Column 8 uit Tokio ‘Straatsporten’ in De Morgen van maandag 26 juli 2021

Straatsporten

In 1994 was ik op de Goodwill Games in Sint-Petersburg. Dat onding bestaat gelukkig niet meer. Het was ontsproten aan het brein van Ted Turner toen die nog met Jane Fonda was – onduidelijk of dat er iets mee te maken heeft. Het was een mix tussen een festival, een promostunt en een poging om de vredesduif uit te hangen. West en Oost moesten verbroederen.

Ik daarheen op kosten van de baas, ook al omdat het een ideale plek was om voorverhalen voor de aankomende Olympische Spelen op te halen. Carl Lewis was daar bijvoorbeeld en die kon je dan een dag volgen als je een beetje volhardend was. Ja, jongere collegaatjes, toen kon dat allemaal nog wel.

Ook interessant was een nieuwigheid die twee jaar later op de Olympische Spelen haar debuut zou maken: beachvolleybal. Ook daar moesten we heen natuurlijk. Daar zat ik dan, op een bijeengeharkt strand aan de rand van de Neva. Naast mij zaten David Miller van The Times of London en John Rodda van The Guardian, allebei onder een grote hoed.

“My dear young colleague,” vroeg Miller plots, “what do you really think of this, euh, what we are watching here?” Ik had hem gezegd dat ik een ex- volleyballer was, dus hij wilde mijn mening. Ik aarzelde een beetje, en Rodda nam het over: “What we are seeing here, dear fellow, is fun to watch, but not everything that is fun to watch should be on the Olympics.” En toen zei hij iets over twee vrijende vrouwen in het zand, ook leuk om naar te kijken, maar geen sport. Omdat ik dat nooit uit zijn distinguished mouth had verwacht, is mij dat altijd bij gebleven.

Die anekdote schoot mij dit weekend ineens weer te binnen toen ik op zaterdagavond bij het 3×3 – spreek uit three-ex-three – zat en een dag later bij het skateboarden. Dat basketbal van drie tegen drie is plezant om naar te kijken. Geen dode momenten, geen vleesbomen onder de ring zoals je die weleens in het echte basketbal hebt, een en al intensiteit, jammer dat er geen publiek zat. De wedstrijd die de Belgen wonnen met 20-21 van medaillefavoriet Letland (daarna verloren ze domweg van de Japanners) was super exciting, aldus de openbare omroeper.

Hij had gelijk. Maar, om het met Rodda te zeggen: niet alles wat spannend is of intens of plezant om naar te kijken, of alles tegelijk, hoort op de Spelen thuis. Ter verschoning moet ik er wel bij vertellen dat deze vorm van basketbal zijn plaats heeft als trainingsvorm. Net zoals je van beachvolleybal beter leert bewegen en verdedigen, en je conditie erop vooruitgaat, geldt dat ook voor 3×3 basketbal. En onze Belgen, dat moet je hen toegeven, zijn atleten, hoewel er – godbetert – een notaris tussen zit.

Een vraag die elke nieuwe sport zich moet stellen, is of ze kan putten uit het best mogelijk arsenaal aan talent. In dit geval – weer een parallel met beachvolleybal – is het antwoord neen. Laat Kyrie Irving een beetje oefenen samen met een paar homies uit die kooi aan West 4th Street in Manhattan of laat Giannis Antetokounmpo of LeBron James naar de ring gaan na een screen en je hebt een totaal andere sport.

De skills die vereist zijn voor 3×3 zijn dezelfde als die voor vijf tegen vijf, de tactiek is simpeler: screen na screen, pick and roll na pick and pop, and that’s it. Maar verdedigen en lopen kunnen ze.

Eindoordeel: net als met beachvolleybal blijf ik in dubio. Na gisteren hebben de Belgen twee van de eerste vier wedstrijden gewonnen. Ik ga later nog weleens kijken als ze voor een plek in de halve finales battelen.

En dan dat skateboarden, tja. Wat moet je met een sport die geen sport wil worden genoemd maar een lifestyle? Met sporters die skaters heten en met AirPods Pro hun ding doen? Of met Manny Santiago uit Puerto Rico? De man heeft blauw haar, een ontbrekende voortand, baggy pants, tatoeages van boven tot onder, en ziet er eerder uit alsof je bij hem wapens, crack en coke kunt kopen dan als een sporter. Dat die Japan is binnen geraakt, is een olympisch wonder. Hij knalde tot mijn grote opluchting bij zijn twee runs en zijn vijf tricks telkens tegen het beton en eindigde voorlaatste.

Onze Axel Cruysberghs had na zijn twee runs nog uitzicht op een plaats bij de laatste acht, maar dan moest hij zijn tricks uitzonderlijk goed landen. Neen dus. Uitslag: dertiende, niet slecht voor wie 23ste staat op de wereldranking.

Eindoordeel: skateboarden is spectaculair om te zien, het is ook bijzonder moeilijk om na te doen (niet proberen), maar dit geldt ook voor de meeste tricks die ze in een circus doen en circus is vooralsnog niet olympisch. Wel leuk: de Amerikanen gingen dat winnen en ze kregen een bronsje. Minder leuk: het was een Japanner die won.

Verhaal over Nina Derwael in Tokio in De Morgen van zaterdag 24 juli 2021

Ga even zitten voor de oefening van de eeuw

Europees kampioen, wereldkampioen… olympisch kampioen? Ze is amper 21 jaar en staat volgende week voor de zwaarste opdracht in haar jonge leven. Een geprikkelde Nina Derwael en haar getergde coaches zullen alleen met goud tevreden zijn.

Twee Belgische olympiërs hebben tot nog toe de gouden trilogie volbracht. Zwemmer Fred Deburghgraeve was de eerste, toen hij in Perth in januari 1998 wereldkampioen werd op de 100 meter schoolslag, na eerst Europees (1995 Wenen) en olympisch goud (Atlanta 1996) te hebben gewonnen.

Hij werd nageaapt, zij het dan in omgekeerde volgorde, door Nafi Thiam toen die na haar verrassende olympische titel in Rio in 2016 een jaar later ook wereldkampioene werd en nog een jaar later de Europese titel pakte. En daarmee stopt het lijstje van Belgen die in olympische sporten bovenaan op de drie grote podia hebben gestaan.

Nina Derwael kan de derde in dat selecte clubje worden en met olympisch goud in Tokio misschien over de hoofden van de twee anderen springen. Ze is dubbel Europees (2017, 2018) en dubbel wereldkampioene (2018, 2019), al hoort daar een asteriskje bij: gymnastiek is een van die sporten die elk jaar grote kampioenschappen organiseren. Deburghgraeve heeft dan weer een streepje voor omdat hij eerst een Europees en later een wereldrecord vestigde. Nafi Thiam kan op haar beurt als eerste vrouw ooit een olympische titel in de zevenkamp verlengen.

Bij het bezoek vorig weekend van de Belgische media aan het trainingsoord in Mito, 120 kilometer ten noordoosten van Tokio, kwam die historische afspraak in de babbels met Nina Derwael alvast niet aan bod. Het werd een potje smalltalk, over Japans dat ze hadden geleerd, samen met de straatbasketballers op de bus, en dat het helemaal geen gevangenis was. Ze was blij te vernemen dat in de lege zaal toch toeschouwers te horen zullen zijn.

Nina Derwael is een gymnaste en die staan doorgaans bekend om een wereldbeeld dat begint bij de mat en ophoudt bij de balk. Niet Derwael. Al bij een eerste gesprek met deze krant in mei 2015, buiten op een bankje in de zon op het terras van de Topsportschool, vertelde ze honderduit over haar passie voor sport. Derwael: “Zelf weet ik het niet meer, maar mijn mama heeft het vaak genoeg gezegd dat ik als kleuter naar de artistieke gymnastiek op de Olympische Spelen op tv keek en zei: dat wil ik ook, ik wil ook naar de Olympische Spelen. Het zal wel kloppen dat ik dat al heel vroeg wilde.”

Omdat ze zich de laatste tijd niet vaak uitgebreid liet interviewen, peilden journalisten in recente verhalen vaak bij anderen naar de roots van Derwael. Zo kwamen ze ook bij haar kleuterjuffrouw terecht. Die herinnert zich Nina nog als een bazinnetje in de klas: “Altijd weer zorgen voor anderen, altijd weer de regelaar van de klas. Ruzies werden door haar beslecht.”

Zo ook op de Topsportschool, waar ze al snel de leading lady in het internaat aan de Gentse Blaarmeersen werd. De ‘kleintjes’ – amper een paar jaar jonger – kregen een bemoedigende opmerking en een collega-turner die bij het voetballen zijn voet had verstuikt, kreeg een vermaning.

“Ze kijken een beetje naar mij op”, zei ze verontschuldigend. Tegen het einde van het gesprek vroeg ik of ze wist dat ze internationaal en ook hier in België speculeerden dat zij wel eens de eerste Belgische gymnaste zou kunnen worden die een medaille zou winnen op een groot toernooi? “Nina Derwael kan the next best thing worden aan de uneven bars”, had een Amerikaanse gymsite die haar als junior aan het werk had gezien in 2014 al voorspeld.

Voor het eerst stopte haar geratel, want babbelen kan ze als geen ander. “Euh… Wordt dat gezegd? Euh ja, dat zou mooi zijn.” Ze was zestien, het was 2015 en niemand die Nina Derwael toen kende, tenzij gyminsiders die haar hadden getipt. En die ene Amerikaanse site.

Gouden Emilie

Exact een maand eerder had ik haar op een training een hele dag in actie gezien. Ze waren begonnen om 8 uur, na een opwarming die een doorsneesporter op de spoedopname doet belanden. Om 11 uur waren ze gestopt. In de namiddag was er een interne wedstrijd om uit te maken wie mee mocht naar het olympisch kwalificatietoernooi en daarom was het maar een lichte training, had hoofdcoach Yves Kieffer gezegd. De reputatie was deze Fransman vooruitgesneld: hij kon een slavendrijver zijn, maar hij zou onze nieuwe trots – het gymmodel – voor Rio klaarstomen.

Jazeker, af en toe gaf hij een schreeuw, die ene met faalangst op het paard sprak hij zelfs hard toe – later zou die gymnaste in belastende getuigenissen opduiken. Maar dit is nu eenmaal de hardste onder de sporten, artistieke gymnastiek: vanaf zestien jaar dertig uur training per week en maar één weekend op twee naar huis.

Yves Kieffer wist het toen al. “Nina Derwael a le potentiel d’Emilie.” Emilie was Emilie Le Pennec, namens Frankrijk gouden medaille op dezelfde brug met ongelijke leggers op de Spelen in Athene in 2004. Haar coach lachte het ongeloof weg. “Stop met de Vlaming uit te hangen. Waarom zouden meisjes van hier geen medailles kunnen winnen?”

Op de Olympische Spelen in Rio was het nog te vroeg. Derwael had haar olympisch kwalificatietoernooi in extremis zelfs gemist door een handblessure en niemand wint een medaille op het eerste mondiale gymtoernooi als senior, maar haar negentiende plaats in de allroundfinale werd onthaald als veelbelovend. Een toestelfinale haalde ze niet, in het licht van wat ze daarna presteerde op de brug is dat nu ondenkbaar.

Rio was een leerschool en er was die ene foto na haar laatste oefening die alles zegde: ze had net de beste Belgische prestatie ooit neergezet op de Spelen, maar trok een sip gezicht. Dit had beter gekund, wist ze, en ook de coaches waren niet blij en vonden dat er meer had ingezeten.

Wat goed is, komt snel en dat is wat Derwael op het WK van 2017 toonde. Van negentiende allround ging ze naar de achtste plaats en van de twaalfde op de brug naar de derde. België stond op zijn kop. De sportwoestijn aan de Noordzee had een mondiale medaille in gymnastiek behaald, de zwaarste van alle vrouwensporten. Dat was ongezien. De laatste Belgische medaille op mondiaal niveau viel bij de Spelen van Antwerpen in 1920, toen een team van 24 mannen zilver en brons won.

Nina Derwael was op het punt beland dat ze de lat moest leggen waar de prijzen lagen. Aan de Blaarmeersen stelden ze zich voortaan maar één vraag, de gymnaste zelf ook: wat is nodig om goud te halen? De vraag werd met brio beantwoord.

In 2017 werd ze Europees kampioene en derde van de wereld. Het traject was uitgezet: speciaal voor het WK in 2018 hadden zij en haar trainers de moeilijkheidsgraad zwaar opgekrikt. Na vrijdag 2 november 2018 en het WK-goud van Derwael schenen volle schijnwerpers op de gymfabriek aan de Gentse Watersportbaan. Vier jaar na die Amerikaanse voorspelling werd de jonge vrouw uit Sint-Truiden de beste van de wereld op het meest tot de verbeelding sprekende turntoestel.

Tussen 2017 en 2019 domineerde ze haar sport zoals nooit eerder een Belgische sportvrouw een meer mondiale sport heeft gedomineerd. Nina Derwael deed het op de mythische brug met ongelijke leggers. Op het wereldkampioenschap in Doha in 2018 verpletterde de Limburgse haar tegenstanders. Na Justine Henin, Tia Hellebaut en Nafi Thiam had dit land een nieuwe sportkoningin die de wereld ons benijdde. In 2019 deed ze dat kunstje over op het WK in Stuttgart en Derwael werd daarmee Belgiës grootste kans op goud voor de Spelen van Tokio in 2020.

Donkergroen

Nina Derwael is wat Amerikanen een next level-atleet noemen: geef haar een nieuwe uitdaging en ze traint tot ze het volgende niveau haalt. Plafonneren staat niet in haar woordenboek, hooguit zal ze even blijven op het level dat ze haar eigen heeft gemaakt om vervolgens weer hoger te mikken. Dat heeft ze tussen 2016 en 2019 elk kampioenschap gedaan: jaar na jaar, toernooi na toernooi turnde ze beter, moeilijker, mooier. In Tokio moet ze dat nog eens overdoen, want de concurrentie is een jaar ouder en sterker geworden.

Opvallend toch dat Nina Derwael bij de talentidentificatie één onvoldoende had gekregen: ze was te lang voor gymnastiek. Donkergroen (supergoed), groen (goed) of rood (niet goed), dat zijn de kleurtjes voor de talentidentificatieprofielen. De elfjarige Nina Derwael scoorde op alles donkergroen, maar kreeg rood voor haar lengte. In China was ze naar de circusschool gestuurd, maar in het kleine Vlaanderen verkozen zowel de Gymfed als de UGent ‘het oog van de meester’ boven de richttabellen: ze kreeg donkergroen, advies om haar in het topsportmodel mee op te nemen.

Het pleit voor haar trainers dat ze van haar lengte, haar ‘nadeel’, een voordeel hebben gemaakt. Zoals ze met haar hele 1m68 als een libel door het zwerk zwiert, is ze de gratie zelve. Simone Biles en de rest van de wereld konden alleen maar in bewondering toekijken. Omgekeerd kijkt Derwael ook in bewondering naar Biles, die op deze Spelen de show zal stelen.

Derwael werd het uithangbord van de Gymfed, de turnbond zeg maar. Die was lange tijd een voorbeeldbond die veel topsportgeld kreeg van Sport Vlaanderen, maar ook zelf met succes achter geld aanging. Met dat geld haalden ze in 2008 een in eigen land halvelings uitgerangeerd Frans trainersechtpaar naar België: Marjorie Heuls en Yves Kieffer zijn de onmiskenbare architecten, de adoptieouders van dit succes. Af en toe gaven die een gil: on en a marre, we zijn het beu, we worden tegengewerkt. Zoals goede trainers betaamt, waren ze nooit content en af en toe was hun ongenoegen terecht.

Ze waren gelukkig in Gent, hun kinderen gingen er al meer dan tien jaar naar school en spraken even goed Nederlands als Frans. Kortom, niets liet uitschijnen dat in 2020 de hemel op hun hoofd zou vallen. Waar in een olympisch jaar alle energie moet gaan naar trainen in functie van de Spelen, die eerst wel en dan niet zouden doorgaan, kwamen daar plots eindeloze vergaderingen en sessies crisiscommunicatie bij. Een tsunami was komen binnenrollen: getuigenissen over al of niet vermeende verbale agressie tegen gymnastes die ooit onder Kieffer, Heuls en hun acolieten hadden getraind en door hen keihard waren afgeserveerd.

De uitkomst is bekend: er kwam een rapport dat de verbale agressie bevestigde, maar ook kaderde. Na lang aandringen hebben Kieffer en Heuls zich – ferm tegen hun goesting – geëxcuseerd tegenover al wie ze ongewild onheus zouden hebben bejegend. Daarmee is de kous natuurlijk niet af. Het koppel voelt zich onheus bejegend, het team is door elkaar geschud, elke dag in 2020 en tot een stuk in 2021.

Een brief vanuit de olympische selectie – opgesteld door Maellyse Brassart, de enige Franstalige in de groep – nam even de druk van de ketel. Ook Derwael nam het vierkant op voor haar coaches, waarna zij en haar moeder door de klagers werden weggezet als egoïsten die alleen maar aan de eigen glorie dachten. De wonden in de Belgische gymwereld zijn diep.

Groter risico op fouten

Als voor jonge atleten geldt dat het uitstel van Tokyo 2020 naar Tokyo 2020NE een goede zaak is, dan is Derwael een twijfelgeval. Haar voorbereiding is verstoord, zoveel is duidelijk. Bovendien is de jonge concurrentie sterker geworden. De Amerikaanse Sunisa Lee mag met een kanjer van een routine worden verwacht, hetzelfde voor enkele jonge Russinnen en voor de Chinese Fan Yilin.

Waar Derwael op eerdere WK’s won als ze niet van de brug viel, zal het er nu, met concurrentes die met even moeilijke of moeilijker oefeningen voor de dag komen, op aankomen de perfecte uitvoering neer te zetten. Inmiddels is haar oefening voor deze Spelen nog steeds onzeker en is het niet duidelijk of die onzekerheid gespeeld dan wel echt is.

Derwael werd in 2019 wereldkampioene met een oefening met moeilijkheidsgraad (D-score) 6,5, maar trainde ondertussen op 6,7. Heel even was er zelfs sprake van 6,9. Doordat een gescheurd voetkussentje haar dit jaar van het EK weghield, weet niemand welke richting het uitgaat. Een laatste test was geen meevaller, maar zelf zei ze op het juiste traject te zitten.

De ervaring van Kieffer en Heuls kan een cruciale rol spelen. De tegenstand weet niet waar Derwael mee bezig is en probeert steeds moeilijker elementen toe te voegen om haar te overvleugelen. Dat houdt een risico op fouten in. De brug is een oefening in het uitdagen van fysica, meer in het bijzonder de middelpuntvliedende krachten, en al te vaak eindigt veel risico in veel fouten. Bij die D- score wordt ook een uitvoeringsscore geteld en die kan de perfecte 10 opleveren, in de praktijk minder dan 10 door aftrek van foutjes. Samen is dat de E-score.

Volgens een insider zou Derwael haar bekende oefening nog hebben geperfectioneerd en het veelbesproken ene nieuwe element dat ze eerst had toegevoegd niet turnen omdat het te weinig opbrengt in de puntentelling. Wel zou ze hebben gewerkt aan een moeilijkere afsprong die meer punten oplevert en haar dichter bij de tien brengt. Niks van haar oefening of training van het laatste jaar is online te vinden. Een bewuste keuze?

Derwael: “Jawel, de anderen moeten niet weten waar ik mee bezig ben. Laat hen maar filmpjes posten. Ik leer daar veel uit. Zoals wat? Dat het best een pittig toernooi zal worden in Tokio.”

Teamfinale

Niet zeker of ze dat zelf ten volle beseft, maar alleen een complete olympische triomf kan de druk van de gymketel halen. Goud voor Nina Derwael zou het gelijk van haar trainers bewijzen: dat bij elk gymsucces ook nevenschade optreedt. Het zou ook haar eigen gelijk bewijzen: dat je een jonge vrouw kunt zijn, samenwonend met een lief, en niet noodzakelijk een kindvrouwtje om een prijs te winnen. Ten slotte zou het misschien ook een opsteker kunnen zijn voor al wie Covid-19 heeft gehad. Derwael kreeg er in december ook mee te maken, een geschenk van haar voetballer-vriend.

Haar eerste optreden is dit weekend, samen met de drie andere vrouwen van het gymteam, de meest getalenteerde selectie ooit. Zij gaan voor een plaats in de teamfinale met acht landen, wat voor een klein land als België een regelrechte sensatie zou betekenen. Nina Derwael, Maellyse Brassart, Jutta Verkest en Lisa Vaelen beginnen zondag om 13.20 uur Belgische tijd aan hun kwalificatieronde in subdivisie 5. Uit die kwalificatie zullen we al wijzer worden wat de kansen van Derwael betreft. Dezelfde kwalificatie telt ook om de finales van de allroundcompetitie en de individuele toestellen te halen.

Column 7 uit Tokio: De Vlaggendrager in De Morgen van zaterdag 24 juli 2021

De vlaggendrager

Ik was gisteren niet bij de openingsceremonie. Ik had een ticket aangeboden gekregen via via, met olympisch vipvervoer, en ik had ook een ticket kunnen krijgen via onze onvolprezen persattaché Frank Van Roost. Toch maar liever niet. Ik weet wat het kost aan energie om daar uren van tevoren te arriveren en nog eens uren te moeten zitten kijken naar een show waar je de helft van mist omdat die geconcipieerd is voor het televisiepubliek.

Helemaal nu geen publiek in het stadion zit. Het is mij daarom ook een raadsel waarom ze gisteren om 14 uur al begonnen te waarschuwen dat wie naar de opening wilde zeker niet te laat mocht vertrekken. Toen ik om 15 uur de taxi terug naar het hotel nam, meesurfend op de gratis voucher van mijn aardige Franse collega van Sud-Ouest, zag ik al Belgische collega’s die onderweg waren.

Ik ken hun programma niet, maar voor mij staat vandaag om 10 uur alweer een zwarte Toyota-limousine met chauffeur met witte handschoentjes mij op te wachten om mij naar het hockey te brengen voor meteen de clash van de Red Lions tegen de Nederlanders. Ik probeer er de eerste dag op de Olympische Spelen altijd meteen in te vliegen, kwestie van in het ritme te geraken.

In Peking was mijn eerste wedstrijd beachvolleybal voor vrouwen, waarin de niet al te fit ogende Belgische vrouwen werden afgedroogd en ik zat te smelten (van de zon) op de perstribune. Dat hadden we dan ook weer gehad. We hebben deze editie geen beachvolleybalspeelsters, nog een geluk, want als ik daar vandaag zou over schrijven zoals in 2008 word ik stante pede naar huis gesommeerd en geschandpaald.

Die openingsceremonie. Het gedoe begon gisteren om 20 uur (13 uur bij u) en ging aan één stuk door tot halftwaalf. Stel je voor dat je daarna nog naar het hotel moet. Dat mag niet met de gewone taxi, ah neen, want we zijn hier nog geen veertien dagen. Ook niet met de metro, om dezelfde reden.

Dat moet met de persbus, maar er zijn maar zoveel bussen en dus riskeer je daar uren te moeten staan wachten tot een bus je naar de centrale verzamelplaats brengt, waarna je nog met een andere bus naar je hotel moet. Als we nu één ding zeker weten na tien dagen Tokio, dan wel dat de Japanners die hier het bussysteem coördineren nooit bij Japan Rail hebben gewerkt. De treinen rijden in dit land misschien op de seconde, maar voor ons busvervoer mogen we blij zijn dat het zich aandient binnen het aangekondigde uur.

Op Atlanta na heb ik alle openingsceremonies meegemaakt. In Barcelona in 1992 liep ik zelfs mee in de parade, in zo’n gekleurd jasje van het Belgian Olympic Team. De uren daarvoor hadden we doorgebracht in de hal boven op Montjuich. De volgende dag kon ik – jonge getrainde dertiger – niet meer op mijn benen staan van eerst dat zitten, dan dat stappen en vervolgens nog een hele tijd rechtstaan op dat veld.

Daarom verbaast het mij dat een van de Belgische vlaggendragers gisterenavond Félix Denayer was. Dat is de kapitein van de Belgische hockeyploeg die geen tien uur na zijn vlaggendragerschap in actie moest komen tegen Nederland. Dat is ongezien, ongewoon en, eerlijk gezegd, redelijk ongehoord. Al helemaal als je de argumentatie hoort. “Met Nafi en Félix hebben we een man en een vrouw die de vlag zullen binnendragen, Nafi uit de Franstalige en Félix uit de Nederlandstalige gemeenschap, die zo allebei vertegenwoordigd zijn. Het symboliseert de diversiteit in ons land.”

Nafi Thiam, oké, tot daaraan toe. Die heeft nog tien dagen voor ze moet optreden. Maar Denayer, de kapitein van de ploeg die voor goud gaat, hallo? In een reactie luidde het dat het “maar om een poulewedstrijd gaat” en “dat je kunt wisselen in een teamsport”. Helemaal mee eens, maar op een toernooi in superhete en zware omstandigheden is energiebesparing cruciaal.

Maar een poulewedstrijd? Als je die wint en je kunt eerste worden, kies je wel meteen voor de meest directe weg naar een medaille. Gisteren heb ik voor alle zekerheid nog eens de vraag opgeworpen bij een gesteld lichaam van het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité. Die gaf toe dat het ongewoon was, maar de voordelen wogen op tegen de nadelen. De nadelen kende ik, dus vroeg ik naar de voordelen. Antwoord: “De eer, de trots.”

Het is niet te hopen dat ze vandaag rond zes uur in de Belgische ochtend op hun donder hebben gekregen, maar als het toch is gebeurd en Denayer bakte er toevallig niks van, dan is die trots van heel korte duur gebleken. En als het niet is gebeurd en ze hebben gewonnen, dan nog was het belachelijk en topsportonwaardig.

(ZE HEBEBN DIE WEDSTRIJD GEWONNEN. IK WIST NIET DAT ZE ZOVEEL CONDITIE OP OVERSCHOT HADDEN, WONDERBAARLIJK)

Verhaal uit Tokio over de opening van de Spelen in De Morgen van vrijdag 23 juli 2021

De vervloekte Spelen

Of nog: de lege Spelen, de stille Spelen, de overbodige Spelen, de ongewenste Spelen, de Orwelliaanse Spelen, de laatste Spelen,… Maar, Covid of niet, publiek of niet, in Tokio opent vanavond een jaar te laat het oudste en grootste sportfeest van de mensheid, de Olympische Spelen.

Tokio, de stad van de Spelen van de 32ste Olympiade, was vorige week bij onze aankomst nog niet in the mood. En gisteren nog steeds niet, één dag voor wat meestal de grand opening is van zestien dagen sportieve glorie. Inmiddels is het duidelijk: Tokio zal nooit een olympische mood kennen. Er zouden olympic lanes zijn. Niet gezien. Er zouden vlaggen moeten hangen in het straatbeeld. Niet gezien. Ondanks alles zal worden gesport op het scherpst van de snee, in een recordaantal van 33 sporten nog wel. Er zijn meer medailles dan ooit te winnen, maar wat een sfeervol mondiaal feest moest worden, de grote opening van Japan naar de wereld en een boost voor het toerisme, zal beginnen en eindigen in mineur. De olympische vlam die op 8 augustus wordt gedoofd, zal nooit meer zijn dan een waakvlam.

De sfeer is anders, ingehouden, op het randje van angstig voor wat moet komen en hopelijk niet komt: een massale uitbraak van de deltavariant die de competities zou stilleggen en een langer verblijf voor de tienduizenden – atleten, begeleiders, bonden, media en vips – in Tokio zinloos zou maken. Elk positief geval, in de betekenis van coronabesmet in plaats van betrapt op doping, wordt hier door de media onthaald als breaking story en uitvergroot als een direct gevaar voor de volksgezondheid. Voor een goeie duizend besmettingen op een populatie van 35 miljoen in groot-Tokio komt dat bij West-Europeanen over als paniek en hysterie.

Slechts bij 26 van de 750 eventsessies zijn toeschouwers welkom. Dat zijn locaties die ver buiten Tokio liggen. Daar zijn evenveel of even weinig besmettingen.

Inmiddels is de spinmachine van het IOC ook in gang geschoten en wordt subtiel de schuld voor deze lege Spelen in de schoenen geschoven van een gefaald vaccinatiebeleid. Nog maar een kwart van de Japanners zou volledig gevaccineerd zijn.

NOlympics

Het is geleden van de Romeinse keizer Theodosius I dat de Olympische Spelen zo op de proef zijn gesteld. Als devoot katholiek had hij een hekel aan heidense spektakels en Theo I schafte de Spelen af in 393 na Christus. Een goede zestienhonderd jaar later zou baron Pierre de Coubertin die antieke traditie weer tot leven wekken.

De moderne Olympische Spelen waren geboren en wekten wereldwijd interesse op. Al heel snel werden ze de speelbal van de politiek, van actiegroepen en later ook van terreur. Er zijn Spelen nadien niet doorgegaan – altijd door oorlogen, 1916, 1940 en 1944 – en er zijn Spelen geboycot en onthoofd – 1956, 1976, 1980 en 1984 – maar nooit zijn Spelen een jaar uitgesteld.

Dat was niet het enige wat Tokio 2020 op de proef stelde. Er waren schandalen rond omkoping van Afrikaanse IOC-leden door het Tokyo bid. Er was de cancelcultuur die de kop kostte van enkele antieke kopstukken van het organisatiecomité die een grapje hadden gemaakt ten koste van vrouwen. De regisseur/componist van de openingsceremonie moest deze week ontslag nemen. De 52-jarige had als tiener ooit een gehandicapte medeleerling onheus bejegend en zich daarvoor geëxcuseerd. Volstond niet. Weg ermee, net zoals met de nummer twee, Koba- yashi, gisteren ontslagen omdat hij ooit als komiek een grapje had gemaakt over de Holocaust. In 1998. Het is hier op eieren lopen met al die lange tenen. Elk negatief nieuwtje is koren op de molen van de NOLympics-beweging. Die kreeg een jaar geleden vleugels met de ziekte en het aftreden van de motor achter de kandidatuur, premier Shinzo Abe. Een kleine opstoot van covidbesmettingen, verwaarloosbaar vergeleken met de getallen in West-Europa, deed de rest.

Het is onduidelijk hoe gewenst dan wel ongewenst de Spelen hier zijn. De bevolking die er niks mee te maken heeft, kijkt verveeld weg. Wie voor de Spelen als vrijwilliger werkt, doet zijn uiterste best om het iedereen naar de zin te maken, en hoewel de bewegingsvrijheid beperkt is zijn er ook voordelen: nooit zijn de securitycontroles zo vlot verlopen.

De commerciële en financiële gevolgen voor de direct betrokkenen bij deze Olympische Spelen zijn niet min. Neem nu TOP, wat staat voor The Olympic Partner Program. Dat zijn de bedrijven die ongeveer 85 miljoen euro investeren in een vierjarige olympiade. Nooit had het Internationaal Olympisch Comité meer TOP-partners dan vandaag. Vijftien is een absoluut record, maar Toyota heeft
al aangegeven dat het al zijn spots op televisie terugtrekt voor de duur van de Spelen. Dat is 100 miljoen in het water van Tokyo Bay gegooid, alleen uit schrik om bij de bevolking te veel te worden geassocieerd met deze ongewenste Spelen. Toyota-executives hebben ook verbod gekregen om naar de openingsceremonie te gaan. Panasonic, Procter & Gamble, Fujitsu en tal van andere bedrijven volgen dat voorbeeld. De voorzitter van Panasonic zal er wel zijn, maar vanuit zijn functie als vicevoorzitter van het organisatiecomité.

Financiële kater

Tokio is de best voorbereide olympische stad ooit, zeggen de experts van het IOC. Het zal niet beletten dat de metropool en bij uitbreiding heel Japan een kater zullen overhouden aan deze vervloekte Spelen, terwijl die juist een renouveau moesten inzetten na de economische recessie en de aardbeving/tsunami van 2011. Het enige soelaas zou kunnen komen van een enorme medaillewinst van het thuisland.

Toen Tokio zich in 2013 presenteerde aan de sessie van het IOC zouden de Spelen 6,5 miljard euro gaan kosten. Dat was duur ingezet, maar er stond wat tegenover, zoals het weer tot leven wekken van de erfenis van de Spelen van 1964, destijds een technologische kwantumsprong voor de live sportverslaggeving. Volgens officiële bronnen is dat budget opgelopen tot het dubbele, maar de Japanse regering denkt dat het dichter bij 17 miljard euro is uitgekomen. Het uitstel heeft minstens 3 miljard euro extra gekost,page1image24975456

en de return zal nul zijn. In de stadions werd 6 miljard dollar (5,1 miljard euro) geïnvesteerd, maar geen mens mag naar binnen, tenzij sporters en direct betrokkenen.

De aanblik van lege stadions zal pijn doen aan de ogen. Die ingreep van de Japanse regering en de lokale autoriteiten, onder druk van verkiezingen later dit jaar, wordt steeds meer op onbegrip onthaald, zeker nu alle journalisten beelden zien van haast volle honkbalstadions en halfvolle sumozalen. De argumentatie voor die discriminatie klinkt op het randje van xenofoob: bij 100 procent Japanse competities zijn geen buitenlanders betrokken, dus is er minder gevaar. Met 50.000 zijn ze, de buitenlanders die op basis van hun olympische accreditatie toegang tot het gesloten land hebben afgedwongen. Ze worden geacht in een zachte quarantaine te verblijven en contact met de lokale bevolking te vermijden. Dat is rekbaar, maar van olympische uitjes en etentjes laat na het werk is geen sprake.

Het worden Spelen om snel te vergeten, althans voor de omkadering ter plaatse, misschien minder voor de televisiekijkers. Waarom toch Spelen organiseren? Dat vragen vooral de Amerikaanse en Engelse media zich af. Dat is een open deur intrappen. Er zijn twee redenen waarom vanavond een behoorlijk saaie openingsceremonie, met veel minder atleten en begeleiders en zonder publiek, weer even lang zal duren. Ten eerste zijn de Olympische Spelen al een kwarteeuw de eigendom van de grote televisiezenders. Het Amerikaanse NBC alleen brengt in een vierjarige olympiade 40 procent van de inkomsten van het IOC op. Zij hebben spots verkocht, hun kijkers zitten te wachten, NBC wil Olympische Spelen.

Natuurlijk zijn het de Spelen voor de televisie en voor de sponsors, maar het zijn toch in de eerste plaats Spelen voor de atleten. De meeste olympiërs hebben zich de voorbije vijf jaar het pleuris getraind, vaak gratis of voor een schamel loon, om dit hoogtepunt in hun sportbestaan te beleven. Voor het overgrote deel van de 11.000 atleten is dit een eenmalig uniek avontuur. De vervelende beperkingen nemen ze er voor lief bij. En wij ook.

Column 6 uit Tokio: Banzai! in De Morgen van vrijdag 23 juli 2021

Banzai!

In 1989 ben ik voor het eerst over een grote plas gevlogen voor het werk. Dat was naar de VS. Ik kreeg toen op het vliegtuig van de Amerikaan naast mij die geregeld voor de NAVO heen en weer vloog enkele adviezen: pas je zo snel mogelijk aan de omgeving aan en probeer meteen de lokale tijd te respecteren. Hij had nog een levensles op overschot: make sure dat je wordt bediend, en niet zelf moet bedienen.

Uurverschil is lastig als je naar het oosten vliegt, valt mij altijd weer op. Aan de lokale omgeving wen ik snel, maar waar ik nooit zal aan wennen hier in Japan zijn die wc-brillen met lichtjes en gebruiksaanwijzingen. Die worden ongevraagd warm als je er gaat op zitten, alsof je net na een dikke Duitser komt op een Raststätte. Uiterst ongezellig.

De extra levensles van de Amerikaan heb ik mij ter harte genomen, al was het lot mij gunstig gezind. Ik behoor tot het deel van de bevolking dat wordt bediend. De decadentie neem ik er graag bij. Op de foto hierbij ziet u de taxichauffeur zoals die mister Hans-san begroet als die met zijn Mont Blanc-rolkoffertje uit de Toyoko Inn komt op het vooraf gereserveerde tijdstip. Off we go, naar het Main Press Center of vanaf morgen een competitieplaats.

We hebben veertien van deze gratis ritten gekregen in zogeheten TCT-taxi’s. Te gebruiken in de eerste veertien dagen van ons verblijf op Japanse bodem. Volgende week woensdag is het over met de pret en krijg ik een kaart voor het openbaar vervoer. Ik ben dan cleared en de app op mijn telefoon zal groen kleuren. Hoop ik. Als het niet lukt met de metro of de bussen van de organisatie kan ik nog altijd zelf die taxi betalen.

De decadentie van bediend worden heeft deze week een hoogtepunt bereikt toen ik onderweg vanuit de taxi Uber Eats checkte en bij een Indiër uitkwam. Na wat scrollen zag ik iets wat leek op chicken tikka masala, naan, en even verder, was dat geen tandoori chicken, of vergiste ik mij? Ik heb het allemaal besteld. Voor 20 euro, vervoer inbegrepen. Thuisgekomen met mijn zwarte limousine nam ik een douche en vijf minuten later stond ik beneden te wachten op een brommer met daarop Mr. Jun en mijn eten. Ik kon hen op de app zien komen aansnorren.

Toen ik even later terug de lobby binnenkwam, knipten de deskbedienden zich een collectieve hernia, blij te zien dat er toch één gaijin onder de journalisten had begrepen dat hij niet op restaurant mocht. Als hij nu ook nog die pas opgehangen dwingende adviezen – please eat in your room – had gelezen, zou het goed komen. Jawel, hij had het gelezen! Banzai! (Banzai is een beladen term maar betekent gewoon hoera.)

Overigens, ik ben wel al twee keer op restaurant geweest. Onzinnige maatregelen zijn er om niet te volgen, dat is zo bij ons en dat gaan we in Japan ook tijdelijk invoeren. Alleen zijn de restaurants in mijn buurt niet echt gezellig en eet ik liever op de kamer met mijn eigen muziekje erbij.

Deze Spelen doen mij voorlopig denken aan die in Peking, zij het dat de egards ten aanzien van uw edele in China in 2007 en 2008 nog iets meer uitgesproken waren. Dat had dan weer te maken met de nauwe banden die ik destijds onderhield met de locoburgemeester van Peking, wijlen Hein Verbruggen, en met IOC-voorzitter Jacques Rogge.

Hein, die Peking 2008 coördineerde, had de Chinezen bij mijn bezoek in 2007 wijsgemaakt dat ik very influential en een van de beste vrienden was van onze sportpaus. Die info was tot diep in ‘het systeem’ geraakt en daar opgeslagen. Op de julidag in 2008 dat ik mijn accreditatie aanbood ter validatie gingen alle luide en stille alarmen af. Ik werd nog steeds in de gaten gehouden, door twee mannen nog wel, maar ik werd ook elke ochtend door een halve hotelstaf naar mijn bus begeleid en elke avond bij mijn blijde intrede door de andere helft begroet. Als u mij niet gelooft, toenmalig collega Kristof Windels zal het volmondig beamen.

Wat doet zo’n journalist nog in het buitenland, vraagt u zich af? De lokale kranten lezen, zoals elke buitenlandcorrespondent, op zoek naar aardigheidjes die in de eigen stukken of columns kunnen worden verwerkt. Hier ben je snel klaar als je dat Japans niet kunt lezen. Hoewel, er zijn The Japan Times, The Japan Daily News, The Japan News, Japan Today en The Asahi Shimbun. Die ga ik, nadat ik
dit heb getikt, uitpluizen, nota’s nemen van het meest informatieve en leukste. De neerslag daarvan leest u elders in deze krant, in het grote verhaal over de opening van de Olympische Spelen van de 32ste olympiade.

Morgen begint het echt. Met hockey: België tegen Nederland. Laat de Spelen beginnen (en vooral niet stoppen.)

Verhaal uit Tokio over Thomas Bach in De Morgen van donderdag 23 juli 2021

Thomas Bach, de minst geliefde bobo aller tijden

De voorzitter is door Japanners met een gebrek aan historisch besef vergeleken met Hitler en zijn mammoetorganisatie wordt hier in Tokio uitgespuwd als een bezettingsmacht. Koren op de molen van de wereldpers, dat kappen op het Internationaal Olympisch Comité. Maar hoe slecht/fout/los van de realiteit zijn de seigneurs van Lausanne nu echt?

IOC-voorzitter Thomas Bach is met afstand de minst populaire sportpaus ooit. Ter vergoelijking: hij moet de wereldsport in goede banen leiden in een bijzonder moeilijke periode. Jacques Rogge begon dan wel net na de aanslagen van 9/11, maar er is geen vergelijking mogelijk: Rogge mag blij zijn dat hij in 2013 na twaalf jaar moest vertrekken. Na die machtswissel ging het immers van kwaad naar erger met het imago van de olympische beweging en het Internationaal Olympisch Comité.

Bach begon in 2014 met Sotsji en de grote Poetin-show, later ontmaskerd als het grootste massale dopingbedrog ooit in de sport. Vervolgens kwam Rio 2016, een extravaganza die dat land zich niet kon veroorloven. Oké, de Belg Henri de Baillet-Latour zal het in de jaren dertig en in de oorlog ook niet onder de markt hebben gehad met al die afgelastingen, maar als nazisympathisant doodgaan tijdens de Duitse bezetting leverde hem alvast een begrafenis op met een hakenkruis op zijn kist.

Als Bach de komende weken in Japan zou doodgaan – van ergernis, want hij is fit en wel – wordt hij in een kartonnen doos met een touwtje in een cargovliegtuig stante pede teruggestuurd naar Würzburg. Jawel, zo erg is het hier in Japan gesteld met het imago van de lider maximo van de sport. Waarlijk niets kan hij goed doen.

Neem nu die aankondiging van de zogeheten olympische vrede, een tweejaarlijkse oproep van de Verenigde Naties om tijdens de Spelen de wapens neer te leggen. Daar heeft nog geen enkele oorlogvoerende partij zich aan gehouden en dat kan dus als window dressing worden afgedaan. Op die dag van de ingebeelde vrede bezocht Thomas Bach het memoriaal in Hiroshima, dat is de plek waar de Amerikanen in 1945 hun eerste atoombom hebben gegooid.

De tweede bom viel twee dagen later op Nagasaki en toen pas vonden de al lang verslagen Japanners het ook welletjes. Die stad kreeg olympisch coördinator John Coates over de vloer. Je zou denken: mooi gebaar. Toen Bachs grote voorbeeld Juan Antonio Samaranch in 1994 Hiroshima bezocht, kreeg dat nog veel bijval. Dat bezoek van Samaranch kunnen we inmiddels kaderen in een later getorpedeerde poging om met het IOC de Nobelprijs van de Vrede in de wacht te slepen.

Dat was in die jaren ook de gedachte achter de toewijzing van de Winterspelen van 1994 aan het Noors boerendorp Lillehammer. Het zijn de Noren die volgens het testament van Alfred Nobel de prijs voor de vrede uitreiken. Maar Bach en Coates werden op de sociale media, die overlopen van haat tegenover de Olympische Spelen en alle niet-Japanners die de oversteek hebben aangedurfd, weggezet als platte opportunisten.

Het is correct dat het IOC bij toewijzing van zijn olympisch circus aan een stad keiharde garanties wil en dat het die laat opnemen in het host city contract. Die overeenkomst wordt nu gebruikt door de Japanse regering om Bach en co als een bezettingsmacht te framen. De populariteit van de Japanse premier Suga zit ver onder de vijftig procent en dat is nooit eerder vertoond in dit land.

Bach werd dus deze week de Hitler van de sport genoemd in een gretig gedeeld commentaar op sociale media. Japanners die hadden opgelet in de geschiedenisles, vóór die door de nieuwe patriotten is herschreven met de Tweede Wereldoorlog als een voetnoot, wezen er fijntjes op dat dit een heel ongelukkige vergelijking was. Bach had ook het ongeluk om in een van zijn eerste speeches het Chinese volk – euh… Japanse natuurlijk – te danken.

Daarenboven is ook het vierjaarlijks olympisch voorbereidingstoernooi in de discipline overdrijven van start gegaan en wordt elk minder goed nieuws uitvergroot als het einde van de wereld. Elke besmetting van iemand die iemand kent die gerelateerd is aan de Spelen, is het equivalent van een etterende ebolabom.

Neen, ze zijn niet gelukkig daar in The Okura, het hotel in de ambassadewijk Toranomon-Minato, centraal gelegen tussen de twee grote olympische clusters, dat als hoofdkwartier van de olympische pispaal moet dienen. Het IOC ondergaat het lijdzaam en hoopt dat het zo snel mogelijk zondagavond 8 augustus is om dan te kunnen vertrekken en voorlopig niet terug te keren.

Geen eigen sponsors

Ook in de aanloop naar de Spelen kreeg het al de nodige kritiek te slikken, en hoe het ook spinde, draaide of keerde, alles was de schuld van de mammoettanker uit Lausanne. Regel 40, paragraaf drie van het Olympisch Charter, die bepaalt dat atleten hun eigen sponsoruitingen niet onbeperkt mogen veruitwendigen in olympisch verband, is al een paar Spelen kop van jut. Het IOC geeft maar met mondjesmaat toe om de belangen van eigen sponsors, die van de organisatie en de partners van de nationale olympische comités te beschermen.

In 2019 werd de organisatie Global Athlete opgericht door Ron Koehler, die eerder bij het Wereld Antidopingagentschap (WADA) aan de deur was gezet. Die stelt niet veel voor als atletenvakbond, maar kreeg wel een podium in de Washington Post die Bach recent neerzette als Baron von Ripperoff (afperser), en in The New York Times. Als je enerzijds atleten verplicht een ontheffing te tekenen voor wat hen kan overkomen door corona, anderzijds belet hen de eigen sponsors te bedienen, en je zet daar geen vergoeding tegenover, dan is deze binnenkopper het resultaat.

Het IOC is evenwel niet de graaiende superbond die alles voor zich houdt. Van de circa vijf miljard dollar inkomsten die het zelf in een olympische cyclus vergaart (4 miljard dollar van tv-rechten) houdt het tien procent voor zichzelf. De rest vloeit terug naar de organisatoren van de Olympische Spelen (2,5 miljard dollar), de nationale olympische comités (1,3 miljard dollar) en de internationale sportbonden (750 miljoen dollar). Bij de grote voetbalbonden blijft alvast meer geld plakken en worden de voorzitters rijkelijk betaald, terwijl Bach zijn onkosten krijgt vergoed.

Er zijn nog olympische regels die storen. Rule 50 bijvoorbeeld. De bepaling dat op de olympische podia (het stadion, het medaillepodium) niet aan politiek mag worden gedaan, stuit op veel kritiek, niet het minst bij de Black Lives Matters-beweging. Om dat allemaal een beetje in de hand te houden heeft het IOC de atletenorganisatie Athlete 365 opgericht, en die is gaan onderhandelen over wat mag en niet mag. De uitkomst was: niet veel, niet in het dorp en niet als de tv in de buurt is.

Politiek activisme

Het is wachten op de eerste zwarte atleet die zijn of haar medaille krijgt en dan gaat knielen met de vuist in de lucht terwijl de The Star-Spangled Banner speelt. Vast staat dat die niet zal geëxcommuniceerd worden zoals met John Carlos en Tommie Smith in 1968 gebeurde. Vast staat ook dat elke reactie van het IOC of de lokale organisatoren op kritiek zal worden onthaald.

En dan is er nog het grote mysterie waarom de Russische delegatie, officieel uitgesloten na het dopingschandaal van onder meer Sotsji, welkom is in Tokio, weze het dan onder een andere naam en met een andere hymne, maar wel met Russia op de rug en met dezelfde rood-wit-blauwe kleuren. In deze discussie wordt wel eens vaker over het hoofd gezien dat doping een bevoegdheid is van het WADA en dat het WADA bestaat uit de helft vertegenwoordigers van de sportbonden, waaronder het IOC, maar ook de helft uit vertegenwoordigers van de regeringen.

Wat dan weer niet helpt voor het eindoordeel zijn de nauwe banden die Thomas Bach onderhoudt met Vladimir Poetin. Zo kunnen de Amerikanen die lakse houding tegenover de Russen makkelijk in de schoenen schuiven van het IOC en Bach. Toen tot overmaat van ramp de flamboyante sprintster Sha’Carrie Richardson enkele weken geleden haar olympische selectie door de neus geboord zag na positief te hebben getest op cannabis, was ook dat in de Amerikaanse pers de schuld van het IOC ‘who owns WADA’.

Dat de Europese landen voorstander waren om cannabisgebruik voor de meeste sporten van de dopinglijst te halen, maar dat het strafbaar bleef door een veto van de vertegenwoordiger van de Amerikaanse regering, deed even niet ter zake.

Column 5 uit Tokio: Rampjournalistiek in De Morgen van donderdag 22 juli

RANPJOURNALISTIEK

Mijn eerste Olympische Spelen waren die van Barcelona 1992. Ik was toen directeur communicatie bij het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité en derhalve perschef van de Belgische ploeg. Voorafgaand aan de Spelen las ik de buitenlandse kranten via het persoverzicht dat het Internationaal Olympisch Comité elke dag op mijn bureau bezorgde. Ik was onder de indruk: niets was in orde in Barcelona, het zou een puinhoop worden.

Daar aangekomen – veertien dagen van tevoren – waren ze nog het asfalt aan het gieten in het olympisch dorp en moest nog her en der een bord worden opgehangen, maar verder liep alles zoals het hoorde. Er was een verschil: de beveiliging. Dit waren niet de laatste Spelen die onder de dreiging van een te verwachten aanslag (de ETA in 1992, de Catalanen waren toen nog Spanjaarden) zouden plaatsvinden.

Atlanta 1996, Sydney 2000, Salt Lake City 2002 en Athene 2004 maakte ik mee in Nederlandse loondienst. Veel verschil maakte dat niet uit, maar mijn oude baas die mij voor Sport International naar Atlanta stuurde, had wel een goede raad. “Laat je niet meeslepen door die rampjournalistiek vooraf. Op de Spelen komt altijd alles goed.”

Dat is goede raad gebleken, al was Atlanta, de slechtst georganiseerde editie van de moderne tijd, misschien wel een kleine uitzondering. En er ontplofte een echte bom. Na 25 jaar is het ook misschien tijd om toe te geven dat die ene journalist die destijds aan een pershotel een busje kaapte en zelf naar de verzamelplaats voor bussen reed, dat ik dat was. Onze chauffeur was een mevrouw die twee dingen niet kon: met een auto rijden en de weg vinden. Zelf rijden leek de enige manier om op tijd op de bestemming te geraken.

Behalve anoniem met dat busje, haalde ik ook de headlines in de Amerikaanse pers met het verwijt aan de organisatoren “ik weet het dat dit de honderdjarige Spelen zijn, maar daarom moet je ze nog niet organiseren zoals de Grieken dat in 1896 deden”. Dat busje zou ik nu niet meer doen, op dat zinnetje was ik trots.

In Sydney was ik drie weken van tevoren. De Angelsaksische pers sprak over problemen, over stinkend water, over traffic jams en liet elke Aboriginal in Kakadu National Park (vier uur vliegen van Sydney) klagen dat hij niet beter zou worden van de Spelen. Disastrous zou het worden. De files kregen we, voor het overige liep het perfect.

In Athene was ik een maand voor het begin van de Spelen al een keertje poolshoogte gaan nemen. Die geraken nooit klaar, schreef ik toen. Fout. Wat raadt u: toen we daar anderhalve week voor het begin landden, leek Athene veranderd en liep het – naar Griekse begrippen – als een trein.

Peking 2008, Londen 2012: probleemloos. Rio 2016 was andere koek. Een rampverhaaltje was op zijn plaats maar toen drie dagen voor de Spelen de nieuwe metrolijn begon te rijden, was ook veel ellende opgelost. Tokio 2020 was in maart van vorig jaar al goeddeels klaar met alles toen het uitstel werd aangekondigd. Nieuwe venues waren gebouwd, de oude opgeknapt en de tijdelijke zaten in de planning. Er moesten alleen nog een paar vlagjes worden opgehangen.

De rampjournalistiek zou een hele kluif hebben aan Tokio. En toen besloten de Japanners in een kramp te schieten en geheel onjapans de eigen kleine ellende uit te vergroten en te veruitwendigen. Dat was gevonden vreten voor de grote persagentschappen en de grote Amerikaanse kranten. Geruchten gingen sneller dan het coronavirus en losse zinnen gingen een eigen leven leiden. Op de vraag of de Spelen nog in gevaar zouden kunnen komen, antwoordde de Japanse voorzitter van het organisatiecomité: “We houden het in de gaten en we kunnen niets voorspellen. Als er zich iets voordoet, zullen we handelen.” Hoe kwam dat in de wereldpers? “Spelen kunnen te elfder ure nog worden afgelast.”

De Olympische Spelen en de olympische beweging trekken dat soort journalistiek aan. Die wordt gestuurd vanuit Angelsaksische hoek, in combinatie met een flink anti-Bach-sentiment, nog het sterkst in diens eigen thuisland Duitsland. De andere media hollen die achterna. De cancelcultuur, met de sociale media als brandversneller, zit de olympische beweging op de hielen.

Als die 4.000 journalisten van de geschreven pers en die 10.000 van de audiovisuele media zouden inzitten met de 11.000 atleten die hier de komende zestien dagen hun stinkende best willen doen in de hoop op glorie, dan zouden ze de noodtoestand als Japanse hypocrisie en hysterie moeten afserveren. Tokio heeft meer inwoners dan België en minder besmettingen. Het enige gevaar dat atleten hier lopen, zijn de onmogelijke temperatuur en luchtvochtigheid voor de buitensporters.

Verhaal over de Japanse sport in De Morgen van dinsdag 20 juli 2021

Trots Japan steekt China naar de kroon

In het sumo vochten twee Mongoliërs de finale in de Emperor’s Cup in Nagoya en in Tokio protesteerden de Zuid-Koreanen met succes tegen een Japanse oorlogsvlag die weg moet uit alle olympische locaties. In de sport is de geopolitiek nooit ver weg.

De mondmaskers hingen bij de meeste van de 3.500 toeschouwers onder de mond toen afgelopen zondag yokozuna Hakuho ozeki Terunofuji met een simpele kotenage of armklem ten val bracht. De yokozuna (groot-kampioen) had de ozeki (kampioen) verslagen en won daarmee zijn 45ste Emperor’s Cup.

Japan ging collectief door het dak voor twee Mongoliërs die een Japanse naam hadden aangenomen, van gewoon dik extreem dik waren geworden, vervolgens wat Japanse karakters hadden geleerd om ten slotte van nationaliteit te veranderen. Omdat ze al hun kampen winnen, zijn ze helden in sumoland.

De beelden van het toernooi met hitsige, schreeuwende toeschouwers werden met argusogen gevolgd in The Okura Hotel, het IOC- hoofdkwartier. De Japanse sport mag halve zalen en hele honkbalstadions vullen met Japanners, maar de Olympische Spelen moeten het zonder diezelfde Japanners stellen.

Inmiddels was het de voorbije dagen business as usual in de Aziatische sport. In het olympisch dorp vielen de Zuid-Koreanen over de weinig subtiel opgehangen Japanse vlaggen met de rijzende zon. In grote delen van Azië, niet toevallig waar de Japanners tussen 1910 en 1945 lelijk huishielden, worden die geassocieerd met oorlogsagressie en vergeleken met de swastika. Het Internationaal Olympisch Comité greep in: weg met die vlag, alleen die met die ene rode bol was toegelaten. Conservatief Japan stond op de achterste poten.

Tokio begon de kandidatuur voor de sessie van 2013 en de Spelen van 2020 voor te bereiden in 2009, een jaar na de zo succesvol verlopen Olympische Spelen in Peking in China, de beste tot op heden. Alles kwam in een stroomversnelling na de aardbeving en tsunami van 2011. De heropbouw van Japan, het herwinnen van de Japanse trots, sportland Japan op de kaart zetten, dat mocht ineens een yen kosten en meer dan één. Wat China kon, dat kon Japan ook. Reconstruction Games, dat moesten het worden.

Volgens Samuel Huntington in Botsende beschavingen is Japan een van de acht wereldbeschavingen en de meest homogene. Dat spreken de Japanners niet tegen. Voor de partij van premier Shinzo Abe die de Spelen naar Tokio haalde, was het hoog tijd om de suprematie van die Japanse beschaving ook in de sport te veruitwendigen.

Kadaverdiscipline

Aan het Japans sportsysteem zit een extreem kantje. Sport is er een gesublimeerde, gekanaliseerde en gereglementeerde vorm van agressie. De Japanse sport is zoals de hele Japanse maatschappij gebaseerd op kadaverdiscipline. Wie ooit een training zag van
de nationale vrouwenploeg in het volleybal zal die nooit vergeten. Uren aan een stuk dezelfde driloefeningen, tot ze erbij neer vallen. Schreeuwende coaches die tientallen ballen afvuren op de verdedigsters, die zich met oorlogskreten proberen staande te houden. Elke dag opnieuw, geconditioneerd als hondjes van Pavlov.

Meteen na de Tweede Wereldoorlog werd sport een verhaal van de grote opkomende corporaties en staatsbedrijven. Fabrieksploegen overspoelden de sport, groet aan de fabrieksvlag bij het begin en het eind van de training was de regel. De recessie in de jaren negentig en de internationalisering van het bedrijfsleven diende de fabriekssport een genadeslag toe, en meer dan tweehonderd fabrieksteams in verschillende sporten gaven er de brui aan.

Het talent werd vanaf dan opgevangen in staatsstructuren en sportuniversiteiten. Dat bleek een geluk bij een ongeluk. Begin deze eeuw werd het Japans Sportagentschap (JSA) opgericht en dat ontplooide meteen een plan voor talentontwikkeling.

In Japan staat sport voor de heroïsche strijd van ’s lands elite. Het tekende voor de eerste deelname van een Aziatisch land aan de Spelen toen het in 1912 in Stockholm twee atleten afvaardigde. De sprinter werd twee keer laatste en de marathonloper kreeg een dipje onderweg, waarna enkele Zweden hem met sinaasappelsap erbovenop wilden helpen. Dat lukte niet en hij liep niet uit.

Shizo Kanakuri verliet Zweden een dag later zonder iemand iets te zeggen, beschaamd om zijn falen. Zweden gaf hem op als vermist. Hoewel hij ook in Antwerpen in 1920 de marathon liep voor zijn land, bleven de Zweden naar hem zoeken. Vierenvijftig jaar later vonden ze hem alsnog en nodigden hem uit om de marathon te volbrengen. Hoe de toen 75-jarige leraar aardrijkskunde zijn laatste stuk van de olympische marathon van 1912 volbracht in 1966 is vereeuwigd in een docu.

Het eerste olympisch goud ooit voor een Japanse atleet was voor de hink-stap-springer Mikio Oda in Amsterdam in 1928. In Los Angeles vier jaar later toonde Japan dat het sportief heel wat in de mars had door vijf van de zes zwemfinales te winnen. Pas vier jaar later in Berlijn zou de eerste Japanse vrouw goud winnen, ook een zwemster.

In 1940 hadden de Spelen in Tokio moeten plaatsvinden, maar de Japanse agressor werd de Spelen ontnomen en mocht ook in 1948 niet aanschuiven. Japan werd onder Amerikaanse curatele snel opgenomen in de westerse wereld, hoewel het pas in 1951 een vredesverdrag ondertekende. In 1956 werd het al lid van de Verengde Naties en twee jaar later kreeg het als eerste Aziatisch land de Spelen toegewezen.

De Zomerspelen van 1964 – wijselijk gehouden in de koelere maand oktober – werden een triomf voor een land dat zichzelf opnieuw had uitgevonden. Japan mikte op twee nieuwe sporten waarin het zelf erg goed was: judo en volleybal. Werd dat even een tegenvaller toen de Nederlander Anton Geesink in de open klasse hun god Akio Kaminaga met ippon versloeg. Op langere termijn bleek die introductie van judo toch een goede beslissing want met 39 gouden judomedailles overtreft Japan ruimschoots de nummer twee, Frankrijk, die er veertien heeft gewonnen.

Oosterse Tovenaressen

Ook de volleybalmannen waren in 1964 niet opgewassen tegen de lengte en kracht van de Kaukasiërs uit Europa. Het waren de Japanse volleybalvrouwen die de veel sterkere en langere Russinnen murw kregen door hun onklopbare verdediging en hen in de fout te lokken. Japan stond op zijn kop. De overwinningen van de ‘Oosterse Tovenaressen’, allemaal leden van een fabrieksteam dat zes dagen op zeven vijf uur trainde, hebben meer gedaan voor de ontvoogding van de vrouw in Japan dan welke beweging ook.

Een andere held van de Japanse sport was zwaargewicht-judoka Yasuhiro Yamashita. Die won tussen 1977 en 1985 204 kampen op rij, maar miste de Spelen van Moskou door de boycot. In 1984 in Los Angeles liep hij in zijn eerste kamp een spierscheur op in de kuit. Mankend en de pijn verbijtend vocht hij zich naar de finale tegen de sterke Egyptenaar Ali Rashwan. Die spaarde het rechterbeen van de Japanner en Yamashita werd een legende door op één been goud te winnen.

De doorbraak van Japan als sportnatie kwam in Athene met zestien gouden plakken, wat meer was dan de vier vorige Spelen samen. Zoveel goud hebben ze nadien nooit meer gehaald. De nieuwe ster van de Japanse sport werd een schoolslagzwemmer, Kosuke Kitajima, met ver keer goud op twee edities. Toen in Peking in 2008 de Japanse softbalvrouwen ook nog eens het goud wonnen ten koste van de VS was het duidelijk dat Japan als sportland grote stappen had gezet.

Uit Rio keerden ze terug met 41 medailles, een record, maar slechts twaalf keer goud. Dat moet nu beter. De gymnast Kohei Uchimura was in Rio de leading man. In Tokio zal het mannelijke equivalent van Simone Biles deelnemen aan zijn vierde Spelen op rij en hij mikt op een achtste medaille en zijn derde opeenvolgende goud in de meerkamp.

Volgens Gracenote zou Japan 59 medailles winnen, waarvan 34 keer goud. Dertig keer goud is het officiële target van het Japanse olympisch comité. Dat getal is geen toeval. China won 26 gouden medailles in Rio. Dertig is beter doen dan China en in de officiële medailletabel – die goud eerst telt – zou dat betekenen dat Japan het eerste Aziatisch land wordt. Is China als economische mogendheid niet meer in te halen nadat het in 2010 Japan van de tweede plek verdrong, dan moet het maar in de sport.

Column 4 uit Tokio: Moshobi in De Morgen van dinsdag 20 juli 2021

Moshobi

Moshobi – met een eerste lange o – betekent smoorhete, broeierige dagen in het Japans. Ik had erover gelezen, maar toen ik in Tokio arriveerde goot het water en stonden de straten blank. Misschien daarom dat ik die aangekondigde hitte wel vond meevallen. Ik kon geregeld de airco – zo’n Toshiba-bak boven mijn hoofd die richting bed blaast – uitzetten en met het raam open was het ’s avonds best aangenaam.

Ik heb een naar Japanse begrippen reuzenkamer met twee dubbele bedden, een tafeltje met twee stoelen, een bureautje met één stoel en een apart badkamertje. Het is mijn vierde keer in Japan en de laatste keer in Osaka bij het WK atletiek had ik een eenpersoonskamer die makkelijk paste in mijn huidige badkamer. Ik moet dat filmpje nog ergens hebben waar ik demonstreer hoe ik vanuit mijn bed de douche kon aanzetten, de kamerdeur openen en de televisie handmatig bedienen. Daarom heb ik nu een dubbele kamer en daar ben ik heel blij mee. Dat was overigens gedoe, want de Japanners bleven maar vragen wie mijn slaapje was.

Ik zit nu te tikken aan mijn bureautje en de airco doet hard haar best om de temperatuur te laten zakken. Ik drink Pocari Sweat, een isotone dorstlesser. Ik voel de aangekondigde hitte sinds gisteren.

Zomerspelen worden altijd op hete plekken op deze planeet georganiseerd. Dat komt omdat het Zomerspelen zijn en geen Winterspelen. Maar één keer zijn de recente Zomerspelen aan het eind van de winter georga- niseerd en dat was in Sydney in 2000. Geen wonder dat dit met afstand de meeste aangename Spelen waren die mijn generatie journalisten ooit heeft meegemaakt. Soms had je een jasje nodig – Sydney heeft vier seizoenen in een dag – maar meestal niet. De late nights in Darling Harbour, glaasje Australische chardonnay met een visje, fusion klaargemaakt, pure magic.

Atlanta 1996 was erg heet, Peking 2008 was wellicht nog heter, Tokio 2021 topt ze allemaal. Drieëndertig graden is best te behappen, zegt u? Kijkt u dan maar even op de weerapp: voelt als 46 graden. Dat komt door de luchtvochtigheid: 71 procent. Het koelt hier aan de Stille Oceaan ook niet af zoals in Peking, dat midden in het vasteland ligt en koelere nachten en avonden kent.

Behalve dan die ene avond van de openingsceremonie toen het had moeten regenen, maar vliegtuigen iets op de wolken hadden gegooid waardoor die niet uitvielen. De keerzijde was dan wel dat het in het stadion bloed- en bloedheet werd en dat we ons allemaal te pletter zweetten. Maar: het regende niet en de openingsceremonie in Peking in 2008, tot op heden zowat de meest extravagante show die ooit door mensen in elkaar is gestoken, was gered.

Het zijn de leden van het Internationaal Olympisch Comité die de olympische steden kiezen. Vroeger, toen de omkoping nog welig tierde, werden de leden massaal uitgenodigd om te komen kijken hoe mooi de stad was, hoe lekker het eten, hoe goed de chirurgen nieuwe knieën konden steken, enzovoort. Jacques Rogge verbood zijn leden om nog langer naar steden te reizen. Voortaan zou een vaste commissie de bidbooks beoordelen en een advies uitbrengen.

Ik ben zelf weleens deel geweest van een olympisch konvooi dat met alle egards werd ontvangen, dus ik kan mij iets voorstellen bij hoe zo’n commissie een stad afstapt. Welnu, eerst en vooral, die stappen niet, geen meter. Die worden overal gebracht: van limousine naar vijfsterrenhotel, naar vergaderzaal met airco, weer naar enkele venues ook in limo’s met airco en dan naar huis.

Als ze die commissie voor Tokio (en voor de volgende steden) hadden samengesteld met leden die in staat zijn tien kilometer te joggen en ze hadden die op het voorziene uur van de marathon hun tien kilometer laten lopen, de uitkomst van dat rapport was helemaal anders geweest. In het bidbook van Tokio stond dat het overdag aangenaam warm was maar koel als de zon onderging. Niks daarvan. Het is hier bloody hot.

Pas in 2019, zes jaar nadat Japan de Spelen kreeg toegewezen, was er gedoe over de marathon in Tokio begin augustus. Daarop besloot het organisatiecomité gedurende verschillende nachten het hele marathonparcours te bekleden met een hitteweerkaatsende zilveren bovenlaag. Toen uit testen bleek dat het voor de lopers geen graad verschil maakte en verblindend werkte voor het verkeer werd de marathon naar het duizend kilometer noordelijker en hoger gelegen Sapporo verplaatst. Daar was het gisteren 35 graden, voelde als 43. De minimumtemperatuur is er ook 23 graden.

Al die ellende hadden ze zich kunnen besparen: enkele joggers met loopschoenen en ze wisten het meteen. Buiten sporten in Tokio, no way. Zaterdag ga ik kijken naar het hockey. België tegen Nederland, aanvangsuur 11.45 uur. Ik hoop op schaduw in de perstribune.

Column 3 uit Tokio: PSA in De Morgen van maandag 19 juli 2021

Prostaatspecifiek antigeen

Ik liep – slenterde – gisteren van beschutting naar beschutting in de Media Transportation Mall. Dat is de plek waar ze ons per bus dumpen en ons terug oppikken om ergens anders heen te rijden, of gewoon voor het retourtje richting mediahotel. Het was kort na de middag en een hele aardige volunteer had eindelijk mijn A545-bus gevonden. Ik moest bij standje dertien zijn en onderweg daarnaartoe kwam ik deze jongen tegen. Hij stond voor de ingang van het IBC.

Even tussendoor: als u mee wilt zijn met deze column moet u de olympische afkortingen kennen en liefst uit uw hoofd leren. IBC staat voor International Broadcasting Center, MPC voor Main Press Center. Wij van de geschreven pers mogen in het MPC, niet in het IBC. De audiovisuele pers mag in het IBC én in het MPC.

Onrechtvaardig? Sport is georganiseerde en in reglementen gegoten onrechtvaardigheid en de toegangsregels tot de perscentra zijn dat ook. Dat komt omdat die van het IBC doorgaans goed geld betalen voor uitzendrechten en dus mogen die iets meer. Er zit ook een schaduwkant aan: sinds de vorige Spelen mogen ze niet meer overal zomaar binnen bij de competities. Er zijn Spelen geweest dat kabelslepers met een halve dag vrij heelder perstribunes innamen. No longer.

Deze jongen bewaakte de lange rij om binnen te gaan bij de veiligheidsscreening van het IBC. U ziet geen rij? Ik ook niet, daarom deze foto. Hij stond in de blakende zon (34 graden in de schaduw en ik schat ruim 50 in de zon) en hij bleef daar maar staan. Ik ben dichterbij gekomen om te zien of het geen robot was want tegenwoordig weet je nooit en al helemaal niet in dit land van robots.

Lach niet, ik ben er al een tegen het lijf gelopen. Hij was herkenbaar want hij leek als twee druppels op die kleine uit Star Wars, maar ze hebben er ook die echt op mensen lijken. Neen, deze was geen robot, en hij lachte toen ik hem vroeg of ik een foto mocht nemen. Op zijn bord stond PSA en dat vond ik ook alweer interessant omdat het onmogelijk de afkorting kon zijn die ik de laatste jaren heb leren kennen: prostaatspecifiek antigeen.

Mannen boven de vijftig (en daar zit ik boven) weten doorgaans wat PSA betekent en als ze het niet weten, zijn ze onvoorzichtig. Deze PSA heb ik opgezocht in ons mediahandboek: het staat voor Pedestrian Screening Area, de plek dus waar je te voet doorheen moet om gecontroleerd te worden op bommen of ander gevaarlijk tuig.

Not too hot? Dat vroeg ik aan deze vrijwilliger. Hij begreep mij, maar hij was een Japanner en dus stond hij in dubio. Yes was zwakte toegeven. No was flagrant liegen. Het werd iets tussenin, een schaapachtige glimlach. Ik nam de foto, schudde het hoofd, liep snel naar een parasol en zei “only in Japan”. Hij knikte.

U kunt mij nu een eurocentrist en een Aziaten-basher noemen, maar dat is de realiteit: behalve in Japan zijn er weinig landen in de wereld waar iemand uren in de blakende zon gaat staan met een bord dat totaal geen functie heeft, althans niet op het heetst van de dag als iedereen die binnen moet zijn al lang binnen is.

Alleen ja, zo gaat dat hier, een overste had hem bij de briefing voor zijn gewichtige taak gezegd dat hij op dat kruisje moest staan – er waren twee gekruiste lijnen op de grond geplakt. Iets banaals als een hitteslag of surreëels als een compleet onbestaande rij zou daar niks aan veranderen. Een tsunami misschien wel, maar nu begeef ik mij op glad ijs.

Ik moest wel terstond terugdenken aan de Amerikaanse technicus die ik een paar uur eerder in de rij voor de giftshop tegen zijn collega hoorde vertellen over zijn grootoom die bij Iwo Jima had gevochten. Toen hij nog leefde, had die verteld over hoe fanatiek Japanners waren in het blind opvolgen van bevelen. Zijn laatste zin kon tellen: “No wonder we had to bomb the shit out of them.”

Ik heb bij vertrek hierheen aan onze bazen beloofd dat ik niet te veel zou refereren aan onzalige periodes die gevoelig liggen, maar deze kon ik niet laten liggen. En om dit en mijn eerdere verhalen over de al of niet vermeende angst voor buitenlanders wat te compenseren: tijdens mijn eerste dag buiten heb ik alleen maar aardige mensen ontmoet die mij vriendelijk goeiendag zegden en wilden helpen.

Van die haat tegenover de gajin, niks gemerkt. Ik werd ook niet behandeld als een virusbom. Sommigen raakten mij zelfs aan. In het perscentrum kwam een hele aardige dame mij een mooie origami geven. Of ik er nog wilde? Toen ik er nog twee vroeg voor mijn kleinkinderen schrok ze. “Kleinkinderen? U lijkt hooguit veertig.” Er zijn dus ook Japanners die hebben leren liegen. Het wordt hier ingewikkeld.