Column En de winnaar is… in De Morgen van zaterdag 3 april 2021

En de winnaar is…

Een computer heeft een winnaar uitgespuwd voor de Ronde van Vlaanderen van zondag: het wordt Mathieu van der Poel. Die computer, pardon computersysteem, bij IDLab aan de Universiteit Antwerpen kwam tot die uitslag op basis van een algoritme. Zonder algoritmes draait de planeet niet meer, is zo zoetjesaan de indruk, en zonder artificiële intelligentie zou ze zelfs tegengesteld draaien.

Algoritmes voeden zich met data. In dit geval de individuele uitslagen van de renners en – al iets trickyer – de vorm van de renner. Of ze de recente Dwars door Vlaanderen ook hebben meegenomen in hun analyse is niet duidelijk. De belangrijkste input komt van de wieleruitslagen van de afgelopen jaren en het patroon dat zich daarin aftekent.

Ik heb daar enkele bedenkingen bij. Vooreerst: Van der Poel is een redelijk veilige keuze van het computersysteem. Het zou pas opvallen als pakweg John Degenkolb ineens als grootste kanshebber op het scherm zou verschijnen en die ook nog zou winnen. Het grootste manco in de data is het patroon in de wieleruitslagen. Zo eindigde de winnaar van de Ronde van Vlaanderen de laatste jaren steevast bij de eerste tien in Harelbeke in de voorafgaande E3 Prijs. Dat is het typevoorbeeld van toeval gepromoveerd tot waarheid en heeft dezelfde voorspellende waarde als de zwarte broek die de meeste winnaars dragen. Als VDP in zijn witte broek wint, is dat een trendbreuk.

De twee meest recente wielerseizoenen verschillen niet alleen van alle voorgaande jaren, ook deze generatie wielrenners verschilt merkelijk van de voorgangers. Zoals Van der Poel, Van Aert en Alaphilippe hun seizoen indelen en hun doelen kiezen is nog nooit vertoond. De voorspellende waarde van eerdere uitslagen is bijgevolg hoogst twijfelachtig. Ten slotte is wielrennen op de weg, meer dan welke andere wielerdiscipline ook, onderhevig aan heel veel toevalsfactoren.

Uitslagen voorspellen in de sport is het makkelijkst in sporten met hoge scores: basketbal, volleybal. Of veel repetitieve handelingen: honkbal, American football. Of veel wedstrijden: bijvoorbeeld voetbalcompetities of de grote wielerrondes. Uitslagen van wedstrijden in voetbal zijn zeer lastig te voorspellen omwille van de lage score. Dat is bij de eendagswedstrijden in het wielrennen ook het geval: het is altijd 1-0 of 0-1, nooit zijn er twee winnaars. Bovendien is het wielrennen de laatste jaren meer en meer een toevalsport geworden omdat geen enkele ploeg – behalve Deceuninck-QuickStep in niet al te lange eendagskoersen – een wedstrijd op slot kan doen.

Wielrennen heeft dan weer een ander voordeel op voetbal en dat is de fysiologische component. Het interessante aan het systeem van de Universiteit Antwerpen is wat ze ermee van plan zijn in een volgend stadium: de fysiologische data van de renners mee in kaart brengen. In dat geval was Wout van Aert wellicht naast Mathieu van der Poel als medefavoriet op de uitdraai gekomen. Op het tweede deel van Kwaremont – wat mij betreft het lastigste, zeker als het waait – haalde hij de op één na snelste tijd op Strava. Op het eerste deel was dat de achtste tijd maar wel het dagrecord. Strava is plezant als extra info, maar niet alle renners zetten (al) hun trainingen op die sportprestatieapp.

Nog interessanter wordt het als je in zo’n algoritme ook de bloedwaarden zou kunnen verwerken. Bijvoorbeeld de CK (creatinekinase) in het bloed van Van der Poel voor Dwars door Vlaanderen en daags voor de Ronde. Was die hoog voor Dwars door Vlaanderen, dan heeft hij wellicht keihard getraind de dagen ervoor. Is die nog steeds hoog daags voor de Ronde, dan is hij niet gerecupereerd van die trainingen en Dwars door Vlaanderen en schrijf hem dan maar af.

Met de Ronde van Vlaanderen eindigt het voorjaar van Van der Poel. Parijs-Roubaix wordt naar het najaar verschoven en daar is hij, als de rest van 2021 een beetje normaal verloopt, de grote favoriet. In Zeno leest u een uitgebreid dubbelgesprek met zijn bazen. Zij denken dat Van Aert beseft dat Van der Poel intrinsiek de betere van de twee is. Zij geven ook toe dat niet winnen in een wedstrijd waar ze allebei aan meedoen pas erg is als de andere die dag wel wint.

Welnu, de ene heeft in de Strade gewonnen, waar de andere een jaar eerder won. De andere heeft in Wevelgem gewonnen, waar de ene en de andere elkaar vorig jaar de duvel aandeden. De stand tussen de halve Hollander die Belg is en in Nederland rijdt en de halve Belg die Nederlander is en voor een Belgische ploeg rijdt is 1-1. Laat de hoogmis beginnen en schrik niet als geen van beiden wint.

Interview met de Roodhoofts in De Morgen van zaterdag 3 april 2021

‘Misschien weet Wout dat Mathieu de betere is?’

Vier crossploegen en twee ploegen op de weg bouwden ze al uit. De broers Christoph (47) en Philip Roodhooft (45) doen net als hun pupil Mathieu van der Poel de wielerwereld op zijn grondvesten daveren. ‘Met jaloezie kunnen wij om. Wij komen uit de cross, hè.’

In 2013 leefden geïnterviewden en interviewer een ander leven. Ik was algemeen directeur van Cycling Vlaanderen en de Roodhoofts zaten nog vol in de cross als sympathieke kapers, toen nog ver verwijderd van de kust. In de flow van een goed Niels Albert-seizoen – dertien overwinningen, de Wereldbeker en de GVA-trofee – kwamen ze langs voor een babbel over hun ambitieuze plannen. Of de wielerbond en de overheid interesse hadden om in België een multidisciplinaire ploeg met vooral offroadrenners – cross en mountainbike – uit te bouwen.

Christoph Roodhooft: “We beseften snel dat alleen de cross iets te klein zou zijn. We wilden onze offroadrenners de voordelen van een mooi wegprogramma tijdens de zomermaanden meegeven.”

Philip Roodhooft: “Eigenlijk hebben we altijd de ambitie gehad om te doen wat we vandaag doen: in verschillende disciplines van het wielrennen aanwezig zijn. Ook op de weg, jazeker, Christoph is ten slotte wegwielrenner geweest. Zo’n ploeg als Vacansoleil destijds, naast onze crossploeg, dat leek ons wel wat.”

Waar ging het toen in 2013 over, inzake aantal renners en budget?

Philip: (kijkt in de computer) “In 2013 hadden we… elf renners en 1,4 miljoen euro budget. Kijk eens aan.”

En vandaag?

Christoph: “Ik denk drie- of vierenveertig renners. Betaalde dan.”

Philip: “Ik heb onlangs de optelsom gemaakt: met de jeugd erbij hebben we 64 renners in onze ploegen. Het budget? Ik vraag toch ook niet hoeveel er in uw portemonnee zit? (lacht) Allee, acht à negen miljoen.”

En om hoeveel ploegen gaat het?

Philip: “Vier crossploegen en twee wegploegen. Alpecin-Fenix is de bekendste, de Pro Continental-weg- en crossploeg rond Mathieu van der Poel en in het veld rond Ceylin Alvarado. Dan is er Cre-dishop-Fristads, de crossploeg van Gianni Vermeersch, die op de weg voor Alpecin-Fenix rijdt.

“777 is een crossploeg met drie vrouwen, met Annemarie Worst als bekendste naam. Iko-Crelan is nog een andere crossploeg met Sanne Cant als kopvrouw. De jeugdwerking rond de vrouwen heet Crelan-Iko en die rond de mannen zit nu bij WAC Hoboken. Daarnaast hebben we een Alpecin-Fenix-development team voor U23, maar die kunnen nu niet rijden omdat er geen koersen zijn. Twee weken geleden hebben we een nieuwe vrouwenploeg voor de weg voorgesteld. In Plantur-Pura zitten al de vrouwelijke crossters en die rijden samen in de zomer een mooi programma. Veel vrouwen, dat klopt, maar een wielerploeg zonder een vrouwensectie is niet meer van deze tijd.”

De logistiek?

Christoph: “We hebben 35 mensen in vast dienstverband en 24 op freelancebasis. In de service course staan 43 auto’s en jaarlijks worden hier heel veel fietsen – weg, cross en mountainbike – opgetuigd.”

Het enige hier aan de muur wat aan wielrennen doet denken, is een poster van de Amstel Gold Race van 2019. Niet toevallig dé overwinning waarmee alles begon.

Philip: “Toch is het toeval. Laatst waren hier opnames en ze vroegen of er iets aan de muur kon. Dit was het enige wat we vonden.”

Christoph: “Het verhaal Mathieu van der Poel begon al eerder, hoor. De eerste keer dat hij een profkoers won was de Ronde van Limburg in 2014. Hij was negentien en klopte onder meer de Duitser Paul Martens en Oliver Naesen in de sprint. Daarna won hij die wedstrijd nog eens, en in 2017 en 2018 won hij de Boucles de la Mayenne. In dat jaar werd hij ook Nederlands kampioen op de weg na een stage in Livigno waar hij geen wegfiets had gezien en twee dagen eerder naar huis kwam omdat hij graag het NK meereed: dat werd gereden in Hoogerheide, zowat bij hem thuis.”

Philip: “Hij lag toen bij ons tot 2020 onder contract en we hadden afgesproken om tot dan continentaal te zijn (er zijn drie categorieën van professionele wielerploegen: de hoogste is WorldTour, die ploegen mogen aan alle grote koersen deelnemen; dan volgen Pro Continental en continentaal, red.). We hadden snel door dat andere ploegen in de loop van 2019 bij hem zouden langsgaan met een groter plan. Dan hebben we zelf maar geschakeld en zijn we Pro Continental geworden om hem een mooier programma te kunnen aanbieden.”

Christoph: “Zonder geld.”

Philip: “We hadden in de loop der jaren een reserve opgebouwd, waarvan we dachten dat die ooit voor ons zou zijn. Daarmee zijn we die ploeg begonnen. Dat was wel budgettair puzzelwerk. De inschatting dat zowel Corendon als Circus hun bijdrage zouden willen verhogen, bleek gelukkig de juiste, maar het bleef passen en meten. De eigenaar van Corendon had een blind vertrouwen, dat scheelt.”

Christoph: “De wielergidsen kwamen uit en ik zie ons nog staan met Corendon-Circus tussen de Pro Continental-ploegen: wij waren de allerkleinste. We wonnen wel de Amstel en bijna de Ronde van Vlaanderen. Tim Merlier werd nog Belgisch kampioen.”

Zijn er momenten geweest dat u wakker lag van besluiten die moesten worden genomen?

Philip: “Rechtop zitten in bed en piekeren, zul je bedoelen.”
Christoph: “Wéken niet geslapen. Bijvoorbeeld in 2008.”

Philip: “Het contract met BKCP was net dertien dagen getekend om te beginnen in 2009, toen Niels Albert in Gavere tegen een boom reed en zijn milt scheurde. In 2014 moest hij dan stoppen met hartproblemen. Erger voor hem dan voor ons, maar toch niet makkelijk. En toch hebben we nooit het gevoel gehad dat we de controle kwijt waren.”

Hoe kreeg u Alpecin en Fenix als sponsor aan boord?

Christoph: “Alpecin stopte na drie jaar bij Katusha maar wilde verder in de koers. Alle grote ploegen zaten er op te azen. Bora- Hansgrohe had in de Tour van 2019 zelfs al een wielertrui laten maken met daarop Alpecin, maar wij hebben ons daar tussen gewrongen.”

Philip: “Een sponsor binnenhalen is voor mij een persoonlijke strijd. Met Alpecin zijn wij van achteraan het peloton, los door het peloton naar voren gereden en we hebben de koers gewonnen tegen al die andere ploegen.”

“Het contact met Fenix kwam via Adrie Van der Poel en zijn fietskameraad Hennie Kuiper. Hennie is een streekgenoot en vriend van de CEO van de Nederlandse holding die dan weer eigenaar is van het Italiaans bedrijf Arpa, dat Fenix als merk heeft. Het effectief binnenhalen van Fenix was nog wel een hele job want dan wordt het een zakelijke aangelegenheid. Het contract werd echt pas op de valreep getekend.”

Mathieu van der Poel was wel een ideaal verkoopargument.

Philip: “Jazeker, maar ook meteen een tegenargument. ‘Jullie zijn Mathieu en wat daarna, niks meer?’ We hebben inmiddels bewezen dat we met nog andere renners winnen.”

Inmiddels heeft de sympathie uit 2019 voor de frisse nieuwkomer Alpecin-Fenix plaatsgemaakt voor afgunst.

Christoph: “We liepen al langer in het oog. Vóór de Amstel die Mathieu zou gaan winnen, kwam Dave Brailsford van Ineos bij ons langs en zei: ‘My spring team is shit, but you guys rock, you’re the talk of the town.'”

Philip: “Jaloersheid, daar kunnen wij mee om, vergeet niet dat we uit de cross komen. Tot we de cross deels ontgroeiden, wonnen we daar heel veel en dat zorgde wel eens voor afgunst. Van een iets grotere afstand zie je beter dat het er soms bekrompen aan toe gaat. Maar de liefde voor de cross blijft even groot, dat wel. En we willen nog altijd winnen.”

Christoph: “Kleinere renners van grote teams zullen nog steeds denigrerend doen tegen Gianni Vermeersch van wie ze vinden dat hij niet mag bepalen waar hij wil rijden. Idem onder de sportdirecteurs. In de Ronde van Vlaanderen van 2019 waar Mathieu valt en dan in één ruk de Kwaremont naar boven vliegt om aan te sluiten, heeft Stefano Zanini van Astana mij een vluchtheuvel opgejaagd. Wij hadden met de volgwagen een dichter volgnummer dan hij, wij waren eerst opgeroepen, het was daar smal en gevaarlijk maar toch moest ik uit de weg. Dat was dan toch letterlijk iets te kort door de bocht, ze hebben netjes hun beurt mogen afwachten. Waarop zijn collega Lars Michaelsen verhaal komt halen: ‘We have a job to do.’ En ik niet dan?

“Ik word ook wat lastig van dat verhaaltje dat sommigen bij Deceuninck-Quickstep ophangen. Dat ze vooral moeten beletten dat Alpecin in de koers niet weer achterover kan leunen om het klein ploegske uit te hangen. Zo zijn wij niet, maar we koersen wel volgens onze mogelijkheden. Dat bevalt hen blijkbaar niet, maar ons bevalt het ook niet hoe zij soms een koers kunnen domineren.”

Philip: “Voor de goede orde, er is geen animositeit tussen ons en Deceuninck-Quickstep. We koersen tegen elkaar en dan lopen de belangen wel eens uit elkaar. Voor het succesverhaal dat Patrick Lefevere heeft geschreven met die ploeg – een heel jaar door overal winnen en dat jaren aan een stuk – heb ik alleen maar bewondering.”

Het imago van Alpecin-Fenix is een beetje dat van een blije bende, maar het gaat er gestructureerder aan toe dan u laat uitschijnen.

Christoph: “Dat imago houden we een beetje bewust in stand. We zijn inderdaad meer gestructureerd dan de meeste ploegen. We gaan niet grootsprakerig doen. Het is een bewuste communicatiepolitiek om geen mensen tegen ons in het harnas te jagen.”

Philip: “We laten ook buitenstaanders over onze ploeg kijken en oordelen. Alles begint bij onze ideeën, die we aan de werkelijkheid toetsen. Als wij aantrekkelijk zijn voor het publiek, en ook voor de renners, zijn we automatisch ook aantrekkelijk voor de sponsors.”

Christoph: “Het grootste verschil tussen ons en de andere wegploegen is dat we geloven in de cross als welgekomen afwisseling. Crossers stralen veel meer arbeidsvreugde uit en ze trainen fysiologische systemen die van pas komen in het huidige wielrennen.”

Hoe worden renners gerekruteerd?


Christoph: “Dat doen we samen. Op het zicht en afgaande op wat we vernemen.”

Philip: “We spreken met heel veel mensen. Meestal word je niks wijzer, maar soms hoor je iets wat je kunt meenemen. Data zeggen ook niet alles. En uitslagen uitpluizen is een gezonde afwijking.”

Christoph: “Als alleen data zouden meespelen, neemt niemand Gianni Vermeersch. Die heeft geen bijzondere motor, maar laat hem koers rijden en hij staat er. Andersom heb je een Jimmy Janssens. Voor die waarden zouden alle ploegen zich dubbel plooien, jammer genoeg komt het er voorlopig niet uit.”

Philip: “De meeste renners presteren bij ons beter dan anderen van hen hadden verwacht. Otto Vergaerde, Jonas Rickaert, Tim Merlier, Dries De Bondt, Gianni Vermeersch, het is niet dat we om die mannen hebben moeten vechten. Dries De Bondt wordt Belgisch kampioen met dank aan de ploeg. Eerst offert Otto Vergaerde zich volledig op, vervolgens beslissen we om niet voor Tim Merlier te gaan en Dries maakt het schitterend af. Wielrennen is een ploegsport.”

Gebeurt het dat u onderling de ploegtactiek anders ziet?

Philip: “Christoph kent daar meer van dan ik, ik denk wel mee. Tijdens de Strade Bianche heb ik toch gedacht of het niet goed was te wachten op het groepje met twee ploegmaats dat kort achter Mathieu reed. Zo was er in geval van eventuele pech of bij een aanval voor Le Tolfe nog assistentie.”

Christoph: “Gianni Vermeersch en Petr Vakoc waren op zeven seconden gekomen, weet je nog? Ik had liever dat ze niet terugkwamen. Ik dacht anders: als ze met drie zijn, moeten ze het gewicht van de kopgroep dragen. Maar Mathieu had daar misschien nog iets conservatiever mogen rijden.”

Philip: “Uiteindelijk wint Mathieu met overmacht de koers. Prima dan, en als het mis gaat is dat zo, een sportdirecteur zit daar om keuzes te maken. En je kent alleen het resultaat van wat je kiest, nooit van wat je niet kiest.”

Mathieu van der Poel en zijn voluntaristische monsterontsnappingen. Hoe vaak zeg je nog: allee, waarom doe je dit?

Christoph: “Ik zeg dat niet meer. We kennen hem. Hij kan dat aan. Als hij zich goed voelt, gaat hij altijd te vroeg. Tuurlijk discussiëren we daar nog over, maar het is een moeilijke balans. Wij begrijpen ook niet hoe die fenomenen zich voelen. Hang een rugnummer op Mathieu en hij wordt een ander mens.”

U hebt zelf gekoerst, maar nooit de top gehaald.

Christoph: “Ik was wel een talent, en ik trainde hard. Ik was zo goed als minstens de helft van de jongens die nu in onze ploeg rijden. Alleen heb ik gekoerst in volle epoperiode. Onder het mom dat iedereen hetzelfde deed wordt het epogebruik van toen nu van tafel geveegd, terwijl het voor jonge renners in die jaren onmogelijk was om zonder de stap te zetten.

“De mannen die het wel deden, zitten nu als de grote meneren van de wielerwereld aan de interviewtafels en ik blijf voor hen de kermiscoureur die niet weet waarover het gaat. Dus ja, soms frustreert mij dat nog.”

Hoe worden overwinningen beleefd?

Philip: “Niet goed en niet genoeg.”

Christoph: “Ik vind het soms jammer dat het allemaal zo snel passeert. Maar de stress van de dagen tot en met de wedstrijd achter je kunnen laten zodra het voorbij is, dat is ook welkom.”

Philip: “Uitbundigheid is niet de stijl van het huis. Momenten als Milaan-San Remo helpen wel om te relativeren en tegelijk te waarderen. Op den duur is winnen een gewoonte en in tegenstelling tot de cross, waar wij groot in zijn geworden en waar 90 procent van de tijd de beste wint, is dat niet zo in wegwielrennen.”

Christoph: “Offroad is meer atletiek en wegwielrennen is meer voetbal.”

Philip: “Ik heb ooit over trainer Sef Vergoossen gelezen dat hij na zijn titel met KRC Genk gewoon naar huis is gereden. Na een dag vol drukte naar huis rijden met de immense voldoening dat het gelukt is. Het heeft iets en ik herken dat wel.”

Christoph: “Na de Ronde van de Vlaanderen vorig jaar zijn we nog naar het hotel gegaan, maar redelijk snel vertrokken. De renners vragen dan: allee, zijn jullie nu al weg? Ik denk altijd: laat de jeugd maar doen. Soms is het contrast wel erg groot. Ik herinner mij nog het WK in Koksijde dat Niels Albert won. Een hectische dag zoals geen ander, maar om negen uur zat ik in de auto en reed naar huis. Het was stil in de auto, ik keek achterom en mijn twee kinderen lagen slapend op de achterbank. Die moesten de volgende dag naar school, dat was op dat moment mijn enige realiteit.”

Is dit te combineren met een familieleven?

Philip: “De stress is vooral dat het nooit stopt. Als de cross gedaan is, moeten we het op de weg goed doen en als de weg gedaan is, moeten we het in de cross goed doen. Dat koersvirus hebben we van onze vader. Hem in de Ronde van Vlaanderen samen met oud- winnaar Adrie van der Poel zien zwoegen om bidons en wielen te geven aan zijn Mathieu die ook de Ronde van Vlaanderen aan het winnen is, en dat allemaal in de ploeg van zijn zoons, dat is wat waard.”

Christoph: “Dan heb je niet echt het gevoel dat je als zoon hebt gefaald. Of als vader. De kinderen zie ik wat te weinig maar mijn zoon Karsten rijdt bij de beloften. Hij was al mee op stage en soms komt Mathieu hem halen om te trainen.”

Hoe is 2020 verteerd door de wielerholding Ciclismo Mundial?

Philip: “2019 was goed geweest en die winter haalden we twee wereldtitels in het veld, dat kon moeilijk beter. Dan kwam corona. Wij hebben de renners betaald waar ze recht op hadden. Maar dat kan alleen als je sponsors daarin meegaan en dat was bij ons het geval. Zodra alles herbegon in augustus, liep het niet zoals we hadden verwacht.”

Christoph: “In feite was Mathieu helemaal niet zo slecht. We zijn daarna naar Livigno gegaan om te trainen en bij zijn terugkeer was hij in orde.”

Heeft hij dat voorjaar van 2020 niet goed geluisterd naar de trainer Kristof De Kegel?

Christoph: “Dat is nooit zijn specialiteit geweest. Die mens heeft zijn karakter.”

Philip: “Hoe groter het talent, hoe meer dat kan verdragen. Bij Mathieu leiden veel wegen naar Rome.”

Mijn analyse was: privé is zijn leven veranderd, minder gestructureerd getraind door corona en ten slotte is hij niet goed in de hitte.

Christoph: “Dat klopt drie keer. De eerste reden is voor mij de belangrijkste. Onderschat niet wat dat doet met een mens, na 25 jaar je gezin verlaten, met je vriendin gaan samenwonen in een ander huis.

Philip: “Voor iedereen is dat aanpassen, als een topatleet dan een paar maanden 2 procent minder is, zie je dat in de uitslagen terug.” Dat de grote concurrent uitgerekend wel won…

Christoph: “…was het grote probleem. Als Fuglsang, Kwiatkowski of Alaphilippe die wedstrijden winnen, is er minder aan de hand. maar Wout van Aert wint ze allebei (Strade Bianche en Milaan-San Remo, red.).

Philip: “De rivaliteit uit de cross is vorig jaar in augustus geëxporteerd naar de weg. Een keertje geen wereldkampioen worden in het veldrijden is niet erg, maar wel in hun geval: als zij niet winnen, wint die andere.”

Laten we het eens over die Wout van Aert hebben.

Christoph: “Wij zijn er ook ooit nog achteraan gegaan. De dag dat Mathieu van der Poel wereldkampioen werd in Firenze in 2013. Philip zit in Firenze en ik ben in Neerpelt op de cross en Wout wordt daar negende. Ik zei: die moeten we hebben. Een half jaar lang hebben we moeite gedaan. Het is niet gelukt.”

Philip: “Onze relatie met Wout van Aert? Een vriendelijke goeiedag op zijn Kempens: hey en yo. Meer hoeft niet.”

Christoph: “Laatst in de Tirreno-Adriatico zaten we in hetzelfde hotel en stapten we tegelijk naar buiten. Wij zijn vriendelijk tegen elkaar. Natuurlijk, na die Gent-Wevelgem van vorig jaar toen Van Aert kritiek had op de manier van rijden van Mathieu, zegt die wel iets terug. Zelfs dat ging op een beschaafde manier. Die Ronde van Vlaanderen-sprint waarbij ze net na de streep elkaar feliciteren, niet wetende wie nu eigenlijk heeft gewonnen, dat zegt voor mij genoeg.”

Kijkt Van Aert meer naar Van der Poel dan omgekeerd?

Christoph: “Dat denk ik wel.”
Philip: “Misschien omdat Van Aert weet dat Van der Poel intrinsiek de betere is.”


Laten we het eens over de UCI hebben, een van de meest disfunctionele wereldbonden in de sport, bestuurd door minussen.

Philip: “Onze relatie met de UCI is goed en dat willen wij zo houden. Ik begrijp de kritiek, zeker inzake veiligheid kan het soms beter, maar er worden momenteel wel stappen gezet, zoals met de nieuwe nadars. Vaak maken de renners er ook een zootje van. Wat die Nacer Bouhanni vorige zondag deed met Jake Stewart (in de Franse eendagskoers Cholet-Pays de la Loire, red.), zo van: jij bent jonger en je haalt mij niet in en dus rij ik je in de boarding, dat is een grotere schande dan wat Dylan Groenewegen met Fabio Jakobsen heeft gedaan (De UCI schorste Groenewegen voor negen maanden na het sprintincident in de Ronde van Polen, red.). Wat moet de UCI doen?”

Christoph: “Flink schorsen, maar Bouhanni heeft nu het geluk dat Stewart overeind is gebleven. Eigenlijk mag dat geen verschil maken. Tim Merlier is drie dagen na elkaar beboet in de Tirreno voor het plassen vanop de fiets. Hij weet dat het niet mag als iemand het kan zien. De UCI kwam mij vinden en ik zei: geef hem een dikke boete, het zal rap gedaan zijn. Die laatste was 1.500 euro en ik heb dat in de groep gegooid want dat gaat van het prijzengeld af. Nu stapt hij af zoals iedereen.”

Philip: “Renners hebben een voorbeeldfunctie. De klein mannen kijken wat die grote renners doen. Als Mathieu na de aankomst gaat liggen, hoeveel aspirantjes denk je niet dat er de zaterdag nadien ook op de grond gaan liggen? Dat geldt ook voor papiertjes weggooien en plassen onderweg.

“Op de januaristage hebben al onze renners en medewerkers ook infosessies over veiligheid gehad, van een externe veiligheidsadviseur. En je merkt, dat brengt veel meer interactie op gang dan je zou denken. Het houdt iedereen echt bezig.”

Dat trucje om Pro Continental te blijven en dan eerste te worden in de Europe Tour met daaraan verbonden overal startrecht, maar nergens startplicht, hoelang is dat vol te houden?

Philip: (lacht) “We zijn daar toch volop mee bezig? Ik denk dat we weeral duizend punten voorstaan.”

Christoph: “Dat frustreert een aantal ploegen, dat weet ik zeker. Ik weet niet welk ander systeem de UCI zou moeten verzinnen. We zien wel als ze iets veranderen.”

Waar is, zit of staat de ploegleider Christoph Roodhooft het liefst: in de volgauto van een wegkoers, in de modder op de cross of op een helling van een WK mountainbike?

Christoph: “Doe mij maar mountainbike, zoals Mathieu jawel. Dat zijn keiplezante weekends.”

Philip: “Er hangt een heel andere sfeer. Cross is een voorschoot groot, heel eng en bekrompen. Op de mountainbike zie je eens andere mensen, het is een veel grotere wereld.”

Jammer dat Tokio een no-go is. Accreditaties voor de begeleiding worden beperkt.

Christoph: “Denk jij dat wij daar niet zullen zijn dan? Dat we geen accreditatie zullen hebben? Jij zal toch ook in Tokio zijn?”

Ik was er op tien edities bij en denk nu, geheel ten onrechte, dat de Spelen zonder mij niet doorgaan.

Christoph: “Zonder ons kunnen de Spelen ook niet doorgaan.”

Philip: (lacht) “We hebben maar twee accreditaties nodig, hoor.”

Eerst de Ronde van Frankrijk. Heb je al een halsband gekocht om Mathieu aan vast te leggen?

Christoph: “Dat zal helemaal niet nodig zijn.”

Philip: “Er is heel weinig aandacht geweest voor de doordachte manier waarop Mathieu in de Strade heeft gereden. Economisch en aandachtig.”

Christoph: “Als het moet, maakt Mathieu geen fouten. De enige echte fout, was die lange ontsnapping in de BinckBank Tour. Die had faliekant kunnen aflopen.”

Philip: “Het had ook gevolgen. Doet hij dat niet, dan wint hij de dag erna wellicht Luik-Bastenaken-Luik en dat is wel een monument.”

Christoph: “Ondanks al zijn overwinningen blijft hij een renner met niet zo heel veel ervaring. En wat er ook bij komt: elke keer als die op een fiets stapt en er hangt een nummer op zijn rug, zijn er verwachtingen. Die vreemde ontsnappingen zijn voor hem juist een manier om druk van de ketel te halen en toch te genieten.”

Iemand moet hem toch eens zeggen dat als hij zich inhoudt en op het einde volle bak demarreert, hij negen keer op de tien wint.

Christoph: “Na Kuurne heb ik hem gezegd: ‘Dat was niet het beste plan, hè maat.’ Hij zei sorry. Lang wachten is een probleem voor Mathieu: dan is de uitdaging er niet. Tijdens Le Samyn breekt zijn stuur af. Wie rijdt daarmee nog verder, raapt nog iedereen op en neemt nog bochten met een half stuur? Mathieu. Had hij gedurfd, hij had nog gesprint ook. Dat vindt hij zelf plezant. Hij stapt dan op de bus met die fonkelende ogen van ‘dat had je niet gedacht, hè’.”

Column Beurs(af)gang in De Morgen van maandag 29 maart 2021

Beursafgang

Zaterdag stond een gesprek van Marc Degryse met Philippe Clement in de krant. Ik miste een grappig tussenvraagje zoals “voor hoeveel aandelen van Club had jij ingetekend?”. Kwestie van een beetje te jennen, maar neen. Te gepasten tijde toch maar even checken of in dat gesprek de beursafgang van Club Brugge al of niet ter sprake is gekomen en of – zou zo maar kunnen – er vooraf oekazes waren uitgevaardigd dat het daar niet mocht over gaan.

Ook een mogelijkheid: het grapje ís gemaakt, Clement hééft iets geantwoord in de zin van “zijde gij zot?” en de perschef heeft vraag en antwoord geschrapt. U wil niet weten hoe de clubcensoren (bij alle clubs) interviews door de mangel halen tot er niets meer overblijft waar bestuur, medemaats, staff, supporters, minder- en meerderheden aanstoot zouden kunnen aan nemen.

Club Brugge gaat niet naar de beurs. Officieel heet het een uitstel veroorzaakt door marktomstandigheden. Officieus is een het afgang, een afstraffing van de hybris die Bart Verhaeghe al meer dan één keer parten heeft gespeeld.

Ik citeer uit eerder oeuvre. Exact een maand geleden, na de bekendmaking van de beursambities van Verhaeghe-Mannaert, stond hier…

…Nogal wat economen en beursspecialisten beweren op basis van de slechte resultaten uit het verleden (in deze wel een garantie voor de toekomst) dat voetbalaandelen pure geldklopperij zijn, bedoeld om de brave fans geld afhandig te maken waar ze niets voor in de plaats krijgen.

Voor de blauw-zwarte fermettevlaming voor wie het bruto familiaal geluk rechtevenredig is met de resultaten van FCB, maakt dat niets uit. Die spaart zich desnoods het eten uit de mond om zijn/haar club bij te staan. De gedachte aandeelhouder te zijn, versterkt nog de betrokkenheid…

…Denk een beetje na voor je je hele spaarvarken aan Verhaeghe-Mannaert toevertrouwt. Voetbalaandelen zijn per definitie emo- aandelen en daarmee maak je nooit winst, zo heeft het verleden uitgewezen…

Het is duidelijk dat de grote beleggers niet mee wilden in het sprookje van Verhaeghe-Mannaert, dat er in een dodelijke combo van hybris, onhandigheid en arrogantie alleen op gericht was om hen te laten cashen. Daardoor zullen we nooit weten voor hoeveel de kleintjes, de fans, hebben ingetekend. Blijkbaar liepen die ook niet over van enthousiasme. Dat pleit voor de intelligentie en koelbloedigheid van de blauw-zwarte fermettevlaming. Mijn excuses als ik daar soms aan heb getwijfeld. Daags na het rampbericht verscheen nog wel een grappige reactie in een krant: het was de schuld van de negatieve berichten in de media dat het hele project terug naar af was. Dat die Bart Verhaeghe nu ook al lezersbrieven schrijft, dat is nog het meest opmerkelijke van deze hele vaudeville.

Een andere reactie vond het niet kunnen dat Verhaeghe werd versleten voor een oerkapitalist. Als goed ondernemerschap ook al niet meer mag, was de teneur van die opinie. Die is naast de kwestie als het om een bedrijf in het voetbal gaat. Voetbal is de meest gesubsidieerde economische sector in dit land. Jaarlijks gaat 170 miljoen overheidsgeld naar de eersteklassers. Club krijgt daar – conservatieve schatting – ruim 17 miljoen van.

FCB hoopt nu dat het allemaal snel overwaait en dat het alleen nog over voetbal gaat en over de titel die al zo goed als binnen is. Terecht, en terechte titel ook. Alleen, dit blijft nog wel even nazinderen. In alle kranten in België ging het er over, maar ook internationaal op alle voetbalbusiness-sites waren de aangekondigde plannen van Club groot nieuws. Toen daarna de intrekking volgde, verscheen zelfs bij Bloomberg een analyse. Zij wezen op de knappe resultaten van Club. Niet in de competitie welteverstaan, want sport is van ondergeschikt belang, maar op de kamelenmarkt. Club heeft Wesley Moraes, Krépin Diatta en Arnaut Danjuma voor zes keer de aankoopwaarde verkocht. José Izquierdo en Marvelous Nakamba gingen voor drie keer duurder de deur uit. Maar concludeert Bloomberg: “Investors will need more convincing”.

Misschien weten die investeerders dat wat het Belgisch voetbal groot maakt – de import/export in goedkope voetballers – op de helling staat. Dat internationaal steeds meer stemmen opgaan om de betaalde transfer af te schaffen. Dat nationaal de enorme fiscale en parafiscale voordelen op de schop gaan en ook de lage instapdrempel voor niet-EU-spelers aan herziening toe is. Ten slotte dat wat Brugge betreft het lang niet zeker is dat ze elk jaar Champions League zullen spelen, dat hunwensdroom – de BeNeLiga – nooit zal uitkomen en dat de stadionplannen hoogst onzeker zijn.

Column De Voetballer en de Rugzak in De Morgen van zaterdag 27 maart 2021

De voetballer

Eerder deze week… Ik kijk op de iPad naar een rugzak, gedragen door een lichtdonkere jongen met een Michael Jackson-neus en een wilde haarbos. Hij kijkt bozig. Hij draagt een aartslelijke rugzak. De fondkleur is bruin. Op dat bruin, maar in bleekbruin, drie terugkerende figuurtjes die met wiskundige precisie zijn verdeeld. De twee geometrische doen denken aan de rozetten in het glasraam van een gotische kerk en het derde is een logo, een scheve L met bovenop een gestileerde V.

Jaaa, u heeft ‘em: het is een rugzak van Louis Vuitton. Ik wil u verklappen wat ik nog zie: gouden ritsen aan weerskanten, een blauwe rugrand en lelijke blauwe draagbanden en er hangt ook nog zo’n adreshouder aan, in het felrood. De onderkant, die het meeste
te verduren krijgt bij normaal gebruik van een rugzak, is kraakwit. Zo’n rugzak waar elk moment een chihuahua of maltezer uit kan springen.

Ik zit op de Amerikaanse site van Louis Vuitton. De rugzak heeft een naam: LVxNBA New Backpack. De uitleg verklaart veel, of niet zo u wil. Ik wil van een rugzak graag weten wat er allemaal aan aparte vakjes voorzien is, voor de laptop, de iPad, de smartphone, eventueel een oplaadbatterij, een ingebouwde hoes tegen de regen misschien.

Deze uitleg heeft het over hoe de rugzak eruitziet: ‘… hij toont de combinatie van de klassieke kleuren van het NBA-logo met het klassieke monogram-canvas van Louis Vuitton. Het ontwerp is van de hand van Virgil Abloh en zijn New Backpack is de moderne visie van de sporttas van de man.’ Ik schrijf maar op wat er staat, maar dat laatste kan kloppen. Ik heb nog nooit een sportvrouw met Louis Vuitton-tassen zien rondzeulen, al ben ik niet helemaal zeker van Serena Williams. En ook niet van Kim Clijsters, maar die reist de laatste tijd nog minder dan ze tennist.

De afmetingen van het backpack limited edition: 45 centimeter hoog, 24 breed en 20 diep. Kostprijs 3.800 dollar Ofte 3.200 euro. I. Kid. You. Not. Out of stock zegt de site. Call for availability. Algehele opluchting: we mogen bellen om te weten hoe en wanneer ze kunnen leveren.

Dit onmogelijke huwelijk van Louis Vuitton met de NBA was mij nog niet opgevallen: 43 verschillende items van het met afstand duurste modemerk ter wereld dragen de signatuur van de meest zwarte, meest activistische en wellicht meest atletische sport/ competitie ter wereld. Dat begint bij een brilkas van 390 euro over een courtside dekentje van 1.230 euro, een thermos van 1.600 euro tot het duurste item, een parka van 2.700 euro. Het hele LVxNBA-gamma is voorzien van dat kenmerkende NBA-logo. Dat ligt nu trouwens onder vuur van de ‘cancellaars’ want de dribbelende basketbalspeler in het logo – ik verzin niks – dribbelt… niet zwart genoeg.

Wat een zinnig mens zich dan afvraagt: wie koopt die dingen? En wie durft, niet gehinderd door welke gêne dan ook, zich daarmee op straat te vertonen? Eerder deze week kregen we het antwoord: Kevin De Bruyne kwam dinsdag op het nationaal trainingscentrum van Tubeke aanwaaien met twee rolkoffers en op zijn rug dat backpack.

Dat weet ik omdat twee collega’s een derde van een van hun sportpagina’s hebben gewijd aan enerzijds de auto van Michy Batshuayi en anderzijds de outfit van KDB. Als een eindredacteur mij zou vragen om een tekstje bij de outfit/auto van een voetballer, ik zou in een acute depressie terechtkomen. Ik koester dus immense bewondering voor de collega’s die dat hebben uitgezocht; om elkaar in hun wederzijdse ellende bij te staan, waren ze gelukkig met twee.

De auto van de reservespeler van de middenmoter Crystal Palace kost 445.000 euro. Er zit 810 PK onder de motorkap – voor de wielrenners: twee flinke John Deere’s – en de max is 300. Kilometer. Per uur. Dat wordt verkocht. Dat wordt gekocht. Erger nog: daar wordt mee gereden. Door iemand die al jaren meer minuten op de bank zit dan hij op het veld staat.

Ook de broek waarmee KDB arriveerde, was een paragraaf waard in de sportmode-rubriek. Het waren Sunday Service track pants, signatuur van Kanye West, kostprijs 321 euro. En daarboven droeg hij een Holy Spirit crewneck van 301 euro. (Rep u: alleen nog te verkrijgen in M en L). En hij had schoenen aan. Geen voetbalschoenen, maar Jordan 11 retro low snake light bone sneakers. Die heb je al voor 283 euro, maar dan wel alleen in maat 52.

Het is wat het is en het is geen sport en toch schrijven we erover op de sportpagina’s. Het leuke is: de kleren maken de man niet. Echt niet. Het is omgekeerd: plots is Kevin De Bruyne niet die bovenmatig getalenteerde voetbalmachine, maar een gewone jongen met een babyface, sproeten en weerbarstig haar. Die bult is een rugzak, en hij loopt in een pyjama op straat.

Column Hartjes voor Stuyven in De Morgen van maandag 22 maart 2021

Hartjes voor Stuyven

Ik heb mij iets voorgenomen bij het schrijven van deze column, maar ik weet niet of het zal lukken. Aan het eind zullen we het pas weten.

Zaterdag eindigde het hier als volgt: “Het mag een wonder heten dat ze vandaag met 175 aan de start staan. 172,5 daarvan rijden vandaag de meest zinloze 300 kilometer uit hun bestaan.”

Waarop gisteren een reactie kwam: “De schoonheid van de koers is dat zo’n halfje toch kan winnen als hij het slimmer aanpakt.” De afzender – nu een gewaardeerde collega – was zelf ooit een halfje in de koers. Half in de betekenis van halfvol, niet halfleeg, voor alle duidelijkheid. Ik herinner mij dat hij mij ooit vertelde hoe hij Belgisch kampioen werd door slim te zijn.

Een andere op Twitter reageerde: “Je zat er gelukkig glad naast in je column.” Dat heb je met sport. Dat is een wet uitgevonden door Koen Meulenaere: doe een voorspelling in de sport en je zult zien dat je ervoor wordt afgestraft. Ik ben ten behoeve van een uitgeverij laatst door een kwarteeuw van mijn columns gefietst. De conclusie na een paar dagen lezen was hard maar het is wat het is: ik zat er weleens naast, en meer dan eens.

Ik ben van de oude stempel: dit vak is eenrichtingsverkeer. Op een paar vaste pennenvrienden na die op een repliek mogen rekenen, kunnen reacties mij gestolen worden, maar deze was terecht en ook nog eens respectvol (hij vond het een uitstekende column). Toen ik die reactie wilde checken ten behoeve van dit stukje zag ik mijn tweet van gisteren terug verschijnen. Die luidde: “Met deze superverdiende overwinning van de hele aardige, slimme en goeie renner @JasperStuyven is de koers anno 2021 NOG mooier en spannender geworden.”

Beetje glad. Alsof ik naar een exclusief interview hengel. Neen dus. Waarom ik die dan wel stuurde? Ik weet het nog steeds niet. Het kwam vanuit mijn onderbuik. Ik was gewoon blij voor die renner, Jasper Stuyven, die ik behalve ooit samen aan dezelfde tafel tijdens de Kristallen Fiets van haar noch pluimen ken, maar die mij altijd weer opvalt door zijn weldoordachte antwoorden in interviews.

Ik was ook blij voor zijn ploeg; met in mijn fietsenberging drie Treks om uit te kiezen is dat toch een beetje mijn favoriete fietsenmerk. En voor zijn ploegleider Steven de Jongh die altijd aardig is. En voor general manager Luca Guercilena die ik nog ken van zijn tijd bij Patrick Lefevere. En niet het minst natuurlijk voor operations manager Elke Weylandt die zaterdag ongetwijfeld een Vansevenantje heeft gedaan in haar woonkamer. En omdat ik die opmerking van Tom Boonen vorig jaar – bij Trek koersen ze zoals bij de Chiro – een beetje te onrespectvol vond.

Mijn oog viel op de likes onder mijn tweet: 419 hartjes, dat moet voor een tweet van mij een record zijn en dat zegt minder over mij of de tweet dan wel over de man over wie de tweet ging. Jasper Stuyven had die als 418de overigens ook geliket en dat vind ik dan weer een hele eer. Oké ja, ik heb zaterdag net als iedereen mijn eieren in een ander mandje gelegd, maar toen op honderd meter van de top van de Poggio die sprintbom van een Caleb Ewan er nog aan hing, zelfs even voorop ging, was het duidelijk: ook een slimme kon winnen.

Stuyven heb ik na zijn overwinning in Kuurne-Brussel-Kuurne in 2016 op Twitter al eens bewierookt met iets in de trant van “We hebben een nieuwe Museeuw”. Hij was toen 23 en leek met zijn talent als afmaker/finisseur voorbestemd voor een carrière. Zelf reageerde hij toen ook en ging op de rem staan: “Bedankt, maar niet overdrijven.”

Winnen moet je leren, winnen kun je leren, als je maar durft te verliezen. Dat is wat Jasper Stuyven eergisteren deed, in een stijl die deed denken aan toen in Kuurne. Handen in de beugels en rijden maar. Na de Poggio kreeg hij met Soren Kragh Andersen een Deen mee in die laatste kilometers. Sinds Rio en Jakob Fuglsang weten we dat Denen rijden. Zonder SKA was de Jappe uit Leuven eraan geweest in de laatste decameters. Nu overleefde hij het aanstormende peloton.

Is er iemand die Stuyven deze overwinning misgunt? De perschef van Club Brugge verwonderde zich over de algemene blijheid
onder de koersvolgers die Stuyven te beurt viel. Hij vergeleek het met voetbal, waarbij supporters toch alleen voor hun eigen ploegje supporteren. Die authenticiteit en de liefde voor de sport en dan pas voor de atleet is precies het onderscheidend vermogen van wielrennen en heel veel andere sporten tegenover voetbal, dat zijn populariteit ontleent aan stammenoorlogen eerder dan aan de liefde voor sport.

Overigens, ik ben geslaagd in wat ik mij had voorgenomen: een column over de koers en die ging niet over… u weet wel wie.

Column Onderwerping (inmiddels tegengesproken ;-) in De Morgen van zaterdag 20 maart 2021

De onderwerping

Extra Time Koers haalt vooralsnog niet het niveau van de voetbalversie. Dat kan ook moeilijk anders met die lage frequentie, gasten die niet op elkaar zijn ingespeeld en die formule, een hapsnap van toogpraat die eenmaal goed op gang steevast wordt onderbroken met een leuke, net iets te lange repo.

Sammy Neyrinck volgde tijdens Nokere Koerse deze week Mark Cavendish. Die kwam in die wedstrijd nogal uitgewoond over de streep, ver na het peloton. De directe en officiële reden was een val, de indirecte en echte reden was dat hij na die al bij al onschuldige val nogal makkelijk bleef liggen, wellicht omdat hij toen al aan het eind van zijn Latijn was. Anders val je ook niet op die plek, in die fase van de koers.

Komt het nog goed met jou, Cav? Het had een vraag kunnen zijn. Maar neen. Van Mark Cavendish mag niemand iets zeggen of vragen over Mark Cavendish, tenzij hij Mark Cavendish heet. Op een andere terechte en onschuldige vraag van Sammy wilde Cav niet antwoorden. Hij excuseerde zich: het was allemaal de schuld van die – aldus Cav – shitty small cycling websites die een quootje van hem uit een interview overnemen, waarna die quote een eigen leven gaat leiden. En dat wil hij niet meer. Wat hij dan wel wil? Met rust worden gelaten.

Ik vind het in wielrennen meevallen met die shitty wielersites, vergeleken met het voetbal tenminste. Ik weet niet of Wielerflits daarbij wordt gerekend, ik hoop het niet, want ik haal daar wel wat info uit. Zoals eergisteren dat verhaaltje over Mathieu van der Poel en zijn cockpit, het onderdeel van zijn fiets dat we vroeger gewoon stuur en stuurpen noemden. Dat stuur was in Le Samyn ter hoogte van de kromming afgebroken bij Van der Poel en daarop besloot Canyon alle (dure) fietsen van dat type aan de kant te zetten. Klanten krijgen 1.000 euro vergoed en een nieuw stuur, excuseer cockpit. Mathieu krijgt die natuurlijk als eerste.

Waarmee we – alle wegen leiden erheen – bij Mathieu van der Poel zijn aanbeland. En natuurlijk ook Wout van Aert. Als je de een ziet staan in de krant, zie je de ander. Op een echt wel shitty site, die van de Gazzetta dello Sport, las ik dat Van Aert vandaag met nummer 1 start, het minste wat je kunt verwachten voor een ex-winnaar. Het grote rugnummernieuws was dat Van der Poel met 21 van start gaat. Big deal. Toch voor de Italianen. Eenentwintig is namelijk het geluksrugnummer van Marco Pantani. Met 21 heeft hij in 1998 de Tour gewonnen, schreef de Gazzetta er nog bij. De Tour van 1998… De Tour van de schande. Als er nu één Tour was die je niet wilde/mocht winnen, dan toch die. In zijn volgende grote ronde, die van Italië, werd Pantani uitgesloten voor doping.

Wat ik mij nu afvraag na het lezen van de kranten deze week: waar zijn de conculega’s van Mathieu en Wout of Wout en Mathieu en heel af en toe Julian – die het inmiddels flink op hun heupen krijgen van die onophoudelijke stroom aan lofbetuigingen aan het adres van die twee/drie? Houden die zich in, is de woede-uitbarsting nabij, broeden ze op een plan voor vandaag? Of, waar ik voor vrees, is er echt sprake van totale onderwerping?

Wielrennen is geen voetbal, waarin je kunt worden gedomineerd en toch winnen. Of een paar goals tegen krijgen, toch zelf nog een mooie goal scoren en met een redelijk gevoel van het veld stappen. Of de VAR met de vinger wijzen voor het verlies. Wielrennen is vaak een fysiologische afrekening, des te meer naarmate de wedstrijd zwaarder wordt. Wielrennen is ook een sport waarin de beste wil laten zien dat hij de beste is, zelfs tegen beter weten in.

Dat vertaalt zich in flukser overnemen, langer op kop blijven, trager van kop af gaan waardoor de andere zich tussen zijn kader moet plooien om vooraan te komen. Aan het eind van een zware wedstrijd weten de koplopers maar al te goed wie de sterkste is en ze zijn niet eens te beroerd om dat onderling toe te geven, ook al zijn ze nog onderweg. Zo hielden Mathieu van der Poel en Julian Alaphilippe in de slotfase van de Strade een praatje onder elkaar. Waarbij Julian tegen Mathieu zei dat het beste eraf was bij hem en Mathieu dat na de aankomst even duidde met een extra melding: Julian zal niet liegen tegen mij. De maat van Egan Bernal hadden ze eerder al genomen, zonder te praten, gewoon op het zicht.

Een zware wielerwedstrijd eindigt niet zelden met de totale onderwerping en onvoorwaardelijke overgave. Toprenners worden niet geklopt, ze capituleren. Soms ver op voorhand zoals Philippe Gilbert: “Die gasten mogen nog vijftien pinten drinken de avond voor de wedstrijd, ze winnen nog.” Het mag een wonder heten dat ze vandaag met 175 aan de start staan. 172,5 van hen rijden vandaag de meest zinloze 300 kilometer uit hun bestaan.

Verhaal over jongere winnaars in het wielrennen in De Morgen van zaterdag 20 maart 2021

Sterker, sneller, snotneuzen

De generatie Z op wielen heeft lak aan oude waarheden, tart de klassieke wetten en koerst met panache. Van Remco en Mathieu tot Wout: wie zijn ze, waar komen ze vandaan, wat drijft hen en waarom verbazen ze ons?

Vandaag staat met Milaan-San Remo de eerste van vijf wielermonumenten op de kalender. Het is de klassieker van de tegenstellingen: de veruit langste van alle wedstrijden is de minst lastige. De wedstrijd vereist een laag gemiddeld vermogen tijdens de eerste 290 kilometer, gevolgd door 3,6 kilometer knallen op het grote blad, waarna een even lange afdaling volgt en dan nog twee kilometer naar de Via Roma waar meestal wordt gesprint.

Door die laatste heuvel – de Poggio is geen col en al helemaal geen berg – en de bruuske overgang van rustig meerijden naar volle gas bergop, is Milaan-San Remo een wedstrijd op maat van de jonge wolven in het peloton. Lees: jonge harten. Acht van de tien laatste winnaars in San Remo waren 26 of jonger. Ter vergelijking: in Luik-Bastenaken-Luik en de Ronde van Lombardije, de twee zwaarste monumenten, ging dat telkens over twee op de tien renners. Al kun je alleen maar speculeren hoe de laatste Ronde van Lombardije zou zijn geëindigd als Remco Evenepoel – toen 20 jaar – niet uit de kopgroep het ravijn was ingedoken.

Uit de tabel bij dit stuk blijkt dat de gemiddelde leeftijd van de winnaars nergens lager ligt dan in San Remo en dat is geen vaststelling van de laatste jaren. In 1966 begon de twintigjarige Merckx er aan zijn ongeëvenaard palmares. Hij zou de wedstrijd zeven keer winnen. De laatste tien edities is de gemiddelde leeftijd van de winnaar 26,7 jaar; 2019 en 2020 haalden het gemiddelde nog wat naar beneden. In 2019 won de toen 26-jarige Julian Alaphilippe en afgelopen zomer was Wout van Aert aan het feest in een sprint met twee tegen diezelfde Alaphilippe. Van Aert was toen 25, bitter jong volgens de geldende wielerwetten. De voorbije dertig jaar zijn de honderdvijftig betwiste monumenten maar vijfentwintig keer – of één op de zes keer – gewonnen door een renner van 25 jaar of jonger. In de grote Rondes – nóg zwaarder dan een eendagswedstrijd – zijn maar elf van de voorbije negentig edities gewonnen door een renner van 25 of jonger.

Wat goed is, komt snel

Heel onlangs vertoont die statistiek eigenaardige uitschieters. Neem nu de Ronde van Frankrijk, algemeen beschouwd als de allerzwaarste van alle sportwedstrijden, enerzijds omwille van het parcours, maar vooral omdat het deelnemersveld drie weken op de toppen van zijn tenen koerst. Tussen 2011 en 2018 lag de gemiddelde leeftijd van de winnaar boven de 31 jaar. Maar in 2019 reed Egan Bernal als 22-jarige in het geel naar Parijs. Vorig jaar was dat dan weer Tadej Pogacar, 21 jaar zowaar.

Ook de Giro kende een plotse invasie van sneller, sterker, jonger. Bij de laatste vier winnaars zijn er drie van 26 of jonger: Tom Dumoulin (26 in 2017), Richard Carapaz (26 in 2019) en Tao Geoghegan Hart (25 vorig jaar). De tweede in die Giro van vorig jaar was Jai Hindley, toen 24. De 21-jarige Joao Almeida van Deceuninck-Quickstep miste net het podium. Bij de klassiekers springen Milaan-San Remo (Alaphilippe en Van Aert) en de Ronde van Vlaanderen (Alberto Bettiol en Mathieu van der Poel) eruit, met telkens winnaars van rond de 25.

Er is alvast één wet waar geen enkele sport aan ontsnapt: wat goed is, komt snel. Wielrennen is daar geen uitzondering op, maar vooral de laatste twee jaar vallen de supertalenten onder de jonge twintigers niet meer op twee handen te tellen. Even een opsomming van bitter jong tot jong: Olav Kooij (19), Quinn Simmons (19), Remco Evenepoel (21), Mauri Vansevenant (21), Andrea Bagioli
(21), Andres Camilo Ardila (21), Tom Pidcock (21), Jake Stewart (21), Mikkel Bjerg (22), Joao Almeida (22), Marc Hirschi (22),
Tadej Pogacar (22), Stefan Bissegger (22), Harm Vanhoucke (23), Tobias Foss (23), Egan Bernal (24), Filippo Ganna (24), Jonas Vingegaard (24), Jai Hindley (24), Tao Geoghegan Hart (25), Mads Pedersen (25), Wout van Aert (26), Mathieu van der Poel (26). Excuus aan wie ik hier ben vergeten.

Die laatste drie namen zijn bekend, staan nu al aan de top van hun voedselketen en winnen ongeveer waar ze dat willen. Voor
hun palmares na twee, drie jaar op de weg wil een concullega-dertiger een moord begaan. Anderen in die lijst zijn (nog) niet zo bekend, maar worden door insiders als potentiële winnaars getipt. De helft uit die lijst zal misschien nooit helemaal de verwachtingen waarmaken, maar alleen al de supergeneratie van de 21- en 22-jarigen, aangevoerd door Evenepoel, Pidcock en Pogacar, is om bang van te worden.

En dan zijn er nog de twee pas ontdekte wegrenners in Van Aert en Van der Poel. Die zijn dan wel zeven jaar ouder dan Olav Kooij van Jumbo-Visma en Quinn Simmons van Trek-Segafredo, maar ze rijden rond als jonge honden. Of zoals Thomas De Gendt (34) het verwoordde: “Als wielerenthousiasteling heb ik een aantal mooie televisiejaren voor de boeg. Als wielrenner tegen deze jonge watt- bommen worden het mijn slechtste jaren.”

Behalve een grote motor en hun intrinsiek talent, blinken al die jonge renners ook uit in voluntarisme. Dokter Yvan Vanmol, de éminence grise van de wielersport en verbonden aan Deceuninck-Quickstep, heeft zelden zo genoten van wielrennen op televisie:

“Je ziet dat die jonge gasten plezier beleven aan het koersen en uitgaan van hun eigen sterkte. Het lijkt alsof ze één groot avontuur beleven en van alles willen proeven. Mathieu van der Poel is een geval apart met zijn drie disciplines, maar ook die anderen zie ik niet zoals Peter Van Petegem destijds zich een hele carrière op een paar koersweken concentreren.

“Neem Julian Alaphilippe. Die wordt dit jaar 28, maar heeft ook dat speelse. In plaats van vijftien seizoenen lang alles op de Waalse klassiekers en Lombardije te zetten, besloot die ineens ook voor de Ronde van Vlaanderen te gaan. Vorig jaar reed hij al op kop naar Oudenaarde. Dit is de zap-en-swipegeneratie op wielen: die willen van alles wat, en dat zullen ze volhouden zolang ze het spannend vinden.”

Talent en training

Is dit een supergeneratie? Zeer zeker. Is er meer in het spel dan talent? Reken maar. Is dat verdacht? Tot nader order niet. Wielrennen is veranderd, maar met het terugdringen van het dopingspook heeft die plotse doorbraak van talent weinig te maken, volgens insiders. Yvan Vanmol: “Er is een groot blik aan bijzonder talent opengetrokken. Meer is er niet aan de hand. Doping is al een jaar of tien geen factor meer. Dat het intensief testen de talenten helpt om in te stromen, staat als een paal boven water.”

In de hoogdagen van epo draaiden de toppers bergop vermogens van 7 watt per kilogram lichaamsgewicht. Vanaf 6,5 watt gaan alarmbellen af. Van alle opgesomde namen haalt maar één die 6,5 watt: Tadej Pogacar flirt op lange klimmen met fysiologisch aanvaarde waarden. Idem voor Mathieu van der Poel op korte klimmen. Waarmee ook alles is gezegd wat gezegd moet worden. De testing en achterafcontrole van bloed- en andere waarden zijn zo rigoureus dat doping niet meer de discriminerende factor is tussen wie wint en niet wint.

Wat maakt dan wel het verschil? Talent in de eerste plaats. Dat zegt Marc Lamberts, coach bij Jumbo-Visma en in die ploeg begaan met het lot van onder meer Wout van Aert en Primoz Roglic. “Een type Merckx dat slecht traint, zal altijd beter zijn dan een kermiscoureur die wetenschappelijk traint. Maar een talent dat goed en vooral juist traint, zal het verste raken.

“Met de klassieke flandrientraining zoals ik dat dan noem – veel rijden en af en toe hard rijden – kun je een heel eind komen, zelfs finales rijden. Om te winnen is meer nodig. Om het simpel te stellen: niet hard rijden als je níét hard moet rijden en zeer hard rijden als je hard móét rijden.”

Talent dient zich niet langer aan in het wielrennen, de ploegen gaan er actief naar op zoek. Zo maakte Deceuninck-Quickstep jarenlang gebruik van de diensten van de Bask Joxean Matxin, tot hij eind 2017 naar Team UAE overstapte. In dat jaar had hij voor het eerst Pogacar gezien en hem meteen onder contract gelegd. Niet voor de ploeg van Lefevere evenwel, wel voor die van de Emiraten.

Daar werkt ook Allan Peiper, ploegdirecteur van Tourwinnaar Tadej Pogacar in de voorbije Tour. Hij zag het belang van scouting toenemen. “Je wordt geen prof meer door je in de uitslagen in de kranten te rijden en dan te solliciteren, zoals het in mijn tijd ging. Nu weten de scouts wie wat kan. De meeste goede jongeren hebben ook al een manager en die heeft een hele uitdraai van zijn renner met daarop alle wetenschappelijke parameters.

“Ik ken geen enkele jongere meer die in onze ploeg is gekomen die niet wist wat een vermogensmeter was of er niet mee werkte. Dit is toch een erfenis van de Engelse Sky-ploeg. Hun marginal gains, hun trainingswetenschap en al het andere dat ze deden om beter te worden, was een wake-upcall voor het hele peloton, maar eveneens voor de jeugdcategorieën waar die trainingswetenschap ook doorsijpelde. Samengevat: je krijgt als ploeg beter getrainde jongeren binnen en je gaat hen ook nog eens superwetenschappelijk begeleiden.”

Yvan Vanmol heeft het ook in die richting zien veranderen, maar hij zag nog een uitzondering, het bewijs dat talent altijd komt bovendrijven. “Mauri Vansevenant is vorig jaar op een stadsfiets en op zijn pantoffels bij mijn collega gaan testen. Hij had voor hij bij ons kwam bij mijn weten nooit met een vermogensmeter getraind.”

Overigens reed Pogacar vorig jaar zijn sterkste Tourrrit – de afsluitende tijdrit naar La Planche des Belles Filles waarin hij Roglic oprolde – à l’ancienne, zonder vermogensmeter, puur op gevoel, knallen. Kijken waar het schip strandt, zo kunnen die nieuwe jonge jongens het ook.

Tien diëtisten

Vroeger en beter begeleid, het is een realiteit. Marc Lamberts: “Wie talent heeft, zal meteen kunnen inpikken want die is die aanpak gewend. De meeste jongeren die instromen, weten hoe ze moeten trainen, kennen de basis van juiste voeding en leren snel bij. Elke renner bij Jumbo-Visma heeft zijn trainer en ik denk dat wij tien verschillende diëtisten in dienst hebben.”

De laatste jaren is specifieke trainingswetenschap ontwikkeld voor uithoudingssporten in het algemeen en wielrennen in het bijzonder. Er zijn enerzijds coachingplatforms zoals Trainingpeaks waar je hele trainingen krijgt toegestuurd, tegen betaling
uiteraard. Gestudeerde trainers met sportfysiologische opleiding weten die te finetunen voor hun atleet. Anderzijds bestaat ook een gespecialiseerd testplatform zoals Inscyd dat zowel Alpecin-Fenix als Jumbo-Visma sponsort. Tegen betaling krijg je je waarden zoals VO2max (aerobe capaciteit), Vlamax (anaerobe capaciteit), de anaerobe drempel (wanneer het lichaam in het rood gaat) en ook waarden voor de maximale vet- en suikerverbranding.

“Je kunt niet meer zonder die wetenschappelijke inzichten”, zegt Allan Peiper. “Bij ons monitoren Jeroen Swart en Inigo San Millan de trainingen en schrijven de schema’s. Van wat ik ervan begrijp, hameren zij vooral op de juiste belasting op het juiste moment en op het vermijden van overtollige vermoeidheid op een verkeerd moment in training. Wat een verschil met mijn tijd. Wij kwamen in een ploeg, trainden met de grote jongens mee en reden ons helemaal het pleuris tot we niet meer konden. Dan hadden we het goed gedaan.”

Ook de panache waarmee jonge renners in het peloton stappen, is ongekend. Gedaan met voorzichtig inschuiven in de hiërarchie, niet te veel en ook niet te weinig spreken, niet te hard en ook niet te traag rijden op training. Het talent is zich bewust van zijn talent en zal zijn plaats opeisen.

Remco Evenepoel is daar het beste voorbeeld van. Hij kwam in het wielrennen aanwaaien na een succesvolle carrière als voetballer. Dan zou je denken: even dimmen en aankijken hoe het eraan toegaat. Wat zei Evenepoel nadat hij wereldkampioen bij de juniores was geworden? “Ik trap de waarden van Chris Froome.” Froome had dat jaar in de Giro zijn laatste van zeven grote rondes gewonnen en was ook derde geworden in de Tour. Evenepoel sloeg een categorie over: beloften waren aan hem niet besteed en hij werd per direct prof bij Lefevere.

Hij is niet de enige die zelfbewustzijn etaleerde. Neem nu de 21-jarige Mauri Vansevenant, die recent de Grote Prijs Industria & Artigianato- Larciano won. Hij klopte daar Bauke Mollema (34), Mikel Landa (31) en Nairo Quintana (31), drie toprenners die in de grote rondes het podium viseren. Mauri, zoon van de eeuwige Lotto-knecht Wim Vansevenant die drie keer laatste werd in de Tour, heeft andere ambities dan zijn vader.

Yvan Vanmol: “Ik herinner mij een gesprek met hem in de Ronde van Slovakije. Ik zei hem dat hij veel op kop zou moeten rijden in het begin. Hij antwoordde: ik ben geen prof geworden om op kop te rijden, zomaar op kop rijden is voor de dommeriken. Ik schrok en vroeg hem of hij zijn vader dan een dommerik vond, die had toch goed zijn boterham verdiend. ‘Neen, ik wil koersen winnen’, herhaalde hij.”

Wat de toekomst brengt? Eerst afwachten of dit een tendens wordt. Volgens analisten bestaat de kans dat de plotse opstoot van jong talent een gevolg is van het coronajaar. Allan Peiper wijst dan weer op het gevaar dat die talenten sneller de focus kunnen verliezen omdat ze zo vroeg, zo fanatiek en zo gespecialiseerd te werk gaan.

Volgens Vanmol dreigt een hele tussengeneratie te worden overgeslagen. “Zeker in de grote rondes zie ik het somber in voor jonge dertigers als Romain Bardet, Thibaut Pinot en Nairo Quintana. Van een aantal andere jongens zoals bij ons de generatie Greg Van Avermaet tot en met Jasper Stuyven en co., vraag ik mij af ze wel juist hebben getraind, en vooral niet te veel hebben gedaan.”

Marc Lamberts beaamt dat een hele generatie tussen de plooien dreigt te vallen. “Een oudere renner die geen zin meer heeft om op training veel te snel te rijden en compleet kapot tussen zijn kader te hangen, die mag het tegen die jonge honden vergeten.”

En hij ziet nog een andere tendens. “Wout van Aert zit aan het eind van een koers, als de goeie renners overblijven, vaak zonder ploegmaat, maar dat geldt voor wel meer kopmannen. Neem de top vijf of top acht van de coureurs van het moment. Als die gaan rijden, wie kan dan nog volgen? Ik denk dat heel wat ploegen met een halve depressie uit de Tirreno-Adriatico zijn gekomen. Het was daar een week lang de grote Van der Poel-Van Aert-Pogacar-show. De kloof achter die grote jonge mannen is enorm. Nog een geluk dat ze open tegen elkaar willen rijden. Dat maakt de koers vandaag juist zo mooi.”

Column over America’s Cup in De Morgen van maandag 15 maart 2021

De Oude Beker

Rond deze tijd wordt voor de 36ste keer in de geschiedenis om een heel belangrijke sporttrofee gestreden en het is niet de Croky Cup. De strijd gaat dit jaar tussen Italië en Nieuw-Zeeland en er is geen fiets of geen bal in het spel. Zelfs geen ovalen bal, normaal een no- brainer voor Nieuw-Zeeland. De beker – in de wandelgangen de Auld Mug of Oude Beker – is in het leven geroepen door de Britten maar die hebben hem zelf nog nooit gewonnen. De wedstrijd is na de antieke Olympische Spelen de oudste sportcompetitie. In geen enkele andere sport wordt zoveel geld geïnvesteerd voor een wedstrijd van een week.

Exact 170 jaar geleden vonden de Britse en Amerikaanse vloot het tijd om uit te maken wie nu de snelste schoener had. Er werd rond het eiland Wight gezeild. De America won, een Amerikaanse boot dus. De trofee, die aanvankelijk de Royal Yacht Squadron £100 Cup heette, werd prompt omgedoopt tot America’s Cup en werd geschonken aan de New York Yacht Club. Bij die schenking hoorde een afspraak, waardoor de beker elke vier jaar de inzet zou zijn van een nieuwe zeilcompetitie tussen de winnaar van de laatste editie en de winnaar van een competitie onder uitdagers.

Meer dan een eeuw bleef de America’s Cup in het bezit van de New York Yacht Club. Tot in 1983 een Australische boot van een zeilclub uit Perth de 132 jaar lange hegemonie van de Amerikanen doorbrak. Daarna wonnen Amerikanen uit San Diego weer drie edities, om dan twee keer de Nieuw-Zeelanders (voor het eerst en niet voor het laatst) en twee keer zowaar Zwitsers te zien winnen.

Dat Zwitsers succes geldt als het meest extreme voorbeeld van maakbaarheid van sportsucces. Het begon met een rijke Italiaans- Zwitserse CEO van een Zwitsers farmabedrijf die graag zeilde. Ernesto Bertarelli had zin in een time-out en investeerde in een challengerboot voor wat toen al de meest veeleisende – van de portemonnee en van de medewerkers – zeilcompetitie ter wereld was.

Hij zou zelf stuurman spelen op zijn Alinghi en werd voor gek versleten. Tot hij met zijn human resources uitpakte: bij de vorige winnaar Team New Zealand haalde hij onder meer schipper Russell Coutts en tacticus Brad Butterworth weg. Alinghi won overtuigend de voorcompetitie. Bertarelli deed daarna nog beter: met maar één Zwitser aan boord (hijzelf) en een halve Nieuw-Zeelandse bemanning ging hij in Auckland de Nieuw-Zeelanders uitdagen. 0-5 werd het in Auckland, de eerste Europese overwinning ooit. De kiwi’s in rouw.

Daarna kreeg Bertarelli de opdracht de volgende editie te organiseren in een oceaan of zee naar keuze palend aan zijn land. Probleempje: Zwitserland had alleen het Meer van Genève om op te varen en dat was niet groot genoeg. Alinghi koos voor Valencia en daar werd het 5-2 winst. Waarna de Amerikanen van Oracle twee keer wonnen en vervolgens de Nieuw-Zeelanders, waardoor de huidige America’s Cup in de Baai van Hauraki bij Auckland wordt betwist tussen enerzijds de Royal New Zealand Yacht Squadron met als boot Emirates New Zealand en anderzijds de Luna Rossa Prada Pirelli, die namens de Circolo della Vela Sicilia in de voorcompetitie komaf maakten met Team Ineos.

De Italiaanse uitdager kreeg het gedaan van de Nieuw-Zeelanders dat reglementen werden aangepast. Er zou niet langer met meerrompige boten worden gevaren, de multihulls, maar met een boot met één romp en met hydrofoils of draagvleugels. Het resultaat is een en al spektakel. Toen in de voorcompetitie veel wind stond, werd geregeld de grens van 50 knopen of 92 kilometer per uur gehaald. Op volle snelheid raken de boten of hun draagvleugels nauwelijks water.

Na drie van de vier dagen waarin kon worden gezeild, was de stand 3-3. Zondag ging de mist in door gebrek aan wind. Wie het eerst zeven races wint, neemt de America’s Cup mee naar huis.

Wat het afgelopen nacht is geworden, zult u moeten volgen op de website. Daar zijn ook beelden terug te zien, een aanrader. Match racing tussen dat soort boten is als een stratenrace tussen twee F1-bolides, maar dan met de mekaniekers en ingenieurs mee in de auto/ boot. Het is een bijzonder agressieve manier van zeilen tegen de hoogste snelheden ooit gemeten en met een bemanning die getooid met helmen op de millimeter en de seconde de beslissingen van skipper en stuurman moet uitvoeren.

Pikant detail: bij de Italianen is Jimmy Spithill de man in charge. Spithill won al twee keer van Team New Zealand, telkens in dienst van de Amerikanen. En om het drama compleet te maken: Spithill is Australiër. Een aussie die komt winnen in Nieuw-Zeelandse wateren, dat zou de ultieme nachtmerrie zijn voor de kiwi’s.

Verhaal over World Cup in Qatar en boycot ja/neen in De Morgen van zaterdag 13 maart 2021

Boe roepen in de woestijn

Corruptie en duizenden doden onder de arbeidskrachten: het protest tegen Qatar 2022 zwelt aan, maar komt rijkelijk laat en is bij voorbaat kansloos. Hoe Koning Voetbal nooit voor mensenrechten en alleen voor de macht van het geld buigt.

Wat is er aan de hand met het WK volgend jaar in Qatar?

De aanleiding voor dit verhaal is een artikel in The Guardian dat het overlijden van minstens 6.500 gastarbeiders in Qatar aan de wereldbeker voetbal linkt en meer in het bijzonder aan infrastructuurwerkzaamheden zoals stadionbouw. Maar er is meer aan de hand, en het antwoord op de vraag hierboven zou men kunnen omdraaien: wat is er níét mis met Qatar 2022?

Qatar had nooit kandidaat mogen zijn voor de organisatie van het WK voetbal, en had het toernooi al zeker niet toegewezen mogen krijgen. Dat er in 2010 corruptie in het spel was bij de toekenning van de World Cup, is later in extenso bewezen (zie verder).

Los van die corruptie kon al de vraag worden gesteld of het wel zo’n goed idee is om een maand lang in een woestijn te gaan voetballen. Om de stadions te koelen zal men airco gebruiken, niet bepaald energiezuinig. In de zomer is dat onbegonnen werk, vandaar dat het toernooi uitzonderlijk op 21 november begint, als het minder warm is. Noodzakelijk gevolg: een hele verschuiving van de nationale en Europese clubcompetities waar de UEFA niet blij mee was, en waarmee de FIFA nog eens kon benadrukken dat zij de Verenigde Naties van het voetbal, de world governing body, zijn en dat de rest moet volgen.

Wat in de vorige alinea staat beschreven, heeft hooguit tot wenkbrauwengefrons geleid. Net als bij de gênante vertoning op het recente WK voor clubs – gewonnen door Bayern München. Een sjeik van de organisatie bedankte toen het voltallige scheidsrechterskorps, met uitzondering van die ene vrouwelijke assistent-scheidsrechter, die geen hand kreeg (foto links).

Het hek ging pas van de dam toen The Guardian op 4 maart dus met een onthulling kwam: tussen 2010, het jaar waarin het WK werd binnengehaald, en 2020, stierven in Qatar meer dan 6.500 migranten die als arbeidskrachten werden ingezet. Volgens de Britse krant moet het totale aantal doden zelfs nog hoger liggen omdat de data van Filipijnse en Keniase doden niet bekend zijn.

Het artikel ging viraal en werd niet overal altijd even correct geciteerd: al snel werd getiteld dat de minstens 6.500 migranten waren gestorven bij de bouw van zeven nieuwe stadions. The Guardian heeft dat nooit beweerd. In hetzelfde artikel hebben ze het over 37 mensen die overleden zijn op een aan de wereldbeker gelinkte stadionsite.

Het aantal doden wordt door Qatar niet betwist, wél dat de oorzaak de bouwwoede rond het WK zou zijn. Er is alvast geen beschikbaar cijfermateriaal uit vorige decennia om mee te vergelijken.

Qatar heeft een explosieve groei gekend. Begin deze eeuw woonden 600.000 mensen in het land dat een derde van België beslaat. Volgende maand zullen dat er 3 miljoen zijn, van wie 2,6 miljoen inwijkelingen. De sterkste stijging deed zich voor tussen 2005 en 2010 en heeft dus niks te maken met het WK. Om zo’n bevolkingsaanwas het hoofd te bieden, moest Qatar in ijltempo infrastructuur bouwen en dat heeft het gedaan, met de hulp van, maar ook ten koste van migrantenarbeiders.

Of de World Cup al dan niet de rechtstreekse oorzaak is, feit blijft dat de arbeidsomstandigheden in de woestijnstaten van het Midden-Oosten verre van ideaal zijn. Veel jonge doden sterven door hartproblemen en hoofdzakelijk in de zomermaanden, als ze onbeschermd bij extreem hoge temperaturen moeten werken.

Qatar vindt het niettemin een beetje wrang dat zij nu de wind van voren krijgen. Qatar was de eerste Golfstaat die (op 8 september 2020) onder druk van Human’s Rights Watch toestond dat arbeiders van job mochten veranderen zonder toestemming van hun vorige baas.

Dat systeem dat grensde aan lijfeigenschap – de kafala – werd daarmee grotendeels afgeschaft. Qatar voerde als tweede land in
die regio (na Koeweit) ook een minimumsalaris in. Sinds september 2020 ligt dat op 1.800 QAR of 415 euro. Of zoals de Qatarezen verontwaardigd argumenteren: vier keer meer dan het minimumsalaris in India voor een arbeider in de bouw. Dat is pijnlijk correct: voor een steenkapper die in de Himalaya op 5.000 meter hoogte voor de Border Roads Organisation van het Indiase leger werkt, zijn de arbeidsomstandigheden nog veel slechter en zijn Qatar of de Emiraten het beloofde land.

Wie wil (g) een boycot?

Niemand sprak over een boycot, tot het eind vorig jaar begon te dagen, niet toevallig eerst in Nederland. Ook in 1978 toen het WK in Argentinië plaats had, een land dat zwaar gebukt ging onder de militaire dictatuur, was Nederland voorloper. Dat was overigens de eerste en laatste keer dat een basisbeweging zich vragen stelde bij de organisatie van een mondiaal voetbaltoernooi in een ‘fout’ land.

‘Bloed aan de paal’ was een actie van Bram Vermeulen en Freek de Jonge – die deze week een petitie opstartte tegen het WK in Qatar -, toen nog verenigd in Neerlands Hoop in Bange Dagen. De boycotactie strandde uiteindelijk in de vergetelheid, het WK van Nederland in de finale tegen het gastland, met een bal op de paal van Rob Rensenbrink.

‘CancelQatar2022’ is de noemer waaronder het huidig Nederlands protest zich verenigt. Tot op vandaag krijgt het geen voet aan de grond. Toen Ruud Gullit – destijds ook bekend omwille van zijn activisme pro Nelson Mandela – werd gevraagd of hij een boycot steunde, draaide hij om de hete brij heen. Gullit staat als analist op de payroll van beIN Sports, de Qatarese sportzender.

Ook in Duitsland leeft het een beetje. Begin deze week riep ProFans, een organisatie van voetbalfans in Duitsland, de Duitse voetbalbond op om het WK van 2022 in Qatar te boycotten. “Feestvieren op het massagraf van arbeidsmigranten is in strijd met alle regels van ethiek zoals wij die kennen. Als het voetbal geloofwaardig wil blijven, moet het zich zo snel mogelijk afwenden van dit toernooi.”

In Noorwegen hebben zes Noorse clubs en een mensenrechtenorganisatie gepleit om weg te blijven van Qatar. De Noorse voetbalbond liet weten tegen een boycot te zijn en benadrukt dat dé fout is gemaakt bij de toewijzing van het toernooi, iets waar de Noren toen tegen waren.

Een rondvraag afgelopen maandag bij het panel van Extra Time leverde weinig op, behalve de indruk dat de problematiek het Belgische voetbal niet bovenmatig boeit. Journalist en commentator Filip Joos heeft wel al nagedacht over hoe hij ertegenover staat. “Ik ben niet tegen een boycot. Niet gaan zou een schokgolf door de voetbalwereld jagen en dat mag wel eens, maar ik betwijfel of dat de oplossing is. En Romelu Lukaku verwijten dat hij niet consequent is als hij enerzijds pro Black Lives Matters is maar anderzijds wel gaat voetballen in Qatar, is onzin.

“De moderne slavernij in Qatar kadert binnen een wereldwijde problematiek van ongelijkheid, die zich niet tot voetbal beperkt maar nu wel wordt uitvergroot. We hebben in Qatar al meerdere WK’s in andere sporten gehad en toen was er geen protest. Een WK in Qatar ís fout maar die fout dateert van 2010 toen Qatar dat toernooi kreeg toegewezen. We weten allemaal hoe dat toen is gegaan.”

Gert Verheyen keek als speler al verder dan zijn voetbalneus, en dat is niet veranderd sinds hij analist is: “Het is lastig. Enerzijds vind ik het niet kunnen wat er met die arbeiders gebeurt, maar anderzijds is een boycot wel heel drastisch. Alleen als een meerderheid van de landen daartoe overgaat, valt dat te overwegen.”

Peter Bossaert, CEO van de Belgische voetbalbond, laat er geen gras over groeien. “Natuurlijk zijn we niet blind voor de situatie van de gastarbeiders. We hebben dit ook aangekaart bij de FIFA en contact genomen met andere voetbalfederaties en mensenrechtenorganisaties, die ons vertellen dat gastarbeiders in Qatar niet echt geholpen worden met een boycot. Ze zouden daardoor inkomsten verliezen die ze zo hard nodig hebben. We menen dat we de aandacht voor het WK misschien juist kunnen gebruiken om de situatie in het land te verbeteren. Onze stem zal sterker klinken als we dit samen doen met FIFA en andere voetbalfederaties. Zo willen we vanuit het voetbal bijdragen tot verbeteringen.”

Hoe kon Qatar überhaupt het WK toegewezen krijgen?

2 december 2010: de 24 leden van het uitvoerend comité (Exco, voorganger van de FIFA Council) beslissen om de WK’s van 2018 en 2022 in één keer toe te wijzen. Met Rusland kon de voetbalwereld leven, maar Qatar, dat was schrikken, en terecht, zo bleek achteraf.

Een technische commissie van de wereldvoetbalbond FIFA had de Qatarese kandidatuur voor het WK terug naar af gestuurd. Te heet, te klein, te veel gedoe. De gestelde voetballichamen legden dat advies naast zich neer. Later werd wijdverspreide corruptie onder de beslissers blootgelegd. De helft van FIFA Exco zat nadien in de gevangenis of zit er nog steeds in.

Eind 2014 publiceerde The Sunday Times een aantal verhalen over hoe Qatar het WK kocht en ook kreeg, een jaar later gebundeld in een boek getiteld The Ugly Game. Daarin werd haarfijn uitgelegd hoe Al Jazeera via zijn sportfiliaal (later beIN Sports) net voor de verkiezing 400 miljoen dollar (336 miljoen euro) voor het tv-contract bood, met een verplichting voor 100 miljoen extra als Qatar de WK-organisatie kreeg. Daarbovenop beloofde de Qatarese overheid drie jaar na de toewijzing vanuit het niets nog eens 480 miljoen dollar over te maken aan de FIFA. Dit dossier wordt nog steeds onderzocht door de Zwitserse politie.

Op 18 juni 2019 werd voormalig UEFA-voorzitter Michel Platini in Frankrijk gearresteerd in directe relatie tot het WK 2022 in Qatar. Platini zou van de Franse president Sarkozy de vraag hebben gekregen om op Qatar te stemmen. Qatar was na de verrassende stemming opvallend genereus voor Frankrijk. Qatar Airways, grote sponsor van de FIFA, ging shoppen bij het Franse Airbus en kocht vijftig vliegtuigen. BeIN Sports verwierf de tv-rechten van de Franse Ligue 1 voor een gruwelijk hoog bedrag en Qatar Sports Investment kocht Paris Saint-Germain.

In 2019 zou Qatar ook twee edities van het WK voor clubs binnenhalen, kwestie van wat warm te lopen voor het echte werk.

Warm zal het er alvast zijn. In acht verschillende stadions (in vijf steden, die nooit verder dan zeventig kilometer uit elkaar liggen) zal worden gevoetbald bij een verwachte temperatuur van minstens 40 graden. Dat is een meevaller op dat schiereiland. Qatar promoot zichzelf als een land dat voor een ecologische en duurzame toekomst ijvert, maar wil in de woestijn acht open stadions met airco koelen. Kan beter als ecologische voetafdruk.

Wat is de reputatie van sportland Qatar?

Qatar wordt soms omschreven als het lelijke eendje van de wereldsport. Hoezeer het ook zijn best doet, het hoort er niet bij. Nooit heeft een land in zo’n korte tijd zoveel geld in de sport geïnvesteerd, boven of onder tafel. Nooit heeft een land zo veel sportcomplexen gebouwd. Nooit heeft een land zich sneller in de sportbusiness ingekocht.

Qatar is een landje met bijna 3 miljoen inwoners, van wie slechts een goede 10 procent procent Qatarees is. Indiërs (+20 procent), Nepalezen en Bengalezen (elk meer dan 12 procent) maken bijna de helft van de migrant work force uit. Vijftig jaar geleden leefde de bevolking nog van parelvissen. Het Engelse protectoraat werd in 1971 een land en juist in dat jaar werd het grootste gasveld ter wereld ontdekt. Vandaag heeft Qatar met bijna 90.000 euro het hoogste bruto nationaal product per inwoner ter wereld, en dat willen ze nog even zo houden.

De familie Al Thani, die de emir levert sedert 1822, heeft begrepen dat sport de snelste weg naar wereldfaam is. De sportkoepel die alles coördineert, heet Qatar Sports Investment (QSI), onderdeel van de veel grotere Qatar Investment Authority (QIA), een staatsgestuurd investeringsfonds dat op 1.000 miljard dollar zit.

Omdat de media ook belangrijk zijn, al was het maar om het grote gelijk te halen, hebben ze Al Jazeera opgericht en dat heeft alle sportrechten in het Midden-Oosten en Afrika middels zijn filiaal beIN Sports. Ze kochten in 2011 en passant ook het voetbalteam Paris Saint-Germain, een slapende reus in het Europees voetbal.

De voorzitter van PSG is Nasser bin Ghanim al Khelaifi, een Qatarese zakenman die ook voorzitter is van beIN Media Group, actief aankoper van tv-rechten (onder meer van de UEFA), van Qatar Sports Investment en de Qatarese tennisbond. In 2019 trad hij toe tot het hoogste bestuursorgaan van de UEFA.

Voetbal is niet de enige of eerste sport die voor de gasdollars zwicht. Neem nu de UCI, die er het WK van 2016 reed, in oktober op het vlakste en heetste parcours ooit. Er stonden meer kamelen dan locals te kijken en niemand die zich Qatarese wielrenners herinnert. Of het WK handbal van 2015, waarvoor drie gigantische sporthallen (kostprijs 220 miljoen dollar) werden gebouwd.

Het nationale team hield de Qatarese eer hoog met twee in Qatar geboren spelers en voor de rest Egyptenaren, Tunesiërs, maar vooral Serviërs, Kroaten, Bosniërs, Montenegrijnen, een Fransman, een Cubaan en een Spanjaard. Allemaal betaald om van paspoort te veranderen. Ze werden gecoacht door de regerende wereldkampioen, de Spanjaard Valero Rivera. Als harde supporterskern werden zestig luidruchtige Spanjaarden ingevlogen, net als 680 journalisten die ook reis, kost en inwoon van de Qatarese sportautoriteit kregen. In de finale was Frankrijk met drie goaltjes verschil te sterk.

Sportsucces is te koop, weten ze sinds ze de Bulgaarse gewichtheffer Angel Popov lokten en die in Sydney als Said Saif Asaad brons won. Vier jaar later volgde de Keniaanse steeplechaser Stephen Cherono. Hij kreeg 1.000 dollar per maand (ongeveer 875 euro), voor het leven en geïndexeerd, en heette voortaan Saif Saaeed Shaheen. Hij werd prompt wereldkampioen.

Sport is een essentieel onderdeel van de Qatar National Vision 2030, een nationale ontwikkelingsstrategie die Qatar op het ondenkbare wil voorbereiden: een woestijn waaruit op een dag geen gas meer komt. De officiële doelen van QNV 2030 zijn menselijke, sociale, economische en ecologische ontwikkeling, duurzaam als het kan. Voor het voetbal moet die laatste doelstelling nog even wijken.

Hoe zit dat met boycots in de sport?

De oproep om Qatar 2022 te boycotten zorgt voor veel ergernis in het Golfstaatje. Het zou ook een primeur zijn voor een wereldkampioenschap voetbal. Qatar kan nochtans op beide oren slapen. Die boycot komt er niet, hoofdzakelijk omdat de economische belangen voor alle actoren te groot zijn. Pas als de sponsoren zich terugtrekken, is er echt wat aan de hand, zoals met de recente verhuis van het WK IJshockey van Wit-Rusland naar Letland. Dat is bij de FIFA, dat in een WK-jaar goed is voor een omzet van 4 miljard euro, vooralsnog niet aan de orde.

Een boycot werkt in twee richtingen. Een organisatie of een land kan een ander land weigeren. Al in 420 voor Christus werd Sparta geweigerd door de Spelen in Olympia omdat ze hun boete voor het verstoren van de olympische vrede niet hadden betaald. Recenter hebben Duitsland en zijn bondgenoten het twee keer vlaggen gehad na de Eerste en Tweede Wereldoorlog toen ze op de eerstvolgende Olympische Spelen niet welkom waren. Zuid-Afrika was van 1964 tot 1988 ongewenst in het volledige internationale sportverkeer. Dat is ongeveer de enige boycot die min of meer effect had, want de apartheid ging in 1991 op de schop.

Of omgekeerd: een land vaardigt geen sporters af naar een organisatie of een land. Sommige boycots hadden geen reden, maar kwamen er uit gewoonte. Zo weten Cuba en Jemen nog steeds niet waarom ze niet aantraden op de Olympische Spelen in Seoel in 1988, toen de Spelen van de mondiale eenmaking. Er is van Seoel ’88 ook beweerd dat ze de overgang naar de burgerdemocratie in dat land hebben bespoedigd, maar dat was eerder wishful thinking van de toenmalige sportpaus Juan Antonio Samaranch die zo hoopte de Nobelprijs voor de vrede te krijgen. Niet dus.

Seoel kwam na twee eerder gebocyotte zomerspelen. In 1980 schaarde een groot deel van het NATO-blok zich achter het Amerikaans protest tegen de inval van de Russen in Afghanistan en reisde niet af naar de Spelen in Moskou (op de foto ziet u Leonid Brezjnev, de toenmalige leider van de Sovjet-Unie, bij de opening). België, Nederland en Spanje gingen toch naar Moskou. Vier jaar later vertikte het communistisch blok het (met uitzondering van Roemenië en China) om naar de Spelen in Los Angeles te reizen. De drogreden: onveilige situatie. De echte reden: revanche voor 1980. Los Angeles 1984 was meteen de laatste keer dat een groot sporttoernooi niet het sterkste deelnemersveld samen kreeg om politieke redenen.

Nog eerder waren er de gedeeltelijke boycots op de Spelen van Melbourne 1956 ten gevolge van de inval van de Russen in Hongarije en die van de Afrikaanse landen op de Spelen van 1976 in Montreal, als protest tegen de aanwezigheid van Nieuw-Zeeland dat wél
in en tegen Zuid-Afrika was gaan sporten. Geen van alle boycots hadden het effect dat ze beoogden. De sporters waren de grootste slachtoffers.

Column De Nieuwe De Coubertin in De Morgen van zaterdag 13 maart 2021

De nieuwe De Coubertin

In de Belgische sportkranten was het amper een eenkolommertje waard, de herverkiezing deze week van de Duitser Thomas Bach als voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité (IOC). Dat is vreemd. Ten eerste is dat de hoogste sportpolitieke functie in de wereld en ten tweede is Thomas Bach de opvolger van onze Jacques Rogge en aldus ook een beetje zijn erfgenaam.

In 2013 haalde hij het van Richard Carrión, Sergei Boebka, Ng Ser Miang, Denis Oswald en Wu Ching-kuo. Alleen Carrión haalde een noemenswaardig aantal stemmen. Bach had in de tweede ronde al 49 stemmen en Carrión maar 29.

Bach deed daarmee even goed als Rogge, die in 2001 in Moskou ook al meteen in de tweede ronde meer dan de helft van de stemmen achter zijn naam kreeg. Wellicht is de overwinning van Rogge opmerkelijker dan die van Bach omdat Rogge moest optornen tegen de zelfverklaarde favoriet Dick Pound en de Koreaan Kim, die een aantal leden had proberen te paaien, zeg maar omkopen.

Het was nimmer duidelijk of Rogge in Bach zijn gedroomde opvolger zag, zoals Samaranch niet kon verhullen dat hij in ‘le docteur Rock’ zijn dauphin zag. Rogge-Bach was altijd al een speciale relatie en wij buitenstaanders zullen nooit weten wat het enigma Rogge van Bach dacht. Hun herverkiezing – Rogge in 2009 in Kopenhagen en die van Bach eerder deze week – leek ook erg op elkaar: geen tegenstander die het aandurfde en dus alle stemmen pro, behalve één tegenstem. Bach kreeg wel vier onthoudingen aan zijn broek.

Rogge kreeg een staande ovatie in een zaal met sportkardinalen die hem voor nog eens vier jaar op de hoogste sporttroon bevestigden. Hij geneerde zich voor zoveel gedweeheid en die four more years, hij twijfelde toen al of dat wel zo’n goed idee was. Achteraf bekeken was het dat niet, vooral de twee laatste jaren waren een halve kruisweg door een steeds slechter wordende mobiliteit.

Die arme Thomas Bach. Een arm of een been had hij gegeven voor het moment de gloire van zijn voorganger, toen in het Bella Center in Kopenhagen. Niks daarvan. Hij moest het in zijn mooie nieuwe hoofdkwartier stellen met Teams, Zoom, Blackboard of welke digitale vergaderingsoftware het IOC ook gebruikt. Zijn kardinalen (m/v) verschenen op schermen.

Zoals Bach daar stond, leek hij captain Kirk in Star Trek, klaar om zijn bemanning het commando ‘warp speed’ te geven. Zijn commando was een verzoek: nadenken over een herwerkte olympische leuze. ‘Citius, altius, fortius’, daar mag voortaan ook ‘simulius’ bij (of zoiets), in de betekenis van samen. Dat is dan weer de goeie ouwe Bach ten voeten uit: dat kleine mannetje dat van bij zijn aantreden als IOC-lid in 1981 vastbesloten was om ooit Samaranch op te volgen. Bach de erfgenaam van Rogge? Oké dan, omdat het niet anders kan, maar toch vooral de nieuwe Pierre de Coubertin. “Nooit een meer ambitieus man ontmoet dan Bach”, vertrouwde ridder Raoul Mollet, de geestelijke vader van Rogge in België, mij ooit toe. “Et comme il est dangereux ce type!”

Na acht jaar lijkt Bach zijn voorganger Rogge definitief te zijn ontstegen en overstegen. Volgens het langst zetelende IOC-lid Dick Pound (43 jaar inmiddels) zal Bach het IOC in een betere staat achterlaten dan hij het van zijn voorganger heeft gekregen. Het klonk een beetje als een diskwalificatie terwijl dat de normaalste zaak van de wereld moet zijn. Zijn verlies van Rogge bij de presidentsverkiezingen van 2001 heeft hij nooit verteerd.

Rogge heeft structureel gewerkt. Hij heeft het Internationaal Olympisch Comité van binnenuit hervormd en het aanzien gegeven van een modern bedrijf, waar de macht ligt bij de goedbetaalde professionals en de verkozenen hooguit dienen voor de façade en het protocol.

Onder Rogge zijn de IOC-leden een deel van hun macht verloren toen ze niet meer naar de kandidaat-steden mochten reizen. Bach heeft die IOC-leden nog meer gekortwiekt toen ze ook niet langer de steden konden kiezen. Tot vorig jaar rond deze tijd zag het er nog naar uit dat hij ongehinderd via Tokio naar zijn glorieuze herverkiezing zou dribbelen. En toen kwam corona en gingen de Spelen niet door. De grootste uitdaging voor het olympisme sinds keizer Theodosius in 393 dat heidense feest verbood. Om die zaak te managen kon Bach terugvallen op zijn hoogst competente professionals, misschien dé grootste erfenis van Rogge, samen met de geïntensiveerde strijd tegen de doping.

Als Bach in 2025 als de postmoderne De Coubertin aftreedt – met de nadruk op áls, want er zijn geruchten dat hij er net als zijn vriend Vladimir Poetin een termijntje zou willen aan vastplakken – heeft hij dat te danken aan Rogge, die het meeste puin van het ancien régime van Marquis de Samaranch heeft geruimd.