U mag weer met twee gaan winkelen, straks op terras iets eten en drinken, naar Benidorm vliegen en daar cocktails hijsen dat het een lieve lust is, naar het voetbal kijken op televisie en als die van het voetbal hun zin krijgen (en die krijgen ze altijd) straks ook met een paar duizend in het stadion, maar weet u dat de georganiseerde sport nu al meer dan een jaar zo goed als stil ligt?

Dit gaat niet over mij. Ik ben vooral wielertoerist en behalve dat ik de georganiseerde veldtoertochten in Vlaanderen heb gemist deze winter, heb ik kunnen sporten als anders. Het vereiste alleen een beetje wilskracht en die had ik niet altijd en daarom zijn er twee kilo bij. Er gaan er vijf af tegen 12 juli, beloofd.

Georganiseerde sport is wat anders. Dat is de morele plicht of ouderlijke verplichting je twee of meer keer per week aan te bieden bij een training, te luisteren naar een trainer, en je af en toe in competitie te meten met anderen. In groep (dat heet een ploeg) of individueel. Te verliezen en te winnen en in beide gevallen er mee kunnen omgaan. Dat alles is grotendeels weggevallen en je vraagt je af, waarom?

Zelfs nu de scholen weer helemaal openen, wordt met geen woord gerept over de amateur- en vooral de jeugdsport. Het gaat er mij niet om dat we nu een jaar geen talent hebben kunnen sprokkelen om straks medailles op te halen, dat ene jaar overbruggen we wel. Het gaat er mij om dat we hele horden jongeren thuis hebben gezet en bij gebrek aan een sportief kader hun ouders elke reden hebben ontnomen om die jongeren niet te laten Fortniten en Tiktokken.

We hebben sport en beweging afgenomen van een hele generatie die alleen maar zal sporten of bewegen als dat in groep en opgelegd gebeurt. We kweken een generatie van sedentairen en toekomstige obesen, en waarom? Niet om virologische redenen, maar uit angsthazerij, omdat geen enkele excellentie de moed had zijn nek uit te steken en federale Frank niets met sport heeft en geen enkele toegeving wilde doen op dat vlak. Wat jammer dat Ben Weyts zowel onderwijs als sport in zijn portefeuille heeft. Had hij zich maar zo hard gemaakt voor sport als voor onderwijs.

Column Groen voetbal in De Morgen van vrijdag 30 april 2021

Groen voetbal

Deloitte is een grote speler in de voetbalbusiness, een ferme boîte zoals dat dan heet, waarnaar wordt geluisterd als die iets melden. Elk jaar in januari publiceren ze hun Rich List. Dat is een foute benaming want de twintig clubs die ze in kaart brengen zijn niet de rijkste clubs, maar de clubs met de meeste omzet. Zoals bekend maken de clubs met de grootste omzetten vaak de grootste verliezen, Bayern München is daar een uitzondering op.

Elke zomer krijgen we dan van Deloitte Sports Business Group de Annual Review of Football Finance, waarin ze haarfijn uit de doeken doen waarom voetbal de meest volatiele, amorele, immorele en slechtst geleide sportbusiness is van de hele planeet. Als je die Review volledig wil, met de details van de cijfers, moet je het rapport wel kopen en dat kost meer dan duizend pond. In het voetbal krijg je niks voor niks, alles moet opbrengen.

Deloitte UK houdt zich daar mee bezig. Het is vakmanschap, zonder meer. Ze brengen wel meer rapporten uit, bijvoorbeeld over rugby of cricket, maar gisteren mailden ze iets totaal nieuws en we kregen het zowaar gratis. Niet alleen daarom dacht ik meteen aan fake news. Het leek wel een grap van Greenpeace of van de Bond Beter Leefmilieu die het voetbal hadden gekaapt.

‘A sporting chance’, was de titel. Een opportuniteit voor de sport. ‘The role of sport in mitigating climate change.’ De rol die sport kan spelen in het ‘verzachten’ van de klimaatverandering.

Ik weet niet wat ze daar hebben gegeten in de Sports Business Group in Manchester en/of Londen, of door wie ze zijn geïnfiltreerd, maar de taal in de inleiding getuigde van een nooit gezien activisme grenzend aan idealisme.

Leest u mee: (…) In het voorbije jaar hebben we sport positief zien bijdragen aan de campagne voor raciale gelijkheid en gerechtigheid, in het bijzonder de steun aan de Black Lives Matter-beweging. Sport heeft ook bijgedragen aan de strijd tegen Covid-19 door stadions in te zetten als hospitalen en testcentra. Daarom zeggen we dat sport nu de kans heeft om dezelfde rol op te nemen in de strijd tegen de klimaatverandering. (…)

En het gaat maar door. Naarmate de fans groener worden, zal ook de sport groener moeten worden, de stakeholders verwachten dat.

O ja? Ten eerste hangt aan dat Black Lives Matter-gedoe in het voetbal een opgeklopt sfeertje dat eerder te maken heeft met ‘kijk ons eens stoer doen’, dan met de overtuiging dat racisme de wereld uit moet. En dan die stakeholders die verwachten dat het voetbal groener wordt. Tuurlijk niet. Zal ik u zeggen wat die verwachten? Dat de ploeg waar ze hun geld in stoppen, wint, by all means necessary. Zal ik u zeggen wat de fans verwachten? Dat hun ploeg waar ze hun bruto familiaal geluk aan ontlenen, wint, en alle middelen om te winnen zijn daarbij goed. Betekent dat die ene hele goeie van de anderen onder de groene zoden stoppen, jammer maar helaas, nood breekt wet.

Zal ik u zeggen wat de sponsors van de komende World Cup in Qatar verwachten als het daar 40 graden is terwijl ze naar het voetbal zitten te kijken? Dat ze in hun open stadion toch een beetje afkoeling vinden in de airco die daar rondblaast. Zal ik u zeggen wat die voetbalsponsors in de eretribune ook nog willen? Dat hun ploeg wint, dat ze lekker eten krijgen, en dat ze in de tribune droog zitten en als het even kan hun jasje kunnen uitdoen om van de weldoende warmte van de straallampen te kunnen genieten.

Zal ik u zeggen wat die milieubewuste woke spelers willen van hun veld? Dat het gras groener is dan elders, korter gemaaid, snellere ballen toelaat en dat het een heel jaar lang blijft groeien. Ga maar eens in een doorsnee eersteklassestadion kijken door de week en verbaas u over de lampen die op het gras staan. Dat gras denkt dat de zon schijnt en besluit te groeien, zo gaat dat met gras. Alleen komt het zonlicht uit het stopcontact, opgewekt door elektriciteit. Die mag dan nog groen zijn zoals ze in sneltempo zonnepanelen op de stadions leggen, een voetbalwedstrijd blijft een gigantische energieverspilling. De ecologische voetafdruk van de voetbalindustrie is niet te overzien.

Ik snap Deloitte wel. Ze hebben een nieuwe divisie ‘duurzaamheid en klimaatverandering’ opgericht en die wordt geleid door – nomen est omen – Katherine Lampen. Ik wens hen veel succes, maar van een business die draait om mensenhandel, die van de overheden steunmaatregelen eist, om rijk nog rijker te maken, moet je geen burgerzin verwachten. De enige taal die voetbalclubs en hun eigenaars, bestuurders en managers begrijpen is als we hen de arm omwringen en verplichten te vergroenen.