Pro League vol op de rem in De Morgen van zaterdag 26 januari 2018

Pro League trapt vol op de rem

profvoetbal vol op de rem

Over de exacte bedragen wil de Profliga nog wel eens moeilijk doen, maar ook zij kunnen de berekeningen niet tegenspreken die onomstotelijk aantonen dat de eersteklassers elk jaar ongeveer 70 miljoen euro cadeau krijgen in de vorm van verlaging van sociale lasten. Dat voordeel bestaat al vijftig jaar.

Tel daarbovenop nog 50 miljoen euro directe belastingen (bedrijfsvoorheffing) die de werkgevers sinds 2008 teruggestort krijgen en die in de plaats kwamen van een werknemersvoordeel. Opgeteld: 120 miljoen, maar andere berekeningen begroten het totale voordeel op zelfs 130 miljoen.

Ter vergelijking: diezelfde voordelen leveren het volleybal amper 600.000 euro op jaarbasis op. Dat is tweehonderd keer minder
dan het voetbal, waar het gemiddeld salaris van een kernspeler 350.000 euro bedraagt. “Jammer, maar helaas”, antwoordden de professionele voetbalclubs, de grote vijf op kop. “Als men ons deze voordelen wil afnemen, zal dat ten koste gaan van onze positie in Europa.”

Off the record werd zelfs gedreigd met politieke stemmingmakerij tegen politici die het voetbal wilden aanpakken. De CD&V’ers Roel Deseyn en Stefaan Vercamer durfden het toch aan en formuleerden in de zomer van 2018 een voorstel waarbij de sociale lastenverlaging alleen nog zou gelden voor maandsalarissen lager dan 6.800 euro. ‘Lage’ salarissen, kleinere clubs en minder kapitaalkrachtige profsporten (lees basket- en volleybal) zouden hierdoor worden gespaard.

Nog volgens het voorstel zou de verlaagde bedrijfsvoorheffing (80 procent vermindering) aan strengere voorwaarden worden gekoppeld en alleen nog kunnen dienen voor de opleiding van min-19-jarigen, in plaats van vandaag voor alle spelers jonger dan 26. Ten slotte wilden de twee parlementsleden de drempel verhogen voor niet-EU-voetballers: voortaan zou naar analogie met Nederland een minimumsalaris van net geen 500.000 euro gelden in plaats van de 80.000 vandaag.

Makelaars aanpakken

Minister van Sociale Zaken Maggie De Block (Open Vld) blokte het voorstel meteen af, drong aan op dialoog en vroeg de voetbalsector naar constructieve voorstellen. De problematiek kreeg een extra dimensie door het voetbalschandaal rond matchfixing, belastingontduiking en witwassen met enkele makelaars als spilfiguren.

Uit hoorzittingen in het parlement bleek al snel dat de voetbalsector (lees de clubs) vooral de makelaars wilde aanpakken, onder meer door de spelers de makelaars te laten betalen (wat in strijd is met de wet), maar anderzijds niet van plan was veel toe te geven op de voordelen.

Onlangs lekte uit dat hun ideeën rond sociale lasten compleet het tegenovergestelde beoogden van het voorstel Deseyn-Vercamer. De profclubs wilden het salaris waarop RSZ moest worden betaald verdubbelen van ongeveer 28.000 tot net geen 56.000 euro. Er was wel een uitzondering: voor spelers jonger dan 23 die drie jaar vóór hun achttiende verjaardag in België waren opgeleid – meestal Belgen – zou niks veranderen.

Een snelle rekensom leerde dat de 70 miljoen sociale lastenvermindering zou slinken tot 64 miljoen. De kleinere profclubs stonden op hun achterste poten: een lastenverhoging zou voor de laagste salarissen proportioneel veel hoger uitvallen dan voor de hoogste.

Over de bedrijfsvoorheffing deed de Profliga geen voorstellen. Of toch wel: afblijven, want de financiën van de sector profvoetbal mochten niet worden gehypothekeerd. Om een deeltje van die eerdere 6 miljoen extra sociale lasten te recupereren, liet de Profliga een ander ballonnetje op bij het paritair comité: dat het een concurrentieel nadeel was dat, in tegenstelling tot andere landen, trainers en technische stafleden niet als zelfstandigen mochten worden aangeworven.

Trainers en co. worden vandaag belast en betalen sociale lasten zoals gewone bedienden. Een terugkeer naar het zelfstandigenstatuut, waarmee in het verleden is geëxperimenteerd en waarvoor onder meer Leekens en Club Brugge en Sollied en KAA Gent hebben geboet, zou voor de voetbalwerkgevers een totale besparing van 3 miljoen aan sociale lasten betekenen en vooral ook minder ‘gedoe’ bij eventuele ontslagen.

Samengevat zijn dit de posities. De voetbalclubs willen dat alles bij het oude blijft of zijn hooguit bereid tot microscopische aanpassingen. De ministers van Werk en Sociale Zaken willen tegelijk hun kiezers tonen dat ze het probleem aanpakken én de kool en de geit sparen. De kleine sporten willen dan weer ontzien worden van elke verandering. De spelers hebben zoals wel vaker geen mening.

Zand in de ogen

Sporta, de spelersvakbond die resideert onder het ACV, deed het meest verregaande voorstel. In het paritair comité van 18 januari achtte Sporta een geleidelijke aanpassing van de RSZ onvermijdelijk, om zo te komen tot een RSZ betaald op het volledige salaris. Overigens was dat in 2001 al het advies van de Nationale Arbeidsraad: afschaffing van het lage forfait en een gefaseerd voorstel om uiteindelijk te landen bij sociale zekerheidsbijdragen op het volledige loon.

Copyright © 2019 Belga. Alle rechten voorbehouden

In datzelfde paritair comité kwam de Pro League met een rangschikking van landen volgens het sociaal zekerheidsregime voor voetballers. Op de eerste van zes slides stond België als het op vier na meest gunstige land van de achttien hoogst gerangschikte landen op de UEFA-ranking. Alleen Kroatië, Denemarken, Rusland en Oekraïne waren nog gunstiger.

In die laatste twee landen moeten voetballers het maar uitzoeken hoe ze zich verzekeren tegen ziekte. Denemarken stond daar onterecht en dat was al een eerste grote zandkorrel in de ogen. Sociale lasten worden daar voor een groot deel gefinancierd via de zeer hoge Deense belastingen, waar ook voetballers aan onderworpen zijn.

Naarmate de slides vorderden, zo weet een voetbalinsider, steeg België in de rangschikking. Bij de zesde slide met een rangschikking van de hoogste sociale lasten stond België niet langer vijftiende (veertiende min Denemarken) maar vijfde, na Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Zwitserland en Portugal. “Nog een slide en we stonden bovenaan als duurste land, maar dat hebben ze niet gedurfd.”

Het leek op een mooi stukje volkstheater. Niet alleen werd uitgegaan van een salaris van 650.000 euro, wat weinig realistisch is, maar werd ook in de laatste slide de groepsverzekering meegenomen. Die staat minder ter discussie omdat de materie ingewikkeld is, maar ze is naast de vermindering op sociale lasten en bedrijfsvoorheffing (belastingen) het derde grote voordeel van voetballers tegenover andere bedienden en voetbalclubs tegenover andere werkgevers.

Voetballers mogen tot 40 procent van hun salaris wegstorten en worden na hun carrière (andere werknemers die veel minder verdienen, mogen pas wegstorten bij hun pensionering) uitbetaald en op 20 procent belast. Bovendien werd in de berekening niet meegenomen dat veel clubs een groot deel van het salaris uitkeren als tekengeld of getrouwheidspremie (bij meerjarige contracten), en dat creatief boekhouden en ontwijking eerder de regel dan de uitzondering zijn.

De conclusie van de Pro League: als België op het echte salaris sociale lasten zou heffen, zou het de hoogste lasten van heel Europa krijgen. Over de verlaagde belastingen geen woord. Een ander argument in het pleidooi van de Pro League: onze clubs zijn zelden rendabel. Bepaald vreemd, met tv-rechten die dit decennium zijn verzesvoudigd en salarissen die zijn verdubbeld.

Import-export

De Profliga argumenteerde verder dat de voordelen die aan de sport zijn toegekend tot doel hadden de ontwikkeling van de sport te versterken. Wat daar destijds precies mee werd bedoeld, ook daar kan over worden gediscussieerd, maar een deel (de sociale lastenverlaging) had alvast te maken met het bevorderen van de jeugdwerking en die is er niet op vooruitgegaan.

De financiën wel, althans de omzet. Tot 2008 bedroegen de gemiddelde omzetten van de Belgische eersteklassers altijd net iets meer dan de helft van de Nederlandse. Ook het gemiddeld salaris bedroeg het dubbele. Vanaf 2009 stegen de Belgische omzetten sneller dan de Nederlandse, die zeven jaar lang ongeveer gelijk bleven. In het seizoen 2016-2017 zat België Nederland op de hielen met een gemiddelde omzet van 21,7 tegen 23,3 miljoen en de salarisverschillen waren uitgevlakt. Meer zelfs, het gemiddeld salaris zakte de laatste jaren in Nederland, terwijl het in België steeg en nu ver boven het Nederlandse gemiddelde piekt.

Nog een effect dat aan de gunstmaatregelen kan worden toegeschreven: de toegenomen handel in buitenlandse voetballers. In 1982-1983 verdienden geen 20 procent buitenlandse spelers hun boterham op Belgische velden. Twintig jaar later was dat 43 procent. Vandaag, na de wintermercato, bestaan de kernen van de zestien Belgische clubs uit bijna 65 procent buitenlanders.

Het lijkt er sterk op dat de gunstmaatregelen alvast in het voetbal niet zijn aangewend waarvoor ze waren bedoeld – onder meer de jeugdwerking. Wél om het Belgisch voetbal een concurrentieel voordeel te geven tegenover het buitenland en om de import-export van buitenlands voetbaltalent te financieren.

 

Column over Sporting Lokeren in De Morgen van zaterdag 26 januari 2018

Het relict Lokeren

FC Luik werd in 1896 de eerste kampioen en in hun zog hebben zestien verschillende voetbalclubs in meer dan honderd jaar Belgisch voetbal een landstitel behaald. Elf verschillende voetbalclubs speelden kampioen na de Tweede Wereldoorlog, zes de laatste kwarteeuw en vijf deze eeuw.

KSC Lokeren Oost-Vlaanderen nooit. In de lijst met bekerwinnaars staat Lokeren wel met twee recente overwinningen, die iedereen buiten Lokeren al lang is vergeten: 2012 en 2014. Twee keer met een flauwe 1-0, tegen KV Kortrijk en tegen Zulte-Waregem.

Lokeren was begin de jaren 80 dé club van Oost-Vlaanderen, een frivole hemelbestormer waar goed voetbal te zien was: de drie L’en voorin waren van het beste dat België had te bieden. Lato-Larsen-Lubanski speelden twee seizoenen samen en vermaakten het publiek overal waar ze kwamen. Lokeren haalde in die tijd ook Arnór Gudjohnsen weg uit IJsland, Bouke Hoogenboom – een Amsterdamse grote mond – stond in doel, de sierlijke, valse trage Raymond Mommens op het middenveld naast kilometervreter- regulator René Verheyen en laten we er de sympathieke Eddy Snelders ook maar bij nemen, dát Lokeren was een heerlijke ploeg.

1980-1982 was zowat de topperiode toen steevast de kop van de klassering werd aangevallen en ook Europees enkele goede resultaten werden neergezet. Dichter dan een tweede plek in het seizoen 1980-1981 kwamen ze evenwel nooit en ook dat was nog veraf, want Anderlecht eindigde dat jaar met een straat voorsprong eerste. Neen, dan deed eeuwige Waaslandse rivaal SK Beveren het een stuk beter met die titels in 1978 en 1984, óók met goed voetbal en vooral met veel meer Belgen in de ploeg.

Lokeren was al van in die jaren 80 in de eerste plaats een doorgangshuis voor buitenlands talent. In 2003 werd Lokeren nog eens derde. Na 2010 leek het er zelfs even op dat de club toe was aan een heropleving met twee bekerzeges en drie keer deelname aan play-off 1. Het bleek de zwanenzang.

Vandaag vecht Sporting Lokeren tegen de degradatie en wat zo erg is: niemand – behalve dan die paar duizend Lokeren-fans – zou het erg vinden als deze club, met deze voorzitter, met deze reputatie, met dat stadion, met deze trainer, zou zakken. Jammer voor die fans, de spelers, jammer voor het olijke duo Olli en Steve vooral, maar geen mens buiten Groot-Lokeren zal een traan laten om Sporting.

Glen De Boeck is er nu komen aanwaaien met zijn trackrecord van onmogelijke opdrachten tot een goed einde brengen én (bij zijn collega’s) de reputatie van arrogante zak. De redding van Lokeren zou een mirakel zijn, de degradatie evenwel de logica en de emanatie van een economische realiteit.

Als de eigenaar-voorzitter met zijn rollator moet worden binnengerold, waar ben je dan mee bezig? Roger Lambrecht is 87, zou van zijn oude dag moeten genieten, maar woelend in zijn bed speelt hij ’s nachts de wedstrijden opnieuw en overdag zoekt hij naar een overnemer. De hele eerste klasse B is al aan de man gebracht en zit bij al of niet schimmige buitenlanders, maar voor Sporting Lokeren vindt Lambrecht geen koper. Een blik op de verkorte jaarrekening zal waarschijnlijk volstaan om af te haken.

Het sterfhuis Lokeren is niks meer waard en niet alleen daarom is het ronduit verbazingwekkend hoe Lambrecht door een deel van
de media nog steeds op een voetstuk wordt geplaatst. Hij heeft geen enkele verdienste aan de successen uit het verleden en heeft tegelijk zowat alle schuld aan de ellende waarin de club vandaag zit. Oké, hij werd in 1994 voorzitter en na drie jaar tweede klasse haalde hij Lokeren als kampioen terug naar eerste. De vicekampioen in tweede klasse dat jaar mocht ook promoveren. Dat was KRC Genk, en die hebben het met drie landstitels en een vierde op komst heel wat beter gedaan. Wat presteerde Lambrecht in die 25 jaar? Hij haalde en ontsloeg 25 trainers.

Wat is niet fout aan Sporting Lokeren? Lokeren en Lambrecht zijn de oude voetbalcultuur. Zijn financieringstrucs hebben mee het Belgisch voetbal verziekt. Zelfs wie ooit de inhoud van het befaamde zwarte koffertje heeft meegekregen, is het eens met die analyse. Ik heb het koffertje bij toeval ooit zien staan, geopend, dus ik weet waarover ik spreek.

Van de scheepsladingen Afrikanen die de laatste jaren over het Belgisch voetbal zijn uitgestort en waarvan sommigen in de illegaliteit verdwenen, was één op de twee boten bestemd voor Lokeren en hun toenmalige sportief manager/mensenhandelaar/passeur Willy Verhoost. Dit Sporting Lokeren – als er geen overnemer wordt gevonden – is een relict uit het verleden, klaar voor bijzetting in het museum van de industriële voetbalarcheologie.

 

het relict lokeren

Interview Shane McLeod (hockey Red Lions) in De Morgen van 19 januari 2019

‘Neen, dikke nekken overleven niet bij ons’

Hoe een hockeyende kiwi naar Europa kwam, als bij toeval in België belandde, er zijn vrouw leerde kennen en er de knapste prestatie van alle Belgische bondscoaches ooit neerzette. Shane McLeod begint vanmiddag met zijn wereldkampioenen aan de nieuwe Pro League.

Soft-spoken. Als één Engelse omschrijving bij Shane McLeod (49) past, dan wel deze. “Je zult er een goede gesprekspartner aan hebben”, had 199-voudig international Loïck Luypaert voorspeld. “Geen woord hoger dan het andere, maar hij weet ons altijd weer te raken”, zei Arthur Van Doren, de beste speler van de wereld en van het voorbije WK.

De man die gaat zitten in de Beerschot Tennis en Hockey Club, nadat hij zelf de lattes is gaan halen en heeft betaald – “please by my guest” – is every inch de gentleman die ze hadden beschreven. Voor een goed gesprek en de obligate fotosessie gaf hij zelfs zijn lunch op. Het is wennen aan de pas verworven status van wereldkampioen en team van het jaar, niet alleen voor deze globetrotter.

Shane McLeod: “Het zat eraan te komen, die grote prijs, na al die verloren finales, maar toen ik hoorde dat we op het balkon van het Brusselse stadhuis moesten verschijnen hield ik mijn hart vast. Was dat niet wat overmoedig? Het blijft tenslotte hockey en wat als daar hoop en al twintig man met een vlagje hadden gestaan?”

No worries mate. Ze waren met duizenden, een bomvolle Grote Markt zong, danste en juichte hen toe, en toen wist McLeod het zeker. “We hebben iets speciaals gepresteerd voor dit land.”

Zeg dat wel. De eerste Belgische bondscoach die wereldkampioen wordt, en daarvoor moesten we u nog wel helemaal vanuit Nieuw- Zeeland halen.

Shane McLeod: “Wel, het was eerder toeval dat ik hier belandde. Ik speelde hockey in Nieuw-Zeeland voor de nationale ploeg en zoals de meeste mensen down-under gaat dat isolement aan de andere kant van de wereld tegensteken. Dus willen wij zien wat er boven de evenaar te beleven valt.

“Ik ging in Frankrijk spelen en kwam uiteindelijk na een paar jaar naar België. Ik werd verliefd op het land en op mijn vrouw, toevallig net op het moment dat ik terugkeerde om daar te gaan coachen. Mijn vrouw, toen mijn vriendin, is mij achterna gereisd en ik ben er nog zes jaar gebleven om onder meer de Nieuw-Zeelandse ploeg te coachen. Na twee Olympische Spelen zijn we dan terug naar België gekomen. Een goeie plek.”

O ja? Ik heb het weerbericht voor Hamilton (NZ) gedownload: 28 graden, verspreide bewolking en dat de hele week. Tegen het weekend geen wolken.

“Exactly. (lacht) Dat is dan het enige, het is daar nu zomer. Maar begin februari spelen we met de Red Lions in Australië en Nieuw- Zeeland, en dan blijf ik om familie te bezoeken. Niet lang, hooguit tien dagen, heb ik mijn vrouw beloofd. Ze is zwanger van ons derde kind en ze is uitgerekend voor begin maart. Straks heb ik drie kleine kinderen thuis en een jonge vrouw als cardioloog in opleiding in een ziekenhuis, dat wordt aanpoten. Nu weet je waarom ik zo grijs ben geworden.”

Niet door het coachen?

“Ook. Maar dit is een heel volwassen selectie en het coachen op zich is niet stresserend. Het meest vervelende aan mijn job zijn de telefoontjes elke keer weer als ik een selectie moet maken. ‘Jij bent erbij’, dat valt nog mee om te melden. Een jongen opbellen nadat die zich heeft dubbelgeplooid en hem koudweg meedelen dat ik hem thuis laat, dát haat ik als de pest. Als ik dat aan iemand anders zou kunnen overlaten, direct, maar dat zou niet eerlijk zijn.”

Ik ken kiwi’s als hard.

“Yeah, well. Als het gaat om pijn verbijten misschien, dat zit in onze sportcultuur die teruggaat op de waarden van het rugby. De ‘she’ll be right, mate’-mentaliteit, die herken ik bij mijzelf ook. Waar je niet van doodgaat, daar word je sterker van, dat geloof ik ook.

“Dat rugby is een zegen en een vloek, voor hockey dan. Het zijn beide Commonwealth-sporten, maar rugby staat onbedreigd op één. In 1976 waren wij met het hockey olympisch kampioen en die droom jagen we nu nog steeds na. Jammer genoeg gaan de beste atleten naar het rugby. Wie te klein en te licht is – zoals ik – zoekt een andere uitweg.”

Rugby en hockey hebben één ding alvast gemeen: een compromisloos hoog tempo.

“Dat is in hockey vooral iets van de laatste jaren. De Australiërs zijn daarmee begonnen, gewoon door meer en beter te trainen. Iedereen is gevolgd. Onze spelers hebben nooit meer in de powerzaal gezeten en lopen vaker dan ooit, naast hun veldtraining. Het voordeel in onze sport is dat wij tijdens de wedstrijd kunnen wisselen, waardoor het tempo hoog blijft.”

Klopt het dat u live in de wedstrijd de intensiteit van de inspanningen monitort en daarop besluit te wisselen?

“We krijgen voortdurend de sprintsnelheid, de afstand en de daaraan gekoppelde hartslag binnen via de gps die de spelers dragen. Wisselen doen we als we zien dat iemand lang in het rood blijft en geen snelheid meer kan maken. Maar om eerlijk te zijn, het is niet de computer die wisselt. Meestal hebben we dat met het blote oog al gezien of geeft de speler het zelf aan.

“Ik denk niet dat veel sporten zich zo opnieuw hebben uitgevonden als hockey. Daarom was het ook belangrijk dat wij met België die extra stap konden zetten met ons programma. Dat betekende nog meer trainen en vooral heel veel samen trainen, iets wat veel andere landen niet doen.”

Uw Red Lions zijn onze All Blacks, een team met een missie: streven naar excellentie, met behoud van waarden.

“Bedankt, dat is een mooie vergelijking. De All Blacks hebben een cultuur ontwikkeld die erop gericht is om de atleet tegelijk met de mens achter de atleet beter te maken. Dat proberen wij ook: wij stimuleren onze spelers naast al dat trainen om toch te studeren en een diploma te halen.”

Better people make better Lions is een van uw mantra’s, maar dat hebt u…

“… gehaald bij de All Blacks, dat klopt. Toen ik naar Nieuw-Zeeland terugkeerde en in 2007 coach werd van de nationale mannenploeg, de Black Sticks, kreeg ik een mentor toegewezen en dat was Graham Henry. Dé Graham Henry, jawel, de man die de All Blacks hun grandeur van weleer teruggaf en de basis legde voor de dominantie van vandaag. We hadden allebei een achtergrond als leraar en dat creëerde een band.

“Onze filosofie over het team en hoe het individu daartoe moet bijdragen, dat spoorde meteen. Het verschil tussen hockey hier en rugby in Nieuw-Zeeland is dat ik hier te maken heb met mannen van een zogeheten keurige achtergrond, meestal goed opgevoed. In het rugby bij ons krijg je al eens ruwe types binnen, talenten, diamanten zelfs, maar je moet ze eerst breken voor ze je volgen. Dat probleem heb ik niet. Onze ploeg is zoals de crèche waar mijn dochter zit: thuis is ze in haar eentje niet te controleren, maar in de crèche gaat ze rustig op de mat zitten als iedereen gaat zitten. Ze blijft binnen de grenzen van het team. Verbazingwekkend.”

No dickheads, zei Henry. Geen dikke nekken toegelaten.

“Neen, klopt. Die hebben we niet. (aarzelt) Ze zouden niet overleven. Ik ken spelers die in het team hadden kunnen zitten, maar die ik om die reden niet heb geselecteerd. Omdat ze zichzelf boven het team zouden plaatsen en dat kan niet.”

Nadat ik Arthur Van Doren, de Messi van het hockey, had gesproken, bedankte die mij voor de moeite om tot hem te komen.

“Zie je, dat hoor ik graag. Als nieuwe talenten bij het team komen en ze zien hoe ook de beste speler van de wereld nederig is, creëert dat een cultuur. Ik wil met de Red Lions een legacy nalaten: dit zijn onze normen en waarden, hier staan we voor. Leave the jersey in a better place is ook een mantra van de All Blacks.

“Na de worldcup kwamen de spelers mij vinden om te overleggen over de individuele prijzen die waren gewonnen – daar was geld aan verbonden – en wat ze daarmee wilden doen. Ik zei: zeg het maar. Dat geld hebben ze in een collectieve pot gestopt, te gebruiken voor en door het team. Als ze straks in Melbourne twee dagen extra willen blijven rondhangen zal dat uit die pot worden betaald. De geldprijs van Van Doren als beste speler – toch 60.000 euro – is ook in die pot gegaan.”

De psycholoog die er al jaren bij was hebt u de wacht aangezegd.

“De hoofdpsycholoog van een ploeg moet de coach zijn. Bij de Red Lions was een situatie gegroeid dat de communicatie tussen coach en spelers via de psycholoog verliep. Ik heb daar redelijk abrupt afscheid van genomen en het is goed uitgepakt. Meer zelfs, ik denk dat het een van de redenen is geweest voor ons succes.”

U hebt ook de nationale vrouwenploeg gecoacht. Wilt u vergelijken?

“Vrouwen en mannen willen allebei presteren, maar om verschillende redenen. Vrouwen doen het voor de coach, voor hun fans of voor hun moeders en vaders. Mannen spelen meer voor zichzelf, voor het prestige.

“In de coaching zijn er kleine accentverschillen. Vrouwen krijgen iets meer instructies, ze willen die ook, ze vragen erom. Als ik mannen zou coachen zoals vrouwen worden die gek van mij. Omgekeerd zou het ook niet werken.

“Communicatief moet je goed opletten. Zeg in een groep dat je niet tevreden bent over iemand zonder die bij naam te noemen en alle mannen denken: oké, dit gaat over iemand anders. De vrouwen zullen denken: oeioei, nu heeft hij het over mij.

“De notie ‘team’ is bij vrouwen nog sterker ontwikkeld dan bij mannen. De kracht van het team, daar draait het om, en die wordt mee bepaald door de macht die de coach krijgt van het team. In Nieuw-Zeeland noemen ze dat met een Maori-woord de mana.”

Is elke Nieuw-Zeelander, zelfs van Schotse afkomst zoals uzelf, een halve Maori?

“Nieuw-Zeeland is een heel bijzonder land met een aparte inheemse cultuur die wij moeten koesteren. De Maori’s hebben voor ondefinieerbare begrippen mooie woorden. Mana bijvoorbeeld, dat kun je haast niet vertalen. En mooie symbolen natuurlijk, de haka kent iedereen. Het brengt het team in hogere sferen. Neen, een Belgische haka is onbespreekbaar, dat hoort bij mijn land.

“Whanau(spreek uit: váanau, HVDW) is nog zo’n begrip bij ons. Het staat voor familie, maar in de brede betekenis. De whanau is een groep mensen op wie je steeds terugvalt, in goede en slechte tijden. Ooit selecteerde ik bij de Black Sticks een jong talent van de eilanden. In het hotel had hij zijn hele whanau op zijn kamer uitgenodigd. Op het bed had hij zijn uitrusting van de nationale ploeg gelegd, als een soort relict, om aan zijn naasten te tonen. Deel zijn van dat team, van die cultuur: op slag was zijn leven veranderd.”

De Red Lions zijn alsnog team van het jaar geworden nadat de stemming was heropend. Dat had ook gemoeten voor coach van het jaar. Dat had u moeten zijn.

“Eerst en vooral dit: ik ben op het juiste moment gekomen. Deze ploeg was al heel erg goed gecoacht door twee Nederlandse bondscoaches. De spelers hadden veel ervaring en er kwam talent bij. Het programma dat we draaien is top: er is geld en er zijn mogelijkheden om te doen wat we willen. We hebben een internationale topstaf met onder meer een Zuid-Afrikaan en een Nederlander.

“Bottomline: ik ben maar een radertje in het geheel. De coach van het jaar moet een Belg zijn, vind ik persoonlijk. Neen, Roberto Martínez is ook geen Belg, dat klopt. Ik was al heel blij dat onze ploeg die prijs heeft gewonnen, dus mocht ik toch even dat podium op. Willen ze mij die prijs eind 2019 geven, dan zal ik die blij aanvaarden, want dat zal betekenen dat we het goed hebben gedaan op het EK in eigen land in augustus.”

 

shane mcleod

Column De Onzindokter in De Morgen van zaterdag 19 januari 2019

Onzindokter

Bijna zes jaar geleden kwam de Rotselaarse huisarts Chris Mertens in opspraak nadat was uitgelekt dat tegen hem onderzoek werd gevoerd. Mertens was De Ozondokter, voorpaginanieuws in alle media: hij zou renners hebben gedopeerd. Al snel werd het: hij hád renners gedopeerd en het Belgische wielrennen had zijn nieuwe grote dopingzaak. Twee jaar later wisten we meer.

Uit het verhoor van de dokter bleek dat het ging om bagatellen en – veel erger – dat de onderzoekers bijzonder weinig afwisten van doping. Ze verweten de dokter onder meer dat hij ijzerspuiten had voorgeschreven aan een renner en dat hij daarmee de wet had overtreden. Dat was meer dan één keer onzin, maar wie spreekt de arm der wet op dat moment tegen?

In het verhoor was maar één passage bijzonder interessant: die waarbij hij per mail een renner aanraadde om corticoïden te spuiten zo dicht mogelijk bij een wedstrijd. Die renner had een medisch probleem, maar je zou kunnen verwachten dat cortico’s sneller worden toegediend, precies om tegen de wedstrijd dat medisch probleem te hebben verholpen.

Dit leek grijze zone en over de tinten kan worden gediscussieerd: onder voorwendsel van een medisch probleem gebruikmaken van het euforiserend effect van cortico’s. Daar vielen de flikken niet over want daarvoor moest je al iets van doping kennen. Ik stond in dubio: ik wist van het medisch probleem, dus wat als? Wat als alles te goeder trouw was gebeurd, als er geen poging was tot bedrog, als er wel medische noodzaak was tot spuiten dicht bij de wedstrijd? Dat was toegelaten met een attest en dat had de renner. Ik hield het verhaal achter. Te veel twijfel, te veel potentiële nevenschade.

Later kregen ook collega’s dat verhoor te zien. Ook zij verkozen niet te publiceren, met een andere ‘wat als?’ in het achterhoofd.
Wat als ze wel zouden schrijven en de renner deed hen in de ban? Geen onterechte vrees. Ik heb twee jaar geleden (in 2017) één lovenswaardige poging ondernomen om die renner te spreken, maar dat is niet gelukt. Ik denk nog steeds dat het te maken heeft met deze zaak.

Ondertussen waren journalisten die niet verkozen te schrijven over de Belg en de grijze zone wel streng voor andere renners die ze toch nooit te spreken zouden krijgen. Zoals voor Bradley Wiggins en zijn corticobehandeling tegen allergie – gestaafd door een sluitend medisch attest. Of Chris Froome, ‘betrapt’ op een te grote hoeveelheid van een astmamiddel waarvan nooit terdege is bepaald hoe groot die hoeveelheid nu wel mag zijn, maar wel is bewezen dat het niet helpt als je geen astma hebt. Twee door de media opgeblazen non-events.

In mei 2015 moesten de renners uit het grote dopingdossier van de ozondokter voor het dopingtribunaal van de wielerbond verschijnen. Ze werden één na één vrijgesproken. Van ozondokter tot onzindokter. Op deze plek verscheen toen:

…Politie en gerecht zijn internationaal een troef in de dopingbestrijding, helaas niet in België. Ook hier weer heeft de berg een muis gebaard. Dat die dokter eens goed op de vingers wordt getikt, geen probleem. Dat zijn patiënten/klanten even worden bijgepraat, evenmin. Maar géén zaak hebben en er dan tóch een zaak van maken: dat is dom. De onderzoeksrechter heeft onnodig veel overheidsgeld verprutst…

Dat was mei 2015. Een normaal denkend mens redeneert dan als volgt: als gespecialiseerde rechters – doorgaans strenge beoordelaars met veel dopingkilometers – geen graten zien in de behandelingen die de renners hebben gekregen én overwegende dat de dopingreglementen strenger zijn dan het strafwetboek, lijkt het logisch dat ook de dokter vrijuit gaat.

Niet in dit land. Hoe dat precies zit met mensenrechten laat ik aan anderen over, maar in sportgerelateerde zaken is het duidelijk: wereldvreemde rechters bestaan. Ooit was er een die een duidelijk geval van mensenhandel en identiteitsfraude met Nigeriaanse voetballers onbestraft liet. Van de week was het andersom: een andere heeft gemeend zes maanden voorwaardelijk te moeten geven aan dokter Mertens en een boete van 1.200 euro.

Dat betekent een strafblad voor de dokter, maar omdat hij in 2013 al op weg was naar de brandstapel anderzijds evengoed een vrijspraak. Misschien gaat Mertens wel in beroep om echt vrijspraak te krijgen. Die is hem gegund. Mertens heeft zijn straf al ruimschoots uitgezeten door publiekelijk spitsroeden te moeten lopen.

De meeste zwaar gemediatiseerde ‘sportschandalen’ volgen hetzelfde scenario: lek, bom, sisser. Het zou de media sieren als ze wat terughoudender zouden zijn met kwalificaties als schandaal, zaak, bom en affaire. In negen van de tien gevallen, ook in ‘de zaak- Mertens’, was de vlag veel te groot voor de lading.

Dat hebben de hockeyers van de week nog ondervonden. ‘Red Lions gokten illegaal op eigen wedstrijden!’ Zo stond het in de kop. Voorlopig neen dus. En indien ja, so what? Ze hebben verdorie alles gewonnen. Geld inzetten omdat je zeker bent dat je wereldkampioen zult worden, dat zou zo on-Belgisch blufferig zijn dat ik het onmogelijk kan afkeuren.

de onzindokter

Dubbelinterview Leko-Gjergja in De Morgen van 12 januari 2019

‘Ik ben meer een vulkaan dan hij’

Niet zeker of ze hun kunstje in 2019 overdoen, maar de trainers van het jaar waren alvast Ivan Leko (kampioen met Club Brugge) en Dario Gjergja (voor de zevende keer kampioen met BC Oostende). Wij brachten ze in primeur samen voor een gespek over cultuur, coachen, en operatie Schone Handen. ‘Zeg dat ik een slechte trainer ben, maar raak niet aan mij als mens.’

Een uur rijden in Kroatië of twintig Belgische kilometers over de E40 en de A10 volstaat voor een kloof tussen twee landgenoten: twee verschillend gepercipieerde types – de ene een gentleman, de ander een beest – in twee verschillende sporten – het simpele voetbal tegenover het complexe basketbal.

Dario Gjergja: “Wij zijn druk met onze clubs, we komen niet bij elkaar over de vloer, maar ik ben al eens een training van Ivan gaan bekijken. Tomislav Rogic (keepertrainer bij Club Brugge, HV) ken ik beter. Hij komt uit Zadar, net als ik.”

Ivan Leko: “Ik kom uit Split, beiden hebben we dus het Dalmatische temperament. Of dat verschilt van Zagreb? Jawel.” Gjergja: “Zagreb is like (trekt een saai gezicht), we are more emotional.”

De voertaal voor dit gesprek is Engels, maar Ivan Leko, u spreekt behoorlijk Nederlands.

Ivan Leko: “Hoewel, na elk interview in het Nederlands vragen mijn dochters om Engels te praten. Ze lachen om mijn accent. In 2009 volgde ik lessen Nederlands. Mijn accent is uiteraard nog niet verdwenen, maar mensen appreciëren het dat je het probeert. Ik spreek het niet goed en als ik emotioneel word, nog minder.”

Dario Gjergja: “Wat dat betreft, schiet ik schromelijk tekort. Nederlands is moeilijk. Ik versta veel, maar spreken is een ander verhaal. Ik ben ook in België begonnen bij Charleroi en de taal van het basketbal blijft toch vooral Engels. Ik heb ook les gehad. In het begin hou je je gedachten er wel bij, maar toen ik zat te denken aan hoe moest worden verdedigd op een pick and roll en niet langer aan de vervoeging van het werkwoord ‘hebben’, zag ik het hopeloze ervan in.”

Waarom bent u Belg geworden?

Gjergja: “Voor mij is dit mijn land, al zal ik mijn roots natuurlijk nooit verloochenen. Alles wat ik heb bereikt, heb ik te danken aan België. In Kroatië zou ik als 33 jaar jonge coach nooit dezelfde kansen hebben gekregen als toen bij Charleroi in de club van Eric Somme.”

Leko: “Die dubbele nationaliteit heb ik van 2008. Ik blijf een Kroaat, die in zijn tweede land woont. Als we zeggen ‘we gaan naar huis’, dan is dat Split.”

Gjergja: “Home is voor mij Oostende. Mijn dochter – heb je gezien dat ze mee is gekomen met mij? – zei van de zomer in Zadar: ‘Ik wil naar huis.’ Ik wist niet goed wat ze bedoelde: Zagreb waar we ook een appartement hebben, of Oostende? Geen twijfel: het was Oostende.”

Leko: “De kinderen zullen in België blijven. Wat we later zullen doen, is echt de vraag. Ik wil na het voetbal wel eens vissen aan de Dalmatische kust, in de warmte, met een glas wijn nadien. Maar de kinderen zullen hier blijven en straks ook de kleinkinderen. Dat wordt lastig.”

Gjergja: “Het wordt kiezen tussen vissen en opa spelen.”

Uw dochter is inderdaad meegekomen, heeft dat een reden?

Gjergja: “Natuurlijk. Anders zou ze thuis voor de computer zitten. Kinderen hebben structuur nodig, zo niet worden ze lui. Het probleem is de opvoeding en wat ze op televisie te zien krijgen: Temptation Island…” (blaast)

Jullie spelers zijn maar enkele jaren ouder dan jullie kinderen. Kunnen jullie die bereiken met een verhaal over structuur?

Leko: “De meeste wel. Ik zeg wat ik voel en de spelers weten dat ik het meen.”

Gjergja: “Echte topspelers vragen om coaching. Ze hebben graag trainers die het zelf hebben meegemaakt, zoals Ivan.

“Ik heb zelf nooit op hoog niveau gespeeld, dat compenseer ik door minder met het hoofd, maar op gevoel te coachen. Een speler die niet werkt, zal bij mij nooit slagen. Hard werken blijft de basis.”

Leko: “De jongeren van vandaag denken daar wel eens anders over. Hoewel, ik heb meer succes met jonge gasten dan met gevestigde waarden. Die willen hun limieten niet meer vinden. Jonge gasten wel, die spelen zonder complexen, willen succes. Oké, de dag dat ze mij Luka Modric of Lionel Messi geven, geen probleem hoor, laat maar komen.”

Hoe komt het dat Kroatië met zijn vier miljoen inwoners op wereldvlak zo uitblinkt in balsporten: voetbal, basketbal, volleybal maar ook waterpolo tot en met handbal?

Leko: “Misschien zijn we te lui om iets zonder bal te doen?” (lacht)

Gjergja: “Dat zit in onze cultuur.”
Leko: “Geef liefde aan de bal, want die bal geeft je alles. Hoe liever jij de bal ziet, des te meer je ervan terug zult krijgen.”

Ik was kort na de oorlog (1991-’95) bij basketbalclub Cibona Zagreb op bezoek en daar trainde de jeugd ’s ochtends vóór school en ’s namiddags na school.

Gjergja: “That is the system. Zo werkt het, zo ontwikkel je talent, maar die moeten het ook willen. In ex-Joegoslavië, waar nog veel armoede heerst, is sport een middel om te slagen. In rijkere landen zoals België hebben jongeren het veel makkelijker.”

Leko: “In Kroatië wordt nog op straat gespeeld. Zoveel je wil. Die gasten leren op jonge leeftijd hoe ze moeten overleven, hoe ze moeten winnen.”

Gjergja: “Wij hebben allemaal gesport op straat. Je moest goed zijn op straat om een kans te krijgen bij een club.”

Leko: “Daarbij kwam in ons land nog de oorlog. Neem bijvoorbeeld Luka Modric (winnaar van de Gouden Bal, HV); hij groeide op in de oorlog. Dat kun je vergelijken met Braziliaanse spelers die opgroeien in de favela’s. Die wil om te winnen is veel groter.”

Kevin De Bruyne en Eden Hazard kwamen anders niks tekort en zijn er ook geraakt.

Leko: “Dat zijn uitzonderingen. Je zult meer topspelers vinden met een moeilijke thuissituatie.”

Gjergja: “Zij zaten al jong op internaten bij hun clubs: daar kregen ze structuur in hun leven en ze moesten vechten tegen concurrenten.”

Jullie coachingstijl verschilt: Ivan lijkt rustiger.

Gjergja: “Ik ben iets meer een vulkaan dan Ivan, maar voor de rest is onze stijl behoorlijk vergelijkbaar. Ivan is ook emotioneel en net als ik vindt hij dat spelers zich ten volle moeten geven.”

Leko: “De sporten verschillen ook. Ik zou ook graag time-outs krijgen in het voetbal. De enige time-out die wij hebben, is de rust. Als je daar zou bij zijn, dan zou je ook schrikken. In basketbal gebeuren de time-outs onder het oog van de camera en is er een microfoon in de buurt.”

Gjergja: “Er zit een showgehalte aan wat ik doe. Het is spelen met emoties. Tegen Bologna stonden we op 77-76 met nog 21 seconden te gaan. Time-out van hen. Ik zei tegen mijn jongens: we maken meteen een fout, zodat wij na hun vrijworpen weer aan zet zijn voor een laatste aanval. Ik zag dat ze er geen zin in hadden. Logisch ook, maar ik wilde hen meekrijgen in mijn echte bedoeling. ‘Let’s go fuckers’, zei ik plots, we will defend this. Ze sprongen meteen recht als leeuwen. We hebben de fout niet gemaakt en onze voorsprong verdedigd. Met succes.”

Wat kunnen voetbaltrainers leren uit het basketbal? Verdedigen op standaardsituaties alvast.

Leko: “Daar zit wat in, zeker wat het uitblokken betreft, maar het veld is te groot om het met basketbaltactiek te redden. Basketbal heeft misschien vijfentwintig tactische plays, wij in het voetbal drie en dat is soms al te veel. Handbal heeft meer gelijkenissen, ook zij werken met linies.”

Is België een eindstation voor jullie? Maar heel weinig coaches stromen door vanuit dit land.

Leko: “Het is niet verboden te dromen. In het basketbal zal de top de NBA zijn, in het voetbal een Europese topcompetitie. Wie weet.”

Gjergja: “Je kunt niet van de lagere school meteen naar de universiteit. Ik ben vooral realist en ik wil geen stappen overslaan. België heeft ook het voordeel van de zekerheid. Griekenland zou misschien kunnen, maar ben ik dan zeker van een correcte behandeling? Ik denk ook aan mijn gezin dat hier heel gelukkig is. Zolang we met BC Oostende op papier grotere ploegen kloppen, zie ik hier mogelijkheden.”

Voetbal is een spel van geluk, basketbal is dat veel minder.

Leko: “Dat klopt. Door de weinige goals kun je in voetbal makkelijker verrassen. Eén wedstrijd winnen of verliezen door geluk, dat kan, maar op langere termijn zal er wel een verschil zijn tussen ploegen die gewoon hun ding doen en de ploegen die er echt voor gaan. Geluk kun je afdwingen.”

Gjergja: “BC Oostende en Club Brugge hebben niet altijd de beste spelers op papier: ze werden kampioen door de quality of production. Het geheel en hoe dat wordt gesmeed, de ploeg dus, dat is het belangrijkste. Wij hebben geen Messi die het voor ons oplost.”

Hebben wij een scheidsrechtersprobleem in België?

Gjergja: “Meer in het basketbal dan in het voetbal. Scheidsrechters in het voetbal zijn professionals, in het basketbal zijn het hobbyisten. Terwijl dat spel voor mij mijn job is. Basketbal is ook ingewikkelder. Het begint al bij de verschillende sets basketbalregels: de NCAA, de NBA, het Europese basketbal… Ik moet nieuwe Amerikaanse spelers uitleggen dat zij geen time-out mogen aanvragen, alleen ik mag dat. Of de loopfouten die hier worden gefloten maar in de VS worden geduld. In voetbal gelden dezelfde regels, overal ter wereld.”

Leko: “Iedereen maakt fouten. Ook een scheidsrechter. Maar over die fouten spreek ik niet. In één wedstrijd vorig jaar had ik mijn twijfels.”

Gjergja: “Juist, iedereen maakt fouten. Ook de ref, maar geef dat dan toe, in plaats van meteen te dreigen mij een technische fout te geven of mij uit de zaal te zetten.”

Leko heeft de reputatie van gentleman, maar tussen u en de refs, Gjergja, gaat het wel eens vaker mis. Zeven keer kampioen op rij en nog nooit coach van het jaar, heeft dat daarmee te maken?

Gjergja (haalt schouders op): “Weet ik niet. Is ook niet belangrijk. Ik denk en leef basketbal meer dan de helft van een dag. Een wedstrijd verliezen, geen probleem. Maar als een scheidsrechter met opzet niet fluit, is dat een ander verhaal. Mijn non-verbale reacties zijn blijkbaar het probleem. Scheidsrechters komen naar Oostende met een vooroordeel, dat is het probleem. (bits) Maar kom eens achter mijn bank zitten en oordeel niet over mij vanwaar jij ook zit in de zaal. Laatst hebben ze mij gevraagd om een workshop te geven: communicatie met de scheidsrechters. Vreemd toch, hè?”

Leko: “Heb ik de reputatie van gentleman? Kan zijn. Ik doe het er niet om. Ik ben wie ik ben.”

Respect is vaak het sleutelbegrip in sport, voor trainers en spelers. Ivan, voelt u een gebrek aan respect door die contractverlenging die uitblijft?

Leko: “Op die persconferentie zei ik gewoon dat ik het ‘raar’ vond. Niks meer en dan nog nadat ik dezelfde vraag drie keer had gekregen. Toen werd het ineens het grote verhaal. Dat is het niet. Bij een grote club als Club Brugge moet je leren je ego aan de kant te zetten. Een groot ego kan een groot probleem zijn.”

Gjergja: “Media willen sensatie. Toen het scorebord uitviel tijdens een uitwedstrijd, kwamen ze mij vragen wat ik daarvan vond, zeker dat ik zou gaan afgeven op alles en nog wat. ‘Kan overal gebeuren’, zei ik. Ze bleven maar doorgaan: ja maar, je staat aan de leiding, ja maar, wat als je moet herspelen? ‘Hallo? Dat zou niet eerlijk zijn’, heb ik toen gezegd. We stonden veertien punten voor. Ik moet nadenken over wat ik zeg.”

Leko: “Journalisten zoeken naar het negatieve. Ik haalde even tien punten op dertig in de competitie en daar werd op doorgegaan. We hadden het ook kunnen hebben over de meerwaarde die op spelers is gecreëerd, over onze Champions League. Ik kijk naar het positieve.”

Dit gesprek was gepland voor half oktober, maar toen kon u niet omdat u werd opgepakt in het onderzoek naar malafide praktijken in het voetbal. U had op voorhand gezegd dat u niet kon en wilde uitweiden over wat er is gebeurd, maar we doen toch een poging.

Leko: “Het was een dramatisch moment in mijn leven. Ik zal het nooit vergeten: om zes uur uit je bed worden gehaald en voor de ogen van je kinderen weggevoerd worden door de politie. Dat heeft mij veranderd, maar ik heb het aanvaard. De Le-ko van nu is beter, sterker dan die van toen. Elke ervaring kun je gebruiken om beter te worden.”

Gjergja: “Je gezicht overal ter wereld in de krant zien, tot in de VS toe, dat komt wel aan. Ik heb het in het nieuws gezien en in de kranten, maar ik wist: dat komt wel goed met hem.”

Leko: “Ik blijf boos om wat ze mij hebben aangedaan. Onschuldig tot het tegendeel is bewezen, neen hoor. Omdat ik trainer was van Club Brugge, was ik bij voorbaat schuldig zonder enig bewijs. Niets. Nul.”

Sta ons toe de uitkomst van het onderzoek af te wachten voor we over schuld en onschuld oordelen. Dit is geen klein dossier.

Leko (blik op oneindig): “Oké, ik begrijp je. Maar ik word een voetnoot in dit dossier, let maar op. Ik ben en ik was volledig eerlijk. Op elke voorpagina ter wereld die over het Belgisch voetbalschandaal berichtte, stond maar één kop: die van mij.

“Iedereen die mij persoonlijk kent, gelooft mij. Ik vind het belangrijker dat mensen aan mij terugdenken als een goed persoon dan als een goede voetbalcoach. (met trillende stem) Zeg mij dat ik een slechte trainer ben, maar raak niet aan mij als mens.”

leko-gjergja-mail

Column over Anderlecht (weeral) en Fred Rutten in De Morgen van 9 januari 2019

De peoplemanager

Het zegt niks dat Fred Rutten (56) tweede, of derde, of vierde, dan wel vijfde keus was voor Anderlecht. Alsof maar één mens afkomstig uit deze windstreken en in het bezit van een trainersdiploma geschikt zou zijn om die dertig of meer contractspelers van paars-wit aan het voetballen te krijgen. Alsof die spelers eerste keus zijn.

Over Fred Rutten zijn al veel verhalen verschenen in de landelijke media. Hij komt uit het oosten, las ik, een tukker. Dat klopt niet. Hij heeft bij Twente gevoetbald, maar dat maakt je nog geen tukker. Rutten is geboren ‘op’ Alverna. Wij zouden zeggen ‘in’ Alverna, want Alverna is geen eiland. Wel een redelijk gesloten kerkdorp in de buurt van Nijmegen – op een hoogte gelegen, vandaar ‘op’ – genoemd naar La Verna, de berg waarop Franciscus van Assisi het licht zag. Eigenlijk is Alverna deel van Wijchen, maar dat willen de locals niet geweten hebben. Tot zover deze les sociale geografie.

Dus: schrik niet als Rutten niet veel van zeg is en gesloten lijkt. Weet dan: alles is wat het lijkt. Een befaamde Alvernase spreuk luidt: je kunt de jongen uit Alverna halen, maar Alverna niet uit de jongen. Rutten verliet Alverna toen hij al 15 was, onmiskenbaar beïnvloed/ getekend voor het leven. Hij trok als voetballer naar Enschede, ook al niet bepaald een wereldstad, en al evenmin een plek waar
hoog van de toren wordt geblazen. In Enschede, zo dachten de Hollanders lang, spreken ze niet alleen raar, ze lopen er ook allemaal godganse dagen met hun handen in de broekzakken. Boerenwerkvolk, om op neer te kijken. Met die on-Hollandse levensloop past hij erg goed in België. Hij wordt ongetwijfeld de minst grootsprakerige noorderbuur die hier ooit is gepasseerd.

Geen palmares

Ook dat zegt natuurlijk niks over zijn kunnen. Wat de fans van paars-wit willen weten, is of hij dat overbetaald en doodgepamperd zootje van hen weer aan het voetballen krijgt. Liefst nog wel op heel korte termijn. Analist Youri Mulder zag het wel zitten met Rutten bij Anderlecht. Anderen gaven hem ook het voordeel van de twijfel. Eén probleem: hij heeft geen palmares, een Hollands bekertje niet te na gesproken.

Maar! Fred Rutten is wel een echte peoplemanager. In de clubs waar hij was gepasseerd, spraken de spelers nog steeds vol lof over hem. Een zachtmoedige man, die ook hard kon zijn, die ook tegen het bestuur in kon gaan. Feyenoord, Schalke 04, Twente, allemaal waren ze vol lof. Alleen – klein detail – bleef hij nergens lang.

Hoe clubs spelers rekruteren, is bekend: hoe groter de potentiële meerwaarde, hoe interessanter. Hoe ze dat met trainers doen, is minder bekend.

Zo zou ik als voorzitter denken:

1. mijn trainer moet veel winnen en weinig verliezen en daarom;

2. moet mijn trainer de spelerscapaciteiten goed kunnen inschatten

3. moet mijn trainer de spelers op hun juiste positie kunnen zetten

4. moet mijn trainer voor al die spelers samen – dat heet de ploeg – een juiste tactiek verzinnen en als het even kan ook een reservetactiek. (Geen drie spelsystemen want drie is al te lastig voor voetballers, zoals u kunt lezen in het Zeno-dubbelinterview Leko- Gjergja.)

5. moet mijn trainer de tegenstander goed kunnen inschatten en diens sterke punten neutraliseren zonder dat onze sterke punten eronder lijden

6. moet mijn trainer spelers technisch, tactisch en fysiek beter maken

7. moet mijn trainer voor alles wat hiervoor staat de juiste oefeningen kunnen bedenken

8. moet mijn trainer desgevallend een speler een schouderklopje geven zonder hem overdreven te pamperen

9. moet mijn trainer een pint/glas wijn met mij kunnen nuttigen

10. moet mijn trainer, ook al veegt hij er zijn voeten aan, mij alvast de indruk geven dat mijn input wordt gewaardeerd.

Van Fred Rutten weten we niet of hij dat allemaal kan. Wel dat hij een goede peoplemanager is, maar nergens iets over goede oefenstof. Evenmin over trainingen waarbij dertig man continu bezig zijn op een klein veld en zich de pleuris trainen terwijl ze toch lol hebben en bijleren, nog steeds de essentie van training geven.

Waar ergens in het grote trainersboek staat geschreven dat je een peoplemanager moet zijn? Ja oké, een voetbalbondscoach, die wel, maar we hebben het over clubtrainers, echte coaching, niet over verkapte bezigheidstherapie.

Trainers moeten niet zachtaardig zijn. Wantrouw de trainer die naar de gezondheid van de hamster of schoonmoeder van de linksback vraagt. Trainers horen te denken als Hein Vanhaezebrouck, die ik ooit vroeg:

U bent ook niet de trainer die eieren legt onder spelers die dat nodig hebben?

Hij antwoordde: “Neen, wat heeft dat voor zin? Hoor je dan bij een topclub thuis? Bemoederen doen we wel, als het nodig is.” Vanhaezebrouck had/heeft onwaarschijnlijke oefenstof maar was/is geen peoplemanager. Hij heeft het dus niet gered. Weer niet. Weer hebben de spelers voortijdig afgehaakt. Te weinig bemoederd, te weinig schouderklopjes.

De laatste die zijn paars-witte rijk bouwde op schouderklopjes en bemoederen was John van den Brom. Benieuwd welke haptonoom straks komt barbecueën en dansen op de middenstip. En vooral of dat wat oplevert.

Column over Anderlecht in De Morgen van 24 december 2018

Het ongeluk over jezelf afroepen

(beter laat dan nooit en nog actueel)

 

Wat het nieuwe bestuur van Royal Sporting Club Anderlecht vorig weekend heeft beoogd met het ontslag van Hein Vanhaezebrouck, is helemaal uitgekomen: een schokeffect, een turnaround. In en tegen Moeskroen gaven ze niet langer door onkans en een beetje onkunde de punten weg aan het eind van een felbevochten wedstrijd, neen, ze legden meteen in het begin van de wedstrijd alle onkunde op tafel.

Na vijftien minuten stond het al 2-0. Kansloos. Oké, onkans was ook nu weer in het spel want die bom bij 2-0 mag die Marko Bakic nog honderd keer proberen, dat lukt hem nooit meer. Anderlecht op weg naar een eerste seizoenseinde zonder play-off 1? Het zou zomaar kunnen, zou José De Cauwer zeggen als hij voetbalanalist was, wat ook zomaar zou kunnen als je ziet wie tegenwoordig allemaal een mening mag hebben over voetbal, maar dat is voor een andere keer.

Misschien toch nog even: wat heeft die Mo Messoudi ooit gepresteerd om ineens als analist te worden opgevoerd? Een betere analist dan een voetballer, dat wel. Ik heb die laatst met Beerschot Wilrijk bij Gent zien voetballen, of wat daarvoor moest doorgaan. Misschien een goede raad: als Karl of Frank je nog eens vraagt, zeg neen en ga bijtrainen.

Over tot de orde van de dag: ik heb te doen met Anderlecht. Ik heb zeker te doen met Hein Vanhaezebrouck. Meer zelfs, ik heb ook te doen met Marc Coucke. En ook wel een beetje met Michael Verschueren, die in een van zijn eerste weken als sportieve baas meteen al de neus van Pinokkio kreeg opgezet. Op donderdag: “Wij hebben het volste vertrouwen in Hein. Hein is onze trainer en dat zal hij blijven.” Op zondag, een communiqué: “Anderlecht neemt afscheid van Hein Vanhaezebrouck.”

Begin dit jaar schreef ik in een column dat Anderlecht een uitgewoonde, bouwvallige belle époque-villa was waarover een beslissing moest vallen: slopen of renoveren. De vergelijking met die villa was niet helemaal juist. Anderlecht was eerder zo’n Brussels voormalig sterrenrestaurant, vergane glorie, toiletten die blijven lopen, putjes die stinken, maar nog steeds die intrinsieke klasse, al zou het meer dan één euro kosten om de zaak weer op de rails te krijgen.

De gevel kreeg een facelift, de keuken werd vernieuwd, het menu ook, er kwam een nieuwe topkok, maar die kreeg verkeerde en goedkope ingrediënten om mee te koken. Waarop tot overmaat van ramp de kok door de plankenvloer zakte.

Nu slaan ze ons rond de oren met zinnen als “we zitten in de hoek waar de klappen vallen”. Of nog: “Als het tegen zit, zit het tegen.” En ten slotte: “We zullen de kelk tot de bodem moeten ledigen.” Murphy voetbalt tegenwoordig wel mee als paars-wit in de buurt is, dat is overduidelijk, maar eigenlijk is maar één spreekwoord op zijn plaats: het ongeluk over jezelf afroepen.

Dat is wat Marc Coucke heeft gedaan. In plaats van een zachte transitie is hij met de grove borstel door de club gegaan, niet beseffend dat een voetbalclub in sportief opzicht geen bedrijf is als een ander, met werknemers die je van de ene op de andere dag met targets kunt opzadelen. Het sportief weefsel van een club is teer, en dat mag wel wat harder, maar je moet er rekening mee houden.

De dag dat ik hoorde dat de dokter die door hem was binnengehaald erover dacht om Pronokal aan zijn te dikke keeper voor te schrijven, dacht ik: misschien loopt dit slecht af. Toen daarop de voedingsdeskundige moest vertrekken, wist ik: dit loopt zeker slecht af. Later vertrok ongeveer iedereen die er iets van kon.

Het probleem met slechte beslissingen is dat de ene de andere uitlokt. Pär Zetterberg naast Hein op de bank zetten: dom. Hein ontslaan: erg dom. Frank Arnesen binnenhalen: superdom. Ook een journeyman, maar gespecialiseerd in bestuurskamers. Gooien ze aan de ene kant de huismakelaar op straat – terecht, al hielp het dat die in bak moest gaan zitten -, halen ze langs de voordeur een man binnen met banden met al even louche makelaars.

Marc Coucke, een jaar geleden nog de onverdroten zeekapitein van KVO die uitgekeken was op de Noordzee en klaar was om de oceanen te bevaren, is vandaag de Roland Duchâtelet van Merelbeke, Brussel en wijde omstreken. Zijn personeel is hem beu en zijn klanten willen zijn spullen niet meer. Was RSC Anderlecht een gewoon bedrijf in zijn portefeuille, hij verkocht het. Een voetbalclub is geen gewoon bedrijf en Coucke is ook geen gewone ondernemer. De concurrentie is gewaarschuwd. Een aandeel dat bodemt, kan alleen maar stijgen.