Column Domper op de WK-vreugde in De Morgen van maandag 20 september 2021

Domper op WK-vreugde

Neen, hoe ze ook bij Sporza hun best zullen doen, hoe ook de media hun best zullen doen, bijvoorbeeld door het voorval naar de algemene pagina’s te verwijzen, een wereldkampioenschap wielrennen kan nooit een feest zijn als dat begint met een dode wielrenner.

Chris Anker Sørensen werd 37 jaar. Hij was een Deens ex-prof, een B-renner die als analist voor de Deense televisie nog eens naar Vlaanderen was afgezakt. Zaterdag werd hij door een havenbusje gegrepen en overleefde de klap niet. De reactie van de instanties was voorspelbaar: dat de bestuurder geen schuld trof.

Om beleefd te antwoorden: dat boeit mij niet. Minder beleefd: WTF? Nergens anders gaan meer fietsers dood per gereden fietskilometer, al te vaak in ongevallen waarbij niemand schuld treft. Alle weggebruikers zien het aantal doden teruglopen, behalve de fietsers. Iedereen die een beetje sportief met de fiets rijdt, weet hoe gevaarlijk het hier is.

Gekke wielertoeristen, ik zal u voor zijn, die heb je hier bij bosjes, maar Chris Anker Sørensen was alleen onderweg, voor een verkenning van de tijdrit. Vlaanderen staat bekend voor zijn gebrekkige, onvoorspelbare, onveilige fietsinfrastructuur, voor slechte fietspaden als die er al zijn, krankzinnige verkeerssituaties.

Bent u mee? Welnu, ga dan eens fietsen in het gebied tussen Brugge en Zeebrugge. Het kan best zijn dat u al toevallig over de nieuwe fietsinfrastructuur tussen Heist en Zeebrugge heeft gereden en die ook bejubelt, maar dan dwaalt u. Nergens meer snelheidsduivels op vier wielen, op de A11 of op de randweg waar Sørensen verongelukte, nergens meer onbegrip voor de fietser dan in en rond de Zeebrugse haven.

Geen verraderlijker fietsgebied ook. De ene keer heb je voorrang, maar die neem je nooit want je bent gek als je dat doet. De andere keer heb je die voorrang niet. De plek waar Sørensen geen voorrang gaf aan de bestelwagen, is verraderlijk omdat je van een fietspad op een soort oversteekplaats afgebakend door blokjes terechtkomt. In veel landen is dat een beschermde overgang en als je toch moet stoppen, wordt dat ver van tevoren aangeduid en niet door een metertje geschilderde haaientanden. Natuurlijk was dit een ongeval, een accident, maar wel waiting to happen, de zoveelste blamage voor deze fietsonvriendelijke regio.

Was de dood van Sørensen al een flinke domper op de feestvreugde, dan moest Filippo Ganna nog van dat strandpodium rollen en beginnen aan zijn ritje richting Brugge. 47 minuten en evenveel seconden later verbrodde hij het Belgische gouden feestje met een seconde of zes.

Het was de triomf van de specialisatie. Ganna is een fulltimetijdrijder en achtervolger. Hij eet, leeft en slaapt op die TT-fiets en men vermoedt dat hij al het andere in zijn leven in die gehoekte houding doet. Wout van Aert is een hobbyist op zijn tijdritfiets, maar wel een verdomd goede. Wellicht is Van Aert intrinsiek een groter tijdrittalent en een grotere wattageproducent dan Ganna, maar die heeft deze zomer wel twee keer zijn volkslied horen spelen. Van Aert was twee keer tweede.

Ganna haalde twee op twee voor de doelen die hij zich had gesteld: op de Olympische Spelen kwam hij in de wegtijdrit nog wat tekort op dat geaccidenteerd parcours maar in de ploegenachtervolging, zijn hoofddoel, pakte hij goud. Gisteren werd op het Brugse ’t Zand opnieuw Fratelli d’Italia gespeeld, deze keer na afloop van de tijdrit van het wereldkampioenschap.

Hoe kan dat nu, vroeg men zich in de Sporza-studio af, het EK verliezen en twee weken later het WK winnen. Tja, dat is nu pieken en finetunen naar één doel en niet panikeren als het onderweg ingecalculeerd wat minder loopt. Van Aert was eerlijk: dit is het zilver te veel. Hij moet nog wel even deze week en ook nog volgende week, maar als we zijn palmares van 2021 vergelijken met dat van Ganna deze zomer, is het duidelijk dat specialisatie de beste garantie is op prijzen. Voorlopig heeft zegekoning Van Aert (dertien overwinningen) dit jaar Gent-Wevelgem en de Amstel Gold Race gewonnen, en nog wat Tour-ritten, maar geen enkel Monument. Dat mag tot enige reflectie aanzetten met betrekking tot volgende zondag en zal ongetwijfeld voor enige druk zorgen.

Tot slot nog deze bedenking: hoe zou bondsvoorzitter Tom Van Damme zich gisteren hebben gevoeld? Zo’n Renato di Rocco als vicevoorzitter van de UCI en voorzitter van de Italiaanse wielerbond zien blinken op dat Belgisch podium, hem zijn renner Ganna het goud zien overhandigen en dan te moeten luisteren naar Fratelli d’Italia en niet de Brabançonne… Dat alles in de wetenschap dat het Di Rocco is die hem uit het nieuwe comité directeur van de UCI heeft geknikkerd, dat zal pijn hebben gedaan.

Column De Waan van de Match in De Morgen van zaterdag 18 sep 2021

De waan van de matchpage1image8043760

De Morgen – 18 Sep. 2021 Pagina 23

De Belgische dinsdagkranten: ‘Een toiletzakje, meer heeft een genie niet nodig’ ‘Als Mbappé diep wordt gestuurd, bel dan gauw je moeder’ ‘Veel geluk, Club’ De Belgische woensdagkranten: ‘Messi zoekt, Club vindt’ ‘Dit was een historische match’ ‘Nu vol voor de derde plaats gaan’ ‘Groots, geweldig, magnifique’ Het Franse L’Equipe dinsdag: …

De Belgische dinsdagkranten:
‘Een toiletzakje, meer heeft een genie niet nodig’
‘Als Mbappé diep wordt gestuurd, bel dan gauw je moeder’ ‘Veel geluk, Club’
De Belgische woensdagkranten:
‘Messi zoekt, Club vindt’
‘Dit was een historische match’
‘Nu vol voor de derde plaats gaan’
‘Groots, geweldig, magnifique’
Het Franse L’Equipe dinsdag:
‘Paris première’
‘La chasse est ouverte’
Het Franse L’Equipe woensdag:
‘Fantomatique’
‘Une blague, on espère’

Er zijn alleen maar goede argumenten om een wedstrijdverslag níét in een stadion te schrijven. Waar dan wel? Rustig thuis, gezeten aan een bureau omringd door een paar schermen, bijvoorbeeld. Het allerbeste argument is dat je verlost bent van de journalistieke vorm van wat met een geleerde Engelse term bias by proxy heet.

Omdat je dicht bij het onderwerp staat, zie je het grotere plaatje niet meer. Je wordt vooringenomen, je gaat overdrijven. Minder goed wordt slecht en soms superslecht. Niet slecht wordt goed en soms supergoed. Voetbal- en bij uitbreiding alle andere sportverslagen die ter plekke zijn opgeschreven maar bedoeld zijn om later te worden gelezen, zijn in dat bedje ziek.

Er is een daadwerkelijk verschil tussen de commentator en een verslaggever, of dat verschil zou er moeten zijn. De verslaggever zou een analist moeten zijn, maar dat is haast onmogelijk als die zich in het stadion onderdompelt in de sfeer, negatief dan wel positief.

Een commentator is dan weer de marktkramer. Hij wil dat je blijft hangen aan zijn kraam en probeert je interesse op te wekken voor het product waar zijn werkgever veel geld heeft voor betaald om het in het kraam te mogen leggen. Een onderkoelde commentator die zegt dat de prestatie van team A eigenlijk het gevolg is van het ondermaats voetballen van team B en daarbij goochelt met cijfertjes: persoonlijk zou ik dat niet erg vinden, maar ik ben de norm niet.

Laatst zat ik met een jongere ex-wapenbroeder samen te filosoferen over hét vak en wat er was veranderd in de voorbije jaren. Ondanks het leeftijdsverschil kwamen we bij hetzelfde uit: de overdrijving in al haar facetten. Gaande van overdreven lange tenen, over devotie en idolatrie voor sterren die met hun voornaam worden benoemd, tot overdrijving in waardering van een prestatie.

Neem nu Club Brugge, de voorbije weken. Beginnen we op maandag 30 augustus. Club heeft met 6-1 verloren in Gent. Volgens de enige statistiek die correleert met winst (schoten binnen het doelkader, de shots on target) heeft het terecht verloren. Zes tegen drie, dat wettigt de winst van Gent. Alleen niet met 6-1. Elf schoten naar doel, zes on target en zes doelpunten, sommigen noemen dat efficiëntie maar eigenlijk dat is hoerenchance hebben in de afwerking.

De conclusies waren niettemin vernietigend voor Club: ze waren aan bezinning toe en dan moesten Messi en co. nog komen, oei oei oei, wat zou dat worden? Gent was dan weer groots, aldus de kranten. Kortom: de waan van de match. De realiteit was anders: Gent was goed, Club was minder.

Waarom was Club minder, die vraag dook nergens op en het antwoord ook niet. Simpel: omdat Club minder liep dan Gent. Het volstaat niet de bal te hebben in voetbal, je moet ook lopen en liefst snel lopen met en zonder bal. Gent liep 4,75 kilometer meer dan Club en trok 42 sprints meer. In één krant sprak men van ‘Brugse arrogantie afgestraft’.

Over naar woensdag. Club speelde 1-1 gelijk. Het scoorde de gelijkmaker nadat Paris Saint-Germain twintig minuten lang de baas was, op voorsprong was gekomen en dacht dat de zaak beklonken was. Was Club goed? Jazeker. Was Club groots? Misschien, maar wellicht niet, zoals het evengoed niet dramatisch slecht was in Gent.

Je bent (maar) zo goed als de tegenstander dat toelaat. Het lijdt geen twijfel dat Club tegen een PSG met het mes tussen de tanden geen schijn van kans heeft. Woensdag hadden die van PSG een bot zakmesje mee, niet eens tussen de tanden, gewoon in de achterzak. Club liep vooral veel meer dan PSG, liefst 7,2 kilometer meer, en liep ook veel vaker sneller dan de sterren van PSG. Club had meer goesting.

L’Equipe had het juist: het begon bij de drie voorin die geen zin hadden om te lopen. Messi liep/sjokte 8,3 kilometer, Neymar 10,2. De rapste, Mbappé, viel uit. De rest dacht: jullie niet, dan wij ook niet, bekijk het maar. Het punt is verdiend, een opsteker, maar er zit een keerzijde aan. Nu weten Manchester City, RB Leipzig en uiteraard ook PSG dat ze best hun poot zetten tegen die petits belges.

Column La Belgique de papa in De Morgen van maandag 13 september 2021

La Belgique de papa

Vorige week stond hier over de verkiezing van de nieuwe voorzitter van het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité: “Als de meest competente kandidaat tot de juiste taalrol behoort, de beste papieren heeft én een ambitieus programma, en ze is ook nog eens een vrouw, waarom is het dan lang niet zeker dat die wordt gekozen? Antwoord: omdat zwakke mannen altijd kiezen voor andere zwakke mannen en nooit voor verandering.”

Helemaal juist voorspeld, en helaas stemden zwakke vrouwen ook voor zwakke mannen. Heidi Rakels kreeg maar 33 procent van de stemmen. Dat is beschamend en moet tot denken aanzetten bij het BOIC maar meer nog bij de Vlaamse sport en de vrouwen. Rakels had twee nadelen: ze had haar kandidatuur relatief laat aangekondigd, maar haar grootste manco was dat ze niet tot de cenakels van het bondenlandschap behoorde. Jean-Michel Saive zat al een eeuwigheid in dat BOIC en hoewel dat met deze instelling evengoed een bewijs van onbenulligheid kan zijn, ziet men dat in het (nationaal) bondenlandschap omgekeerd.

Verder had Rakels alleen maar voordelen. Neem nu de taalrol. Als een nationale instelling in een door Vlaanderen gedomineerd domein in haar 115-jarig bestaan welgeteld vier jaar is geleid door een Vlaming is daar niks fanatiek Vlaamsgezind aan om die Vlaamse kandidaat automatisch te verkiezen boven de Franstalige. Al was het maar uit respect voor de taalrol die het meeste geld opbrengt voor de topsport en veruit de meeste medailles haalt.

Op voorwaarde uiteraard dat de competenties van de Vlaamse kandidaat minstens evenwaardig zijn aan die van de Franstalige. Inzake intelligentie, competentie en bewezen verwezenlijkingen: zelfs als de apparatsjik Saive naar boven kijkt en een bril opzet, ziet hij niet eens de hielen van durfondernemer Rakels. Komt daar nog bij dat Rakels de eerste olympische medaillewinnaar had kunnen zijn in het hoofdbestuur van het BOIC en bovendien een vrouw is.

Neen, Saive is geen domoor, wel een ex-topper en een sympathieke gast. En slim. Na zijn verkiezing zei hij dat alles prima loopt en het steeds beter gaat met de olympische sport en dat niks moet veranderen. Dat is wat het kiespubliek van de nationale bonden wilde horen en waarvoor ze hebben gestemd: meer van hetzelfde. De sportieve realiteit is deze: 40 procent van de Belgische bevolking levert 20 procent van de medailles, maar eist de helft van de macht op.

De financiële realiteit? Het BOIC hangt aan het infuus van de gemeenschappen en van de Nationale Loterij en verteert meer aan werkingskosten dan het zelf opbrengt met sponsoring. De enige toegevoegde waarde van het BOIC zit hem in de logistiek rond de Olympische Spelen. Rakels niet verkiezen is een gemiste kans, maar dan toch vooral voor de Vlaamse sport die zich niet genoeg heeft geprofileerd en dwingend opgesteld in de nationale sportstructuren. Sport Vlaanderen had ook meer kunnen doen. De minister van Sport had meer kunnen doen. En de vrouwenbeweging Change. De Taskforce Women & Sports van het BOIC bestond het zelfs om niet voor Rakels te stemmen. Per saldo levert het BOIC zelfs een vrouwelijke bestuurder in. In 2021.

Er zit ook een voordeel aan de niet-verkiezing van Rakels. Voor de Vlaamse sport is het beeld nu scherp: la Belgique de papa bestaat nog steeds en is nergens meer uitgesproken dan aan de Boechoutlaan in Laken. Dat maakt meteen duidelijk dat het BOIC tel qu’il est niet kan blijven bestaan.

In het verlengde moet ook het Belgisch bondenlandschap op de schop. Het evenwicht tussen de taalgemeenschappen in de nationale sportbonden, die vaak niet meer zijn dan lege dozen bemand (zelden bevrouwd) door lege hoofden, is een aanfluiting van de sportieve realiteit. Eind de jaren zeventig werd een aanzet gegeven met de splitsing van de sportbonden en dat trok zich door in de jaren tachtig. Het is tijd voor een tweede rondje politiek realiteitsbesef.

Wat daarbij kan helpen om het BOIC wakker te schudden is een herziening van de Vlaamse geldstromen, te beginnen met het jongerenproject Be Gold. Ook voor de verdeling van de gelden van de Nationale Loterij naar het BOIC is een Vlaams fiat nodig, ja toch? Dat zou on hold kunnen worden gezet. Tegelijk kan Team Vlaanderen zelf beginnen met sponsorwerving. Leg het BOIC financieel droog en des te sneller zal het vervellen tot een administratief vehikel voor de olympische vertegenwoordiging. Een Belgische Olympische Associatie in navolging van de British Olympic Association, dat moet het einddoel zijn. De voorzitter van de BOA is al bijna veertig jaar prinses Anne en niemand die dat weet. Laten wij prins Laurent nemen.

Verhaal over het sportjaar van de traan en de emo in De Morgen van zaterdag 11 sep 2021

‘Niet elke huilende sporter heeft een psycholoog nodig’

Van Naomi Osaka tot Wout van Aert: topsporters zijn vaker open over hun emoties en hoe die hun prestaties beïnvloeden. Een keerpunt? ‘De Mental Games, dat klinkt mooi, maar dat is een uitvinding van de media’, zegt psycholoog Paul Wylleman.

Voorafgaand aan de Spelen bracht ondergetekende al een bezoek aan Paul Wylleman. De VUB-professor is een autoriteit inzake sportpyschologie en sinds 2009 prestatiemanager prestatiegedrag – zeg maar hoofd sportpsychologie – van TeamNL. TeamNL is dan weer het Nederlands Olympisch team, dat zevende werd in Tokio en met 36 medailles het best presterende EU-land was, een pluim die het de voorbije Winterspelen ook al op de hoed kon steken.

Het bezoek diende als verkennend gesprek over presteren in een coronajaar, in een setting zonder publiek, met tests en beperkingen en vooral over hoe die vermaledijde trip richting Tokio te verteren, waar elke buitenlander scheef zou worden bekeken als potentiële virusbom. Wylleman had één goede raad: “Je weet wat er komt, verzet je niet, ga mee in wat ze vragen, probeer het bewust te beleven, verspil geen energie aan boosheid.”

Bedankt voor de gouden raad. Ik heb maar één keer een Japanse gezondheidsbeambte willen wurgen, dat was bij aankomst. Na een dag was dat over.

“Mooi dat je dat zegt. Mijn insteek was: verwacht veel regels en nul flexibiliteit en probeer zelf binnen de vrijheidsgraden te zien hoever je kunt gaan. Soms wás het ook tergend: hoewel er geen publiek was in een stadion van 50.000 toeschouwers werden we toch beperkt tot een klein hoekje. Ik had dan nog het voordeel dat ik met mijn accreditering makkelijker toegang kon krijgen tot bepaalde zones.

“Je kon dat systeem op den duur wel oprekken. Elke dag een speekseltest afleveren, dat lijkt erg, maar zodra je wist wat de procedure was, kon je zelf bepalen wanneer je je proefbuisje met speeksel vulde en kon inleveren. Dat voelde toch als een beetje vrijer omgaan met de regels.”

Voor ons media was de afwezigheid van publiek, vooral dan logistiek, een enorm voordeel. Hoe voelde de atleet dat aan?

“Die had meestal al meer dan een jaar ervaring met competities zonder publiek. De beleving zal anders zijn geweest, maar dat mag je ook niet overdrijven. Atleten bereiden zich voluit voor op hun prestatie en hebben ook leren omgaan met factoren die hierbij storend zouden kunnen zijn. En in Tokio was dat de afwezigheid van publiek. Trouwens, buiten Tokio was er vaak wel publiek. Denk maar aan het baanwielrennen in de Izu-velodroom, poulewedstrijden in het voetbal en de marathon in Sapporo. Na de wedstrijd wordt succes of deceptie vaak in een heel kleine kring verwerkt, in Tokio was dat weliswaar zonder partners of ouders. Deze generatie atleten is dan weer heel erg bedreven in het contact houden met hun achterban via sociale media of computer.

“Wat het resultaat betreft, lijkt het mij niet dat deze Spelen zonder publiek spectaculair andere resultaten hadden opgeleverd. Japan had geen thuispubliek maar scoorde sterk, geografische concurrenten China en Australië ook, de VS winnen uiteindelijk de medaillestand, en wij deden het ook goed, zoals was voorspeld.”

Nederland had heel veel medailles maar ook het hoogste aantal covidpositieven met quarantaine tot gevolg. Hoe ging u daar als teampsycholoog mee om?

“Dat waren haast allemaal sporters die op één KLM-vlucht zaten. Lag het aan die vlucht, of zijn ze besmet op de luchthaven Narita in die uren durende procedures? Dat weten we nog steeds niet. We hebben er zeven gehad. Het begon met onze skateboardster Candy Jacobs, die positief had getest.

“Dat is heel ingrijpend: die vrouw verwacht te kunnen presteren, maar ineens stort haar realiteit in elkaar. Die procedures waren ook heavy: je krijgt plots de boodschap dat je positief bent, vervolgens word je weggeplukt voor een opname in de ‘fever clinic’ in het olympisch dorp, waar je opgevangen wordt door iemand in zo’n volledig wit intensive-carepak. Wie daar voor een derde keer positief testte, werd dan in quarantaine in een klein hotelkamertje geplaatst.

“Het enige verschil met een gevangenis leek het perspectief om binnen zes of zeven dagen een tweede test te krijgen en vrij te kunnen komen. Voorts zaten ze inderdaad de hele dag opgesloten, het raam kon niet open en met een luidspreker in hun kamer werd hen gemeld wanneer ze naar beneden konden komen om hun doosje met eten op te halen. Dat komt neer op totaal controleverlies, ongeveer het ergste wat je iemand kunt aandoen.

“Ik had aanvankelijk alleen contact met hen via Whatsapp. Bij sommigen ging dat vlot, anderen waren totaal van de kaart en niet aanspreekbaar. Een dag later kon ik dan toch spreken en mijn feedback geven. Ik had vier punten: probeer een dagstructuur aan te houden, laat alle emotie komen – vloeken, lachen, wenen – niemand ziet je en dan is het eruit, hou een klein sociaal netwerk aan, en ten slotte, probeer fysieke activiteit in te bouwen. Een van onze jonge roeiers is erin geslaagd om in de gang, waar hij niet mocht komen, toch tien kilometer te lopen. Candy Jacobs postte dan weer filmpjes over de situatie waarin ze was verzeild geraakt en de tricks die ze toch nog in haar kamer deed.”

Op een gegeven ogenblik had ze het wel gehad.

“Ze wilde niet meer naar haar kamer en bleef ostentatief in de ruimte zitten waar ze haar eten moest gaan ophalen. Dat was een behoorlijk crisismoment. Die Japanners wisten niet hoe daarmee om te gaan, maar hun verpleegkundigen waren begripvol. Die hadden al door dat hun aanpak bij westerse atleten niet werkte.

“Candy wilde frisse lucht. Ik begreep het ook volkomen: een skateboardster – één brok vrijheid en energie – zo opsluiten, dat werkt niet. Via ons Olympisch Comité ging het naar het Internationaal Olympisch Comité en zo naar de lokale organisatoren die het ministerie van Volksgezondheid contacteerden. Alleen was de quarantaine de bevoegdheid van nog een andere instelling. Na 3,5 uur was er een vergelijk. Ik mocht met de atleten in een grote kamer – kamer 418, ik vergeet het nooit – en in die kamer kon een raam open.

“Ik moest ook zo’n intensive-carepak aan, en zo heb ik onze atleten mogen zien. De eerste dag had ik wat vers fruit mee, en een andere dag konden ze McDonald’s bestellen. Ik ben daar drie keer gaan zitten in dat pak, gewoon om dat raam te mogen openen. Candy ging meteen in het raamkozijn zitten – “frisse lucht, eindelijk” – maar dat mocht dan ook weer niet. (lacht)

“Sommigen konden na zes of zeven dagen al vertrekken, anderen na tien dagen. Maar vertrekken, dat was afgevoerd worden naar de luchthaven, vliegtuig op en terug naar Nederland, waar we voor nazorg hadden gezorgd. Slechts één persoon heeft iets langere zorg nodig gehad.”

Heel veel mensen hebben de indruk dat deze zomer op de sportpodia meer emotie is getoond dan ooit tevoren.

“Zonder iedereen over dezelfde kam te scheren, lijkt het er toch sterk op dat dit een generatie atleten is die zich wil uiten naar de buitenwereld en daarbij de emoties makkelijker dan vroeger de vrije loop laat. In combinatie met het bestaan van de sociale media, maakt dat sommigen hun hart wel heel makkelijk openen. Vervolgens pikken de traditionele media dat op, en voor je het weet heeft je hele privé geen geheimen meer.”

Naomi Osaka zit op Netflix met haar leven en staat op de cover van de swimsuit edition van Sports Illustrated. Maar zijn wij van de media de onmensen als we haar een vraag willen stellen over haar backhand die wat minder was?

“Natuurlijk niet. Ze stopt nu tijdelijk met tennis en dat is haar goed recht. Weet je wie ik nog niet heb gehoord in deze? Haar coach. Wim Fissette is toch een Belg? Hier speelt veel meer dan gewoon even geen zin in tennis.”

Uit een verhaal in Time zou blijken dat ze last heeft van het oplichterssyndroom. ‘Ben ik wel zo goed als men zegt? Straks ziet iedereen dat ik niks voorstel.’

“Wat is dat zogeheten imposter’s syndrome? Het is twijfelen over dat je succesvol kunt zijn, dat het meer geluk is dan competentie en dat je niet je plaats verdient. Dat gaat ook samen met perfectionisme. Nogal wat mensen denken af en toe zo, twijfelen soms, maar of die nu allemaal aan dit syndroom leiden? Maak dat vooral niet erger dan het is. Dit is meer verkeerd taalgebruik.”

Is ‘de Mentale Spelen’ ook een overdrijving?

“Dat denk ik wel. The Mental Games, dat klinkt mooi natuurlijk, maar dat is een uitvinding van de media. Het waren de Olympische Spelen waarin plots alles van het mentale in het taalgebruik ingang heeft gevonden. Deels omdat er meer aandacht voor is in de maatschappij, deels door de speciale omstandigheden in een verre cultuur. Ik kreeg tijdens de Spelen telefoon van USA Today die mij wilden horen over die mentale kwesties. De journalist begon ook over Tom Dumoulin (renner van Jumbo-Visma die tijdelijk een burn- out had, HV). Ik heb hem moeten ontgoochelen want ik praat niet over individuele cases, en ik hem hem ook gezegd dat ik dit geen Spelen vond met uitingen van trauma’s of wat dan ook. Er was wel wat emotie, maar er was vooral meer aandacht voor die emotie.”

Atleten gaan daar graag in mee, met name op sociale media, en daar hebben ze volgens mij de doos van Pandora geopend.

“De vraag is nu of wij, die van een andere generatie zijn, die sport anders beleven dan de huidige generatie. Ik heb je columns herlezen en mij valt op dat je je bent gaan ergeren aan die emotie. Het klopt dat het puur sporttechnische en sportieve aspect met de jaren minder belangrijk is geworden. Alles wat rond die atleet gebeurt is ook hét verhaal.”

Ik wil niet weten via Instagram hoe het met de hond van Nafi Thiam gaat. Ik wil haar kunnen vragen hoe het met haar elleboog gaat.

“Sommige sporters hebben sociale media toegelaten, en wel zo snel dat het niet meer controleerbaar is. Die sociale media zijn voor veel atleten bijna een soort levende persoon geworden in een zeer klein netwerk: coach, partner thuis, trainingsgroep en nog wat omkadering. Die levende persoon van de sociale media bestaat alleen virtueel, maar die geeft wel feedback, reageert, keurt goed en keurt af. Voor je het weet worden de likes belangrijk, want ook de sponsors letten daarop, enzovoort…

“Het punt dat ik hier wil maken is dat we atleten al een paar jaar hebben geleerd om te gaan met de media, wat soms leidt tot nietszeggende interviews met veel gemeenplaatsen, maar dat we hen niet sterker hebben gemaakt in het gebruik van de sociale media. Hoever wil je gaan? Wat als je nog meer privé gaat delen? Je grenzen stellen en ze ook bewaken. Socialemediatraining lijkt mij op zijn plaats.”

Andere persoonlijke irritatie: het gezin van de atleet. Baby Georges, het zoontje van Wout van Aert, heeft al meer op het podium gestaan dan de meeste collega’s van zijn pa.

“Ik vind het niet slecht dat atleten aantonen dat ze er niet alleen voor staan en dat ze dankzij de familie en het gezin zo ver zijn geraakt. Maar moet je daar continu mee doorgaan? Soms lijkt het alsof ze altijd wel iemand er moeten bij betrekken die voor hen belangrijk is geweest. Waarom doen ze dat? Omdat ze het willen, omdat het oprecht is, maar uiteraard ook omdat het goed is voor hun imago.”

Wordt de nadruk op de emotionaliteit ook niet gestuurd vanuit uw vak? Er zijn nogal wat sportpsychologen – meer aanbod dan vraag, is de indruk.

“Er zijn sportpsychologen die zichzelf zien als onderdeel van het decor, die beschikbaar zijn als dat nodig is, maar geen voetlicht willen. Dat geldt voor mij. Ik heb destijds met Kevin Vanderperren (wereldtopper in het kunstschaatsen, hv) gewerkt en pas het allerlaatste kampioenschap heb ik toegezegd, op vraag van zijn choreograaf om mee in de kiss-and-cry-zone te gaan staan. Dat is die plaats naast de ijspiste waar ze wachten op hun punten en waar de camera op staat.

“En dan heb je collega’s die graag op de voorgrond staan. Als de media bellen uitspraken doen over de atleten die je zelf begeleidt, zou ik nooit doen. Alleen als de atleet en coach dat vragen of er toestemming voor geven. Of je uitspreken over atleten die je niet kent. Bijvoorbeeld over de fin de carrière van Federer, ik kan iets zeggen over fin de carrière maar niet over Federer.”

“Bij de topprestatie hoeft een sportpsycholoog in principe niet meer aanwezig te zijn. Vijfennegentig procent van ons werk moet vooraf gebeuren. Toen ik naar een competitieplaats dacht te gaan in Tokio, omdat ik ook weleens sport wilde zien, vroeg ik eerst aan de coach of het gepast was dat ik kwam kijken. Dat vonden ze altijd oké.

Die toonde wel oldskool mentale sterkte toen hij in juli in misschien zijn laatste wedstrijd werd ingemaakt met 6-0. Hij liep niet van de baan.

“Er zijn atleten die heel goed weten waar ze mee bezig zijn en die dat een plaats kunnen geven. Die hebben zoveel bereikt dat hun identiteit niet meer afhangt van die ene rampzalige verliesset.”

Hoe is de sportpsychologische begeleiding in Nederland geregeld?

“Ik ben in dienst met een contract dat NOC*NSF heeft met de VUB. Ik stuur een team aan van 37 experts, van wie de meerderheid verbonden is aan de vijf TeamNL-centra. Dat team bestaat uit topsportleefstijlcoaches, sportpsychologen, de gezondheidszorgpsychologen als eerstelijnspsychologen, klinisch psychologen en psychiaters. Die zijn volledig inzetbaar. Als teampsycholoog heb ik de Olympische Spelen van Rio en van Tokio begeleid en iemand uit mijn team was nu voor de eerste maal teampsycholoog tijdens de voorbije Paralympische Spelen. De vraag ligt nu op tafel: wat met de winterspelen van Peking in februari? We hebben nog nooit een psycholoog meegestuurd naar de Winterspelen. Moet er nu wel iemand mee? Dat zal intern besproken worden.”

De aanpak waar de Nederlanders u voor prijzen is de psycholoog op de achtergrond, als ondersteunende factor voor de coach.

“Andere landen trekken grote ogen: de nummer zeven op de medailletabel doet het met één psycholoog, hoe kan dat? Ik ben er niet van overtuigd dat meer psychologen ter plaatse beter is. Er is uiteraard ook nog het team van psychologen in Nederland dat ter beschikking staat. Het werk moet vooraf worden gedaan, op het niveau van de coach, de prestatiemanager en de medische cel. Zij staan zo dicht bij de programma’s dat ze meteen weten of het fout gaat.

“Er is bij ons af en toe ook geweend na een prestatie, maar moet daar een psycholoog naast gezet worden? Niet elke emotionele uitbarsting heeft een psycholoog nodig. Heel vaak is dat iets tijdelijks, vangt het team dat op of de coach. En maak de coach en het team sterk genoeg dat ze kunnen vaststellen dat een atleet mogelijk kan vastlopen en dat ze de psycholoog erbij betrekken om het van naderbij te bekijken en op te volgen.”

Wat was de rol van de psychologen in de gymschandalen?

“Over de gevallen zelf zal ik mij niet uitspreken. Er zijn gymnasten die het als misbruik hebben ervaren en er zijn gymnasten die het als hardheid hebben ervaren die bij topsport hoort. Druk van de coaches hoort bij topsport, maar wanneer wordt het een probleem? De sporters sterker maken dat ze grenzen kunnen trekken, is een van de oplossingen. Naast uiteraard de coaches duidelijk maken wat gepermitteerd is en wat niet. Dat grensoverschrijdend gedrag komt trouwens niet alleen voor in vrouwengymnastiek.”

Hebben sporters meer of minder problemen?

“Dat hebben we zes jaar geleden onderzocht samen met de Universiteit Amsterdam. Een op de vijf topsporters – actief of gestopt – ontwikkelt psychische problemen met disfunctioneel gedrag als gevolg. Die problemen moeten door een expert worden aangepakt. Dat hebben we vergeleken met de bevolking. Resultaat: een op de vijf Nederlanders die niks te maken heeft met topsport ontwikkelt eenzelfde type problemen. Er is dus helemaal geen specifiek probleem in de topsport.”

Column over De Tijd van Ons Leven in De Morgen van zaterdag 11 sep 2021

Amusante televisie

Als u na donderdagavond bent vergeten te checken: Iris Nechelput is nog steeds samen met Otto-Jan Ham en ze hebben ook nog drie kinderen. Idem voor Elodie Ouédraogo en Jeroom Snelders, nog steeds een koppel, met één zoontje. Of dat samenzijn bij beide koppels dezer dagen meer is dan wonen onder één dak ziet u volgende donderdag.

We zijn twee afleveringen ver van De tijd van ons leven op Eén en als u één zin moet onthouden van deze column is het deze: De tijd van ons leven is onzin die nergens over gaat, een belediging voor de topsport, maar het is goed verpakt en het is amusante televisie.

Als u zweert bij Canvas en onze pretnetten links laat liggen, deze update: in De tijd van ons leven trainen Otto-Jan Ham en Elodie Ouédraogo voor het WK tijdrijden, dat op 19 en 20 september tussen Knokke en Brugge wordt gereden. Niet het WK tijdrijden voor de media of voor BV’s, neen, het echte WK tijdrijden waar ook Wout van Aert en Lotte Kopecky aan meedoen. Die rijden die 43 en 30 kilometer tegen respectievelijk een dikke 50 en bijna 45 per uur.

De uitdaging van presentator Otto-Jan Ham en duizendpoot Elodie Ouédraogo bestaat erin een tijd neer te zetten waarmee ze niet laatste worden. Dus minimaal één wielrenner (m/v) kloppen. Dat mag ook iemand zijn die onderweg een wiel is verloren en te voet binnenkomt, zolang zij maar niet laatste in de uitslag staan.

Dat aspect van het verhaal bevreemdt al. Het lijkt onmogelijk dat Ham en ‘Elo’ door de UCI in de uitslag worden opgenomen. Die hebben geen licentie, al helemaal geen proflicentie, zijn niet geselecteerd door een nationale ploeg, enfin, tellen dus voor de juryleden van de UCI niet mee. Ik weet ook niet of Belgian Cycling daar zo mee is opgezet. Ze zijn er alvast niet bij betrokken en dat zegt genoeg.

BV’s, sport- of andere journalisten die uitdagingen aangaan die ze beter niet zouden aangaan, het is stilaan een uitgewoond format. Dat begon ooit met de jonge Karl Vannieuwkerke die renner wilde worden, maar het bleef bij een boek met die naam. Toch de meest lovenswaardige poging tot op heden van een BV die zijn dromen najaagt.

Intussen hebben we Ruben Van Gucht ooit de hele Ronde van Vlaanderen in zijn eentje zien rijden; superslechte tv maar hulde voor de prestatie. Maarten Vangramberen beet de voorbije jaren zijn tanden stuk op allerlei wereldrecords en blijft daarmee doorgaan, en ondertussen zagen we een nieuwslezeres balletdanseres worden. Dat laatste was geen topsport en Thomas Vanderveken die zich vergreep aan ‘Pianoconcert in a mineur’ van Edvard Grieg was dat ook niet, maar u begrijpt wat hier wordt bedoeld. Nu nog het format ‘journalist gaat uitdaging aan om aan journalistiek te doen’ en de cirkel is rond.

Tussendoor was er natuurlijk de uiterst grappige Saartje Vandendriessche die weerom een heel stel BV’s uitdaagde om het tegen haar op te nemen in gewaagde en minder gewaagde proeven. De overkill was toen al een feit, maar met Saartje kun je altijd lachen en dat is de bedoeling van dat soort programma’s, wat niet belet dat na De tijd van ons leven een moratorium op geteleviseerde midlifecrises op zijn plaats is.

Heel eerlijk, ik heb mij bijzonder vermaakt met de eerste twee afleveringen. Hoe het harmonieuze stel Ham-Nechelput licht neurotisch wordt van een man die eten begint af te wegen en ten slotte veel te mager wordt. Hoe Jeroom zijn plezante madam ziet transformeren in de gefocuste topatlete van weleer. En hoe een trainingsschema het doen en laten van een heel gezin bepaalt.

Been there, done that. In 2011 meer in het bijzonder, met een ironman als einddoel. Ook voor de televisie. Ik dacht in beperkte kring voor de regionale tv, maar nadien is die content goedkoop aan andere regionale zenders verkocht waardoor uit heel Vlaanderen reacties kwamen op mijn hybris.

Ik vond het van mijzelf nergens op lijken, maar wil er de heer Ham en mevrouw Ouédraogo toch graag tussentijds op wijzen dat ik van hun prestaties op de fiets voorlopig ook niet bepaald onder de indruk ben. Otto-Jan die ocharme 24 kilometer per uur gemiddeld reed tijdens de olympische tijdrit (op rollen nog wel, dus zonder de tegenwind), pff, wat was dat? Toen ik tien jaar ouder was haalde ik 30 gemiddeld over 180 kilometer (1.200 hoogtemeters), maar wel na 3,8 kilometer zwemmen en ik moest nog wat overhouden voor een marathonnetje.

Dat mag dus een stuk sneller. Aangezien het televisie is, en aangezien Woestijnvis aan de knoppen zit, denk ik dat het plots nog een stuk harder zal gaan. Maar voorlaatste worden? No way, tenzij er alsnog Nepalezen op teensletsen en Afghaansen in boerka, op bakfietsen, zijn ingeschreven. Goeie televisie die u moet zien? Neen, maar wel amusante tv. Al was het maar voor Jeroom, de Oscar van de beste mannelijk bijrol is voor hem.

Column BOIC-voorzitter in De Morgen van maandag 6 september 2021

BOIC-voorzitter

De sterkste voorzitter die het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité ooit had, was Raoul Mollet. Eentalig Frans, dictatoriaal, geen fan van vrouwen tenzij ze spontaan voor hem gingen liggen, maar anderzijds wel een visionair. Hij had bovendien een mooie eigenschap van sterke leiders: hij koos steevast voor sterke figuren. Wie hem intellectueel uitdaagde, die wilde hij rond zich.

Mollet was het die Jacques Rogge naar het hoofdbestuur van het olympisch comité haalde en hem zijn opvolger maakte. Jammer genoeg was er nog een andere sterke man die hij er eerder al had bijgehaald, en die ook veel ambitie had. Twee hanen op het olympisch erf was te veel. Adrien Vanden Eede won het in de machtsstrijd van Jacques Rogge die maar vier jaar voorzitter was en wiens impact dus beperkt bleef.

Vanden Eede volgde Rogge op in 1992 en ging ten onder aan alcoholmisbruik en malversaties. Na Vanden Eede werd François Narmon verplicht om Vanden Eede op te volgen. Hij had jarenlang als penningmeester het gesjoemel van Vanden Eede óf niet opgemerkt, óf niet willen opmerken en werd voor zijn verantwoordelijkheid gesteld. Puin ruimen, of mee worden gesleurd in een onverkwikkelijke zaak die op hem zou afstralen.

Narmon – de man van het Gemeentekrediet, later Dexia – was een bijzonder zwak voorzitter en in die jaren verloor het BOIC al zijn glans als superbond. Zijn opvolger in 2004 was Pierre-Olivier Beckers van de Delhaize-groep. Zijn spreuk toen hij in de adelstand werd verheven, luidde ‘Cum deo at homines’, of ‘Met god maar met mensen’. Geen mens die begreep waar dat voor stond, en dat gold ook een beetje voor die zeventien jaar dat zijn voorzitterschap heeft geduurd. Dat is het op twee na langste, na de negentien jaar van de nazi-sympathisant Henri de Baillet-Latour en de 24 jaar van Raoul Mollet.

Beckers zit inmiddels gebeiteld als IOC-lid en doet nu een stap terug. Het BOIC dat hij achterlaat, is een veredeld reisbureau dat – kort door de bocht, maar wel de realiteit – meer geld opmaakt voor het eigen (niet) functioneren dan het van de gemeenschappen en de nationale loterij toegestopt krijgt. Ik heb Beckers daar in 2006 al eens op gewezen, waarna hij totaal verbouwereerd de woorden stamelde: “Il faut que ça change”.

We wachten nog steeds op een beetje ‘change’ en misschien dat die er nu komt, want volgende vrijdag wordt zijn opvolger gekozen. Lange tijd leek dat een uitgemaakte zaak, zoals zo vaak in die bonden. Jean-Michel Saive was na zijn succesvolle tafeltenniscarrière opgenomen in de bestuurderskringen van de Franstalige sport en geraakte als atletenvertegenwoordiger uiteindelijk ook binnen bij het BOIC, waar hij zich handig naar een ondervoorzitterschap maneuvreerde. Hij werd de laatste jaren gegroomd om Beckers op te volgen.

Begin juli raakte bekend dat ex-judoka Heidi Rakels ook haar kandidatuur had gesteld en dat was een domper op de olympische machinaties. Rakels heeft een iets ander profiel dan Saive en dat is voorzichtig uitgedrukt. Er is namelijk geen enkele goede reden te bedenken om Rakels niet te verkiezen boven Saive.

Tegenover de sportbestuurlijke ervaring van die laatste heeft Rakels de troef dat ze niet is bezwaard door die ervaring, wat haar zal toestaan om de nodige veranderingen door te voeren. Saive (ex-nummer één) mag dan aan zeven Spelen hebben deelgenomen, hij heeft op die Spelen toch vooral het devies deelnemen is belangrijker dan winnen in daden omgezet. Hij geraakte nooit verder dan een kwartfinale. Rakels won brons in 1992 en werd vijfde in 2000.

Saive heeft weinig of geen opleiding genoten en maakte carrière via de cenakels van de Waalse partijpolitiek en administratie, twee communicerende vaten. Rakels timmerde tegelijk als judoka aan een succesvolle carrière en haalde een diploma burgerijk ingenieur computerwetenschappen. Na haar judo begon ze een bedrijf dat wereldleider werd in de beveiliging van bankensoftware. Dat heeft ze inmiddels deels verkocht nadat ze een tijdlang als CEO zelf de operationele leiding in handen had.

Saive is Franstalig. Rakels is Nederlandstalig. Ze zou na Rogge nog maar de tweede Nederlandstalige voorzitter van het BOIC kunnen worden. In de 115 jaar dat deze superbond bestaat, is die alleen tussen 1988 en 1992 door een Vlaming geleid. Ten slotte, niet onbelangrijk: Saive is een man, Rakels een vrouw.

Als de meest competente kandidaat tot de juiste taalrol behoort, de beste papieren heeft én een ambitieus programma, en ze is ook nog eens een vrouw, waarom is het dan lang niet zeker dat die vrijdag wordt gekozen? Antwoord: omdat zwakke mannen altijd kiezen voor andere zwakke mannen en nooit voor verandering.

Column Transfer Island in De Morgen van zaterdag 4 september 2021

Transfer Island

Vaak komt de vraag terug: waarom is voetbal zo populair? Hoe komt het dat een spel waarin heel weinig gebeurt de eerste wereldsport is? Dat uitgerekend de sport met de laagste score een hele planeet begeestert?

Een populaire verklaring verwijst precies naar die lage score, die saaiheid en daaruit voortvloeiend de onvoorspelbaarheid van de uitslag, in vaktaal de uncertainty of outcome. Dat is handig om de spanning erin te houden, maar ook om op te gokken. Voetbal heeft zijn populariteit – eerst in Engeland, zie The English Game op Netflix – te danken aan de gokindustrie die meteen helemaal mee was.

Dat is een hele juiste uitleg voor het prille begin van het edele spel. Daarbij komt nog dat het de enige sport was die de klassen van de negentiende-eeuwse standenmaatschappij oversteeg. Een keurgroep uit de adel en de betere burgerij was niet te beroerd om op een bal te schoppen tegen het zootje ongeregeld dat in de/hun fabriek werkte.

Die twee redenen volstaan niet langer om de status van eerste wereldsport te verklaren. De aantrekkelijkheid van het voetbal en voor sommigen de lelijkheid van het hedendaagse voetbal zitten hem vreemd genoeg vandaag ook in die twee maanden van het jaar dat de duiventillen opendeurdag houden en de duiven van melker wisselen.

Dat heet al een paar jaar de mercato en die is vaak spannender en kan op minstens evenveel media coverage rekenen als pakweg de Champions Leage-finale. De dynamieken zijn dezelfde: clubs proberen hun supporters tevreden te stemmen, maar in die twee maanden door aankopen op de kamelenmarkt. De technieken zijn die van Temptation Island: iedereen besnuffelt iedereen, de helft doet het met de andere helft en aan het eind worden relaties aangegaan die heel erg tijdelijk zijn.

De voorbije transferperiode stak er cijfermatig niet bovenuit, maar het was in alle opzichten – internationaal en nationaal – de meest spectaculaire in jaren. De zomermercato mag dan niet helemaal afgelopen zijn, wat nu nog wordt gespendeerd zal het verschil niet maken en dus becijferde het voetbalobservatieplatform CIES uit Zwitserland dat in de voorbije mercato voor 3,5 miljard euro en wat zakgeld aan spelers is verhandeld. Voor het hele jaar 2021 komt dat op een schamele 3,8 miljard (en zakgeld), het laagste bedrag in vijf jaar.

De euforie spatte niettemin van het persbericht af: de voetbaleconomie trekt weer aan, er wordt weer geld uitgegeven, we zijn op de goede weg. Dat laatste is voor discussie vatbaar: voetbal is de enige grote sport in de wereld die zesmaandelijks mensen verhandelt als koopwaar. De laatste tien seizoenen is zo door de clubs uit de vijf grote landen voor meer dan 35 miljard euro aan mensen gekocht en verkocht.

Daartegenover staat dat bij de twee meest opvallende transfers van deze zomer de ene speler haast voor niks en de andere voor helemaal niks van club is verwisseld. Voor een Cristiano Ronaldo die zich nog eens aan de Premier League wil wagen na jaren in de meer comfortabele Spaanse en Italiaanse eerste klasse kun je niet anders dan bewondering opbrengen.

Lionel Messi is de antipode van Ronaldo. Hij is nog maar aan zijn tweede club toe, Ronaldo aan zijn vijfde, waarbij zijn vijfde club (Manchester United) ook zijn tweede is. Ronaldo is vier keer verhuisd en heeft in totaal 245 miljoen euro gekost bij al die aankopen. Overigens staat Romelu Lukaku op één in dat cumulatief transfersommenklassement. Voor hem is bij zes verschillende transfers in totaal 327 miljoen euro betaald, maar misschien is dat niet zo’n beste en ook niet erg relevante statistiek, als je bedenkt dat voor Messi – voor zover bekend – nog nooit een rooie cent is betaald aan welke club ook.

Dat die Messi van club is veranderd, is op zich al onbegrijpelijk, maar dat Spanje die Messi heeft laten gaan, is erg dom. Het klopt dat ze daar (sedert kort) een veel stringenter financieel beleid voeren dan in welk ander land ook, maar de grote smaakmaker van je competitie laat je toch zomaar niet gaan? Die hou je toch ook bij Barcelona, waar hij een echte franchise player was, een speler die tot het huismeubilair behoort en die je met geen andere club kunt associëren.

Dat doet mij denken aan de terugkeer van Michael Jordan in 1995. Financieel-technisch was er voor hem geen plaats en kon die niet bij de Chicago Bulls terecht omdat hun payroll al te zwaar belast was. Toch mocht Jordan terugkeren in de NBA, zelfs weer bij de Bulls spelen en de Bulls mochten hem een salaris betalen dat meer was dan de totale toegestane salarismassa voor de rest van de ploeg. Geen haan of andere teameigenaar die ernaar kraaide. Jordan voor de competitie behouden in de juiste ploeg was goed voor de hele competitie.

Ook dat maakt voetbal zo aantrekkelijk of zo lelijk: er is geen sprake van algemeen belang, het is opeten of opgegeten worden.