Column Medailletje in De Morgen van maandag 23 februari 2026

Medailletje

Of we op de Winterspelen mochten dromen van die drie gewenste medailles of zelfs meer, dat vroeg de bakkerskrant De Zondag enkele weken geleden. Mijn antwoord: nul medailles kan evengoed omdat alle Belgen die het tot nu zo goed hadden gedaan wel zouden ondervinden hoe echte sportmodellen ervoor kiezen om te pieken op Olympische Spelen.

En zie, na zestien dagen hele mooie Olympische Spelen vertrekt de grootste Belgische winterdelegatie ooit met één bronzen plak, een half medailletje. Half jawel, dat past bij de mixed relay. Vrouwen en mannen achter elkaar laten sporten voegt niets toe aan topsport, een onderlinge strijd van de allerbesten binnen hun eigen categorie.

Die ene medaille viel uit de lucht omdat België de verdienste had overeind te blijven, vaak de essentie van shorttrack. Dat lukte hen in alle andere belangrijke wedstrijden iets minder, vooral dan Hanne Desmet. Wij kennen haar als ‘cannon ball Hanne’; haar internationale reputatie is af en toe die van bowling ball. Haar excuus na die laatste val op de 1.500 meter leek van een hoog ‘gezakt zadel’-gehalte, maar ze krijgt het voordeel van de twijfel.

Dat gezeur over die jaloerse Nederlanders die bang waren geworden voor onze Belgische shorttrackers en hen daarom hadden weggestuurd uit Thialf, het mag hiermee ophouden. Als je denkt dat je als landje zomaar kunt meesurfen met een performant sportmodel (zeven medailles in shorttrack, vijf keer goud), dan ben je niet goed wijs.

Het ziet er slecht uit voor de toekomst van shorttrack in België. Hanne Desmet is al 29. Misschien dat ze er op haar 33ste nog bij wil zijn in de Franse Alpen, maar dat is niet de vraag. Wel: waar blijft de opvolging? Waar is de continuïteit in het Belgische shorttrackmodel, of wat daarop moet lijken?

Als je een wereldkampioene als Desmet in huis hebt, dan verwacht je een effect op het hele landschap in die sport. Iemand een verrekijker? De term toevalmodel is hier al eens gevallen, en die is zeker van toepassing op alles op snelle schaatsen, lange of korte baan.

Investeren in een sport zonder infrastructuur is als een huis verwarmen met ramen en deuren open. Een echt model creëert de randvoorwaarden om jonge talenten te zoeken, op te leiden en te trainen.

Waar blijft die ijshal? Waar blijft de opvolging voor Bart Swings? Niemand mag beweren dat Swings op deze Spelen heeft gefaald. Van de Belgische naïviteit in de massastartfinale en de verontwaardiging achteraf begreep ik geen snars, maar dat zal aan mij liggen.

Swings liep in Milaan op zijn laatste benen en die volstonden niet, maar hij is en blijft een kampioen om te koesteren. De man was tot zaterdag regerend olympisch kampioen en is 35 geworden. Hoewel, Bergsma, winnaar van de massastart, is 40 en schaatste op de 10 kilometer 25 seconden sneller dan Swings.

De meest in het oog springende Belgische prestaties waren de vierde plaats van Sandrine Tas op de 3.000 meter schaatsen en de vijfde plek van Armand Marchant in de slalom. Vervolgens houdt het op, wat de supporters er ook van denken, die langs de lijn of in de (pers)tribune, en vooral die in de commentaarcabines met hun kirretjes, oooohs en aaaahs.

Het wordt tijd voor dit land om keuzes te maken en te gaan voor twee, drie wintersporten waarvoor je wel een model kunt uitbouwen. Met alle respect voor Kim Meylemans, skeleton is daar niet bij. Cru gezegd: als ze zo’n dure Duitse slee wil, dan had ze Duitse moeten worden zoals haar destijds een paar keer is gevraagd.

Dat tricolore boswandelen met geweer op de schouder, dat mag dan wel een Waalse aangelegenheid zijn, ook daarin best niet investeren. Meer dan de helft van onze biatleten zijn buitenlanders die om opportunistische redenen Belg zijn geworden: ze eindigden individueel op plaats 46, 50, 38, 52, 85, 74, 83, 33, 37, 26 en 19 voor de halve Noorse Lotte Lie, de beste.

Kunstschaatsen, daar kunnen we wel iets mee, maar ook hier beter de verwachtingen temperen. Ze eindigden 13de en 14de en dat is zonder de drie obligate maar voorlopig geschorste Russische springveertjes gerekend.

Op deze Spelen waren 21 medailles meer te verdienen dan vier jaar geleden. De 34 medailles van de (Wit-)Russen in Peking 2022 werden bij gebrek aan Russen vervangen door één luttele medaille van een neutrale atleet. Er lagen zo 54 nieuwe en vrijgekomen medailles voor het grijpen.

Nederland, met tien keer goud en een derde plek, tikt af op de beste klassering ooit op een Olympische Spelen. Nederland deed het met 39 atleten, wij stuurden er 30. België, het wintersportland dat het nooit is geweest, is terug bij af.

Column Geweldcultuur in De Morgen van zaterdag 21 februari 2026

Geweldcultuur

Geen discussie mogelijk: ijshockey is de moeilijkste sport op de planeet. Moeilijkste als in een combinatie van alle factoren die een sport zwaar, lastig, moeilijk en complex maken.

Het is eerst en vooral een ploegsport, de verheffende trap van sport omdat er behalve de individuele tactiek (wat doe ik, al of niet in functie van de tegenstand) ook ploegtactiek (wat doen we samen) komt bij kijken.

Vervolgens is het een fysiek bijzonder zware sport. Met 5 kilometer schaatsen gemiddeld per wedstrijd lijken de afstanden mee te vallen, maar de helft van de kilometers wordt aan hoge intensiteit afgelegd.

De specificiteit van de buitenspelregel, die (kort door de bocht) bepaalt dat eerst de puck de blauwe buitenspellijn moet overschrijden vooraleer de spelers dat mogen, maakt het ploegspel en de inspanning extra complex.

Daarna is er het technische aspect. Het controleren van de puck, een klein hard ding dat alle kant opschiet op het ijs, het is geen sinecure. Eenmaal je dat alles onder de knie hebt (de techniek, de fysiek, de tactiek, de regels) moet het allemaal nog eens worden uitgevoerd met hoge snelheid op het onvergeeflijkste oppervlak, glad ijs.

Of we zondag een ouderwetse Canada-VS als laatste wedstrijd van de Spelen krijgen, is bekend als dit in de krant staat. Of we daarop moeten hopen en of de organisatie daarop hoopt, is dan weer een ander verhaal. Naar het schijnt zou Donald Trump een Amerikaanse finale willen bijwonen.

(IJs)hockey is een trumpiaanse sport die het recht van de brutaalste hoog in het vaandel draagt. Spelers rammen op elkaars ribbenkasten en andere lichaamsdelen dat het een lust is en dan is olympisch ijshockey nog een lightversie van het veel ruwere ‘hockey’ dat die spelers gewend zijn in hun Noord-Amerikaanse National Hockey League.

Ongeveer 130 NHL-spelers zijn er voor het eerst sinds 2014 weer bij, nadat de koepel NHL twee edities verstek liet gaan omdat het Internationaal Olympisch Comité na 2014 niet langer de verzekering voor de spelers wilde betalen.

Die NHL’ers moeten zich aanpassen aan een aantal olympische (lees: Europese) regels. Zo is de speeloppervlakte groter (4 meter breder) dan in de NHL. Daar wordt vaak in basketbalstadions gespeeld, terwijl ijshockey in Europa meestal de hallen moet delen met kunstschaatsen en shorttrack.

Die geweldcultuur biologeert. Waar en hoe is het zo fout kunnen gaan met een sport dat zelfs in de lagere reeksen ooit uitwassen als Danbury Trashers het licht zagen? Wie Netflix heeft, kan in de docu Untold: Crimes & Penalties het hallucinante verhaal zien van het inmiddels opgeheven ijshockeyteam Danbury Trashers van de United Hockey League, een kleinere profcompetitie die ook al niet meer bestaat.

De eigenaar was James Galante, een afvalmagnaat en lid van de Genovese maffiafamilie. Hij gaf het team aan zijn 17-jarige zoon A.J. en maakte hem algemeen manager. Ze kochten een ploeg samen met de meest foute en gewelddadige spelers in de lagere reeksen en terroriseerden jarenlang de hele competitie.

Toen de docu uitkwam in 2021 haastte de NHL zich om zich te distantiëren van de vele geweldscènes. Bij hen was het allemaal beter gereguleerd, maar het begrip ‘reguleren’ is al even pervers. De waarheid is dat de NHL sinds 1920 het geweld onder de vorm van vechtpartijen heeft geïnstitutionaliseerd (lees: aanvaard als verkoopargument) en daardoor de hele sport heeft besmet.

Eerder deze week gingen zelfs de vrouwen van Zweden en de VS voor een bagatel met elkaar op de vuist; het was slaan om te raken. De internationale refs op deze Spelen worden geacht vechters meteen te scheiden. Bij een echt gevecht – een verdwaalde slag wordt door de vingers gezien – horen ze de vechters uit te sluiten voor de wedstrijd.

Amerikaanse refs laten vechten toe en grijpen pas in als een van de spelers naar de grond gaat. Als de refs het te bar vinden, moeten de spelers voor vijf minuten naar de strafbank, om daarna met bloeddoorlopen ogen hun sloopwerk weer op te pakken.

De gevolgen van die praktijken zijn niet te overzien. Uit de recentste studie, een onderzoek van 77 mannelijke hersendonoren die amateur- en professionele ijshockeyers waren, bleek dat de hersenen van 27 van de 28 professionele spelers tekenen vertoonden van chronische traumatische encefalopathie, dezelfde neurodegeneratieve aandoening die zo vaak Americanfootballspelers treft.

IJshockeycarrières zijn van de langste in de professionele Amerikaanse sport. De conclusie van de studie luidde: wie twintig jaar of langer hockeyt, heeft bijna 100 procent kans om dement te eindigen.

Column Kroonjuwelen in De Morgen van maandag 16 februari 2026

Kroonjuwelen

Jawel, de play-offs verdwijnen na dit seizoen. De kip met de gouden eieren, die voor veel spanning zorgde en tot de laatste reguliere speeldag wedstrijden op het scherp van de snede opleverde, wordt eind mei geslacht.

Hoe dom dat is zal al heel snel blijken als het nieuwe tv-contract moet worden onderhandeld en iets minder snel, maar niet minder ingrijpend, als in de toekomst de half-afgewerkte producten (voetballers dus) voor veel minder geld worden doorverkocht naar het buitenland.

In het eerste play-offseizoen 2009-’10 was van een positief effect op het sportieve nog niet veel te merken, maar gaandeweg viel het op dat in tegenstelling tot de gangbare competitieformule van iedereen tegen iedereen uit en thuis (de round robin) in de Belgische competitie haast geen wedstrijden meer waren waar het nergens om ging.

Die evolutie zette zich door en de voorbije tien jaar stond de Jupiler Pro League voor hoogst competitief voetbal, met veel fysieke arbeid, veel duels, veel tactiek, een ideale springplank naar de grotere competities. Dat vertaalde zich in transferopbrengsten en tegelijk in Europese successen of ministunts vanwege ook AA Gent en Union maar meestal toch Club Brugge.

Het effect daarvan zal te zien zijn in het seizoen 2027-28 als zowel de Belgische kampioen als de vicekampioen een directe toegang krijgt tot de 36 clubs die in de potten van de Champions League mogen graaien. Een voorspelling: na dat eenmalige succesje gaat het met dat Belgische profvoetbal ongenadig richting de sportieve en financiële dieperik.

Een tijdje geleden verscheen een nogal euforisch ingekleed verhaal over de enorme transferopbrengsten van het Belgische voetbal. We zijn met 274 miljoen euro zelfs de nummer twee van de wereld voor het aan de gang zijnde seizoen 2025-’26. Opmerkelijk dat alleen Frankrijk het met 407 miljoen beter doet dan België en dat een traditioneel opleidingsland als Nederland bijna 100 miljoen minder uit de nettotransferopbrengsten (verkoop min aankoop) haalt.

Omdat momentopnames moeten worden gekaderd in een groter geheel, hierbij wat duiding. Tussen 2015 en 2024 was de Pro League niet de tweede maar toch nog altijd de zesde meest winstgevende competitie inzake transferopbrengsten met in totaal 1,12 miljard euro netto.

Een ander bericht, vorige week, had het over de jaarrekeningen van de Belgische profclubs: 18 van de 28 clubs leden samen een verlies van 70 miljoen euro. Zo stond het er, maar dat klopt niet. Negentien clubs leden een verlies van iets meer dan 80 miljoen. Patro Eisden boekte geen winst maar een verlies van 5 miljoen en verborg die achter een kwijtschelding van schuld.

Als je door de cijfers heen kijkt naar de essentie van de voetbalbusiness, dan zie je dat de operationele verliezen vóór transfers onveranderd donkerrood kleuren. Met andere woorden: het hele Belgische voetbal hangt aan een navelstreng van transferinkomsten, eigenaarskapitaal en overheidssubsidies.

Nu is er de laatste drie mercato’s iets heel bijzonders aan de hand. Waar vroeger geïmporteerde voetballers nog een tijdje in de club bleven om daar wederzijds sportief profijt uit te halen, worden die nu verkocht van het moment dat ze drie ballen goed raken.

Rosen Bozhinov, Kaye Furo, Chemsdine Talbi, Christopher Bonsu Baah, Jan-Carlo Simic, Nilson Angulo, Ezechiel Banzuzi en Hyeon-gyu Oh zijn recent uit België vertrokken voor sommen tussen de 6 en 20 miljoen euro. De meeste van die spelers hadden niet eens een vaste basisplaats bij hun club. Furo had zelfs nog geen minuut met de hoofdmacht van Club gespeeld toen hij voor 10 miljoen al werd verkocht aan Brentford.

Als ook al de beloftevolle jongere spelers van de hand worden gedaan nog voor ze doorbreken is er sprake van een structureel probleem, helemaal als de meesten buitenlanders zijn. België heeft de naam een opleidingsland te zijn. Dat is het niet. In de rangschikking van speelgelegenheid voor spelers die voor het land kunnen uitkomen, staat de Jupiler Pro League pas op de 29ste plaats.

De enige realiteit blijft nog altijd deze: de Belgische eerste klasse importeert en exporteert vooral jonge buitenlanders. Het maakte daarbij verlies ( 730 miljoen euro over de laatste vijf seizoenen) en dat ondanks de 200 miljoen jaarlijkse lastenverlagingen op belastingen en sociale lasten.

Nu ongeveer alle kroonjuwelen, ook die van plastic, van de hand zijn gedaan en er behalve bij Club Brugge straks niks meer te verkopen valt, moeten de clubeigenaars – die vorig seizoen nog eens 200 miljoen euro aan kapitaalsverhogingen deden – zich dringend grote zorgen maken.

Column Emo-Spelen in De Morgen van zaterdag 14 februari 2026

Emo-Spelen

Politiek correcte deugpronkers vinden Ricky Gervais fout, maar telkens als die intro uit de Golden Globes van 2020 passeert, wordt op de iPad geklikt, gekeken en hard gelachen.

Gervais gaf toen wat goede raad mee. Zoals: “Stel dat u een prijs wint, gebruik het podium niet om een boodschap uit te dragen. U bent niet geschikt om het publiek over wat dan ook de les te lezen. Als IS een streamingservice begint, jullie zouden jullie agent bellen, ja toch? U weet niks van de echte wereld. De meesten onder jullie zijn minder naar school geweest dan Greta Thunberg.”

Kunnen we dat niet een beetje parafraseren voor de sportlui en meer in het bijzonder de sportlui op deze Olympische Spelen die menen dat ze het narratief moeten kapen met allerlei randmededelingen en/of gedragingen die niks met sport te maken hebben?

Bijvoorbeeld: “Stel dat je een prijs wint, gebruik het podium niet om een boodschap uit te dragen, behalve ‘ik heb mijn best gedaan en de vele trainingen hebben hun nut bewezen’.”

Probeer het te beperken tot hoe je hebt gepresteerd en kom niet achteraf met allerlei mededelingen die toch alleen bedoeld zijn om volgers aan te trekken voor je socials. En ten slotte, asjeblieft, begin niet te huilen en zeg tegen je lief dat hij/zij thuisblijft, of als hij/zij toch komt, dat hij/zij zich onzichtbaar maakt.

Er zijn enkele uitzonderingen. Zoals elke Amerikaan die zich in Milaan of Cortina of waar dan ook in de Dolomieten kritisch uitlaat over de heksen- en mensenjacht door schietgrage cowboys in het thuisland. Donald Trump moet er niet van weten. Normale mensen met een IQ hoger dan 70 moeten van Trump niet weten.

Wij horen elke Amerikaan die als kanshebber niet wint met een brede glimlach naar de uitgang te begeleiden. Wij horen ons al te verkneukelen in de aankomende VS-Denemarken in het ijshockey, maar vooral die ene wedstrijd tegen Canada die er zit aan te komen, hopelijk de finale op zondag 22 februari.

Nog een uitzondering: elke Oekraïense atleet die regel 50 aan zijn of haar laars lapt, zoals Vladyslav Heraskevitsj. Die wilde met foto’s op zijn helm gevallen Oekraïense sporters eren. Hoogst on-aerodynamisch die foto’s, maar dat kon hem niet schelen, de boodschap was belangrijker dan het resultaat.

Hij mocht niet en werd uit de competitie gehaald. Jawel, een pijnlijke maar begrijpelijke beslissing van het Internationaal Olympisch Comité, die op vraag van de atleten in een wereld met nog 129 andere conflicten de doos van Pandora dicht wil houden en elke boodschap op het speelveld verbiedt. Laten we hopen dat ze nu wel hun wereldvreemd pleidooi laten varen om de Russen snel terug te brengen op het internationale sporttoneel.

Olympic Broadcasting Services, het is duidelijk dat jullie de verhaaltjes, de emo en de clowns als Snoop Dogg koesteren, wellicht zelfs aanmoedigen, maar kan het wat minder? Als Jutta Leerdam nog eens een medaille zou winnen, willen jullie dan die haarbal van een would-bebokser die haar in Milaan vergezelt niet meer in beeld brengen?

Atleten mogen tijdens de Spelen niet met sponsors pronken die niet de sponsors van die Spelen zijn, dat zegt regel 40. Regel 50 gaat dan weer over elke vorm van demonstratie of politieke, religieuze of raciale propaganda tijdens de Spelen.

Misschien moet het IOC eens denken aan een regel 60 of zo. Die zou kunnen bepalen dat geen enkele atleet, vooral hij/zij die een prijs wint, het podium mag gebruiken om een boodschap uit te dragen waarmee hij/zij de aandacht kaapt van de media ten koste van de collega-atleet en/of zich tegelijk grenzeloos belachelijk maakt.

Neem nu de Noorse biatleet Sturla Holm Laegreid. De hele wereld kent nu Laegreid omdat die in een interview na het behalen van de bronzen medaille begon te snikken.

Aanvankelijk leek het dat de herinnering aan zijn recent overleden ploegmaat Sivert Guttorm Bakken bij hem nog te hard was binnengekomen. Dat was het dus niet. Wat dan wel? Hij had een scheve ski gereden, zijn lief had het daarop uitgemaakt en Laegreid vond het een goed idee om voor de camera’s van de wereld zijn spijt te betuigen aan het ex-vriendinnetje (dat er daarna nog minder kon om lachen en hem nog steeds de wacht aanzegt).

Atleten van de wereld en entourage, we moeten al die onzin niet. Neem een voorbeeld aan onze shorttracker Stijn Desmet, die met behulp van een onnozele vraag geheel zichzelf bleef, ondanks het behalen van onverwacht brons.

Dat ging zo:

– “Was je opgewonden, Stijn (toen je op de finish afging)?”

– “Ja, heel opgewonden, ik vloog, maar de anderen voor mij vlogen ook. (haalt schouders op) Ja, dawast.”

Coole Spelen, coole interviews, dadist.

Column Eigen schuld in De Morgen van maandag 9 februari 2026

Eigen Schuld

Het tijdstip kan ik fout hebben – ik denk dat het ergens in de lente van 1992 was. De setting was de raad van bestuur van het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité waar ik toen als jonge directeur communicatie deel van uitmaakte, maar half zo oud als de meeste bestuurders geacht werd mijn mond te houden.

Dat lukte meestal aardig, ook toen die ene dag de selectie voor de Olympische Spelen van Barcelona aan bod kwam en wel meer in het bijzonder de vraag: “Wat met Robert Van de Walle?”. Of het wel wijs was om hem te selecteren, gezien diens belabberde medische plaatsbeschrijving en het risico op blessures.

De voorzitter, Jacques Rogge, nam het woord en vond dat Van de Walle beter niet zou worden geselecteerd. Hij was ‘een wandelende ambulance’, dat waren zijn exacte woorden. Ik sprong net niet uit mijn vel, maar hield mijn mond, behalve dat ik er de gestelde lichamen beleefd op wees dat we dat gevecht met Van de Walle en de media nooit zouden winnen.

Lang verhaal kort: men besloot hem mee te nemen, met flinke tegenzin. Van de Walle zou aan Barcelona een (nog meer) gehavende schouder overhouden, een mooie zevende plek en vooral die staande ovatie in Palau Blaugrana, inclusief het kippenvel dat mij ook nu weer overvalt.

Rogge was bij alle operaties van de atleet Van de Walle de behandelende chirurg. In een van onze vele latere gesprekken heb ik hem gevraagd wat hem toen bezielde om daar zo flagrant het medisch geheim te schenden en hoe onrespectvol dat wel niet was tegenover een monument als Van de Walle.

Rogge kon onder vier ogen wel wat tegenwind verdragen en argumenteerde dat hij in zijn lange loopbaan als orthopedist wel vaker had gezien hoe – haarfijn voorspeld door hem of collega’s – een atleet zichzelf in de vernieling sportte. Dat het recht op zelfbeschikking van zo’n atleet niet oneindig was en dat als je de gewone mens medisch tegen zichzelf in bescherming moet nemen, je dat misschien nog meer met de topsporter zou moeten kunnen.

Dat was 33 jaar geleden. Vandaag is het recht op zelfbeschikking van het individu maximaal. Iedereen moet zichzelf kunnen zijn, iedereen moet alles kunnen doen/wagen om zich te kunnen ontplooien. Dat kan gaan van niet willen opgaan in een team, tot de meest gekke dingen doen om een carrière in stand te houden, al dan niet verpakt in een sausje van passie, en dat alles uiteraard gestreamd.

Toen de Amerikaanse skiester en ski-ster Lindsey Vonn twee weken geleden haar voorste kruisband in haar linkerknie afscheurde en kort daarna aangaf met een brace de olympische afdaling toch te willen skiën, stelde ik op X de vraag aan de orthopedisten van de wereld: “Verbeter mij als ik mis ben, maar dit lijkt geen goed idee.”

Ik weet wat Rogge had geantwoord. Sommige artsen vonden het waanzin, anderen vonden het dan weer ‘te doen’. Jawel, twee trainingsruns en nog eens dertien seconden in de echte wedstrijd. Vervolgens miste Lindsey Vonn haar tweede bocht. Dat was geen uitschuivertje maar een moordcrash waarbij ze van alles in haar lichaam naar de filistijnen hielp. Details volgen nog.

Haar geschreeuw en gehuil toen de medische diensten haar ski’s losmaakten ging door merg en been. Hadden de duizenden toeschouwers beneden in de vallei dat vreselijke achtergrondgeluid meegekregen, ze hadden wel nagelaten om te applaudisseren toen ze Vonn voor de tweede keer in twee weken door een helikopter van de piste zagen getakeld.

Medelijden? Een heel klein beetje met Vonn. Meer nog met de skiesters die na haar moesten komen en met nog enkele minuten te gaan hun opwarming netjes hadden ingecalculeerd, maar nu ineens een oponthoud van twintig minuten voor de kiezen kregen. Het was een crash en een crash kan gebeuren, maar niet zo, niet daar en niet zo vroeg. Zoals de stoutste commentaren meteen scherp stelden: dit was self-inflicted, eigen schuld.

Het is inherent aan topsporters om te pushen tot het uiterste, maar ergens moet door iemand in de entourage een grens worden getrokken. In Vonns geval had dat haar coach Aksel Lund Svindal moeten zijn, die na de trainingen zei dat ze onbewust meer op haar rechterknie landde dan op links, waar geen voorste kruisbandfunctie meer zat.

Hij zag daar geen graten in. In de rechterknie van Vonn, voor alle duidelijkheid, zit al een half vervangstuk in titanium in. Ze was al een half medisch wonder, maar ze wilde zo nodig een heel medisch mirakel zijn. “Morgen (na de wedstrijd, dus gisteren) zal je een andere Lindsey Vonn spreken”, zei Svindal. Misschien was hij niet de juiste man op de juiste plek om Vonn tegen zichzelf te beschermen. Zoekt u maar eens op – Svindal, crash, Streif – dan weet u het meteen.

Column Friese Alpen in De Morgen van zaterdag 7 februari 2026

Friese Alpen

Eerst even iets om mee te scoren op een uitgestelde nieuwjaarsdis. Wist u dat de eerste olympische wintersporten al in 1920 op het programma stonden, in Antwerpen, jawel? Het Palais de Glace d’Anvers of het IJspaleis, zo heette de plek waar in 1920 zowel kunstschaatsen als ijshockey plaatsvond.

Omdat in die tijd de koeling van een hele hal in de zomer technisch nog niet mogelijk was, werden kunstschaatsen en ijshockey naar de maand april verschoven. In de mooie lente van 1920 werd vaker op water dan op ijs geschaatst.

Dat gebeurde allemaal in de Henri Van Heurckstraat, die in 1920 nog de Gezondheidsstraat heette. Het gebouw werd zoals de meeste olympische sites van 1920 niet gekoesterd, maar raakte geleidelijk uitgewoond als garage, stalling voor taxi’s en uiteindelijk parkeergarage.

In 2016 was het definitief afgelopen met het laatste fysieke overblijfsel van die al bij al memorabele Antwerpse Olympische Spelen en werd het IJspaleis gesloopt om plaats te maken voor appartementen. Het zegt wat over hoe wij omgaan met sportgeschiedenis.

De Winterspelen zijn de intiemste, schattigste, meest relaxte en dus voor sommige liefhebbers de mooiste van alle Spelen, maar ze komen altijd weer een maand te laat. Als bij ons de lente al heel af en toe om de hoek komt piepen, pas dan gaan ze ergens in de wereld op ijs en sneeuw om de olympische medailles skiën, schaatsen, glijden, springen en wat al niet meer.

De eerste Olympische Winterspelen van Chamonix, toen nog een Olympisch Festival, zijn in 1924 geëindigd op de dag dat ze dit jaar beginnen en dat is vandaag. Toen waren er nog geen Paralympics en die worden dit jaar pas in maart geprogrammeerd. Van 6 tot 15 maart, als het u zou interesseren. Laat maar, op de papsneeuw van de Paralympische Winterspelen gebeuren elk jaar weer de vreselijkste ongelukken met mensen die meestal voordien al wat te verduren hadden.

Ook op de valide Winterspelen overigens. De olympische leuze ‘citius, altius, fortius’ of ‘sneller, hoger, sterker’ heet op de Winterspelen ‘citius, acutius, letalius’ of ‘sneller, gevaarlijker, dodelijker’. Dat geldt niet voor het prille begin, toen het nog om spel en elegant vermaak op sneeuw en ijs ging. De dag dat de snelheid zijn intrede deed, kwamen de ongelukken. Alle vijf doden op de Winterspelen vielen na 1964. Sinds Rome 1960 en de zware val van de wielrenner Knud Enemark Jensen – neen, geen dopingdode, maar dat is een andere discussie – is op de Zomerspelen geen dode meer gevallen.

Hoe het Internationaal Olympisch Comité zal omgaan met zijn Winterspelen zal vooral iets zeggen over het intelligentieniveau van de leiding van deze club. Het paniekverhaal dat er tegen 2040 nog maar in tien landen op de hele planeet zou kunnen worden gewintersport, houdt geen rekening met de realiteit.

Die realiteit is simpel: voor de meeste bergsporten heb je geen neerslag nodig, een beetje koude op tijd en stond – als de zon ondergaat en ’s nachts bijvoorbeeld – volstaat. Tot voor een paar weken lag op de zuidgerichte hellingen van de Dolomieten geen centimeter sneeuw, behalve dan op de skipistes.

Zelf ondervonden: die waren perfect geprepareerd. Elke avond werd het sneeuwkanon aangezet, een Noord-Italiaanse vinding overigens. Daarna passeerden de bully’s en elke ochtend waar nodig werd nog wat extra sneeuw gespoten. Ja, je skiet dan op een witte streep door een bruin landschap, maar dat went.

Wat u ook leest en wat men er ook van zegt: kunstsneeuw is nog altijd de beste sneeuw. Tenzij het hard begint te vriezen, ook overdag. Dan worden de heerlijk geprepareerde en krakende pistes een soort beton- en ijsvlaktes en is de lol eraf. Voor u en mij althans, want de echte skiërs van de Winterspelen hebben niks liever dan hard en ijzig.

Bovendien houdt men geen rekening met de technologische vooruitgang. Het 500 miljard dollar kostende NEOM-project en het bijbehorende skioord Trojena mag dan wat vertragingen hebben opgelopen, waardoor de Aziatische Winterspelen van 2029 een nieuwe locatie moeten zoeken, de Saudi’s zijn nog altijd van plan te skiën aan de Rode Zee. Als het daar kan, kan het straks overal.

Een beter plan zou zijn om de Winterspelen snel in te plannen in bestaande competitieplaatsen met naam en faam. Dat gebeurt nu al min of meer met een spreiding over Milaan, Bormio, Livigno en Cortina. Dat is ook het plan over vier jaar in de Franse Alpen. Daar zoekt men alleen nog een 400-meterschaatsbaan. De biedingen zijn inmiddels binnen: Thialf in Heerenveen is de koploper om in de Friese Alpen het olympische schaatsen te hosten.

Column Majesteit Mathieu in De Morgen van maandag 2 februari 2026

Majesteit Mathieu

Deze week vroeg ik aan de deelnemers van de Cycling Academy of ze zich naast veldrijden nog een andere sport of discipline voor de geest konden halen waarin één atleet zonder te veel ongelukken altijd alles wint en dan nog met een gigantische marge.

Iemand suggereerde Armand ‘Mondo’ Duplantis. Point taken. In het polsstokspringen is het misschien nog opvallender. Mathieu van der Poel begint ten minste nog samen met de anderen aan de wedstrijd, Duplantis begint pas te springen op een hoogte als het grootste deel van de tegenstand drie keer de lat eraf heeft gegooid.

Polsstokspringen is dan ook het veldrijden van de atletiek: één kan het supergoed, de rest denkt dat ze het kunnen. Bij uitbreiding is veldrijden of crosscountry een bij uitstek Vlaamse sport waarin een paar Nederlanders (m/v) alles winnen.

Sinds gisteren is dat ook historisch een datafeit: niemand heeft meer wereldtitels gewonnen dan de Nederlander Van der Poel, die in Hulst zijn achtste pakte. Het was de hele week te doen om de titel van GOAT, greatest of all time, of de vraag of Van der Poel wijlen de Belg Erik De Vlaeminck zou onttronen.

Alsof De Vlaeminck met zijn zeven wereldtitels tot gisteren mede-GOAT was. Niet dus. De Vlaeminck heeft behalve één etappe in de Ronde van Frankrijk van 1968 nooit iets van belang gewonnen op de weg. En hij is meer dan één keer behoorlijk uit de bocht gegaan.

Toen het over De Vlaeminck ging in het commentaarhok schoot het duo Van Gucht-Herygers uit zijn pedalen met een denigrerende opmerking over een uitstekend portret van de voormalige bondscoach dat in een weekendkrant was verschenen.

De kop was allesomvattend: ‘Acrobaat, drugsverslaafde en mentor van een gouden generatie’. Voor de supporters-met-micro in dat commentaarhok: zo’n portret van rozen met doornen, dat heet journalistiek.

Puur sportief was De Vlaeminck de allerbeste van de boerenstampers, Van der Poel is Zijne Koninklijke Hoogheid van het veldrijden. Majesteit Mathieu is nog correcter, ZKH was in Nederland de titel van Willem-Alexander toen die nog kroonprins was.

De vraag was welke Van der Poel we zouden zien. Die van Tokio 2021 en bij uitbreiding het mountainbiken, de overmoedige, die op een cruciale plek een cruciale fout maakt? Of de Van der Poel van de klassieke overwinningen op de weg, supergeconcentreerd, geen fouten en de zaak afmaken? Jammer voor de concurrentie, het was die laatste versie.

Ten bewijze: waar de meeste crossers over de twee balkjes sprongen, sprong Van der Poel nooit. “Ik moest er vooral voor zorgen dat ik niet door een mechanical in de problemen zou komen.” Dat hebben we Van der Poel nog nooit horen zeggen. Zijn secondant Tibor del Grosso perste er bij het laatste brugje nog een showjump uit. Ook dat liet hij voor de anderen: wereldtitel nummer acht primeerde.

Hij had al een gaatje in ronde één, waarop de latere zilveren en bronzen medailles Del Grosso en Thibau Nys terugkeerden, maar hij reed vanaf ronde twee een extra strak tempo dat niemand kon of wilde volgen. De wedstrijd reed hij uit zoals Tadej Pogacar als die voorop raakt: een kloofje uitbouwen, beveiligen en rustig binnenbollen.

Nu we van die onzindiscussie over de GOAT zijn verlost, zal het van nu tot volgende winter gaan over de vraag of de crosser in Van der Poel straks een schrikkelwinter neemt. Hij zei eerder dat hij dat te overwegen vond. De analisten koppelden de uitkomst van die overweging aan hoe hij dit voorjaar zou presteren.

Als hij pakweg weer de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix zou winnen of de Strade Bianche en Milaan-Sanremo en nog wat klein grut, dan zou hij blijven crossen. Als hij op de Oude Kwaremont, Le Tolfe of de Poggio geen antwoord zou hebben op Pogacar, dan zou hij een klassieke wintervoorbereiding overwegen.

Als Van der Poel slim is en zijn avontuurlijke aard volgt, is het logisch dat hij minstens één hele winter alleen op de weg traint. Minder crossen betekent meer langere trainingen, geen gedoe met het bovenlichaam dat je voor de cross wel nodig hebt, per maand scheelt dat een kilo. Van der Poel min drie kilo zonder krachtverlies is in het klassieke voorjaar de evenknie van Pogacar. Hij wordt volgende winter al 32, waar wacht die nog op?

Als dat hem ook nog te saai is, zie ik hem eerder nog trainen voor een ironman. Hij kan fietsen, dat is duidelijk. Hij kan ook lopen, bewijzen zijn Strava-uitjes. Nu nog beter zwemmen. Daarvoor is al een oplossing: op zijn golfclub speelt ook ene Ronald Gaastra en die twee hebben het daar al over gehad.

Column Kafkaiaans drama in De Morgen van zaterdag 31 januari 2026

Kafkaiaans drama

Mevrouw de sportminister,

U kent mij allicht niet. U zou mij misschien kunnen kennen als u eens op uw stuurgroep topsport was verschenen, zoals uw voorgangers, maar bon, u hebt het vast heel druk. Ik richt mij tot u per brief, niet om u de mantel uit te vegen, maar om u aan te zetten tot een beleidsdaad een sportminister waardig.

U weet dat u volgende week woensdag in de commissie Sport van het Vlaams Parlement een paar vragen op uw telloortje krijgt. Bogdan Vanden Berghe heeft zich terecht vastgebeten in het dossier van de vermeende fraude van de 3×3-basketballers op weg naar Tokio, alwaar ze zo’n mooi parcours aflegden.

Mooi parcours doet hier niet meer ter zake, omdat de vermeende fraude door een rechter is gekwalificeerd als echte fraude. Als gevolg daarvan en tot overmaat van ramp zijn straffen uitgesproken, boetes en schadevergoedingen toegekend.

Ten behoeve van de lezer van deze column even wat duiding. Toen 3×3 olympisch werd, kwamen de Belgen tot de vaststelling dat in België niet genoeg toernooien waren georganiseerd. Aangezien het voor de internationale bond FIBA volstond om toernooien aan te melden, hebben de spelers dat zo geflikt: nooit gespeelde toernooien aanmelden.

Daarmee waren ze nog lang niet op de Spelen, ze vrijwaarden daarmee wel hun sportief traject voor olympische kwalificatie, die ze later via twee toernooien sportief afdwongen. Daarna speelden ze in Tokio om de medailles, maar verloren. Geen vuiltje aan de lucht, tot een uit de ploeg gezette 3×3-speler uit rancune ging klikken.

Zowel de basketbalbond als het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) trok de paraplu open en diende een klacht in. Later zouden ook de Hongaren zich aanmelden als gedupeerde partij. Zij hadden in de finale wedstrijd om het laatste olympisch ticket verloren van onze koene Belgen.

Dit is een bagatel die nooit een zaak had mogen worden, maar dat werd het wel. Meer nog, inmiddels is het voor sommigen een nachtmerrie. Bijvoorbeeld voor die ene medewerker van de bond die, in een poging de spelers van stommiteiten te vrijwaren, een tip had gegeven hoe ze die toernooien moesten aanmelden zonder in het oog te lopen.

Samen met dat personeelslid (8.000 euro en 240 uur werkstraf) hebben ook de drie spelers een persoonlijke boete en werkstraf opgelegd gekregen. Het BOIC kreeg een schadevergoeding van 25.000 euro die met de rechtsplegingskosten is opgelopen tot ruim 34.000 euro, te betalen door die vier veroordeelden.

Vanden Berghe zal u vragen of u het normaal vindt dat de basketbalbond hier helemaal vrijuit gaat – gelukkig wees de rechter hun schadevergoeding af – hoewel de top van de bond ruim voor Tokio op de hoogte was dat er administratief wat (on)handigheidjes waren gepleegd.

Verder wijst hij er in zijn vraag op dat er nog een Hongaars zwaard van Damocles boven die vier hoofden hangt. De Hongaren hebben voorlopig 1 euro provisionele schadevergoeding gekregen en zullen misschien nog met een echte factuur afkomen.

Laten we de vragen waar u moet op antwoorden nog eens herhalen:

– Vindt de minister het rechtvaardig dat de huidige veroordeelden de boetes en schadeclaims moeten ophoesten, terwijl de CEO (van de basketbond) op de hoogte was?

– Vindt de minister dat met deze gang van zaken de échte verantwoordelijken gestraft worden?

– Welke maatregelen zult u nemen om er zeker van te zijn dat alle verantwoordelijken voor de feiten op een rechtmatige wijze mee de verantwoordelijkheid dragen?

– Wordt de raad van bestuur – die het vertrouwen behoudt in de CEO – nu aansprakelijk als de veroordeelden met de aanwijzingen uit de audit de schadeclaims die zij moeten dragen aanvechten?

Het enige juiste antwoord op de eerste twee vragen is twee keer ‘neen’. Voor het overige zal uw kabinet met wat ontwijkende antwoorden u uit de wind zetten, zo gaat dat. Ik vraag u evenwel met aandrang om over de partijgrenzen heen, voorbij meerderheid/oppositie, door een menselijke bril naar dit kafkaiaanse drama te kijken.

Nodig alle partijen uit en bespreek dit dossier in alle transparantie. Vraag aan het BOIC, nu hun onschuld is bevestigd in deze affaire, om die schadeclaim te laten vallen want die hebben echt nul schade geleden.

Verplicht de basketbaltop om hun eindverantwoordelijkheid in deze op te nemen. Zeg hen dat ze gaan onderhandelen met de Hongaren over die zogelegd geleden schade, dat ze desnoods de Belgian Cats als pasmunt gebruiken.

Als u een hart hebt voor sport, sluit alle paraplu’s, neem als crisismanager de boel in handen en beperk de schade voor die vier goedgelovigen, het Belgische/Vlaamse basketbal en de sport in het algemeen.

Column Extreem, extremer, extreemst in De Morgen van maandag 26 januari 2026

Extreem, extremer, extreemst

Ik heb een fascinatie voor bergen en vooral voor bergbeklimmers. Twee keer heb ik de grote Reinhold Messner mogen interviewen. Durven interviewen, want Messner stond bekend om zijn humeur. Kunnen interviewen ook, beslagen genoeg op het ijs komen en vooral vermijden dat je over de dood van zijn broer begon.

Uiteindelijk begon hij de tweede keer in 2005, gezeten in een van zijn kasteeltjes (Juval voor de geïnteresseerden) er zelf over. Zijn broer was net teruggevonden en zijn theorie, dat hij zijn broer niét levend had achtergelaten tijdens de klim maar dat ze tijdens de afdaling in een lawine elkaar kwijt waren geraakt, was eindelijk bewezen door de plek waar het lijk was gevonden.

Dat drama waarbij hij zelf meer dood dan levend werd gered door een lokale herder voltrok zich in 1970 op de Nanga Parbat, een van de meest dodelijke bergen in de Himalaya. In die periode overleefden drie op de vier klimmers die klim niet. Vandaag geeft nog steeds een op de vijf de geest op de Killer Mountain. Voor wie niet genoeg krijgt van de doden: de Annapurna is historisch gezien de meest dodelijke met een op drie klimmers die overlijden tijdens de klim of de afdaling.

Messner was in 1986 de eerste die alle veertien achtduizenders bedwong zonder gebruik te maken van extra zuurstof. Zijn eerste achtduizender was overigens die Nanga Parbat waar het zo slecht afliep voor broer Gunther.

Fast forward naar 2021: Netflix brengt 14 Peaks: Nothing Is Impossible uit, een film over Nirma Purja die alle veertien achtduizenders beklimt in zes maanden en zes dagen tijd. Soms zonder, meestal met zuurstof. Purja is een Nepalees met een Brits paspoort, die via de Ghurkas – een Indiaas contingent in het Britse leger – uiteindelijk in de Royal Navy belandt als lid van de Special Boat Service, een illustere afdeling van de Special Forces.

Purja was gespecialiseerd in – hoe kan het ook anders – cold weather warfare. Zijn record van snelste opeenvolgende beklimmingen zou in 2023 worden verbroken door Kristin Harila en Tenjen Sherpa. Zij verbraken het record door in minder dan drie maanden (92 dagen) alle veertien toppen te bereiken.

Harila, een Noorse Sami-vrouw en voormalige bescheiden langlaufster, en Tenjen Sherpa misten hun eerste poging om binnen zes maanden als eerste vrouw de veertien toppen te halen omdat China haar in 2022 geen toestemming verleende voor de laatste twee toppen.

Toen die in 2023 wel binnen was, deden ze het dan maar in drie maanden. In één jaar tijd hadden Harila en Tenjen zo noodgedwongen 26 achtduizenders bedwongen. Later dat jaar zou Tenjen Sherpa verongelukken. Dat staat allemaal te lezen op Wikipedia, en dat heb ik pas ontdekt toen ik naar wat achtergrond over Purja zocht.

Waarom wist ik daar niet eerder van? Simpel: Netflix was er niet bij. De kijkcijfers van de 101 minuten durende docu waren niet bijster goed. Wie de film heeft gezien, vindt hem fantastisch, maar wie heeft de film gezien? Gevolg: Kristin Harila en Tenjen Sherpa zijn nobele onbekenden.

Dat is anders met Alex Honnold, die ook namens Netflix zondag de Taipei 101 naar boven klauterde. Hier geen sneeuw, geen gebrek aan zuurstof, geen achtduizend maar slechts een luizige vijfhonderd meter in het spel. Geen montage achteraf.

Gewoon een man die live langs een torengebouw naar boven klimt. In anderhalf uur. Cameraatje of twee in de buurt, een drone en een bodycam, en huppakee, kassa voor Netflix. En vooral: geen beveiliging. Extreem, extremer, extreemst.

Ik heb Netflix, maar ik weet niet of ik zal kijken, nu ik weet dat Honnold niet is gevallen. Als hij was gevallen, zou ik zeker niet kijken. Het is ook maar anderhalf uur dezelfde stalen buizen vastnemen en je naar boven hijsen, te digitaal, te gekunsteld, te artificieel en niet intelligent genoeg. Plus daarbij de lelijke backdrop: een torenflat is geen berg.

Als ik op een ladder sta van vier meter krijg ik al slappe knieën, dus is het niet aan mij om de fenomenale prestatie van Honnold ter relativeren. Maar als een prestatie pas telt als ze op Netflix komt, is er iets fundamenteels mis met onze waardenschaal.

Live kijken, wie daar zin in had en geen slappe knieën kreeg, kon dat doen. Al zaten er tien seconden tussen. Je weet nooit dat Alex ter hoogte van de 65ste verdieping een appelflauwte zou krijgen.

Honnold zei dat hij hoopte mensen te inspireren. “Als er iets is wat mensen moeten onthouden, dan wel dat hun tijd eindig is en dat ze die zo goed mogelijk moeten gebruiken.” Of onbeveiligd tegen een gebouw opklauteren kan worden gecatalogiseerd als je tijd goed gebruiken, daar is de jury het niet over eens.

Column Toevalmodel in De Morgen van zaterdag 24 januari 2026

Toevalmodel

Theo Bos is vorige week voorgesteld als de nieuwe sprintcoach die de Belgische baanwielrenners naar een hoger niveau moet tillen.

Nog een Nederlander. Dat liet een collega weten. Zonder emoji of leestekens, dus een neutrale en juiste waarneming. Er zijn nogal wat Nederlanders aan de slag in de Belgische topsport: voetbal niet meegeteld, dertien na een ruwe telling. Omgekeerd zitten geen zichtbare Belgen op cruciale posities in de Nederlandse topsport. Correcties op deze vaststelling zijn altijd welkom.

Belgische topsport? Dat moet Vlaamse topsport zijn. Omdat Sport Vlaanderen de motor en financierende instantie is van die contracten komen haast alle Nederlanders via een Vlaamse subsidie de Belgische sport binnen.

Daar is niet iedereen even blij mee. Te beginnen over de taalgrens, waar Nederlanders snel worden weggezet als Fransonkundig, luidruchtig, arrogant, betweterig. Wat ze ook soms zijn, maar daar moet onmiddellijk bij vermeld dat een Belg die zich zo gedraagt het aura van een orakel krijgt.

En nu een quizvraagje: welke Nederlander, denkt u, heeft de grootste invloed gehad op de Belgische topsportresultaten? Na wat graven in de historie zal ongetwijfeld de naam van Ronald Gaastra opduiken. Logisch, Gaastra heeft olympisch goud behaald in 1996 met Fred Deburghgraeve op de 100 meter schoolslag en het zilver van Pieter Timmers in 2016 op de 100 meter vrije slag was al bijna even straf.

Gaastra deed het een beetje op een eiland en van een echte Gaastra-nalatenschap is om diverse redenen nooit sprake geweest. Zijn sporthart zit er wel nog: hij is de trainer achter Freya Aelbrecht, de voormalige topvolleybalspeelster die een gooi doet naar een olympische selectie in het langeafstandszwemmen.

Alle verdiensten van Gaastra ten spijt, dringt een andere naam zich op: Bert Wentink. Als u van deze man nooit hebt gehoord, weet dan dat hij de architect was van de cultuurshift in het Belgische hockey: hobbyisme werd professionalisme.

Wentink zette mee de juiste mensen op de juiste plek, ging geld zoeken waar het te vinden was en deed dat in een perfect werkende Belgische constructie samen met de Franstalige hockeyvoorzitter Marc Caudron. Wentink was de stille motor achter de hockeymedailles van de enige echte Belgische gouden generatie: zonder hem wellicht geen olympisch zilver en goud, wereld- en Europees kampioen.

Een derde naam, nog minder bekend, ligt aan de basis van enkele decennia Belgische judosuccessen. Leo ten Haaf was de coach, trainer, goeroe, begeleider van Robert Van de Walle op weg naar zijn judogoud op de Spelen van Moskou in 1980. De getormenteerde ziel Ten Haaf stapte twee maanden voor de Spelen uit het leven, maar het goede was geschied. Van de Walle zat op het Ten Haaf-spoor, klopte de Russische leeuw in zijn hol en bereidde zo de weg voor de generaties hardwerkende, succesvolle judoka’s die zouden volgen.

Nederlanders die in Vlaanderen aan de slag gaan zouden best een inburgeringscursus volgen, kwestie van niet te veel te schrikken.

Neem nu de politisering van de topsport. Waar in Nederland de topsportpolitiek de opdracht is van een grote superbond als het NOC*NSF samen met de betrokken sportbond waar de werknemers de dienst uitmaken, is dat in België/Vlaanderen helemaal anders.

Een tegenhanger voor het NOC*NSF is er niet. Het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité heeft meer praatjes dan geld, kennis en hefbomen om op de topsport te wegen. Tot grote ergernis van dat BOIC ligt de macht bij staatsagentschappen, in Vlaanderen is dat Sport Vlaanderen. De macht ligt in de bonden dan weer bij de bondsbesturen, die vaak denken het beter te weten dan hun verondersteld competente en betaalde stafleden.

Nederlanders denken vaak iets rechtlijniger dan Belgen. Iedereen plezieren vinden ze een onmogelijke evenwichtsoefening en kiezen sneller voor my way or the highway. Topsport is geen democratie, las ik recent in een Nederlands pamflet. Terecht.

In die inburgeringscursus moet de Nederlanders worden ingepeperd dat my way or the highway alleen wordt aanvaard van geboren Belgen. Buitenlanders moeten zich verplicht eerst de kunst van het Belgische compromis eigen maken.

Verder moeten ze niet denken dat receptuur die in alle andere landen werkt zomaar op Vlaanderen/België kan worden toegepast. Neem nu het groeperen van kennis, middelen en mensen op een daartoe ideale plek. In Vlaanderen is dat allesbehalve logisch en zweert men bij het versnipperde toevalmodel. De regel en tevens de valkuil is: als efficiëntie zich opdringt, zal de Belgische topsport inefficiëntie omarmen.