Column Grande Assurdità over de Giro in De Morgen van maandag 9 mei 2022

Grande Assurdità

De Giro heeft drie non-ritten achter de rug en ze zijn al toe aan een rustdag. Vandaag verhuist het hele circus van Boedapest naar Italië. Niet naar Milaan (959 kilometer), Verona (811 kilometer) of Venetië (700 kilometer). Neen, dat was logistiek te makkelijk geweest. In 24 uur wordt verwacht dat het hele hebben en houden een rit van 2.000 kilometer afhaspelt naar Avola.

Avola, jawel, bekend van de nerodruif en de wijn die past bij een barbecue met het betere vlees. Zoek het maar op, het ligt op Sicilië, veel dieper dan Avola kun je niet geraken in Italië. Renners vliegen uiteraard, maar de autokaravaan niet en die moet ook nog eens een veerboot nemen.

Een grande partenza in Boedapest, de commerciële logica erachter is duidelijk, maar hebben die renners en die teams dan geen inspraak? Er zou door Hongarije vele miljoenen zijn betaald aan RCS om het Italiaanse wielercircus naar daar te halen. Vele miljoenen zijn altijd welkom voor een ondergefinancierde en logistiek erg dure sport als wielrennen, maar wat als je beslist dat Sicilië de volgende stop is? Wat als dat ten koste gaat van de acteurs en vooral van hun entourage? Wat als zo’n chauffeur die gisteravond in Balatonfüred in zijn camion/bus/camionette/auto is gestapt en 2.000 kilometer verder uitgewoond meteen aan de slag moet, wat als daar ongelukken van komen onderweg?

De grande partenza is de grande assurdità, de grote absurditeit. Let wel, dat geldt evengoed voor de grand départ van de Tour deze zomer in Kopenhagen en de gran salida van de Vuelta in Utrecht. Alleen vertrekt de Tour na Denemarken niet uit Nice maar in het noorden van Frankrijk, en de Vuelta niet in Malaga maar in de buurt van Bilbao. Zo’n buitenlandse stad wil natuurlijk waar voor haar geld, waardoor de Giro drie dagen in Hongarije fietst, de Tour drie dagen in Denemarken en de Vuelta zowaar begint met Utrecht- Utrecht, Den Bosch-Utrecht en Breda-Breda. Hoe verzinnen ze het?

Mathieu van der Poel heeft op dag één de roze trui van leider in het algemeen klassement gepakt. De aankomst was op zijn lijf geschreven. Dat hij een dag later ook bijna de korte tijdrit won, was minder verwacht. Hij is de elfde renner die in zijn debuutronde zowel het geel van de Tour als het roze van de Giro heeft gedragen. We moeten dat met zijn allen heel bijzonder vinden.

Die obsessie van eerste te staan in een klassement waarvan je weet dat het er op dat moment helemaal niet toe doet, en dat als de eindprijzen worden uitgedeeld je er niet aan te pas zal komen, dat is iets van de laatste jaren. In de vorige eeuw telde maar één trui, dat was die gele, roze of rode trui. En dan niet de exemplaren van dag 1 tot en met dag 20, maar wel degelijk dag 21. Ook de groene, witte, blauwe of welke kleur dan ook, en doe daar nog bolletjestrui en andere bergtruien bij: spielereien, niet de moeite om je druk over te maken.

Zelfde verhaal voor een rit winnen onderweg in een grote ronde. Dat heeft de laatste jaren dezelfde waarde als een klassieker winnen. Vreemd, want nergens zijn minder kandidaten voor winst dan in een rit in een grote ronde.

Helpers moeten in de eerste plaats helpen en dat gaat al op voor drie vierde van het peloton. Vervolgens heb je kandidaten voor de top tien die bezig zijn met hun eindklassering en energie sparen. Daarnaast zijn er nog de overlevers die na halfweg alleen maar denken en hopen het einde te halen. Wat overblijft pikt er de ritten uit als krenten uit de pap, maar de sprinters laten de bergetappes schieten en klimmers de vlakke etappes.

Daarom is het ook bij de haren getrokken om op basis van zijn ritwinst over de dubbele Ventoux Wout van Aert kansen toe te dichten om de Tour de France te winnen. Die rit spreekt misschien het meest tot de verbeelding, maar de sprintwinst op de Champs-Elysées en de tijdrit in de Bordeaux-streek waren hoger in te schatten omdat hij daar alle specialisten klopte.

Bij Jumbo-Visma zijn ze slim genoeg om te weten hoe sterk het elastiek van Van Aert is en welke rek er nog op zit. Voor alle andere waarnemers, co- en andere commentatoren, geldt het advies: kijk niet te ver terug in het verleden. Baseer u op de laatste tien, hooguit vijftien jaar als u de typologie van de groterondewinnaar wilt kennen. Iedereen die tussen 1990 en 2005 op de laatste dag het geel, roze of rood aantrok, deed dat wellicht met de hulp van epo of transfusies. Wie Van Aert durft te vergelijken met Miguel Indurain, omdat ze beiden tachtig kilogram wogen/wegen, is helemaal van het padje af en moet dringend terug naar school.

Column Pseudotennis in De Morgen van zaterdag 7 mei 2022

Pseudotennis

Elk jaar vraag ik bij het begin van het semester aan mijn studenten sportmanagement welke sport ze doen. Wat je dan krijgt, is 80 procent voetbal en dan een hele reeks andere sporten, van atletiek tot zwemmen. Elk jaar wel steeds meer (café)voetbal. Bepaald ergerlijk.

Dit jaar had ik op de hogeschool in Brugge voor het eerst studenten die als sport padel noemden. Er volgde van mijn kant een hele foute reactie, een ware uitglijer, waarvoor ik mij omstandig wil excuseren, ook omdat ik die ten behoeve van dit stukje nog eens moet herhalen. Het floepte er zo uit. “Oei”, zei ik, en toen volgde een woord dat ik van mijn sensitivityreader thuis niet mag herhalen. Iets als pseudotennis, maar erger.

Een deel van de klas lachte, het andere, meer woke deel trok de wenkbrauwen op. Waarna ik wel meteen nuanceerde dat ik laatst padel had gezien op Eurosport en dat het spektakel van die toppers wel aardig was om te zien en in niks geleek op het beeld dat ik van padel had. Maar dat ik toch de echte, originele terugslagsport luisterend naar de naam tennis prefereerde.

Neen, padel is geen technisch moeilijke bezigheidstherapie zoals snooker, darts of hengelen. Padel voldoet wel degelijk aan de criteria om van sport te kunnen spreken. Of die sport had moeten worden uitgevonden, en of het een goede zaak is dat het de snelst groeiende sport is, is dan weer een totaal andere discussie.

Sinds woensdag wordt het eerste internationale padeltoernooi in ons land afgewerkt. Ik ken padel al heel lang. Op een dag, bijna twintig jaar geleden, stonden in het sportdorp Club La Santa ineens twee glazen kooien, daar waar een jaar eerder nog een tennisbaan lag. Het leken openluchtsquashbanen, maar wat hing dat net daar dan in het midden te doen? Minitennis, was dat het?

Neen, het was padel. We konden instructie krijgen, er waren speciale rackets af te halen, aanvankelijk kleine tennisrackets met besnaring. De ballen waren nog gewone tennisballen. We speelden geregeld. De regels kenden we niet en dus speelden we één tegen één, op een heel veld. Waarom ook niet? Als we konden tennissen op een vier keer zo groot veld moest dit ook lukken. En als je naast de bal sloeg, kreeg je hem nog gratis terug van dat glas achter je, wat een luxe.

Flashback naar 2015. Interview met Tom De Sutter, aan zijn laatste jaar bezig met Club Brugge. In de regionale krant was een verhaal verschenen. Hij zou investeren in de eerste padelterreinen in het Brugse. Daar ging het gesprek ook over. Ik zei: “Padel ken ik. Dat is tennis voor wie te lomp is om te tennissen en te lui om te lopen.” Tom vond dat niet erg en moest lachen. Hij wist dat padel zou aanslaan. Inmiddels is hij de padeloligarch van Vlaanderen en dat is hem van harte gegund, want hij was een zeldzaam aardige voetballer om te interviewen.

Rond die tijd kreeg ik ook de vraag van de eerste georganiseerde padelbeweging om mij in een columneske bijdrage achter hun protest te scharen. De Vlaamse tennisbond, vandaag Tennis Vlaanderen, was immers op de padelhausse gesprongen en had die met de steun van Sport Vlaanderen geïncorporeerd. Dat was niet naar de zin van de padelpioniers. Niet willen opgaan in een groter geheel van een moedersport is een klassieke reflex bij nieuwe varianten van sporten die maar wat graag nieuwe bonden zouden oprichten om dan eigenhandig bestuurders te kunnen aanstellen. Dat zag je destijds ook met beachvolleybal en met snowboarden. Ik heb de pioniers afgescheept en gezegd dat ik de Vlaamse lijn van minder, grotere en dus sterkere bonden aanhing.

Overal in Vlaanderen zijn de laatste vijf jaar padelterreinen als paddenstoelen uit de grond gerezen. Tennisclubs die nog een hondenwei of een stukje parking vrij hebben, poten er van die glazen kooien neer. Of ze offeren tennisbanen op. En komen daarna niet zelden in conflict met de buurt want een padelkwartet maakt meer lawaai dan een tenniskwartet.

In 2015 waren er nog geen 50 padelterreinen in Vlaanderen, twee jaar later 110 en vandaag 1.300. Padel is een hit. Het is laagdrempelig tennis. Het is een vorm van bewegen, maar wie niet beweegt vermaakt zich ook. Het is een beetje competitie, maar vooral fun. Het is niet al te technisch. De gegarandeerde lol geheel op maat van de fast consumers van vandaag. Padel is soms een keiharde fysieke strijd, maar veel vaker een sociale bijeenkomst onder de dekmantel sport. O ja, en ze spelen het met vier op een kwart van een tennisveld. Meer lol met minder moeite: padel is uitgevonden voor de millennials en alles wat daarna komt.

Column Belgische scheidsrechterij in De Morgen van 2 mei 2022

Breed getackeld

Hein Vanhaezebrouck heeft vorige week een bijzonder interview gegeven. Een pleonasme is dat, want een interview met Vanhaezebrouck is sowieso bijzonder. Na zijn terugkeer in Gent bezwoer hij alleen nog met de pers te praten tijdens zijn wekelijkse persbabbel. Dat is lastig vol te houden voor de schoolmeester/betweter die in hem af en toe de bovenhand neemt.

Afgelopen week was de eer aan Marc Degryse om de HVH-monoloog te aanhoren. Het dient gezegd, hij vertelde geen onzin – dat doet hij zelden – maar Degryse had hem beter herinnerd aan die oude wijsheid dat het niet volstaat gelijk te hebben, dat je ook en vooral gelijk moet krijgen. Dat is het probleem van Hein, ze zullen hem geen gelijk geven, althans niet wat de arbitrage in het Belgisch voetbal betreft. Jammer, want hij heeft gelijk.

Neem nu scheidsrechter Nathan Verboomen. Vorige week voorafgaand aan de wedstrijd vroeg hij Vadis Odjidja spottend of hij niet geblesseerd was. Vervolgens nog eens tijdens de opwarming: “nog steeds niet geblesseerd, Vadis?” Later bij de toss toen Odjidja bloemen kreeg van Genk moest er ook nog zo nodig een “en nu kussen” bij. Dat laatste tot daar aan toe, dat is gewoon een onnozele grap. Een speler jennen met zijn blessuregevoeligheid is er over, heel ver over zelfs. Of ze bij de voetbalbond Verboomen op het matje hebben geroepen, is niet bekend.

Over die voetbalbond en de leiding van de scheidsrechterij zei Vanhaezebrouck dat het een bende leugenaars zijn. Dat ze durfden te verkondigen dat ze nog maar zestien fouten hadden gemaakt, daar kon hij niet bij. “Wij alleen al zijn zestien keer benadeeld.” Waarop Degryse – de vraag stond op het lijstje, het was dus geen grap – even later begon over bondscoach worden. Daar had Hein geen zin in. De voetbalbond voorlopig ook niet wellicht.

Vanhaezebrouck verwijt de scheidsrechters in België dat ze geen persoonlijkheid hebben, dat ze hun bazen en hun dwaze consignes achterna hollen, in de hoop op goede punten. Kan kloppen, maar minstens even erg is de inconsequente beoordeling van al of niet overtredingen. In die wedstrijd thuis tegen Genk waarin Vanhaezebrouck met rood naar de tribune moest had Vadis Odjidja van grappenmaker Verboomen eerst geel gekregen voor een lichte overtreding en daarna geel voor een opmerking, samen rood dus.

Nu is Odjidja van geen kleintje vervaard en als hij ongezien zijn voetje kan laten hangen bij een vervelende tegenstander, zal hij dat niet laten, maar bij die actie hield hij zich in. De wedstrijd was tot dan bovendien erg proper verlopen. Alleen had Odjidja het ongeluk dat hij de voet raakte van een Zuid-Amerikaan en aangezien dat allemaal klonen van Neymar zijn, leed hij de pijnen van een amputatie zonder verdoving.

De inconsequentie, daar ging het over. Gisteren bij Antwerp-Union ging de Japanner Machida door op Jelle Bataille, voet vooruit, gestrekt been, over de bal, alles wat je maar niet wil en wat niet kan. Wat floot dat ander groot licht onder onze scheidsrechters, Nicolas Laforge? Een doodgewone overtreding, niks geel, laat staan rood.

Dat was de 21ste minuut. Tien minuten later trok Yusuf aan een shirt om een tegenaanval te onderbreken. Spelbederf, de ref had het gezien, floot, maar geen geel. Ondertussen wel twee keer fluiten voor een foute inworp. Minuut 37: Faris Haroun kreeg geel, compleet onterecht. Hij speelde perfect de bal en de speler ging daarna ongevaarlijk over zijn been, een tackle van opzij. Faris maakte zich kwaad, tien keer kwader dan zijn maat Vadis een week eerder, en gooide er nog een wegwerpgebaar achterna. Volgens de consignes voorafgaand aan de play-offs was dat een zekere gele kaart.

Nog eens vier minuten later had Laforge het vlaggen. Haroun onderbrak een gevaarlijke counter door een speler manifest neer te halen. Altijd geel. Laforge gaf gewoon fout. Bij Union snapten ze er niks van en Bart Nieuwkoop ging verhaal halen: hij kreeg geel. Net voor de rust ging Radja Nainggolan door op een bal die hij te ver voor zich uit speelde. Hij was te laat en kwam op voet van de andere terecht. Altijd geel. Laforge piepte weer niet. En zo ging dat een hele helft door, de ene inconsequente beslissing na de andere.

Gisteren, minuut achttien op Jan Breydel. Kristian Arnstad van Anderlecht is de bal kwijt en gaat door op Dennis Odoi. Hij raakt geen bal, het been is gestrekt, de intensiteit te hoog, hij heeft alleen Odoi mee: minstens geel, rood had gekund. Arnstad krijgt geen kaart, alleen een vermaning van de scheidsrechter. Zijn naam? Nathan Verboomen.

Dat er geen peil valt op te trekken, dat is het probleem van de scheidsrechterij in België.

Column Haantjesgedrag in De Morgen van 30 april 2022

Haantjesgedrag

Neen, Remco Evenepoel is niet dé man van het voorjaar. Wel Romain Bardet. Geen platte WorldTour-prijs gereden – hij won wel twee weken geleden nog de Tour of the Alps – maar nu al ongecontesteerd over alle sporten heen voor de fairplayprijs van 2022 door die onbaatzuchtige actie waarmee hij misschien wel het leven van Julian Alaphilippe redde.

In L’Equipe van afgelopen dinsdag stond zijn verhaal. Hij was ook gevallen in Luik-Bastenaken-Luik, maar de val zelf herinnert hij zich niet meer. Tussen het piepen van de schijfremmen, het kraken van het carbon, het gehuil en gekrijs van vallende renners voor en achter zich en vervolgens het moment waarop hij beseft dat hij in een diepe gracht naast de weg ligt, zit een gat in zijn geheugen. Hoe de psyche de renner tegen zichzelf beschermt.

Het eerste wat hij zich herinnert… “Ik zie Julian, ik zie dat hij pijn heeft. Hij kan haast niet ademen, hij beweegt niet. En ik ben de enige die ziet dat hij daar ligt, nog een stuk dieper dan ik. De koers wil verder. Ze weten niet dat hij daar ligt. De motoren en de auto’s vertrekken en ik daal af tot bij Julian, die gekruld rond een boom ligt. Je hurle, seul dans le vide, et personne ne m’entend. Een schreeuw in het ijle, door niemand gehoord. Ik had de indruk dat hij daar zou blijven liggen, helemaal alleen, voor altijd.”

Goed mogelijk dat dit een fatale afloop had gekend als Bardet zijn maat Alaphilippe niet had opgemerkt. Pas veel later konden we vanuit een helikopterbeeld zien hoe Alaphilippe daar verscholen in het groen tegen die boom lag. Inmiddels zocht het bloed uit die geperforeerde long zijn weg in het lichaam, kreeg hij het gevoel langzaam te stikken. Stel dat ze hem niet zien en het allemaal nog wat langer duurt, je mag er niet aan denken.

Uiteindelijk is er toch een teamdokter die hen opmerkt, waarna Bardet in zijn eentje terug naar boven klautert. Zijn fiets, geen idee waar die is. Eenmaal op de weg wordt hij nog bijna opgeschept door een haastige ploegleidersauto. Hij zucht: “Ik had dat net meegemaakt samen met de helft van het peloton en dan zijn er nog die doen alsof het erbij hoort. Vallen en weer opstaan? Niet voor mij, niet zo. Ik kon niet meer, ik wilde niet meer, de ploeg had begrip. Ik dacht dat Julian minstens voor het leven verlamd was.”

De monumentale crash van zondag in de aanloop naar de Rosier deed denken aan die in 2015 in de derde etappe van de Tour de France, toen William Bonnet op een rechte weg in een lange bergaf een wiel aantikte, tegen de grond ging en na hem een derde van peloton crashte. Dat ging toen ook met zeventig per uur en dat was die rit waar Fabian Cancellara naast de weg een paar keer overkop ging en later in het geel de strijd moest staken met twee gebroken ruggenwervels. Toen werd de wedstrijd geneutraliseerd, herinnerde ook Bardet zich. Niet in Luik-Bastenaken-Luik. “Het wordt steeds extremer in deze sport.”

Zelfde verhaal eergisteren in de krant bij Ilan Van Wilder, nog maar 21, en nu al gehavend voor het leven, fysiek en psychisch. “Ik zag Wilco Kelderman naast mij liggen met bebloed gezicht. Iemand van Arkéa raakte niet meer overeind. Een jongen van TotalEnergies lag roerloos op het asfalt. Ik hoorde Romain Bardet roepen. En mijn tanden stonden ergens anders dan waar ze normaal moesten staan, een kaakbeenbreuk besefte ik.” Het was de teamarts die hem bijstond die ook ineens Alaphilippe opmerkte: “Hé, maar dat is iemand van ons, dat is Julian.”

Bardet en Van Wilder verschillen tien jaar, twee wielergeneraties zitten ertussen, maar hun analyse is dezelfde. Die valpartij? Haantjesgedrag van een paar gekken. Van Wilder heeft gezien wie de boosdoeners waren. “Twee die elkaar geen duimbreed willen toegeven, hun fucking remmen niet willen gebruiken.”

Hij is jong, door de hiërarchie van het peloton is het niet aan hem om namen te noemen. De doorgewinterde Bardet heeft daar geen last van: Jérémy Cabot van TotalEnergies was het eerst tegen de grond gegaan, door zijn eigen stomme fout. De gevolgen waren catastrofaal. Cabot was dan weer furieus dat hij de schuld kreeg, ook van Tom Pidcock trouwens, en weet zijn val aan de slechte weg.

Zoals de renners de koers maken, bepalen de renners ook hoe vaak wordt gevallen en hoe groot de schade is. Volgens Bardet is de erecode van toen hij begon – je duwt nooit iemand uit het wiel van een ploegmaat – de laatste jaren compleet overboord gegaan. Bardet gaf het interview aan L’Equipe met op zijn schoot zijn tweejarig zoontje. Meer jonge vaders, dat is wat het wielrennen nodig heeft.

Column over Remco Evenepoel in De Morgen van maandag 25 april 2022

Het godenkind

Hijzelf was het ettertje en zijn ploeg was het kneusje van het peloton geworden en het Belgische wielrennen kon geen grote koers meer winnen. Dat was de balans na drie voorjaarsmonumenten. Dat beeld is gisteren tussen vier en vijf in de namiddag helemaal omgedraaid. Door één man, een jongen nog, in één wedstrijd, met één fenomenale ontsnapping. Remco Evenepoel heeft zijn eigen seizoen de glans voor heel 2022 gegeven, zijn ploeg en het Belgische wielrennen van een blamage gered.

Patrick Lefevere heeft gelijk gekregen. Weer eens gelijk gekregen, moet dat zijn. Telkens als een goede ziel hem wees op de belabberde resultaten van zijn QuickStep-Alpha Vinyl vroeg hij, knarsetandend, te wachten tot na Luik-Bastenaken-Luik. Een meewarige glimlach was zijn lot.

Wie zou dat dan moeten winnen? Bob Jungels in 2018, ja, maar waar zat die nu? Paolo Bettini in 2002, dat was lang geleden. QuickStep had niet de ploeg om de zwaarste eendagswedstrijd op deze planeet te winnen. Ochot ja, er was Julian Alaphilippe, maar die geraakte niet in vorm en misschien, heel misschien zou Evenepoel iets kunnen betekenen, maar daar geloofden weinigen in.

Evenepoel zelf bleef verkondigen dat hij mikte op Luik-Bastenaken-Luik. De analisten wezen op La Roche-aux-Faucons. Misschien te zwaar (lees: te steil) voor hem. Of La Redoute, ook wel buiten zijn capaciteiten. En dan nog, hij kon niet sprinten in een kopgroep met andere kleppers. Evenepoel hield het hoofd koel en herhaalde dat hij het parcours inmiddels uit zijn hoofd kende, dat hij veel had getraind op de specifieke klimmen. De ploeg geloofde in hem.

In de Waalse Pijl was hij nog superhelper voor Alaphilippe, maar in Luik-Bastenaken-Luik startten ze met gelijke wapens. Vooraf was er wat meeval, als je dat zo mag noemen. Tadej Pogacar bleef in Slovenië bij zijn treurende vrouw. Onderweg crashte ook nog eens zijn maat en ploegmaat Alaphilippe. Ineens berustte alle hoop op de schouders van een 22-jarige. Die was ooit als een komeet aan het wielerfirmament verschenen maar leek te plafonneren. Zijn favoriete werkveld zouden de kleine rondes worden. Daar waar de echt grote jongens het serieuze werk voorbereiden, zou hij kunnen schitteren.

Dat was buiten het godenkind Remco gerekend. Zijn demarrage op de uitlopers van La Redoute was bepaald indrukwekkend. Ze zagen hem vertrekken, ze zagen hem komen, sommigen probeerden hem bij te halen, anderen dachten ‘we laten hem die chasse- patate’. Maar dit was de Evenepoel van destijds in San Sebastian. Compleet in the zone reed hij naar La Roche-aux-Faucons, trippelde in een mooi tempo naar boven, verloor op de uitloper wel tien seconden, maar stortte zich dan naar Luik als een tijdrijder.

Tegenwind, daar was ook voor gewaarschuwd. Tegenslag in de bochten ook. Evenepoel in zijn aerodynamische stijl kon het niet deren. Met nog drie kilometer te gaan balde hij voor het eerst de vuist, nog voor de rode vod wist hij dat het binnen was.

In een voorjaar waarin de Belgen geen enkele grote wedstrijd wonnen, stonden ineens bij de zwaarste wedstrijd van het seizoen, dé referentieklassieker, drie landgenoten op het podium. Twee crossers en een voetballer op het hoogste schavotje, hoe gek is dat?

Ineens ziet het belabberde wielervoorjaar er helemaal anders uit. Naast Luik hebben de Vlaamse renners in de WorldTour de Omloop Het Nieuwsblad (Wout van Aert), Classic BruggeDe Panne (Tim Merlier), E3 Harelbeke (Wout van Aert) en Waalse Pijl (Dylan Teuns) gewonnen.

Wat Teuns deed in Hoei was grote klasse, maar Van Aert was toch voor het weekend de Vlaamse/Belgische kanjer van het voorjaar. Zijn podiumplek in Roubaix, zijn demonstraties in Parijs-Nice, zijn overwinningen: 2022 was geen premier grand cru maar kwam in de buurt. Tot gisteren, tot de ontbolstering van Evenepoel, de man die antwoordt met de pedalen en die het wielerlandschap herschrijft. Heren Van Aert, Van der Poel, Pidcock, Pogacar en anderen: Evenepoel is voortaan een klassieke renner.

Voor de Vlaamse revelatie van het wielerseizoen 2022 komen naast Teuns en Van Aert ook het nieuw samengesteld commentaargezin Karl Vannieuw- kerke-José De Cauwer in aanmerking. De vreugde elkaar te hebben gevonden op latere leeftijd spat van het scherm af. De grappen en grollen gaan heen en weer, en ze laten elkaar in hun eer. Zou er nog iemand zijn die Michel Wuyts mist? De Cauwer alvast niet.

Column Cycling Vlaanderen in De Morgen van 23 april 2022

Cycling Vlaanderen

Vanuit het kabinet van de Vlaamse minister van Sport, Ben Weyts, kwam gisteren een mededeling dat de inspectie financiën van de Vlaamse overheid de geldstromen in het wielrennen en meer in het bijzonder rond de door Vlaanderen gesubsidieerde bond Cycling Vlaanderen gaat onderzoeken.

Waar gaat dit over? Een maand of zo terug heeft de zittende CEO van Cycling Vlaanderen zijn ontslag ingediend. Vertegenwoordigers van de nationale koepel Belgian Cycling (vroeger Koninklijke Belgische Wielrijdersbond) hadden in de raad van bestuur de begroting van Cycling Vlaanderen afgekeurd. Ondertussen hadden dezelfde bestuurders een audit afgeblokt toen die dieper wilde ingaan op de financiële transfers tussen Vlaanderen en de nationale bond.

CEO Frank Glorieux was na vijf en een half jaar al die bemoeienissen vanuit de nationale koepel beu. Het personeel én drie externe bestuurders schaarden zich achter hem. Het personeel werd al snel het zwijgen opgelegd en werd bedreigd met ontslag. Glorieux is in zijn opzegperiode en mag vertrekken als hij een geheimhoudingsclausule ondertekent en niks lost over het reilen en zeilen binnen Cycling Vlaanderen, Belgian Cycling en aanverwante vzw’s.

Dat reilen en zeilen binnen de wielerbonden is eigenlijk vrij simpel en ik kan het weten, want ik was ook CEO (toen heette dat nog algemeen directeur) van wat dan nog Wielerbond Vlaanderen was. Ik ben ontslagen in 2014. De aanleiding was een column in De Standaard over snowboarders, echt waar. Mijn hoofd lag al op het kapblok kort na mijn aanstelling in 2011 omdat ik had aangedurfd de topsportwerking (betaald met Vlaams geld) op te eisen als bevoegdheid voor de Vlaamse bond. (Men kan daar voor of tegen zijn, de staatshervorming is nu eenmaal wat ze is.)

Mijn situatie zou er niet op beteren toen ik erachter kwam dat onze Vlaamse bond voor zijn ledenrenners 250.000 euro te veel betaalde aan verzekeringen en dat bedrag precies overeenkwam met wat de verzekeraar betaalde aan sponsoring aan de nationale koepel. Ik schreef een nieuwe tender uit en dezelfde verzekeraar en zijn makelaar haalden de tender met een bod van 300.000 euro lager. De sponsoring bleef dezelfde. Of het percentage veranderde dat werd afgeroomd van die sponsoring via de cvba van één topfiguur van de nationale koepel is mij nooit duidelijk geworden.

Waar gaat dit nu echt over? Dit gaat over de rol van nationale koepels en hun Vlaamse en Franstalige vleugels en wie wat doet. De volledige Belgische sport heeft zich geconfirmeerd aan de staatshervorming en stuurt de sport aan vanuit de regionale vleugels. Samen bemannen die de nationale bond, die voor de grote kampioenschappen als een soort uitzendbureau fungeert.

Logisch, gezien de overweldigende Vlaamse dominantie in de topsport en al helemaal in het wielrennen. De voetbalbond en het boven alle wetten verheven voetbal is daarop de enige uitzondering. De nationale wielerbond wil graag een minivoetbalbondje zijn. Het is meer dan symbolisch dat de KBWB op de terreinen van de KBVB in Tubeke een nieuw opzichtig bondsgebouw heeft gebouwd.

Dat uitgerekend de Vlaamse inspectie financiën onderzoek zal voeren naar wat met het subsidiegeld voor Cycling Vlaanderen is gebeurd, spreekt boekdelen. Het komt geen moment te vroeg. Al jaren weten Sport Vlaanderen (toen Bloso) en het ministerie van Sport wat er gaande is. Al jaren weten ze hoe Vlaams belastinggeld wordt doorgesluisd naar de nationale koepel om daar een zogezegde topsportwerking op poten te zetten.

Sport Vlaanderen had al veel langer aan de alarmbel kunnen trekken en meer controle eisen op de 1,3 miljoen euro van het Vlaamse geld dat door de nationale koepel wordt uitgegeven. Bij het personeel van de nationale ploegen zijn meer dan tien creditcards in omloop die zomaar geld afhalen van de Vlaamse rekeningen. De technische sportwerking binnen de nationale koepel, waar hardwerkende en capabele mensen zitten, is evenwel ondergeschikt aan de eerste opdracht van de KBWB: enkele topfiguren verrijken en optreden als veredeld reisbureau voor zijn bestuurders en zijn sponsors.

Het is te hopen dat de Vlaamse inspecteurs diep gaan. Als ik een tip mag geven: bevraag ook de sponsors hoe en waar ze dat sponsorgeld storten. Bekijk de rekeningen van de vzw Be Cycling. Bekijk de vzw’s die nog steeds in sommige provincies worden gebruikt en misbruikt. Verplicht een Chinese muur tussen de Vlaamse en nationale wielerstructuren. Zet Cycling Vlaanderen onder curatele en zorg ervoor dat Glorieux kan terugkeren, want hij en zijn team hebben de laatste jaren prima werk geleverd.

Column Tubeless in De Morgen van dinsdag 19 april 2022

Tubeless

Je zou nu toch verwachten dat na de uitvinding van de derailleur – geleden van tussen de twee wereldoorlogen – een aantal kwantumsprongen zijn gemaakt met betrekking tot het materiaal. Neen dus.

De fysiologie heeft men al redelijk onder de knie, maar het valt wel op dat de meest recente inzichten in training gelieerd zijn aan baanbrekend onderzoek van een Belg (Jan Olbrecht) uit de jaren tachtig en dus eigenlijk geleend zijn van het zwemmen.

Inzake materiaal blijft wielrennen een sport van grootmoederwijsheden. Wetenschappelijk onderzoek beperkt zich tot “we hebben het uitgeprobeerd” en we hebben gekozen voor… Het beste voorbeeld van dat nattevingerwerk zijn de banden. Op mijn eerste koersfiets – gekocht bij Plum met geld van mijn studentenjob bij de Gentse Jaarbeurs (8.000 frank) – lagen bandjes van 19 millimeter breed. Goed hard oppompen, zei de verkoper, dan rijd je minder snel lek. Eén Sint-Kwintensberg naar boven – toen nog kasseien – en mijn ballen zaten in mijn keel.

Mijn tweede koersfiets, zelf opgehaald bij Eddy Merckx, was een titaniumkader dat hij nog liggen had voor zijn (gestopte) zoon Axel. Dat was bijna een kwarteeuw geleden. De bandjes waren 21 millimeter breed. Acht bar, zei Eddy, zeven als het kasseien zijn. Eén Stationsberg en… u raadt het al.

Vijf jaar geleden en twee fietsen verder lagen er 23 millimeters op. Niet meer dan zeven bar, zei de verkoper. En hij fluisterde mij toe dat vijf genoeg was voor kasseien, maar dat ik moest oppassen voor een doorstuik. Stuuk, want ik woonde toen al in West-Vlaanderen.

Vijf jaar geleden las ik over tubelessbanden ontwikkeld door Schwalbe. Dat was de toekomst, geen binnenband, dus geen doorstuik, en tenslotte waren autobanden al decennia tubeless. Mountainbikers hadden ze ook al. Ik probeerde de combo uit. Derde rit met de groep, vergeten dat tubelessbanden vaker moeten worden opgepompt en ik stond aan de kant met een burp, een fenomeen waarbij de band in een bocht ineens heel wat lucht laat ontsnappen. Dat gaat gepaard met verlies van de latexmelk die kleine gaatjes moet stoppen. Fietsmaten lachten: er komt sperma uit zijn banden.

Zondag reden haast alle ploegen tubeless. Her en der waren er nog met gewone tubes, vaak ook met latexmelk in het binnenbandje. Grootmoeders aan het werk. Enkele merken hadden hun nieuwste fiets van de stal gehaald. Zaterdag won een vier keer duurder prototype van mijn Trek Domane bij de vrouwen. Zondag niet. Toen won een Pinarello Dogma F – de aeroversie nog wel – voorzien van een dubbel stuurlint en tubelessbanden. De man die met de fiets reed, werd ook al tweede twee weken geleden in de Ronde van Vlaanderen. Het zal dus wel een goede set-up zijn geweest.

Je zou nu toch verwachten dat het inmiddels zo klaar als een klontje is wat het beste materiaal is om die vijftig kilometer helse kasseien te trotseren. Inmiddels worden in gewone wedstrijden steeds vaker 28-millimeterbanden gemonteerd – met vijf tot zes bar druk – en voor Roubaix tot en met 32 millimeter. Niet te geloven dat men er pas deze eeuw is achter gekomen dat een breder oppervlak niet noodzakelijk tot meer rolweerstand leidt en dat comfort even belangrijk is om energie te sparen.

Van het zelfverklaarde epicentrum van het wielrennen zal het niet komen. Vlaanderen eet, drinkt en slaapt koers, maar heeft nagelaten de sport te claimen op technologisch vlak. Ja goed, Tom Boonen mag dan te pas en te onpas reclame maken voor zijn versnellingsnaaf die de voorste derailleur op termijn moet vervangen. Ook die beloftevolle innovatie zal zich voorbij de scepsis van de mechaniekers en oud-coureurs moeten wringen om ingang te krijgen.

Zoals wel vaker zal innovatie komen van buitenlandse ploegen die geen last hebben van op traditie gebaseerde aannames, maar alles opnieuw in vraag stellen. Vlaanderen loopt achterop. Op alle vlakken. Het enige Belgische aan de winnaar van de kasseiklassieker was zijn kledij, ontwikkeld door het Limburgse Bioracer. Laat dat even doordringen: zowel de Ronde van Vlaanderen als Parijs-Roubaix zijn gewonnen door Nederlanders.

Wout van Aert kwam zoals wel vaker het dichtst in de buurt, maar niet dicht genoeg. Dylan van Baarle reed in zijn eentje weg van twee van de sterkste tijdrijders ter wereld. Die Nederlanders: veel beter in de grote rondes en zeven monumenten gewonnen in de laatste tien jaar, tegenover vijf voor België, drie voor Vlaanderen als je Philippe Gilbert vergeet.

Wij claimen dat de koers van ons is. Misschien afgemeten aan het aantal gekken langs het parcours die desgevallend hun eigen renners van de fiets trekken, maar niet op de weg.

Column over Kim Clijsters in De Morgen van zaterdag 16 april 2022

Talent volstaat niet langer

Ooit is een Belgische opgevoerd in een verhaal over niet al te fitte tennisspeelsters. Niet al te fit, heette toen (tien jaar geleden) nog gewoon te dik. Om precies te zijn, de journaliste had die speelster niet in haar verhaal gezet, maar toen de eindredacteur in het fotoaanbod keek, zag hij die bewuste tennisster, mét kennelijk overgewicht. Die foto paste, want het was een Belgische. Hoe dichter bij huis hoe beter, zo denken krantenmakers, en dus schreef de eindredacteur die ene speelster in het verhaal.

De journaliste schrok zich nog geen klein hoedje toen ze de volgende dag de krant zag. De foto werd groot afgedrukt. Het verhaal ook. De tennisspecialist van het medium was met vakantie, maar die was te bellen. Had men dat maar gedaan, dan had die vast gewaarschuwd voor een onvergeeflijke blunder.

Vooral de speelster was not amused. Op het moment van de foto kampte ze met een schildklierprobleem, waardoor ze water ophield en tijdelijk pafferig was, men kan het niet anders uitdrukken. De speelster had bovendien een reputatie van een harde werker met minstens evenveel conditie als talent, dus een beetje hoger inzicht en clementie was welkom geweest.

Moraal van het verhaal: in sportverslaggeving moet men oppassen met kwalificaties als ‘te dik’ of ‘niet fit’. Dat ontslaat ons niet van de journalistieke plicht om de dingen te benoemen zoals ze zich voordoen. Neem nu Kim Clijsters. Ze stopt haar comeback. Een eerste reactie zou kunnen zijn: welke comeback? Dat is de waarheid (en Clijsters) onrecht aandoen.

Alle vijf haar officiële wedstrijden verloor ze, onder meer tegen de nummers 9, 15 en 29 van de wereld. Geen enkele keer weggespeeld en zelfs kansen op winst. Dat was in 2020. Haar twee wedstrijden in 2021 waren tegen mindere godinnen en die verloor ze ook.

Clijsters heeft in haar tweede comeback laten zien dat haar talent immens is. Daar kan geen discussie over zijn. Jammer genoeg voor haar heeft ze ook bewezen en ondervonden dat talent niet langer volstaat in topsport. Elke sport die zichzelf respecteert is een mix van talent, tactiek, fysiek en mentaliteit, waarbij per sport het ene dan wel het andere domein overheerst.

Clijsters heeft haar comeback gemist door haar eigen schuld en dat was jammer genoeg te voorspellen. Haar grootste fout was dat ze van bij de aankondiging de volgorde niet juist had. Ze zou opnieuw beginnen te trainen en tennissen en zo fitter worden. Zo werkt het niet in topsport.

Grote sterren kondigen hun comeback pas aan na een tijdje hard werken. Clijsters riep de pers en liet ongeveer optekenen dat ze weer zou gaan bewegen en snel gaan spelen. Dat was vragen om miserie met dat gehavende lichaam en dat is ook uitgekomen. De ene na de andere blessure gooide roet in het eten.

De Belgische sportmedia hebben zich bij die aankondiging collectief laten inpakken en wierpen zich aan de voeten van de voormalige nummer één. Ze hadden van in het begin Clijsters (en hun lezers, luisteraars en kijkers) moeten wijzen op haar zichtbaar niet al te fitte toestand. Daar was niks mis mee geweest, want dat hebben we in het verleden ook gedaan met Eden Hazard en Romelu Lukaku.

Vreemd genoeg bleven de Belgische sportmedia al die tijd aan haar voeten liggen en bij de laatste check liggen ze daar nog altijd. Alles wat Clijsters zegt, is heilig. Ze haalt nu corona aan als reden voor haar geflipte comeback. Dat is de wereld op zijn kop. De coronastop was juist een godsgeschenk voor iemand die bij haar eerste twee wedstrijden had gemerkt dat ze tennistiek voor de wereldtop nog steeds niet moest onderdoen, maar dat er fysiek nog werk aan de winkel was.

Die 6-7 tegen Garbiñe Muguruza en die 5-7 tegen Johanna Konta net voor de lockdown hadden haar moeten aanzetten om in de luwte van corona aan haar fysieke comeback te werken, maar dat gebeurde niet. In de herfst van 2020 hield ze de schijn nog op, maar in 2021 ging het bergaf. In 2022 gooide ze de handdoek.

De (on)journalistieke benadering van Clijsters bewijst hoe sportmedia worstelen met fysiek, uiterlijk en gewicht en hoe ze onder druk van de tijdgeest het toch maar vooral niet over het lichaam van de atleet willen hebben. Vreemd, want gewicht is nochtans een essentiële fysieke parameter in veel sporten.

Over parameters gesproken, binnenkort worden de namen bekendgemaakt voor de nationale selectie van de Red Flames, de voetbalvrouwen die in juli het EK spelen in Engeland. Zo ziet het ernaar uit dat één of meerdere certitudes de cut zullen missen. Reden: ze voldoen niet aan de fysieke parameters die horen bij topvoetbal. Reken maar dat daar gedoe van komt.

Column Financial Fair Play in De Morgen van maandag 11 april 2022

Financial Fair Play

Afgelopen week koffie gedronken op een terras in Cassis. Le Bistrot de Nino, zo heette het etablissement. Op een miniterrasje, alsof het voor hem en zijn gevolg alleen was geconcipieerd, zat een oudere man ook koffie te drinken. Hij zat er al voor ik de koffie bestelde, zat er nog toen ik de koffie afrekende, en toen ik na anderhalf uur wandelen terugkeerde om te lunchen zat hij er nog, maar nu samen met een vrouw.

Nino was mij aangeraden. Noblesse oblige. Een plek voor de beau monde van Cassis. Aan de muur hing een grote foto van dezelfde oudere man van op het terras toen hij nog in betere doen was, dertig jaar en evenveel kilo’s geleden. Hij stond in de druilregen op een voetbalveld. Sokken half opgetrokken. Hij droeg die mythische zwart-witte streepjes van Juventus. “Est-ce que c’est lui?,” had ik de ober bij die eerste koffie al gevraagd. Je wist maar nooit. Oui, had die geantwoord.

Michel Platini is wat dikker geworden. Hij zag er niet bepaald ongelukkig uit, terwijl dat wel had gekund na al die jaren in verplicht ballingschap. Het was de week dat zijn geesteskind, de Financial Fair Play, ten grave werd gedragen. Het doet Platini oneer aan dat hij de geschiedenis zal ingaan als de man die geld heeft ontvangen van FIFA-baas Sepp Blatter om zich geen tegenkandidaat te stellen voor het voorzitterschap. Platini was toen al voorzitter van de UEFA, maar hij wilde nog hoger en daarvoor had hij alle troeven in huis.

Die afspraak en het (smeer)geld dat daarmee gepaard ging was een gigantische blunder en heeft Platini de kop gekost. Als ik het had gedurfd hem aan te spreken – bijvoorbeeld als hij mij had herkend als de interviewer van twintig jaar geleden namens European Sports Magazines, quod non – dan had ik mijn ongetwijfeld indrukwekkend openingsstatement alvast klaar. Ik had hem gezegd dat het jammer was dat hij zich in de val had laten lokken. Maar dat hij verder alleen maar de juiste beslissingen heeft genomen in die acht jaar Europees voorzitterschap. En dat zijn opvolger, in tegenstelling tot hijzelf, een handpop is van de rijke clubs.

Platini was de man die heeft geprobeerd om de grote clubs met hun puissant rijke eigenaars en hun in steen gebeitelde almacht aan de ketting te leggen. Zo zorgde hij ervoor dat niet langer de helft van het te verdienen geld van de Champions League automatisch bij de rijkste clubs uit de rijkste landen terechtkwam, maar slechts 40 procent. Die andere 60 procent werd op het veld verdiend.

Met het verdwijnen van Platini hebben de grote clubs de klok kunnen terugdraaien: sinds 2018 is 70 procent van wat een club verdient in de Champions League niet gerelateerd aan prestaties maar aan historische resultaten en de grootte van de thuismarkt in mediarechten. Rijk werd slapend rijker.

Platini is ook de man die de Financial Fair Play (FFP) liet uittekenen. Hij ging daarmee in tegen de trend om een club te kopen, gekke investeringen te doen en vervolgens de club met schulden beladen van de hand te doen. Of een club kopen en zoveel investeren dat de thuismarkt ontwricht werd.

Het principe van de FFP was nobel: voetbalgerelateerde uitgaven moesten worden gedekt door voetbalgerelateerde inkomsten. Een beetje verlies mocht: 5 miljoen euro over drie seizoenen, of 30 miljoen over drie seizoenen als daar een kapitaalsverhoging tegenover stond. Nobel, zoals gezegd, maar het heeft niet gewerkt. De FFP werd in de markt gezet als een instrument om de pariteit tussen de clubs te bevorderen, maar dat was het helemaal niet. Waar de Amerikaanse profsporten zes instrumenten hebben om competitief evenwicht te bevorderen zou Europa het klaren met een tipje op te lichten van de donkere financiële sluiers van het voetbal? Kom nou. Blijven dromen.

Zelfs die FFP is nu op de schop gegaan. De grote clubs hebben verkregen dat ze 70 procent van hun inkomsten mogen uitgeven aan salarissen. Dat is veel, heel veel zelfs, te veel. In de efficiënter beheerde Amerikaanse competities draait de ratio omzetsalarismassa rond de 55 procent. Ex-premier Yves Leterme maakte zich daar afgelopen zaterdag in een gesprek met Het Laatste Nieuws zorgen over. Dat is nergens voor nodig want het systeem dat hij met hard en ziel heeft bewaakt als chief investigator van de onderzoekskamer van de Financial Fair Play werkte ook niet.

Dat had ik Platini ook nog willen zeggen. Dat de FFP een amechtige poging was om een markt te reguleren die niet gereguleerd wil worden. En dat we ooit in Europa het Amerikaans model krijgen. En dat die Superleague onvermijdbaar is.

Column Bende straathonden in De Morgen van zaterdag 9 april 2022

Bende straathonden

Wetende dat we in wat nog volgt doorgaans weinig in de pap te brokken hebben, berust de hoop van deze wielerregio om dit voorjaar nog een monument te winnen op Wout van Aert. Alleen heeft Wout een probleem. Hij is ziek geworden. Kan gebeuren. Corona nog wel. Kan ook gebeuren, maar met dat strenge gezondheidsprotocol van Team Jumbo-Visma blijft dat toch vreemd.

Waar en hoe heeft Van Aert het beestje opgelopen? Als we dat nu eens wisten. Voor een griepje en een koutje zou je niet ver moeten zoeken. Peuters zijn wandelende virusbommen en Georgeske zal daar geen uitzondering op zijn. Maar corona?

Inmiddels hebben minstens drie doktoren in de media hun licht laten schijnen over de kansen van Van Aert om alsnog in Compiègne aan de start te staan van Paris-Roubaix en daar een rol van betekenis te kunnen spelen. Geen van de drie werkt bij de ploeg en één van de drie is inspanningsfysioloog en heeft ook niks te maken met Van Aert en co. Het zijn stuk voor stuk slimme mannen die lang kunnen praten zonder iets (verkeerds) te zeggen en van de ja’s, nee’s en in theorie’s een mooie misschienmix maken. En zo zijn de gazetten en de sites weer gevuld.

Marc Lamberts heb ik nog nergens gelezen. Dat is de trainer van Van Aert. Idem voor Mathieu Heijboer, de grote baas van de wielerwetenschap bij Jumbo-Visma. Ze doen er bij TJV het zwijgen toe. Weten ze het niet, of willen ze niks zeggen over de staat van hun kopman? Ik denk het eerste.

Nu we het over winnen hebben, gisteren stond Patrick Lefevere in de krant. Zijn ploeg, die de voorbije jaren het hele voorjaar, een stuk van de zomer en een groot deel van het najaar aan het feest was, kan voorlopig niet meer winnen. Tenminste, daar lijkt het op. En de wolvenroedel, altijd klaar om aan te vallen, wordt nu weggezet als een bende straathonden, altijd klaar om weg te lopen. Dat is de perceptie die door de media is gecreëerd. Lefevere panikeert niet. De realiteit is ook anders. Op de site ProCyclingStats staat QuickStep-Alpha Vinyl nog steeds netjes tweede met achttien seizoensoverwinningen in 2022, zes meer dan Jumbo-Visma en vier minder dan UAE Team Emirates.

Oké, de kwaliteit kan beter. Klassieke overwinningen zaten er nog niet in – één semiklassieker met Kuurne-Brussel-Kuurne, dat wel – maar bij elke niet-winst van QuickStep-Alpha Vinyl het mes nog wat dieper in de wonde draaien, is er dat er niet wat over? QuickStep is in het verleden voor grote overwinning afhankelijk geweest van een supertopper en sidekicks. Die geven voorlopig niet thuis. Als steunberen als Yves Lampaert en Tim Declercq ook nog eens in de lappenmand liggen heb je voor je het weet ‘maar’ achttien keer gewonnen.

Wat zal steken bij Lefevere is het gemak waarmee andere Belgische ploegen winnen. Niet Lotto-Soudal, want daar is het na de blitzstart stilgevallen en wordt de degradatie vermijden een lastig verhaal. Alpecin-Fenix en Intermarché-Wanty-Gobert doen het stukken beter. Alpecin zag Mathieu van der Poel vervroegd terugkeren en meteen waren ze drie overwinningen rijker, waaronder de semiklassieker Dwars door Vaanderen en het monument Ronde van Vlaanderen. Intermarché-Wanty-Gobert won met Biniam Girmay Gent-Wevelgem en met Alexander Kristoff de Scheldeprijs.

Wat ook nog uit de lucht komt vallen in de Amstel Gold Race en Paris-Roubaix, de Waalse Pijl en Luik-Bastenaken-Luik, Lefevere is slim genoeg en nog niet zó oud om te beseffen dat zijn ploeg volgend jaar met de komst van sponsor Soudal aan een facelift toe is. Voor het eerst in jaren loopt hij wat achter de feiten aan. Dat is de aloude wet van de remmende voorsprong.

Door veel eieren in het mandje van Remco Evenepoel te leggen koos hij twee jaar geleden voor de hotste renner van het peloton. Evenepoel kon voorlopig alleen in het kleinere rondewerk winnen (al vat hij als leider de slotrit in de Ronde van het Baskenland aan) en wordt overschaduwd door Tadej Pogacar, Wout van Aert en Mathieu van der Poel.

Dat zijn drie toppers waar Lefevere naast greep en dat kan hij zich aanrekenen. Zijn eigen talentscout Joxean Matxin, bij wie Pogacar al op de radar stond, liet hij nogal makkelijk vertrekken naar UAE. Kan gebeuren. Met Van Aert had hij een babbel, maar die wilde nog wat crossen en Lefevere dacht ‘pff, laat maar’. Dat was dom. Met Van der Poel, Corendon-Circus en met de broers Roodhooft kwam het tot gesprekken. Dat de partijen onverrichter zake de tafel verlieten kan Lefevere zich aanrekenen.