Column Bedrijfscultuur in De Morgen van maandag 19 augustus 2019

Bedrijfscultuur

De spelers van Gent voor hun Europees duel tegen Larnaca. De Buffalo’s en Antwerp vragen meer rusttijd voor hun match in de laatste voorronde van de Europa League.

“Kom na de vrije training morgenochtend, dan heb ik vijftien minuten voor jou.” Aldus sprak de grote manitoe van het Amerikaanse profbasketbal, Phil Jackson, toen coach van de Chicago Bulls van Michael Jordan.

Ik heb tijdsvrees, late anxiety in het Engels. Dus parkeerde ik ruim op tijd de huurauto bij de sporthal in Deerfield ten noorden van Chicago. Ik meldde mij aan bij de intercom. Er was sprake van enige chaos en tijdelijke onderbezetting, wellicht te wijten aan
het drukke back-to-back-wedstrijdprogramma. Daardoor kon ik zo maar overal doorlopen. Na een hele wandeling kwam ik in de trainingshal, waar Steve Kerr nog wat driepunters oefende met drie coaches. Aan het eind van die hal was een open fitnessruimte en daar lagen drie zwarte jongens te benchen.

Later zou ik ook nog triceps en bicepsseries zien van de heren Michael Jordan, Scottie Pippen en Dennis Rodman. Al bij al heb ik hen een half uur zien poweren bij de beesten. Ze hadden de avond tevoren aan lastige partij gewonnen en ze hadden diezelfde avond weer een moeilijke wedstrijd. Tussenin waren ze in hun full option trucks gestapt en richting Deerfield gereden om op de vrije training wat shots te nemen, enkele moves te onderhouden en dan nog drie kwartiertjes te poweren.

Het was een van mijn eerste vragen aan Jackson. Hoe ze het volhielden, honderd wedstrijden in acht maanden en dan nog zo vaak trainen. Op de wedstrijddag ook nog eens ’s ochtends en drie uur voor de wedstrijd terug dat veld op. “Dat is iets wat je moet leren. Het zit in onze bedrijfscultuur,” zei Jackson.

Daar moest ik aan denken toen ik een pleidooi las om AA Gent en Antwerp dispensatie te geven volgend weekend als ze tegen elkaar moeten in de landelijke competitie. De reden? De dubbele Europese confrontatie met als inzet een plaats in de poulefase van de Europa League en de rust die ze zouden kunnen gebruiken om die opdracht tot een goed einde te brengen.

Oké, laten we dit even analyseren. De ploegen zijn sinds eind juni bezig met hun voorbereiding en hebben een fysieke basis gelegd met trainingen en veel oefenwedstrijden tegen niet al te zware tegenstanders. Er is dus een overload aan arbeid geleverd, mogen we hopen althans. Ondertussen is het weer ideaal geweest om te voetballen, heel even wel een weekje te warm, maar verder ideaal. De velden lagen er ook pico bello bij en zo is eind juli de competitie gestart: iedereen fris en monter, batterijen opgeladen.

We zijn een maand ver, vier competitieweekends zijn afgewerkt, Gent en Antwerp hebben zich Europees kunnen inlopen tegen de FC Chakamakas van deze voetbalwereld, en nu vragen ze al om rust? Misschien moeten die ploegen eens overwegen om dat Europees voetbal te laten schieten. De poulefase, dat zijn weer zes midweekwedstrijden tussen competitieduels door. Idem voor Standard, dat al zeker is van de poules, en voor Club Brugge dat ofwel de Champions League haalt of in de Europa League wordt opgevist. Racing Genk is al zeker van die Champions League.

In het beste geval moeten vijf van de G6-ploegen tussen september en december zes keer Europees aan de slag. Zullen ze dan een verzoek indienen om voor nieuwjaar geen competitiewedstrijden te spelen? Natuurlijk niet, omdat de belangen dan wat minder zijn. Het levensbelang van de Europese wedstrijden van deze en volgende week voor Gent en Antwerp wordt voorgesteld als een algemeen belang: iedereen voor het Europese coëfficiënt van België.

Onzin. Er is maar één reden dat Gent en Antwerp dispensatie willen om die poulefase te bereiken: de gegarandeerde miljoenen die aan die zes wedstrijden zijn verbonden. Het Europees coëfficiënt is evenzeer gediend bij goede prestaties in de Europese competities, zoals overwinteren, maar zodra die poules zijn bereikt en de miljoenen veilig, is Europees voetbal een bijzaak en primeert weer de competitie.

Voetbal is geen basketbal, dat klopt, maar is het niet een beet je ridicuul dat een voetballer geen twee wedstrijden per week aankan? Ik stel de vraag anders: is het niet een beetje ridicuul dat een club die hoopt op Europees voetbal een speler contracteert met een fysieke conditie die niet toereikend is om twee wedstrijden per week te spelen? Een uurtje testen en je weet welk vlees je in de kuip hebt. Een speler die na elke wedstrijd vijf dagen nodig heeft om op zijn positieven te komen, hoort niet in een Belgische topclub thuis.

Trainbaarheid is een genetisch gegeven en sommige sporters/voetballers, ook heel begaafde, zijn genetisch zo beperkt dat er geen lievemoederen en trainen aan is. Evengoed is de bedrijfscultuur van het voetbal niet gericht op fysieke en atletische ontwikkeling van het individu, waardoor zoveel kansen blijven liggen.

 

20190819_De-Morgen_p-19-mail

Column Glazen Plafond in De Morgen van zaterdag 17 augustus 2019

Glazen plafond

“Als ge nog eens een fluit in uwe mond wil steken, hé meiske, neem dan die van mij.’

Dat zou ooit op een voetbalveld geroepen zijn naar een vrouwelijke scheidsrechter die twee jeugdploegen floot. Zelf heb ik ooit gehoord hoe een vrouwelijke lijnrechter de dwingende raad kreeg in plaats van met haar vlag te zwaaien, op haar vlag (stokje allicht) te gaan zitten. “Dan zal je wat contenter zijn.”

Het is seksistisch, onbehoorlijk en beledigend taalgebruik, ik weet het, maar in elke schrijfcursus staat dat je de lezer van de 21ste eeuw met zijn steeds korter wordende aandachtsboog van bij het begin moet pakken. Bij deze heb ik hopelijk uw aandacht want het gaat over, jawel, vrouwen. Meer in het bijzonder één vrouw, de vermetele, genaamd Stéphanie Frappart die het heeft aangedurfd een mannenwedstrijd van voetballers te scheidsrechteren.

Op het hoogste niveau nog wel. Dat is ongewoon, maar wel geen primeur. De Zwitserse Nicole Petignat floot tussen 2004 en 2009 drie kwalificatiewedstrijden in de UEFA Cup. Op de keper beschouwd zit Petignat nog een statietje hoger, want in haar wedstrijden tussen minder goeie voetballers en dus meer rare fases, ging het ten minste nog ergens om. In die van Frappart niet. Een Europese Supercup, weze het tussen grootheden als Chelsea en Liverpool, is een lucratief tussendoortje gespeeld aan driekwart van de snelheid en intensiteit.

Frappart kreeg applaus van beide supporterskernen. Zo stond het in L’Equipe die donderdag een verslag had van haar optreden. Dat applaus wil ik best geloven, maar hoewel ik er niet bij was, durf ik mijn hand in het vuur te steken dat het geen vijf minuten zal hebben geduurd voor ‘You cunt!!!’ zal zijn geroepen.

De beslissingen van Frappart waren af en toe gecontesteerd, de ene keer al zwaarder dan de andere. Dat schreef L’Equipe, maar die voegde daar aan toe dat ze nooit de pedalen kwijt was en dat het spel onder haar watch op en neer vloeide. In de laatste paragraaf schreef A. Cl. nog dat ze zich netjes van haar taak had gekweten om de doelmannen te verplichten op hun lijn te blijven tijdens de strafschoppenreeks.

Ai, had niet moeten gebeuren. Een dag later bleek uit beelden dat de laatste redding er een was waarbij de doelman juist niet op de lijn stond met één voet (wat de nieuwe regel is) maar helemaal los van de lijn een jump start had genomen. Dat had ze kunnen zien, maar de VAR ook en die greep niet in.

Er is geen enkele objectieve reden waarom vrouwelijke scheidsrechters niet zouden worden ingezet bij mannenwedstrijden – zo moeilijk is dat scheidsrechteren nu ook weer niet (grapje) – op voorwaarde dat ze aan alle criteria voldoen. Die zijn in volgorde van belang: de regels kennen, genoeg wedstrijdervaring opdoen en – superbelangrijk – de fysieke proeven doorstaan. Daar zou het schoentje weleens kunnen wringen. Die proeven zijn niet mis en zoals bekend lopen vrouwen vandaag, en ook nog de komende millennia, op fysiek vlak achter op de mannen. Die achtereenvolgende sprints, dat lukt nog wel, maar aansluitend die snelle intervalloop na amper tien minuten rust, dat is al andere koek.

In België zouden ze worden geconfronteerd met een bijkomend probleem: de scheidsrechters moeten hier hun vetpercentage onder de 12 procent krijgen. Het nut daarvan wordt betwijfeld, maar scheidsrechters selecteren is niet zoiets als de kieslijsten samenstellen – vrouwtje-mannetje-vrouwtje-mannetje. We kunnen en mogen de vrouwen niet positief discrimineren. Het wordt onder de 12 procent (ook voor vrouwen) of niet fluiten, of een klacht bij UNIA. Frappart liep /sprintte 120 minuten lang en zat zo op het eerste gezicht in de buurt van die 12 procent, maar eronder wordt lastig voor elke vrouw tenzij ze Nina Derwael heet.

Zoals er geen enkele objectieve reden is waarom vrouwen geen topscheidsrechter zouden kunnen worden is er net zo goed geen reden waarom vrouwen het beter zouden doen dan mannen. Nochtans zijn er die dat wel geloven. Neem nu Stéphanie Forde, operationeel directeur van de Belgische scheidsrechters, wat dat ook moge betekenen. Ik vermoed dat ze de aanstellingen in de gaten houdt en uitstuurt en zorgt dat er overal arbiters zijn en dat hun verslagen binnenkomen, iets anders kan ik mij niet inbeelden. Vroeger heette dat eerstaanwezende secretaresse.

Haar werd gevraagd of vrouwelijke scheidsrechters iets extra op het veld brengen in vergelijking met hun mannelijke collega’s. Ze had kunnen zwijgen. Dat deed ze niet. Ze sprak in clichés: “Ik denk dat vrouwen de emoties op het veld beter aanvoelen. Ze kunnen de frustraties van de spelers op een andere manier kalmeren. Er is meer begrip.” In haar enthousiasme om het glazen plafond te doorbreken, goot ze een betonnen grondplaat.

 

20190817_De-Morgen_p-19-mail

Column Zakkenvullerij in De Morgen van maandag 12 augustus 2019

Zakkenvullerij

Een oude auto verkopen is beter voor de gemoedsrust dan een oude voetbalclub, zoveel is inmiddels wel duidelijk. Nooit ellende mee gehad, met een auto, hoewel er wel degelijk een en ander aan scheelde. Maakt niet uit, zei de opkoper, hij gaat toch naar Afrika/Oost- Europa. Of de garage, waar een nieuwe werd besteld, zei: “Geef hier (die auto en dat geld).”

Het gaat er even iets anders aan toe als een voetbalclub van eigenaar verandert. Bij de verkoop zelf, het moment en de photo opp, is er geen vuiltje aan de lucht. De eigenaars schudden de hand en wensen elkaar de grootste successen toe. Na een paar maanden begint dan het gerommel.

De laatste overname in het Belgisch profvoetbal was die van Louis De Vries, die SK Lokeren kocht van Roger Lambrecht. Iedereen straalde: de oude Lambrecht was content dat hij nog wat geld zag van zijn ruïne en De Vries kirde alsof hij in Lokeren aan het Belgische Manchester City ging bouwen.

Twee weken geleden klonk het al anders: er was geld gestolen bij het leven, zei hij in Sport/Voetbalmagazine. Hij zette wel Lambrecht uit de wind: die wist het niet. Of, wat erger was: hij was de grip kwijt. Waarmee hij in feite bedoelde: die Lambrecht heeft die club gewoon heel slecht beheerd en door zijn schuld zitten we nu in 1B.

Toen Peter Callant inmiddels anderhalf jaar geleden KV Oostende overnam van Marc Coucke was dat nog de deal van zijn leven. Na enkele maanden sijpelden berichten door over dure stadionhuur, gigantische uitstaande schulden bij makelaars, te dure contracten, allemaal erfenissen van het vorige bewind. Er moest Coucke-vet worden weggesneden. Kwalificeer het maar als de perversiteit van de sportjournalist met kilometers, maar ik kreeg het beeld van zo’n naakte Coucke op de operatietafel en dat weggesneden vet niet meer van mijn netvlies.

Later werd het “een beladen erfenis” en als snel viel er “lijken uit de kast”. En toen koos Callant eieren voor zijn geld – lees: koos voor zijn bedrijf, waar Coucke een grote klant is – en liet KV Oostende over aan Frank Dierckens. Voorlopig is het daar rustig.

Dé overname van de laatste jaren was die van RSC Anderlecht, het uitgewoond instituut van de Vanden Stock-dynastie. De overnemer, Marc Coucke, bedoelde het allicht nog niet zo kwaad toen hij bij de overname stelde dat het vorige Anderlecht te vergelijken was met de oude adel. Vanden Stock dacht: passons. Van iemand met meer dan één miljard op de rekening die verrassend je club heeft overgenomen door middel van een gesloten bieding – wat bewijst dat je eigenlijk alleen maar geïnteresseerd bent in geld – aanvaard je al eens iets.

Toen kort daarna de ene na de andere verwijzing naar het ancien voetbalrégime bij paars-wit op de schop ging – de buste, de stadionnaam, enkele dinosaurussen en wat al niet meer – wist elke waarnemer: dit is een vijandige overname en een vechtscheiding gecombineerd. Roger Vanden Stock hield het allang niet meer, dat was geweten. Pas toen hij zijn oude copain Hugo Camps in hun beider Knokke tegen het lijf liep, wilde hij weleens zijn verhaal doen. Bottomline: die Coucke maakt er maar een zootje van en hijzelf wil er niks meer mee te maken hebben. Dat het immer kritische Anderlecht-publiek deze janboel pikt, verwonderde hem nog het meest. Seigneur Roger die het plebs oproept om in opstand te komen, du jamais vu, het moet hem echt heel hoog zitten.

Waarop Coucke in Trump-stijl via zijn favoriete medium Twitter terugsloeg. Eén passage uit de twee tweets valt in het bijzonder op: zakken vullen… Dat is de ironie ten top. Wat Perrigo Coucke verwijt en waarvoor ze in proces liggen met de overname van zijn Omega Pharma, ongeveer hetzelfde verwijt hij nu Vanden Stock en zijn partner in crime (anders kun je dit niet interpreteren) Herman Van Holsbeeck: er is geknoeid, al of niet met de cijfers.

Laten we een kat voor eens en voor altijd een kat noemen: bij de overname circuleerde al het gerucht dat de villa Anderlecht een uitgewoonde bouwval was omdat het binnenkomende transfergeld niet direct in de club werd geïnvesteerd, maar zou hebben gediend om bepaalde hooggeplaatste personen tot en met de absolute top te verrijken.

Is dit voorzichtig genoeg geformuleerd om er geen miserie mee te krijgen? Ik dacht het wel. Voor alle duidelijkheid: het gaat om geruchten, maar wel komende vanuit de club. De enige die bewijzen voor zakkenvullerij op tafel kan leggen, is Marc Coucke en ik neig ernaar hem te geloven. Peter Callant omschreef hem ooit zo: “Marc lijkt impulsief, maar hij is een schaker, hij denkt altijd verder vooruit dan wie ook.” We wachten vol ongeduld op de volgende zet van Coucke.

 

 

20190812_De-Morgen_p-19-mail

Column Hunger Games in De Morgen van zaterdag 10 augustus 2019

Hunger Games

Donderdag kreeg ik van een collega een YouTube-linkje doorgestuurd van het ongeval van Bjorg Lambrecht. Of althans van het moment waarop hij schuin door/uit het peloton wordt gekatapulteerd en in een gracht belandt. De koude rillingen liepen mij over de rug. Ik ben in mei 2003 na het aantikken van een achterwiel met ongeveer die snelheid ook uit een peloton gelanceerd en in een gracht gesukkeld, hoofd vooruit. Geen duiker in de buurt, wel een paal op anderhalve meter.

Het verdict een uur later in de kliniek was hard en mild tegelijk: nekwervel C6 gebroken maar niet verplaatst. De Houtstraat in Olsene, ergens halfweg ter hoogte van een boerderijtje, is voor altijd de plek waar ik de goeie 33 procent van alle opties – dood, verlamd of gewoon gek zoals nu – heb gekregen. Het is fout, maar de toerist van het zevende knoopsgat in mij koketteert weleens met die oorlogswonden (later kwam er nog een sleutelbeentje bij), net als de echte wielrenners hun littekens koesteren.

“Waarom accepteren we de dood in het wielrennen?” Dat vroeg een andere collega zich af. Wij accepteren niet de dood in het wielrennen, we accepteren en verheerlijken soms de val. “Goh, die coureurs, vallen, opstaan en weer doorgaan. Vergelijk dat eens met voetballers.” Vergetend dat bij die val vaak pijn en schade horen. In het beste geval is die schade de huid die tegen het asfalt is blijven plakken of een gekneusde rib. In het slechtste is het een breuk of zo’n vervelende wonde als Wout van Aert. In het allerallerslechtste, meest noodlottige, dramatische scenario volgt de dood.

Nog een andere collega belde voor een factcheck. Waar ik mij op baseerde om te schrijven dat wielrennen de gevaarlijkste sport is? Op niks, behalve dan op empirisme. Historisch en rekenkundig klopt dat niet: wellicht zullen autoracen en eventing (military) in de naoorlogse sport meer doden hebben, maar ik ben haast zeker dat deze eeuw wielrennen de kroon spant. Waar andere snelheidssporten er wel in geslaagd zijn om het gevaar terug te dringen en steeds minder tot geen doden meer hebben, heeft wielrennen de omgekeerde beweging gemaakt en is steeds gevaarlijker geworden.

‘De dood rijdt mee’ en ander fatalisme is onzin, maar het onvermijdelijke is nu eenmaal onvermijdelijk: met de fiets rijden staat vroeg of laat gelijk aan vallen. Niet altijd, niet overal, maar af en toe. Fietsen, traag dan wel snel, blijft een evenwichtsoefening op dunne bandjes (doorgaans 2,5 centimeter breed voor een wegfiets) met een steeds hogere snelheid, in een wedstrijdpeloton dat steeds dichter op elkaar is gaan rijden. Statistieken zijn er niet – waarom niet overigens? – maar niet elke waarnemer kan fout zijn: profs vallen steeds vaker. Koersen is de Hunger Games op twee wielen.

Als hij maar geen wielrenner wordt, want in die sport vallen ze zich met wat meeval een breuk of gaat hun hart rare dingen doen. Als het even tegenzit vallen ze zich dood of ontwaken niet. En als de renners niet vanzelf vallen, bestaat nog altijd de levensgrote kans dat ze omver worden geknald door een motor, door een onvoorzichtige toeschouwer of door allebei. Topsport moet beter zorg dragen voor zijn atleten. Maar hoe moet het wielrennen dat doen?

Alle oplossingen waarmee men is komen aandraven, met alle respect, geen enkele zal werken. Lokale circuits zoals de Ronde van Vlaanderen? Men vergeet dat er ook eerst 180 kilometer of zo van punt naar punt wordt gereden. Hoe wil je de hele openbare weg veilig maken? En als dat al zou kunnen, dan kan een armlastige sport als wielrennen dat onmogelijk dragen. Airbags? In een sport waarin elke gram telt met een opblaastent een bloedhete col op fietsen, succes ermee. Als men koersen echt veilig wil maken en alle risico moet worden gebannen, zoals de hedendaagse maatschappij vraagt, dan is de oplossing simpel: schaf koersen af.

Sport is zelden ongevaarlijk, maar om dat gevaar in te schatten bestaat er een begrip: aanvaard risico. Wie de K2 op wil, de meest dodelijke berg, weet dat voor elke tien succesvolle beklimmingen er één het leven laat. Ook een beenbreuk in het voetbal is een aanvaard risico. In het volleybal is dat een gescheurde achillespees. Een occasionele val bij wielrennen ís een aanvaard risico. Twintig zware valpartijen in één rittenkoers is geen aanvaard risico, maar een groot probleem. Het ongeval van Bjorg Lambrecht? Een tragedie, een drama, het noodlot in het kwadraat, en spijtig genoeg wel een aanvaard risico maar met een fatale afloop.

 

20190810_De-Morgen_p-19-2-mail

Verhaal over het gevaar van wielrennen in De Morgen van woensdag 7 augustus 2019

Steeds sneller fietsen op steeds onveiliger wegen

Ergens in Polen: rechte weg, droge gracht, betonnen duikers. Op één ervan staan kaarsjes. Brute pech heeft Bjorg Lambrecht en bij uitbreiding het peloton getroffen. En toch … wielrennen is de meest dodelijke sport geworden.

Het lot slaat / reddeloos / op hol. Rust zacht. / Voorgoed / beloftevol.

De kortste en meest treffende verwoording van het drama Bjorg Lambrecht kwam van de hand van modern rederijker Stijn De Paepe op Twitter. “Dit is het noodlot, maar we moeten niet blind zijn: vallen is wel steeds vaker het lot van de wielrenner”, aldus wielerarts Yvan Vanmol. Frank Hoste, bekend als co-commentator op de VRT radio maar specialist veiligheid voor wielerkoersen: “Wielrennen is de enige sport die onveiliger is geworden.”

De juiste omstandigheden van het ongeval, wil iemand die nog kennen, kent iemand die? Het regende, maar was dat de oorzaak? Of was het onoplettendheid op een stuk waar niet moet worden opgelet, het voorwiel dat een achterwiel aantikte en dan onvermijdelijk de gracht in? Het doet er niet meer toe, de jongen uit Knesselare wordt straks begraven.

‘Citius, altius, fortius’ is de olympische leuze voor sport. Sneller, hoger, verder. Vervang dat voor het wielrennen maar door ‘citius, acutius, lethalius’ of sneller, gevaarlijker, dodelijker. Is het niet door een val, dan wel door een hart dat in kortsluiting gaat. Het zal je kind maar wezen dat je vanaf zijn veertiende als aspirantje hebt gestimuleerd om zijn stinkende best te doen op dat grote fietsje.

Rij snel of zelfs maar gezwind sportief met de fiets, dan is niet de vraag of je zal vallen maar wanneer en hoe vaak. Op de Prudential Ride van zondag – een recreantenrace van 40.000 deelnemers in Londen op het parcours van de profs – heb ik drie ambulances gezien. Twee keer lag bij een roerloos lichaam een man die in afwachting van nog meer hulp de nek van het slachtoffer stabiliseert.

Iets later scheurden de profs over dezelfde weg. Onheil diende zich aan maar voltrok zich niet, een zware crash zonder veel erg in de aanloop naar de sprint niet te na gesproken. Als renners weten dat ze kunnen vallen, kunnen ze vallen en vallen ze goed, enfin meestal toch. Elia Viviani won, weer een wedstrijd goed afgelopen. Een dag later ging het finaal mis in Polen.

Gevaarlijkste aller sporten

De dood van de jonge Bjorg Lambrecht een plaats geven is onmogelijk: dit is het noodlot aan het werk, in het kwadraat, hoeveel pech kan een jong mens op een fiets hebben? De bredere context blijft evenwel dat wielrennen al een tijdje de gevaarlijkste aller sporten is. Waar alle sporten de afgelopen twintig jaar veiliger zijn geworden – denk aan formule 1, motorrijden, skiën, eventing – is alleen in wielrennen jaar na jaar het ongevalsrisico toegenomen.

Yvan Vanmol, langstdienende wielerarts in het profpeloton: “Een val zoals die van Bjorg Lambrecht zal bijna altijd goed aflopen, deze uitkomst is echt het noodlot, maar er wórdt meer gevallen en dus wordt ook het noodlot steeds vaker getart. De pelotons zijn compacter, rijden meer in ploeg en rijden veel competitiever, misschien zelfs agressiever. Stel je voor dat ze nu zonder helm zouden rijden, ik mag er niet aan denken.”

Alle sporten zijn sneller geworden, maar er is één groot verschil: de ruimte waarbinnen worden gestreden om de overwinning is in alle sporten van jaar tot jaar veiliger geworden, niet in wielrennen.

Neem nu skiën. Toen Ulrike Maier in 1994 in de afdaling van Garmisch op het laatste rechte stuk ten val kwam en haar nek brak tegen een onbeschermd paaltje van de tijdopname – ze stierf kort daarna in de kliniek – zijn alle skipistes onder handen genomen. Toen maanden later uit onderzoek bleek dat niet het paaltje maar wel een hoopje verijsde sneeuw langs de kant van de piste haar dood had veroorzaakt, kwamen ook voor de stroken naast de piste nieuwe richtlijnen. Een skiër die na 1994 uit de bocht vloog – tik maar eens Nagano, crash en Hermann Maier in – werd opgevangen door soms drie netten met elke hun eigen technologie. Een ongeval als dat van Gernot Reinstadler die in 1991 in Wengen op de piste doodbloedde na een val, is zo goed als onmogelijk gemaakt.

Frank Hoste: “Ook op racecircuits voor motoren of voor auto’s zijn geen grachten of duikers, laat staan vluchtheuvels of verkeersremmers. Een motorrijder die valt, schuift netjes naast het circuit in het gras, veegt zich wat schoon en springt terug op zijn motor.”

Schijfremmen

In Polen regende het pijpenstelen. Is dat een reden om een wedstrijd te neutraliseren? Toen in 2010 in de Tour Fabian Cancellara de rit naar Luik voorin stillegde omdat het gevaarlijk glad bleek in de afdaling van de Stockeu, ook door de regen, sprak een deel van de wielerpers schande over zo’n hoog jeanettengehalte. “Als ze niet willen vallen, moeten ze op een vliegveld gaan rijden.”

Ooit waaiden Gert Steegmans en Geraint Thomas in Gent-Wevelgem in de gracht door de felle wind. Frank Hoste was toen koersdirecteur en twijfelde over al dan niet neutraliseren. “Stel je voor dat ze tegen een obstakel waren gevlogen. Een wielrenner
die van de weg geraakt, moet hopen dat niks in zijn weg staat. Wielrennen is een gevaarlijke sport, maar zowel organisatoren als wielerbonden zouden veel meer kunnen doen voor de veiligheid van de renner. Het besluit om de wedstrijd niet stil te leggen, lag toen bij mij en dat was een te zware verantwoordelijkheid. Eerlijk: ik dacht toen ook aan de 4.000 vips. Gelukkig is er nu een protocol, maar de Gent-Wevelgem waar ik over spreek, dateert nog maar van 2015.”

 

Deze kop kan onderhand onder een sneltoets: ‘Wielrenner in coma, c.q. sterft’. Wat hierna volgt, kan ook onder die sneltoets: ‘Er zijn te veel/te weinig motards. Er wordt te gevaarlijk/snel gereden door de motards/de wielrenners. Er zijn te veel/te weinig renners. Er zijn te veel gekke/onrespectvolle wielrenners.’ (Schrappen wat niet past) En ook: ‘De wegen zijn te smal, de weginfrastructuur kan geen wielrennen meer aan, het wielrennen verslindt zijn kinderen.’

Yvan Vanmol beaamt wat Walter Godefroot in een eerder gesprek met deze krant stelde. “De moderne fiets is te nerveus. Het is als een Porsche, duw te hard het pedaal in en je belandt in de gracht.” Vanmol: “Geef een renner die stabiele fiets van vroeger en hij wil er niet op rijden. Hoe stijver, hoe nerveuzer, hoe beter.”

Frank Hoste is naast ex-wielrenner, koersdirecteur en commentator ook fietsenbouwer. Hij wijst op nog een probleem: “Schrijfremmen zijn fantastisch, je remt in alle omstandigheden, maar daardoor wordt veel later en krachtiger geremd. De bandjes zijn weliswaar 25 millimeter breed, maar wel met 8 bar in. Het bandoppervlak waarop wordt geremd, is hetzelfde. Resultaat: er wordt sneller en meer geslipt.

“Een pasklare oplossing voor die problematische wegeninfrastructuur met die verkeersremmers? Die is er niet, tenzij vaste circuits, een betere beveiliging van alle obstakels en parcours die niet langer dorpen en gemeentes aandoen die de organisator betalen om in beeld te worden gebracht. Veilige parcours zijn evenwel duur, en vergen veel mankracht.”

 

20190807_De-Morgen_p-4-mail

Column Tribuneklanten in De Morgen van maandag 5 augustus 2019

Tribuneklanten

Hoe goed of hoe slecht het voetbal dit seizoen zal zijn op de Belgische velden, voor dát oordeel is het na twee speeldagen nog wat vroeg. Voor de omkaderende televisieprogramma’s was de conclusie al na één speeldag zonneklaar: top aangeworven, geen sprake van brain- of talentdrain zoals bij de clubs, wel integendeel.

Van de week een interview gelezen met Frank Raes. Het thema was ‘gepensioneerde die jonge gasten de kans ontneemt om door te groeien’. Zo letterijk werd het probleem niet gesteld, natuurlijk niet, maar Raes – oudere, blanke man ondervraagd door jongere vrouw – moest toch uitleggen waarom hij is blijven zitten waar hij zit, bij Extra Time. Had hij niet moeten doen. Hij zit daar uitstekend.

Een van de vragen was hoelang hij nog zou blijven presenteren? Zolang het voetbalcontract met de zenders loopt, had de VRT hem gevraagd. Interessant. Hieruit zou je kunnen afleiden dat de VRT er rekening mee houdt dat het haar monopolie op kwalitatieve omkadering van het voetbal, in de vorm van een maandagse praatshow, dreigt kwijt te spelen.

Wellicht wordt bij de volgende biedingen VTM hun grote concurrent. Die hebben van de zomer al Marc Degryse en Jan Mulder weggehaald bij de VRT en kunnen met die dure vogels voorlopig weinig of niks omdat niemand naar VTM kijkt voor het nationaal voetbal. Een goede voetbalpraatshow trekt kijkers en dat is voor de moeilijke maandagvond altijd meegenomen.

Vooralsnog blijft Extra Time op Canvas de norm en de formule staat na al die jaren nog steeds als een huis. De mix pakt. Meer nog, de samenstelling van het panel is er dit seizoen op vooruitgegaan. Althans voor de sportliefhebber die op zoek is naar meerwaarde, zoals inzicht in hoe het spel wordt gespeeld en wat er allemaal komt bij kijken. De tooghanger die af en toe een goeie (of minder goeie) grap wil horen, zal wellicht wat op zijn honger blijven zitten. De vrouwen die kijken voor de (af en toe gespeeld) verontwaardigde, c.q. naïeve Jan Mulder ook, want Jan is naar de overkant.

Nieuwkomer Gert Verheyen heeft al na één aflevering zijn meerwaarde bewezen: rustig zijn punt maken, af en toe relativeren, niet kort door de bocht, de rust van de kenner die met zijn volle verstand voor deze uitweg/zijweg heeft gekozen, Extra Time kan er wel bij varen.

Andere nieuwkomer in het eerste speelweekend was Hein Vanhaezebrouck als analist in Sports Late Night, het omkaderend programma van Vier en Play Sports, gepresenteerd door Bart Raes. Drie dagen later stond hij prominent met zijn eerste wekelijkse column – eerder een meanderende monoloog, vintage Hein – in Het Nieuwsblad.

Het eerste tv-optreden van Vanhaezebrouck werd fel gesmaakt, al is het wachten tot hij iets zegt over Club Brugge om in te schatten in welke mate voetbalkijkend Vlaanderen hem lust. Hein zag er goed uit. Hersteld van de Coucke-terreur, licht vermagerd (met de nadruk op licht), modieuze look, stylish in het pak, hij zat er als seigneur-analist. Zijn lichaamstaal, een blok West-Vlaams graniet, verried niet dat hij duizend keer liever op het veld zou staan.

Hein hoedt zich voor rancune of oud zeer. Zijn afgemeten conclusie na het eerste verlies van Anderlecht, thuis in de openingswedstrijd dan nog, was simpel: laat Vincent Kompany maar doen en de directie moet aan de slag want er moet nog wat kwaliteit bij.

Woensdag hield hij in zijn eerste krantenmonoloog dan weer een pleidooi voor zijn favoriete spelmaker, Sven Kums. Kums heeft wat Kompany zoekt, zei Vanhaezebrouck, maar voegde daar onmiddellijk aan toe dat hij denkt dat Kums naar het buitenland moet om nog wat van zijn carrière te maken. Kums-Vanhaezebrouck, drie seizoenen lang waren ze twee handen op één buik. Master van hun universe, althans bij Gent. Het eerste seizoen meteen kampioen, een jaar later meesterlijk in de Champions League. Daarna een derde rampjaar bij Anderlecht en vandaag samen in de tribune, de ene werkloos, de andere ongewenst.

Kums zat ook in de samenvatting van Anderlecht-KV Oostende, maar veel te dicht bij de aftiteling om goed te zijn. Na de wedstrijd sleepten de tribuneklanten, onder wie Kums, zich door de catacomben richting kleedkamer om daar hun helden die wel speelminuten hadden gekregen te groeten. “Dat is gebruikelijk bij Anderlecht”, verduidelijkte Hein. Dat zal wel, maar de houding van die gasten: ongeïnteresseerd, blik op oneindig, sloffend, hand op het mobieltje in de hoop dat het trilt en het nummer van de makelaar oplicht. Twee waren gekleed in een T-shirt van Givenchy, godbetert. Daartussen Sven Kums, met een pet op. En Hein die dat in de studio becommentarieert. Twee keer zonde.

 

20190805_De-Morgen_p-19-mail

Column Kompany en Co in De Morgen van zaterdag 3 augustus 2019

Kompany en Co

De kranten van maandag 29 juli 2019. Titel 1: Start in mineur, maar Kompany gaat niks veranderen. Titel 2: Debuut van Kompany, mooi om naar te kijken, maar geen punten. Titel 3: SLIK, Anderlecht ziet grote comeback van Kompany uitdraaien op een sisser. Titel 4: Débuts manqués pour Kompany. Titel …

De kranten van maandag 29 juli 2019.

Titel 1: Start in mineur, maar Kompany gaat niks veranderen.

Titel 2: Debuut van Kompany, mooi om naar te kijken, maar geen punten.

Titel 3: SLIK, Anderlecht ziet grote comeback van Kompany uitdraaien op een sisser.

Titel 4: Débuts manqués pour Kompany.

Titel 5: Il faudra un 9 et de la patience.

Titel 6: Kompany a raté ses débuts à Anderlecht.

Vincent Kompany kon maandag meteen van zijn wolk. Eén troost: was hem dit overkomen in Engeland, hij was afgemaakt op de één van The Sun, dat in één moeite zijn eigen foutjes in de voorbereiding netjes had opgelijst.

Vincent Kandanie, zoiets.

Hoelang zal het duren voor Kompany ons er zal op aanspreken dat we te veel in de waan van de dag leven, schrijven en becommentariëren? Dat we het grotere plaatje niet zien? Dat we geen oog hebben voor Het Project? Dat we, kortom, er geen zak van kennen? Mijn inschatting: tot hij zijn cool verliest, want vergis u niet, ook Kompany kan nijdig worden.

De werken Coucke & Kompany zijn wel al halfweg. Marketingtechnisch is zijn komst geslaagd, hoewel de impact op de abonnementenverkoop nog niet onmiddellijk zichtbaar is. Met 13.000 verkochte seizoenskaarten is Anderlecht pas zesde in de Jupiler Pro League. Minder abonnees hoeft geen financieel drama te zijn, want een deel van de abonnees van een voetbalclub zitten daar tegen de kostprijs en brengen een club geen cent op, soms kosten ze geld.

Het zijn de premium seats die geld in het laatje brengen en precies daarom is de marketingstunt met Kompany uitermate geslaagd. Als de cijfers kloppen, haalt Coucke vergeleken met de vorige eigenaars een derde tot de helft meer uit sponsoring en commerciële activiteiten. Dat is het Kompany-effect.

Je moet het Marc Coucke nageven: niemand kan een product in het schap te zetten als de Gentse apotheker-miljardair. Soms is de verpakking spectaculairder dan de inhoud. Die reflex heb ik altijd als ik mij was met Bodysol, een vinding van Coucke, inmiddels voor veel geld verkocht. Het is zeep met een kleurtje, een lekker geurtje en de verpakking heeft een handig haakje, maar het blijft gewoon zeep.

Kompany is niet banaal, laat dat duidelijk zijn, maar vooralsnog zijn hij en zijn voetbal zeep met een kleurtje, meer verpakking dan inhoud. Dat kan en zal veranderen, heeft hij beloofd. Moeten we dat geloven? Afgaand op een deel van de eerste helft vorige week thuis tegen KV Oostende wel, afgaand op de rest van die wedstrijd toen Oostende de belangrijkste passlijnen had gesloten dan weer niet.

Het Project is lovenswaardig en verdient krediet, laten we afspreken zo ongeveer tot Nieuwjaar. Het is alvast een stijlbreuk met wat we gewend zijn in het Belgische voetbal. Talentvolle jeugd mixen met wat ervaren spelers en een voetbal spelen dat hooguit drie clubs in de wereld aankunnen, je moet het durven met deze onevenwichtige selectie. Nico Otamendi was geen genie in het uitvoetballen bij Manchester City, maar Seb Bornauw is dat nog veel minder bij Anderlecht. Pep Guardiola deed een keeper weg omdat hij niet kon passen: Bravo kwam voor Hart en even later kwam Ederson, nog een betere voetballer, voor Bravo. Bij Anderlecht komt Hendrik Van Crombrugge met zijn goede voeten de onzekere voeten van Thomas Didillon vervangen.

Het niveauverschil tussen België en Engeland is net de crux: dat verschil is het grootst aan de bal, voetballistiek, en veel minder uitgesproken verdedigend en fysiek. Met andere woorden: het systeem-Guardiola/Kompany gespeeld door Anderlecht in België is makkelijker vast te zetten dan het systeem-Guardiola gespeeld door City in Engeland. En Ajax dan? Wat die konden moet hier toch ook kunnen? Juist, maar in Nederland wil (haast) elke club eerst voetballen en in België zal haast elke club eerst vechten tot ze er bij neervallen. Dat maakt het leerproces voor Kompany en co. er niet makkelijker op.

De belangrijkste titel van afgelopen maandag was die in La Dernière Heure: een 9 (een spits dus) en geduld. Een spits zou helpen, geduld ook, maar misschien nog meer een realistische inschatting van de voetbalkwaliteiten van de kern. Als Anderlecht zegt dat ze de spelers en het spel hebben om uit duel te voetballen en het spel vanaf de eigen achterlijn op te bouwen, dan is dat een grove misvatting. Elke Belgische wedstrijd wordt eerst gewonnen in de loopgraven. De grootste fout die een beginnend trainer kan maken, is een spel willen spelen dat zijn spelers niet aankunnen.

 

 

20190803_De-Morgen_p-19-mail

Column KV Ontkenning in De Morgen van 29 juli 2019

KV ONTKENNING

Dante Vanzeir wordt sinds vorige week op handen gedragen door de fans van KV Mechelen. Twee weken geleden werd hij nog uitgescholden door diezelfde fans en dat komt hierdoor: Vanzeir was toen nog van KRC Genk en speelde tegen KV Mechelen de supercup. Een normaal mens zou reageren met “ja, en dan?”, maar neen, zo simpel is het voetballeven niet.

Vanzeir speelde vorig seizoen op uitleenbasis voor Beerschot Wilrijk en zoals bekend – of niet en dan nu wel – is Beerschot de meest gehate tegenstander van de Malinwa-fans. En dat komt dan weer hierdoor: Beerschot is de ploeg die het niet kon hebben dat KV Mechelen hun in extremis de promotie naar eerste klasse had afgesnoept.

De twee trainers maakten al eens ruzie en de besturen scholden elkaar uit. De supporters deden wat ze altijd doen tegen andere supporters die ze van haar noch pluimen kennen: elkaar tot op het bot beschimpen en als ze dichtbij kunnen geraken elkaar de hersens inslaan. Toen Beerschot zich ook nog eens mengde in de hele soap van de matchfixing en de plaats van KV Mechelen in eerste klasse opeiste, was het hek helemaal van de dam.

Wat heeft dat alles nu te maken met Dante Vanzeir, die ineens op handen wordt gedragen door de Kakkers (dat is een andere naam voor de vele fans van KV Mechelen)? Hier komt het: Vanzeir wordt dit jaar door KRC Genk niet langer aan Beerschot uitgeleend, wel aan KV Mechelen en nu is hij ineens een goeie.

Als u zelden over sport leest en toch in deze column bent verdwaald, maar nu na de passage-Vanzeir denkt dat voetbal een spel is voor onnozelaars, weet dan: u hebt niet helemaal ongelijk. Let wel, er zitten mensen in het voetbal met het hart op de juiste plaats. Er zitten zelfs mensen in het voetbal met een buitengewoon IQ en met burgerzin. Maar de overgrote meerderheid, in de eretribune zowel als op de volksplaatsen, heeft van hart, IQ en burgerzin, ethiek of mores niet al te veel last.

Neem nu vorige week, ook bij die wedstrijd om de supercup. Begonnen die fans van Malinwa bij een al bij al verdiende achterstand en het nakende verlies daar niet ineens “Voetbalbond! Mafia!” te roepen.

Bepaald vreemd, want het is uitgerekend door die voetbalbond en zijn krakkemikkig reglement dat KV Mechelen in eerste klasse zit en niet pakweg in eerste amateur of, zoals in een aantal andere landen met betere reglementen, gewoon zou zijn geschrapt als club. “Voetbalbond! Sukkelaars!” was alvast correcter geweest.

Zaterdag moest ik even de Nederlandse collega’s van de radio bijpraten. “Kunt u het voor ons nog eens kort samenvatten, mijnheer Vandeweghe?” Ik antwoordde: “De voetbalbond heeft KV Mechelen veroordeeld met degradatie voor bewezen matchfixing aan het eind van het seizoen 2017-’18. De beroepsinstantie achtte vervolgens de matchfixing ook bewezen, maar heeft geen straf opgelegd omdat het reglement van de voetbalbond zegt dat die matchfixing voor 15 juni na het betrokken seizoen moest worden aangekaart.”

Het werd even stil aan de andere kant van de digitale lijn, wat mij toestond een linkje te maken naar de opportunistische actie van doelman Michael Verrips, die ineens hogere ethische waarden bij zichzelf had ontdekt en die aanwendde om zijn contract te verbreken. De Nederlanders waren wel opgelucht te vernemen dat er heel misschien toch een degradatie inzit voor KV Mechelen, bijvoorbeeld als die volgend jaar op basis van die bewezen matchfixing geen licentie zouden krijgen.

“Waardoor ze nu een seizoen in de onzekerheid spelen?” “Euh ja, zoiets, ja.”

Noem het verdringing of iets anders ernstigs in mijn bovenkamer, maar ik had mij voorgenomen niet te veel woorden meer vuil te maken aan de affaire-KVM. Na het lezen van sommige reacties van de Mechelse fans – de ene al beschaafder dan de andere – krijgen ze voorrang van mij bij de psychiater/psycholoog. De meesten weten wel dat een schaap dat wordt geschoren best stilzit – een paar pleitten zelfs in een krant voor meer nederigheid – maar een overdreven groot deel heeft de graad van ontkenning bereikt die zelfs Sigmund Freud nooit voor mogelijk zou hebben geacht.

Hun meest belachelijke argument is: wij willen de volledige telefoontaps horen. Alsof alles kaderde in een repetitie voor een toneelstuk, of het inleven in een filmrol zoals die actrice op Tomorrowland of wat dan ook. Neen, dit was heel eenvoudig een massieve poging tot omkoping door de eigenaars/machthebbers/ bestuurders van het import/exportvoetbalbedrijf KV Mechelen. Dat ze hun straf voorlopig ontlopen, tot daar aan toe, dat recht hebben ze. Net zoals de Profliga en de voetbalbond het recht hebben om op wraak te zinnen. Het wordt één tegen allen. Zaterdag won één, ook dat is hen gegund.

 

KV Ontkenning

Analyse Tour de France in De Morgen van maandag 29 juli 2019

De Tour was mooi, en wordt nóg mooier

Zelden was de dominantie van dat ene zo vaak verguisde en ook nu weer zegevierende team zo uitgesproken. Toch kon iedereen zich verzoenen met deze Tour de France, inclusief de Fransen, die niet eens op het podium staan.

Hans Vandeweghe

1. Wat te denken van deze Tour?

De Tour was spannend, maar niet de spannendste ooit – die met het duel LeMond-Fignon in 1989 eindigde op de laatste dag in de laatste minuut, zelfs in de laatste tien seconden met een dramatische machtsoverdracht.

Het is van de editie 2012 geleden dat één team zo dominant is geweest en de eerste twee plaatsen op het podium bezet. Toen met Bradley Wiggins en troonopvolger Chris Froome, gisteren met Egan Bernal en uittredend winnaar Geraint Thomas.

Het toppunt: dit was het plan. Een bron bij het winnende team Ineos verwoordt het zo: “Geen moment hebben we gedacht dat we niet zouden winnen. Julian Alaphilippe ging kraken in de etappes met aankomst bergop, weliswaar na lang klimwerk. Die hadden we alleen in de Alpen. Toen hij zo lang in het geel bleef rijden, was dat een godsgeschenk voor ons, en nog meer dat die Belgen (van Deceuninck-Quick Step, HV) meenden de koers in handen te moeten nemen. Wij waren alleen in de problemen te brengen door chaos, en die was er nooit, never.”

2. Wat te denken van het parcours?

De spanning van de laatste week is typisch voor een parcours zonder veel tijdritkilometers en met het zwaartepunt – lees: veel bergen – in de laatste week. In deze tijden van geen of minimaal dopinggebruik weten renners en teams maar al te goed wat ze wel en niet aankunnen.

Een Tour voor aanvallers? Dan alleen voor de succeszoekers van één dag, zoals de onnavolgbare Thomas De Gendt, maar niet voor wie mikte op de hoofdvogel van deze sportwedstrijd. De strijd om de gele trui van Parijs was geen Barcelona-PSG, om in voetbaltermen te verdwalen, maar wel Man U (onder Mourinho) tegen Atlético, counter tegen counter, wachtend op een fout. De korte rit van zaterdag was daar het beste voorbeeld van: allemaal samen, oerend hard, dat wel, op weg naar boven. Achterin stond de deur open, voorin bleef ze dicht.

Parcoursbouwer Thierry Gouvenou maakte een rittenschema op maat van de Fransen, met veel klimwerk en weinig tijdritkilometers. Hij kon niet voorzien dat van hun drie chouchous de één door zijn benen zou zakken (Thibaut Pinot), een andere zijn hoofd niet op orde had (Romain Bardet) en een derde (Julian Alaphilippe) niet de motor had om lange beklimmingen te overleven.

3. Wat te denken van Egan Bernal en de Colombianen?

Egan Bernal wordt nu al zeven of meer Tour- overwinningen toegedicht. Bernal is nog maar 22, en wat jong komt, is vaak goed, maar is ook sneller weg. Bovendien is de houdbaarheidsdatum van Colombianen beperkt. Dat heeft meer dan één oorzaak: de druk van de natie, de verlokkingen van de roem, het gemis van de hoogte. In het geval van Bernal speelt ook nog iets wat hem vandaag zo sympathiek maakt: met deze emotionaliteit zijn de dalen net zo diep als de toppen hoog zijn.

Nu Colombia zijn eerste Tour-winnaar heeft, wordt het misschien tijd voor een deftig dopingbeleid. Die vaststelling staat, voor alle duidelijkheid, los van winnaar Bernal, die nog nooit ook maar zijdelings in verband is gebracht met doping. Maar Colombia drijft
nog steeds op een parallelle drugseconomie. Drugs en doping maken gebruik van dezelfde circuits. De signalen zijn slecht: met de regelmaat van een klok worden Colombiaanse sporters betrapt, dit jaar nog Jarlinson Pantano van Trek-Segafredo op epo. Wat Kenia is voor de atletiek, is Colombia voor het wielrennen: talent bij bosjes door de grote hoogte en – zoals de officiële site colombia.co meldt – “la pasión por la bicicleta”.

Die passie in combinatie met een niet altijd even sterk presterend dopinglab in Bogota, een darwinistische visie op sport en een machiavellistische op sociale promotie, is de ideale cocktail voor een dopingcultuur. Komt daar nog eens bij dat de gewone wetten van het biologisch paspoort niet of nauwelijks van toepassing zijn op hooglanders die frequent wisselen tussen hoog en laag.

4. Wat te denken van de Belgen?

Drie overwinningen voor Belgen, zeven voor Belgische ploegen, prima gedaan. De Wanty’s deden het dit keer beter dan vroeger, toen ze vooral blind op kop reden. Deze keer koersten ze om een mooie ereplaats. Is dat genoeg? Belgen, Vlamingen in hoofdzaak, kunnen ritten winnen. Maar kan deze regio, die als de meest koersgekke van de wereld geldt, ooit nog eens een Tour winnen? Met Dylan Teuns, Laurens De Plus, Bjorg Lambrecht, Remco Evenepoel en de nog piepjonge Mauri Vansevenant heeft België alvast klimmers op overschot. Evenepoel heeft de beste troeven, als zijn ontwikkeling niet stopt.

5. Wat brengt de toekomst?

De Tour de France 2020 start in Nice op 27 juni, een week vroeger vanwege de Olympische Spelen. Met Egan Bernal, Chris Froome, Geraint Thomas en Richard Carapaz hebben de Ineos-boys hun kwartet om uit te kiezen al klaar. Voeg daarbij nog wat Colombianen, de drie voornoemde Fransen en Warren Barguil, de Nederlanders Tom Dumoulin en Steven Kruijswijk misschien in één team met Primoz Roglic en Laurens de Plus: op papier is 2020 nu al de mooiste Tour ooit.

 

TDF 2019:2020

Column Wat. Een. Tour! in De Morgen van zaterdag 27 juli 2019

Wat. Een. Tour!

Nog twee ritten te gaan. Een voor echt met aan het eind dertig kilometer klimmen naar een lelijk Frans skidorp (zijn er andere?) en een showcase rond en in Parijs met één opdracht: recht blijven. Er staat een Colombiaan in het geel. Is nog al gebeurd, maar niet met slechts één bergrit met aankomst boven voor de boeg.

Wat. Een. Beeld!

Geraint Thomas die aan de auto van Tour-baas Christian Prudhomme gaat hangen. Egan Bernal die eerst niet wil luisteren en dan toch stopt met trappen. Julian Alaphilippe die halfweg de afdaling in de auto stapt. Onbegrip in de rennershoofden, maar:

Wat. Een. Verstandige. Beslissing!

Natuurlijk: neutraliseren die rit. Vervolgens: hoe leg je als koersdirectie uit dat het beneden sneeuwt, midden in een afdaling met 90-100 per uur aan renners die soms niet meer goed weten van welke parochie ze zijn en daarnet door een halve zon de hoogste col in de Tour hebben gerond? Boven niks, beneden sneeuw? Enfin, hagel, zo dik dat het sneeuw lijkt en de weg in een modder- en ijsstroom heeft herschapen.

Wat. Een. Mooie. Tour!

Hoezo anticlimax? Alles hebben we gehad. Drama als we erom vroegen, Belgen die ritten wonnen, Fransen die de Tour gingen winnen, Britten die van een Colombiaan op hun doos gingen/gaan krijgen. Weinig valpartijen, weinig uitvallers door ongelukken, gelukkig geen doden. Precies om dat te vermijden is de rit van gisteren ingekort.

Bij het begin van de negentiende rit hadden de Fransen nog hoop. Twee Fransen met zicht op het podium, quel luxe! Julian Alaphilippe – in Belgische dienst – was als gele trui, aldus L’Equipe gisteren, touché, mais pas coulé. Geraakt, maar niet gezonken: zeeslagje als metafoor, niet wetend dat water over de te rijden rit zou beslissen.

Het was een kwestie van tijd, kilometers, percentages. Na één derde rit zonk het eerste Franse slagschip, Thibaut Pinot. Het is geen pech wat hem is overkomen, maar een combinatie – noem het gerust een combine – van genetica en psychologie. Die man heeft een lange geschiedenis van ultieme mislukkingen, te veel om van pech te spreken.

Pinot is top getraind, top begeleid, kortom top als hij gezond is. Met de nadruk op áls, want hij blijft zelden gezond in een grote ronde. Er was van alles te lezen over de blessure van Pinot. Op de televisie spraken ze zelfs van een spierscheur. Wat het ook is, tenzij hij Ibiza-gewijs van het balkon in het zwembad is willen springen en daarbij verkeerd is geland, duidelijk een ingebakken oud zeer. Dat moet etappe na etappe erger zijn geworden en na de lange stukken bergop op de Izoard en de Galibier donderdag onoverkomelijk zijn geworden. Met de oneindige Iseran in het vooruitzicht boden de ibuprofen of andere (niet-verboden) ontstekingsremmers geen soelaas meer.

Renner na renner reed hem voorbij, inclusief ploegmaats die geen aanstalten maakten om hem bij te staan. Pinots zwanenzang deed denken aan Cyrille Guimard en diens aftocht in 1972. Guimard was een puncher die Eddy Merckx het vuur aan de schenen legde, ook in de bergen, en lang in het geel reed. Tot het vuur in de schenen van Guimard sloeg, de weg naar zijn kniepees vond en het was einde verhaal. Talent is ook: kan je bewegingsgestel de prestaties aan die je fysiologie wil leveren?

Vervolgens zonk Alaphilippe. Bij Deceuninck-QuickStep moeten ze niet zeuren dat hij zijn afdaling van de Iseran niet heeft kunnen rijden. Na die afdaling kwam er nog een beklimming. De Iseran is 12,9 kilometer aan 7,5 procent en gaat flink boven de 2.000 meter, maar laat u niet wijsmaken dat dit een magische grens is waar zuurstof schaars is. Ten eerste is er overal evenveel zuurstof maar is de luchtdruk lager op hoogte, waardoor op 2.000 meter 4 tot 5 procent minder zuurstof in de longen komt. Voor alle duidelijkheid: er staat bij 1.999,5 meter niet een duiveltje dat een zuurstofkraan dichtdraait. Echt niet, dit even terzijde.

Alaphilippe was zijn geel kwijt boven op de Iseran, won in de eerste kilometers van de afdaling maar heel traag seconden terug op Bernal en zou in de klim naar Tignes (de zogeheten loper, maar toch 7,4 kilometer aan 7 procent naar 2.113 meter) wellicht nog eens twee minuten aan zijn broek hebben gekregen. Alaphilippe heeft nu nog een beetje zicht op het podium, met de originele etappe tot in Tignes stond hij misschien niet eens meer in de top vijf. De fysiologische wetten van de Tour zijn gerespecteerd en het gezeur over Alaphilippe en zijn Belgische medische begeleiding kan hiermee ophouden.

 

WAT EEN TOUR!l