Column Bruto Persoonlijk Geluk in De Morgen van zaterdag 23 mei 2026

Bruto persoonlijk geluk

Brief aan de fans,

meer in het bijzonder aan de ongelukkigste fans van het seizoen 2025-’26, die van RSC Anderlecht en KAA Gent.

Club Brugge, de meest gehate tegenstander voor zowel Anderlecht als Gent, is de verdiende kampioen. Anderlecht was dit seizoen weer eens geen partij en ook Gent doet al meer dan vijf jaar niet mee voor de titel. Pijnlijk, en het pijnlijkste is nog dat er voor uw beider ploegen en dus uzelf geen beterschap in zicht is.

Club Brugge-supporters staan erom bekend dat ze hun bruto persoonlijk geluk elke week opnieuw laten bepalen door winst of verlies en op jaarbasis door het al dan niet behalen van een prijs, de hoofdprijs: de titel. Die zijn nu euforisch.

Niet duidelijk hoe dat zit met de fans van Anderlecht, maar een halve tribune afbreken na een verloren bekerfinale is alvast geen goed teken. Ook in Gent leek het nog wel mee te vallen met de lokale voetbalploeg als barometer voor het eigen grote geluk. Hoewel, de enige titel dateert daar alweer van elf jaar geleden en dat leidt toch tot een hoop opgekropte frustratie.

Toen Club van 2006 tot en met 2015 nul titels behaalde, werden het Brugse bestuur en management om de haverklap ter verantwoording geroepen. Wie herinnert zich niet de beelden van Vincent Mannaert die in het toenmalige Ghelamco-stadion door de Brugse harde kern werd gesommeerd om na weer eens een verlieswedstrijd spitsroeden te komen lopen.

Dat soort onnozeliteiten leek een Brugse exclusiviteit. Inmiddels heeft de Anderlechtse kern al tig keer Neerpede belegerd, voorzitter en eigenaar weggehoond (en weggekregen, de voorzitter dan). Recent, na negen jaar zonder prijs, heeft het ook de spelerskern belachelijk gemaakt door vaker voor de tegenstander te juichen dan voor de eigen ploeg.

De fans van Gent konden niet achterblijven en maakten het nog bonter. Zij vergrepen zich niet aan de ploeg, maar pikten er één speler uit om die wedstrijd na wedstrijd in zijn hemd te zetten.

Wilfried Kanga, nota bene de Gentse topscorer (veel strafschoppen, dat wel), was al enkele weken de kop van Jut. Telkens als hij werd vervangen, wat een diepe spits wel vaker overkomt, werd dat op applaus onthaald.

Neen, een topspits naar aloude Gentse traditie is/was Kanga niet. Een bal bijhouden als targetspits is/was niet zijn fort en met een ontstellend zwakke Gentse opbouw was daar juist nood aan.

Even was er de hoop dat hij alsnog de nieuwe Darko Lemajic zou worden. Uitgelachen omwille van zijn onbeholpenheid, in zijn geval leek het op een gebrek aan inzet, maar toch een cultstatus verwerven, wie weet? Helaas, dat is Kanga niet gegund.

In tegenstelling tot de Engelsman Max Dean. In teksten en gedragingen een neanderthaler die ook nauwelijks een bal goed raakt, maar hij heeft wel de harten veroverd door als een gek van hot naar her te lopen.

Vorig weekend werd het dieptepunt bereikt. Kanga mag dan een Parijzenaar met Ivoriaanse roots zijn en dus het Gents/Vlaams onmachtig, hij is niet van gisteren en weet wat er rond zijn persoon speelt. Toen hij scoorde in Sint-Truiden liep hij naar de meegereisde supporters en legde zijn vinger op de mond.

Dat had hij volgens waarnemers en de club beter niet gedaan. Van de fans win je het nooit, luidt het adagium. Kanga dacht te hebben gescoord en gewonnen, vandaar die vinger op de mond, om vervolgens vast te stellen dat zijn doelpunt door de VAR werd afgekeurd. Waarop het dieptepunt in de recente Gentse voetbalgeschiedenis volgde: het gejuich in de Gentse tribune om de eigen afgekeurde goal klonk even luid als bij de fans van STVV.

Jammer dat de expo Buitenspel – Voetbal in de stad in het museum STAM in Gent maar tot eind deze maand loopt. Het had alsnog een passend extra standje kunnen zijn: hoe voetbal niet alleen de hersenen van de koppende spelers aantast, maar ook die van de supporters.

Donderdag miste Kanga op Union dan weer een strafschop en werd later onder gejuich vervangen. Dat komt nooit meer goed. Met twaalf doelpunten zal hij met meerwaarde worden verkocht en dat is uiteindelijk de enige finaliteit van dat hele Belgische voetbal.

Voetbalfans, ook die op hun Brugse wolk, moeten proberen zich voor ogen te houden dat het sportieve resultaat een bijkomstigheid is. Dat jullie clubs deel uitmaken van een winningsindustrie. De gedolven grondstoffen van de voetbalindustrie zijn geen ertsen of olie of gas, maar ruwe talenten die zodra ze half afgewerkt zijn weer worden doorverkocht. Een paar lessen sporteconomie kunnen elke voetbalfan helpen om meer lol en minder frustratie over te houden aan een stadionbezoek.

Column Les Bleus en grève in De Morgen van maandag 18 mei 2026

Les Bleus en grève

Vrijdag heeft onze eigenste sélectionneur zijn spelersgroep bekendgemaakt waarmee hij de wereld wil verbazen op de aanstaande World Cup in Noord-Amerika. U hebt inmiddels zelf vast een mening gevormd over de keuzes die Rudi Garcia heeft gemaakt.

Hou hierbij voor ogen dat een groep samenstellen nooit helemaal gebeurt op basis van kwaliteit van de individuele spelers, maar deels op basis van complementariteit en bewezen loyaliteit. Bijgevolg vallen soms spelers uit de boot die op papier en op het veld beter zijn dan spelers die er wel bij zijn, maar van wie Garcia denkt dat ze niet in de groep passen of hem niet kunnen helpen op korte termijn te overtuigen.

Een voorbeeld uit het verleden is de niet-selectie van Radja Nainggolan, een ongeleid projectiel als geen ander. De vorige bondscoach wist maar al te goed welke kluif hij aan hem zou hebben om hem in het gareel te houden en liet hem thuis. Goed gezien van Roberto Martínez, maar de media vertaalden het onterecht als zwak.

Niet in de groep passen kan om diverse redenen: geen respect voor de coach, voor de ploeg, voor de tactiek, te veel ego. De belangrijkste taak van Garcia tot aan de eerste wedstrijd tegen Egypte op 15 junikomt er nu op aan om de groep te smeden en zijn boodschap over te brengen. En vervolgens te hopen op het nodige geluk.

Van Garcia mogen we verwachten dat hij de klassieke valkuilen van een bondscoach kent. Meer nog, van de Fransman Garcia mogen we verwachten dat hij de peilloze dieptes van het bondscoach zijn zomaar uit het collectieve Franse geheugen kan oproepen.

2010, het schandaal van Knysna, doet dat een belletje rinkelen?

Ga op Netflix de pas verschenen docu Le Bus: les Bleus en grève bekijken. Een ronduit geniale documentaire van 81 minuten met alle hoofdrolspelers van wat toen als de grootste crisis ooit in de Franse sport werd omschreven. Zo erg dat Nicolas Sarkozy zelfs de minister van Sport naar Zuid-Afrika stuurde.

Om het geheugen even op te frissen, een blokje voetbalhistorie. Eind vorige en begin deze eeuw was het Franse elftal een toonbeeld van zeer goed voetbal en een perfecte maatschappelijke integratie, tot ergernis van het Front national. Black, blanc, beur (zwarten, blanken en gekleurden), ze voetbalden La France naar twee deliria op rij: wereldkampioen in 1998 en Europees kampioen in 2000.

In 2002 ging het mis (eruit op de World Cup in de eerste ronde), maar in 2006 speelden ze weer de finale. In 2008 op het EK ging het ook mis en dat was onder bondscoach Raymond Domenech. Onbegrijpelijk dat de Franse voetbalbond hem liet zitten, zodoende mocht hij de WK-kwalificaties afwerken.

Daarvan herinnert u zich misschien de cruciale laatste play-offwedstrijd die door Frankrijk moest worden gewonnen, thuis tegen Ierland. Thierry Henry nam toen de bal mee met de hand en gaf de assist aan William Gallas.

Domenech zag er geen graten in – “bij ons overheerst nu de vreugde van de kwalificatie – en begon aan de samenstelling van zijn selectie, waarin vooral niet te veel schorpioenen mochten zitten. Hij had er eerst zeven. Dat herleidde hij tot twee en een schorpioen speelde beter niet samen met een ram, want dat zou niet werken. Dit gaat, jawel, over de sterrenbeelden en dit is nog maar dik vijftien jaar geleden.

Dat WK van 2010… Frankrijk had een sterrenelftal, toppers bij grote clubs als Chelsea, Arsenal, Barcelona, Bayern en Manchester United aangevuld met waterdragers. Eerste wedstrijd tegen Uruguay: 0-0. Niet goed, maar oké, alle begin is moeilijk.

Tweede wedstrijd: Frankrijk-Mexico: 0-2. Bij de rust (0-0) verving Domenech zijn spits Nicolas Anelka omdat die overal liep behalve in de spits. In de rust kwam het tot een discussie waarbij Anelka zou hebben geroepen: “Va te faire enculer, fils de pute.” (Vrij te vertalen.)

Daags nadien, in de aanloop naar de wedstrijd van de laatste kans tegen Zuid-Afrika, publiceerde L’Équipe dat bewuste zinnetje van die scheldpartij op de één. Anelka werd een paar dagen later weggestuurd door de bondsvoorzitter en de bondscoach, waarna de spelers weigerden te trainen en in de bus gingen zitten.

Die kon evenwel niet vertrekken omdat Domenech de sleutels had verstopt. Een vaudeville, je kunt het zo gek niet verzinnen of het is toen gebeurd. Zoals de teammanager die ontslag nam live op tv en Domenech die zijn captain Patrice Evra niet meenam naar de persconferentie terwijl die zich namens de hele ploeg wilde verontschuldigen bij publiek en pers.

Enfin, kijkt u vooral zelf. O ja, ze verloren wedstrijd drie van Zuid-Afrika met 1-2 en moesten naar huis. Zestien jaar later is het oud zeer niet weg.

Column Sumodoelpunten in De Morgen van zaterdag 16 mei 2026

Sumodoelpunten

Of Keir Starner aanblijft als nummer één van Labour en prime minister, oké, daar is wat om te doen in het Verenigd Koninkrijk, maar in de pubs gaat het maar over één ding: heeft de VAR vorig weekend de titelrace beslecht?

In Engeland vindt men de VAR een onding. De check op afstand via een scherm en de goed- of afkeuring door het oortje van de ref heeft de viering van een doelpunt herleid van een orgasme tot een losse flodder, een fluitje lucht, gevolgd door de slappe hap, weg magie, u kent het wel.

Bij ons zijn er ook prominente stemmen die de VAR weg willen, vanwege hetzelfde argument. Dat het voetbal een heel stuk eerlijker verloopt met de invoering van de VAR, dat doelpunten uit buitenspel worden afgekeurd en afgekeurde doelpunten ‘on side’ wel worden goedgekeurd, dat schwalbes worden bestraft en niet beloond en echte, eerder gemiste fouten wel leiden tot strafschoppen, dat doet er allemaal niet toe.

De tegenstanders van de VAR redeneren zo… Het voetbalspel is de belangrijkste sport van de hele wereld geworden, precies door dat beperkt inschattingsvermogen bij de scheidsrechters en de kunst om daar als voetballer op in te spelen, lees: van te profiteren.

Dat daardoor de grijze zone veel groter is dan de witte en zwarte zone, dat doet er allemaal niet toe. Die grijze zone staat symbool voor de romantiek van het voetbal en bij die romantiek horen fouten, aldus nog de redenering. Wat Een Onzin.

Wat was er dan precies aan de hand vorig weekend met die VAR bij West Ham-Arsenal? Die kwam tussen nadat West Ham de 1-1 had gescoord na een duidelijke aanvallende fout van Pablo (West Ham) op David Raya, de doelman van Arsenal.

Niemand in de hele wereld die iets van voetbal of sport kent, kon daar iets tegen inbrengen. Veel duidelijker kun je een fout niet maken. Pablo stak zijn arm uit boven op de ene schouder van de doelman waardoor Raya nauwelijks omhoog geraakte en hield met zijn hand ook nog eens de linkerarm vast.

Ja, de VAR zorgde met een correcte beslissing ervoor dat Arsenal 0-1 ging winnen en ruim op kop blijft voor Manchester City: twee punten met nog twee wedstrijden te gaan. Toch had de VAR weer eens de bonen gefret.

De discussie in Engeland verliep daarna zo: ja, het was een fout, maar waren ze niet allemaal aan het worstelen in dat strafschopgebied? Goed gezien, alleen doet dat er niet toe. De doelman worstelde als enige niet en toen hij probeerde bij de bal te komen, werd hij foutief gehinderd.

Aan het tweede argument om de VAR ten kwade te duiden, zit iets meer vlees. Er zijn dit seizoen al meerdere gelijkaardige doelpunten goedgekeurd. Met name in het voordeel van Arsenal, dat sumoworstelen in groep rond het penaltypunt tot specialisme heeft verheven, tot ergernis van veel volgers. Waarop die zich zondag een hartverzakking ergerden omdat datzelfde Arsenal een cruciaal tegendoelpunt zag afgekeurd, ook weer in het voordeel.

De enige relevante opmerking in de ellenlange discussie was deze: waar is de coherentie in die beslissingen, kan daar geen lijn in worden getrokken zodat het niet de ene keer wel en de andere keer geen fout is? Je zou met wat sarcasme kunnen stellen dat de romantiek van het voetbal hier tegen haar grenzen aanloopt.

De problematiek van het hedendaagse voetbal is niet de VAR, maar precies die romantiek en die enorme grijze zone. Pleiten voor nog meer interpretatie door de scheidsrechter is − gezien de mores in het voetbal, spel van bedrog en matennaaierij − de rechtste weg naar nog meer oorlog, gezeur en gezeik tijdens en achteraf.

Het zijn de reglementen waar van alles aan schort. Vaak heeft men het dan over de handsregel. Dat klopt, wie die heeft geschreven is motorisch beperkt. Elke houding die in die regel als natuurlijk wordt omschreven, zoals met de handen op de rug naar een bal lopen, is per definitie onnatuurlijk. Omgekeerd is bijna elke als onnatuurlijk gekwalificeerde houding juist wel natuurlijk, zoals geheven armen bij het opspringen.

De regels van het voetbal − de heilige laws of the game − laten te veel marge voor interpretatie. Opzettelijk hands of niet zal altijd een lastige blijven, hoe je de regel ook definieert. Het groepsworstelen bij corners en vrije trappen is dan weer een makkelijke.

Daarvoor kun je kijken naar wat de NBA in 2004 besliste: de hand check rule. Een arm of een hand gebruiken om een tegenstander tegen te houden, wordt bestraft met een fout, eventueel strafschop, afhankelijk van de plek. En voor het eeuwige gezeik tegen scheidsrechterlijke beslissingen is er ook een makkelijke: geel en rood.

Column Niet Gaan Wielrennen in De Morgen van maandag 11 mei 2026

Niet gaan wielrennen

Jij háát wielrennen, zo liet een aardige lezer weten na de column van zaterdag (DM 9/5). Dat is een misvatting. Ik probeer kritisch en door een neutrale bril naar wielrennen te kijken en tegelijk de Vlaamsgebonden navelstaarderij van onze sportmedia te doorprikken, dat is het zowat.

Zou het haat-liefde zijn?

Ik heb twaalf fietsen staan voor twee personen: racefietsen, speedpedelecs, mountainbikes, gravelfietsen, e-mountainbikes (voor op reis), een fiets voor naar de bakker, een plooifiets.

Hier wordt gefietst. Mijn dochter en mijn zoon fietsen. Mijn schoonzoon en mijn schoondochter ook. Van mijn drie kleinkinderen zijn er twee die met een racefiets rijden. Die twee gaan met de fiets naar school, de jongste van 11 zelfs met haar racefiets.

Daar mag ik dus niet aan denken, dus denk ik eraan als ik om 5 uurwakker schiet waarna ik niet goed meer kan inslapen: de geneugten maar vooral de gevaren van de fiets. Dan haat ik de fiets en het fietsen en ben ik bang van de fiets.

Voor een absolute en eeuwige beginner heb ik mijn deel gehad. Ooit nekwervel gebroken, daarna sleutelbeen, een paar ribben − been there, done that − zelfs ooit mijn vrouw frontaal zien opgeschept worden door een dronken chauffeur (in fietsland Nederland). Laatst nog een keertje in een groep gereden. Dat voelde goed aan, maar tegelijk verspeel ik de helft van mijn koolhydraten aan schrik voor het achteropkomend verkeer en de zenuwachtige gedachte dat een zwieper van een voorganger mij onderuit zou halen.

Die rit was zaterdag. Vrijdag had ik naar de openingsrit van de Giro gekeken. Heerlijke finale, zo leek het, op een halve autoweg reden ze naar Burgas. Tot… ze naar rechts moesten en de weg steeds smaller werd en elke ploeg met zijn hele en halvezolen vooraan wilde zitten. En toen werd het nog wat smaller en stonden er hekken langs de kant met uitstekende pootjes zowaar en toen ging het mis.

Aantikken, vallen, crashen, schreeuwen en met Dylan Groenewegen en Kaden Groves twee renners uitgeschakeld voor de sprint. Beiden stonden zaterdag aan de start van rit twee met blessures en kneuzingen die een voetballer een maand aan de kant zouden houden.

Rit twee zou beter verlopen, zo was de voorspelling. Op 23 kilometer van de finish ging het fout. Op een glad wegdek schoven er een paar onderuit en knalden tegen, onder en over een vangrail. De ravage trof vooral UAE. Balans: kopman Adam Yates heeft zware schaafwonden, een hersenschudding en zijn oor hing er bijna af. Hij finishte, maar ging gisteren niet van start. Jay Vine heeft een hersenschudding en een breuk in elleboog. Opgave. Marc Soler heeft een breuk in het bekken. Is ook out.

Van Jayco-AlUla reed Andrea Vendrame de etappe uit, maar met drie breuken in de ruggenwervel. Hij is out. Ook de kopman van Bahrain Victorious, Santiago Buitrago, geeft op: schaafwonden, kneuzingen in de nek en − o ja − hersenschudding natuurlijk.

Nog niet zo heel lang geleden ging het over de valpartijen en dat het in 2026 nog wel meeviel. O ja, in Vlaanderen misschien, want Wout van Aert is niet meer gevallen sinds die keer eind 2025 in Mol en Remco Evenepoel heeft alle post- en andere auto’s weten te vermijden. Tim Wellens daarentegen… sleutelbeen over, maar die rijdt en woont niet in België en heeft lak aan zijn pr.

Het seizoen 2026 had deze eerste twee etappes van de Giro niet nodig om qua uitvallers records te breken. Op 4 maart maakte hetiskoers.nlde balans op en kwam tot de vaststelling dat al veertig renners in de lappenmand lagen door valpartijen.

Volgens de wereldwielerbond UCI blijkt uit cijfers van 2024 dat 35 procent van de valpartijen komt door fouten van renners. Dat betekent dat twee derde van de valpartijen niet de schuld is van de renners, maar van het wegdek, het materiaal, het parcours en noem maar op. Richard Plugge van Visma-Lease a Bike beweert zelfs dat 79 procent van de valpartijen niet de schuld zouden zijn van de renners.

De schuldvraag is secundair in deze, want op de keper beschouwd is elke valpartij − tenzij er plots een hond overloopt, een auto in het peloton rijdt of een rots afbreekt − altijd de schuld van de renners en het peloton. Wielrennen zit nu met het dilemma van de formule 1 van de jaren 60 en 70 toen 27 rijders het loodje legden: waar ze rijden, gaan ze te hard en dus te gevaarlijk, in de verkeerskunde heet dat onaangepaste snelheid.

Waar de formule 1 steeds veiliger is geworden, werd het wielrennen steeds onveiliger. Daar moet een antwoord op komen, want zo kan het echt niet verder. Ondertussen blijven de ouders en grootouders hopen: een koersfiets oké, zolang ze maar niet gaan wielrennen.

Column Prijzengeld in De Morgen van zaterdag 9 mei 2026

Prijzengeld

Maandag over een week spelen ze al de kwalificaties en de zondag daarop (24 mei) begint het dan echt: Roland Garros of de Franse open kampioenschappen, het tweede grandslamtoernooi van het jaar. Lange tijd het signaal dat de zomer in aantocht was, minder nu de lente almaar vroeger komt.

Het toernooi kwam deze week onder de aandacht. Een protestbrief, ondertekend door tientallen toppers, liet weten dat spelers de verhoging van het prijzengeld met 9,5 procent tot bijna 62 miljoen euro niet voldoende vonden. Een collega met roots in het wielrennen en een gezonde dosis sarcasme schreef “een beetje weinig in vergelijking met de Tour”. Het totale prijzengeld in de Tour de France varieert tussen de 2,3 en 2,5 miljoen euro, met 500.000 euro voor de winnaar. De winnaar van Roland Garros alleen al krijgt op 7 juniaanstaande een cheque van 2,8 miljoen.

Maar goed, de vergelijking tennis-wielrennen houdt geen steek. Eerst en vooral omdat tennis een wereldsport is en wielrennen een Europese sport met occasionele succesjes voor exoten uit andere windstreken.

Een indirect maar niet minder overtuigend bewijs voor dat onderscheid: het land met de meeste renners in de WorldTour is België met 76, twintig meer dan Italië en Frankrijk. Zeventig van hen zijn Vlamingen. Hoe pijnlijk ook de conclusie, ik denk dat we het erover eens zijn dat een sport die cijfermatig door Vlamingen wordt gedomineerd onmogelijk een wereldsport kan zijn. Wielrennen is dan misschien geen krulbollen op twee wielen, zoals hier ooit stond, een beetje realisme kan geen kwaad.

En toch is dat niet de doorslaggevende reden voor dat enorme verschil in prijzengeld. Een regionale sport kan ook een lucratief economisch model zijn en de beoefenaars ervan schatrijk maken. Denk in dat verband aan American football, een hoofdzakelijk Noord-Amerikaans gebeuren. Niet minder dan dertig NFL-spelers staan in de lijst met honderd best betaalde sporters van 2025. Josh Allen, de quarterback van Buffalo Bills, is de best betaalde NFL’er met een inkomen van 86 miljoen euro.

De lucratiefste sport is basketbal in de NBA, met veertig van de honderd best betaalde sporters op deze planeet.

Geen wielrenners te zien, in de verste verte niet. Met die 8,5 miljoen euro van Tadej Pogacar kom je niet eens in de buurt van de top tweehonderd. Mathieu van der Poel, Jonas Vingegaard en Wout van Aert? Aalmoesjes. Tennissers dan? Twee in de top honderd: Carlos Alcaraz (nu geblesseerd) met 49 miljoen en Jannik Sinner met 43 miljoen. Om de top tien te halen moet je het dubbele verdienen. Tennissers in de top tien, dat was in de tijd van Roger – Roger Federer dus.

Er is minstens nog een reden waarom wielrennen niet aan de financiële enkels raakt van tennis. Sporten die het meest opbrengen voor de eigenaars, de tv-stations en de beoefenaars zijn allemaal stadionsporten, en dat mag je breed interpreteren. Ook golf, met de grootste vaste stadions van alle sporten, valt daaronder.

Sport op een vaste plek, met een herkenbaar model en de beste atleten uit die sport tegen elkaar, dat is het recept voor succes. Het hoeft geen betoog dat wielrennen aan geen enkel criterium beantwoordt. Wielrennen is synoniem voor logistieke chaos, hoge overheadkosten en renners die steeds minder rijden.

Maar nu die tennissers, hebben zij een punt als ze beweren dat ze minstens 20 procent willen van de omzet van Roland Garros? Ter vergelijking: met die 61,7 miljoen euro heeft Roland Garros het laagste prijzengeld van alle grand slams. Na omrekenen zit de Australian Open (dit jaar) op 68,5 miljoen, Wimbledon op 62 miljoen en de US Open op 76,4 miljoen. Die laatste twee bedragen dateren van 2025, misschien komt daar dit jaar nog wat bij. Winnaars zijn het best af in New York, waar 3,61 miljoen voor hen klaarligt.

De omzet van Roland Garros bedraagt dit jaar 400 miljoen euro, wat de spelerseis in de buurt van de 80 miljoen situeert. Dat staven ze met de redenering dat het voetbal de helft tot driekwart van de omzet besteedt aan salarissen. Een manke vergelijking, want voetbalploegen organiseren dertig dagen voetbal in hun stadion en dertig buitenshuis, terwijl een grand slam zestien dagen duurt. Bovendien heeft tennis een meer evenementieel karakter en kan het minder kosten afwentelen op de maatschappij dan voetbal.

Het zou dus correcter zijn om te kijken naar de winst die Roland Garros en de Franse tennisbond maken. In 2024 was dat 33 miljoen euro. Voor een sportbond is dat prima geboerd. De Franse voetbalbond is al blij met een tiende van dat bedrag. Natuurlijk zijn die tennissers inhalig, maar misschien hebben ze een punt.

Column Gunfactor in De Morgen van maandag 4 mei 2026

Gunfactor

Deze column is om druktechnische redenen ingeleverd nog voor op Anderlecht de aftrap is gegeven van de klassieker tegen Club Brugge. Die uitslag doet er evenwel niet toe, of maar een heel klein beetje. Na vandaag zijn nog twaalf punten te verdienen en op speeldag acht staan de enige twee titelpretendenten nog eens tegenover elkaar.

Heeft Club gisteren gewonnen bij Anderlecht, dan staat het voor het eerst sinds lang aan de leiding na een volledig afgewerkte speeldag. Gelijk betekent de kloof op Union verminderen tot een punt en verliezen betekent even goed/slecht doen als de grote concurrent zaterdagavond.

Union verloor zaterdag bij Sint-Truiden met 2-1 na een terechte rode kaart voor Kevin Mac Allister en een terechte strafschop in de blessuretijd. Volgens Union, waar sarcasme zich meester heeft gemaakt van de kleedkamer, in de extra time van de extra time.

Opvallend hoe Christian Burgess na de wedstrijd uit de hoek kwam. De Brit meet zichzelf een aura van halve intellectueel en voetbalfilosoof aan, maar als puntje bij paaltje komt is hij een even slechte verliezer als alle anderen. Hoe Burgess de scheidsrechterij op de korrel nam, dat verdient minstens een nabeurt bij een of andere commissie.

“Wie weet wat er allemaal achter de schermen gebeurt, onze spelers met twee gele kaarten lijken allemaal geel te krijgen”, was een onverholen verwijzing naar een complot dat er zou voor moeten zorgen dat Union Saint-Gilloise niet voor de tweede keer op rij kampioen wordt.

Dat rood van Mac Allister was gewoon terecht. Het was geen aanslag, maar het blijft een extreem onsportieve daad (een soort judogreep zonder handen) op een speler die als hij kan doorgaan een open doelkans aan de voet heeft. Spelbederf in het kwadraat dat een doelkans verhindert: geen discussie mogelijk.

Als ze bij Union vinden dat ze worden benadeeld, dwalen ze. Union is volgens de statistieken niet de ‘vuilste’ ploeg in de Jupiler Pro League, dat klopt. Dat is OH Leuven. Maar vuil kun je hier evengoed kwalificeren als onhandig. Union is dan weer extreem handig in het randje foutief/niet-foutief afblokken van een aanval van de tegenstander zonder daarvoor een gele kaart te krijgen.

Neem nu die rode kaart van Mac Allister. Ergens stond een poll met de vraag ‘de Argentijn steekt zijn poep uit, is dit een rode kaart?’. Euh ja, want of het nu de poep dan wel de arm of de voet is, dat maakt niet uit. Als de refs rond dat min of meer subtiele spelbederf van Union nieuwe richtlijnen hebben gekregen voor de Champions’ play-offs, goed zo.

De situatie is dezelfde van die van vorig jaar en die van het jaar daarvoor en die van het seizoen 2021-’22. Het is Club Brugge tegen Union en de gunfactor ligt sinds juni 2022 bij de sympathieke club uit Brussel. Wat een club nu precies sympathiek maakt en een andere club niet, dat is voor discussie vatbaar.

Club Brugge heeft alvast twee nadelen. Het is behalve bij de fanatieke achterban die het bruto persoonlijk en familiaal geluk laat bepalen door de resultaten van FCB de meest gehate club voor fans van andere clubs. Tweede nadeel, dat het eerste versterkt: voorzitter Bart Verhaeghe is de – wederom bij andere clubs – meest uitgespuwde clubbestuurder.

Union heeft dat probleem niet. Zijn fans gedragen zich keurig, zingen alleen voor de eigen ploeg. Zijn bestuur probeert bewust onder de radar te blijven en stelt zich ook nooit horkerig en betweterig op.

Het beeld van het sympathieke Union en het antipathieke Club die elkaar voor de vierde keer in vijf jaar treffen in de strijd om de titel is een opgeklopte voorstelling van zaken. Puur sportief is Club dan weer de beter voetballende ploeg met altijd en overal een gezonde drang naar voren. Union durft al iets vaker naar resultaatvoetbal te grijpen.

Economisch geldt Club als de best geleide club van het land, al moet Union nauwelijks onderdoen. Union zoekt zijn gading in de goedkope supermarkt en verkoopt bij de minste meerwaarde. Club denkt dat het de goedkope supermarkt is ontgroeid en zoekt het in het hogere segment.

Beide clubs hebben hetzelfde USP, typisch voor het Belgische voetbal: spelers halen en doorverkopen met een meerwaarde. Resultaat: 232 miljoen euro marktwaarde voor de kern (28) van Club onder wie 16 buitenlanders, tegenover 122,5 miljoen euro voor Union dat 18 buitenlanders telt op 27 kernspelers.

Beider transferbalansen van het voorbije jaar zijn gelijk: plus 49 miljoen euro voor Club en plus 48,5 miljoen euro voor Union. Als Club Brugge voor de derde keer in vier jaar geen kampioen wordt, is dat een sportieve én een economische blamage.

Column Het is… de technologie in De Morgen van zaterdag 2 mei 2026

Het is de technologie

In 1990 kwam een iconische reclamespot uit. Spike Lee – in zijn rol als het typetje Mars Blackmon – die aan Michael Jordan vraagt waarom hij de beste basketbalspeler van het universum is. Zijn het de schoenen, de sokken, de baggy broeken, je haarsnit misschien? Jordan antwoordt op alles ‘neen’. Spike Lee, die een paar schoenen in zijn handen heeft – de Air Jordan V – schreeuwt het uit: “Man, it’s gotta be the shoes!”

Waarop Jordan zegt ‘No Mars’ en een tekstje verschijnt: de mening van de heer Jordan weerspiegelt niet die van Nike. Jordan had gelijk. Ook op Crocs – als die hadden bestaan – zou hij de beste speler aller tijden zijn geworden. De marathonlopers hebben ook gelijk. Niet alle vooruitgang van de laatste jaren ligt aan de schoen, maar toch heel wat. Laten we afkloppen op minstens de helft.

Om bij Nike te blijven, nog een anekdote uit die tijd. Toen Nike in de tweede helft van de jaren tachtig Reebok als wereldwijde nummer één had voorbijgestoken, en zich het aura van het meest innovatieve bedrijf aanmat, kwam het met een gedurfd statement: de meest geavanceerde technologie bij onze concurrenten is hun fotokopiemachine.

Dat grapje maken ze niet meer. Nike werd afgelopen zondag een neus gezet door Adidas, dat plots twee mannen onder de twee uur een marathon zag afhaspelen en een vrouw in 2:15:41. Twee keer een wereldrecord.

Als u denkt dat vrouwen al ooit sneller hebben gelopen op de marathon, dan heeft u ook gelijk. Die 2:15 is een women-only-wereldrecord. In 2024 liep de Keniaanse Ruth Chepng’etich (later op doping betrapt) in Chicago naar een eindtijd van 2:09:56 in een zogeheten mixed-sex-race, lange tijd door mannen gehaasd. In Londen was geen sprake van hazen.

Terug naar de schoenen. Precies tien jaar geleden kwam Nike in Rio op de Olympische Spelen met prototypes aandraven die in 2017 voor het brede publiek te koop waren: de Nike Vaporfly 4%. Die 4 procent sloeg op de winst in loopefficiëntie. De eigenlijke tijdswinst lag meer in de buurt van de 2 procent, een revolutie op zich.

In 2019 kwam Nike met de Nike Air Zoom Alphafly NEXT%, de schoen waarmee Eliud Kipchoge – gehaasd en gegangmaakt – voor het eerst 42,195 kilometer onder de twee uur volbracht. Het record werd niet erkend, maar zorgde voor paniek bij de andere schoenmerken.

Uiteindelijk werd die stoute taal van Nike van eind jaren tachtig wel een stukje bewaarheid: de concurrentie sneed meerdere paren Vaporfly’s en Alphafly’s aan stukken om te zien wat die schuimzool en vooral wat die carbonplaat in die zool juist inhield.

Sinds de Spelen van Tokio (2021) hebben alle merken hun eigen superschoen ontwikkeld en die lijkt verdacht veel op die schoen die Nike in elkaar geknutseld had, maar waar ze niet meer verder aan ontwikkelden. Adidas deed dat wel en kwam in Londen met een schoen die de bevallige naam Adizero Adios Pro Evo 3 kreeg. De naam is minder belangrijk dan het gewicht: 97 gram, 30 procent lichter dan zijn voorganger.

De lopers – ook die twee Belgen van ons – minimaliseren graag het belang van de schoenen, maar dat is niet eerlijk. De evolutie van de marathontijden strookt niet met wat je zou moeten zien: er is geen sprake van een afplattende curve, synoniem voor records die met steeds minder marge worden verbeterd. In de marathon gaat die curve de laatste jaren weer steiler.

Bovendien zie je geen marathontoppers meer die als halve kreupelen de finish halen en dagen niet meer kunnen stappen. Het is geen toeval dat dit alles samenvalt met de komst van de superschoenen.

Curves die niet het normale patroon vertonen kunnen het resultaat zijn van één buitenbeentje (Usain Bolt op de sprint), maar er spelen externe factoren als de hele wereldtop plots minuten sneller begint te lopen en records verbetert. Twintig jaar geleden hadden we spontaan gedacht aan doping. Vandaag is het de technologie.

Er is een opvallende parallel met wielrennen. Ook daar is de technologie – de fietsen – verantwoordelijk voor de hogere snelheden. Maar ook daar spelen nog andere factoren. Beide sporten profiteren van de nieuwe inzichten in koolhydraatinname tijdens wedstrijden waardoor de atleten langer hard blijven rijden en lopen.

Voeg daar nog eens de verbeterde trainingen aan toe die voor een breder en competitiever topsegment hebben gezorgd en je hebt de perfecte storm. Ten slotte – voor de non-believers – in tegenstelling tot eerdere tijdperken doen er geen geruchten de ronde over welk dopingproduct dan ook. Disclaimer: met Kenianen zijn we door hun status als grootste dopingland ter wereld verplicht een slag om de arm te houden.

Column Het nieuwe godenkind in De Morgen van maandag 27 april 2026

Het Nieuwe Godenkind

Als de voetbalwedstrijden op zondag voortaan uit het vaarwater willen blijven van de grote klassiekers, trappen ze best om 12 uur af. Gisteren was AA Gent-Club Brugge nog niet afgelopen en Luik-Bastenaken-Luik was al beslist.

De wedstrijd leverde een nieuw snelheidsrecord op, nog maar eens. Deze keer lag het niet aan de winnaar, maar aan zijn grote uitdager Remco Evenepoel die zo nodig 150 kilometer op kop moest gaan rijden, waardoor de wedstrijd geen moment van kruissnelheid kende.

Tadej Pogacar moest in het slot zijn tenen uitkuisen – althans naar zijn normen – om af te geraken van zijn metgezel, die met hem La Redoute naar boven was gestormd. Die heette niet meer Remco Evenepoel, maar Paul Seixas.

Het godenkind van negentien uit Lyon is voortaan de tweede beste renner van de wereld in de heuvelklassiekers en een geschenk uit de wielerhemel. Hij kon de Sloveense veelvraat – vijf koersen gereden en vier gewonnen – volgen tot kilometer veertien van de eindstreep, dat is al vier kilometer verder dan Mathieu van der Poel in de Ronde van Vlaanderen drie weken geleden.

De tweede plek van Seixas was uitermate verdiend, maar laat die euforie nog even achterwege. In het verlengde: of het zo’n goed idee is om hem nu al meteen naar de Tour mee te nemen, daar denken ze bij Decathlon-CMA CGM best ook nog eens over na.

Remco Evenepoel zelf zal inmiddels beseffen dat hij zijn handjes mag kussen dat hij al twee keer Luik-Bastenaken-Luik heeft kunnen winnen, nadat Tadej Pogacar in 2022 was gevallen en in 2023 rouwend thuisbleef. Zolang Seixas en Pogacar op dat niveau blijven presteren, zal hij de beste zijn van de rest.

Maar is dat onttroonde godenkind van Schepdaal nu een domme renner? Of een ADHD’er op twee wielen? Heeft hij niemand met hersenen in die ploegauto zitten? Of is het een combinatie van dat alles en zat er niet meer in? Iemand moet hem in de nabespreking toch eens voor de voeten gooien dat het niet erg slim is om van in het begin weg te rijden met een grote groep en regelrecht dom om geregeld kopbeurten voor zijn rekening te nemen.

Luik-Bastenaken-Luik is in de eerste plaats een oefening in energie aanwenden op het juiste moment en de juiste helling. Het is ook een oefening in de juiste beslissingen nemen en geloven in wat je doet. Misschien moeten ze naast de ploegleider in die auto van Red Bull-Bora-Hansgrohe een sportpsycholoog zetten.

Die zou hem via het oortje citaten kunnen voorlezen uit Endure, het uitstekende boek van Alex Hutchinson. Dat heeft als ondertitel: geest, lichaam en de vreemde elastische limieten van het menselijke presteren. Dat moeten ze Evenepoel toch eens inprenten: als je denkt dat het op is, dan zit dat tussen je oren, en dan is het nog niet echt op. Het lichaam kan meer aan dan de geest je wil laten geloven.

Hoe hij zich weer op La Redoute liet wegzetten van bij het begin, meteen een gat liet en zich zonder enig weerwerk naar de slachtbank liet leiden, dat was vintage Remco Evenepoel. Ook hoe hij daarna de achtervolgende groep op sleeptouw nam en het gat op Mattias Skjelmose dichtreed. Door ena de sprint voor de derde plek te winnen, leverde hij het bewijs van de theorie die in Endure uit de doeken wordt gedaan.

Een autoriteit uit het peloton, iemand met kennis van zaken die al veertig jaar tussen de renners leeft, heeft een andere uitleg over Remco Evenepoel en hoe die steeds snel moet lossen als anderen hem de indruk geven beter bergop te rijden.

Hij had dat vaker gezien, jonge renners die binnenkwamen met de grote trom als klimmers, waarna hun intrinsieke klimcapaciteiten gaandeweg begonnen af te botten als gevolg van de training die van hen completere renners moet maken. Misschien is dat ook Evenepoel de laatste jaren overkomen en was de 22-jarige Evenepoel van zijn eerste Luik-Bastenaken-Luik wie weet wel in staat geweest om Pogacar te volgen.

Misschien is dat ook wat Paul Seixas straks zal overkomen: een completere renner worden, maar een minder scherpe klimmer. In zijn verbetertraject gericht op winst in de Tour de France – een verplicht nummer voor een Fransman – zal Seixas anders en meer moeten gaan trainen. Dat hij als 19-jarige nog veel groeimarge heeft, is een al te makkelijke veronderstelling. In moderne trainingstijden waarbij junioren trainen als profs mag je daar niet meer automatisch van uitgaan.

Conclusie na dit bijzonder mooie wielervoorjaar: voorlopig kent het wielrennen één echte alien, Tadej Pogacar superstar, en studeert een nieuw godenkind voor ruimtemannetje, en dat is Paul Seixas. Remco Evenepoel is terug op aarde.

Column Cultureel erfgoed in De Morgen van zaterdag 25 april 2026

Cultureel erfgoed

De Vlaamse kermiskoersen willen erkend worden als Vlaams immaterieel cultureel erfgoed. Dat raakte deze week bekend, met dank aan de VRT en Sporza-commentator Renaat Schotte die zich voor die kar liet spannen.

Het is voor discussie vatbaar of het de taak moet zijn van een journalist om iets te promoten. Als anderzijds het alternatief om op te vallen erin bestaat elke week met je gezicht (en een ander lief) op de cover van Dag Allemaal te staan, is de keuze snel gemaakt.

Er zijn nog negentien kermiskoersen in Vlaanderen, zo viel te lezen. Tiens, is niet elke koers in Vlaanderen een kermiskoers? Van Heusdenkoers (dit jaar op 11 augustus en ook bekend als het WK der kermiskoersen) tot en met de Ronde van Vlaanderen rijden ze allemaal plaatselijke rondjes langs biertenten, worstenkramen, desgevallend vipgalerijen.

Ook de nieuwelingen-, junioren- of beloftekoersen tot en met de koersjes van de zogeheten nevenbonden en de parochianenkoersen, steeds draait het om rondjes… draaien. Bocht, optrekken, bocht, optrekken, bocht optrekken, maal honderd, tot je er gek van wordt (of crasht).

Wie er ook gek van wordt is de niet zo koersminded Vlaming, die het ongeluk heeft dat het stenciltje ter waarschuwing van de tijdelijke overlast in de brievenbus verloren is gegaan, waardoor die onverhoeds tot de vaststelling komt dat het vandaag geen optie is om met de volle kar groen even tot bij het containerpark te geraken. Want het is koers, vijf categorieën, te beginnen vanaf elf en eindigend om vijf uur. Om u maar te zeggen: erfgoed kan soms op de zenuwen werken.

En toch, koers ís erfgoed. Ik zal wel niet de primeur hebben op die terminologie in verband met wielrennen, maar ik heb destijds als directeur van Wielerbond Vlaanderen (vandaag Cycling Vlaanderen) gepleit voor een erfgoedstatuut voor alvast een deeltje van het Vlaamse wielerlandschap.

Meer in het bijzonder om de staatssteun voor het toenmalige Topsport Vlaanderen-Baloise-team veilig te stellen. Ik heb toen (2013) letterlijk aan ieder die het wilde horen bij het team, Bloso (nu Sport Vlaanderen) en het ministerie uitgelegd dat Topsport Vlaanderen-Baloise geen topsportproject was zoals de overheid topsport definieerde in de topsportactieplannen maar een tewerkstellingsproject. En als ze die subsidie (voor salarissen en werkingskosten) toch niet in het gedrang wilden laten komen, ze maar beter werk konden maken van een erkenning als erfgoed.

Ik heb zelfs de piste aangegeven: ga pleiten bij de N-VA-politicus en toevallige buur van de baas van dat team, die zal daar oren naar hebben. Is nooit iets mee gedaan en en zie: aan het eind van dit jaar stopt de subsidiestroom naar (inmiddels) Sport Vlaanderen-Baloise.

De erkenning als erfgoed zal de kermiskoersen niet vooruit helpen, althans niet financieel. Dat soort volksvermaak valt niet te redden, net als kermissen zelf, rondtrekkende circussen met aftandse dieren en chaussées d’amour. Heimwee mag, maar serieus blijven. Het is niet omdat elk dorp vroeger een kermiskoers had dat je dit fenomeen terug tot leven moet wekken.

De erkenning van de kermiskoers als erfgoed zou de status van wielrennen als Vlaamse passie nog maar eens bevestigen. Hoe wenselijk dat is, het is ook een discussie waard. Wieleraficionado’s – op kop de journalisten die er hun status aan ontlenen – zullen nu steigeren, maar onze regionale fixatie op alles en iedereen die in lycra op twee wielen rijdt spoort niet met een gezonde, brede visie op wat topsport in een rijke regio als Vlaanderen zou moeten zijn.

Fixatie op één sport is iets van arme landen, Kenia en lopen bijvoorbeeld. In Vlaanderen wordt topsport herleid tot alles wat koers is, voetbal als de Rode Duivels het goed doen en vervolgens de occasionele uitschieters in andere sporten. Onze Vlaamse afgod heet Wout van Aert. Niet Remco Evenepoel, die veel meer heeft gewonnen (dat is een aparte column waard), en al helemaal niet Bart Swings, olympisch goud en zilver in een veel mondialere sport. Check voor dat laatste de uitslagen.

Een mooi voorbeeld van die fixatie op dat duopolie wielrennen-voetbal en onze enge kijk op topsport wordt belichaamd door schaatser Sandrine Tas. Die werd vierde op de recente Winterspelen op de 5.000 meter, tienden verwijderd van goud. Ze is 30 en kan nog twee Olympische Spelen mee.

Een echt topsportlandschap zou een niet te weigeren traject uittekenen om voor medailles te gaan in de olympische sport waarin ze de beste resultaten kan voorleggen. Neen dus, Tas is geswitcht naar wielrennen. Heel erg benieuwd of ze verder geraakt dan gelletjes en bidons ophalen voor de kopvrouw.

Column Bressen in de dijk in De Morgen van maandag 20 april 2026

Bressen in de dijk

Kirsty Coventry, de voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité, verbood tijdens de voorbije Winterspelen in Milaan en Cortina de Oekraïense skeletoni Vladyslav Heraskevytsj een helm te dragen met afbeeldingen van Oekraïense sporters die zijn omgekomen in de oorlog met Rusland. Toen hij toch wilde afdalen met die helm werd hij gediskwalificeerd. In weerwil van de algemene verontwaardiging viel daar wat voor te zeggen: de olympische regels hebben het over een apolitiek speelveld.

Coventry kwam het persoonlijk uitleggen. Niet in een bobotaaltje wars van elke emotie, maar met het hart op de tong vroeg ze om begrip voor die moeilijke beslissing. Tegelijk toonde ze begrip voor de strijd van Heraskevytsj. Het incident koelde zonder blazen.

Twee maanden later dringt zich de vraag op of die acte de présence van Coventry was ingegeven door het Olympisch Handvest, dan wel de weg moest plaveien voor een terugkeer van de Russische en Wit-Russische sporters op het internationale sporttoneel.

In een videoboodschap aan het Sportforum van de Europese Unie op Cyprus vorige donderdag heeft Coventry opnieuw herhaald dat sport geen forum is voor ruzie, maar een veilige plek voor inclusie en het bevorderen van vrede.

Voor de Winterspelen waarschuwde Coventry al voor toekomstige “ongemakkelijke gesprekken” over controversiële onderwerpen, zoals de terugkeer van verboden landen zoals Rusland en Wit-Rusland en het debat over de “verdediging van de vrouwencategorie”. Die laatste problematiek is aangepakt via exclusie, met haast unanieme tevredenheid als gevolg. De inclusie van de (Wit-)Russen verloopt wat lastiger.

“Atleten kunnen ons alleen inspireren als ze kunnen concurreren en de politiek de sport niet overneemt. Ik roep de EU en haar lidstaten op om zich aan deze principes te houden: de autonomie van de sport respecteren en de politieke neutraliteit van het IOC en de Olympische Spelen ondersteunen. Want alleen dan kan de kracht van sport spelen.”

Al bij al een opmerkelijke demarche die moet leiden tot deelname van (Wit-)Rusland onder eigen vlag, met eigen kleuren en volksliederen op de Olympische Spelen van 2028 in Los Angeles. Was de afbakening van de vrouwensport nog de biologische logica zelf, dan lijkt het er nu toch wel heel sterk op dat de deur openzetten voor Russen is geïnspireerd door de wens van Donald Trump. Die wil in het (hopelijk) laatste jaar van zijn presidentschap alle landen kunnen begroeten in Los Angeles en, wie weet, naast zijn vriend Vladimir op het erebordes pronken.

Ook zonder Coventry zijn in de sportieve dijk tegen de Russische en Wit-Russische agressors al her en der bresjes geslagen. Zo stond de internationale judofederatie in november (Wit-)Russische deelname toe. Op de Paralympische Spelen mochten de twee landen met eigen vlag, volkslied en kleuren pronken en recent heeft ook de internationale zwembond World Aquatics de deur opengegooid voor deelname volgend jaar aan het WK zwemmen.

Volgende grote bond in het rijtje zou volgens de internationale sportcoulissen World Gymnastics kunnen zijn. Merk op: allemaal bonden die niet worden geleid door Europeanen. De grootste olympische bond is World Athletics en die is tot augustus 2027 in handen van de Brit Sebastian Coe. Hij is vastbesloten de niet alleen oorlogszuchtige maar ook nog eens dopingcorrupte Russen voorlopig buiten te houden.

Die verschillen in geopolitieke perceptie – Coventry is een Afrikaanse en woont in ‘neutraal’ Zwitserland – van dat gruwelijke Europees conflict in Oekraïne zou weleens de voorbode kunnen zijn van een nieuw schisma in de internationale sport. De uitsluiting van de Russen wordt nu gekoppeld aan de oorlog, maar dat klopt niet helemaal. In het Olympisch Handvest staat niks expliciets over de wenselijkheid van oorlogvoerende landen in de sport.

Het IOC heeft het Russische olympisch comité (ROC) in 2023 niet uitgesloten omwille van de oorlog, maar omdat het de territoriale integriteit van het Oekraïense olympisch comité had aangetast door in de geannexeerde gebieden ook de olympische regionale raden te russificeren. Het ROC kwam daar recent op terug.

Reken maar dat de boodschap van Coventry is aangekomen. Of de Europese Unie er oren zal naar hebben? Wellicht niet. Of de Europese Unie er oren moet naar hebben? Neen. Europa is het sterkste olympisch sportcontinent en moet nu op zijn strepen staan: geen Russen zolang die terreur in Oekraïne duurt. In de laatste veertig jaar is de dreiging van een boycot in de internationale sport nooit groter geweest. Als dat het recept is om ons Europees gelijk te halen, welaan dan maar.