Column To Iran or not Iran in De Morgen van zaterdag 7 maart 2026

To Iran or not Iran

Sinds de Amerikaans-Israëlische oorlog tegen Iran komt steeds terug dat het internationaal recht niet meer bestaat en dat de Verenigde Naties dood en begraven zijn, maar het nog niet weten.

Dat kan kloppen, bekeken door een sportbril. Het waren die Verenigde Naties die zich op 26 november van vorig jaar volmondig achter de gedachte van olympische vrede schaarden.

Die traditie van ‘Ekecheiria’ (Olympic Truce in het jargon) dateert van de negende eeuw voor onze jaartelling en was een deal tussen drie koningen – Iphitos van Elis, Cleisthenes van Pisa en Lycurgus van Sparta – om de veilige doorgang van de deelnemers en toeschouwers naar de Olympische Spelen te garanderen.

In de jaren 90 van de vorige eeuw werd die olympische vrede van onder het stof gehaald door het Internationaal Olympisch Comité en de op een Nobelprijs voor de Vrede geilende voorzitter Juan Antonio Samaranch. De moderne vertaling luidde dat er geen oorlogen mochten worden uitgevochten vanaf zeven dagen voor de Olympische Spelen tot zeven dagen na het einde van de Paralympische Spelen.

Als hij al afwist van het bestaan, heeft aanstaand olympisch gastheer Donald Trump vierkant zijn voeten geveegd aan die vrede. De reactie van het Internationaal Olympisch Comité was er een van op eieren lopen. Al steken ze de hele wereld in brand, de Olympische Spelen van 2028 zullen hem en de VS alvast niet worden afgenomen.

Rusland pakte het destijds wat handiger aan. Het organiseerde zelf Winterspelen in 2014 en twee dagen nadat de paralympiërs waren teruggereisd, nam Poetin de Krim in. Idem in 2022, na de editie van Peking, maar toen had Poetin minder geduld. Vier dagen na het einde van de originele Winterspelen en nog voor de paralympiërs waren gearriveerd, trok hij Oekraïne binnen. En daar zit hij nu nog.

Inmiddels is Rusland wel grotendeels uitgesloten van de wereldwijde sport, met uitzondering van de pas gestarte Paralympische Winterspelen, maar daar zal verandering in komen.

Het heeft er alle schijn van dat de Russen over dik twee jaar ook naar Los Angeles zullen mogen afreizen, met de hele equipe, in de rood-wit-blauwe kleuren, met de echte Russische vlag en het – toegegeven – erg mooie volkslied ‘Gimn Rossijskoj Federatsii’.

Rusland zal niet op de aanstaande World Cup voetbal zijn. Wie nog niet, dat is nu voorwerp van speculatie. Er zijn alleen maar vragen. Zoals: moeten we die World Cup niet boycotten? Natuurlijk zouden we dat moeten doen. Als we ons moreel kompas zouden volgen tenminste, maar dan hadden we misschien ook niet naar Rusland gemoeten in 2018, of eerder naar de Olympische Spelen van 2008 en 2022 in Peking. En hadden we de apartheidsstaat Israël -moeten uitsluiten zoals Zuid-Afrika destijds.

Dat hebben we niet gedaan en dat gaan we niet doen en daar zijn ook enkele goede redenen voor. In de eerste plaats het apolitieke speelveld. Daar valt wat voor te zeggen, het sportstadion als laatste safespace voor een eerlijk treffen volgens vooraf opgestelde regels en met een winnaar die de verliezer respecteert en omgekeerd de verliezer die de winnaar eert.

Wereldwijd is dat ondanks de recente woelige jaren redelijk overeind gebleven. Oké, Oekraïners wilden weleens achteraf geen hand geven aan Russen die als neutraal atleet door de mazen waren geglipt, maar ze sportten wel tegen elkaar.

Alleen die Iraniërs bleven maar vervelend doen. Zo verloor de Iraanse judoka Saeid Mollaei in 2019 op het WK opzettelijk zijn halve finale en daarna zijn bronzen kamp om in de finale of op het podium niet met de Israëliër Sagi Muki te worden geconfronteerd. Bij ons werd dat niet geloofd omdat hij die halve finale verloor van Matthias Casse.

Wat nu met Iran, op de aanstaande World Cup tegenstander van de Rode Duivels? De ontvanger van de eerste vredesprijs van de FIFA, Donald Trump, kan het niet schelen. Alle historische verwijzingen ten spijt, een wereldmacht en WK-organisator die een deelnemer van zijn groot voetbalfeest aanvalt, heeft de wereldsport nooit eerder meegemaakt.

Het is niet duidelijk waar Garcia, De Bruyne en Lukaku op moeten hopen: to Iran or not Iran? Een wedstrijd tegen Iraniërs op volle sterkte was nooit een wandelingetje in het park geworden. Iraniërs zijn redelijk onverzettelijk en op een voetbalveld vertaalt zich dat in lopen en blijven lopen.

Dus toch maar supporteren voor Trump, zodat Iran wegblijft of murw en gehalveerd verschijnt? Als er nu één volkje is dat daar geen morele bezwaren bij heeft, dan wel voetballers.

Column Daglichtregel in De Morgen van maandag 2 maart 2026

Daglichtregel

Op het scherm van de laptop staat een foto. Dertig mensen poseren voor een kasteel in Hensol, dat is ergens in Wales. Ze dragen allemaal een pak, iedereen in donkerblauw, ook de drie vrouwen.

Het beeld van de verpletterend blanke mannenclub dateert van zaterdag, van de 140ste jaarvergadering van de IFAB. Die afkorting staat voor International Football Association Board die gaat over de spelregels (The Laws of the Game) van het populairste spel dat de mens ooit heeft uitgevonden.

Die IFAB staat in theorie los van de wereldvoetbalbond FIFA, maar die duidt wel de helft van de leden aan. Het is een postkoloniaal verschijnsel, redelijk uniek voor de sport. Zo hebben bijvoorbeeld de founding fathers van IFAB (England, Schotland, Noord-Ierland en Wales) elk een permanent zitje.

De IFAB ziet zichzelf als de hoeder van het voetbal, de bewaker die de duistere krachten – commercieel, politiek, of gewoon van slechte wil – moet tegenhouden.

Die slechte wil stond centraal in wat zaterdag is beslist. Het moet allemaal wat sneller gaan voortaan en wel te beginnen op de wereldbeker deze zomer. Vijf seconden krijgen de spelers nog om een bal in te gooien en doelmannen om een bal uit te trappen. Dat laatste bestond al, maar op het aanstaande WK wordt de tijdrekkende doelman bestraft met een corner tegen.

Vervangen spelers moeten ook binnen de tien seconden van het veld zodra het bord is getoond. Een speler die op het veld wordt verzorgd, moet eerst het veld verlaten en daarna een hele minuut wachten voor hij/zij terug in het veld mag.

De VAR kwam ook aan bod. Die mag nu ingrijpen als een tweede gele kaart, resulterend in een rode, een vergissing blijkt te zijn. Ook een corner die er geen is kan worden herroepen. Op voorwaarde dat de herroeping snel genoeg kan gebeuren, dus dat wordt nog een dingetje.

Heel vreemd: de ref kan eventueel een bodycam dragen, maar het is niet de bedoeling dat de beelden voor meer dan intern gebruik dienen. Waarvoor dan wel, dat is de vraag.

Verder wordt nog nagedacht over hoe omgaan met doelmannen die gaan zitten voor een geveinsde blessure, waardoor het spel automatisch stilligt. Ook het fenomeen – denk aan de finale van de Afrika Cup – waarbij spelers het veld verlaten omdat ze het niet eens zijn met een scheidsrechterlijke beslissing wordt bestudeerd wat daartegen te doen. Ook nog te bekijken: spelers die hun mond afdekken in confrontatie met een tegenstander (de zaak-Vinicius recent).

Op de foto van de IFAB afgelopen zaterdag staat achterin een rijzige, grijzende en grijnzende man, ogenschijnlijk tevreden met de uitkomst. Zijn belang als FIFA’s chief of global football development kan niet worden overschat. Arsène Wenger is zijn naam, bekend van Monaco en Arsenal, en met 21 jaar en 8 maanden de langst zittende manager ooit in de Premier League.

Wenger heeft zich tot doel gesteld om iets te doen aan de buitenspelregel en heeft het nu voor elkaar gekregen dat voor het eerst een competitie zal experimenteren met de daglichtregel. Zo stond het in het laatste zinnetje van het communiqué dat zaterdag werd verspreid, in vier woorden: offside trials would continue.

Waar slaat dit op? Kort door de bocht staat een speler nu buitenspel als hij met een deel van zijn lichaam waarmee hij kan scoren voorbij de op één na laatste speler van de tegenpartij staat. De daglichtregel draait dat om: pas als alle lichaamsdelen waarmee kan worden gescoord helemaal voorbij de op één na laatste speler zijn is het buitenspel.

De daglichtregel slaat dan weer op de manier waarop een fase zal worden bekeken. Pas als er daglicht te zien is tussen aanvaller en verdediger zal er sprake zijn van offside. Het is duidelijk dat de discussies er niet minder op zullen worden maar ook niet noodzakelijk meer, de fase wordt gewoon anders beoordeeld. De winst zit hem in het voordeeltje van zowat een halve meter die de aanvaller krijgt, of iets meer als hij het slim speelt en zijn achterste voet laat hangen.

Het is lang zoeken geweest naar een representatieve maar niet al te belangrijke competitie die vanaf deze lente met deze regel wil spelen en die proefkonijnen hebben ze nu gevonden in de CPL, de Canadian Premier League.

Of het veel zal uithalen om gesloten wedstrijden open te breken is nog maar de vraag. Dat kan alleen met een buitenspellijn die 15 meter dieper in het aanvalsvak ligt, een beetje naar analogie met ijshockey. Vooraleer die postkoloniale IFAB evenwel iets uit een andere sport implementeert zal er nog veel water door de Ierse en de Noordzee moeten stromen.

Column Allrounders in De Morgen van zaterdag 28 februari 2026

Allrounders

Paddestraat, Haaghoek, Leberg, Eikenberg, Lange Munte, nog eens Haaghoek en Leberg, Eikenberg, Holleweg, Wolvenberg, Kerkgate, Jagerij, Molenberg, weer Haaghoek en Leberg, Berendries, Tenbosse, Parikeberg, Kapelmuur, Bosberg.

Dat zijn de scherprechters in de seizoensopener, beter bekend als de Omloop. Opgeteld twaalf hellingen en acht kasseistroken, enkele daarvan met dubbele functie, zoals de Muur. Die ligt op 15,7 kilometer van de eindmeet, die zelf dan weer na 207,6 kilometer wordt bereikt. Tussen Muur en eindstreep in Ninove ligt op 11,8 kilometer nog de Bosberg, ook kasseien en bergop.

Met andere woorden, dit is de finale van de Ronde van Vlaanderen toen die nog in Ninove arriveerde, weze het 60 kilometer korter en minder ‘bergen’. Behoorlijk zwaar voor een eerste wedstrijd in de Vlaamse Ardennen, zegt de toerist in ondergetekende, maar die is niet de norm.

Het huidige peloton wel, en dat zegt dat er veel kans is dat ze deze namiddag gaan sprinten. De oud-wielrenner en nog steeds fietsverslaafde gravelaar Greg Van Avermaet vindt dat de opening van het Belgische weekend best wat zwaarder mag. En ze zouden beter over smallere wegen koersen.

Wielrenners hebben er soms het handje van om alle kanten op te schieten en zichzelf tegen te spreken. In de eerste plaats over de veiligheid (meer smalle wegen, hoe verzin je het?), maar ook over de wielerparcoursen. Nu is het nog te licht, over een paar weken zal het allemaal wel weer te zwaar zijn.

Van Avermaet vindt dat de Belgische opener meer (lees: zwaarder) verdient. Waarom dan? Omdat het de Belgische opener is? De kans dat het ijsregent deze week, of zelfs sneeuwt, is spijts de klimaatverandering nog steeds even groot als het lenteprikje dat we deze week hebben meegemaakt. 207 kilometer, 12 hellingen en 8 kasseistroken, dat moet volstaan als gulden middenweg.

De enige ongemakkelijke waarheid is dat het Belgische openingsweekend als een tang op een varken slaat in die hele koerskalender. Tot vorige week zaten ze in het zuiden, om dan voor een lang weekend naar het noorden te verhuizen en na Le Samyn dinsdag trekken ze weer naar het zuiden. Logica in dat alles? Onbestaand, typisch voor de planeet Koers.

Deze discussie over de zwaarte van de Omloop past in een bredere kwestie die al langer het peloton en de volgers verdeelt: hoe moet een ideale wielerwedstrijd eruitzien? Ideaal als in: hoe krijgen we alle of zoveel mogelijk toppers samen aan de start, allemaal met een redelijke kans op succes?

Met een Jonas Vingegaard zal dat niet meer lukken. Die is zo mis ‘gekweekt’ dat hij alleen uit zijn Deense hoeve komt om één, hooguit twee keer per jaar, weken na elkaar bergop te fietsen. Willen we geen nieuwe Vingegaard, Chris Froome en, als we verder teruggaan, ook geen nieuwe Lance Armstrong meer, dan moet worden begonnen met het belang van de Tour de France terug te dringen. Alvast bonne chance daarmee.

De ideale wielerwedstrijd is er een waarin allrounders, klimmers, grote en kleine ronderijders en sprinters die een helling over raken zich geroepen voelen om aan de start te staan, allen met hun eigen specifieke strategie om in een kansrijke positie aan de eindstreep te komen.

Allrounders die alles aankunnen, van klassiekers over kille Vlaamse hellingen tot grote rondes over hete en zuurstofarme bergen, die lopen niet dik. Mathieu van der Poel wordt soms een allrounder genoemd. Onterecht. Geef hem een wegfiets, een crossfiets of een mountainbike, overal en altijd doet hij mee, maar verwacht hem niet in een bergetappe of in de hitte.

Dit hele WorldTour-peloton van 525 wielerprofs telt maar één allrounder en die heet Tadej Pogacar. Die kan echt alles. Vier keer de Tour winnen, Vlaanderen winnen en tweede worden in Roubaix, wat betekent dat je daar ook ooit kunt winnen, dat is geleden van Bernard Hinault en verder terug Eddy Merckx. Pogacar is in het postmoderne sporttijdperk van de hyperspecialisatie een buitenbeen.

In geen enkele andere sport verwacht men alle verschillende types samen aan de start. Van geen enkele atleet verwachten we dat ze van de 800 meter tot en met de 10.000 meter domineren, laat staan van de 100 tot de marathon. Zwemmers idem.

Natuurlijk is elke wielerwedstrijd in beginsel een uithoudingswedstrijd en lijken alle wielrenners fysiologisch meer op elkaar dan Usain Bolt op Eliud Kipchoge lijkt. De verschillen zitten hem meer in het gewicht. Wielrenners van 85 en 60 kilogram samen over dezelfde parcoursen jagen is onzin. Judoka’s van 70 kilogram vechten ook al lang niet meer tegen kolossen van 110. Gewichtscategorieën in de koers, waar wacht die UCI toch op?

Column Medailletje in De Morgen van maandag 23 februari 2026

Medailletje

Of we op de Winterspelen mochten dromen van die drie gewenste medailles of zelfs meer, dat vroeg de bakkerskrant De Zondag enkele weken geleden. Mijn antwoord: nul medailles kan evengoed omdat alle Belgen die het tot nu zo goed hadden gedaan wel zouden ondervinden hoe echte sportmodellen ervoor kiezen om te pieken op Olympische Spelen.

En zie, na zestien dagen hele mooie Olympische Spelen vertrekt de grootste Belgische winterdelegatie ooit met één bronzen plak, een half medailletje. Half jawel, dat past bij de mixed relay. Vrouwen en mannen achter elkaar laten sporten voegt niets toe aan topsport, een onderlinge strijd van de allerbesten binnen hun eigen categorie.

Die ene medaille viel uit de lucht omdat België de verdienste had overeind te blijven, vaak de essentie van shorttrack. Dat lukte hen in alle andere belangrijke wedstrijden iets minder, vooral dan Hanne Desmet. Wij kennen haar als ‘cannon ball Hanne’; haar internationale reputatie is af en toe die van bowling ball. Haar excuus na die laatste val op de 1.500 meter leek van een hoog ‘gezakt zadel’-gehalte, maar ze krijgt het voordeel van de twijfel.

Dat gezeur over die jaloerse Nederlanders die bang waren geworden voor onze Belgische shorttrackers en hen daarom hadden weggestuurd uit Thialf, het mag hiermee ophouden. Als je denkt dat je als landje zomaar kunt meesurfen met een performant sportmodel (zeven medailles in shorttrack, vijf keer goud), dan ben je niet goed wijs.

Het ziet er slecht uit voor de toekomst van shorttrack in België. Hanne Desmet is al 29. Misschien dat ze er op haar 33ste nog bij wil zijn in de Franse Alpen, maar dat is niet de vraag. Wel: waar blijft de opvolging? Waar is de continuïteit in het Belgische shorttrackmodel, of wat daarop moet lijken?

Als je een wereldkampioene als Desmet in huis hebt, dan verwacht je een effect op het hele landschap in die sport. Iemand een verrekijker? De term toevalmodel is hier al eens gevallen, en die is zeker van toepassing op alles op snelle schaatsen, lange of korte baan.

Investeren in een sport zonder infrastructuur is als een huis verwarmen met ramen en deuren open. Een echt model creëert de randvoorwaarden om jonge talenten te zoeken, op te leiden en te trainen.

Waar blijft die ijshal? Waar blijft de opvolging voor Bart Swings? Niemand mag beweren dat Swings op deze Spelen heeft gefaald. Van de Belgische naïviteit in de massastartfinale en de verontwaardiging achteraf begreep ik geen snars, maar dat zal aan mij liggen.

Swings liep in Milaan op zijn laatste benen en die volstonden niet, maar hij is en blijft een kampioen om te koesteren. De man was tot zaterdag regerend olympisch kampioen en is 35 geworden. Hoewel, Bergsma, winnaar van de massastart, is 40 en schaatste op de 10 kilometer 25 seconden sneller dan Swings.

De meest in het oog springende Belgische prestaties waren de vierde plaats van Sandrine Tas op de 3.000 meter schaatsen en de vijfde plek van Armand Marchant in de slalom. Vervolgens houdt het op, wat de supporters er ook van denken, die langs de lijn of in de (pers)tribune, en vooral die in de commentaarcabines met hun kirretjes, oooohs en aaaahs.

Het wordt tijd voor dit land om keuzes te maken en te gaan voor twee, drie wintersporten waarvoor je wel een model kunt uitbouwen. Met alle respect voor Kim Meylemans, skeleton is daar niet bij. Cru gezegd: als ze zo’n dure Duitse slee wil, dan had ze Duitse moeten worden zoals haar destijds een paar keer is gevraagd.

Dat tricolore boswandelen met geweer op de schouder, dat mag dan wel een Waalse aangelegenheid zijn, ook daarin best niet investeren. Meer dan de helft van onze biatleten zijn buitenlanders die om opportunistische redenen Belg zijn geworden: ze eindigden individueel op plaats 46, 50, 38, 52, 85, 74, 83, 33, 37, 26 en 19 voor de halve Noorse Lotte Lie, de beste.

Kunstschaatsen, daar kunnen we wel iets mee, maar ook hier beter de verwachtingen temperen. Ze eindigden 13de en 14de en dat is zonder de drie obligate maar voorlopig geschorste Russische springveertjes gerekend.

Op deze Spelen waren 21 medailles meer te verdienen dan vier jaar geleden. De 34 medailles van de (Wit-)Russen in Peking 2022 werden bij gebrek aan Russen vervangen door één luttele medaille van een neutrale atleet. Er lagen zo 54 nieuwe en vrijgekomen medailles voor het grijpen.

Nederland, met tien keer goud en een derde plek, tikt af op de beste klassering ooit op een Olympische Spelen. Nederland deed het met 39 atleten, wij stuurden er 30. België, het wintersportland dat het nooit is geweest, is terug bij af.

Column Geweldcultuur in De Morgen van zaterdag 21 februari 2026

Geweldcultuur

Geen discussie mogelijk: ijshockey is de moeilijkste sport op de planeet. Moeilijkste als in een combinatie van alle factoren die een sport zwaar, lastig, moeilijk en complex maken.

Het is eerst en vooral een ploegsport, de verheffende trap van sport omdat er behalve de individuele tactiek (wat doe ik, al of niet in functie van de tegenstand) ook ploegtactiek (wat doen we samen) komt bij kijken.

Vervolgens is het een fysiek bijzonder zware sport. Met 5 kilometer schaatsen gemiddeld per wedstrijd lijken de afstanden mee te vallen, maar de helft van de kilometers wordt aan hoge intensiteit afgelegd.

De specificiteit van de buitenspelregel, die (kort door de bocht) bepaalt dat eerst de puck de blauwe buitenspellijn moet overschrijden vooraleer de spelers dat mogen, maakt het ploegspel en de inspanning extra complex.

Daarna is er het technische aspect. Het controleren van de puck, een klein hard ding dat alle kant opschiet op het ijs, het is geen sinecure. Eenmaal je dat alles onder de knie hebt (de techniek, de fysiek, de tactiek, de regels) moet het allemaal nog eens worden uitgevoerd met hoge snelheid op het onvergeeflijkste oppervlak, glad ijs.

Of we zondag een ouderwetse Canada-VS als laatste wedstrijd van de Spelen krijgen, is bekend als dit in de krant staat. Of we daarop moeten hopen en of de organisatie daarop hoopt, is dan weer een ander verhaal. Naar het schijnt zou Donald Trump een Amerikaanse finale willen bijwonen.

(IJs)hockey is een trumpiaanse sport die het recht van de brutaalste hoog in het vaandel draagt. Spelers rammen op elkaars ribbenkasten en andere lichaamsdelen dat het een lust is en dan is olympisch ijshockey nog een lightversie van het veel ruwere ‘hockey’ dat die spelers gewend zijn in hun Noord-Amerikaanse National Hockey League.

Ongeveer 130 NHL-spelers zijn er voor het eerst sinds 2014 weer bij, nadat de koepel NHL twee edities verstek liet gaan omdat het Internationaal Olympisch Comité na 2014 niet langer de verzekering voor de spelers wilde betalen.

Die NHL’ers moeten zich aanpassen aan een aantal olympische (lees: Europese) regels. Zo is de speeloppervlakte groter (4 meter breder) dan in de NHL. Daar wordt vaak in basketbalstadions gespeeld, terwijl ijshockey in Europa meestal de hallen moet delen met kunstschaatsen en shorttrack.

Die geweldcultuur biologeert. Waar en hoe is het zo fout kunnen gaan met een sport dat zelfs in de lagere reeksen ooit uitwassen als Danbury Trashers het licht zagen? Wie Netflix heeft, kan in de docu Untold: Crimes & Penalties het hallucinante verhaal zien van het inmiddels opgeheven ijshockeyteam Danbury Trashers van de United Hockey League, een kleinere profcompetitie die ook al niet meer bestaat.

De eigenaar was James Galante, een afvalmagnaat en lid van de Genovese maffiafamilie. Hij gaf het team aan zijn 17-jarige zoon A.J. en maakte hem algemeen manager. Ze kochten een ploeg samen met de meest foute en gewelddadige spelers in de lagere reeksen en terroriseerden jarenlang de hele competitie.

Toen de docu uitkwam in 2021 haastte de NHL zich om zich te distantiëren van de vele geweldscènes. Bij hen was het allemaal beter gereguleerd, maar het begrip ‘reguleren’ is al even pervers. De waarheid is dat de NHL sinds 1920 het geweld onder de vorm van vechtpartijen heeft geïnstitutionaliseerd (lees: aanvaard als verkoopargument) en daardoor de hele sport heeft besmet.

Eerder deze week gingen zelfs de vrouwen van Zweden en de VS voor een bagatel met elkaar op de vuist; het was slaan om te raken. De internationale refs op deze Spelen worden geacht vechters meteen te scheiden. Bij een echt gevecht – een verdwaalde slag wordt door de vingers gezien – horen ze de vechters uit te sluiten voor de wedstrijd.

Amerikaanse refs laten vechten toe en grijpen pas in als een van de spelers naar de grond gaat. Als de refs het te bar vinden, moeten de spelers voor vijf minuten naar de strafbank, om daarna met bloeddoorlopen ogen hun sloopwerk weer op te pakken.

De gevolgen van die praktijken zijn niet te overzien. Uit de recentste studie, een onderzoek van 77 mannelijke hersendonoren die amateur- en professionele ijshockeyers waren, bleek dat de hersenen van 27 van de 28 professionele spelers tekenen vertoonden van chronische traumatische encefalopathie, dezelfde neurodegeneratieve aandoening die zo vaak Americanfootballspelers treft.

IJshockeycarrières zijn van de langste in de professionele Amerikaanse sport. De conclusie van de studie luidde: wie twintig jaar of langer hockeyt, heeft bijna 100 procent kans om dement te eindigen.

Column Kroonjuwelen in De Morgen van maandag 16 februari 2026

Kroonjuwelen

Jawel, de play-offs verdwijnen na dit seizoen. De kip met de gouden eieren, die voor veel spanning zorgde en tot de laatste reguliere speeldag wedstrijden op het scherp van de snede opleverde, wordt eind mei geslacht.

Hoe dom dat is zal al heel snel blijken als het nieuwe tv-contract moet worden onderhandeld en iets minder snel, maar niet minder ingrijpend, als in de toekomst de half-afgewerkte producten (voetballers dus) voor veel minder geld worden doorverkocht naar het buitenland.

In het eerste play-offseizoen 2009-’10 was van een positief effect op het sportieve nog niet veel te merken, maar gaandeweg viel het op dat in tegenstelling tot de gangbare competitieformule van iedereen tegen iedereen uit en thuis (de round robin) in de Belgische competitie haast geen wedstrijden meer waren waar het nergens om ging.

Die evolutie zette zich door en de voorbije tien jaar stond de Jupiler Pro League voor hoogst competitief voetbal, met veel fysieke arbeid, veel duels, veel tactiek, een ideale springplank naar de grotere competities. Dat vertaalde zich in transferopbrengsten en tegelijk in Europese successen of ministunts vanwege ook AA Gent en Union maar meestal toch Club Brugge.

Het effect daarvan zal te zien zijn in het seizoen 2027-28 als zowel de Belgische kampioen als de vicekampioen een directe toegang krijgt tot de 36 clubs die in de potten van de Champions League mogen graaien. Een voorspelling: na dat eenmalige succesje gaat het met dat Belgische profvoetbal ongenadig richting de sportieve en financiële dieperik.

Een tijdje geleden verscheen een nogal euforisch ingekleed verhaal over de enorme transferopbrengsten van het Belgische voetbal. We zijn met 274 miljoen euro zelfs de nummer twee van de wereld voor het aan de gang zijnde seizoen 2025-’26. Opmerkelijk dat alleen Frankrijk het met 407 miljoen beter doet dan België en dat een traditioneel opleidingsland als Nederland bijna 100 miljoen minder uit de nettotransferopbrengsten (verkoop min aankoop) haalt.

Omdat momentopnames moeten worden gekaderd in een groter geheel, hierbij wat duiding. Tussen 2015 en 2024 was de Pro League niet de tweede maar toch nog altijd de zesde meest winstgevende competitie inzake transferopbrengsten met in totaal 1,12 miljard euro netto.

Een ander bericht, vorige week, had het over de jaarrekeningen van de Belgische profclubs: 18 van de 28 clubs leden samen een verlies van 70 miljoen euro. Zo stond het er, maar dat klopt niet. Negentien clubs leden een verlies van iets meer dan 80 miljoen. Patro Eisden boekte geen winst maar een verlies van 5 miljoen en verborg die achter een kwijtschelding van schuld.

Als je door de cijfers heen kijkt naar de essentie van de voetbalbusiness, dan zie je dat de operationele verliezen vóór transfers onveranderd donkerrood kleuren. Met andere woorden: het hele Belgische voetbal hangt aan een navelstreng van transferinkomsten, eigenaarskapitaal en overheidssubsidies.

Nu is er de laatste drie mercato’s iets heel bijzonders aan de hand. Waar vroeger geïmporteerde voetballers nog een tijdje in de club bleven om daar wederzijds sportief profijt uit te halen, worden die nu verkocht van het moment dat ze drie ballen goed raken.

Rosen Bozhinov, Kaye Furo, Chemsdine Talbi, Christopher Bonsu Baah, Jan-Carlo Simic, Nilson Angulo, Ezechiel Banzuzi en Hyeon-gyu Oh zijn recent uit België vertrokken voor sommen tussen de 6 en 20 miljoen euro. De meeste van die spelers hadden niet eens een vaste basisplaats bij hun club. Furo had zelfs nog geen minuut met de hoofdmacht van Club gespeeld toen hij voor 10 miljoen al werd verkocht aan Brentford.

Als ook al de beloftevolle jongere spelers van de hand worden gedaan nog voor ze doorbreken is er sprake van een structureel probleem, helemaal als de meesten buitenlanders zijn. België heeft de naam een opleidingsland te zijn. Dat is het niet. In de rangschikking van speelgelegenheid voor spelers die voor het land kunnen uitkomen, staat de Jupiler Pro League pas op de 29ste plaats.

De enige realiteit blijft nog altijd deze: de Belgische eerste klasse importeert en exporteert vooral jonge buitenlanders. Het maakte daarbij verlies ( 730 miljoen euro over de laatste vijf seizoenen) en dat ondanks de 200 miljoen jaarlijkse lastenverlagingen op belastingen en sociale lasten.

Nu ongeveer alle kroonjuwelen, ook die van plastic, van de hand zijn gedaan en er behalve bij Club Brugge straks niks meer te verkopen valt, moeten de clubeigenaars – die vorig seizoen nog eens 200 miljoen euro aan kapitaalsverhogingen deden – zich dringend grote zorgen maken.

Column Emo-Spelen in De Morgen van zaterdag 14 februari 2026

Emo-Spelen

Politiek correcte deugpronkers vinden Ricky Gervais fout, maar telkens als die intro uit de Golden Globes van 2020 passeert, wordt op de iPad geklikt, gekeken en hard gelachen.

Gervais gaf toen wat goede raad mee. Zoals: “Stel dat u een prijs wint, gebruik het podium niet om een boodschap uit te dragen. U bent niet geschikt om het publiek over wat dan ook de les te lezen. Als IS een streamingservice begint, jullie zouden jullie agent bellen, ja toch? U weet niks van de echte wereld. De meesten onder jullie zijn minder naar school geweest dan Greta Thunberg.”

Kunnen we dat niet een beetje parafraseren voor de sportlui en meer in het bijzonder de sportlui op deze Olympische Spelen die menen dat ze het narratief moeten kapen met allerlei randmededelingen en/of gedragingen die niks met sport te maken hebben?

Bijvoorbeeld: “Stel dat je een prijs wint, gebruik het podium niet om een boodschap uit te dragen, behalve ‘ik heb mijn best gedaan en de vele trainingen hebben hun nut bewezen’.”

Probeer het te beperken tot hoe je hebt gepresteerd en kom niet achteraf met allerlei mededelingen die toch alleen bedoeld zijn om volgers aan te trekken voor je socials. En ten slotte, asjeblieft, begin niet te huilen en zeg tegen je lief dat hij/zij thuisblijft, of als hij/zij toch komt, dat hij/zij zich onzichtbaar maakt.

Er zijn enkele uitzonderingen. Zoals elke Amerikaan die zich in Milaan of Cortina of waar dan ook in de Dolomieten kritisch uitlaat over de heksen- en mensenjacht door schietgrage cowboys in het thuisland. Donald Trump moet er niet van weten. Normale mensen met een IQ hoger dan 70 moeten van Trump niet weten.

Wij horen elke Amerikaan die als kanshebber niet wint met een brede glimlach naar de uitgang te begeleiden. Wij horen ons al te verkneukelen in de aankomende VS-Denemarken in het ijshockey, maar vooral die ene wedstrijd tegen Canada die er zit aan te komen, hopelijk de finale op zondag 22 februari.

Nog een uitzondering: elke Oekraïense atleet die regel 50 aan zijn of haar laars lapt, zoals Vladyslav Heraskevitsj. Die wilde met foto’s op zijn helm gevallen Oekraïense sporters eren. Hoogst on-aerodynamisch die foto’s, maar dat kon hem niet schelen, de boodschap was belangrijker dan het resultaat.

Hij mocht niet en werd uit de competitie gehaald. Jawel, een pijnlijke maar begrijpelijke beslissing van het Internationaal Olympisch Comité, die op vraag van de atleten in een wereld met nog 129 andere conflicten de doos van Pandora dicht wil houden en elke boodschap op het speelveld verbiedt. Laten we hopen dat ze nu wel hun wereldvreemd pleidooi laten varen om de Russen snel terug te brengen op het internationale sporttoneel.

Olympic Broadcasting Services, het is duidelijk dat jullie de verhaaltjes, de emo en de clowns als Snoop Dogg koesteren, wellicht zelfs aanmoedigen, maar kan het wat minder? Als Jutta Leerdam nog eens een medaille zou winnen, willen jullie dan die haarbal van een would-bebokser die haar in Milaan vergezelt niet meer in beeld brengen?

Atleten mogen tijdens de Spelen niet met sponsors pronken die niet de sponsors van die Spelen zijn, dat zegt regel 40. Regel 50 gaat dan weer over elke vorm van demonstratie of politieke, religieuze of raciale propaganda tijdens de Spelen.

Misschien moet het IOC eens denken aan een regel 60 of zo. Die zou kunnen bepalen dat geen enkele atleet, vooral hij/zij die een prijs wint, het podium mag gebruiken om een boodschap uit te dragen waarmee hij/zij de aandacht kaapt van de media ten koste van de collega-atleet en/of zich tegelijk grenzeloos belachelijk maakt.

Neem nu de Noorse biatleet Sturla Holm Laegreid. De hele wereld kent nu Laegreid omdat die in een interview na het behalen van de bronzen medaille begon te snikken.

Aanvankelijk leek het dat de herinnering aan zijn recent overleden ploegmaat Sivert Guttorm Bakken bij hem nog te hard was binnengekomen. Dat was het dus niet. Wat dan wel? Hij had een scheve ski gereden, zijn lief had het daarop uitgemaakt en Laegreid vond het een goed idee om voor de camera’s van de wereld zijn spijt te betuigen aan het ex-vriendinnetje (dat er daarna nog minder kon om lachen en hem nog steeds de wacht aanzegt).

Atleten van de wereld en entourage, we moeten al die onzin niet. Neem een voorbeeld aan onze shorttracker Stijn Desmet, die met behulp van een onnozele vraag geheel zichzelf bleef, ondanks het behalen van onverwacht brons.

Dat ging zo:

– “Was je opgewonden, Stijn (toen je op de finish afging)?”

– “Ja, heel opgewonden, ik vloog, maar de anderen voor mij vlogen ook. (haalt schouders op) Ja, dawast.”

Coole Spelen, coole interviews, dadist.

Column Eigen schuld in De Morgen van maandag 9 februari 2026

Eigen Schuld

Het tijdstip kan ik fout hebben – ik denk dat het ergens in de lente van 1992 was. De setting was de raad van bestuur van het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité waar ik toen als jonge directeur communicatie deel van uitmaakte, maar half zo oud als de meeste bestuurders geacht werd mijn mond te houden.

Dat lukte meestal aardig, ook toen die ene dag de selectie voor de Olympische Spelen van Barcelona aan bod kwam en wel meer in het bijzonder de vraag: “Wat met Robert Van de Walle?”. Of het wel wijs was om hem te selecteren, gezien diens belabberde medische plaatsbeschrijving en het risico op blessures.

De voorzitter, Jacques Rogge, nam het woord en vond dat Van de Walle beter niet zou worden geselecteerd. Hij was ‘een wandelende ambulance’, dat waren zijn exacte woorden. Ik sprong net niet uit mijn vel, maar hield mijn mond, behalve dat ik er de gestelde lichamen beleefd op wees dat we dat gevecht met Van de Walle en de media nooit zouden winnen.

Lang verhaal kort: men besloot hem mee te nemen, met flinke tegenzin. Van de Walle zou aan Barcelona een (nog meer) gehavende schouder overhouden, een mooie zevende plek en vooral die staande ovatie in Palau Blaugrana, inclusief het kippenvel dat mij ook nu weer overvalt.

Rogge was bij alle operaties van de atleet Van de Walle de behandelende chirurg. In een van onze vele latere gesprekken heb ik hem gevraagd wat hem toen bezielde om daar zo flagrant het medisch geheim te schenden en hoe onrespectvol dat wel niet was tegenover een monument als Van de Walle.

Rogge kon onder vier ogen wel wat tegenwind verdragen en argumenteerde dat hij in zijn lange loopbaan als orthopedist wel vaker had gezien hoe – haarfijn voorspeld door hem of collega’s – een atleet zichzelf in de vernieling sportte. Dat het recht op zelfbeschikking van zo’n atleet niet oneindig was en dat als je de gewone mens medisch tegen zichzelf in bescherming moet nemen, je dat misschien nog meer met de topsporter zou moeten kunnen.

Dat was 33 jaar geleden. Vandaag is het recht op zelfbeschikking van het individu maximaal. Iedereen moet zichzelf kunnen zijn, iedereen moet alles kunnen doen/wagen om zich te kunnen ontplooien. Dat kan gaan van niet willen opgaan in een team, tot de meest gekke dingen doen om een carrière in stand te houden, al dan niet verpakt in een sausje van passie, en dat alles uiteraard gestreamd.

Toen de Amerikaanse skiester en ski-ster Lindsey Vonn twee weken geleden haar voorste kruisband in haar linkerknie afscheurde en kort daarna aangaf met een brace de olympische afdaling toch te willen skiën, stelde ik op X de vraag aan de orthopedisten van de wereld: “Verbeter mij als ik mis ben, maar dit lijkt geen goed idee.”

Ik weet wat Rogge had geantwoord. Sommige artsen vonden het waanzin, anderen vonden het dan weer ‘te doen’. Jawel, twee trainingsruns en nog eens dertien seconden in de echte wedstrijd. Vervolgens miste Lindsey Vonn haar tweede bocht. Dat was geen uitschuivertje maar een moordcrash waarbij ze van alles in haar lichaam naar de filistijnen hielp. Details volgen nog.

Haar geschreeuw en gehuil toen de medische diensten haar ski’s losmaakten ging door merg en been. Hadden de duizenden toeschouwers beneden in de vallei dat vreselijke achtergrondgeluid meegekregen, ze hadden wel nagelaten om te applaudisseren toen ze Vonn voor de tweede keer in twee weken door een helikopter van de piste zagen getakeld.

Medelijden? Een heel klein beetje met Vonn. Meer nog met de skiesters die na haar moesten komen en met nog enkele minuten te gaan hun opwarming netjes hadden ingecalculeerd, maar nu ineens een oponthoud van twintig minuten voor de kiezen kregen. Het was een crash en een crash kan gebeuren, maar niet zo, niet daar en niet zo vroeg. Zoals de stoutste commentaren meteen scherp stelden: dit was self-inflicted, eigen schuld.

Het is inherent aan topsporters om te pushen tot het uiterste, maar ergens moet door iemand in de entourage een grens worden getrokken. In Vonns geval had dat haar coach Aksel Lund Svindal moeten zijn, die na de trainingen zei dat ze onbewust meer op haar rechterknie landde dan op links, waar geen voorste kruisbandfunctie meer zat.

Hij zag daar geen graten in. In de rechterknie van Vonn, voor alle duidelijkheid, zit al een half vervangstuk in titanium in. Ze was al een half medisch wonder, maar ze wilde zo nodig een heel medisch mirakel zijn. “Morgen (na de wedstrijd, dus gisteren) zal je een andere Lindsey Vonn spreken”, zei Svindal. Misschien was hij niet de juiste man op de juiste plek om Vonn tegen zichzelf te beschermen. Zoekt u maar eens op – Svindal, crash, Streif – dan weet u het meteen.

Column Friese Alpen in De Morgen van zaterdag 7 februari 2026

Friese Alpen

Eerst even iets om mee te scoren op een uitgestelde nieuwjaarsdis. Wist u dat de eerste olympische wintersporten al in 1920 op het programma stonden, in Antwerpen, jawel? Het Palais de Glace d’Anvers of het IJspaleis, zo heette de plek waar in 1920 zowel kunstschaatsen als ijshockey plaatsvond.

Omdat in die tijd de koeling van een hele hal in de zomer technisch nog niet mogelijk was, werden kunstschaatsen en ijshockey naar de maand april verschoven. In de mooie lente van 1920 werd vaker op water dan op ijs geschaatst.

Dat gebeurde allemaal in de Henri Van Heurckstraat, die in 1920 nog de Gezondheidsstraat heette. Het gebouw werd zoals de meeste olympische sites van 1920 niet gekoesterd, maar raakte geleidelijk uitgewoond als garage, stalling voor taxi’s en uiteindelijk parkeergarage.

In 2016 was het definitief afgelopen met het laatste fysieke overblijfsel van die al bij al memorabele Antwerpse Olympische Spelen en werd het IJspaleis gesloopt om plaats te maken voor appartementen. Het zegt wat over hoe wij omgaan met sportgeschiedenis.

De Winterspelen zijn de intiemste, schattigste, meest relaxte en dus voor sommige liefhebbers de mooiste van alle Spelen, maar ze komen altijd weer een maand te laat. Als bij ons de lente al heel af en toe om de hoek komt piepen, pas dan gaan ze ergens in de wereld op ijs en sneeuw om de olympische medailles skiën, schaatsen, glijden, springen en wat al niet meer.

De eerste Olympische Winterspelen van Chamonix, toen nog een Olympisch Festival, zijn in 1924 geëindigd op de dag dat ze dit jaar beginnen en dat is vandaag. Toen waren er nog geen Paralympics en die worden dit jaar pas in maart geprogrammeerd. Van 6 tot 15 maart, als het u zou interesseren. Laat maar, op de papsneeuw van de Paralympische Winterspelen gebeuren elk jaar weer de vreselijkste ongelukken met mensen die meestal voordien al wat te verduren hadden.

Ook op de valide Winterspelen overigens. De olympische leuze ‘citius, altius, fortius’ of ‘sneller, hoger, sterker’ heet op de Winterspelen ‘citius, acutius, letalius’ of ‘sneller, gevaarlijker, dodelijker’. Dat geldt niet voor het prille begin, toen het nog om spel en elegant vermaak op sneeuw en ijs ging. De dag dat de snelheid zijn intrede deed, kwamen de ongelukken. Alle vijf doden op de Winterspelen vielen na 1964. Sinds Rome 1960 en de zware val van de wielrenner Knud Enemark Jensen – neen, geen dopingdode, maar dat is een andere discussie – is op de Zomerspelen geen dode meer gevallen.

Hoe het Internationaal Olympisch Comité zal omgaan met zijn Winterspelen zal vooral iets zeggen over het intelligentieniveau van de leiding van deze club. Het paniekverhaal dat er tegen 2040 nog maar in tien landen op de hele planeet zou kunnen worden gewintersport, houdt geen rekening met de realiteit.

Die realiteit is simpel: voor de meeste bergsporten heb je geen neerslag nodig, een beetje koude op tijd en stond – als de zon ondergaat en ’s nachts bijvoorbeeld – volstaat. Tot voor een paar weken lag op de zuidgerichte hellingen van de Dolomieten geen centimeter sneeuw, behalve dan op de skipistes.

Zelf ondervonden: die waren perfect geprepareerd. Elke avond werd het sneeuwkanon aangezet, een Noord-Italiaanse vinding overigens. Daarna passeerden de bully’s en elke ochtend waar nodig werd nog wat extra sneeuw gespoten. Ja, je skiet dan op een witte streep door een bruin landschap, maar dat went.

Wat u ook leest en wat men er ook van zegt: kunstsneeuw is nog altijd de beste sneeuw. Tenzij het hard begint te vriezen, ook overdag. Dan worden de heerlijk geprepareerde en krakende pistes een soort beton- en ijsvlaktes en is de lol eraf. Voor u en mij althans, want de echte skiërs van de Winterspelen hebben niks liever dan hard en ijzig.

Bovendien houdt men geen rekening met de technologische vooruitgang. Het 500 miljard dollar kostende NEOM-project en het bijbehorende skioord Trojena mag dan wat vertragingen hebben opgelopen, waardoor de Aziatische Winterspelen van 2029 een nieuwe locatie moeten zoeken, de Saudi’s zijn nog altijd van plan te skiën aan de Rode Zee. Als het daar kan, kan het straks overal.

Een beter plan zou zijn om de Winterspelen snel in te plannen in bestaande competitieplaatsen met naam en faam. Dat gebeurt nu al min of meer met een spreiding over Milaan, Bormio, Livigno en Cortina. Dat is ook het plan over vier jaar in de Franse Alpen. Daar zoekt men alleen nog een 400-meterschaatsbaan. De biedingen zijn inmiddels binnen: Thialf in Heerenveen is de koploper om in de Friese Alpen het olympische schaatsen te hosten.

Column Majesteit Mathieu in De Morgen van maandag 2 februari 2026

Majesteit Mathieu

Deze week vroeg ik aan de deelnemers van de Cycling Academy of ze zich naast veldrijden nog een andere sport of discipline voor de geest konden halen waarin één atleet zonder te veel ongelukken altijd alles wint en dan nog met een gigantische marge.

Iemand suggereerde Armand ‘Mondo’ Duplantis. Point taken. In het polsstokspringen is het misschien nog opvallender. Mathieu van der Poel begint ten minste nog samen met de anderen aan de wedstrijd, Duplantis begint pas te springen op een hoogte als het grootste deel van de tegenstand drie keer de lat eraf heeft gegooid.

Polsstokspringen is dan ook het veldrijden van de atletiek: één kan het supergoed, de rest denkt dat ze het kunnen. Bij uitbreiding is veldrijden of crosscountry een bij uitstek Vlaamse sport waarin een paar Nederlanders (m/v) alles winnen.

Sinds gisteren is dat ook historisch een datafeit: niemand heeft meer wereldtitels gewonnen dan de Nederlander Van der Poel, die in Hulst zijn achtste pakte. Het was de hele week te doen om de titel van GOAT, greatest of all time, of de vraag of Van der Poel wijlen de Belg Erik De Vlaeminck zou onttronen.

Alsof De Vlaeminck met zijn zeven wereldtitels tot gisteren mede-GOAT was. Niet dus. De Vlaeminck heeft behalve één etappe in de Ronde van Frankrijk van 1968 nooit iets van belang gewonnen op de weg. En hij is meer dan één keer behoorlijk uit de bocht gegaan.

Toen het over De Vlaeminck ging in het commentaarhok schoot het duo Van Gucht-Herygers uit zijn pedalen met een denigrerende opmerking over een uitstekend portret van de voormalige bondscoach dat in een weekendkrant was verschenen.

De kop was allesomvattend: ‘Acrobaat, drugsverslaafde en mentor van een gouden generatie’. Voor de supporters-met-micro in dat commentaarhok: zo’n portret van rozen met doornen, dat heet journalistiek.

Puur sportief was De Vlaeminck de allerbeste van de boerenstampers, Van der Poel is Zijne Koninklijke Hoogheid van het veldrijden. Majesteit Mathieu is nog correcter, ZKH was in Nederland de titel van Willem-Alexander toen die nog kroonprins was.

De vraag was welke Van der Poel we zouden zien. Die van Tokio 2021 en bij uitbreiding het mountainbiken, de overmoedige, die op een cruciale plek een cruciale fout maakt? Of de Van der Poel van de klassieke overwinningen op de weg, supergeconcentreerd, geen fouten en de zaak afmaken? Jammer voor de concurrentie, het was die laatste versie.

Ten bewijze: waar de meeste crossers over de twee balkjes sprongen, sprong Van der Poel nooit. “Ik moest er vooral voor zorgen dat ik niet door een mechanical in de problemen zou komen.” Dat hebben we Van der Poel nog nooit horen zeggen. Zijn secondant Tibor del Grosso perste er bij het laatste brugje nog een showjump uit. Ook dat liet hij voor de anderen: wereldtitel nummer acht primeerde.

Hij had al een gaatje in ronde één, waarop de latere zilveren en bronzen medailles Del Grosso en Thibau Nys terugkeerden, maar hij reed vanaf ronde twee een extra strak tempo dat niemand kon of wilde volgen. De wedstrijd reed hij uit zoals Tadej Pogacar als die voorop raakt: een kloofje uitbouwen, beveiligen en rustig binnenbollen.

Nu we van die onzindiscussie over de GOAT zijn verlost, zal het van nu tot volgende winter gaan over de vraag of de crosser in Van der Poel straks een schrikkelwinter neemt. Hij zei eerder dat hij dat te overwegen vond. De analisten koppelden de uitkomst van die overweging aan hoe hij dit voorjaar zou presteren.

Als hij pakweg weer de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix zou winnen of de Strade Bianche en Milaan-Sanremo en nog wat klein grut, dan zou hij blijven crossen. Als hij op de Oude Kwaremont, Le Tolfe of de Poggio geen antwoord zou hebben op Pogacar, dan zou hij een klassieke wintervoorbereiding overwegen.

Als Van der Poel slim is en zijn avontuurlijke aard volgt, is het logisch dat hij minstens één hele winter alleen op de weg traint. Minder crossen betekent meer langere trainingen, geen gedoe met het bovenlichaam dat je voor de cross wel nodig hebt, per maand scheelt dat een kilo. Van der Poel min drie kilo zonder krachtverlies is in het klassieke voorjaar de evenknie van Pogacar. Hij wordt volgende winter al 32, waar wacht die nog op?

Als dat hem ook nog te saai is, zie ik hem eerder nog trainen voor een ironman. Hij kan fietsen, dat is duidelijk. Hij kan ook lopen, bewijzen zijn Strava-uitjes. Nu nog beter zwemmen. Daarvoor is al een oplossing: op zijn golfclub speelt ook ene Ronald Gaastra en die twee hebben het daar al over gehad.