Verhaal over overgevraagde voetballers in De Morgen van zaterdag 28 november 2020

Blessuretijd vanaf de aftrap

Competitievoetbal, Champions League, EK, Nations League, WK… Ziedaar de kalender 2021-2022. Steeds meer topvoetballers en sportartsen vrezen voor een enorme blessuregolf. Hoe belastend is het schema van de Kevin De Bruynes van deze wereld?

Het was 10 oktober. Twee dagen na de oefeninterland waarin de Rode Duivels met een experimenteel elftal een belabberde prestatie hadden neergezet tegen Ivoorkust, moest bij Kevin De Bruyne iets van de lever. Hij begon over zijn drukke kalender met drie interlands in zeven dagen, inclusief twee reizen, gevolgd door een speeldag in de Premier League en daarna alweer Champions League en weer Premier League.

“Als ik zo tot het eind van het seizoen doorga, betekent dit dat ik twee jaar zonder pauze zal hebben gespeeld. Ik maak me soms zorgen. Ik heb deze zomer negen dagen vrijaf gehad, maar geen vakantie. Niemand luistert naar de spelers. Iedereen zegt: je verdient goed geld, je moet er maar mee om kunnen. Ik zie een blessuregolf komen, voor veel spelers.”

Van decontrolefreak De Bruyne mag je verwachten dat hij in zijn elektronische agenda de wedstrijden en toernooien in kleurtjes heeft gedownload. Hij weet wat er op hem afkomt. Zoals het scenario van begin oktober dat zich de voorbije weken zou herhalen.

Het begon met interlands – waarvan hij de eerste vriendschappelijke niet speelde – gevolgd door afgelopen weekend een topper tegen Tottenham, daarna Olympiakos Piraeus uit, in de Champions League.

Het zijn/worden vijf helse weken: tussen 21 november en 28 december zal een international die in Engeland voetbalt en in de Champions League meedraait, twaalf wedstrijden spelen – de ene al belangrijker dan de andere. Als ze ook nog eens in de League Cup doorgaan, hebben ze tot 2 februari twee wedstrijden per week. Waarna alras de Champions League zijn eindfase ingaat.

Kijken we nog verder: als het een beetje meezit, of tegenzit, hebben de De Bruynes van deze wereld de komende twee jaar tot en met het WK in Qatar geen lange break meer. Dat is dan opgeteld vier jaar zonder echte vakantie.

Wat voor De Bruyne geldt, geldt ook voor Toby Alderweireld. Met dat verschil dat bij hem afgelopen zondag de veer al leek te breken, toen hij het einde van de wedstrijd Tottenham-Manchester City niet haalde. “Vermoeidheid”, zei zijn coach José Mourinho over de oorzaak van Alderweirelds blessure. De centrale verdediger zou twee tot vier weken out zijjn.

Toni Kroos speelt niet in Engeland – en heeft het voordeel dat Duitsland na de 6-0 tegen Spanje niet in de Final 4 van de Nations League zit – maar de international van Real Madrid vond de laatste interlandbreak ook een uitstekende gelegenheid om aan de alarmbel te hangen.

“Wij zijn de poppenspelers in de poppenkast van de UEFA en de FIFA. Niemand vraagt ons iets en elk jaar komt er wel een competitie bij. Voor de Spaanse Supercup moeten we naar Saoedi-Arabië. Waarom? Voor het geld.”

Gekkenwerk

Elke topsport, zeker als er geld mee gemoeid is, heeft de neiging om het uiterste te vragen van zijn atleten, maar topvoetballers – al lang niet meer de luieriken onder de topsporters – komen er het slechtst van af.

Sportarts Stijn Indeherberge, eerder werkzaam bij KRC Genk en bij PSV Eindhoven, heeft de belasting op topvoetballers jaar na jaar zien toenemen.

“Er is een internationaal aanvaarde naam voor dat fenomeen, match congestion. Jammer genoeg is er te weinig onderzoek naar en er zijn te weinig data om toegenomen blessurelast te objectiveren. Die is er wel. De limiet is bereikt, al langer dan vandaag.

“Wij hebben ooit met KRC Genk alle voorrondes van de Europa League gespeeld en zijn doorgegaan tot de kwartfinales. Aan het eind hadden we 64 officiële wedstrijden op de teller, dus zonder interlands of oefenwedstrijden.”

Iedereen die in het topvoetbal te maken heeft met de gezondheid van voetballers weet dat de rek er uit is, maar een overbevraagde speler behoeden voor overbelasting en gezond houden, biedt ook uitdagingen, zegt David Bombeke. Hij maakte eerder als kinesitherapeut deel uit van de entourage van Tourwinnaar Cadel Evans. Sinds de zomer van 2019 is hij medisch coördinator bij Club Brugge.

“Als technische en medische staf probeer je die belasting te managen. Als het dan zoals in de herfst van 2019 lukt om de spelersgroep door een drukke periode te loodsen en toch te bijven presteren, ben je daar trots op. Natuurlijk wordt het stilaan erg veel, met wedstrijden die elkaar te snel opvolgen, en dan nog eens die interlands en die verplaatsingen erbij. Gekkenwerk in normale omstandigheden en daar komt nu nog eens die pandemie bij.”

‘moord op spelers’

De FIFPRO, de internationale vakbond van voetbalspelers, presenteerde in de zomer van 2019 een rapport met als titel: At the Limit. Conclusie: de workload is overdreven. Manchester City-coach Pep Guardiola werd daarin geciteerd: “Het is een gekke kalender die onze spelers vermoordt. Dit kunnen we niet langer dulden. Er moet meer rust worden ingebouwd.”

Dat rapport keek naar het aantal wedstrijden van enkele topspelers. De nummer één van het seizoen 2018-2019 was de Zuid-Koreaan Heung-min Son van Tottenham Hotspur (zie kader). Tussen 25 mei 2018 en 13 juni 2019 speelde hij 78 wedstrijden, 53 met de Spurs en 25 met Zuid-Korea. Drie op de vier keer had hij minder dan vijf dagen rust tussen twee wedstrijden. Hij vloog ook nog eens 110.000 kilometer, alleen al voor de nationale ploeg.

Een andere speler in dat rapport is Eden Hazard. Zijn statistieken in zijn laatste seizoen Chelsea werpen een iets ander licht op zijn moeizame start bij Real Madrid. Eden Hazard was namelijk een mooie nummer twee na Son met 73 wedstrijden, waarvan 54 met Chelsea. Twee op de drie keer had hij minder dan de aangewezen vijf dagen rust tussen twee wedstrijden. Zijn voordeel tegenover Son: minder air miles en dus minder jetlag. Hazard vloog in dat seizoen slechts 27.600 kilometer, maar het is overduidelijk waarom hij in de zomer van vorig jaar uitgewoond in Madrid arriveerde.

Het rapport verdween in veel lades. Van de meest stringente aanbevelingen – een minder belastende kalender en beter overleg tussen de verschillende nationale en internationale bonden – kwam niks in huis. Wel integendeel, na de lockdown waarin niet werd gevoetbald – ongeveer van maart tot in de zomer – en waarin voetbalspelers vooral op zichzelf aangewezen waren om te trainen, werden alle speeldagen zoveel mogelijk ingehaald.

Dokter Indeherberge: “Niet alle voetballers zijn zoals wielrenners die vanuit zichzelf iets meer zijn gaan trainen. Een voetballer is niet gewend om individueel te werken aan zijn basisconditie. We moeten de gevolgen van de lockdown nog krijgen, vrees ik.”

Toen de Premier League weer van start ging, werd die op een drafje afgewerkt en daarna kwam een eindronde van de Champions League, om na een goeie week respijt alweer aan een nieuwe Premier League te beginnen. Dat alles om die 3,4 miljard euro aan televisierechten te vrijwaren.

De FIFPRO zag zich begin november verplicht om een nieuwe waarschuwing de wereld in te sturen: “Beperk het nodeloze reizen. Niet alleen om het risico van besmetting tegen te gaan, maar ook voor de gezondheid van de spelers.” Het was een terechtwijzing van FIFA en UEFA die niet aan de programma’s van de nationale ploegen willen raken. Ook dat heeft te maken met tv-rechten, dus geld. Een aantal eisen volgde. Minimaal vier weken achtereen zomervakantie en een break van twee weken in het seizoen. Individueel gestuurde belasting, minstens vier weken conditionele voorbereiding, overal vijf wissels invoeren.

Blessure verzwijgen

Individueel gestuurde belasting is ingeburgerd in het topvoetbal, ook in België. David Bombeke legt uit. “We vragen de speler elke dag hoe hij zich voelt, we monitoren de urine, we monitoren het bloed, we monitoren de hoge-intensiteitsprints. Indien nodig, sturen we bij. We sluiten toeval zoveel mogelijk uit. Dat is op de club. Maar wat als Emmanuel Dennis (aanvaller van Club Brugge, red.) naar Nigeria vliegt om met de nationale ploeg te trainen en te spelen en geblesseerd terugkeert? Wat met de mentale belasting? Wat als de speler in concurrentie ligt met een andere en het is Champions League en hij verzwijgt een beginnende blessure?”

De medische begeleiding en de samenspraak met de trainersstaf is bij topclubs zeer doorgedreven. Stijn Indeherberge: “Als we bij PSV merkten dat Steven Bergwijn tegen Ajax dertig procent meer hoge-intensiteitsprints had, werd hij in de daaropvolgende trainingen ontzien. De voorwaarde is wel dat je trainer mee is met die aanpak.”

Blessures zijn één. Die kennen en herkennen we allemaal: speler x gaat zitten, voelt aan de achterkant van zijn bil en de commentator zegt op ernstige toon: ‘Oei, hamstringblessure, dat is einde verhaal’. Of speler y komt in botsing – al is contact niet eens nodig – en zakt door de knie. ‘Hopelijk is het niet te erg’, zegt de commentator. Te erg is synoniem voor een ACL, in het jargon. Dat staat voor voorste-kruisbandletsel. Denk bij letsel maar meteen aan afgescheurd – Standard-verdediger Zinho Vanheusden laatst nog, of Virgil van Dijk, de stoere aanvoerder van Liverpool.

Dat zijn de mechanische blessures. Soms hebben die een oorzaak die niets met een trauma of contact te maken heeft. In dat geval gaat het allicht om overtraining: een onbalans tussen belasting (door training en wedstrijden) en herstel. Wie te veel belast, gaat overbelasten en komt in overtraining. Die kan weer leiden tot spierpijn en ontstekingen. Spelers die dan nog doorgaan, lopen het risico op zwaardere blessures.

Overreaching bestaat ook: de spieren zijn sneller vermoeid en het gevolg is prestatieverlies. Hoewel dat veel minder erg lijkt dan een afgescheurde kruisband, is zo’n metabole onbalans veel carrièrebedreigender.

Mentaal moe

Daar komt nog eens de mentale vermoeidheid bij. Omdat lichaam en geest op elkaar inwerken, leidt dat tot symptomen zoals slecht slapen, prikkelbaarheid, verslechterd concentratievermogen. Rust is het enige wat helpt en zelfs dat is geen garantie op een volledig herstel, want vaak volgt een terugval.

Dat het programma steeds drukker wordt en de belasting steeds groter en dat er daardoor meer uitval van voetballend personeel is, werd in 2013 vastgesteld door Håkan Bengtsson, Jan Ekstrand and Martin Hägglund van de universiteit van Linköping. Zij bestudeerden spierblessures in elf opeenvolgende Champions League-campagnes.

Hun conclusies waren eenduidig: in en na wedstrijden met voorafgaand vier of minder dagen rust manifesteerden zich meer hamstring- en quadricepsletsels.

Spierblessures zijn de meest vervelende, zegt Jordi Puigdellivol, hoofdarts van alle professionele teams onder de vlag van FC Barcelona. Stijn Indeherberge organiseerde half november voor de 39ste keer zijn Limcosport-congres voor sportgeneeskunde en had (per video uiteraard) de Catalaan uitgenodigd om te spreken.

“Puigdellivol beheert een medisch departement dat zeven miljoen euro per jaar kost en de modernste toestellen op de club heeft staan, maar ook hij ziet het somber in. Het aantal hamstringblessures neemt toe. Hij vindt dat de meest vervelende blessure omdat je niet, zoals bij pakweg een gescheurde meniscus, kunt voorspellen hoelang de revalidatie zal duren. Dat kan twee weken zijn, maar ook drie maanden. Hij ziet ernstiger blessures en steeds vaker leiden die tot een operatie (zoals bij Thomas Vermaelen, HV).”

162 wedstrijden

Er bestaan competities met een nog drukkere kalender. Neem de Major League Baseball in Noord-Amerika: elke team speelt 162 wedstrijden in een seizoen met 171 kalenderdagen. Sommige spelers komen altijd wel eens in het veld, maar honkbal is lang niet zo inspannend en gemiddeld werpt de pitcher – de meest belastende positie – maar in 34 wedstrijden en in nog eens 34 komt hij de startende werper vervangen. Vijf dagen rust tussen twee starts is een normaal ritme.

Basketballers in de NBA hebben ook een druk seizoen, met soms drie tot vier wedstrijden per week. Sterspelers zullen elke wedstrijd spelen, en minstens dertig minuten. Het verschil met voetbal is groot. NBA-ploegen hebben eigen vliegtuigen, de wedstrijden zijn indoor, van een interlandkalender is geen sprake (tenzij volgend jaar met de Olympische Spelen) en vooral: de spelersvakbond is machtig en komt op voor de belangen van de spelers.

Het grootste verschil tussen voetbal en andere sporten is de specifieke belasting. Stijn Indeherberge: “Geen enkele sport heeft zoveel spierletsels als voetbal. Ligt dat aan het algemeen atletisch vermogen? Misschien zouden we nog beter kunnen selecteren op spiervezeltype en in de opleiding gerichter de basisconditie kunnen trainen , maar voetbal blijft door die aaneenschakeling van korte sprints, afgewisseld met trappen op een bal, een aanslag op de spieren.”

David Bombeke: “Ik kom uit het wielrennen en nergens wordt meer getraind dan in die sport, maar de belasting is niet te vergelijken met voetbal. Wielrenners die overbelast worden, recupereren niet meer, moeten lossen of worden ziek. Voetballers raken geblesseerd. Binnen één ploeg zijn er positioneel grote verschillen in belasting. Soms wordt gezegd dat Hans Vanaken (Club Brugge-middenvelder, red.) meer dan twaalf kilometer heeft gelopen, het meeste van de hele ploeg. Dat klopt, maar aan welke intensiteit? Ik minimaliseer zijn prestatie niet, maar de arbeid die de wingers Diatta en Dennis moeten leveren – telkens weer die sprints tegen hoge snelheid – is veel zwaarder voor het gestel en veel gevaarlijker voor blessures.”

In het FIFPRO-rapport van augustus 2019 wordt ook Anderlecht-coach Vincent Kompany geciteerd met een aantal oplossingen. “Verhoog het maximumaantal spelers dat een team kan inzetten in competities en zet een maximum op het aantal wedstrijden per speler.”

Een andere maatregel ter bescherming van de speler is de veralgemening van de vijf wissels. Voor David Bombeke maakt dat weinig verschil. “Behalve tegen Francs Borains voor de Beker, waarbij je je betere spelers na een uur van het veld haalt, zijn wissels haast altijd tactische ingrepen. Een kalender met tussen elke wedstrijd verplicht vijf dagen rust, zou al veel oplossen.”

Stijn Indeherberge pleit vooral voor meer onderzoek. “Het is toch vreemd dat er in al die jaren nog maar één studie is gehouden naar dat fenomeen en die heeft onmiskenbaar aangetoond dat er een probleem is. Sinds 2013 hebben we geen data meer.”

Column over Maradona (en de journalistiek) in De Morgen van zaterdag 28 november 2020

Als de bal toch vuil is

Dé foto in de Belgische kranten van donderdag was die van de zes Rode Duivels die oog in oog met de Grote Maradona doodsangsten uitstaan. Iconisch beeld, staat daar bij. Uitzoomen… Het beeld is niet iconisch. Het is Belgische navelstaarderij, weliswaar overgenomen door The Guardian en die cover werd dan gisteren door L’Equipe geteleporteerd naar Mexico ’86.

Uitzoomen… Dan zou je misschien zien dat het een uiteenvallende muur bij een vrije trap betreft – vandaar die zes Duivels op een hoopje. Neen, het was ook geen foto uit 1986 maar uit de World Cup van 1982, uit de openingswedstrijd, gewonnen door de Rode Duivels met 1-0. Niks speciaals aan die hele Maradona toen.

Vier jaar later kegelde hij wel hoogstpersoonlijk de Belgen uit de halve finale. De voetballiefhebber in mij, die avond voor een repo op bezoek in Beerse in de tent in de tuin van de ouders van Patrick Vervoort, kon een gilletje niet onderdrukken toen Maradona een tweede keer de Belgen oprolde. Rond mij stortte de wereld in elkaar.

Een stationnetje eerder op die World Cup was ik ook al op de hand van Maradona en de Argentijnen toen ze het Engeland van Margaret Thatcher klopten als revanche voor de smadelijke militaire nederlaag die ze hadden geleden in de slag om de Malvinas, sindsdien nog meer de Falklands.

Was er een VAR geweest, schreef een VAR-hatende collega deze week, geen van beide goals van Diego Maradona zou zijn goedgekeurd. Imperfectie is dus toch niet zo mooi. Die goal met de hand van God, groter bedrog is op een World Cup niet gepleegd. Jaren later, in gesprek met Gary Lineker, legt hij uit hoe dat ging: het was, aldus de Heilige Diego, geen bedrog, eerder een ingeving van God. Die tweede goal, de fenomenale rush, zou zijn begonnen met een fout op een Engelsman. Ik vind daar niks van terug en vreemd genoeg zeggen ze ook in de Engelse reconstructies niks over een voorafgaande overtreding. So what, die solo staat op zichzelf, is fenomenaal en werd goal van de eeuw.

Nu is Diego Armando Maradona dood en plots is hij en niet langer Lionel Messi weer de allerbeste voetballer aller tijden. Zo gaat het altijd weer. Als je wilt voortleven in het collectieve geheugen als cultfiguur, gedraag je vooral niet zoals het hoort en ga niet op een normale manier dood.

Messi en andere voetballers weten wat hen te doen staat. Doen zoals Maradona of zijn illustere voorganger, George Best van Man United. Raak verslaafd aan drank en drugs en word een cultheld. Best werd net geen zestig. Als je muziek of film maakt, ga extra vroeg dood, bij voorkeur op je 27 en aan drugs. Als je koerst, wees dan Frank Vandenbroucke die twee klassiekers won maar alsnog de godenstatus kreeg door zijn tragische dood. Hij werd 34. Of Marco Pantani, ook 34. Kreeg een film over zijn leven. Titel: De toevallige dood van een wielrenner.

Wat hebben die met Maradona gemeen? Bijvoorbeeld dat er niks toevalligs is aan hun dood. Van Best weet ik het niet zeker, maar al die andere helden hebben meer kilo’s cocaïne gesnoven dan prijzen gepakt. Voor alle duidelijkheid, die hoeven daar niet voor te branden in de hel en alle begrip voor de fans die hun lot bewenen.

Idolatrie, randje hysterie, allemaal goed en wel, maar laat dat aan de straat. Van sportjournalistiek verwacht ik dat ze niet de erfenis van dode sporters herleiden tot dat ene en misschien ook dat tweede moment waarop ze de wereld hebben verbaasd.

Zo hoort bij elk portret van Maradona in de inleiding te staan dat hij, de fenomenale dribbelaar, zich twee keer gewillig overgaf aan
de maffia. Eerst aan de camorra in Napels, later aan het Sinaloa-kartel in Mexico. Dat het bepaald jammer is dat zijn hart het heeft begeven, maar wel een logisch gevolg van dertig jaar cocaïnegebruik. Trek de plussen (twee landstitels en een Europa-bekertje met Napels en een wereldtitel) af van de minnen (zijn nalatenschap is puin, zowel in het voetbal als sociaal) en je hebt de uitkomst: een af en toe geniale voetballer die eindigde als een marginale schertsfiguur verslaafd aan alles waaraan een mens verslaafd kan worden.

Ter compensatie voor deze ontheiliging doe ik zijn aanbidders zijn laatste woorden cadeau toen hij in zijn Bombonera zijn Boca-fans kwam groeten: “Voetbal is de mooiste en meest gezonde sport ter wereld. Als een enkeling het verkloot, moet niet het hele voetbal betalen. Ik heb het verkloot en ik heb betaald. Pero la pelota no se mancha. Maar de bal is nooit vuil.” Hij meende het ook en had tranen in de ogen, toen op 10 november 2000. Daarna heeft hij nog twintig jaar onzin uitgekraamd en de clown uitgehangen, zoals trainer worden in Culiacán, de wereldhoofdstad van cocaïne – zie onder meer Maradona en Sinaloa op Netflix. Zijn bal was wel degelijk vuil.

Column Broeksriem aanhalen in De Morgen van zaterdag 21 november 2020

Broeksriem aanhalen

Twitter schrijft bij @realDonaldTrump bijna onveranderlijk: this claim about election fraud is disputed. Bij berichten van de Pro League, bijvoorbeeld over de vreselijke verliezen die onze profclubs lijden, zou iets kunnen staan als: uitroepteken, deze claim over de belabberde financiële toestand van onze profclubs vergelijkt appelen met peren.

Factchecking, is dat geen opdracht van de media? In plaats van klakkeloos persberichten over te nemen en lukraak wat clubmanagers op te bellen ter bevestiging van de uitgestuurde rampberichten, misschien de cijfers eens analyseren, duiden? Om finaal het oordeel te vellen: ‘meestal niet waar’ want gestoeld op een verkeerde voorstelling van financiële cijfers. Dat zou kunnen, maar het is niet gebeurd.

In de ene krant stond het al juister dan in de andere, dat moet gezegd. 275 miljoen euro minder inkomsten, schrijft de ene. Een andere krant – meestal heel correct als het om duiding van de voetbalbusiness gaat – schuift eenmalig uit: profclubs verliezen 275 miljoen euro. Minder inkomsten is echt niet hetzelfde als verlies. Zal wel aan die eeuwige hang naar clicks en likes hebben gelegen, dat hoopt een mens dan maar.

Alles begon met een persbericht van de Pro League eergisteren: “Vergelijking cijfers btw-aangiften toont daling inkomsten van bijna 50 procent. Dit is te wijten aan het quasi volledig wegvallen van de wedstrijdinkomsten, dalende sponsorinkomsten en het stilvallen van de uitgaande transfermarkt.”

Correct. De interpretatie is een ander verhaal. “Zelfs met het verderzetten van de competities (achter gesloten deuren) wordt het profvoetbal, net als overige sectoren in onze economie, zwaar getroffen door de gevolgen van deze gezondheidscrisis.” Hier steekt het profvoetbal als een verzameling volleerde struisvogels de kop in het zand en denkt dat de nulmeridiaan door hun stadions loopt. Voetballers worden meerdere keren per week getest, voetbal mag gewoon doorgaan, er mag alleen geen mens ter plaatse komen kijken. Die ‘overige sectoren’ die helemaal dicht moeten, die hebben pas reden tot klagen.

Ten slotte breit de Pro League er nog een breed maatschappelijk luik aan vast. “Snel oplopend verlies in 2020-2021 impacteert ook bredere ecosysteem.” Met dat ecosysteem wordt bedoeld onderaannemers, gezinnen… Waarna de voorzitter van de Pro League – oef zeg – wel nog goed nieuws heeft: de mediarechtendeal met Eleven Sports blijft overeind (vooralsnog) en AB InBev en clubsponsors zijn ook aan boord gebleven.

Het persbericht had dus kunnen besluiten met: eigenlijk is er weinig aan de hand, behalve dat we de broeksriem een beetje moeten aanhalen, maar dat kan best in onze sector want nergens zit er zoveel vet op de soep. Dat is niet gebeurd want die 275 miljoen euro omzetverlies dient om de politiek af te schrikken: gelieve nu niet en ook in de toekomst niet aan onze 170 miljoen euro voordelen in sociale lastenverlagingen en niet-geïnde belastingen te raken.

De wakkere burger van dit land kan maar hopen dat de politiek de cijfers zelf goed leest. Die 275 miljoen euro is een bedrag dat je later in geen enkele financiële analyse van het Belgische profvoetbal zal terugvinden. De Belgische eerste klasse draaide in het seizoen 2018-2019 volgens Deloitte UK 344 miljoen euro omzet. Hoe je op dat bedrag in zeven maanden 275 miljoen euro omzetverlies kunt draaien, een knappe kop die dat krijgt uitgelegd.

Geen enkele zichzelf respecterende en onafhankelijke analist neemt in de rekeningen van voetbalcompetities de transferbalans – per definitie géén recurrente inkomsten – op. Als er minder geld binnenkomt door transfers kan er ook minder worden uitgegeven.

De vergelijking van de transferinkomsten van deze zomer met die van vorige zomer toen een recordbedrag van 308 miljoen euro werd geïnd (bijna 200 miljoen alleen voor Club, Standard en Genk – met dank aan collega Dimitri Thijskens) is intellectueel oneerlijk. Uiteraard zijn door het verbod op toeschouwers minder andere inkomsten geboekt, maar dat zou perfect kunnen worden opgevangen door een koppeling van de salarismassa (de grootste uitgavenpost) aan de inkomsten.

Wat deze cijfers ons vooral leren is waar het in het Belgische profvoetbal om te doen is. Níét wekelijks 11.000 toeschouwers maal aantal wedstrijden plezier verschaffen, of een micro-economie gaande houden, of een community creëren. De finaliteit van ons Belgisch profvoetbal is de import/export van mensen die toevallig goed op een bal kunnen schoppen en daar winst mee maken. We moeten corona verdorie dankbaar zijn dat dit model nu onder druk staat.

Column ‘Een crisis, een kans’ in De Morgen van zaterdag 14 november 2020

Een crisis, een kans

Die corona hakt er aardig in, niet het minst omdat de paniekbrigade de strijd heeft gewonnen van de versoepelbrigade. Nu de cijfers weer een beetje de minder slechte kant uitgaan en we straks allemaal kunnen kiezen uit zeven vaccins, wordt de anekdotiek bovengehaald.

Zoals deze week de ene ex-comateuze na de andere werd opgevoerd in wat moest doorgaan voor duiding, is misschien van het goede te veel. Anderzijds komt een beetje opgedrongen angst misschien net op tijd, zeker nu het voetbal zich alweer een beetje rijk rekent en snel terug wil naar wedstrijden met publiek. Zonder massale vaccinatie zijn massa-events zoals sportwedstrijden en festivals iets wat we te allen prijze moeten vermijden.

Meer zelfs, nu we gewend zijn geraakt aan sport zonder publiek en de geluidstechnici steeds bedrevener worden in het omkaderen van acties met het juiste applaus, gejoel of holengeluid, is sport met publiek zowat de allerallerlaatste versoepeling die in werking mag treden. Het geëmmer van de journalisten, commentatoren, bestuurders, begeleiders en spelers – die tweehonderd man in het stadion – is in deze kwestie totaal irrelevant. Dat zij daar zitten te zitten in die lege betonnen bakken, zonder geluiden en kunstmatige sfeer, tant pis. Ze verdienen er nog steeds een mooie boterham mee.

Andrà tutto bene. Ooit komt het weer goed. Ooit zullen we weer in elkaars armen kunnen vallen als een ploeg heeft gescoord. Tot die tijd, alvast een oproep. Het is een boutade, maar toch: een crisis is een opportuniteit. Deze crisis zou het Belgische profvoetbal moeten aangrijpen om een plan op te stellen om uit het moeras te geraken. Als je weet dat er in het precoronaseizoen al een geconsolideerd verlies is geleden van 80 miljoen euro lijkt enige urgentie op zijn plaats.

De werven zijn al langer bekend. Op één uiteraard een regeling treffen met de overheid voor een normale belastingheffing en sociale lasten die sporen met andere sectoren. In dat verband is het altijd weer lachen als het voetbal verwijst naar de research, baggeraars, zeelieden ter koopvaardij, scheepssleepvaart en zeevisserij die ook gunstiger sociale barema’s hebben dan u en ik. Prima, maar in die sectoren gaat het over correcties om in een internationaal competitief milieu niet failliet te gaan. Níét over gunstmaatregelen om in een nationale voetbalcompetitie salarissen tot 3 miljoen per jaar te betalen, of duizend werknemers gemiddeld 211.000 euro per jaar te laten verdienen.

Werf twee is werk maken van een economisch kader waarbinnen alle profvoetbalclubs kunnen floreren via een slimme herverdeling. Dat blijft wishful thinking, nog meer sinds marktleider Club Brugge soloslim speelt en de precaire financiële toestand van kleine clubs wijt aan ‘niet goed werken’.

Een miniwerfje is tussentijds gerealiseerd: er mag niet meer worden gerookt in de stadions. Althans, die bepaling kwam er met dank aan corona: roken betekent mondmasker afzetten en dat mag niet. Benieuwd hoeveel clubs volgend seizoen dat ongezonde, asociale en onsportieve gedrag opnieuw toelaten.

Werf drie is een stringent kader voor ethisch verantwoorde sponsoring. In Engeland is men om. Zelfs de Conservatieven weten dat het zo niet langer kan en gaan nog dit jaar de Gambling Act van 2005 herzien. De gokindustrie heeft vooral het Engelse voetbal vanaf tweede klasse (The Championship) in haar greep. Die tweede klasse heeft zelfs een gokfirma als hoofdsponsor en de totale waarde van de sponsoring vertegenwoordigt bijna 50 miljoen euro. Dat is geen 6 procent op een omzet van 900 miljoen euro. In de Premier league is dat nog minder. Dat scheelt een slokje op een borrel, maar is perfect overbrugbaar.

Ook Spanje gaat reclame voor gokken bij voetbalwedstrijden en sponsordeals voor voetbalclubs verbieden. Tegen het einde van het lopende seizoen, corona-ellende of niet, moeten alle deals aflopen. Wat de gokindustrie bijdraagt aan het Belgische voetbal is niet bekend, wel dat alle eersteklassers op de een of andere manier worden gesponsord door een gokbedrijf. Weg daarmee.

Begin dit jaar nog kwam een rapportering boven water die stelde dat in de play-offs van 2019 140.000 nieuwe accounts waren geopend en dat dagelijks voor 4,2 miljoen euro was ingezet. Gokken mag dan tot de persoonlijke sfeer behoren, het is potentieel verslavend. Aanzetten tot gokken, zoals het voetbal elke week op alle velden, is misdadig. Na een lange strijd is het algemeen aanvaard dat reclame voor rookgerief niet verenigbaar is met sport. Reclame voor gokken evenmin. Eenmaal dat van de baan, is alcohol aan de beurt.

Column over Wielerjaar 2020 (en Thomas De Gendt) in De Morgen van maandag 9 november 2020

Wat een mooi wielerjaar

Eind vorige week lag een dik boek in de brievenbus. Ik had het al per pdf gekregen, maar pdf’s halen de sfeer uit verhalende boeken, lezen bovendien lastig op de iPad en alle beloftes ten spijt was ik er nog niet aan toegekomen. Dit weekend, met een half oog op de Vuelta en anderhalf op de stemmentelling in Pennsylvania, ben ik beginnen te lezen in de papieren Solo, het boek over en met Thomas De Gendt.

De auteur is Jonas Heyerick, een van de bezielers van het onvolprezen tijdschrift Bahamontes en de initiatiefnemer achter de Groote Sluitingsprijs, nu al twee jaar op rij een groot succes in de mooiste kleine schouwburg van de wereld, de Gentse Minard. Jammer genoeg viel de derde editie in het water en dus heeft Jonas maar een boek geschreven over Thomas De Gendt.

Zo ging het helemaal niet: hier is het eeuwige verschil tussen correlatie en oorzaak/ gevolg in het spel. Heyerick was een beetje tot zijn eigen verbazing gevraagd door De Gendt om zijn carrière te boek te stellen. Het resultaat is een chronologische opsomming van jaar na jaar na jaar, van ontsnapping naar ontsnapping, of poging daartoe, van miniconflict naar miniconflict, van ergernis naar blijdschap, van euforie naar depressie en terug naar euforie, van verlies naar winst, vintage Thomas De Gendt.

Solo biedt een mooie inkijk in het hoofd van een al bij al mysterieuze atleet die door de ene helft van het peloton ooit weleens is uitgelachen (en enkele uren en kilometers verder bewonderd) en door de andere helft van het peloton wordt gevreesd. Ik ben één keer, in de lente van 2018, bij hem aan huis geweest voor een gesprek. Het werd een interessant gesprek, maar hij antwoordde keurig monotoon en keek mij nooit aan. Ik dacht: die moet mij niet. Dat overkomt mij wel meer en ik heb daar leren mee leven, maar tegelijk groef ik in mijn herinneringen naar momenten waarop ik op deze plek Thomas De Gendt onder de zoden had gestopt.

Niets schoot mij te binnen. Oké, iets spottends over de Belgen in de Tour had hij zich kunnen aantrekken (als hij het al had gelezen) maar ik heb zelf genoeg kilometers met de fiets, alleen en met zere benen, om geen respect te betonen voor wat deze moedige aanvaller al die kilometers vooraan moet verduren.

Omdat ik een boek altijd helemaal lees tot de allerlaatste bladzijden – desnoods sla ik passages die ik (her)ken over – ben ik toch een beetje wijzer geworden. De Gendt doet op de allerlaatste pagina’s aan zelfanalyse: ik ben een autist, contactarm, kan niemand aankijken die ik niet ken, ik kan een Rubik-kubus oplossen in dertig seconden, dat vat het zo ongeveer samen. Hij heeft tientallen algoritmes met draaibewegingen in zijn hoofd geperst, maar basic Frans erbij proppen lukt hem niet. Als iemand Frans tegen hem spreekt, snapt hij hem nog steeds niet, wel wat raar voor iemand die zo vaak alleen op pad is in Frankrijk. Solo door Thomas De Gendt heeft mij gerustgesteld, die ene keer lag het niet aan mij.

Dat het levensverhaal van een vreemde renner verschijnt aan het einde van dat vreemde wielerjaar kan geen toeval zijn. 2020 is zelfs met afstand – de oorlogsjaren niet meegerekend – het vreemdste wielerjaar ooit. Dat het buiten alle verwachtingen ook een mooi wielerjaar werd, is de verdienste van de renners. Geen beroepsgroep in de sport schept zoveel plezier in het uitoefenen van haar vak dat in zijn ruwe essentie teruggaat op het verdragen van pijn.

Professor Daam Van Reeth wees op Twitter op het unieke van het wielerjaar 2020: voor het eerst in de geschiedenis is het tijdsverschil tussen de winnaar en de tweede in de drie grote rondes minder dan een minuut. Het was 59 seconden in de Tour, beslist op de voorlaatste dag; 39 seconden in de Giro, beslist op de laatste dag; en 24 seconden in de Vuelta, beslist op de voorlaatste dag.

Zaterdag was ik bij de laatste pagina’s van Solo aanbeland toen de allerlaatste klim van de Vuelta werd aangevat. De Vuelta wordt normaal gereden onder een loden, late zomerzon, maar nu, in covidjaar 2020, dat beeld van die late herfstzon op die klimmende, haast kruipende renners, als ware het een zomeravondetappe, hoe surreëel.

Richard Carapaz als tweede in de stand zien demarreren op drie kilometer van de allerlaatste aankomst op een col, in de hoop nog driekwart minuut goed te maken op de eerste, Primoz Roglic. Waarna die er al zijn verbetenheid tegenaan gooit en erin slaagt het verlies binnen de perken te houden, dit was weer topsport van de bovenste plank. En dan na de streep, de wederzijdse gelukwensen, later gevolgd door een hoffelijke tweet van de verliezer. Wat een mooi wielerjaar. Tot over 110 dagen voor de Omloop.

Verhaal over de schoenen van Neymar, Ronaldo, Messi en Lukaku in De Morgen van zaterdag 7 nov 2020

Miljoenenspel om de schoenen van de sterren

De drie tenoren van het wereldvoetbal – Messi, Ronaldo en Neymar – spelen voor het eerst op verschillende schoenenmerken. In volle covid-ellende tekende Neymar bij Puma een vorstelijke deal. Zijn taak? Zwarte voetbalschoenen weer hot maken.

De ene is al 35, de andere 33, en zowel Cristiano Ronaldo als Lionel Messi hebben een contract voor het leven bij respectievelijk Nike en Adidas, dus lag de keuze voor de hand. Met het ene oog op de tussentijdse, niet al te fraaie verkoopcijfers – ruim min vijf procent voor de eerste negen maanden – en het andere op de strategische opties, waagde het Noors-Duits-Franse topmanagement van Puma de sprong in het diepe: ‘Let’s go for Neymar.’ Zo is het afgelopen zomer gegaan in het idyllische Herzogenaurach, waar Puma (en ook Adidas) de hoofdzetel heeft.

Braziliës voetballer nummer één zat evenwel bij Nike en had daar een lopend contract. Het zou dus een cent, en meer dan één, kosten om hem los te weken. Begin september waren ze eruit. Het resultaat: de grootste schoenendeal in de geschiedenis van het voetbal.

Niet in de sport. Met zijn 25 miljoen euro staat Neymar op drie, ruim boven NBA-ster Kevin Durant (22 miljoen bij Nike), maar een eindje onder die andere basketbalspeler, LeBron James, die van alle actieve sporters de meest lucratieve deal heeft (27,2 miljoen euro, ook met Nike).

Even voor de goede orde: dat alles verzinkt in het niets bij wat Michael Jordan, die al bijna twintig jaar niet meer speelt, aan zijn schoenendeal met Nike overhoudt: 110 miljoen euro. Jordan speelt in een andere competitie. Onder de vleugels van marktleider Nike heeft hij met Air Jordan zijn eigen sub brand, zoals dat heet. Air Jordan sluit zelf sponsorcontracten af en heeft bijvoorbeeld met Zion Williamson (zwarte Amerikaan) en Luka Don#i# (blanke Sloveen) dé twee supertalenten van de NBA onder contract.

Dat Neymar da Silva Santos Júnior onlangs voor Puma koos, is verwonderlijk en ook weer niet, voor wie de schoenenbusiness volgt. Hij zat sinds zijn dertiende bij Nike. In 2011 had hij nog een contract getekend tot en met 2022 voor een totale waarde van 90 miljoen euro. Daar komt voortijdig een einde aan. De klik tussen het sportmerk Nike en het voetbalmerk NJ (Neymar Júnior) was er op het laatst niet meer.

Schoen met enkelkraag

Alles begint in 2013, wanneer Nike de Mercurial Hypervenom op de markt brengt, een oranje fluo schoen waar Neymar Júnior instant verliefd op wordt. Een jaar later op de World Cup, waar hij met een rugblessure uitvalt, draagt hij de Hypervenom Golden Dreams (in het goud) en nog een jaar later de Liquid Dreams (zilver met fluo roze).

Alles oké, tot Nike besluit om de Mercurial Hypervenom 2 uit te brengen, de eerste schoen met een enkelkraag, bedoeld om meer steun te geven. Neymar krijgt het op de heupen van die kraag en speelt even met een lage voetbalschoen van Air Jordan – ook van Nike, maar niet de schoen waarvoor hij wordt betaald en reclame maakt.

Het wordt nog erger als de Hypervenom 3 op de markt komt en kenners opmerken dat Neymar op een ouder type van Nike voetbalt: de lage en goedkopere Mercurial Vapor omgebouwd tot Hypervenom. Dat is een klassieke ingreep in de schoenenbusiness. Soms worden zelfs schoenen van een merk dat beter zit, vermomd als een ander merk. Vanaf dat moment zit er een serieus haar in de boter tussen de marktleider en de rijzende ster.

Nike wil hem het liefst op de Mercurial Superfly zien. Inmiddels is dat ook de schoen van de oude meester Cristiano Ronaldo, en van de jonge rijzende sterren Kylian Mbappé (PSG) en Jadon Sancho (Borussia Dortmund). Waarop Nike toch overstag gaat en speciaal voor Neymar de blauwe Vapor Written in the Stars op de markt brengt.

Inmiddels zijn we beland bij het WK van 2018, niet zijn beste toernooi. Neymar komt in Rusland alleen in het nieuws met aanstellerij en schwalbes, niet met zijn speciaal ontworpen gele Mercurial Vapor Meu Jogo’s. Mbappé, van zijn kant, wordt wereldkampioen. Toch werkt Nike zich uit de naad voor zijn Braziliaanse prima donna.

Er komen verschillende nieuwe types schoenen op de markt, elk seizoen minstens een, gewoon omdat Neymar midden in het seizoen van persoonlijk logo verandert.

Conclusie: hoewel Nike voor hem pas de nieuwe Phantom GT’s had ontwikkeld – hij was er al mee gespot op training – waren ze in Beaverton niet allemaal rouwig toen ze hoorden dat hij een vrijage met Puma was begonnen.

Die flirt eindigde in september in een relatie, puur en simpel omdat Neymar geen zin had om nog langer tweede of derde viool te spelen bij Nike, niet achter Ronaldo en al helemaal niet achter zijn eigen PSG-ploegmaat Mbappé. Vandaar, zullen de aandachtige lezers opmerken, de geruchten afgelopen zomer dat hij zou terugkeren naar FC Barcelona. Inderdaad, dat speelde mee, maar bij Barça zat toevallig al die enige andere topper op Puma’s, Antoine Griezmann, en hij wil als enige in een topteam hét Puma-billboard zijn.

Toegegeven, het nieuwe Neymar Junior logo made by Puma is alvast gestileerder dan al zijn voorgaande logo’s samen, en zeker dat laatste bij Nike, dat hij overigens zelf door een homie van hem had laten tekenen.

Of de hele Puma-Neymar-deal klopt, valt af te wachten. 25 miljoen euro per jaar is een flinke inspanning en een grote hap uit het marketingbudget van het bedrijf, ook al zag dat zijn omzet in de afgelopen tien jaar verdubbelen. Die omzet bedroeg in 2019 5,5 miljard euro. Zowel Nike als Adidas stegen over hetzelfde decennium meer dan Puma, en zij klokten vorig jaar af op respectievelijk 35,1 en 23,6 miljard euro.

Neymar, the king?

‘The King is Back’ heet de korte clip waarmee Puma en Neymar hun huwelijk aan de wereld kenbaar maakten. Die is grotendeels opgenomen bij Neymar thuis omdat hij lange tijd in quarantaine moest blijven in Brazilië. Gelukkig vonden ze met het thema ‘The King is Back’ een uitweg en zo krijg je van in het begin beelden van andere Puma-grootheden als Pelé, Cruijff, Eusebio en Maradona, niet toevallig ook Puma-legendes.

Neymar hangt in een zetel en vertelt, in het Portugees: “Dit wordt mijn Puma-verhaal. Ik ben opgegroeid kijkend naar video’s van voetballegendes. Zij waren de koningen van het veld, koningen van mijn sport. Hier heb ikzelf van gedroomd en ik wil het op mijn manier doen. Ik wil de nalatenschap van die atleten eren en terugbrengen naar het veld. De koning moet weer regeren op het veld en hele generaties inspireren net zoals ik door hen ben geïnspireerd. Dit wordt mijn Puma-story: The King is Back.”

Alleen dat laatste zinnetje is in het Engels, meteen een van zijn grootste manco’s. Gelukkig is hij onder de grote voetbalsterren geen uitzondering: die spreken allemaal steenkolenengels, op Raheem Sterling van Manchester City na.

De associatie met de grootste voetballers van de jaren 60, 70 en 80 is tricky. Neymar slaagt er voorlopig zelfs niet in om in zijn eigen ploeg de eerste viool te spelen, wat zou hij dan de King worden?

Nog een grotere gok neemt Puma met de schoenen die het via Neymar aan de wereld probeert te slijten. Nadat de grote en kleine sportmerken de hele kleurendoos hebben opgebruikt en daarna nog wat fluo en toeters en bellen hebben geprobeerd, is het voor Puma terug naar de basis. Terug naar Pelé, Cruijff en Maradona, terug naar hun schoenen in de kleur die technisch gezien geen kleur is: zwart.

De desbetreffende Puma-schoen heet de Puma King Platinum en bestaat in zwart, maar ook in wit. Alleen was de originele King Platinum – tot vorig jaar gedragen door Romelu Lukaku – geheel zwart en heeft die in de Neymar-versie een witte streep. Voetbalschoeneninfluencers – jawel, die bestaan ook – hadden al meteen door dat die versie een gepimpte oude King was. Toen ook nog eens bleek dat de Neymar-versie niet klaar was voor productie en dus niet te koop, was het duidelijk: het moet allemaal een bevlieging zijn geweest, het contract voor Neymar en hoe hij daarna in de markt is gezet.

Schoenendeals zijn soms complexe verhalen. Legendarisch bijna is de trammelant die Puma-uithangbord Johan Cruijff maakte omdat Oranje op de World Cup van 1974 met Adidas speelde. Hij weigerde met de drie strepen op zijn shirt in het veld te komen. De KNVB vond er niets beter op dan hem met het shirt nummer 14 met twee strepen in plaats van drie het veld op te sturen.

Op eieren lopen

Vandaag is dat geen item meer, omdat de speler in zijn media-uitingen zijn eigen sponsor mag gebruiken. Toch levert het nog geregeld problemen op. Recente schoenendeals omvatten de schoen, maar meestal ook kledij voor de vrije tijd. De reden is eenvoudig: niemand, behalve dan de fanatici, let op welke schoenen de speler draagt. Die zijn ook haast nooit in beeld. Een reclame-uiting van een topspeler met een schoenenmerk zal altijd ook in de kledij van dat merk zijn. Een bijkomende reden is dat sportmerken meer marge hebben op apparel, zoals kledij in het vakjargon heet, dan in de categorie shoes en dus liefst ook kledij verkopen.

De eenvoudigste setting zonder veel gedoe is die van een speler die een deal heeft met het merk x, waar ook zijn team op speelt en, als hij international is, ook zijn land. Een Duitse international van Bayern München die een deal heeft met Adidas, is goed af, want ook zijn club en de Mannschaft zitten bij Adidas. Kingsley Coman, ook van Bayern, is dan weer minder goed af en moet soms op eieren lopen om geen merk voor het hoofd te stoten. Hij voetbalt op Nike en is ook verplicht om in privésituaties Nike-kledij te dragen. In clubverband is het allemaal Adidas wat de klok slaat, behalve dan aan zijn voeten. Bij Frankrijk mag hij weer zijn vertrouwde Nikes aan.

Schoenendeals omvatten vaak veel meer dan schoenen en dat kan problemen opleveren. Zeker in het geval van Adidas willen die nog weleens meer afdekken dan alleen schoenen en vrije tijdskledij. Zonnebrillen, petten, huidverzorging… Adidas heeft het allemaal.

Dat Romelu Lukaku maar goed uitkijkt voor wie hij tekent. Hij lag tot voor deze zomer onder contract bij Puma en speelde onder meer op de King Platinum, een schoen die nooit een succes was, maar waarin Neymar verondersteld wordt verandering te brengen.

Zwart is voor doelmannen

Romelu Lukaku mag dan wel vaak doeltreffender zijn dan Neymar, als speler uit een kleine markt en spelend voor een team uit de Serie A zal hij nooit hét uithangbord zijn van een schoenenmerk. Lukaku wacht al even op een nieuwe schoenendeal maar lijkt niet gehaast. In mei werd hij voor het eerst gespot in een paar Nike Mercurial. Later ging hij terug naar zijn King Platinum van Puma, maar met de nationale ploeg trainde hij zowel op de Nike Phantom GT als de Nike Mercurial Vapor 360. Het begon bij de voetbalschoenenvolgers pas echt te duizelen toen hij op 3 september ineens in de Adidas Copa 20.1 trainde.

Als Romelu zijn merk heeft gekozen, rest hem nog de kleur. Ooit was het simpel en waren alle voetbalschoenen zwart. De eerste voetbalschoenen in een andere kleur, waren wit (technisch gezien evenmin een kleur). Alan Ball van Everton droeg als eerste witte Hummel-schoenen in de finale van de Charity Shield in 1970. Dat is te zeggen: Ball had zijn oude Adidas-schoenen wit geverfd omdat hij die gesponsorde Hummels niet lekker vond zitten. Nog iets later speelde Charlie George van Arsenal en de nationale ploeg op rode schoenen. Al van in de jaren 70 en 80 werden ook fluo-schoenen aangeboden, maar veel trainers hadden een bloedhekel aan spelers die dachten dat ze moesten opvallen met kleurtjes aan de voeten.

Toen het materiaal van de schoen niet langer exclusief bestond uit leder maar ook uit polyester en polyurethaan, was het hek van de dam en werd de hele kleurendoos geprobeerd. In Brazilië werd tijdens de World Cup geturfd: van de 352 spelers speelden er 12 op zwarte schoenen, haast allen doelmannen; 118 spelers droegen witte, 96 gele en 64 oranje schoenen.

Psychologen hebben er een onderzoeksitem van gemaakt. Zwarte schoenen staan voor bedrijfszekerheid. Wit is synoniem voor talent en klasse, niet altijd de hardste werkers. Spelers met rode schoenen zijn onstuimig, willen opvallen. De blauwgeschoende voetballer is een denker, koel en kalm aan de bal. Bij elk kleur hoort een type voetballer. Als dat allemaal klopt, wil geen enkel team nog een speler in oranje schoenen, want die is impulsief en wisselt uitzonderlijk goede momenten af met blunders.

Tegen IJsland trok Lukaku de Rode Duivels over de streep met Nike Phantom GT’s aan zijn voeten. In het wit. De theorie van de niet al te harde werker en zijn witte schoenen mag in de prullenmand.

EXTRA MATERIAAL IN DE PDF HIERONDER

Column over Pieter Timmers in De Morgen van zaterdag 7 nov 2020

Een 1000cc motor in een Vespa

Gisteren heeft Pieter Timmers zijn laatste wedstrijd gezwommen. Hij deed dat in het anonieme kader van de International Swimming League in Boedapest. Daar verbleef hij zes weken aan een stuk in een soort zwembubbel, waarbij de zwemmers en zwemsters alleen mochten zwemmen, trainen, eten, slapen en hopelijk ook Netflix kijken of gamen.

Zwemmen is sowieso al de meest saaie (en ook traagste) sport die de mens beoefent, maar weken aan een stuk in quarantaine blijven om een paar baantjes boven op een zwarte lijn te zwemmen, is een psychiatrisch experiment in sadomasochisme. Wie dat er voor overheeft in zijn fin de carrière, respect.

Pieter Timmers is/was een toptalent dat veel te laat is ontdekt of niet is ontdekt door een onbestaand detectiesysteem, een model dat geen model is. (Met de nieuwe wind die door het Vlaamse zwemmen waait, komt daar hopelijk verandering in.) België heeft veel zwembaden, maar geen zwemcultuur. Vijftigmeterbaden zijn een uitzondering en vaak worden die nog eens in tweeën opgedeeld. Het grootste deel van de dag ligt het bad vol met joelende/spelende en af en toe zwemmende schoolkinderen aangevuld met drijvers (v/m/ x) die in elke vrijeslagzwemmer een aanslagpleger zien. Pieter Timmers heeft het ook meegemaakt, in Lommel: “Ik trainde zes uur. Als ik zeven uur wilde zwemmen, moest ik ’s ochtends in alle vroegte een uurtje baantjes gaan zwemmen tussen oma’s, met alle geruzie van dien.”

Wie met zes uur trainen per week finales op BK’s zwemt, denkt al snel dat dit het is. Pas op latere leeftijd toen hij in Eindhoven naast de Nederlandse toppers trainde, ging het hem dagen dat ook hij best wel hard kon zwemmen. Aan het einde van de olympiade van Londen kwam hij bij Ronald Gaastra terecht, te laat om alles er uit te halen wat er ooit heeft ingezeten. In Londen in 2012 haalde hij de halve finales en zwom hij de tweede snelste vijftig van het hele toernooi, wat wijst op inhoud en zwemtechniek.

Ooit hebben ze bij hem een maximale zuurstofopname van 83 (milliliter zuurstof per kilogram lichaamsgewicht per minuut) gemeten. Dat is een waarde waarmee je de Tour de France wint, op voorwaarde dat het energiesysteem op de juiste leeftijd met de juiste training is belast. Dat is ook een waarde waarmee je, in combinatie met zijn techniek, ook een 200 meter kan winnen.

Laat ontdekt, te weinig getraind op jonge leeftijd, aanvankelijk weinig geloof in eigen kunnen, geen goede starter, een stijve rug, geen te beste onderwaterfase en keerpunt, maar in zijn prime was Pieter Timmers misschien wel de beste pure zwemmer ter wereld.

De laatbloeier Timmers was een 1000cc motor in een Vespa-carrosserie. Talloze blessures en ziektes – klierkoorts, geklapte longen, longkramp, luchtlekken en later nog een hersenvliesontsteking – en een baby die niet graag sliep hebben hem parten gespeeld. Niks liet uitschijnen dat in Rio op de Olympische Spelen alles in die ene race – talent, vorm, een goeie baan en een beetje geluk – samen zou komen.

Is Timmers een one time wonder? De jury is het daar niet over eens. Neen, omdat hij onmiskenbaar intrinsiek talent had. Ja, omdat hij maar één keer een echte toptijd heeft gezwommen. In Rio zwom hij de race van zijn leven, in de finale nog wel, en tikte aan in 47.8. Dat was mentaal ijzersterk want er was wat heisa aan voorafgegaan toen Timmers zijn eigen kansen op een goeie tijd en daaraan verbonden finaleplaats in de halve finale van de 100 meter vrije slag liet voorgaan op de kansen van de estafetteploeg.

Zijn coach Ronald Gaastra had gezegd dat hij hem een 47.7 waard vond. Ik schreef toen in een overmoedige bui dat als Timmers 47.7 zou zwemmen, ik van Rio naar huis zou zwemmen en niet vliegen. Op een honderdste na ging het bijna mis. Of goed, want België hield er een onverwachte medaille aan over in een koningsnummer.

In Rio verkeerde hij in de vorm van zijn leven. Getuige daarvan de 48.14 in de halve finale, toen de zesde tijd. Acht honderdsten was een normale progressie op de 48.22 die hij een jaar eerder in Kazan op het WK had gezwommen. Van 48.14 naar 47.8 was dan weer een eenmalige uitschieter. Hij had dan wel het intrinsieke talent en ooit moest het er een keer uitkomen, maar een finalist die ineens 34 honderdsten van zijn persoonlijk record afknabbelt, een tijd neerzet waarmee hij op het podium belandt, en daarna zelfs niet meer in de buurt komt, is verdacht. Was Timmers een Chinees of een Rus, aldus een Nederlandse collega, we hadden hem nooit geloofd.

Hij was een Belg, gelukkig maar. Zijn zilver van Rio is het mooiste zilver uit de Belgische olympische geschiedenis.

Verhaal over een boek van een sportende filosoof in De Morgen van zaterdag 7 nov 2020

Ik beweeg, dus ik ben

Ex-atleet en ex-journalist Marc Van den Bossche (60) is als professor filosofie met een passie voor sport en bewegen een bui- tenbeentje onder zijn peers. In zijn dertiende boek, het derde over sport, pleit hij voor lichamelijkheid. ‘Wij zijn níét ons brein.’

Disclaimer: dit verhaal kwam tot stand volgens de methode-Van den Bossche: vroeg opstaan en aan het werk gaan, bij een dip niet gaan eten maar gaan sporten, daarna ben je eens zo fit en zie je klaarder dan ooit. Het was de eerste keer; hopelijk baart oefening kunst.

Marc Van den Bossche is getraind: “Thuis heb ik op de zolder wat toestellen en gewichten. Als ik daar wat op tekeerga, voel ik mij al een stuk beter en kan ik weer aan de slag. De grootste creativiteit ervaar ik door duursport. Een bruisende geest in een bruisend lichaam.”

Filosofen hebben weinig of niks met sport. Dat is de schuld van een anderzijds heel knap filosoof die zei: ‘Ik denk, dus ik ben.’ René Descartes negeerde in de zeventiende eeuw de antieke Griekse filosofen die lijfelijkheid juist wel zagen als onderdeel van de vraag naar geluk, zelfverbetering en het goede leven.

Socrates danste en wandelde, Plato worstelde en Diogenes experimenteerde met een hele resem lichaamspraktijken van blootsvoets wandelen in de sneeuw tot masturberen in het openbaar. Sören Kierkegaard, die in de eerste helft van de negentiende eeuw leefde, hield het kuiser. Hij meende dat de geest optimaal functioneert bij een wandeltempo van 4,5 kilometer per uur. Ook Friedrich Nietzsche wandelde, soms tot acht uur per dag, hoog in de bergen.

Minachting

De hedendaagse filosofen zijn hun Griekse collega’s vergeten. Van den Bossche – ooit hardloper in de letterlijke betekenis, maar nu toch vooral gedreven hobbyfietser – ziet een zeker dedain.

“Ik deed op een behoorlijk niveau aan atletiek, maar ik ben zelf ooit gestopt met competitie omdat een filosoof Sartre moest zijn: op café, met een sigaret en een whisky. Hij moest denken en het lichaam was bijkomstig. Er komt steeds meer belangstelling voor de lichamelijkheid, al is de minachting er nog. Laatst beschreef een collega-filosoof ultralopen als doen alsof de mens nog met de natuur verbonden is. Dat is mijn hele betoog: ons lichaam is de natuur die we zelf zijn – ook dat stuk dat we niet kunnen beheersen en berekenen, het wilde dier in ons.”

Van den Bossches laatste worp is een compilatie van nieuw werk en deels aangepaste oudere columns, en hij plukte ook uit eerder eigen werk. “Ik probeer op een toegankelijke manier als filosoof over sport te schrijven, al zullen kopers van mijn eerste boek Wielrennen (2005) wel hebben opgekeken bij een passage over Heidegger. In de academische wereld wordt dat soort boeken dan weer niet echt ernstig genomen.”

Sport en het goede leven is een hoogst lezenswaardige opeenvolging van hoofdstukken waarin hij de lof zingt van bewegen, sporten, trainen. Op alle mogelijke manieren en met alle technische hulpmiddelen die daarvoor te koop zijn. De auteur bezoekt zelf bijvoorbeeld geregeld een fitnessclub waar hij zijn zielsgenoten raak observeert. Bij zichzelf ontdekte hij een oude waarheid als een koe: als een lichaam beweegt, zet dat processen in gang.

“Een vroegere student van mij, een psychiater, zei me ooit dat de mens in feite een chemisch fabriekje is. Ik vond dat wat provocerend, maar eigenlijk had hij gelijk. Het goeie nieuws nu is dat wij geen willoze toeschouwers zijn van wat zich in dat chemische fabriekje afspeelt. We kunnen er zelf mee aan de slag, door een goeie lichaamszorg. Of door te sporten. Voorál door te sporten.”

Aristoteles wist al dat elke mens een eigen maat had. Dat geldt ook voor bewegen, vindt Van den Bossche. De ene mens kan heel veel beweging nodig hebben, de andere kan volstaan met wandelen of zelfs met een dagelijkse yogasessie. “Wandelen is wel het minimum. Ik denk dat het goed is om ernaar te streven de fysieke inspanning tot onderdeel te maken van het dagelijkse leven. Noem het een persoonlijke lichaamshygiëne, die meteen een andere hygiëne van de geest met zich meebrengt. Ik ben het dus fundamenteel oneens met wat Dick Swaab poneert. Wij zijn niet ons brein. Ons brein is deel van ons lichaam en wij zijn deel van een omgeving en een cultuur en alles beïnvloedt elkaar.”

Snel verslaafd

De passie van Marc Van den Bossche voor sport, die niet-sporters al snel een verslaving vinden, is hem van jongs af aan overkomen. In zijn jonge jaren was hij een redelijk begaafd afstandsloper met een voorliefde voor lang en veel trainen. Toen hij moraalwetenschappen en later filosofie studeerde aan de VUB waar hij nu lesgeeft, gaf hij de sport op. Nog later werd hij atletiekmedewerker bij deze krant en vervolgens cultuurjournalist. En toen ging het mis.

“Ik werkte veel te hard en – en ik dronk ook te veel. Op een avond ben ik met mijn auto tegen een boom gereden. Resultaat: drie weken coma en een verbrijzelde enkel, waardoor ik nooit meer heb kunnen lopen zoals daarvoor. In 2006 heb ik wel nog eens een marathon gelopen, in Kasterlee. Drie dagen lang was ik euforisch. De vierde dag viel ik in een gat. Dus ja, ik ben een mens van extremen. Ik raak makkelijk verslaafd. Tegenwoordig is dat aan bewegen.”

De premisse dat het na je zestigste allemaal snel minder wordt, aanvaardt Marc Van den Bossche niet. Hij schermt met het voorbeeld van Ed Whitlock, de Canadees die alle marathonrecords voor hoogbejaarden op zijn naam heeft staan en die in 2016 op zijn 85ste nog een marathon onder de vier uur liep. Vijf maanden later stierf hij aan de gevolgen van prostaatkanker.

“Ik ben ook een paar keer afgeschreven als sporter. De eerste keer met dat ongeval, de tweede keer toen ik spontaan twee ruggenwervels brak door osteoporose. Ik kon niet meer op een stoel zitten, maar bij een kinesitherapeut heb ik de weldaden van krachttraining ontdekt. Ik lach in mijn boek met fitnessers die zichzelf in de spiegel monsteren, maar ik merk in diezelfde spiegel dat ik rechter loop, met meer zelfvertrouwen en dat mijn spiermassa is toegenomen. Mijn geteisterde wervelkolom houdt zich nu stil tussen beter getunede rugspieren. Dat geeft een beter zelfbeeld.”

De biologie van het ouder worden wil hij niet omkeren, maar als het even kan wordt hij een Belgische Tarahumara. “Bij die indianenstam lopen negentigjarigen nog een marathon. In de bergen. Dat kan natuurlijk alleen als je je hele leven lang hebt bewogen, niet als je al die tijd op je dik gat hebt gezeten.”

Bodyshaming

Terwijl hij dat zegt, gezeten in een Brugse brasserie – de horeca was nog niet gesloten – loopt buiten een hele dikke jogger voorbij. Ons beider reactie is enerzijds bewondering, maar anderzijds verwondering.

“Ik wil niet aan bodyshaming doen en je moet altijd de context zien van hoe iemand geworden is hoe zij of hij is, maar hoe bestaat het dat je het zover laat komen? Sporten is aan zelfzorg doen, zorg dragen voor je eigen lichamelijkheid. Doelen hoeven niet. Presteren ook niet, al vind ik steeds sneller fietsen wel een prettig gevoel. Ik ben het eens met Heather Reid, die in haar boek The Philosophical Athlete schrijft: niet het presteren zelf, maar wel hoe je leeft is belangrijk.”

Enige zelfrelativering is hem niet vreemd als hij het heeft over ‘een razernij gehuld in het sociaal geaccepteerde pak van sportbeoefenaar’. Marc Van den Bossche heeft zichzelf begin dit jaar voor zijn zestigste verjaardag getrakteerd op een nieuwe fiets, een dure Canyon, afgemonteerd met het allerbeste materiaal.

“Ik fiets niet zoals mijn vrouw in een groep. Dat is mij te stresserend, altijd letten op het achterwiel vóór je. Als ik fiets, denk ik na, en dat doe ik het liefste alleen. Als mijn vastgezette enkel niet zo zou opspelen – ik kan mijn tenen niet afrollen – zou lopen mijn voorkeur genieten.

“Stel dat ik tante Kaat zou heten en goede raad mocht geven, dan was het deze: laat alle spiergroepen ruim aan het woord. Eenzijdige belasting is voor niemand goed en al zeker niet als je een jaartje ouder wordt en de gewrichten wat minder kloek worden.”

Marc Van den Bossche,
Sport en het goede leven, een kleine filosofie van de duursport,
Uitgeverij ASP, 188 p., 18,50 euro.

Column over sporters en verkiezingen VS in De Morgen van maandag 2 nov 2020

De Verdeelde Staten

Megan Rapinoe, de beste speelster van de World Cup 2019 en winnares van de Ballon d’Or, zweeft enkele dagen voor de presidentsverkiezingen in haar land tussen angst en hoop. Dat had ik vier jaar geleden al. Na vele, lange omzwervingen in de VS had ik een duidelijk beeld van wie daar allemaal in dat rare land wonen en dat zadelde mij op met het ongemakkelijk voorgevoel dat Donald Trump een goeie kans had om te winnen. Die vrees kwam uit.

Een sportreporter komt soms op plaatsen waar niet iedereen komt. Neem New York. Madison Square Garden, natuurlijk, maar ook in de South Bronx of Lower East Side of de buurt rond Meadowlands Stadium in New Jersey, begin de jaren negentig bleef je daar beter weg.

In Chicago dronk ik ’s middags hondsdure cappuccino op Magnificent Mile en ging om middernacht op de South Side in een achterafzaaltje van een gemeenschapscentrum naar de Midnight Basketbal League kijken, een competitie voor criminelen die via basketbal probeerden op het rechte pad te blijven. Of die ene keer op de West Side dat ik de school van Kevin Garnett had bezocht voor een wedstrijd en dat mijn auto niet meer startte en de straten zich opmaakten voor de traditionele friday night fight tussen twee drugsbendes. Ik kreeg een jumpstart van de lerares automechanica, gelukkig maar.

Voor Lance Armstrong was ik ooit een week op het blauwe eiland Austin in het rode Texas, maar ben daar bij een tocht op de racefiets op het platteland door een redneck van de openbare weg gereden. “You don’t pay tax, you fuckin’ liberal, get off our road.” Op Maui, Hawaï, nodigde een heel aardig en hoogopgeleid koppel mij aan hun tafel uit, stonden erop alles te betalen, waarna ik er achter kwam dat ze mij voor hun streng evangelische geloof wilden winnen.

In Miami sliep en flaneerde ik op South Beach, maar ik hing rond op Calle Ocho, bij de overwegend blanke Cubanen. Of San Antonio, waar ik de slums van latino’s wilde zien. In Arizona heb ik pick-up games gespeeld met Navajo’s die voor het leven een salaris kregen van de staat ter compensatie voor het creperen van hun voorouders, arbeiders in de open uraniummijnen. Werken, nooit van gehoord, maar de pick and roll beheersten ze als geen ander.

In Atlanta ben ik op Summerhill, palend aan het olympisch stadion, gaan ‘wandelen’ voor de repo Het andere Atlanta. Die wijk, de eerste in het zuiden van de VS waar vrije slaven zich mochten vestigen, had toen gemiddeld drie schietpartijen per dag en twee doden.

Wat een land van uitersten, de VS: de ene keer zit je op een bus in San Francisco en spreekt de vertaler van Het verdriet van België je aan want hij meende Nederlands te horen, de andere keer rij je door de akkers rond India-no-place achter Rik Smits aan, de Nederlander van de Indiana Pacers. Hij nam mij mee naar zijn favoriete diner, een achterafplek mét confederatievlag en zonder creditcards, waar zijn vrienden/bikers kwamen eten en drinken. De latere Trump-stemmers, zeg maar.

Bottomline: de Verenigde Staten van Amerika zijn al van lang vóór Trump de Verdeelde Staten. Toch heb ik er deze keer een goed oog in. Als Trump verliest – een blowout is wenselijk – zal dat in niet geringe mate te danken zijn aan de Amerikaanse sportwereld, of althans een deel ervan.

Wat Colin Kaepernick in gang heeft gezet in de NFL en wat LeBron James in de NBA, de vrouwen van de WNBA, Megan Rapinoe en collega’s in het vrouwenvoetbal hebben versterkt, dat gaat nooit meer weg. De Black Lives Matter-beweging mag zichzelf dan af en toe voorbijhollen, ze heeft alvast de Amerikaanse maatschappij veranderd net zoals de gebeurtenissen van ruim een halve eeuw geleden.

De Ali-top van Cleveland, op 9 juni 1967, toen de allergrootste sporters zoals basketbalspelers Bill Russell en Lew Alcindor (later Kareem Abdul-Jabbar) en American footballspeler Jim Brown hun steun kwamen betuigen aan dienstweigeraar Muhammad Ali, was een eerste kentering. Een jaar later werd de Republikein Richard Nixon weliswaar verkozen op het thema veiligheid, maar dat was in een ander Amerika.

Nadat LeBron James zich in 2018 voor het eerst uitsprak over Trump, maande Laura Ingraham van Fox News hem aan: “Shut up and dribble.” James antwoordde: “Ik moet haar bedanken voor dat moment, haar woorden zijn blijven hangen bij zij die nu beseffen dat ze iets meer kunnen zijn.”

Sinds de Nike-clip van september 2018 met de werkloze activist Kaepernick – doe mij een lol en bekijk hem op YouTube – weten geëngageerde sporters dat zelfs de marktleider onbevreesd achter hen staat. Dit zijn niet enkele boze zwarte oproerkraaiers, dit is a good fight, in de woorden van de deze zomer overleden MLK-medestander John Lewis.

Gesprek met Peter Croonen van de Profliga in De Morgen van zaterdag 31 oktober 2020

‘Voetbal zit in perfecte storm’

Voetballen zonder of met beperkt publiek valt financieel heel moeilijk te verteren. Een totale lockdown en geen wedstrijden is wat de clubs het meest vrezen. ‘Dat zou een catastrofe zijn’, zucht Pro League-voorzitter Peter Croonen.

Een zwaar verlieslatende en zwaar gesubsidieerde sector die zijn klanten niet kan bedienen en in het extreme geval ophoudt te produceren en te verkopen, is gedoemd om te verdwijnen. Tenzij het om voetbal gaat, in barre coronatijden onze nationale troost, zeker als de winkelketen genaamd Koers binnenkort met onbepaald verlof is.

“Ik denk dat we binnen de strenge afspraken die we hebben gemaakt niks verkeerds doen door te voetballen”, zegt Peter Croonen (51). “Met publiek leverde soms problemen op, akkoord. Zonder publiek niet en zo bieden we de mensen die aan huis gekluisterd zitten toch nog een beetje vertier. Maar of dat een oplossing is? Neen, ook dit kunnen we niet lang volhouden.”

Hoe houdt de Pro League de ballen in de lucht, in dit geval op het veld?

Peter Croonen: “Via een gedetailleerd protocol, waarbij het ministerieel besluit dat op dat moment van kracht is uitmondt in een lokaal clubprotocol, dat wordt afgetoetst met de burgemeesters, gouverneurs en de minister van Sport. De basis is natuurlijk de testing, waarbij we de regel van zeven hanteren. Bij meer dan zeven besmettingen in de kern mag de club om uitstel vragen.

“Ik vind die zeven een verstandige regel. De UEFA werkt met de regel dat je dertien spelers moet overhouden om toch te voetballen. Dat is sportief veel zwaarder om op te vangen. Wij kunnen in België nauwelijks uitstellen. Als we hele speeldagen op een ander moment moeten plannen, komen we in de problemen. Nu met die Nations League er nog eens bij wordt het echt heel moeilijk om nog een gaatje te vinden. Te veel weekends worden ingenomen door interlandverplichtingen.

“Ik maak mij wel zorgen. Er zijn nogal wat clubs die boven die zeven scoren. In tegenstelling tot de eerste golf zien we dat het virus veel meer verspreid is in de bevolking. Persoonlijk kende ik in de eerste golf nauwelijks iemand die besmet was, nu veel meer.”

Het verlies dat de profclubs lijden wordt geschat op iets tussen 100 miljoen en 150 miljoen euro. Hoe komt u aan dat bedrag?

“Dat is een extrapolatie voor twaalf covidmaanden op basis van de btw-aangiften van de vier maanden vanaf maart tot en met
juni. Dat is een inschatting van het inkomstenverlies. Vooral getroffen zijn alle toeschouwersgebonden inkomsten, zowel ticketing, abonnementen als catering op wedstrijddagen. Voor de ene club is dat meer dan voor de andere. Dat varieert van een kwart van de inkomsten voor kleinere clubs met weinig toeschouwers tot de helft voor clubs met veel business seats.”

U bent ook clubvoorzitter bij Genk, hoe zit het daar?

“Wij hebben bij Genk het grote voordeel dat we een zeer goed jaar achter de rug hebben en dat ons eigen vermogen gaat stijgen
tot boven de 75 miljoen euro. Het verlies aan inkomsten door covid voor Racing Genk alleen ramen wij dit seizoen op meer dan 10 miljoen euro. De creativiteit om dat verlies te drukken is niet oneindig. Sommige diensten draaien op een lager niveau, andere diensten hebben het drukker door dat protocol.

“Veel kosten lopen gewoon door: de groendienst, het stadiononderhoud, de salarissen… De spelers spelen hun wedstrijden en hebben recht op hun contract. In het geval dat niet wordt gespeeld, zoals vanaf maart, zou je in theorie de spelers op technische werkloosheid kunnen zetten, maar dat willen wij niet omwille van de gunstige fiscale en parafiscale regeling waar het voetbal nu al van geniet.

“Zolang we voetballen, zijn we verzekerd van tv-gelden. Niet voetballen betekent de ineenstorting van ons hele kaartenhuisje: mediarechten, commerciële inkomsten, ticketing, alles valt dan weg. Nu nog eens een paar maanden niet spelen? Ik zou niet weten hoe de clubs dat kunnen opvangen.”

Dringt zich geen automatische koppeling op van de salarismassa aan de inkomsten van een club? Met een gemiddeld salaris van 211.000 euro per jaar kan de Belgische profvoetballer inleveren.

“Die koppeling kennen wij niet. Het is iets dat we moeten bekijken voor de toekomst. We kunnen dit nu even aan, maar voor veel clubs mag dit niet veel langer duren. Ik heb gehoord hoe er is gepleit voor een totale lockdown, ook voor voetbal. Dat zouden we maximaal drie speeldagen vol kunnen houden. Duurt het langer, dan krijgen we onze competitie, die nu al later is begonnen en vroeger moet eindigen, niet rond. Minder wedstrijden betekent minder televisierechten. In het vorige tv-contract was dat niet opgenomen. In dit nieuwe contract met Eleven, dat in volle covidcrisis werd afgesloten, wel.”

De rechtenhouders van het vorige contract vragen een terugbetaling van de laatste schijf van 24 miljoen euro. Wat is de stand van zaken?

“We zijn daarover in gesprek. Veel kan ik daar niet over kwijt.”

De UEFA heeft de aanbeveling gedaan voor een compensatie van 16 procent, weet u daarvan?

(denkt na) “Sta mij toe daar niet op te antwoorden. Zoals ik al zei lopen de gesprekken en tot we eruit zijn wil ik daar in de media niks over kwijt.”

Genk doet het misschien goed en nog wel een paar andere clubs, maar geconsolideerd was de situatie van het profvoetbal zelfs zonder corona niet te best.

“Neen. We hebben vorig seizoen samen een verlies van 100 miljoen geleden. Er is in de loop van dit jaar bij onze profclubs voor meer dan 100 miljoen euro eigen vermogen geïnjecteerd om in regel te zijn met de licentievoorwaarden.”

Kijkt het Belgische profvoetbal naar de overheid voor hulp?

“Voorlopig niet. We vragen wel dat de overheid met ons meedenkt hoe we het voetbal achter gesloten deuren kunnen blijven organiseren. We denken dat we daar op een veilige manier in slagen en dat de kans op besmetting in het stadion miniem is. De fans appreciëren dat we toch voetballen, dat bewijzen de kijkcijfers.

“Als we niet meer kunnen spelen, zullen we ons moeten beraden als sector of we ons tot de overheid wenden, vrees ik, alleen al om ons in leven te houden. Ik weet dat die steun in Frankrijk en Nederland wordt besproken, maar ik besef ook dat wij in België door ons fiscaal en parafiscaal stelsel al steun genieten. Ik hoop dat het niet te lang duurt. Ik hou echt mijn hart vast. Ik wil vermijden dat we nog eens moeten aankloppen bij een Belgische overheid die het al zwaar genoeg heeft.”

Weet u van clubs, behalve Anderlecht dan, waar het water tot boven de lippen komt?

“Jazeker. Ik had het al over dat gecumuleerd verlies van 100 miljoen in een niet-coronajaar. Reken daarbij 100 tot 150 miljoen omzetverlies en de transfermarkt die in elkaar is geklapt. De cijfers kleuren bloedrood. Als er al reserves waren, hebben heel veel clubs die dit jaar opgegeten. Gelukkig zijn de eigenaars bereid om te stutten met kapitaal, maar hoelang nog en wat brengt 2021?

“Op de laatste algemene vergadering van de Pro League hebben we gestemd over een aanpassing van de financiële fair play. We staan toe dat covidgerelateerd verlies wordt gecorrigeerd en opgevangen mag worden door kapitaalverhoging, niet door kredieten. Het gaat wel degelijk om verlies uit de covidperiode 2020-2021. Verliezen uit 2019 of eerder tellen niet mee.”

De hervorming van het fiscaal en parafiscaal stelsel van sociale lasten voor profsporters ligt ook weer op tafel. Het profvoetbal zit echt in zwaar weer.

“We zitten in de perfecte storm en als we niet oppassen lijdt die tot een catastrofe. We gaan dat gesprek aan met de nieuwe regering en die hervorming staat in het regeerakkoord. Die hebben nu natuurlijk andere dingen aan hun hoofd.

“Is dat ons geluk? Dat weet ik nog niet. Dat er een correctie moet komen, dat weten we. We hopen dat die het midden houdt tussen een sociale correctie en een topsportgeoriënteerde correctie. Dat enerzijds onze sector meer bijdraagt maar we er anderzijds zorg voor dragen dat we ons voetbal niet uit de markt prijzen in de internationale context waarin wij actief zijn. Er zijn heel wat sectoren met uitzonderingen om die reden en misschien kunnen wij daar ook aanspraak op maken.”