Column Kleine Berg in De Morgen van maandag 18 oktober 2021

Al van bij zijn debuut bij de Cleveland Cavaliers – naast LeBron James – wilde ik meer zien van Kyrie Irving. Pleintjesbasketbal verfijnd door prima trainers in high school en door Mike Krzyzewski in dat ene jaar op Duke University. Hij had de moves van een straatrat die nooit echt de straat had gekend. Waarna Kyrie het na één jaar studeren of wat daarvoor moest doorgaan wel welletjes vond en zijn naam op de draftlijst liet zetten.

Jammer, had hij maar een science introductory class gevolgd. Of een andere lessenreeks rond wetenschap, speciaal ingericht om topsporters het idee te geven dat ze ook studeren, het had hem en bij uitbreiding alle basketballiefhebbers veel leed kunnen besparen.

Ten behoeve van dit stukje heb ik de Uncle Drew-filmpjes er nog eens op nagekeken en even hard gelachen als de eerste keer dat ik die oude, grijze man op Clark Pond Courts in Bloomfield, New Jersey iedereen zag inmaken. Dat was geen fake. Dat was Kyrie Irving na een vier uur durende maquillage, die zich als een krasse zestiger had aangeboden voor een pick-up game. Het begon aarzelend, met balverlies en missers, maar toen hij zijn occasionele ploegmaats op de zenuwen begon te werken, kwam Uncle Drew los en toen wisten de toeschouwers, de medespelers en de tegenstanders die niet in de slag zaten: hier is iets loos. Het grootste deel figureerde zo onbewust in een iconische reclamespot voor Pepsi Max.

2016 was zijn topjaar. Aan de zijde van LeBron James won hij met de Cavs de NBA-titel, zijn enige tot nog toe. Het was de tweede van vier finales op rij tegen de Golden State Warriors en de enige die ze wisten te winnen. Het werd 4-3, daarmee de eerste keer dat een team een 1-3-achterstand had goedgemaakt.

Irving scoorde in de 21 play-offwedstrijden in 37 minuten gemiddeld 25,2 punten. James speelde gemiddeld 39 minuten waarin hij 26,3 punten scoorde. 2016-2017 zou hun laatste seizoen samen worden. Irving vertrok naar zijn oude liefde Boston om voor de Celtics te spelen. Die moesten drie spelers en een eerste draftkeuze in ruil geven. Het werd niks. Boston moest hem niet. Hij deed zijn tweejarig contract daar uit en koos daarna voor de Brooklyn Nets, waar hij debuteerde met een vijftiger. Dat had niemand hem ooit voorgedaan. Maar ook typisch voor veel van zijn wedstrijden: hij had dan wel veel gescoord en geshined, de eindstand was 127-126 voor de Timberwolves.

Het was het begin van een vierjarige overeenkomst ter waarde van 136,5 miljoen dollar. Dit seizoen zit hij in het derde jaar van zijn contract en krijgt net geen 35 miljoen betaald. Correctie: zou net geen 35 miljoen betaald krijgen. Voorlopig staat Irving aan de kant. De geniale basketballer weigert zich te laten vaccineren.

Klein probleem: de NBA mag dan wel – op last van de spelersvakbond waarvan Irving ondervoorzitter is – de vaccinatie niet verplichten, in de staat New York (en in Californië) kun je geen indoorsport spelen als je niet tegen Covid-19 bent ingeënt. De helft van de honderd wedstrijden zou hij zo missen.

Groot probleem: dit was het seizoen dat de Brooklyn Nets in elke prognose naar boven kwamen als de favoriet voor de titel. Nog een groter probleem: hoe kan een belezen, gestudeerde en welopgevoede coach als Steve Nash (een Canadees) ooit nog met een antivaxer als Irving samenwerken?

Kyrie Irving is niet om gezondheidsredenen antivaxer. Naast diepgelovig gelooft hij ook dat het vaccin deel uitmaakt van een plan van Mr. Duivel om de zwarten in de VS via een implantaat te connecteren met een computer. Het is niet de eerste onzin die Irving uitkraamt: in 2017 beweerde hij al eens dat de aarde plat was. Later zwakte hij dat af dat iedereen het maar voor zichzelf moest uitmaken.

Daartegenover staat dat Irving zich de loop van de jaren heeft geëngageerd voor heel wat goede zaken. Omdat zijn moeder half Sioux was en hij bij haar overlijden als vierjarige nauwelijks nog een herinnering heeft aan haar, zette hij zich in voor het lot van de Sioux- indianen in het Standing Rock-reservaat in Noord-Dakota. Toen hij daar in 2018 op bezoek ging, kreeg hij een Lakota-naam: Hela of Kleine Berg.

Naast andere talloze schenkingen – onder meer aan de vrouwen van de WNBA toen die covid-werkloos waren en scholen en armoedeorganisaties – engageerde hij zich bij de Black Lives Matter-beweging. Hij was de eerste om de familie van George Floyd te steunen en kocht meteen een huis voor hen. Irving mag dan een genie zijn, een entertainer buiten categorie en een man met het hart op de goede plek, dat ene losse draadje boven in zijn hoofd doet al het goede vergeten.

Column Het werk is niet af in De Morgen van zaterdag 16 oktober 2021

Het werk is niet af

Het onwrikbare wordt losgewrikt. Dat zinnetje ontsnapte aan Alexander De Croo, eerste minister van dit land, toen hij de besparingen toelichtte. Het was een prima omschrijving voor de regeringsmaatregelen die de parafiscale en fiscale voordelen van de profsporters in dit land tot maatschappelijk aanvaarde proporties willen terugdringen.

Er is gewrikt en het deksel is los aan het komen, maar de doos is nog niet open en neen, het is niet de doos van Pandora die opengaat. Anderzijds heeft sporteconoom Trudo Dejonghe wel gelijk. Hij vindt de ingrepen zoals ze in de media zijn voorgesteld compleet ontoereikend en ziet ze zelfs hun doel voorbijschieten. Soms moet een mens zich troosten met de voorlopige gedachte dat het onwrikbare is losgewrikt.

Het probleem met de ingrepen zoals ze zijn voorgesteld is dat ze… nog niet zijn voorgesteld. We weten dat het gaat om ongeveer 30 miljoen euro die men wil halen bij de RSZ van de grootste verdieners, 10 miljoen bij de fiscaliteit en nog een 3 miljoen bij de makelaars. Maar hoe en waar en wie precies zal betalen en wat een hoog en minder hoog salaris is, dat moet allemaal nog worden uitgevogeld. De berekeningen over de verhoogde RSZ-factuur voor de topclubs die deze week in de kranten verschenen raken dus kant noch wal.

Ja, het wordt lastig om nog salarissen van 3,5 miljoen te betalen. Ja, het zal de instroom van duurdere voetballers bemoeilijken. En dan? Moet een overheid met 200 miljoen subsidies tussenkomen in een business van 400 miljoen?

Subsidies en overheidsinmenging zijn er om marktfalen recht te trekken. In het geval van profvoetbal is daar geen sprake van. De hele business is gericht op het inkopen en verkopen van menselijk voetbaltalent. De winkel is de competitie en de vitrine is het stadion waar ook nog wat horeca en merchandising aan verbonden is. Dat alles wordt dan verpakt in volksvermaak en overgoten met een sociaal sausje.

De vraag is ook: moet een overheid een sector steunen die zich bezondigt aan mensenhandel, er bovendien niet de hoogste morele standaarden op nahoudt (zie alle schandalen van Bellemans ’84 tot Veljkovic vandaag), om het personeel in die sector gemiddeld anderhalve keer het salaris van de premier van dit land te kunnen betalen? Let op het woord gemiddeld. Wie daar ja op antwoordt, is aan een intensieve cursus burgerzin toe.

Studies die willen bewijzen dat die voordelen in andere landen ook bestaan, gooi die maar in de prullenmand. Ze houden geen rekening met de algemene (para)fiscale situatie in dat land of nemen niet alle voordelen in België in rekening. Soms komen ze uit opportunistische hoek, zoals studies besteld door de Pro League of door de leerstoel Club Brugge, die dan verpakt worden als universitair onderzoek.

De realiteit was en is nog steeds dat België voor een doorsneewerknemer het westers land is met ongeveer het hoogste loonbeslag en voor een voetballer het laagste. Dat een andere RSZ-berekening op termijn zelfs misschien geen winst zal opleveren voor de schatkist, oké dan. Wat krom is, wordt zo wel een beetje rechter. Dat dit de concurrentiepositie van de Belgische clubs ondermijnt tegenover het buitenland, oké dan. De corebusiness van het Belgisch voetbal blijft een mooie, evenwichtige Belgische competitie, toch?

Daarom, beste ministers en volksvertegenwoordigers, u bent moedig geweest om het deksel van de doos te wrikken, en hulde daarvoor, maar hier kan het niet stoppen. Zonder flankerende maatregelen zal met de huidige regelgeving de instroom van goedkope buitenlanders uit niet-EU-landen nog toenemen. Die 85.000 euro minimumcontract is een lachertje. Dat moet naar minimaal het gemiddeld salaris van een 1A-speler en dat mag in een overgangsregeling van drie tot vijf jaar.

Daarnaast moet u werk maken van een complete transparantie in de wildgroei aan vergoedingen en premies waarmee het voetbal de fiscaliteit optimaliseert. Tekenpremies, blijfpremies, exuberante wat-dan-ookpremies: uitgezonderd de puntenpremie, weg daarmee. Al die premies hadden alleen de bedoeling om de groepsverzekering – op zich ook al een schandalig voordeel – te omzeilen.

Creëer eens en voor altijd een stringent kader voor iedereen die in de profsport actief is, ook de clubmanagers en makelaars, sluit alle achterpoortjes, en hou dat ene doel in gedachten: de opleiding van jeugd van eigen bodem. Uw werk is niet af: die 80 procent loonbelasting die clubs niet moeten doorstorten, u wilt daar niet aan raken? Oké dan, maar maak dan de belofte waar dat die worden geïnvesteerd in de Belgische jeugd en niet in een 21-jarige buitenlander met een grotere marge bij doorverkoop.

Column Sportjaar 2021 in De Morgen van maandag 11 oktober 2021

Sportjaar 2021

Komt er nog wat dit jaar waaraan we ons als zelfverklaarde topsportnatie kunnen optrekken? Niet echt. De sportherfst van het lange sportjaar 2021 is geëindigd zoals dat jaar is begonnen: met een sof, zeg maar drievoudige sof.

Remco Evenepoel werd zaterdag als medefavoriet door de andere favorieten in de Ronde van Lombardije genadeloos uit de wielen gereden, een beetje zoals in de Giro in mei. De Rode Duivels verloren donderdag en gisteren twee wedstrijden die ze absoluut wilden winnen en raken – als alles normaal verloopt – ook hun eerste plaats op de FIFA-ranking kwijt. Ten slotte, in ondergeschikte orde, konden de Belgen gisteren in Parijs-Tours niet op tegen de Fransen.

Jasper Stuyven in Milaan-Sanremo en het olympisch goud van Nafi Thiam, Nina Derwael en de hockeyers, dat waren de bijzonder mooie maar al bij al schaarse Belgische hoogtepunten in het sportjaar 2021. Over Wout van Aert in de Tour is de jury nog in beraad want de Tour de France draait om wie de gele trui draagt na 21 dagen op de fiets. Al het andere is marge.

Dat de zilveren olympiër Van Aert als man van vier seizoenen het anderzijds verdient om Sportman van het Jaar te worden, daar bestaat geen twijfel over. Wie Sportvrouw van het Jaar moet worden is een no-brainer die we te gepasten tijde nog wel eens oprakelen.

Wat gingen Belgen allemaal winnen dit jaar?

Het begon met de Giro. Daar waren we niet kansloos want we hadden een nieuwe Merckx, toch? Die ging daar ook in mee en toen een klein kind kon zien dat het niks zou worden, sprak de kleine (over)moedig: “Er is nog niks verloren.” Hij moest na twee weken uitstappen. Kan gebeuren, maar liever niet.

Het Europees kampioenschap voetbal moest de grote revanche worden op de gemiste WK-finale van 2018 en de Rode Duivels als eeuwige nummer één van de FIFA-ranglijst die prijs schenken die al het goede wat over hen was geschreven zou concretiseren. In de kwartfinale gingen de Belgen onderuit tegen Italië. Kan gebeuren, maar liever niet.

Eén nederlaag maakt de winter evenwel niet en de Nations League winnen was ook mooi, toch? Frankrijk en Italië speelden elk twintig minuten voetbal en dat volstond om België uit te schakelen. De final four van de Nations League die ze wilden winnen, werd afgesloten als vierde en laatste. Tot overmaat van ramp zullen de Rode Duivels hun eerste plaats op de FIFA-ranking verliezen, als Brazilië zijn aanstaande twee interlands wint tenminste. Kan gebeuren, en misschien beter dat het gebeurt, want die eerste plaats is nooit een weerspiegeling geweest van hun intrinsieke niveau. De generatie zonder goud heeft nu nog één kans en dat is volgend jaar bij de World Cup in het vermaledijde Qatar.

Over naar de Olympische Spelen. Daar moesten we in het wegwielrennen de medailles alleen nog onder elkaar verdelen. Op de weg werd Van Aert niet geholpen door Evenepoel. Hj strandde op zilver en kon zich mentaal niet meer opladen voor de tijdrit. Evenepoel ook niet, hij verdeed dan maar zijn tijd in Tokio met de andere Belgen op de zenuwen te werken.

Dat trok hij naadloos door tot op het wereldkampioenschap wegwielrennen in België, waar hij zijn eigen ploeg in de vernieling reed om vervolgens ook nog eens bij de debriefing van dat WK verstek te geven. Evenepoel is een bijzonder getalenteerde jongen van 21 met een gigantische motor. Jammer genoeg heeft hij ook praatjes van een gelouterde veertiger die een palmares heeft van hier tot de melkweg en terug.

Niks zegt dat hij de komende jaren geen mooie prijzen bij elkaar rijdt, maar voorlopig is het allemaal B-niveau, op die uitschieter in
San Sebastian na. Als de clan R.EV. 1703 toetert dat hij nog zo jong is, dan klopt dat, maar over twee maanden is hij even oud als Tadej Pogacar bij zijn eerste Tour-overwinning. Dat zit er nog niet onmiddellijk in. Wat erger is: twee derde van het peloton (en van zijn eigen ploeg) heeft het nu al gehad met het zondagskind uit Schepdaal en als er nu één sport is waarbij je beter wat vrienden onder de concullega’s overhoudt, dan wel wielrennen.

Dit was ook het sportjaar waarin sommige media zich zonder veel gêne uitten als supporter. Een grote mediagroep sloot een deal met de Rode Duivels en met Evenepoel en dat was te merken aan de opgefokte berichtgeving en de mildheid waarmee werd geschreven. Gevolg: de andere grote mediagroep had de grootste moeite om zich te positioneren en kon ten langen leste niet anders dan volgen. De voxpop was inmiddels om en wie zou die durven tegen te spreken? We waren de besten en we zouden alles, zo niet veel winnen. Niet dus.

Column FC Sopranos in De Morgen van zaterdag 9 oktober 2021

FC Sopranos

Bericht vorige week in de kranten, afkomstig van het variétégezelschap dat zichzelf de Pro League noemt. Er werd een virtuele
raad van bestuur gehouden. Om te overleggen hoe het moest communiceren over “de RSZ-discussie die de laatste dagen weer
is losgebarsten”. Die veroorzaakte kopzorgen. En euh, de Pro League ging ook discussiëren over de nieuwste ontwikkelingen in Operatie Zero. Een dag later volgde een opsomming van allerlei maatregelen om aan te tonen hoe tegenwoordig de hoogste morele standaarden werden gehanteerd en de strengste economische regels nageleefd.

Die onthullingen uit het dossier-Veljkovic konden voor het Belgisch voetbal op geen slechter moment vallen. Wellicht is die timing ook geen toeval, maar geen weldenkend mens – afgezien van clubbestuurders en voetbaljournalisten die hun reden van bestaan bedreigd zien – is er rouwig om dat uitgerekend nu het profvoetbal in België wordt ontmaskerd als de FC Sopranos. De onthullingen zijn een geschenk uit de hemel voor iedereen die het goed meent met de Belgische sport en zijn hopelijk een aanzet tot een grote schoonmaak en daarna een reset.

Het Belgisch profvoetbal is maffioos. Aan de oorsprong ligt de finaliteit van deze sector. Die is niet de voetbalminnende medemens vermaak verschaffen. Ook niet de voetballende kinderen plezier laten beleven aan het spelletje en als ze goed zijn hen een opstap verlenen naar hoger. En al helemaal niet een return on amusement voor de gemeenschap die elk jaar opnieuw handenvol geld investeert in die topclubs (of wat daarvoor moet doorgaan).

Dé finaliteit van het Belgisch profvoetbal is mensenhandel, bij voorkeur onder de vorm van import-export van goedkope buitenlandse voetbalhardware. Waarna de clubs er Belgische voetbalsoftware aan toevoegen in de hoop te kunnen cashen op de meerwaarde van het (half)afgewerkt product. Tussen Club Brugge bovenaan tot Beerschot onderaan de productieketen willen kwaliteit van de grondstoffen en eindresultaat nogal eens verschillen, maar het businessmodel is hetzelfde.

Iedereen die aan deze handel en wandel meedoet, casht mee. Het Belgisch transferlandschap is een perversiteit die in alles lijkt op die van pooiers en geïmporteerde karakterdanseressen.

Sport/Voetbalmagazine rekende ons voor dat afgelopen weekend slechts 32 procent van de spelers in de Jupiler Pro League als eerste nationaliteit de Belgische had. De FC Sopranos loog niet toen ze laatst in hun persbericht over de zoektocht naar een nieuwe CEO stelden dat de Jupiler Pro League dé opleidingscompetitie in Europa is. Alles begint bij wat je verstaat onder opleiden. Lokale jeugd is bijzaak, die komt op de tweede plaats. Zij dienen om de nodige Belgische quota in de wedstrijdselecties vol te maken en zijn derhalve duur, op de transfermarkt en ook bij de salarisonderhandelingen.

Het Belgisch voetbalmodel draait op import van jonge buitenlanders. Die zijn goedkoper in de aanschaf en dus is de meerwaarde
op doorverkoop groter. De wetgever heeft die trafiek nooit iets in de weg gelegd. Wel integendeel, door de instapdrempel de facto onbestaande te maken zit het Belgisch voetbal met een overaanbod aan niet EU-spelers. Daarbij komt nog eens dat op salarissen voor jonge spelers nauwelijks belastingen moeten worden betaald, en die gerecupereerde belastingen konden worden aangewend om salarissen te betalen, waardoor het nog interessanter werd om jonge buitenlanders te halen.

De Belgische overheid verleent het Belgisch profvoetbal jaarlijks net geen 200 miljoen euro aan lastenverlagingen, onder de vorm van minimale sociale lasten en verminderde belastingen. Het resultaat is een voetbalcompetitie die draait om mensenhandel maar waarin het gemiddeld salaris van een eersteklasser het dubbele bedraagt van dat van de eerste minister. Op dat salaris betalen werkgever en werknemer evenveel sociale bijdragen als een beginnende minimumverdiener.

Veertien van de 24 Belgische profclubs zijn in buitenlandse handen. Benieuwd hoeveel daar nog van overblijven als straks de wetgever het voetbal de duimschroeven aandraait. De politici die hun nek uitsteken worden op de voetbalpagina’s weggezet als de doodgravers van het voetbal maar ze verdienen uw lof en steun.

Wat ligt zoal op tafel? Een normalisering van de sociale lasten op hoge salarissen. Een striktere omschrijving van het begrip jeugdopleiding met tot doel de verlaagde belastingen te wettigen. En tot slot een verhoogde instapdrempel voor niet EU-spelers.

Dat staat allemaal los van de boetes die de spelers, de clubs en hun bestuurders/management zullen moeten betalen in Operatie Zero. Het Belgisch voetbal zal na dit seizoen niet meer hetzelfde zijn en dat is maar goed ook.

Column I love P-R in De Morgen van maandag 4 oktober 2021

I love P-R

Beloofd. Hier verschijnt nooit meer iets over veiligheid of over het gebrek eraan in het wielrennen. Nooit meer iets over obstakels op koersparcours. Nooit meer iets over valpartijen. Evenmin over gevaarlijke aankomsten. Auto’s op het parcours, laat ze maar komen, in tegengestelde richting liefst. Na Parijs-Roubaix 2021 ligt de lat van de risicoaanvaarding in het wielrennen weer wat hoger. Of lager.

Vroeger zou hier hebben gestaan dat Parijs-Roubaix een relict uit vervlogen tijden was, rijp voor de permanente annulering, een aanslag op de waardigheid van de atleet, een emanatie van de foute heroïek die nog uit het oude wielrennen stamt. Of nog: dat die mooie en dure fietsen niet zijn gemaakt om te worden gesloopt in zes uur tussen Compiègne en Roubaix. Dat alle investeringen die de ploegen moeten doen, zoals de onderkant van de wagens versterken, fietsen helemaal ombouwen, honderd man met wielen neerzetten, enzovoort, niet in verhouding staan tot de baten. Dat zal u hier nooit meer lezen. Beloofd.

Parijs-Roubaix is een topkoers met topspektakel en de hele wereld kijkt ernaar. Oké, er waren die paar accrocs, maar passons. Een bekkenbreuk op een verkenning bij de mannen, moet kunnen. En een bekkenbreuk bij de vrouwen, bij de beste renster van de laatste jaren, tja, een val, kan gebeuren. De dégats van gisteren hebben we nog niet meegekregen. Misschien is er wel een vergeten dode of ligt er nog een ledemaat ergens in een bietenveld, maar dat vernemen we dan wel. Vallen hoort niet bij wielrennen hoor je het hele jaar door, tenzij in Parijs-Roubaix.

Dat ouders van wie de kinderen meerijden niet durven kijken omdat ze weten dat er wordt gevallen, en dat de uitkomst van zo’n val heel erg kan zijn, dat nemen ze/we erbij. Dit is wielrennen anno 1900 getransporteerd naar de 21ste eeuw, maar de planeet koers heeft er vrede mee, so be it. Ze schieten er niks mee op in hun getormenteerde sport, maar beloofd, ik koop een sticker ‘I love P-R’ en als boetedoening ga ik ook een keer het Bois de Wallers en de Carrefour de l’Arbre rijden.

Geen gezeik meer, beloofd. Als de wielrenners (v/m/x) hiervan genieten en Parijs-Roubaix een fantastische koers vinden, kunnen
we op deze plek niet achterblijven. Ik voelde mij gisteren wel een voyeur, zoals die ene keer in een heel ver verleden toen een Koreaanse trainer ons hele gezelschap voor de lol trakteerde op een peepshow. Het was – ik herhaal – in een heel ver verleden en op de Oudezijdse Voorburgwal in Amsterdam waar ik was voor het EK volleybal van 1985. Vergeef mij deze zondeval.

Om het bij de koers te houden, van die gêne van 36 jaar geleden was gisteren hoegenaamd geen sprake. Wel integendeel. Ik ben beginnen kijken op Eurosport, die ik desgevallend het gsm-nummer van Michel Wuyts wil appen. Dat commentaar van die twee Nederlandse betweters leek nergens op.

Het was spektakel, het was ook een hele mooie koers en het was spannend, maar zoals al te vaak in Parijs-Roubaix was het een loterij die besliste dat Wout van Aert en mijn favoriet Yves Lampaert uiteindelijk achter de feiten zouden aanlopen. En wat dan te denken van Gianni Moscon en zijn leegloper, waarna hij een fiets kreeg waarop hij ternauwernood recht kon blijven.

De achtervolgende groep kon hem tot dan niet bijbenen en na die fietswissel liep hij zelfs weer een beetje uit. Nu is er geen weldenkend mens, binnen en buiten het peloton, die de etterbak Moscon ook maar iets gunt, maar deze pech was wel heel pijnijk. Zelfs na een val moesten ze nog minuten jagen om hem in te halen.

Mathieu van der Poel werd derde in zijn seizoen van vaker net niet dan net wel. Hij was trots om meteen bij zijn eerste deelname op het podium te staan. Met alle respect, maar dan deed Florian Vermeersch het bij ook zijn eerste deelname toch iets beter. En wat dan te denken van Sonny Colbrelli, die het eveneens bij zijn eersteling nog veel beter deed dan Van der Poel, die hij op twee lengten sprintte.

Ja, wat te denken van Sonny Colbrelli en Bahrain Victorious: van zestien overwinningen als Bahrain-Merida in 2019, over negen vorig jaar als Bahrain-McLaren tot dertig and counting dit jaar, dat is op zijn minst opmerkelijk. Die van Bahrain-Victorious doen het tweede deel van hun commerciële naam alle eer aan, maar sinds de stunts van Mark Padun in de Dauphiné en zijn plots verdwijning in de weken erna, zijn in Lausanne bij de International Testing Agency wat lampjes beginnen branden. Aan de fietsen kan het niet liggen, want dat zijn al jaren Merida’s. Ze letten wel beter op hun voeding. Oké.

Column Leuvengate (nog over het WK) in De Morgen van zaterdag 2 okt 2021

Leuvengate

Het begon met Remco Evenepoel die woensdagavond in Extra Time het colloque singulier van het WK-teamoverleg doorbrak. “Ik zag wel een kans op dit parcours voor mijzelf, maar het antwoord was neen. Ik heb dan maar geknecht.”

Onmiddellijk postte Sporza die passage uit Extra Time Koers. Die heb ik geretweet, met het zinnetje: Het grote gelijk van Eddy Merckx… De reacties kan je opdelen in drie categorieën. Twee grote: ‘boenk erop’ van de Remco-haters en ‘kalf, onnozelaar, ouwe zak’ van de Remco-believers. Een minuscule minderheid begreep wat er zondag echt aan de hand was. Dat heb je met alles wat de directe, simpele sport overstijgt. Soms is sport niet simpel.

Die retweet werd geliket door zowel bondscoach Sven Vanthourenhout als Wout van Aert. Wat dan weer werd opgepikt, waardoor Wout van Aert na zijn verkenning van de kasseien van Roubaix enige uitleg verschuldigd was. Vooral zijn repliek dat Evenepoel meer praatjes had in de studio van Extra Time dan tijdens de teambespreking, bleef hangen. Het belangrijkste dat Van Aert zei, werd er een beetje terloops bij vermeld: Remco reed niet op kop zoals afgesproken, hij reed aanvallend en niet defensief.

Aha. Hoe had Remco dan wel moeten rijden? Daarvoor is het interessant om te kijken naar het parcours. 2.500 hoogtemeters, op het eerste gezicht was dat een eitje. Dat was het bij de vrouwen, want die koersten niet, tot de lokale circuits. Bij de mannen was het andere koek. De koers werd hard gemaakt op 180 kilometer van de finish. Door de Belgen. Door Evenepoel. Tegen alle afspraken in.

Waarom? In de eerste plaats omdat Remco Evenepoel een ego heeft van Schepdaal tot de Noordpool en terug en zichzelf de allerbeste vindt. Dat is hij heel vaak en dat was hij zondag misschien, wat niet wil zeggen dat hij had gewonnen, getuige daarvan zijn tweede plaats op het EK. Op het WK heeft hij bij de eerste de beste gelegenheid het gas opengedraaid. Geheel naar zijn eigen fysiologische capaciteiten, met dank aan dat parcours, maakte hij er een uitputtingslag van. Een beetje in de optiek: als ik dan toch moet knechten, dat de kopmannen mij maar proberen volgen.

Herinner u de beelden toen hij voorop reed samen met Tim Declercq, die verschillende keren raar keek en zelfs iets riep. ‘Geef maar buzze’ was het alvast niet. ‘Remco vent, niet zo rap’ komt dichter in de buurt. Herinner u ook de beelden van Evenepoel die op kop reed van de eerste groep en de andere Belgen op kop van het peloton. Waarom was dat, dacht u? Omdat ze hun eigen superknecht al lang niet meer vertrouwden, tiens. Een beetje goedkoop van oud-bondscoaches als José De Cauwer of Rik Verbrugghe om bondscoaches Sven Vanthourenhout en Serge Pauwels daarvoor de zwartepiet toe te spelen.

Wat was het resultaat van al dat sleur- en trekwerk van Evenepoel? Ten eerste dat hij zelf moest afhaken op het lokaal circuit en nooit in een situatie belandde waarbij hij aan het eind een ploegmaat (Alaphilippe of Sénéchal) moest terughalen. Maar ook dat de zescilinders in zijn ploeg – zware jongens als Wout van Aert en Jasper Stuyven en de rest van de Belgische ploeg – sneller dan voorzien hun brandstoftank leeg moesten rijden, alleen al om hem te volgen.

Op dat parcours aan die hoge snelheid speelde drafting, wat normaal tot wel 200 watt winst oplevert, veel minder een rol door dat continue afremmen, draaien en weer optrekken. Daardoor hebben Wout van Aert, Jasper Stuyven en Mathieu van der Poel om en nabij de 7.000 kilocalorieën verbrand. Klein, zeg maar groot probleem: dat kan niemand opeten op voorhand en al helemaal niet bijvullen tijdens de wedstrijd. De veel lichtere Alaphilippe kwam uit bij 5.000 kilocalorieën en had bijgevolg wel nog wat in de tank.

Oké, niets zegt dat Alaphilippe ook in een ander scenario zondag niet de beste was geweest, en al helemaal niet dat hij geen verdiende en mooie wereldkampioen is, maar dit koersverloop was voor hem een rode loper. Uitgerold door de Belgische ploeg. Correctie: door één Belg, die de koers veel te snel veel te hard maakte, waardoor de andere Belgen – allemaal zwaardere jongens – in energienood kwamen.

Rest alleen nog de vraag: waarom heeft Evenepoel net zoals in Tokio zichzelf en uiteindelijk ook zijn eigen kopman in de vernieling gereden? Uit dommigheid, koppigheid, slimmigheid, of laat zijn kampioenenego niet toe dat hij in dienst rijdt? Was Van Aert in het verlies rijden een opdracht vanuit de Wolfpack en is motorgate van de Ronde van Vlaanderen 2020 nog niet verteerd? Patrick Lefevere had alvast gelijk toen hij zei dat Remco Evenepoel goed had gewerkt voor Julian Alaphilippe. En Eddy Merckx ook: of je neemt hem mee als enige kopman, of je laat hem thuis.

Column ‘Afknapper, mag dat?’ in De Morgen van maandag 27 sep 2021

Afknapper, mag dat?

Misschien moeten we dat nooit meer doen, een wereldkampioenschap wielrennen op de weg naar België halen. Wat hebben deze acht dagen bijgebracht aan de Belgische sport? Meer frustraties dan triomfen. Geen enkele keer stond een Belg op één, geen enkele keer de Brabançonne gehoord. De buit na acht dagen wereldkampioenschappen wielrennen was één keer zilver en drie keer brons. Mogen we dat een afknapper noemen?

De eerste dag tussen Knokke en Brugge bleek uiteindelijk de mooiste: zilver en brons in de tijdrit bij de elite. Daarna vielen nog twee bronzen tijdritmedailles te bewonderen. Alle medailles waren met een gouden randje. Welnu, ik zit al lang in de topsport, ik heb nog nooit een zilveren of bronzen medaille gezien met een gouden randje. Zilver is zilver, dat krijg je alleen maar als je goud verliest. Brons is in vele gevallen zelfs mooier dan zilver.

Vier Belgische medailles na drie dagen competitie, dat liet het beste vermoeden, want toen moest het nog beginnen op de weg, onze specialiteit, en daar hadden we op maat van de Flandriens een fantastisch parcours uitgetekend, waar onze Wout en onze Thibau en ons Lotte ofwel niet konden verliezen, ofwel heel veel kans maakten op winst en als het geen winst zou zijn, dan toch een medaille.

Hoe ging dat alweer? Thibau Nys werd zesde, Lotte Kopecky werd zestiende en Wout van Aert elfde. Geen haar op mijn hoofd dat er aan twijfelt dat deze atleten – superatleten jawel – hun stinkende best hebben gedaan, maar het moet eens gedaan zijn met die onzinnige verwachtingen. De eindbalans na vijf wegritten: 0 medailles, nul, en een vierde plek voor homeboy Stuyven.

Kunnen we in het vervolg ook stoppen met om de drie maanden iemand de beste renner van de wereld te noemen? Julian Alaphilippe was het al, Mathieu van der Poel was het ook en na zijn Tour en zijn Olympische Spelen was Wout van Aert plots de allerbeste van de hele melkweg. Supergoede renners, ja, maar de beste? Samen hebben ze dit jaar nog geen enkel monument en geen enkele grote ronde gewonnen.

Neen. Soms is Van Aert outstanding, soms is Van der Poel dat en heel af en toe ook Julian Alaphilippe. Of een andere, zoals Tom Pidcock. Of Remco Evenepoel. Hij was de beste Belg in koers. Dat liet hij een beetje te veel, te graag zien. In opdracht of uit eigenbelang, dat is niet duidelijk. Niet alleen was net als in Tokio zijn bordje leeg toen de kopman hem het hardst nodig had, maar hij was gisteren gewoon beter dan zijn kopman.

Tot slot nog een woordje over dat weergaloze volksfeest in Leuven. Een feest is nooit een feest als supporters een andere dan hun eigen favoriet niets gunnen. Alleen de Wout, de Remco en de Jappe werden aangemoedigd, alleen anderen werden aangemaand niet te hard te rijden – wat nog randje sympathiek is. Toen Julian Alaphilippe alleen voorop reed werd hij bekogeld met bier en uitgescholden. Waar is het in godsnaam misgegaan met het wielrennen? In de cross natuurlijk, want daar bestaat al langer de debiele gewoonte om bier of in het ergste geval urine te gooien naar elke niet-landgenoot die op kop rijdt.

Wat hebben deze acht dagen uiteindelijk bijgebracht? Niets, het was de bedoeling dat dit WK de Vlaamse sport bij uitstek – het wielrennen – en vooral Vlaanderen ten goede zou komen. De plaatjes van de kust, Damme en Brugge waren mooi, met dank aan het weer. Of dat nu de buitenlandse wielerliefhebber – bestaat die, en zo ja heeft die massaal gekeken? – zal overhalen om volgend jaar en masse de Vlaamse polders en kunststeden te bezoeken is nog maar de vraag.

Misschien is die wel plotsklaps idolaat van Vlaams-Brabant en haar hoofdstad Leuven, wie weet? De commentatoren van Sporza deden hard hun best. Vanuit hun snelcursus stadgids konden ze alle straatnamen en hoekjes opdissen. Michel Wuyts kende zelfs voor elke Leuvense hoek een anekdote, maar buitenlanders kijken niet naar Sporza.

Bovendien zat dat parcours wielertechnisch misschien goed in elkaar – met dank aan gretige renners, want bij de vrouwen was het dan weer pokkesaai – maar toeristisch erg uitnodigend was het nu ook weer niet. Leuven zal volgend jaar echt geen enkele Europese wielerfanaat over de vloer krijgen, tenzij die ook iets heeft met lintbebouwing en ruimtelijke wanorde.

Dit WK heeft dertien miljoen euro gekost uit de Vlaamse pot. Ter vergelijking: het totale topsportbudget van Vlaanderen bedraagt 26 miljoen euro. Wielrennen is met afstand ook zonder het WK de bestbedeelde sport uit de subsidiepot.

Het zou gepast zijn als naast toeristische, voortaan ook sportieve overwegingen zouden meespelen om geld vrij te maken voor dat soort organisaties. In dat verband kan misschien eens worden gedacht aan andere sporten, bijvoorbeeld voor de kwalificatietoernooien voor Olympische Spelen die er al snel aan komen.

Column Harm Ottenbros in De Morgen van zaterdag 25 sep 2021

Harm Ottenbros

Het onnavolgbare bedrijf Editions Panini heeft het plakboek van het WK wielrennen gestuurd. En niet alleen het plakboek, maar daarbij ook een blokje kaartjes met een elastiekje rond. Op het eerste gezicht konden dat er nooit 155 zijn, maar u zou verbaasd zijn hoeveel kaartjes in zo’n stapeltje gaan. Een uurtje en 1 tot 155 waren netjes ingeplakt. 2, 24, 33, 57, 62, 112, 125, 132, 133, 134 en 147 heb ik dubbel. Wie ze hebben wil, die mag ze komen halen, vooral kinderen vinden ze wel fijn. Die krijgen dus voorrang en dat geldt ook voor het hele plakboek, maar pas na het WK.

Zijn we in de ban van die wereldkampioenschappen wielrennen in ons land? Sporza wil ons laten geloven dat het één groot feest is met Belgische triomfen alom en elke medaille heeft een gouden randje. Zelfs bij de gemengde achtervolging leuterden ze op een paar kilometer van de aankomst nog over een mogelijke Belgische medaille terwijl een kleuter kon zien dat het hooguit een vijfde plek zou worden tenzij ze ineens tegen honderd per uur zouden finishen.

Het voorlopig Belgisch bilan, met nog drie wegritten te gaan, oogt te mager: vier medailles, oké, maar nog geen enkele keer goud, nog geen Brabançonne gehoord. Geen paniek, zondag wordt de kers op de taart gezet, dat lezen en horen we overal. Onze eendrachtige tricolore garde zal al die kneusjes van andere landen in bedwang houden, Remco zal hen finaal slopen en Wout zal het op majestueuze wijze afmaken, dat kan niet misgaan. Of wel.

Hoeveel keer denkt u, heeft een renner een WK in eigen land gewonnen? In de laatste halve eeuw drie keer. Jan Raas in Valkenburg 1979 en Bernard Hinault in Sallanches in 1980, twee keer op parcoursen die op maat van de lokale favoriet waren uitgetekend. De laatste keer was Alessandro Ballan in 2008 in Varese.

Het scenario van toen zou zich perfect kunnen herhalen. Dé topfavorieten, Tom Boonen, Oscar Freire en Paolo Bettini, beloerden elkaar te veel en misten daardoor de definitieve vlucht. Daarin zaten achttien renners met vier Belgen die net als de Italianen Ballan en Cunego geen zin hadden om te wachten op hun kopman en doorreden. Philippe Gilbert en Greg Van Avermaet konden het niet afmaken, Ballan wel.

Neem alvast de praatjes van dat eendrachtig Belgisch team met een serieuze korrel zout. Het is zondag eerst elk voor het eigen vel, dan voor de merkenploeg en dan pas voor het land. De tijd is misschien voorbij dat ploegleiders publiekelijk verordonneren dat hun renner niet achter een renner uit hun merkenteam mag rijden, maar wielrennen blijft een sport met veel verborgen agenda’s. Zelfs met een lage bloedsuikerspiegel wilde Patrick Lefevere het niet met zoveel woorden zeggen, maar gaf toch toe ‘ontgoocheld’ te zullen zijn als de ene DCQS’er zondag de andere terughaalt.

Bekijk de samenstelling van de Belgische ploeg en dan weet u meteen hoe het eraan toe zal gaan, of zou moeten gaan. Tim Declercq rijdt zolang mogelijk mee op kop, dat is duidelijk. Wout van Aert is de kopman, dat is ook duidelijk, op papier althans. Jasper Stuyven en Remco Evenepoel denken ook een kans te hebben, maar spreken dat dan weer niet uit. Maar een goede ontsnapping met hen erbij die (te) ver draagt en Wout van Aert die de benen stil moet houden, geen radiocommunicatie en voor je het weet is daar de meet.

Verder zijn er nog Dylan Teuns, die iedereen zal terughalen behalve Sonny Colbrelli en Matej Mohoric van zijn Bahrein. Yves Lampaert zal op zijn adem trappen als Kasper Asgreen, Mikkel Honoré, Julian Alaphilippe en Florian Sénéchal een poging wagen. Jasper Stuyven zal Mads Pedersen van zijn Trek-Segafredo toevallig niet zien wegrijden, jammer. En zo kan je de hele rij afgaan. Tiesj Benoot en Victor Campenaerts zullen Van Aerts trouwste soldaten zijn, tenzij… ze er in de eindfase niet meer aan hangen.

Buitenlandse favorieten zonder ploegmaats in de Belgische ploeg zijn er ook genoeg: Tom Pidcock van Ineos, Mathieu van der Poel van Alpecin-Fenix, Magnus Cort Nielsen en Michael Valgren van EF Education en Michael Matthews van Team Bike Exchange. Behalve Van der Poel hebben die wel weer genoeg volk van hun merkenteam in andere landen om een handje te helpen.

Wout van Aert heeft die niet. Jumbo-Visma heeft maar vier renners aan de start zondag, evenveel als Alpecin-Fenix. Daartegenover staan de machtsblokken van Team UEA (16), Deceuninck-Quickstep (15), Ineos (12) en Astana (11).

Als Van Aert wereldkampioen wordt in eigen land, met die dubbelspionnen in de eigen ploeg, de beperkte steun van ploegmaats uit andere landen en op een parcours met meer interval en acrobatie dan hem lief is, doet hij beter dan Eddy Merckx. Die verloor in het jaar 1969 waarin hij zelden verloor door onderhuidse rivaliteit in de Belgische ploeg het WK in eigen land. Van Harm Ottenbros, godbetert.

Column Domper op de WK-vreugde in De Morgen van maandag 20 september 2021

Domper op WK-vreugde

Neen, hoe ze ook bij Sporza hun best zullen doen, hoe ook de media hun best zullen doen, bijvoorbeeld door het voorval naar de algemene pagina’s te verwijzen, een wereldkampioenschap wielrennen kan nooit een feest zijn als dat begint met een dode wielrenner.

Chris Anker Sørensen werd 37 jaar. Hij was een Deens ex-prof, een B-renner die als analist voor de Deense televisie nog eens naar Vlaanderen was afgezakt. Zaterdag werd hij door een havenbusje gegrepen en overleefde de klap niet. De reactie van de instanties was voorspelbaar: dat de bestuurder geen schuld trof.

Om beleefd te antwoorden: dat boeit mij niet. Minder beleefd: WTF? Nergens anders gaan meer fietsers dood per gereden fietskilometer, al te vaak in ongevallen waarbij niemand schuld treft. Alle weggebruikers zien het aantal doden teruglopen, behalve de fietsers. Iedereen die een beetje sportief met de fiets rijdt, weet hoe gevaarlijk het hier is.

Gekke wielertoeristen, ik zal u voor zijn, die heb je hier bij bosjes, maar Chris Anker Sørensen was alleen onderweg, voor een verkenning van de tijdrit. Vlaanderen staat bekend voor zijn gebrekkige, onvoorspelbare, onveilige fietsinfrastructuur, voor slechte fietspaden als die er al zijn, krankzinnige verkeerssituaties.

Bent u mee? Welnu, ga dan eens fietsen in het gebied tussen Brugge en Zeebrugge. Het kan best zijn dat u al toevallig over de nieuwe fietsinfrastructuur tussen Heist en Zeebrugge heeft gereden en die ook bejubelt, maar dan dwaalt u. Nergens meer snelheidsduivels op vier wielen, op de A11 of op de randweg waar Sørensen verongelukte, nergens meer onbegrip voor de fietser dan in en rond de Zeebrugse haven.

Geen verraderlijker fietsgebied ook. De ene keer heb je voorrang, maar die neem je nooit want je bent gek als je dat doet. De andere keer heb je die voorrang niet. De plek waar Sørensen geen voorrang gaf aan de bestelwagen, is verraderlijk omdat je van een fietspad op een soort oversteekplaats afgebakend door blokjes terechtkomt. In veel landen is dat een beschermde overgang en als je toch moet stoppen, wordt dat ver van tevoren aangeduid en niet door een metertje geschilderde haaientanden. Natuurlijk was dit een ongeval, een accident, maar wel waiting to happen, de zoveelste blamage voor deze fietsonvriendelijke regio.

Was de dood van Sørensen al een flinke domper op de feestvreugde, dan moest Filippo Ganna nog van dat strandpodium rollen en beginnen aan zijn ritje richting Brugge. 47 minuten en evenveel seconden later verbrodde hij het Belgische gouden feestje met een seconde of zes.

Het was de triomf van de specialisatie. Ganna is een fulltimetijdrijder en achtervolger. Hij eet, leeft en slaapt op die TT-fiets en men vermoedt dat hij al het andere in zijn leven in die gehoekte houding doet. Wout van Aert is een hobbyist op zijn tijdritfiets, maar wel een verdomd goede. Wellicht is Van Aert intrinsiek een groter tijdrittalent en een grotere wattageproducent dan Ganna, maar die heeft deze zomer wel twee keer zijn volkslied horen spelen. Van Aert was twee keer tweede.

Ganna haalde twee op twee voor de doelen die hij zich had gesteld: op de Olympische Spelen kwam hij in de wegtijdrit nog wat tekort op dat geaccidenteerd parcours maar in de ploegenachtervolging, zijn hoofddoel, pakte hij goud. Gisteren werd op het Brugse ’t Zand opnieuw Fratelli d’Italia gespeeld, deze keer na afloop van de tijdrit van het wereldkampioenschap.

Hoe kan dat nu, vroeg men zich in de Sporza-studio af, het EK verliezen en twee weken later het WK winnen. Tja, dat is nu pieken en finetunen naar één doel en niet panikeren als het onderweg ingecalculeerd wat minder loopt. Van Aert was eerlijk: dit is het zilver te veel. Hij moet nog wel even deze week en ook nog volgende week, maar als we zijn palmares van 2021 vergelijken met dat van Ganna deze zomer, is het duidelijk dat specialisatie de beste garantie is op prijzen. Voorlopig heeft zegekoning Van Aert (dertien overwinningen) dit jaar Gent-Wevelgem en de Amstel Gold Race gewonnen, en nog wat Tour-ritten, maar geen enkel Monument. Dat mag tot enige reflectie aanzetten met betrekking tot volgende zondag en zal ongetwijfeld voor enige druk zorgen.

Tot slot nog deze bedenking: hoe zou bondsvoorzitter Tom Van Damme zich gisteren hebben gevoeld? Zo’n Renato di Rocco als vicevoorzitter van de UCI en voorzitter van de Italiaanse wielerbond zien blinken op dat Belgisch podium, hem zijn renner Ganna het goud zien overhandigen en dan te moeten luisteren naar Fratelli d’Italia en niet de Brabançonne… Dat alles in de wetenschap dat het Di Rocco is die hem uit het nieuwe comité directeur van de UCI heeft geknikkerd, dat zal pijn hebben gedaan.

Column De Waan van de Match in De Morgen van zaterdag 18 sep 2021

De waan van de matchpage1image8043760

De Morgen – 18 Sep. 2021 Pagina 23

De Belgische dinsdagkranten: ‘Een toiletzakje, meer heeft een genie niet nodig’ ‘Als Mbappé diep wordt gestuurd, bel dan gauw je moeder’ ‘Veel geluk, Club’ De Belgische woensdagkranten: ‘Messi zoekt, Club vindt’ ‘Dit was een historische match’ ‘Nu vol voor de derde plaats gaan’ ‘Groots, geweldig, magnifique’ Het Franse L’Equipe dinsdag: …

De Belgische dinsdagkranten:
‘Een toiletzakje, meer heeft een genie niet nodig’
‘Als Mbappé diep wordt gestuurd, bel dan gauw je moeder’ ‘Veel geluk, Club’
De Belgische woensdagkranten:
‘Messi zoekt, Club vindt’
‘Dit was een historische match’
‘Nu vol voor de derde plaats gaan’
‘Groots, geweldig, magnifique’
Het Franse L’Equipe dinsdag:
‘Paris première’
‘La chasse est ouverte’
Het Franse L’Equipe woensdag:
‘Fantomatique’
‘Une blague, on espère’

Er zijn alleen maar goede argumenten om een wedstrijdverslag níét in een stadion te schrijven. Waar dan wel? Rustig thuis, gezeten aan een bureau omringd door een paar schermen, bijvoorbeeld. Het allerbeste argument is dat je verlost bent van de journalistieke vorm van wat met een geleerde Engelse term bias by proxy heet.

Omdat je dicht bij het onderwerp staat, zie je het grotere plaatje niet meer. Je wordt vooringenomen, je gaat overdrijven. Minder goed wordt slecht en soms superslecht. Niet slecht wordt goed en soms supergoed. Voetbal- en bij uitbreiding alle andere sportverslagen die ter plekke zijn opgeschreven maar bedoeld zijn om later te worden gelezen, zijn in dat bedje ziek.

Er is een daadwerkelijk verschil tussen de commentator en een verslaggever, of dat verschil zou er moeten zijn. De verslaggever zou een analist moeten zijn, maar dat is haast onmogelijk als die zich in het stadion onderdompelt in de sfeer, negatief dan wel positief.

Een commentator is dan weer de marktkramer. Hij wil dat je blijft hangen aan zijn kraam en probeert je interesse op te wekken voor het product waar zijn werkgever veel geld heeft voor betaald om het in het kraam te mogen leggen. Een onderkoelde commentator die zegt dat de prestatie van team A eigenlijk het gevolg is van het ondermaats voetballen van team B en daarbij goochelt met cijfertjes: persoonlijk zou ik dat niet erg vinden, maar ik ben de norm niet.

Laatst zat ik met een jongere ex-wapenbroeder samen te filosoferen over hét vak en wat er was veranderd in de voorbije jaren. Ondanks het leeftijdsverschil kwamen we bij hetzelfde uit: de overdrijving in al haar facetten. Gaande van overdreven lange tenen, over devotie en idolatrie voor sterren die met hun voornaam worden benoemd, tot overdrijving in waardering van een prestatie.

Neem nu Club Brugge, de voorbije weken. Beginnen we op maandag 30 augustus. Club heeft met 6-1 verloren in Gent. Volgens de enige statistiek die correleert met winst (schoten binnen het doelkader, de shots on target) heeft het terecht verloren. Zes tegen drie, dat wettigt de winst van Gent. Alleen niet met 6-1. Elf schoten naar doel, zes on target en zes doelpunten, sommigen noemen dat efficiëntie maar eigenlijk dat is hoerenchance hebben in de afwerking.

De conclusies waren niettemin vernietigend voor Club: ze waren aan bezinning toe en dan moesten Messi en co. nog komen, oei oei oei, wat zou dat worden? Gent was dan weer groots, aldus de kranten. Kortom: de waan van de match. De realiteit was anders: Gent was goed, Club was minder.

Waarom was Club minder, die vraag dook nergens op en het antwoord ook niet. Simpel: omdat Club minder liep dan Gent. Het volstaat niet de bal te hebben in voetbal, je moet ook lopen en liefst snel lopen met en zonder bal. Gent liep 4,75 kilometer meer dan Club en trok 42 sprints meer. In één krant sprak men van ‘Brugse arrogantie afgestraft’.

Over naar woensdag. Club speelde 1-1 gelijk. Het scoorde de gelijkmaker nadat Paris Saint-Germain twintig minuten lang de baas was, op voorsprong was gekomen en dacht dat de zaak beklonken was. Was Club goed? Jazeker. Was Club groots? Misschien, maar wellicht niet, zoals het evengoed niet dramatisch slecht was in Gent.

Je bent (maar) zo goed als de tegenstander dat toelaat. Het lijdt geen twijfel dat Club tegen een PSG met het mes tussen de tanden geen schijn van kans heeft. Woensdag hadden die van PSG een bot zakmesje mee, niet eens tussen de tanden, gewoon in de achterzak. Club liep vooral veel meer dan PSG, liefst 7,2 kilometer meer, en liep ook veel vaker sneller dan de sterren van PSG. Club had meer goesting.

L’Equipe had het juist: het begon bij de drie voorin die geen zin hadden om te lopen. Messi liep/sjokte 8,3 kilometer, Neymar 10,2. De rapste, Mbappé, viel uit. De rest dacht: jullie niet, dan wij ook niet, bekijk het maar. Het punt is verdiend, een opsteker, maar er zit een keerzijde aan. Nu weten Manchester City, RB Leipzig en uiteraard ook PSG dat ze best hun poot zetten tegen die petits belges.