Column Eigen schuld in De Morgen van maandag 9 februari 2026

Eigen Schuld

Het tijdstip kan ik fout hebben – ik denk dat het ergens in de lente van 1992 was. De setting was de raad van bestuur van het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité waar ik toen als jonge directeur communicatie deel van uitmaakte, maar half zo oud als de meeste bestuurders geacht werd mijn mond te houden.

Dat lukte meestal aardig, ook toen die ene dag de selectie voor de Olympische Spelen van Barcelona aan bod kwam en wel meer in het bijzonder de vraag: “Wat met Robert Van de Walle?”. Of het wel wijs was om hem te selecteren, gezien diens belabberde medische plaatsbeschrijving en het risico op blessures.

De voorzitter, Jacques Rogge, nam het woord en vond dat Van de Walle beter niet zou worden geselecteerd. Hij was ‘een wandelende ambulance’, dat waren zijn exacte woorden. Ik sprong net niet uit mijn vel, maar hield mijn mond, behalve dat ik er de gestelde lichamen beleefd op wees dat we dat gevecht met Van de Walle en de media nooit zouden winnen.

Lang verhaal kort: men besloot hem mee te nemen, met flinke tegenzin. Van de Walle zou aan Barcelona een (nog meer) gehavende schouder overhouden, een mooie zevende plek en vooral die staande ovatie in Palau Blaugrana, inclusief het kippenvel dat mij ook nu weer overvalt.

Rogge was bij alle operaties van de atleet Van de Walle de behandelende chirurg. In een van onze vele latere gesprekken heb ik hem gevraagd wat hem toen bezielde om daar zo flagrant het medisch geheim te schenden en hoe onrespectvol dat wel niet was tegenover een monument als Van de Walle.

Rogge kon onder vier ogen wel wat tegenwind verdragen en argumenteerde dat hij in zijn lange loopbaan als orthopedist wel vaker had gezien hoe – haarfijn voorspeld door hem of collega’s – een atleet zichzelf in de vernieling sportte. Dat het recht op zelfbeschikking van zo’n atleet niet oneindig was en dat als je de gewone mens medisch tegen zichzelf in bescherming moet nemen, je dat misschien nog meer met de topsporter zou moeten kunnen.

Dat was 33 jaar geleden. Vandaag is het recht op zelfbeschikking van het individu maximaal. Iedereen moet zichzelf kunnen zijn, iedereen moet alles kunnen doen/wagen om zich te kunnen ontplooien. Dat kan gaan van niet willen opgaan in een team, tot de meest gekke dingen doen om een carrière in stand te houden, al dan niet verpakt in een sausje van passie, en dat alles uiteraard gestreamd.

Toen de Amerikaanse skiester en ski-ster Lindsey Vonn twee weken geleden haar voorste kruisband in haar linkerknie afscheurde en kort daarna aangaf met een brace de olympische afdaling toch te willen skiën, stelde ik op X de vraag aan de orthopedisten van de wereld: “Verbeter mij als ik mis ben, maar dit lijkt geen goed idee.”

Ik weet wat Rogge had geantwoord. Sommige artsen vonden het waanzin, anderen vonden het dan weer ‘te doen’. Jawel, twee trainingsruns en nog eens dertien seconden in de echte wedstrijd. Vervolgens miste Lindsey Vonn haar tweede bocht. Dat was geen uitschuivertje maar een moordcrash waarbij ze van alles in haar lichaam naar de filistijnen hielp. Details volgen nog.

Haar geschreeuw en gehuil toen de medische diensten haar ski’s losmaakten ging door merg en been. Hadden de duizenden toeschouwers beneden in de vallei dat vreselijke achtergrondgeluid meegekregen, ze hadden wel nagelaten om te applaudisseren toen ze Vonn voor de tweede keer in twee weken door een helikopter van de piste zagen getakeld.

Medelijden? Een heel klein beetje met Vonn. Meer nog met de skiesters die na haar moesten komen en met nog enkele minuten te gaan hun opwarming netjes hadden ingecalculeerd, maar nu ineens een oponthoud van twintig minuten voor de kiezen kregen. Het was een crash en een crash kan gebeuren, maar niet zo, niet daar en niet zo vroeg. Zoals de stoutste commentaren meteen scherp stelden: dit was self-inflicted, eigen schuld.

Het is inherent aan topsporters om te pushen tot het uiterste, maar ergens moet door iemand in de entourage een grens worden getrokken. In Vonns geval had dat haar coach Aksel Lund Svindal moeten zijn, die na de trainingen zei dat ze onbewust meer op haar rechterknie landde dan op links, waar geen voorste kruisbandfunctie meer zat.

Hij zag daar geen graten in. In de rechterknie van Vonn, voor alle duidelijkheid, zit al een half vervangstuk in titanium in. Ze was al een half medisch wonder, maar ze wilde zo nodig een heel medisch mirakel zijn. “Morgen (na de wedstrijd, dus gisteren) zal je een andere Lindsey Vonn spreken”, zei Svindal. Misschien was hij niet de juiste man op de juiste plek om Vonn tegen zichzelf te beschermen. Zoekt u maar eens op – Svindal, crash, Streif – dan weet u het meteen.

Column Friese Alpen in De Morgen van zaterdag 7 februari 2026

Friese Alpen

Eerst even iets om mee te scoren op een uitgestelde nieuwjaarsdis. Wist u dat de eerste olympische wintersporten al in 1920 op het programma stonden, in Antwerpen, jawel? Het Palais de Glace d’Anvers of het IJspaleis, zo heette de plek waar in 1920 zowel kunstschaatsen als ijshockey plaatsvond.

Omdat in die tijd de koeling van een hele hal in de zomer technisch nog niet mogelijk was, werden kunstschaatsen en ijshockey naar de maand april verschoven. In de mooie lente van 1920 werd vaker op water dan op ijs geschaatst.

Dat gebeurde allemaal in de Henri Van Heurckstraat, die in 1920 nog de Gezondheidsstraat heette. Het gebouw werd zoals de meeste olympische sites van 1920 niet gekoesterd, maar raakte geleidelijk uitgewoond als garage, stalling voor taxi’s en uiteindelijk parkeergarage.

In 2016 was het definitief afgelopen met het laatste fysieke overblijfsel van die al bij al memorabele Antwerpse Olympische Spelen en werd het IJspaleis gesloopt om plaats te maken voor appartementen. Het zegt wat over hoe wij omgaan met sportgeschiedenis.

De Winterspelen zijn de intiemste, schattigste, meest relaxte en dus voor sommige liefhebbers de mooiste van alle Spelen, maar ze komen altijd weer een maand te laat. Als bij ons de lente al heel af en toe om de hoek komt piepen, pas dan gaan ze ergens in de wereld op ijs en sneeuw om de olympische medailles skiën, schaatsen, glijden, springen en wat al niet meer.

De eerste Olympische Winterspelen van Chamonix, toen nog een Olympisch Festival, zijn in 1924 geëindigd op de dag dat ze dit jaar beginnen en dat is vandaag. Toen waren er nog geen Paralympics en die worden dit jaar pas in maart geprogrammeerd. Van 6 tot 15 maart, als het u zou interesseren. Laat maar, op de papsneeuw van de Paralympische Winterspelen gebeuren elk jaar weer de vreselijkste ongelukken met mensen die meestal voordien al wat te verduren hadden.

Ook op de valide Winterspelen overigens. De olympische leuze ‘citius, altius, fortius’ of ‘sneller, hoger, sterker’ heet op de Winterspelen ‘citius, acutius, letalius’ of ‘sneller, gevaarlijker, dodelijker’. Dat geldt niet voor het prille begin, toen het nog om spel en elegant vermaak op sneeuw en ijs ging. De dag dat de snelheid zijn intrede deed, kwamen de ongelukken. Alle vijf doden op de Winterspelen vielen na 1964. Sinds Rome 1960 en de zware val van de wielrenner Knud Enemark Jensen – neen, geen dopingdode, maar dat is een andere discussie – is op de Zomerspelen geen dode meer gevallen.

Hoe het Internationaal Olympisch Comité zal omgaan met zijn Winterspelen zal vooral iets zeggen over het intelligentieniveau van de leiding van deze club. Het paniekverhaal dat er tegen 2040 nog maar in tien landen op de hele planeet zou kunnen worden gewintersport, houdt geen rekening met de realiteit.

Die realiteit is simpel: voor de meeste bergsporten heb je geen neerslag nodig, een beetje koude op tijd en stond – als de zon ondergaat en ’s nachts bijvoorbeeld – volstaat. Tot voor een paar weken lag op de zuidgerichte hellingen van de Dolomieten geen centimeter sneeuw, behalve dan op de skipistes.

Zelf ondervonden: die waren perfect geprepareerd. Elke avond werd het sneeuwkanon aangezet, een Noord-Italiaanse vinding overigens. Daarna passeerden de bully’s en elke ochtend waar nodig werd nog wat extra sneeuw gespoten. Ja, je skiet dan op een witte streep door een bruin landschap, maar dat went.

Wat u ook leest en wat men er ook van zegt: kunstsneeuw is nog altijd de beste sneeuw. Tenzij het hard begint te vriezen, ook overdag. Dan worden de heerlijk geprepareerde en krakende pistes een soort beton- en ijsvlaktes en is de lol eraf. Voor u en mij althans, want de echte skiërs van de Winterspelen hebben niks liever dan hard en ijzig.

Bovendien houdt men geen rekening met de technologische vooruitgang. Het 500 miljard dollar kostende NEOM-project en het bijbehorende skioord Trojena mag dan wat vertragingen hebben opgelopen, waardoor de Aziatische Winterspelen van 2029 een nieuwe locatie moeten zoeken, de Saudi’s zijn nog altijd van plan te skiën aan de Rode Zee. Als het daar kan, kan het straks overal.

Een beter plan zou zijn om de Winterspelen snel in te plannen in bestaande competitieplaatsen met naam en faam. Dat gebeurt nu al min of meer met een spreiding over Milaan, Bormio, Livigno en Cortina. Dat is ook het plan over vier jaar in de Franse Alpen. Daar zoekt men alleen nog een 400-meterschaatsbaan. De biedingen zijn inmiddels binnen: Thialf in Heerenveen is de koploper om in de Friese Alpen het olympische schaatsen te hosten.

Column Majesteit Mathieu in De Morgen van maandag 2 februari 2026

Majesteit Mathieu

Deze week vroeg ik aan de deelnemers van de Cycling Academy of ze zich naast veldrijden nog een andere sport of discipline voor de geest konden halen waarin één atleet zonder te veel ongelukken altijd alles wint en dan nog met een gigantische marge.

Iemand suggereerde Armand ‘Mondo’ Duplantis. Point taken. In het polsstokspringen is het misschien nog opvallender. Mathieu van der Poel begint ten minste nog samen met de anderen aan de wedstrijd, Duplantis begint pas te springen op een hoogte als het grootste deel van de tegenstand drie keer de lat eraf heeft gegooid.

Polsstokspringen is dan ook het veldrijden van de atletiek: één kan het supergoed, de rest denkt dat ze het kunnen. Bij uitbreiding is veldrijden of crosscountry een bij uitstek Vlaamse sport waarin een paar Nederlanders (m/v) alles winnen.

Sinds gisteren is dat ook historisch een datafeit: niemand heeft meer wereldtitels gewonnen dan de Nederlander Van der Poel, die in Hulst zijn achtste pakte. Het was de hele week te doen om de titel van GOAT, greatest of all time, of de vraag of Van der Poel wijlen de Belg Erik De Vlaeminck zou onttronen.

Alsof De Vlaeminck met zijn zeven wereldtitels tot gisteren mede-GOAT was. Niet dus. De Vlaeminck heeft behalve één etappe in de Ronde van Frankrijk van 1968 nooit iets van belang gewonnen op de weg. En hij is meer dan één keer behoorlijk uit de bocht gegaan.

Toen het over De Vlaeminck ging in het commentaarhok schoot het duo Van Gucht-Herygers uit zijn pedalen met een denigrerende opmerking over een uitstekend portret van de voormalige bondscoach dat in een weekendkrant was verschenen.

De kop was allesomvattend: ‘Acrobaat, drugsverslaafde en mentor van een gouden generatie’. Voor de supporters-met-micro in dat commentaarhok: zo’n portret van rozen met doornen, dat heet journalistiek.

Puur sportief was De Vlaeminck de allerbeste van de boerenstampers, Van der Poel is Zijne Koninklijke Hoogheid van het veldrijden. Majesteit Mathieu is nog correcter, ZKH was in Nederland de titel van Willem-Alexander toen die nog kroonprins was.

De vraag was welke Van der Poel we zouden zien. Die van Tokio 2021 en bij uitbreiding het mountainbiken, de overmoedige, die op een cruciale plek een cruciale fout maakt? Of de Van der Poel van de klassieke overwinningen op de weg, supergeconcentreerd, geen fouten en de zaak afmaken? Jammer voor de concurrentie, het was die laatste versie.

Ten bewijze: waar de meeste crossers over de twee balkjes sprongen, sprong Van der Poel nooit. “Ik moest er vooral voor zorgen dat ik niet door een mechanical in de problemen zou komen.” Dat hebben we Van der Poel nog nooit horen zeggen. Zijn secondant Tibor del Grosso perste er bij het laatste brugje nog een showjump uit. Ook dat liet hij voor de anderen: wereldtitel nummer acht primeerde.

Hij had al een gaatje in ronde één, waarop de latere zilveren en bronzen medailles Del Grosso en Thibau Nys terugkeerden, maar hij reed vanaf ronde twee een extra strak tempo dat niemand kon of wilde volgen. De wedstrijd reed hij uit zoals Tadej Pogacar als die voorop raakt: een kloofje uitbouwen, beveiligen en rustig binnenbollen.

Nu we van die onzindiscussie over de GOAT zijn verlost, zal het van nu tot volgende winter gaan over de vraag of de crosser in Van der Poel straks een schrikkelwinter neemt. Hij zei eerder dat hij dat te overwegen vond. De analisten koppelden de uitkomst van die overweging aan hoe hij dit voorjaar zou presteren.

Als hij pakweg weer de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix zou winnen of de Strade Bianche en Milaan-Sanremo en nog wat klein grut, dan zou hij blijven crossen. Als hij op de Oude Kwaremont, Le Tolfe of de Poggio geen antwoord zou hebben op Pogacar, dan zou hij een klassieke wintervoorbereiding overwegen.

Als Van der Poel slim is en zijn avontuurlijke aard volgt, is het logisch dat hij minstens één hele winter alleen op de weg traint. Minder crossen betekent meer langere trainingen, geen gedoe met het bovenlichaam dat je voor de cross wel nodig hebt, per maand scheelt dat een kilo. Van der Poel min drie kilo zonder krachtverlies is in het klassieke voorjaar de evenknie van Pogacar. Hij wordt volgende winter al 32, waar wacht die nog op?

Als dat hem ook nog te saai is, zie ik hem eerder nog trainen voor een ironman. Hij kan fietsen, dat is duidelijk. Hij kan ook lopen, bewijzen zijn Strava-uitjes. Nu nog beter zwemmen. Daarvoor is al een oplossing: op zijn golfclub speelt ook ene Ronald Gaastra en die twee hebben het daar al over gehad.

Column Kafkaiaans drama in De Morgen van zaterdag 31 januari 2026

Kafkaiaans drama

Mevrouw de sportminister,

U kent mij allicht niet. U zou mij misschien kunnen kennen als u eens op uw stuurgroep topsport was verschenen, zoals uw voorgangers, maar bon, u hebt het vast heel druk. Ik richt mij tot u per brief, niet om u de mantel uit te vegen, maar om u aan te zetten tot een beleidsdaad een sportminister waardig.

U weet dat u volgende week woensdag in de commissie Sport van het Vlaams Parlement een paar vragen op uw telloortje krijgt. Bogdan Vanden Berghe heeft zich terecht vastgebeten in het dossier van de vermeende fraude van de 3×3-basketballers op weg naar Tokio, alwaar ze zo’n mooi parcours aflegden.

Mooi parcours doet hier niet meer ter zake, omdat de vermeende fraude door een rechter is gekwalificeerd als echte fraude. Als gevolg daarvan en tot overmaat van ramp zijn straffen uitgesproken, boetes en schadevergoedingen toegekend.

Ten behoeve van de lezer van deze column even wat duiding. Toen 3×3 olympisch werd, kwamen de Belgen tot de vaststelling dat in België niet genoeg toernooien waren georganiseerd. Aangezien het voor de internationale bond FIBA volstond om toernooien aan te melden, hebben de spelers dat zo geflikt: nooit gespeelde toernooien aanmelden.

Daarmee waren ze nog lang niet op de Spelen, ze vrijwaarden daarmee wel hun sportief traject voor olympische kwalificatie, die ze later via twee toernooien sportief afdwongen. Daarna speelden ze in Tokio om de medailles, maar verloren. Geen vuiltje aan de lucht, tot een uit de ploeg gezette 3×3-speler uit rancune ging klikken.

Zowel de basketbalbond als het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) trok de paraplu open en diende een klacht in. Later zouden ook de Hongaren zich aanmelden als gedupeerde partij. Zij hadden in de finale wedstrijd om het laatste olympisch ticket verloren van onze koene Belgen.

Dit is een bagatel die nooit een zaak had mogen worden, maar dat werd het wel. Meer nog, inmiddels is het voor sommigen een nachtmerrie. Bijvoorbeeld voor die ene medewerker van de bond die, in een poging de spelers van stommiteiten te vrijwaren, een tip had gegeven hoe ze die toernooien moesten aanmelden zonder in het oog te lopen.

Samen met dat personeelslid (8.000 euro en 240 uur werkstraf) hebben ook de drie spelers een persoonlijke boete en werkstraf opgelegd gekregen. Het BOIC kreeg een schadevergoeding van 25.000 euro die met de rechtsplegingskosten is opgelopen tot ruim 34.000 euro, te betalen door die vier veroordeelden.

Vanden Berghe zal u vragen of u het normaal vindt dat de basketbalbond hier helemaal vrijuit gaat – gelukkig wees de rechter hun schadevergoeding af – hoewel de top van de bond ruim voor Tokio op de hoogte was dat er administratief wat (on)handigheidjes waren gepleegd.

Verder wijst hij er in zijn vraag op dat er nog een Hongaars zwaard van Damocles boven die vier hoofden hangt. De Hongaren hebben voorlopig 1 euro provisionele schadevergoeding gekregen en zullen misschien nog met een echte factuur afkomen.

Laten we de vragen waar u moet op antwoorden nog eens herhalen:

– Vindt de minister het rechtvaardig dat de huidige veroordeelden de boetes en schadeclaims moeten ophoesten, terwijl de CEO (van de basketbond) op de hoogte was?

– Vindt de minister dat met deze gang van zaken de échte verantwoordelijken gestraft worden?

– Welke maatregelen zult u nemen om er zeker van te zijn dat alle verantwoordelijken voor de feiten op een rechtmatige wijze mee de verantwoordelijkheid dragen?

– Wordt de raad van bestuur – die het vertrouwen behoudt in de CEO – nu aansprakelijk als de veroordeelden met de aanwijzingen uit de audit de schadeclaims die zij moeten dragen aanvechten?

Het enige juiste antwoord op de eerste twee vragen is twee keer ‘neen’. Voor het overige zal uw kabinet met wat ontwijkende antwoorden u uit de wind zetten, zo gaat dat. Ik vraag u evenwel met aandrang om over de partijgrenzen heen, voorbij meerderheid/oppositie, door een menselijke bril naar dit kafkaiaanse drama te kijken.

Nodig alle partijen uit en bespreek dit dossier in alle transparantie. Vraag aan het BOIC, nu hun onschuld is bevestigd in deze affaire, om die schadeclaim te laten vallen want die hebben echt nul schade geleden.

Verplicht de basketbaltop om hun eindverantwoordelijkheid in deze op te nemen. Zeg hen dat ze gaan onderhandelen met de Hongaren over die zogelegd geleden schade, dat ze desnoods de Belgian Cats als pasmunt gebruiken.

Als u een hart hebt voor sport, sluit alle paraplu’s, neem als crisismanager de boel in handen en beperk de schade voor die vier goedgelovigen, het Belgische/Vlaamse basketbal en de sport in het algemeen.

Column Extreem, extremer, extreemst in De Morgen van maandag 26 januari 2026

Extreem, extremer, extreemst

Ik heb een fascinatie voor bergen en vooral voor bergbeklimmers. Twee keer heb ik de grote Reinhold Messner mogen interviewen. Durven interviewen, want Messner stond bekend om zijn humeur. Kunnen interviewen ook, beslagen genoeg op het ijs komen en vooral vermijden dat je over de dood van zijn broer begon.

Uiteindelijk begon hij de tweede keer in 2005, gezeten in een van zijn kasteeltjes (Juval voor de geïnteresseerden) er zelf over. Zijn broer was net teruggevonden en zijn theorie, dat hij zijn broer niét levend had achtergelaten tijdens de klim maar dat ze tijdens de afdaling in een lawine elkaar kwijt waren geraakt, was eindelijk bewezen door de plek waar het lijk was gevonden.

Dat drama waarbij hij zelf meer dood dan levend werd gered door een lokale herder voltrok zich in 1970 op de Nanga Parbat, een van de meest dodelijke bergen in de Himalaya. In die periode overleefden drie op de vier klimmers die klim niet. Vandaag geeft nog steeds een op de vijf de geest op de Killer Mountain. Voor wie niet genoeg krijgt van de doden: de Annapurna is historisch gezien de meest dodelijke met een op drie klimmers die overlijden tijdens de klim of de afdaling.

Messner was in 1986 de eerste die alle veertien achtduizenders bedwong zonder gebruik te maken van extra zuurstof. Zijn eerste achtduizender was overigens die Nanga Parbat waar het zo slecht afliep voor broer Gunther.

Fast forward naar 2021: Netflix brengt 14 Peaks: Nothing Is Impossible uit, een film over Nirma Purja die alle veertien achtduizenders beklimt in zes maanden en zes dagen tijd. Soms zonder, meestal met zuurstof. Purja is een Nepalees met een Brits paspoort, die via de Ghurkas – een Indiaas contingent in het Britse leger – uiteindelijk in de Royal Navy belandt als lid van de Special Boat Service, een illustere afdeling van de Special Forces.

Purja was gespecialiseerd in – hoe kan het ook anders – cold weather warfare. Zijn record van snelste opeenvolgende beklimmingen zou in 2023 worden verbroken door Kristin Harila en Tenjen Sherpa. Zij verbraken het record door in minder dan drie maanden (92 dagen) alle veertien toppen te bereiken.

Harila, een Noorse Sami-vrouw en voormalige bescheiden langlaufster, en Tenjen Sherpa misten hun eerste poging om binnen zes maanden als eerste vrouw de veertien toppen te halen omdat China haar in 2022 geen toestemming verleende voor de laatste twee toppen.

Toen die in 2023 wel binnen was, deden ze het dan maar in drie maanden. In één jaar tijd hadden Harila en Tenjen zo noodgedwongen 26 achtduizenders bedwongen. Later dat jaar zou Tenjen Sherpa verongelukken. Dat staat allemaal te lezen op Wikipedia, en dat heb ik pas ontdekt toen ik naar wat achtergrond over Purja zocht.

Waarom wist ik daar niet eerder van? Simpel: Netflix was er niet bij. De kijkcijfers van de 101 minuten durende docu waren niet bijster goed. Wie de film heeft gezien, vindt hem fantastisch, maar wie heeft de film gezien? Gevolg: Kristin Harila en Tenjen Sherpa zijn nobele onbekenden.

Dat is anders met Alex Honnold, die ook namens Netflix zondag de Taipei 101 naar boven klauterde. Hier geen sneeuw, geen gebrek aan zuurstof, geen achtduizend maar slechts een luizige vijfhonderd meter in het spel. Geen montage achteraf.

Gewoon een man die live langs een torengebouw naar boven klimt. In anderhalf uur. Cameraatje of twee in de buurt, een drone en een bodycam, en huppakee, kassa voor Netflix. En vooral: geen beveiliging. Extreem, extremer, extreemst.

Ik heb Netflix, maar ik weet niet of ik zal kijken, nu ik weet dat Honnold niet is gevallen. Als hij was gevallen, zou ik zeker niet kijken. Het is ook maar anderhalf uur dezelfde stalen buizen vastnemen en je naar boven hijsen, te digitaal, te gekunsteld, te artificieel en niet intelligent genoeg. Plus daarbij de lelijke backdrop: een torenflat is geen berg.

Als ik op een ladder sta van vier meter krijg ik al slappe knieën, dus is het niet aan mij om de fenomenale prestatie van Honnold ter relativeren. Maar als een prestatie pas telt als ze op Netflix komt, is er iets fundamenteels mis met onze waardenschaal.

Live kijken, wie daar zin in had en geen slappe knieën kreeg, kon dat doen. Al zaten er tien seconden tussen. Je weet nooit dat Alex ter hoogte van de 65ste verdieping een appelflauwte zou krijgen.

Honnold zei dat hij hoopte mensen te inspireren. “Als er iets is wat mensen moeten onthouden, dan wel dat hun tijd eindig is en dat ze die zo goed mogelijk moeten gebruiken.” Of onbeveiligd tegen een gebouw opklauteren kan worden gecatalogiseerd als je tijd goed gebruiken, daar is de jury het niet over eens.

Column Toevalmodel in De Morgen van zaterdag 24 januari 2026

Toevalmodel

Theo Bos is vorige week voorgesteld als de nieuwe sprintcoach die de Belgische baanwielrenners naar een hoger niveau moet tillen.

Nog een Nederlander. Dat liet een collega weten. Zonder emoji of leestekens, dus een neutrale en juiste waarneming. Er zijn nogal wat Nederlanders aan de slag in de Belgische topsport: voetbal niet meegeteld, dertien na een ruwe telling. Omgekeerd zitten geen zichtbare Belgen op cruciale posities in de Nederlandse topsport. Correcties op deze vaststelling zijn altijd welkom.

Belgische topsport? Dat moet Vlaamse topsport zijn. Omdat Sport Vlaanderen de motor en financierende instantie is van die contracten komen haast alle Nederlanders via een Vlaamse subsidie de Belgische sport binnen.

Daar is niet iedereen even blij mee. Te beginnen over de taalgrens, waar Nederlanders snel worden weggezet als Fransonkundig, luidruchtig, arrogant, betweterig. Wat ze ook soms zijn, maar daar moet onmiddellijk bij vermeld dat een Belg die zich zo gedraagt het aura van een orakel krijgt.

En nu een quizvraagje: welke Nederlander, denkt u, heeft de grootste invloed gehad op de Belgische topsportresultaten? Na wat graven in de historie zal ongetwijfeld de naam van Ronald Gaastra opduiken. Logisch, Gaastra heeft olympisch goud behaald in 1996 met Fred Deburghgraeve op de 100 meter schoolslag en het zilver van Pieter Timmers in 2016 op de 100 meter vrije slag was al bijna even straf.

Gaastra deed het een beetje op een eiland en van een echte Gaastra-nalatenschap is om diverse redenen nooit sprake geweest. Zijn sporthart zit er wel nog: hij is de trainer achter Freya Aelbrecht, de voormalige topvolleybalspeelster die een gooi doet naar een olympische selectie in het langeafstandszwemmen.

Alle verdiensten van Gaastra ten spijt, dringt een andere naam zich op: Bert Wentink. Als u van deze man nooit hebt gehoord, weet dan dat hij de architect was van de cultuurshift in het Belgische hockey: hobbyisme werd professionalisme.

Wentink zette mee de juiste mensen op de juiste plek, ging geld zoeken waar het te vinden was en deed dat in een perfect werkende Belgische constructie samen met de Franstalige hockeyvoorzitter Marc Caudron. Wentink was de stille motor achter de hockeymedailles van de enige echte Belgische gouden generatie: zonder hem wellicht geen olympisch zilver en goud, wereld- en Europees kampioen.

Een derde naam, nog minder bekend, ligt aan de basis van enkele decennia Belgische judosuccessen. Leo ten Haaf was de coach, trainer, goeroe, begeleider van Robert Van de Walle op weg naar zijn judogoud op de Spelen van Moskou in 1980. De getormenteerde ziel Ten Haaf stapte twee maanden voor de Spelen uit het leven, maar het goede was geschied. Van de Walle zat op het Ten Haaf-spoor, klopte de Russische leeuw in zijn hol en bereidde zo de weg voor de generaties hardwerkende, succesvolle judoka’s die zouden volgen.

Nederlanders die in Vlaanderen aan de slag gaan zouden best een inburgeringscursus volgen, kwestie van niet te veel te schrikken.

Neem nu de politisering van de topsport. Waar in Nederland de topsportpolitiek de opdracht is van een grote superbond als het NOC*NSF samen met de betrokken sportbond waar de werknemers de dienst uitmaken, is dat in België/Vlaanderen helemaal anders.

Een tegenhanger voor het NOC*NSF is er niet. Het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité heeft meer praatjes dan geld, kennis en hefbomen om op de topsport te wegen. Tot grote ergernis van dat BOIC ligt de macht bij staatsagentschappen, in Vlaanderen is dat Sport Vlaanderen. De macht ligt in de bonden dan weer bij de bondsbesturen, die vaak denken het beter te weten dan hun verondersteld competente en betaalde stafleden.

Nederlanders denken vaak iets rechtlijniger dan Belgen. Iedereen plezieren vinden ze een onmogelijke evenwichtsoefening en kiezen sneller voor my way or the highway. Topsport is geen democratie, las ik recent in een Nederlands pamflet. Terecht.

In die inburgeringscursus moet de Nederlanders worden ingepeperd dat my way or the highway alleen wordt aanvaard van geboren Belgen. Buitenlanders moeten zich verplicht eerst de kunst van het Belgische compromis eigen maken.

Verder moeten ze niet denken dat receptuur die in alle andere landen werkt zomaar op Vlaanderen/België kan worden toegepast. Neem nu het groeperen van kennis, middelen en mensen op een daartoe ideale plek. In Vlaanderen is dat allesbehalve logisch en zweert men bij het versnipperde toevalmodel. De regel en tevens de valkuil is: als efficiëntie zich opdringt, zal de Belgische topsport inefficiëntie omarmen.

Column Klaagmuur in De Morgen van maandag 19 januari 2026

Klaagmuur

Sport Vlaanderen heeft vorige week zijn subsidiepolitiek in de topsport uit de doeken gedaan. Die bestaat uit twee delen: enerzijds een salarissubsidie voor atleten die een voldoende hoog niveau halen en anderzijds een veel groter bedrag voor de topsportomkadering van de bonden die daarvoor in aanmerking komen.

Zoals elk jaar was de bekendmaking van de lijst met ondersteunde atleten het grootste nieuws, ook al bedraagt die totale investering niet eens een tiende van de totale topsportmiddelen. Veel minder aandacht was er voor welke sporten voor hoeveel worden ondersteund. Dat zijn er 31. Of het allemaal topsportfederaties zijn, daar mag aan worden getwijfeld, maar het is wat het is. De subsidies variëren van minimaal 30.000 euro voor bonden met enkele atleten tot bijna 2 miljoen euro voor grote sportbonden zoals Gymnastiek Vlaanderen, Cycling Vlaanderen, Volley Vlaanderen, Atletiek Vlaanderen en de Vlaamse Hockey Liga.

Nogal wat bonden en hun nationale koepels (hockey, wielrennen) beschouwen die middelen als een verworven recht. Zoals ook nogal wat sporters hun salaris als een verworven recht zien. Veertien verloren hun contract, zeventien nieuwe kwamen erbij. In totaal hebben nu 75 veronderstelde topsporters een arbeidscontract bij de Vlaamse overheid.

Eerst dit: wij zijn in België vergeleken met pakweg Nederland te genereus in onze directe betoelaging. Te veel atleten krijgen te veel geld. Gevolg? Al te vaak is de eerste bekommernis niet om beter te worden en in eigen onderhoud te kunnen voorzien, maar om die verworven status en het daaraan verbonden makkelijke geld te behouden.

Boze sporters die van de Vlaamse overheid geen salaris meer krijgen kunnen desgevallend bij ADEPS aankloppen, de Franstalige tegenhanger van Sport Vlaanderen. Hoewel Franstalig België vergeleken bij het ook al ondermaatse Vlaanderen een topsportwoestijn is, staan daar zowaar tachtig ‘topsporters’ op de salarislijst. Elke poging om daar over de taalgrens heen een lijn in te krijgen is tot op heden mislukt.

Er is nog meer mis met die topsportcontracten. De salarissen zijn niet gelijk. Daar hebben de prestaties niks mee te maken, wel het diploma. Een vaste podiumklant met alleen een middelbaar getuigschrift zal behoorlijk minder verdienen dan een minder presterende concurrent die toevallig de universiteit afmaakte.

De reactie van de atleten die hun status van topsporter en hun salaris kwijtspelen is er een van ontgoocheling, te begrijpen. De reactie van de media is minder te begrijpen: opvallende nieuwkomers zoals die squashende zusjes Gilis zijn minder interessant dan een grote naam die uit de boot valt.

Zo was het nogal makkelijke journalistiek om samen met polsstokspringer Ben Broeders naar de klaagmuur te gaan en hem een forum te geven.

Het stopzetten van zijn topsportcontract past binnen consequent en degelijk topsportbeleid. Volgens Broeders is het een miskenning van zijn talent en zijn prestaties, en hij drukt ons nog op het hart dat het niveau in het polsstokspringen ontzettend hoog is. Dat gaat maar op voor één van die acrobaten. Jammer genoeg heet die niet Ben Broeders maar Armand ‘Mondo’ Duplantis en zelfs hij is niet zo uitzonderlijk.

Als je zijn recordverbeteringen grafisch uitzet, zie je een normale evolutie die 35 jaar geleden is ingezet door Serhi Boebka. Het specialisme polsstok trappelt al een kwarteeuw ter plaatse, op Mondo na.

Boebka sprong meer dan dertig jaar geleden al over 6,14 meter. In Tokio afgelopen zomer ging Duplantis over 6,30 meter, de andere twee van het podium tikten af bij 6 en en 5,95 meter. Op die ene Zweed na is de spoeling in het polsstokspringen zelden dunner geweest en zelfs in dat magere veld voldeed Broeders niet aan de criteria.

Dat hij die criteria miste, spreekt hij overigens niet tegen. Hoewel hij voor het tweede jaar op rij buisde, wijt hij het aan “één keer een hoogte niet gehaald”. Voor ze in de commissie Sport van het Vlaams Parlement een nieuw schandaal ontwaren en zich willen bemoeien: Broeders hoeft niet direct onder een brug te gaan slapen. Zo zal hij nog steeds een beroep kunnen doen op een budget voor trainingen en stages.

Er was daarnaast het vangnet van het VDAB-statuut en een vervangingsinkomen. Omdat hij in Nederland bij zijn vriendin (Femke Bol) woont, kan dat evenwel niet.

Dan maar Nederlander worden? Jammer maar helaas, ook in Nederland zou hij geen recht hebben op een salaris, dat daar stipendium heet, minder riant is dan in Vlaanderen en voorbehouden is voor atleten die mondiaal top acht zijn. Broeders blijft nu al een paar jaar hangen rond de twintigste plek.

Hoger springen, iets anders zit er niet op.

Column Basketbal Vlaanderen in De Morgen van zaterdag 17 januari 2026

Basketbal Vlaanderen

Zou er nog een land zijn waar een handigheidje, een achterdeurtje in slecht opgestelde regels, wordt gekwalificeerd als ‘grootschalige fraude’? Zou er nog een land zijn waar de politiek de kop eist van iedereen die daarvan op de hoogte was?

Dit stukje gaat over het vermeende schandaal van de olympische kwalificatie van de 3×3-basketbalploeg, die in Tokio in 2021 vierde werd. Om uw geheugen op te frissen nog maar eens een herhaling.

De internationale basketbalbond FIBA haastte zich om in de aanloop naar de Olympische Spelen van Tokio met drie tegen drie een discipline toe te voegen aan een moderner olympisch programma, dat de sport terug naar de straat moest brengen.

Een belachelijk voornemen, zo bleek in Tokio, waar kindjes zowaar de medailles wonnen. Vier van de zes medailles bij de skatende vrouwen waren dertien jaar of jonger. Aan de Youth Olympics, waar de limiet op veertien jaar lag, hadden ze niet mogen deelnemen.

In het 3×3-basketbal was het andere koek. Hoewel 3×3 eerst op het rooster van de Youth Games verscheen en pas halfweg 2017 naar de echte Olympics mocht, waren het vooral de getruukte, oudere spelers die al snel de dienst uitmaakten in deze ruwere versie van het zaalbasketbal.

Van bij het begin was de kwalificatieprocedure van de FIBA een vreemd gedoe, totaal anders dan het zaalbasketbal. Zo diende een account te worden aangemaakt, mochten vrijblijvend pleintjestoernooien worden georganiseerd en die moesten – het ging tenslotte om straatsport met afspraken eerder dan regels – gewoon aan de FIBA worden gemeld. Op basis daarvan werden tickets uitgedeeld. Niet voor de Spelen zelf, zoals u misschien zou denken, maar om deel te nemen aan kwalificatietoernooien, waar een ticket voor die Spelen kon worden verdiend.

Toen in november 2019 de kwalificatieprocedure werd afgesloten, bleek dat België niet genoeg echte toernooien kon aanmelden en dus rapporteerden de Belgian 3×3 via hun account snel-snel enkele fictieve toernooien.

Nogmaals, er werden geen uitslagen vervalst, wel werd gezorgd dat België aan een voldoende aantal georganiseerde toernooien raakte, om deel te kunnen nemen aan een kwalificatietoernooi met de uiteindelijke bedoeling de olympische droom gaaf te houden. Dat handigheidje is de ‘fraude’ waarvan sprake.

Het Belgische team mislukte in die opdracht in het eerste kwalificatietoernooi in Graz. Vervolgens ging het naar een tweede toernooi in Debrecen in Hongarije. Ze versloegen in de poulefase Oekraïne (19-14) en Slovenië (20-18). In de halve finale ging Mongolië met 16-15 voor de bijl. In de finale nadien tegen Hongarije haalden ze het met 21-14. De winnaar mocht naar Tokio. Dat waren de Belgen en dat hadden ze sportief zelf met bloed, zweet, tranen afgedwongen, weliswaar na aanwending van wat administratieve creativiteit.

Het handigheidje met de spooktoernooien werd een onhandigheidje toen ene Anthony Chada uit de ploeg werd gezet, plots wroeging kreeg, klikspaan werd en naar de media stapte. Vanaf dan ging het handigheidje een eigen leven leiden en werd het een schandaal.

De achterliggende realiteit is dat de internationale basketbalbond FIBA er een zootje van heeft gemaakt in de aanloop naar de Spelen door op geen enkel moment de procedure te controleren. België is nu de pineut, maar het zou wel heel vreemd zijn als alleen Belgen handig hebben gebruikgemaakt van de systeemfouten bij de FIBA.

De verantwoordelijkheid van de Belgische bond in deze aanvankelijk grappige affaire bleef tot voor kort beperkt tot enkele personeelsleden. De hoogste in rang in opspraak was technisch directeur Sven Van Camp, maar iedereen met een beetje kennis van de sportbonden had daar meteen zijn twijfels over. In weerwil van zijn eerdere beweringen blijkt nu ook de CEO Koen Umans op de hoogte te zijn geweest. Het tegendeel had verwonderd.

Volgens de Dienst Verstrengd Toezicht Subsidies is het een ernstig risico als de personeelsleden van Basketbal Vlaanderen die op de hoogte waren van het administratief gefoefel zouden aanblijven. Hoezo dan? Het is net omgekeerd. Het risico is groter als je zomaar de kennis vervangt omdat enkele parlementsleden opnieuw (zie Thiam-gate) zonder ook maar enige kennis van sportzaken een voorwendsel hebben gevonden om de minister van Sport te pesten.

Er zijn fouten gemaakt door de leiding van Basketbal Vlaanderen, vooral dan in de onderschatting van dit dossier. De eigenlijke feiten blijven vederlicht en waren geen inbreuken tegen de sportieve ethiek. Een tik op de vingers, meer is hier niet nodig. Goed van Basketbal Vlaanderen dat ze de hysterie het hoofd bieden.

Column Gouden Oog in De Morgen van maandag 12 januari 2026

Gouden Oog

Wat is er van de sport dezer dagen en waar moet deze rubriek een mening over hebben? Toch niet de Gouden Schoen die gisterenavond in besloten gezelschap werd uitgereikt? Zo besloten dat het niet eens meer op televisie komt maar wordt gestreamd via de website van HLN.

Het is wat met die sportprijzen. De twee wielertrofeeën zijn hun gala kwijt en worden overhandigd via achterafbezoekjes. De Sportman/vrouw van het jaar wordt in een zaaltje langs de A12 uitgereikt, al lang niet meer op tv en de meest prestigieuze voetbalprijs is zijn televisie-exposure kwijt. Voor wie het interesseert: ik stem al even niet (meer), behalve dan voor het Sportjuweel.

De Gouden Schoen wordt uitgereikt in Middelkerke, in het nieuwe casino. De burgemeester aldaar wil zijn gemeente op de kaart zetten met sport en heeft daar wielrennen en voetbal voor nodig. Bepaald vreemd, want als er nu één jarenlang heeft afgegeven op de Belgische monoculturen van koers en voetbal, dan wel Jean-Marie Dedecker.

De Gouden Schoen is een misbaksel. Correctie, niet de Gouden Schoen zelf, maar de stemprocedure. Die is zo achterhaald als maar kan. Voetballers over twee verschillende seizoenshelften beoordelen in twee aparte stemrondes, staat haaks op de realiteit van het Belgisch voetbal. In dit land heeft die ‘sport’ als ultiem doel slim inkopen en zo snel mogelijk verkopen van voetbaltalent.

De beste voetballer van de eerste stemronde – voor deze editie de tweede helft van het seizoen 2024-25 – is meestal zo goed dat hij daarna voor veel geld aan het buitenland wordt verkocht. De beste van de eerste stemronde was ongetwijfeld Ardon Jashari, een Zwitser van Albanese afkomst. In juni werd hij zowel Talent als Profvoetballer van het jaar, prijzen die door die andere populaire krant worden gehost.

Na dat eerste jaar bij Club Brugge verhuisde Jashari voor 36 miljoen euro naar AC Milan. Een perfecte illustratie van België als transitland of Belgisch voetbal als springplank. Een ideetje voor de genieën achter de Gouden Schoen: het Gouden Oog als bijprijsje in het leven roepen. Uit te reiken aan de clubscout die het talent heeft gevonden waar de grootste meerwaarde op wordt gerealiseerd.

De laatste drie winnaars van de Gouden Schoen waren spelers voor wie België een eindstation is. Hans Vanaken won de Profvoetballer van het jaar de laatste keer in 2019. Sindsdien wonnen spelers die ofwel onmiddellijk werden doorverkocht of hoogstens een jaar later zoals Paul Onuachu. De Nigeriaan is de laatste vijf jaar de enige die de twee prijzen won.

Het is geen toeval dat Vanaken ‘maar’ twee keer Profvoetballer van het jaar werd, een prijs die een heel seizoen overspant. Dat hij drie Gouden Schoenen won en zijn laatste vorig jaar, is het gevolg van zijn onmiskenbaar talent als regulator en versneller van Club Brugge, maar is de laatste jaren in niet geringe mate ook te danken aan zijn beslissing om bij Club te blijven.

Of moeten we het hebben over het BK veldrijden? De tweede en grootste smaakmaker van dat BK gaat niet naar het WK over twee weken. Hij wil zijn wegseizoen voorbereiden om daarin van grote hulp te zijn voor zijn kopman die wel het WK zal rijden. Bijgedachte: de Belg Emiel Verstrynge moet straks in Hulst niet met opzet in de weg rijden van zijn Nederlandse ploegbaas Mathieu van der Poel.

Een aanrader uit het voorbije sportweekend, op voorwaarde dat je toegang hebt tot Eurosport: het terugkijken van de achtervolging mannen in het biatlon van laatstleden zaterdag. Biatlon staat altijd garant voor winterpret. Een sport van supermannen en -vrouwen die niet zeuren over ijs, sneeuw of regen, die zich door berg en dal jagen, af en toe (vier keer zaterdag) liggend en staand een weg vooruit moeten schieten en altijd spanning gegarandeerd.

En ja, er doet een Belg aan mee. Meer dan één, maar Thierry Langer uit Malmédy is de beste. Zaterdag schoot hij het best van alle biatleten – één missertje maar op twintig schoten – en flirtte eventjes met de top tien. Skiën is niet zijn beste onderdeel en daarom eindigde hij uiteindelijk pas 28ste.

De verrassende winnaar was de Italiaan Tommaso Giacomel. In een bloedstollende race in het biatlonwalhalla Oberhof kwam hij vanuit het niets aan de leiding door een perfecte laatste schietronde en stond die niet meer af. Bij aankomst wees hij naar de hemel als eerbetoon aan zijn Noorse trainingsmaat en goede vriend Sivert Guttorm Bakken die op 23 december niet meer wakker werd. Thuisatleet Giacomel tegen de Noor Johan-Olav Bot, dat wordt iets om naar uit te kijken, straks op de Winterspelen in Cortina. Alleen voor fijnproevers.

Column Wintersport in De Morgen van zaterdag 10 januari 2026

Wintersport

Bij drie Winterspelen was ik geaccrediteerd en verder ben ik ook drie keer naar een skistation gereisd voor een apart verhaal.

Kranjska Gora, begin 1994: op bezoek bij het Bosnische skiteam, voor de oorlog gevluchte jonkies van zeventien die op afdankertjes van de Slovenen trainden.

Val d’Isère, eind 1994: interview met olympisch kampioen Tommy Moe.

Kitzbühel, 2010: interview en repo met Jerke Van den Bogaert bij de wereldbeker. Een dag eerder had ik zijn training bijgewoond. Net als bij alle voorgaande bezoeken aan wintersporten was mij iets opgevallen: alle wintersporten zijn een vorm van glijden op ijs.

Soms lees je ‘op ijs en sneeuw’, zoals in het Olympisch Handvest, maar dat van die sneeuw is onzin. Sneeuw wordt ijs als je er vaak genoeg over gaat en als de sneeuw geen ijs is, steekt men een handje toe en wordt ijs gemaakt.

Van den Bogaert had mij bezworen dat ik, hoewel ook op ski’s, vooral aan de uiterste rand van de piste moest blijven. Geen denken aan om zelf wat bochtjes te trekken op hun parcours, dat eruitzag als een spiegel. Skipistes worden met water besproeid en hun ski’s waren in tegenstelling tot die van mij messcherp geslepen.

Gelukkig had ik nog de beelden op het netvlies van mijn Nederlandse collega, die zich in Salt Lake in 2002 op de slalompiste net iets te ver van de rand had gewaagd, begon te schuiven en met zijn hele hebben en houden – het was een fotograaf – enkele tellen later beneden tegen het houtwerk knalde. Bij de terugreis aan het eind van de Spelen werd hij het vliegtuig ingerold.

Deze ietwat lange intro om u er eens en voor altijd op te wijzen dat alle wintersporten en afgeleide disciplines te maken hebben met glijden op een extreem glad oppervlak. Hoewel de nieuwste nieuwlichterij ski-mountaineering daar misschien een uitzondering op is, blijft het een raadsel hoe veldrijden daarin zou passen.

Vorige week was het crosscircus te gast aan de randen van een ondergesneeuwd Zilvermeer. Nou ja, ondergesneeuwd… een centimeter of drie, meer was het niet. Dat leverde feeërieke beelden op en verleidde de S(up)porza-commentator met dienst tot een beschouwing: “Als dit geen reclame is voor veldrijden als olympische sport, dan weet ik het ook niet.”

Twee dagen later was er cross in Zonhoven en ook daar lag een sneeuwtapijtje. En weer schoot de propaganda door het dak: “Stuur de tapes van die twee wedstrijden maar naar Zwitserland, naar het Internationaal Olympisch Comité. Dan zullen ze wel overtuigd zijn.”

O ja? In Mol kwam de winnaar als een bevroren zombie over de meet. Hij huilde het uit – in foetushouding gezeten op de grond in de tent, aldus de media die erbij waren – toen zijn tenen, vingers en de rest weer tot leven werden gewekt eens het bloed naar die bevroren uiteinden werd gestuwd.

Dat was Mathieu van der Poel, de op één na beste renner van de wereld volgens nogal wat waarnemers. Toen hij een keertje dreigde te schuiven in een linke bocht zat net een andere topper (te dicht) op zijn wiel. Die remde, met als resultaat: een val en een breukje in de enkel. Dat was Wout van Aert.

In Zonhoven twee dagen later knalde de ene na de andere vrouw tegen dek. Bij de gewaarschuwde en – excuus, maar het is niet anders – beter sturende mannen was dat minder. Toch maakte een andere Belgische topper dan Van Aert op een ijsplek een smak die heel slecht had kunnen aflopen. Dat was Thibau Nys.

Dit weekend is het Belgische kampioenschap in Beringen. Wellicht op een besneeuwde kunstberg, een oude mijnterril. Ook dat is trouwens iets wat de outdoorsporten op de Winterspelen gemeen hebben: er zijn altijd bergen, er is altijd niveauverschil mee gemoeid.

Op S(up)porza viel deze week te lezen dat Beringen de geknipte olympische sollicitatie zou zijn voor deze sport. Nys vond die olympische droom geforceerd en betwijfelde of de sport beter zou worden van een (wellicht eenmalig) olympisch optreden. Slimme jongen, de kleine Nys.

Als de crossen van Mol, Zonhoven en Beringen iets bewijzen, dan wel dat veldrijden niet thuishoort op de Spelen. Er is niet alleen het parochiale aspect – veel Belgen die meerijden en altijd Nederlanders die winnen – en de gedeeltelijke desinteresse van de toppers, tenzij rond eindejaar.

Na Mol en Zonhoven komt daar de objectieve vaststelling bij dat ijs en sneeuw ongeschikt zijn om op te fietsen. Voor het BK in Beringen hebben ze er wat op gevonden. Ze gaan hellingen schrappen, sneeuw wegscheppen en ijs wegbranden, dus alles weghalen wat van een sport een wintersport maakt.