Column over Christian Eriksen in De Morgen van maandag 14 juni 2021

Denemarken verliest, het leven wint

Danmark tabte, livet vandt (Denemarken verliest, het leven wint). Als u in Denemarken zou wonen, zou u nooit een tabloid als Ekstrabladet lezen natuurlijk, maar ze hadden na de 0-1 tegen Finland wel een mooie kop op hun site. Beter kun je het drama van afgelopen zaterdag niet samenvatten.

Christian Eriksen zal leven en dat kan heel lang zijn, maar hij zal eeuwig moeten oppassen. Hij zal een defibrillator ingeplant krijgen en het is te hopen dat hij nooit meer voetbalt. Voor hemzelf en zijn dierbaren welteverstaan. Het voetbal zal de stilist en de gentleman missen, maar wat is het alternatief? Sorry, het is geen gezicht, iemand met hartritmestoornissen die neerstuikt waarna dat apparaatje hem weer tot leven wekt.

Het is hard, maar het is niet anders: topsport is niet voor hartlijders, niet in de tribune en al helemaal niet op het veld. Gisterenavond speelde Nederland. Daar kreeg Daley Blind een basisplek. Ook hij heeft een icd, een implanteerbare cardioverter-defibrillator, te vergelijken met ingebouwde startkabels verbonden met een extra accuutje.

Is het een teken des tijds dat onmiddellijk met de vinger werd gewezen naar vermeende schuldigen in de rand? De regisseur kreeg de volle lading omdat hij de paniek bij de vrouw van Eriksen in beeld bracht. Dat was overbodig, dat klopt. En bij bepaalde camerastandpunten zagen we nogal expliciet de ontblote borstkas van Eriksen terwijl hij levensreddende hartmassage kreeg.

Evengoed zou je kunnen zeggen dat wat we eergisteren massaal te zien kregen de beste reclame was voor een brede maatschappelijke bewustwording van eerste hulp bij hartstilstand. Iedereen zou moeten weten wanneer hartmassage moet en hoe dat moet, en iedereen zou ook een aed, een automatische externe defibrillator, moeten kunnen hanteren.

Ik heb twee jaar geleden iemand zien sterven aan de rand van een zwembad, toevallig ook een Deen. De redders waren er snel bij, maar achteraf bekeken te laat en bovendien konden ze er niks van. Ze deden alsof, stonden erbij en keken ernaar. Ik ook. De aed kwam veel te laat. De hulpverleners van zaterdag waren top.

Was ook misschien schuldig aan de malaise van Eriksen: het virus. Jawel, Het Virus. Ik kan mij vergissen, maar wellicht niet: telkens als een sportman voor dood neervalt, lopen sommige cardiologen naar hun mobieltje en zetten het belsignaal op extra hard in de hoop gebeld te worden en hun zegje te mogen doen. Ik las een gesprek met een bekende cardioloog waarin hij in mysterieuze termen sprak over de doos van Pandora openen toen het verband tussen Covid-19 en hartafwijkingen ter sprake kwam.

Ja, een covidbesmetting kan iets slechts doen met de hartspier, ook met die van topvoetballer Eriksen dus, maar Inter kwam al snel met de melding dat hij niet besmet was geweest. Wat covid doet met een hartspier, dat kan overigens elk (griep)virus. Bovendien is Eriksen niet de eerste voetballer die bijna sterft of echt sterft op een veld. Waar was Covid-19 toen al die andere voetballers in elkaar zakten?

Lang werd aangenomen dat plotse hartdood een zaak was van wielrenners, erger nog, van gedopeerde wielrenners. Neen dus. Wielrennen krijgt nog maar heel zelden te maken met hartfalen met dank aan de strenge controles. Dat Eriksen uitgerekend in Italië voetbalt en daar door de extreem strenge screening is geraakt, is ook al voer voor speculatie. Daarbij wordt over het hoofd gezien dat het hart van de topsporter een speciale machine is. Een ogenschijnlijk perfect hart kan ineens stoornissen in de elektrische geleiding ontwikkelen. In veel gevallen blijft dat onopgemerkt en leeft de speler een lang en gelukkig leven. Soms gaat het mis. Als corona de oorzaak zou zijn, hadden al veel meer jonge voetballers problemen vertoond.

Nadat de piste van de coronabesmetting overboord kon, was het tijd voor nog meer onzin. Op Twitter verscheen al snel de melding dat Inter had bevestigd dat Eriksen twaalf dagen eerder was gevaccineerd met Pfizer. Dat was voldoende om de antivaxers tot leven te wekken en de sociale media gingen los. Kort daarna kwam de officiële tegenspraak dat Eriksen nooit was besmet en ook niet was gevaccineerd. De geest was evenwel uit de fles. De Nederlander Willem Engel van Viruswaanzin sprong op de kar: “Deense voetballer valt dood. Het experiment is mislukt.” Die opmerking was van het soort dat je moet negeren en klasseren bij – inderdaad – waanzin. De nevenschade was niet onaanzienlijk want als je Engel hoort/leest, krijg je dat sacochengevecht met Marc Van Ranst er gratis bij.

Verhaal over de Gouden Generatie en de laatste kans/dans in De Morgen van zaterdag 12 juni 2021

Generatie net niet?

In 2016 kreeg een selectie met bovengemiddeld voetbal-IQ een bondscoach met bovengemiddeld EQ. In 2018 werden ze derde van de wereld en dat werd gevierd als een titel. Maar Euro 2021 bepaalt of het een goed of een zeer goed huwelijk was, dat van Roberto Martínez en de Duivels .

Olympisch kampioen voetbal in een tijd dat er nog geen EK’s of WK’s voetbal waren, dat is de grootste prijs in de trofeeënkast van de Belgische nationale voetbalploeg, sinds 1906 beter bekend als de Rode Duivels. 2020 was een mooi moment geweest: honderd jaar na dat olympisch goud in Antwerpen nog eens de allerbeste zijn op een prestigieus landenkampioenschap. Corona stak er een stokje voor.

Hoe dat goud van destijds precies werd behaald, is een aparte vermelding waard. Toen al werd de nationale ploeg met de nodige scepsis onthaald. In de aanloop naar de Spelen ontstond vooral grote ergernis onder het Antwerpse thuispubliek omdat de bondscoach, ‘selectieheer’ graaf d’Oultremont, te veel spelers uit Brussel had opgeroepen en te weinig uit Antwerpen.

België was vrij in de eerste ronde en mocht meteen naar de kwartfinales. Daarin klopte het Spanje met 3-1 ondanks onophoudelijk uitfluiten van de thuisploeg door de eigen aanhang. De selectieheer veranderde daarop de ploeg en tegen Nederland waren de tribunes wel op de hand van de Duivels: het werd 3-0.

De finale tegen Tsjecho-Slowakije werd een ordinaire schoppartij en nadat de Tsjecho-Slowaken een speler van het veld zagen gestuurd, bleven ze bij een 2-0-stand in de kleedkamer. Het is de enige finale van een mondiaal toernooi die nooit tot het einde werd gespeeld. Misschien daarom dat België officieel nooit stappen heeft ondernomen om een gouden ster op het shirt van de nationale ploeg te laten drukken. Dat had zo gekund, zelfs zonder vragen, want bijvoorbeeld Uruguay heeft vier sterren op het shirt: twee voor echte WK-titels en twee voor olympische titels. Tot grote ergernis van Brazilië overigens, dat zijn vijf sterren dankt aan vijf echte World Cups. Een actie van de kleine maar fijne voetbalsite De Witte Duivel in de aanloop naar de World Cup van 2018 om ook het Rode Duivels-shirt van een ster te voorzien, geraakte niet verder dan een Belga-bericht.

Vals bescheiden is de rode draad doorheen de geschiedenis van het nationaal voetbalelftal van België. Eind vorig jaar was dat een van de thema’s in een gesprek van deze krant met bondscoach Roberto Martínez. Hij zei daarover: “België mag iets minder bescheiden zijn. Het is bijna zonde als je hier zegt dat je goed bent en dat je er alles aan wil doen om te winnen.”

Winnen en prijzen pakken is geen deel van de Belgische sportcultuur, niet in voetbal en niet in andere sporten. België heeft geen sportdynastieën die jarenlang aan de top staan. Successen wel, in de vorm van olympische medailles, maar die hebben behalve in het wielrennen van de jaren 70 nooit de vorm aangenomen van hegemonieën.

De Rode Duivels kunnen, mits een goed EK – de finale halen zou kunnen volstaan -, in september drie jaar volmaken als nummer één op de FIFA-ranking. Daarvoor zullen ze wel eerst vanaf de achtste finales een aantal prominente voetballanden moeten kloppen, iets wat geleden is van 6 juli 2018, toen in Kazan werd gewonnen van Brazilië, waarna verlies volgde in de halve finale tegen Frankrijk. Wie de nummeréénpositie op de FIFA-ranking wil nuanceren, verwijst in dat verband niet geheel onterecht naar de zwakke tegenstand die België zowel in de EK- als WK-kwalificatie voor de kiezen kreeg.

Dat klopt, alleen de wedstrijden voor de Nations League tegen Engeland (2-0 en 1-2, dus door) kwamen in de buurt van een echte test. In die Nations League wacht op 6 oktober een halve finale tegen Frankrijk in Turijn en daarna nog een wedstrijd (finale of troosting) tegen Italië of Spanje. Het mag duidelijk zijn dat behalve een totale ramp en uitschakeling in de Euro-poulefase, de Rode Duivels dit jaar wel ferme tegenstand in de ogen zullen kijken.

Die nummeréénplek mag dan vooral een verhaal van cijfers zijn en voorlopig niet van bekers, prijzen of memorabele overwinningen, België is het op twee na beste land in de geschiedenis van de FIFA-wereldranglijst. Zo’n on-Belgische dominantie is een halve eeuw geleden, van Eddy Merckx meer bepaald, en is nooit vertoond in een ploegsport, laat staan de eerste wereldsport.

Roberto Martínez: “We kunnen er smalend over doen, ik vind die ranking erg belangrijk en onze spelers ook. Vooral omdat we pas het derde land zijn dat zo lang die ranking na elkaar aanvoert. Alleen Brazilië, zeven jaar, en Spanje, zes jaar, hebben ons dat voorgedaan. Frankrijk, Duitsland en Argentinië hebben ook nog op één gestaan. Zes landen, en wij zijn daar bij.”

Peking 2008, de mythe

De laagste positie op die ranking bezette België in juni 2007: de 71ste plaats. Dat was na een 2-0-verlies tegen Finland. In dat team waren de centrale verdedigers van toen dezelfde als nu: Thomas Vermaelen en Jan Vertonghen. Ook Marouane Fellaini, die als hij zou willen nog altijd bij de selectie zou zijn, was er al bij. De bondscoach heette René Vandereycken.

Vandaag is die analist van Het Nieuwsblad en fileert hij het Belgisch voetbal op zijn bekende wijze. Hoe hij de huidige bondscoach keer op keer een warrige communicatie verwijt, is hilarisch en daar komt hij alleen maar mee weg omdat de media zich wellicht niet (willen) herinneren hoe hij vooral níét communiceerde. De pluim op zijn hoed om drastisch te hebben verjongd, is wel verdiend.

Al te vaak wordt voor de heropstanding van de Rode Duivels verwezen naar de vierde plaats van de olympische ploeg op de Spelen van Peking in 2008. Daar zou een groot deel van de huidige nationale elf zijn vuurdoop hebben gekregen. De realiteit is anders. Van de huidige selectie waren toen alleen Thomas Vermaelen en Jan Vertonghen van de partij. In de belangrijkste wedstrijd van het toernooi, de kwartfinale tegen Italië (3-2-winst met tien tegen elf) deed Vermaelen maar een kwartier mee. Toen kreeg hij rood.

Dat overkwam ook Vincent Kompany in de eerste wedstrijd van het olympisch toernooi tegen Brazilië (waartegen ze later ook om de derde plek verloren), waarna hij door een blessure niet meer in actie kwam. Hij bleef daarna tot grote ergernis van zijn club HSV uit Hamburg in Peking rondhangen omdat hij zogezegd zijn paspoort was vergeten op weg naar de luchthaven. Diezelfde maand nog tekende hij een contract bij Manchester City en werd als eerste Belg van de gouden generatie incontournabel in de Premier League, maar die move had dus minder met zijn prestaties dan wel met zijn onhandelbaarheid te maken.

Op een echte referentieprestatie van de Rode Duivels was het nog even wachten. Die kwam er in 2010 met een knotsgekke EK- kwalificatiewedstrijd thuis tegen Oostenrijk. Het werd 4-4 onder bondscoach Georges Leekens. Deden al mee: Toby Alderweireld, Dedryck Boyata, Axel Witsel en Jan Vertonghen. Thomas Vermaelen was geblesseerd, nog maar eens. Vielen in: de zeventienjarige Romelu Lukaku en de negentienjarige Eden Hazard. Ondanks winst in Oostenrijk konden de Duivels zich niet plaatsen voor de eindronde van het EK 2012 in Polen en Oekraïne.

Twee jaar later lukte dat wel, toen onder Marc Wilmots. Hij was wellicht de tactisch zwakste bondscoach van de laatste jaren, maar inmiddels was de groep matuur geworden en België kwam uit groep A als eerste met 26 op 30 punten en dat tegen landen als Kroatië, Servië, Schotland en Wales. In Kroatië trok Lukaku voor het eerst de ploeg over de streep.

Steeds vaker werd verwezen naar de gouden generatie, waarbij het predikaat goud eerder een belofte inhield dan een realiteit. Op die verloren bronzen wedstrijd op de Olympische Spelen van Peking na, was een echte prijs nooit in zicht.

Ook op de World Cup 2014 in Brazilië schoot de ploeg tekort op beslissende momenten. In de kwartfinale tegen Argentinië verspeelde uitgerekend Vincent Kompany de bal op eigen helft. Messi bediende Di Maria, diens bal kwam bij Higuain en die schoot pardoes voorbij Thibaut Courtois. 1-0 voor de blauw-witten en boeken toe, dat kunnen echte topploegen als geen ander, zo zou België vier jaar later nog eens ondervinden.

Steile ambitie

Voor het EK van 2016 in Frankrijk werd een 24 op 30 gehaald in de kwalificaties. De ploeg reisde af naar Bordeaux met steile ambities. De internationale pers zag de Belgen als favoriet. Nog meer toen na de poulefase (waarin ze tegen Zweden op het randje van de uitschakeling balanceerden) de weg naar de finale wijd open lag, doordat Frankrijk, Italië en Duitsland tot de eindstrijd werden vermeden. Maar dan kwam het drama van Lille. Het kansloze 3-1-verlies tegen dwerg Wales met een noodverdediging, maar opnieuw met een onaangepast tactisch concept, kwam op conto van de bondscoach. Wilmots mocht opkrassen, maar het was een teken aan de wand dat de sterren die avond collectief niet thuis gaven.

Dat herhaalde zich na het EK in de eerste wedstrijd van Roberto Martínez tegen zijn vaderland Spanje (0-2 kansloos) en in 2018 ook in Zwitserland, waar een 0-2 uit handen werd gegeven en omgezet in een blamerende 5-2. Eerder dat jaar was er natuurlijk de miskleun geweest in de halve finale van de World Cup tegen Frankrijk, waarin het Argentinië-scenario van 2014 zich herhaalde: een klinische goal tegen, geen poot meer aan de grond krijgen en de dragende sterspelers die niet thuis geven.

De ploeg voor dit EK is met gemiddeld ruim 29 jaar de oudste van alle deelnemende landen samen met Zweden. Dat kan een voordeel zijn, want geen enkele andere selectie heeft opgeteld zoveel interlands. Dat kan ook een nadeel zijn, na een bijzonder zwaar seizoen dat later begon door corona. Een voordeel en tegelijk een nadeel is dan weer dat België van alle toplanden het minst aantal speelminuten per speler telt. Dat heeft dan weer te maken met enerzijds spelers die niet altijd meer titularis zijn in hun team (Alderweireld, Vertonghen, Vermaelen) en anderzijds spelers die wedstrijden misten door blessures (Hazard uiteraard, Chadli, Witsel en De Bruyne).

Prognoses zijn goed voor de vuilnisemmer, maar toch een voorbeeld: het gezaghebbende onderzoeksinstituut CIES geeft België minder kansen op de Europese titel dan zeven andere landen waaronder zelfs Nederland, op basis van die speelminuten. The Analyst daarentegen zet België op plaats twee met 15,7 procent kans op eindwinst. Beide voorspellingen geven Frankrijk als favoriet.

Dit is de laatste dans van een heel deel van de ploeg en misschien ook van de bondscoach. Die zou vertrekken bij een Europese titel, heeft hij laten uitschijnen, maar wat als het toernooi de mist ingaat? De traditie in toernooivoetbal wil dat een team een aangekondigd laatste kunstje meestal niet kan waarmaken in prestaties.

Wat ook het eindresultaat, een niet onaanzienlijk contingent spelers zal voor het volgende grote toernooi – de World Cup in de late herfst van 2022 – een leeftijd hebben bereikt waarop het kantje boord wordt. Het centrale trio in de verdediging – Alderweireld- Vertonghen-Vermaelen – is nu al samen 100 jaar en haakt na dit toernooi zeker af.

Idem voor Dries Mertens, die 34 is. Voor Nacer Chadli en Christian Benteke die dit jaar 32 worden, wenkt het einde. Afwachten ook of Axel Witsel – ook al 32 – weer op niveau geraakt. Thomas Meunier wordt dit jaar nog 30. Kevin De Bruyne is al 30, net als Eden Hazard en Dedryck Boyata. Prille jeugd heeft – op de 19-jarige Jérémy Doku na – de selectie niet gehaald.

Dat zal, als het wat minder goed gaat, deze bondscoach ongetwijfeld worden aangerekend. In zijn selectie zien veel waarnemers het bewijs dat hij na dit toernooi vertrekt uit België. Wat ook het resultaat, de herinneringen aan Martínez zullen overwegend positief zijn. Liepen de tribunes onder Wilmots al vol, dan is hij de man die ons leerde winnen en omgaan met de status van kleine voetbalgrootmacht.

Alle ballen op de Kev

Euro 2021 is een kantelmoment. Tussen vandaag 21 uur Belgische tijd in Sint-Petersburg en zondag 11 juli zelfde tijd in Londen wordt beslist over hoe deze groep de geschiedenis in zal gaan. Als niet minstens de finale wordt gehaald – en bij voorkeur wordt gewonnen mag het begrip gouden generatie op de schop. Het wordt dan een bronzen generatie, de tweede beste na de tachtigers die onder Guy Thys zowel zilver wonnen op het EK 1980 en de halve finale speelden op het WK van 1986.

Vooralsnog ligt de generatie van Jan Ceulemans, Eric Gerets en René Vandereycken op voorsprong als beste Belgische generatie ooit. Het argument dat de meesten in België speelden en niet in topcompetities, houdt geen steek. De mobiliteit van importspelers was toen nog erg beperkt en van de vijf grote voetballanden met het grote geld was nog geen sprake. Bovendien speelden Eric Gerets en René Vandereycken wel al in Italië. De eerste moest daar afhaken na een omkoopaffaire waarin hij loopjongen had gespeeld en Vandereycken omwille van een knieblessure.

De sportwoestijn België, die eervol verlies als attitude koesterde en in 2018 brons vierde als ware het goud, hunkert nu naar een knalprestatie. Hoe realistisch is die verzuchting? De meeste analisten blijven gematigd positief. Hun twijfel is gebaseerd op feiten. Bijvoorbeeld het gemis aan referentiewedstrijden tegen de echt grote tegenstanders. Of de recente uitwedstrijd bij Tsjechië in het kader van de WK-kwalificatie voor 2022, waar de thuisploeg de Belgen vastzette en Romelu Lukaku – wie anders? – een gelukkig gelijkspel uit de brand sleepte. België had de helft meer de bal, maar schoot de helft minder op doel.

Veel wordt verwacht van Kevin De Bruyne, de man die het team bij de hand moet nemen bij ontstentenis van een fitte Eden Hazard. Alle ballen op de Kev? De Bruyne is gehavend na zijn botsing in de Champions League en hij heeft een geschiedenis. Marc Degryse liet in boekvorm (Het EK van de laatste kans, Borgerhoff & Lamberigts) zijn licht schijnen over de Duivels en hun kansen. Op pagina tachtig komt hij tot de volgende conclusie: “De Bruyne blijft de belangrijkste schakel. Alleen weet ik niet of hij belangrijk genoeg is op de cruciale momenten. Op het EK 2016 en het WK 2018 gaf hij op beslissende momenten niet thuis (idem in de recente Champions Leaguefinale, HV). Is dat dan de stress of zijn het de zenuwen. Ik ben benieuwd of hij dat nu wel zal kunnen.”

Rode Duivels in actie België-Rusland
Vanavond, 21u (Live op Eén) Denemarken-België

Do 17/6, 18u (Live op Eén) Finland-België
Ma 21/6, 21u (Live op Eén)

Column over Roberto Martínez in De Morgen van zaterdag 12 juni 2021

Geschenk uit de hemel

Worden de Rode Duivels Europees kampioen?

Neen, dat denk ik niet. En waarom niet?

Simpel. Omdat het veiliger is te voorspellen dat ze niet winnen. Als de meest optimistische schattingen uitgaan van 15 procent kans en de Fransen op één staan met 20 procent is het mathematische waanzin om in een Europese titel te geloven. Op veilig spelen is tegelijk een beetje laf natuurlijk en zo verdien je nooit geld bij het gokken.

Persoonlijk denk ik dat er nog een andere reden is waarom het niet zal lukken. Prijzen pakken moet je leren. Alsof de Belgen dat niet gewend zijn, luidt dan de repliek. Klopt op papier: sinds het verlies van Frankrijk in de halve finale van de World Cup in 2018 hebben ze dertig interlands gespeeld, daarvan ging er één verloren in 2018 (die 5-2 voor de Nations League op 18 november 2018 in Zwitserland) en één in 2020 (ook voor de Nations League, 2-1 in en tegen Engeland). Eén keer werd in een wedstrijd met inzet gelijkgespeeld (in Tsjechië in maart van dit jaar) en ook drie keer gelijk in oefeninterlands.

België is niet gewend te verliezen, maar dat is niet hetzelfde als gewend zijn een prijs te pakken. Drie verlieswedstrijden op meer dan vijftig interlands onder Roberto Martínez en toch heeft België geen winning culture? Neen. Dat is het gevolg van onze ingebakken bescheidenheid en in het geval van de Rode Duivels van een gebrek aan referentiewedstrijden tegen echt grote landen. In die bijna vijf jaar Martínez heeft België van één groot voetballand gewonnen en dat is Brazilië (en met veel geluk). De overwinningen en die ene nederlaag tegen Engeland liggen in de weegschaal, maar Engeland is na de World Cup steeds sterker geworden, België niet. Ter verschoning: ze hebben na 2016, toen ze er nog van verloren, ook nooit meer de kans gekregen om zich te meten met de Italiës en Spanjes van deze wereld.

Oké, dat was het glas halfleeg.

Nu even doen alsof het halfvol is. Aan wie of wat hebben we te danken dat we een kans maken op de Europese titel? In de eerste plaats aan toeval. Er is geen objectief aanwijsbare reden waarom Belgen met buitenlandse roots geboren in de jaren negentig en later veel makkelijker zijn doorgebroken dan die geboren in de jaren tachtig. Er is ook geen objectief aanwijsbare reden waarom de ras- Belgen Eden Hazard, Kevin De Bruyne, Thibaut Courtois (allen van de jaargang 1991-’92) ineens samen spelers van wereldklasse zijn geworden.

Hoewel de jeugdwerking in de clubs onder impuls van de bond na Euro 2000 wel is verbeterd, is er met andere woorden geen superperformant detectie- en opleidingssysteem op poten gezet dat deze plotse opstoot van talent verklaart en nog minder een systeem dat ons generatie na generatie supertalenten garandeert.

Worden de Rode Duivels Europees kampioen?

Misschien wel. De cruciale factor in het eventuele succes is terug te voeren op één man: de bondscoach. Het doet vreemd om dit te moeten tikken en ik heb er ook lang over gedaan om het te geloven, maar Roberto Martínez is een geschenk uit de hemel voor deze uitzonderlijke verzameling talenten.

Het grote verschil met zijn voorganger Marc Wilmots is dat de spelers hem geloven. Niks belangrijker voor een atleet/sporter dan het geloof in de authenticiteit en de expertise van de coach. Heel even, een jaar of zo, kan een coach wegkomen met onzin, trucjes en geintjes, maar geen vijf jaar zoals Martínez.

Ik heb sinds 2016 nog nooit een verkeerd woord over Martínez gehoord. Over zijn kwaliteiten als tacticus ben ik niet geplaatst om te oordelen, maar ik hoor dat zijn trainingen af zijn, doelgericht, met het oog op hoe hij de wedstrijd naar zijn hand wil zetten. Ik hoor ook dat de spelers altijd scherp trainen, dat hij zich zelden druk moet maken. Dan heb je al heel wat bereikt als coach.

Aan zijn IQ moet niet worden getwijfeld, maar bovenal heeft deze man een onmeetbaar EQ. Om die sterrengalerij in het gelid te laten lopen, met al hun besognes, perikelen en bobootjes, begin er maar aan. Hij doet het met de glimlach en zo beweegt hij zich ook door de maatschappij. Ik heb hem een praatje zien maken met de mevrouw achter de desk in de bond. Dat was dezelfde man met wie ik samen te gast was op het kasteel de Merode bij een groep jonge zakenlui, de meesten van adel.

Zijn allergrootste verdienste, zijn nalatenschap, worden de coaches die uit deze groep internationals zullen voortkomen. Met twintig zijn ze om de verkorte cursus te volgen en er is een grote kans dat ze allemaal zoals Martínez willen zijn: gepassioneerd, hardwerkend en empathisch.

Verhaal met vier analisten over EK 2021 in De Morgen van zaterdag 5 juni 2021

‘Zal België niet te veel moeten scoren?’page1image14606672

Waarom winnen de Rode Duivels nu wél de hoofdprijs? Wat zijn de valkuilen? We leggen vier voetbalwijzen vier stellingen voor over het EK dat volgende week begint. ‘Die eerste plaats op de FIFA-ranglijst zegt niet zo veel.’

Ons panel
Emilio Ferrera: de trainer pur sang in onze raad der wijzen.
Frank Raes: geeft geen tv- commentaar meer, maar zal wel in de omkadering van het EK zijn opwachting maken. Franky Van der Elst: Belgisch ex-international draait shifts onder de VRT-toren in het zomersportdorp.
Jan Boskamp: Nederlands ex- speler, ex-trainer en analist die u af en toe op de VRT zult zien verschijnen.
***
STELLING 1
Het EK is moeilijker dan het WK

Jan Boskamp: “Je moet er onmiddellijk staan. Een EK is hoogstaander qua voetbal. Een WK, dat is een EK met Argentinië en Brazilië als grote voetballanden erbij en nog ergens een Zuid- of Midden-Amerikaans land dat ons in het begin verrast. Tel daarbij nog een Afrikaans land dat naar goede gewoonte indruk maakt in de groepsfase maar dan tactisch jammerlijk faalt in de knock-outfase.”

Frank Raes: “Het EK en het WK zijn in hetzelfde bedje ziek. Op den duur mag iedereen meedoen in de eerste ronde en een beetje voetballand gaat door. Kwalificaties inbegrepen zal België voor dit EK dertien wedstrijden hebben gespeeld vooraleer ze een grote tegenstander in een knock-outwedstrijd tegenkomen.”

Franky Van der Elst: “Ik heb nooit de kans gehad om een EK te spelen, maar blijkbaar was het in mijn tijd al moeilijker om ons te kwalificeren voor een Europese eindronde dan voor een World Cup. Dat zegt toch wel iets. Sowieso zijn er geen onbekende landen op een EK. Iedereen kent iedereen; zelfs van de zwakke en sterke punten van de Finnen zal een mooie videocompilatie worden gemaakt.”

Emilio Ferrera: “Interlandvoetbal staat een trapje lager dan clubvoetbal. De reden is eenvoudig: je hebt als trainer weinig tijd om met de spelers te werken, dus is het voetbal tussen twee landen minder complex dan tussen twee clubs. Het niveau van een Champions Leaguefinale haal je nooit in een EK-finale. Op een EK zijn de spelers op papier individueel de allerbesten, maar de ploegen zijn dat niet.”

Van der Elst: “Roberto Martínez heeft nu wel al een hele tijd met deze groep kunnen werken, dus ze weten wat hij wil en hoe hij het ziet. Anderzijds klopt het wel dat je bij de nationale ploeg de spelers niet moet overladen met tactiek, want daar komen ze niet voor. Op het laatste WK was een tactische ingreep van Martínez wel bepalend in de winst tegen Brazilië. Lukaku uit het centrum weghalen en op rechts laten lopen, was een goede vondst.”

Ferrera: “Dat was de referentiewedstrijd voor de Belgen en Martínez, en dat tactisch plan heeft tot in de perfectie gewerkt. Alleen hadden ze eerst een mirakel nodig tegen Japan om daar te raken. Tactisch kun je België eenvoudig samenvatten: ze willen controle over de wedstrijd. Dat zit in het DNA van de Belgische nationale ploeg en je moet dat niet willen veranderen.”

Raes: “De wedstrijden tegen Brazilië en Frankrijk waren de laatste wedstrijden van de Rode Duivels tegen grote voetballanden. Dat is inmiddels drie jaar geleden. Hoe goed zijn we nu? Dat weten we niet. Die eerste ronde overleven we natuurlijk, met ook de vier beste derdes die doorgaan in poules van vier.”

Van der Elst: “We spelen alleen maar uitwedstrijden. Die eerste ronde overleef je normaal, maar de eerste wedstrijd meteen in Rusland tegen Rusland en daarna tegen Denemarken in Kopenhagen: begin er maar aan. Het is natuurlijk vreselijk dat dit EK over heel Europa wordt gespeeld maar niet in Brussel omdat daar geen stadion staat.”

Boskamp: “Dat stadion in Brussel dat er maar niet kwam: niet te begrijpen. Daardoor moet je nu alles buitenshuis spelen. Elk land dat thuis tegen België speelt, zal willen tonen dat ze kunnen voetballen. Op zich niet zo erg, maar al die vliegtuigreizen, dat hakt er wel in.”

STELLING 2

De Rode Duivels worden overschat

Boskamp: “Ik vind dat België een heel goed elftal heeft en het is een terechte ambitie om dat toernooi te willen winnen. Of het lukt, dat weet je niet, maar je legt alvast een beetje druk bij jezelf en je verstopt je niet. Nu ben ik als Nederlander wel iets gewend natuurlijk: wij worden, als we er bij zijn tenminste, elke twee jaar wel Europees of wereldkampioen en dat lukt vaker niet dan wel. Vier finales hebben we gespeeld en één gewonnen, in 1988 (het EK, red.).”

Ferrera: “België staat nummer 1 op de FIFA-ranking, maar hebben ze ooit officieel tegen Spanje gespeeld? Neen. Tegen Duitsland? Ook niet. Wel tegen Argentinië in 2014 en verloren, en tegen Frankrijk in 2018 en ook verloren. Brazilië is de enige topploeg in de wereld waarvan ze hebben gewonnen. Het is natuurlijk hun verdienste dat ze alleen maar zwakke landen op hun bord krijgen in de kwalificatie, maar daarom is het goed om het een en ander af te wegen. Die eerste plaats zegt niet veel.”

Raes: “Dat is ons groot probleem. Buiten onze wil om en door het systeem zijn wij de kampioen van de gewone wedstrijden. Die winnen we altijd en zo zijn we nummer 1 geworden. Of dat ons favoriet maakt? Ik zou toch maar oppassen. Hoewel men van ons,
de media, verwacht dat we meegaan in de euforie bij dat soort toernooien, moeten we kritisch zijn. Ook voor dat laatste WK. Tegen Brazilië scoort Kompany, maar even daarvoor vallen er twee ongeveer identieke goals van de Brazilianen net niet. Over de Fransen in de halve finale zeggen we dan dat ze negatief voetbalden, maar zij kregen negen kansen en wij anderhalve.”

Van der Elst: “Die selectie van Martínez zegt veel: hij wil nog eens alles uit deze generatie persen. Wel Nacer Chadli meenemen en niet Charles De Ketelaere, beste man in de play-offs, dat begrijp ik niet. Voorts hebben we wel een hele aardige ploeg, maar een aantal spelers zijn over hun top. De leider is Kevin De Bruyne, door de Belgische media als beste middenvelder ter wereld beschouwd. Hij is alvast de beste van de hele ploeg en als hij niet de allerbeste is van de hele wereld, dan komt hij in topvorm toch aardig in de buurt.”

Ferrera: “België is het typevoorbeeld van een strategisch team. De sterkte van dat soort ploegen is dat ze kunnen winnen zonder goed te spelen en dat ze een spits hebben – wij met Lukaku – die kan scoren zonder dat hij in de match zit. Spanje heeft dat niet, die moeten goed spelen om te winnen. Frankrijk is als België: strategisch, maar nog uitgekookter. Ze hebben meer voetballers die met een flits iets kunnen forceren en geven minder weg, vandaar het verlies tegen de Fransen drie jaar geleden.”

Boskamp: “De verdediging is nu weer het zorgenkind. In principe zijn het allemaal hele slimme verdedigers, Jantje Vertonghen en Toby Alderweireld en eventueel Thomas Vermaelen, maar speel je twintig meter te hoog, dan kom je wel in de problemen. Ze zijn al wat ouder, minder wendbaar en ze spelen niet alles meer bij hun clubs.

“Eden Hazard is het allergrootste vraagteken. Ik hoop dat hij helemaal fit raakt, maar zo lang en zo vaak geblesseerd, ik heb mijn twijfels. Hoewel, in 1988 begon Marco van Basten ook geblesseerd aan het toernooi. Nederland verloor de eerste wedstrijd tegen de USSR. Daarna kwam Marco erin en hij scoorde tegen Duitsland in de halve finale, en in de finale – weer tegen de Russen – maakte hij die wereldvolley.”

Ferrera: “Eden Hazard vind ik een goed voorbeeld voor de jeugd. Hoe je het níét moet aanpakken, bedoel ik. Talent alleen volstaat niet meer. Als je niet hard werkt en voor je vak leeft, kom je in de problemen met blessures en conditieverlies. Hoewel, ik denk dat hij in de nationale ploeg die hem graag ziet – liever dan ze hem in Spanje zien – nog eens puur op revanche en talent kan ontploffen.”

STELLING 3
Roberto Martínez is onze beste bondscoach ooit

Raes: “Raymond Goethals en Guy Thys hebben het ook niet slecht gedaan en met spelers die niet in het buitenland speelden. Thys werd tweede op het EK in 1980 en haalde de halve finale op de World Cup in 1986. Die heeft ons uit de voetbalmiddeleeuwen gehaald.”

Van der Elst: “Guy Thys ligt in balans. Hij heeft op het WK in 1986 in Mexico ook iets laten zien door jonge gasten als Stéphane Demol en Patrick Vervoort of een Danny Veyt in de ploeg te droppen. Oké, we hebben ook geluk gehad, zoals in de wedstrijd tegen de USSR toen we er een helft niet aan te pas kwamen, maar geluk heb je nodig in een toernooi.

“Onze ploeg, weer met Thys, was nóg sterker in 1990 in Italië, maar toen hadden we dat geluk niet. Eén moment van onachtzaamheid tegen Engeland, met David Platt die scoort in de verlengingen. Dat was een hele goede wedstrijd van ons, niet te vergelijken met de halve finale die Martínez verloor van Frankrijk op het laatste WK in Rusland. Toen was België gewoon kansloos, wat ze ook zeggen van de Fransen. Die wilden zogezegd niet voetballen. We wisten dat het geen avontuurlijke ploeg was en toch zijn we erin gelopen. De Belgen kregen na dat doelpunt de bal maar hebben geen halve kans gecreëerd. Heeft Martínez daar tactische fouten gemaakt? Dat nu ook weer niet.”

Raes: “Mij heeft hij in die tweede helft wel ontgoocheld. Je zag dat hij het niet meer wist. En dan Fellaini eruit halen terwijl je moet gaan beuken.”

Boskamp: “Er is niks van blijven hangen. Martínez is een hele slimme man. Hij straalt zoveel rust uit. Nooit zie je hem dollen, altijd is hij aan het nadenken, alsof hij continu wikt en weegt. Hij gaat ook nooit de confrontatie aan met de spelers.”

Ferrera: “Spaans is ons beider moedertaal, maar ik heb hem nooit ontmoet. Zijn grootste prestatie is dat hij als buitenlander in een ploeg met veel talent en veel verwachtingen nooit in vraag is gesteld. Zijn menselijke aanpak is cruciaal geweest om deze groep mee te krijgen. Voor zijn voetbal ga ik niet speciaal zitten, wat niet betekent dat ik geen bewondering heb voor hoe hij die vier jaar heeft volgemaakt.”

Van der Elst: “Hoe Roberto Martínez deze groep met een aantal absolute sterspelers heeft gemanaged, is knap. Iedereen aandacht en speelminuten geven, dat is niet zo simpel. Communicatief was hij niet altijd even duidelijk, maar dat waren zijn voorgangers ook niet. Een grote verdienste van Martínez is hoe hij zich het lot van het Belgisch voetbal heeft aangetrokken. In alle vergaderingen die ik als assistent van KV Oostende destijds met hem had, was hij oprecht geïnteresseerd, luisterde hij aandachtig en dat was zeker geen pose. Voor een buitenlander, een passant, chapeau. Van mij mag hij nog blijven.”

Raes: “Zijn communicatie is top, dat klopt, in die zin dat hij veel spreekt, altijd aardig blijft, maar uiteindelijk nooit het achterste van zijn tong laat zien. Hoe hij Romelu Lukaku tevreden houdt, met de terugkeer van Thierry Henry en de vreemde selectie van zijn broer Jordan op de reservenlijst. Of zoals hij in heikele materies als #MeToo of BlackLivesMatter nooit in de fout gaat. En dan speelt hij ook nog eens de centrale figuur in de Devil-marketingfilmpjes. Heel slim.”

Boskamp: “Ik denk dat hij na dit toernooi vertrekt. Hij heeft alvast niet doorgeselecteerd met het oog op de toekomst. Als je die EK-selectie bekijkt: dat is nog één keer alles vragen van zijn ouwe getrouwe kern waarmee hij derde is geworden op het WK. Ik had toch verwacht dat hij sneller zou hebben verjongd, met name in die verdediging: Zinho Vanheusden moet er zo snel mogelijk in. Jason Denayer zou ik ook opstellen. Zijn opvolger mag straks al die oude jongens van de gouden generatie afserveren. Leuk hoor.” (bulderlach)

Raes: “Martínez beheerst meer aspecten van het bondscoach zijn dan Marc Wilmots. Hij heeft netjes de 5-3-2 of 5-4-1 geïnstalleerd en houdt de druk goed af. Maar als Wilmots tijdens het EK van 2016 niet de pech heeft om tegen Wales Thomas Vermaelen én Jan Vertonghen te moeten missen, kloppen we Wales en wie weet waren we dan Europees kampioen geworden. Dan zou Wilmots nu minder gebasht worden.”

Ferrera: “Wilmots heeft België naar de nummer 1-positie gebracht in de landenranking. Oké, misschien was hij voor de media niet de vlotste mens om mee te werken, maar zoals hij is afgemaakt, dat verdiende hij ook niet. Neen, ik heb sympathie voor wat Marc heeft gepresteerd.”

STELLING 4
We/ze worden (geen) Europees kampioen

Raes: “We worden Europees kampioen omdat we nu wel Frankrijk kloppen en omdat Lukaku en de andere sterkhouders een dijk van een toernooi spelen. Kunnen ze dat niet opbrengen na een heel zwaar seizoen, dan worden we geen Europees kampioen.”

Van der Elst: “We kúnnen Europees kampioen worden, maar ik ga er geen geld op inzetten. Ons moment was niet drie jaar geleden in Rusland, maar op het EK van 2016. We hebben daar pech gehad met verdedigers die uitvielen, helemaal mee eens, maar dat was een uitgelezen kans met een traject dat wijd open lag tot aan de finale.

“De sterren in onze as zullen het moeten doen. In tegenstelling tot het WK is Vincent Kompany als leider er niet meer bij en is de vorm van Eden Hazard onzeker, maar het grootste vraagteken is natuurlijk Axel Witsel. Die is superbelangrijk voor de balans in de ploeg, maar hij is nu pas (twee weken voor het EK, hv) begonnen met rechtdoor lopen met de bal. Moet die op 12 juni klaar zijn? Oké, laat hem dan nog de eerste wedstrijden missen, maar ga je hem in een wedstrijd zetten waarin het moet gebeuren? Ik denk dat Martínez Witsel niet opstelt en met De Bruyne en Tielemans centraal zal spelen in de hoop dat het werkt.”

Ferrera: “Al of niet Witsel is nu een staatszaak. Alle respect voor hoe goed hij speelt, maar mijn ervaring is dat je een controlerende middenvelder relatief makkelijk kunt vervangen door een andere speler op voorwaarde dat die tactisch gedisciplineerd doet wat je van hem vraagt. Het belangrijkste op die positie is in de weg lopen.

“Als België geen Europees kampioen wordt, zal het niet aan het gemis van Witsel liggen. Als ze dat wel worden, zal het haast zeker van Kevin De Bruyne en Romelu Lukaku moeten komen. De Bruyne is een geschenk voor een trainer: hij kan passen als de besten, geeft assists en scoort zelf, via stilstaande fases of met een afstandsschot, en bovendien loopt hij het meeste van alle spelers en is hij snel, met goede voeten. Wat wil je nog meer? Lukaku in de spits is wereldtop: topschutter en kampioen geworden in Italië. In Italië, hè, niet in Nederland. De Rode Duivels kunnen die twee echt niet missen.”

Boskamp: “Nou, Witsel ook niet, hoor. Die loopt zo slim alle gaatjes dicht, niet normaal. Hij maakt de spelers rond hem beter.”

Van der Elst: “België heeft een kans, maar de enige favoriet van dit toernooi is Frankrijk. Ze waren al wereldkampioen, hun ploeg is jonger dan die van ons, en daar komt nu nog Karim Benzema bij, een man die garant staat voor goals. Na Frankrijk zie ik vijf landen als outsider en daar zijn wij bij, samen met Duitsland, Spanje, Engeland en vergeet Nederland niet. Als die een eindronde halen, komen ze meestal ver.”

Raes: “Frankrijk is de superfavoriet, dat is makkelijk. Als je ziet wat die nog thuislaten aan spelers: Frankrijk B kan ook makkelijk de finale halen op het EK. En dan zijn er nog Duitsland, Spanje, Engeland, Italië, en zet daar ook maar Portugal bij met Cristiano Ronaldo, Joao Félix en al die gasten die in Engeland spelen. Onze top ligt achter ons. Tussen 2016 en 2019 waren we op ons best. Dat het EK vorig jaar niet doorging, was een nadeel.”

Ferrera: “We hebben vier certitudes die uit een prima seizoen komen en op grote toernooien iets hebben bewezen: De Bruyne, Lukaku, Courtois en Carrasco. De rest zijn vraagtekens. Voor mij is de kwestie: zal België niet te veel moeten scoren? Met andere woorden: gaan ze niet te makkelijk goals weggeven? Een kampioenschap wordt gewonnen in de verdediging en bij de Rode Duivels is dat het minst zekere onderdeel. Ik denk nog altijd dat Zinho Vanheusden in die verdediging zijn plaats verdient, alleen heeft die wat weinig gespeeld. Ook Alexis Saelemaekers had zijn selectie verdiend na zijn topseizoen in Italië bij AC Milan. Zo polyvalent en niet eens reserve. Raar.”

Boskamp: “Je hebt drie belangrijke mensen die in vorm zijn: De Bruyne, Lukaku en Carrasco. Alledrie kampioen geworden in hun land – en daar achter staat een goeie keeper om dingetjes op te lossen die fout gaan. Daarmee haal je altijd de volgende ronde. Daarna begint het pas.’

Raes: “Alles zal toch afhangen van het niveau dat Kevin De Bruyne haalt. Die blessure in de finale van de Champions League kan vervelend zijn, maar hem kennende zal hij er staan en zich vol geven. Tielemans op dat middenveld kan ook een troef zijn. Hij is een man van de nieuwe generatie die de stap heeft gezet. Romelu Lukaku staat er de laatste jaren altijd als het moet. Maar bij gebrek aan echte referentiewedstrijden weten we niet wat we waard zijn tegen grote landen.”

Boskamp: “België heeft alles gewonnen in de kwalificatiefase, maar dat deed Italië ook. Die zijn echt niet minder. Ik hoop stiekem op Italië. Dat middenveld, man, met die Marco Verratti en Jorginho, zulke vechters, zulke goeie voetballers. En oké, het mag niet, maar ze schoppen je middendoor als het moet. Met de glimlach.page3image14609376

“Nederland? Nee, geloof ik niet in. Ze hebben te veel wedstrijden gehad waarin ze er niet aan te pas kwamen. Ze spelen wel de drie poulewedstrijden thuis in Amsterdam. Duitsland, niemand heeft het over Duitsland dat Thomas Müller en Mats Hummels heeft teruggehaald. Spanje, hoe gaan die het doen zonder spelers van Real Madrid? Engeland, wat dacht je daarvan? Als die hun poule winnen, spelen ze, met uitzondering van de kwartfinale, alles op Wembley. En Portugal? Naast België zijn er op het EK wel meer landen die aardig kunnen voetballen.”

Column Mentale exit over Naomi Osaka in De Morgen van zaterdag 5 juni 2021

Mentale exit

Het is dat hij er zelf over is begonnen in zijn commentaar in Het Laatste Nieuws, anders had ik Filip Dewulf en zijn existentiële crises niet vermeld. Ik was bij een van die momenten. Dat was in 1994, in Athene, waar ik eigenlijk moest zijn voor het WK volleybal. (Hoe dat komt? Welnu, in Nederlandse loondienst zag ik af en toe ook iets anders dan coureurs en sjotters.)

Als multitasker had ik gemerkt dat er die week tegelijk met het WK, waar Nederland tweede zou worden, een ATP-graveltoernooi was waar warempel onze Filip Dewulf aan deelnam. Lang verhaal, kort: in de eerste ronde van dat toernooi zat ik ’s middags bij de wedstrijd van Dewulf op die club in Athene. Het had geregend en het was fris, in de tribune uw dienaar en een jonge vrouw. Die bleek zijn zus te zijn en ze moedigde Filip furieus aan. Het hielp niks. Dubbele fouten, te traag op de bal, foute forehands – toch zijn specialiteit – en dus een mentale exit, en dus verlies. Hij sloeg een racket stuk en dat kunnen er ook twee zijn geweest.

Ik heb het even opgezocht: het was 4 oktober 1994 en hij speelde tegen Jordi Arrese, een reekshoofd en een bedreven gravelspeler. Het werd 6-3 en 6-2, geen afgang en toch leek het zo. Het gesprek nadien viel mee, vooral omdat hij zijn twijfels over wat hij aan het doen was en of dat wel zijn leven moest zijn durfde te benoemen. Ik zei toen: topsport kies je zelf, live with it. Zijn antwoord ben ik vergeten.

Niet dat ik geen begrip had voor de eenzaamheid van de tennisser (m/v/x). Bibberen op de servicelijn, trillende benen tegenover een sterke service, verlamming in de do-or-diemomenten, dat kende ik na jarenlange competitie in een terugslagsport, weliswaar in teamverband en dat scheelt.

Deze Filip Dewulf heeft begrip voor Naomi Osaka, die afhaakte op Roland Garros en daarna meldde dat ze al jaren tegen depressies vecht. Ik ga haar mentale toestand niet in twijfel trekken, maar mag ik enkele journalistieke nuances aanbrengen?

Zoals, dat ze nooit een boodschap heeft gehad aan graveltennis en Roland Garros, waar ze nog nooit verder is geraakt dan de zestiende finales, en dat dit voorafgaand aan het toernooi onderwerp van gesprek was met familieleden – op de sociale media godbetert. Of zoals dat ze door haar coach Wim Fissette laatst nog op Sporza Radio als erg stabiel werd omschreven, iemand die sterk in het leven staat. Herinner u haar statement pro de Black Lives Matter-beweging op een US Open die ze ook nog eens zou winnen.

Het plotse afhaken omwille van haar mentale gezondheid kwam na een rel en die was dan weer het gevolg van de verplichting om na de wedstrijd even langs de perszaal te passeren en daar wat obligate vragen te beantwoorden. Osaka had geweigerd en was beboet. Dat was de druppel. Een dag later was ze weg.

Even iets over die druppel. Ik ben daar vaak genoeg geweest: de tennispers zal je heel zelden betrappen op strenge vragen. En omgekeerd zal je tennisspelers (m/v/x) nog minder betrappen op interessante antwoorden. Het is wat het is, een verplicht nummer van een minuut of vijf. Kleine moeite, wetend dat je voor een eerste ronde in Parijs al 60.000 euro betaald krijgt.

Osaka schreef daarover: “Ik heb de indruk dat in de persconferentie weinig respect wordt opgebracht voor de mentale gezondheid van de atleten. We zitten daar vaak te zitten, antwoordend op vragen die we al tig keren hebben gehoord of (en nu komt het, HVDW) die twijfel zaaien in ons hoofd. Ik weiger mij te onderwerpen aan mensen die mij in twijfel trekken.”

Wat moet je daarmee als journalist? Sinds haar winst op de Australian Open begin dit jaar slaat ze nog amper een deuk in een pakje boter, maar dat soort decompressies is niet ongewoon bij toppers die steeds vaker hun momenten kiezen. Als ze dan een vraag krijgt waarom het de laatste tijd wat minder gaat, is dat een aanslag op haar mentale gezondheid of doet de journalist gewoon zijn of haar werk?

Mag je iemand die vorig jaar 60 miljoen dollar inkomsten aan de belastingen aangaf – dat is te hopen, anders heeft ze nog meer problemen – even ondervragen waarom ze minder wint? Ik dacht het wel. Of moeten we eerst een aanvraag indienen bij de zelfhulpgroep voor topsporters-met-een-dip?

Voor wie dit allemaal een beetje hard vindt klinken, het gaat om topsport. Daar hoort een belangrijke mentale component bij die het verschil maakt tussen de superkampioenen en de rest. Dat het soms afzien is, dat het eenzaam is aan de top, alle begrip daarvoor, maar je went er beter aan. Als dat niet lukt, is er een mooi spreekwoord: if you can’t stand the heat, get out of the kitchen.

Column Fully vaccinated in De Morgen van 31 mei 2021

Fully vaccinated

Een van de vele nadelen van dit vak is dat mensen rondom jou denken dat je overal een antwoord op hebt. Een afgeleid nadeel of een nevenschade daarvan is dat je dat ook op den duur gaat geloven. Ik mag mijn neus niet buiten het venster steken of daar zijn de vragen. Steekt omgekeerd iemand een neus door mijn venster, idem.

Zoals over de Giro: goh, die Remco Evenepoel met zijn dikke nek, wat denk je daarvan, staat die weer eventjes met beide voeten op de grond zeg?

Mijn antwoord: “Jaja, maar zo dik is die nek van hem ook niet en toevallig heeft hij wel heel veel talent, maar we hebben ons allemaal een beetje verkeken – hij en zijn ploeg niet het minst – op zo’n eerste grote ronde. Het komt wel goed met hem. Ooit wint hij die Giro.”

Of over de Champions League-finale: wat denk je, Chelsea of Manchester City?

Mijn antwoord (hier moet ik opletten want eigenlijk wil ik antwoorden dat het mij geen zak interesseert): “Ja, het zou mooi zijn voor onze Kevin om de beker met de grote oren te winnen. Meestal supporter ik voor de minst onsympathieke ploeg, maar kiezen tussen een vertrouweling van Poetin en een oliesjeik, dat is kiezen tussen de pest en de cholera. Doe dan toch maar City, maar het zal erop aankomen wie de meeste jus in de benen heeft en de slag om het middenveld wint.” Dat soort antwoorden is ook herbruikbaar in hoofde van je gesprekspartner die daarna bij zijn vrienden de slimme kan uithangen.

Euro 2021 is ook populair in de vragenronde: en, wat denk je, gaan we dat winnen? Ik dacht het niet, toch?

Mijn antwoord (ook hier is het een beetje op eieren lopen): “Deze generatie loopt op haar laatste benen en het zou mooi zijn, maar de traditie is dat soort ploegen niet gunstig gezind. Er zijn wel veel vraagtekens, maar als ze er een paar België-Braziliës uitpuren zoals destijds in Kazan zie ik het wel gebeuren.” Waarna je dan moet uitleggen dat op de World Cup van 2018 die wedstrijd tegen alle logica en statistieken in werd gewonnen – alleen inzake overtredingen wonnen de Belgen het pleit – en dat eigenlijk ook die achtste finale tegen Japan met een gelukje werd gewonnen.

Maar de helft van de vragen gaat over de Olympische Spelen. De vraag die steeds terugkomt: en, wat denk je, zal het doorgaan?

Mijn antwoord: “Ja.” Maar daar zeg ik meteen bij dat ik dat ook vorig jaar dacht. Ik was nog maar net op het Internationaal Olympisch Comité in audiëntie ontvangen en dacht dat ik een klare kijk op de zaak had. Niet dus.

Nu denk ik dat het wel doorgaat, tenzij er ineens een superdodelijke Okinawa-variant opduikt waarop mijn Pfizer-vaccin – 31 mei en 5 juli zegt het e-ticket aan mijn magnetische bord – geen antwoord heeft. Dan denk ik dat ze afgelasten. En als zij niet afgelasten, gelast ik mijzelf af.

Wat u moet weten over Covid-19 en Japan is dat ze een atypisch verloop hebben gekend van de pandemie. Ze hadden het al heel snel te pakken, maar panisch als ze daar zijn voor virussen groot en klein hielden ze het behoorlijk onder controle. Tot rond de jaarwisseling en toen hadden ze een week lang gemiddeld 6.374 gevallen per dag. Is dat veel? Welnu, de Japanners zijn met 126 miljoen. Ons record voor 11 miljoen was rond 27 maart: 5.446 nieuwe gevallen. Op hun top hadden ze er dus tien keer minder dan wij.

Wat u moet weten over berichtgeving rond Olympische Spelen is dat in de aanloop altijd weer rampberichten opduiken. Nu is ook een krant – die tegen de regering is, dat moet er toch even bij – op de kar van de afgelasters gesprongen en dat wordt dan gebracht als groot nieuws. Enkele dagen eerder, toen nog meer gevallen werden gemeld, zat wel al publiek bij voetbalwedstrijden en toen Thomas Vermaelen scoorde vielen ze – mondmaskers onder de kin – in elkaars armen. Als dat kan, zullen hyperbeveiligde Spelen met dagelijkse testen ook wel kunnen.

Waar zeuren ze dan over in Japan, waar het de laatste twee weken steil bergaf gaat met de cijfers en ze nog op twee derde van de piek van hun tweede golf zitten? Welja, dat is dus een van de vragen waar we hier mee zitten. Wat we als buitenlanders wel kunnen verwachten is xenofobie in de letterlijke betekenis, maar wie al eens in Japan was weet wat dat betekent.

Angstige mensen die met een wijde boog om niet-Japanners heen lopen, geen oogcontact, nooit een antwoord geven op een vraag. Openbaar vervoer en andere openbare plaatsen zouden veertien dagen no-gozones worden. Ze doen maar. Ik weet uit ervaring dat je met een beetje westerse assertiviteit en flair wel een eind komt. Ik denk ook aan bedrukte T-shirts met daarop ‘Fully vaccinated by Pfizer’. Vooraan in het Japans en op de rug in het Engels.

Column Remcooooch (bis en slot) in De Morgen van dinsdag 25 mei 2021

Remcooooch (bis en slot)

(Verschenen na weekend van de Zoncolan, vóór de val over de vangrail. Er komt geen derde over Evenepoel, tijd na de opgave voor wat rust en afstand.)

Dit hoorde ik op Eurosport: “En Remco Evenepoel, voor wat het waard is en voor wie het wil weten thuis, die volgt op twee kilometer van Egan Bernal, dus op zo’n vijf minuten.” In de eerste weken van de Ronde van Italië – sprint, klimmen, door berg en dal of zelfs op de rustdag – gaat het in elke zin over jou, om dan in de laatste week nog alleen terloops vernoemd te worden. Vooral dat bijzinnetje ‘voor wat het waard is’… redelijk dodelijk.

Dat Eurosport overigens wordt in Vlaanderen niet gesmaakt. Twee punten van kritiek steken er bovenuit: hoewel een West-Vlaamse commentator, toch te Hollands – Noord-Nederlands wordt bedoeld – in de omkadering. Dat laatste klopt, vooral dat ‘Kop over Kop’ na afloop van de etappe. Met alle respect, maar dat kan beter, interessanter. De drie van de nababbel zijn onveranderlijk Nederlanders, maar dat komt dan weer omdat Discovery Channel – het hoofdhuis van Eurosport – in Amsterdam (hoofdzetel) en Hilversum (redactie) zit en het management van Discovery Benelux onveranderlijk uit Nederlanders bestaat. Dat ze overigens in Nederland zitten, heeft minder te maken met de Nederlanders dan wel met Nederland als belastingparadijs, maar dat horen ze niet graag bij Eurosport/ Discovery en ook niet in Nederland.

Tweede punt van kritiek: de vele onderbrekingen. Soms is dat reclame, maar evenzeer kunnen dat fragmenten zijn van grote sportmomenten waar Eurosport bij was. Hebben we al tig keer zien passeren: Froome op de Ventoux (lopend, zonder fiets), de kussende Nadal (had een ballenmeisje ongewild een bal in het gezicht gemept), een winnende en huilende Federer (overkomt hem wel meer), de déconfiture van Roglic en triomf van Pogacar (maar minder dan die andere fragmenten, want nogal pijnlijk voor het Nederlandse Jumbo-Visma).

In Vlaanderen zijn wij natuurlijk verwend met onze staatszender die ritten van begin tot einde uitzendt, zonder één minuut onderbreking. Komt daar nog eens bij dat de combinatie Eurosport/Italiaanse regie en productie dodelijk is, helemaal toen de Italianen de laatste vijftien kilometer er niet in slaagden één wedstrijdbeeld in de huiskamers te krijgen. Alsof het voor het eerst slecht weer was in de Dolomieten.

Wat die onderbrekingen betreft moet ik de criticasters ongelijk geven: als wielrennen ooit een financieel gezonde sport wil zijn/worden, zal het toch onder meer komen van een verdienmodel gebaseerd op televisierechten en gespijsd met reclameblokken. Het is niet anders, dit is hoe sport functioneert. Bovendien, wen er maar al aan: de VRT heeft beperkte uitzendrechten van de Olympische Spelen (gekocht bij Discovery) en straks is het met Tokio weer van dat.

Tja Remco. Een groot kenner van het wielrennen sms’te vorige week “wat had je gedacht, die jongen heeft nog nooit een bergrit gereden”. Klopt als een bus, de verwachtingen waren niet realistisch, niet van de media, niet van het team (die hoopten op een paar nummertjes) en niet van Evenepoel zelf die zichzelf ook wel zag schitteren en misschien hoopte op meer.

De Giro is al geen gewone rittenkoers met al die hoogtemeters, maar daar bovenop nog eens dat vreselijke weer. In de hitte rijden door Frankrijk kan behoorlijk slopend zijn – en je slaapt minder goed – maar aanhoudend door de kou en de regen moeten fietsen, woont een mens helemaal uit.

Wat nu met die derde week? Het is niet duidelijk waarom Evenepoel gisteren moest lossen: was het van niet kunnen of niet willen? Is het op, of tankt hij bij, in het vooruitzicht van een nummertje in de laatste week of die tijdrit op zaterdag. Wat het ook wordt, naar huis of blijven, nog wat winnen of niks meer winnen, deze Giro zal Remco Evenepoel bijblijven. Voor het eerst in zijn leven heeft hij in een koers gereden en had hij niet het gevoel dat hij de beste was. Voor het eerst in zijn leven heeft iemand – en meer dan één – hem bergop gelost. Hij heeft de voorbije twee weken leergeld betaald en dat zal hem uiteindelijk goed uitkomen. Aan zijn talent moet na deze Giro nog altijd niet worden getwijfeld. Ooit wint deze jongen een grote ronde.

En moeten we nog iets zeggen over Egan Bernal? Ja toch. Won op zijn 22ste meteen de Ronde van Frankrijk en prikt daar nu even een Girootje achteraan. En hoe. Het beeld van deze Giro is toch Bernal die op de Passo di Giau wegrijdt van de rest, helemaal alleen afdaalt (waar we niets van zagen), vervolgens Cortina binnenrijdt in de regen (ook niet te zien) en als hij weer in beeld komt, op die spekgladde kleine kasseitjes nog even zijn regenjasje uitspeelt, netjes achteraan wegstopt, om dan in triomf in het roze over de eindstreep komen. Grande Bernal. Zonder meer.

Column Remcoooch van zaterdag 22 mei 2021 in De Morgen

Remcooooooch

(Let wel, verschenen op de zaterdag van de Zoncolan, na de etappe over de Strade Bianche)

Ik heb al een keertje Remcoooooo gebruikt. En ook al een keer Remcooooooh. Nu is het Remcooooooch. Dat is een samentrekking van Remco en och, zoals in ‘ocharme manneke toch’. Ja, wij hebben lezers aan wie we echt alles moeten uitleggen als het over sport gaat. Ik heb het ooit anders geweten, maar afgelopen week is mij nog eens vanuit de controletoren op het hart gedrukt dat tijden veranderen. Schrijvend vanuit mijn home office, met zicht op een tuin waarin wel drie cateraars hun ding kunnen doen, heb ik van die veranderingen niet veel mee gekregen. Ik prijs mij zo gelukkig.

Allee dan. Voor wie onder een steen zat, de voorbije weken was wielerminnend Vlaanderen in de ban van een jongeman uit de buurt van Brussel die naar de Ronde van Italië was afgereisd vol verwachtingen en ambitie. Het is te zeggen, hij zei dat er geen verwachtingen en ambities waren, behalve zich amuseren. Na veertig jaar in dit vak weet ik als geen ander: als getalenteerde sporters dát zeggen, bedoelen ze vaak het omgekeerde maar de huispsycholoog heeft hen op het hart gedrukt om de ambitie niet te veruitwendigen.

Dat amuseren, dat leek te gaan lukken, behalve die eerste keer bergop in de regen, dat was wat minder. Ik heb zowat alle ritten gezien en er was dat ene ritje waar ergens niks te verdienen viel voor de klassementsrenners, maar waar de nummer één van het klassement toch een gooi deed naar drie bonificatieseconden onderweg. De nummer twee – toen nog wel – liet dat niet gebeuren en ging nog over de nummer één, waarna een attente ploegmaat van de nummer één over de nummer twee ging en die drie seconden afsnoepte.

De nummer één heette Egan Bernal. De nummer twee, die zo graag die drie seconden had gepakt, was Remco Evenepoel. Het was een anekdote, een detail, niet het vermelden waard, maar toch was het een voorbode van wat zou komen, een signaal: don’t mess with us. Het was om te spelen, maar ik had dat toch niet gedaan als ik Remco was. Om het in zijn taal van vroeger te zeggen: als je weet dat je in het middenveld aan elkaar gewaagd bent, probeer dan niet iemand te jennen door hem te poorten.

Als je dat in het voetbal doet, word je onder het gras gestopt. In het wielrennen, in deze Giro, beland je bij gebrek aan gras onder het gravel. Dat is wat Remco Evenepoel is overkomen afgelopen woensdag in de rit naar Montalcino, dat ik dan weer ken van de Brunello, maar wat deze generatie renners natuurlijk niks zegt. De vorige generatie wel, nogmaals het bewijs dat die tijden beter niet te hard veranderen.

Dus, samenvattend: in die rit naar Montalcino verloor Evenepoel dik twee minuten op Bernal. Zijn supportersclub, sommigen in het bezit van een persaccreditatie, maakte er geen drama van, maar wijdde er wel zes pagina’s aan, volgestouwd met theorieën over hoe en waarom het fout ging en waarom misschien nog niet alles verloren was.

Even tussendoor, en ik kan mij vergissen, maar toen ik afgelopen woensdag de laatste twintig kilometer opnieuw bekeek op Eurosport meende ik bij de cocommentator Karsten Kroon een toontje van ‘zie je wel, jongen, eet nog maar wat boterhammen’ te bespeuren. Nogmaals, ik kan mij vergissen, maar ik denk het niet. Dat ligt in de lijn van de verbazing waarmee onze noorderburen kijken naar hoe idolaat onze media omgaan met een jonge renner, even beloftevol als er haken en ogen aan zitten.

Weeral in voetbaltaal: mathematisch is nog alles mogelijk. Die Evenepoel is geen gewone soldaat en vandaag bijvoorbeeld vindt hij een kolfje naar zijn hand met de steile Monte Zoncolan, het beest van Friuli.

Er zijn zoals gezegd meerdere theorieën waarom Evenepoel op de witte grindstroken van Toscane niet kon volgen. Het lijkt erop dat er maar één hoofdreden is waarom Evenepoel woensdag niet kon volgen en dat is dezelfde reden waarom hij vorig jaar in augustus in dat ravijn is gedoken: hij kan niet sturen zoals de rest van het peloton en al helemaal niet zoals Nibali bergaf en Bernal op grind.

Werk aan de winkel voor de huispsycholoog. Ik stel voor om hem beelden te laten zien van Chris Froome, te beginnen met de tijdrijder Froome die op het WK in Salzburg in 2006 dertig meter na het startpodium in zijn eerste bocht op een steward knalde en zijn eerste afdalingen reed als een postbode. Gaandeweg beterde dat en Froome zou zeven grote rondes winnen.

Moraal van het verhaal: je bent nooit te oud om te leren. Maandag in de koninginnenrit met 5.700 hoogtemeters, eindigend met de pijlsnelle en af en toe verraderlijke afdaling van de Giau, zullen we zien hoe het met Remco’s daalcapaciteiten is gesteld.

Portret Elise Mertens in De Morgen van zaterdag 15 mei 2021

Elise Mertens

Ze komt niet in de buurt van het atletisch vermogen van de jonge Kim Clijsters of het talent van Justine Henin, maar Elise Mertens – nummer één in het dubbel – is geduldig. En ze weet wat ze wil: de echte top tien halen.

Neen, het was niet te best, afgelopen week in Rome. Als veertiende in de ranking verloor Elise Mertens van nummer 28 Veronika Koedermetova. Kan gebeuren, alleen was daar weer die vervelende hamstringblessure die haar een week eerder in Madrid ook al parten had gespeeld in haar kwartfinale tegen Aryna Sabalenka. Ze had toen een ronde eerder grandslamwinnares Simona Halep geklopt, naar eigen zeggen haar mooiste zege ooit.

Twee weken geleden had ze diezelfde Koedermetova nog met 6-4 en 6-1 genadeloos wandelen gestuurd in de halve finale in Istanbul. In Rome kon ze niet vol afzetten en sloeg ze maar liefst negen dubbele fouten. “Mijn lichaam heeft rust nodig”, concludeerde ze
niet onterecht, om er daarna aan toe te voegen dat ze in Rome wel eerst nog het dubbel zou spelen met haar nieuwe Taiwanese dubbelpartner Su-Wei Hsieh. “Dat is niet zo belastend en we moeten aan elkaar wennen.” De kenners zuchtten en schudden het hoofd. Twee dagen later lagen Mertens-Hsieh na hun eerste wedstrijd uit het toernooi.

Elise Mertens (25) timmert onverstoord aan een weg die ze zelf heeft uitgezet. Tennis heet een vroeg-specialisatiesport te zijn, wat betekent dat je er vroeg bij moet zijn om alle skills in te slijpen, wat dan weer nodig zou zijn om op latere leeftijd succesvol te zijn. Elise Mertens was er vroeg bij. De eerste keer dat haar naam opduikt in een krant is op 3 september 2003 in een klassement van de Campina Tour bij de meisjes tot negen jaar: ze eindigt 34ste.

In april 2004, zeven maanden later, staat ze ineens tweede achter ene Jolien Franssen in het jeugdsterrencircuit en nog een jaar later heeft ze met Franssen van plaats gewisseld. Mertens is in de zomer van 2005 de onbetwistbare nummer één van haar leeftijd. Die zomer zal aan de overkant van de oceaan een andere Limburgse haar eerste grote triomf boeken: Kim Clijsters wint op de US Open van Mary Pierce met 6-1 en 6-3 en wordt derde van de wereld. In 2003 had ze door een overload aan wedstrijden de eerste plaats in de ranking bezet. Het was het begin van een reeks blessures die haar tot op vandaag achtervolgen.

In 2005 wordt Mertens voor het eerst voorwerp van een artikel… “Bij Lommelse TC werd afgelopen week een manche van de Delta Lloyd Talent Cup afgewerkt voor de 10-jarigen. Elise Mertens, uit Hamont maar lid bij TC Diest, heeft bij de meisjes knap de eindzege behaald. ‘Elise versloeg Sarah De Clercq in de finale met 1-4, 4-2, 4-2’, legt mama Mertens uit. ‘Elise kent een sterke periode. Ze heeft in het toernooi van Vandewiele ook alles gewonnen. De komende weken speelt ze de toernooien van het Jeugdsterrencircuit en ook de Nationale de Borman Beker staat op het programma.'”

Winst in Sharm-el-Sheikh

Zestien jaar later is haar oogst aan overwinningen indrukwekkend. Ze ligt nog wel in balans met Sabine Appelmans (ooit nr 16, zeven WTA-toernooien), Yanina Wickmayer (nr. 12, vijf WTA-titels) en Dominique Monami (nr 9, vier titels), maar zal zonder ongelukken eindigen met het derde beste palmares van het Belgisch vrouwentennis. Justine Henin en Kim Clijsters spelen met hun nummeréénstatus (respectievelijk 117 en 20 weken) en grandslamzeges (zeven voor Henin en vier voor Clijsters) voorlopig in een andere competitie.

Elise Mertens begon in 2010 op het circuit van de International Tennis Federation (ITF) te spelen. Dat zijn de mindere opstaptoernooien. Die primeur was dicht bij de deur, op De Koddaert-club in Torhout. Ze is dan amper veertien, sneuvelt in de kwalificaties en haalt de hoofdtabel niet.

In 2011 zien ze haar internationaal niet, om in 2012 weer het ITF-circuit in te duiken. In 2013 wint ze haar eerste kleine toernooi, in Sharm-el-Sheikh, waar ze drie jaar op rij zou winnen. Ze rijgt de ITF-toernooizeges aan elkaar – tien tussen 2013 en 2015 – en in dat laatste jaar probeert ze ook eens bij de grote mensen, in het circuit van de Women’s Tennis Association (WTA). Hoewel al negentien, raakte ze nooit voorbij de kwalificaties.

Bij Tennis Vlaanderen keken ze daar niet van op. Zij hadden haar al na één jaar Topsportschool wandelen gestuurd. Volgens technisch directeur Ivo Van Aken omdat ze niet de juiste motivatie had en te behoudsgezind tenniste. Van Wilrijk trok ze naar Parijs, naar de tennisacademie van Patrick Mouratoglu, de coach van Serena Williams, maar ook daar staat ze niet te boek als het grote talent.

Agressiever spelen

Pas in 2016 gaat ze anders tennissen. Ze vormt sinds dat jaar een koppel met Robbe Ceyssens, die in De Boneput – later de Kim Clijsters Academy – speelt en Vlaams indoorkampioen is geworden. Hij wordt er trainer en die ene keer dat hij inviel voor de vaste trainer van Mertens, ontstond de klik. Ceyssens besluit zijn vriendin voltijds te coachen. Voor hem is het duidelijk: ze moet agressiever tennis spelen.

Begin 2017 levert dat een eerste prijs op: ze wint het WTA-toernooi van Hobart, verder van huis kan niet. Dat jaar maakte ze de grootste sprong: van plaats 120 naar 35. In november 2018 staat ze even twaalfde en eindigt als dertiende. België maakt zich op voor een nieuwe toptienspeelster en wie weet nieuwe triomfen in het enkelspel op grote toernooien.

Kenners zuchten opnieuw als ze van zoveel enthousiasme horen. Inmiddels is Elise Mertens ook een fervente dubbelspeelster geworden. Meer zelfs: ze is een betere dubbelspeelster dan enkelspeelster en dat heeft zich vorig week nog geconcretiseerd in de eerste plaats op de dubbelranking. “Een droom die uitkomt”, zegt ze zelf. Waanzin, al die dubbeltoernooien, zeggen de experts, té belastend.

Sowieso doet Mertens (1m79, kilo’s onbekend maar zichtbaar afgetraind) haar zin, typisch voor een laatbloeier en een doordouwer. Ze bevestigt daarmee de gangbare theorie dat prematuurtjes – ze werd twee maanden te vroeg geboren als het overlevende kindje van een tweeling – vaak vechtertjes worden. Voeg daar ook nog eens aan toe dat ze niet uit het klassieke, tennis spelende betere- middenklassengezin kwam.

Vader Mertens is nu gepensioneerd, maar was toen een zelfstandig meubelmaker die vooral voor kerken werkte. Dat was geen vetpot, maar de opofferingen hebben geloond. In Humo getuigde ze drie jaar geleden dat het zonder de hulp van vader en moeder en het voorbeeld van haar zus – die ouder was en ook tenniste op dezelfde club – nooit was gelukt.

Buitengewone dingen

Na nog geen zes jaar in het circuit heeft Mertens 7 miljoen euro aan prijzengeld bij elkaar getikt. Ze won 343 wedstrijden tegenover 178 verliespartijen en won zes WTA-titels. Alleen die ene grote overwinning ontbreekt. En die toptienranking, dat wordt ook een hele klus.

Tenniscoach Marc De Hous, ooit bij Kim Clijsters, was in zijn commentaar tegen Sporza het meest uitgesproken: “Een toptienplaats voor Elise Mertens wordt niet makkelijk. Om het verschil te maken met de rest zou ze iets extra’s aan haar spel moeten toevoegen. Hard kloppen kunnen er heel veel. Ik heb wel enkele ideeën, maar dat hou ik liever voor mezelf. Toch dit: haar tennis zou meer moeten verrassen. Tegen voorspelbare patronen is het makkelijk spelen.”

Sabine Appelmans: “Een top tien voor Elise? Ik aarzel. Hebben wij het beste al gehad, of moet dat nog komen? Vaak zie ik buitengewone dingen bij Elise, op andere momenten mist ze toch wat kracht.”

De perfectioniste in Elise Mertens weet dat het goed komt, maar er in de verte loert een valkuil, als ze er al niet half is ingetuimeld: overbelasting. De WTA tweette net voor haar partij van afgelopen dinsdag een kwisje: wie van de drie – Mertens, Sabalenka of Strycova – heeft het meeste wedstrijden gespeeld sinds 2017? De helft van de reacties zat juist: Elise Mertens. De statistiek was mindblowing: Mertens heeft sinds 1 januari 2017 423 wedstrijden gespeeld. Niemand komt in haar buurt: Strycova heeft er 70 minder en Sabalenka, de nummer drie in die onzalige ranking, heeft er zelfs 100 minder.

Dat leverde Mertens geen windeieren op: ze speelde inmiddels negentien dubbelfinales, waarvan ze er dertien won. Als het haar bedoeling is om zo snel mogelijk ‘binnen’ te zijn, onder meer via het lucratieve dubbelen, dan is dat haar goed recht. Wil ze de ‘echte’ top tien halen, zal het anders moeten. Misschien toch maar eens Kim Clijsters bellen.

Column Donkerroze in De Morgen van zaterdag 15 mei 2021

Donkerroze

We zijn vandaag toe aan etappe acht in de Giro d’Italia. Het gaat van Foggia naar Guardia Sanframondi. Zuidelijker komt de Giro dit jaar niet en zo zijn we ongemerkt zelfs even onder Napels geraakt. Vanaf nu gaat het naar boven, in alle betekenissen: zowel richting het noorden als bergop. Vandaag al met een aankomst ergens boven, morgen nog zwaarder en weer aan het eind een slotklim, waarna maandag een rustigere etappe volgt en vreemd genoeg op dinsdag de eerste rustdag, daags voor de etappe over de witte landwegen van Toscane.

Volgende week zaterdag staat dan na twee ritten over berg en dal de gevreesde Monte Zoncolan op het programma. Wie dan nog niet van zijn fiets is gevallen van vermoeidheid en nog wat in de benen heeft, krijgt nog een paar interessante bergetappes met – hoe raadt u het – drie aankomsten bergop.

Aan de bazen van Deceuninck-QuickStep volgend dringend verzoek: goed bekeken van jullie om eergisteren nog niet dat roze te pakken, wacht nu maar tot de Zoncolan. Dat maakt het voor ons media wat prettiger, bouwt de spanning op, is ook goed voor de kijkcijfers van Eurosport in de namiddag en Eén in de vooravond. De orgie kan dan een week duren tot in Milaan, waarna we in België de roze polonaise dansen. Vervolgens kunnen we naadloos overgaan in de Euro-euforie rond de Rode Duivels, want die worden Europees kampioen. Daarna nemen we een breakje, met uitzondering van wat etappezeges voor Wout van Aert in de Tour, en halen we een recordaantal medailles in Tokio. Als we daar geraken tenminste.

Maar eerst de Giro naar onze hand zetten. Voor de media hier te lande is het een uitgemaakte zaak: Remco Evenepoel is de topfavoriet en Egan Bernal van Ineos Grenadiers doet het in zijn broek voor maar één renner en dat is die van ons. ‘Hij is goed. Héél goed’ blokletterde een krant gisteren na de etappe van donderdag. Een andere krant drukte op de één een foto af van Remco in korte mouwen, het hondenweer trotserend, en zette daarboven de kop ‘Een kwestie van dagen’.

In deze krant werd het een quote ‘Roze trui veroveren was vandaag niet het doel’ en De Standaard hield het ook rustiger met ‘Remco Evenpoel is héél goed’. Dat weten we al een tijdje. Zijn familie weet dat al van de eerste maand dat hij begon te woelen, zijn voetbalploegen weten dat ook, zijn eerste trainer Fred Vandervennet wist niet waar zijn limiet lag. En nu weten wij dat ook (niet).

Ik weet niet of u begrijpt wat de bedoeling is van dit stukje. Alvast niet spotten met het wonderkind uit Schepdaal, eerder de verwachtingen een beetje temperen. Deze Giro is het Inferno van Dante op twee wielen, vol verraderlijke onbekenden. Hoe heeft dat slechte weer er ingehakt? Wie van de favorieten zal nog vallen? Wie wordt ziek? (Merckx werd ziek in zijn eerste Giro in de derde week.) Wat brengt de mini-Strade Bianche?

En dan het grote mysterie, nu al opdoemend in de Belgische media: hoe doet onze Remco het boven de 2.000 meter? Als je de commentaren mag geloven lukt het tot 1.999 meter nog wel om de zuurstofhuishouding op orde te houden, maar is alles boven de 2.000 meter een aanslag op de rode bloedcellen en mitochondriën. Alsof er bij 2.000 meter een man staat met een hamer.

Zo werkt het dus niet. Je leest weleens over hoogte en minder zuurstof in de lucht. Welnu, u kunt op beide oren slapen en Remco en co. ook: overal in de troposfeer zit ongeveer evenveel zuurstof in de lucht. Die troposfeer is boven de polen maar zes kilometer dik en boven de evenaar tot wel zestien kilometer dik. Daarboven beginnen de problemen echt, maar dat is de stratosfeer en daar wordt niet gekoerst.

Is er dan niks aan de hand met de zuurstof naarmate je hoger gaat in de troposfeer? Tuurlijk wel. Die komt namelijk minder vlot binnen in de longen omdat de luchtdruk minder wordt. De luchtdruk vanop zeeniveau wordt lang niet meer gehaald op hoogte. Op 5.500 meter is die nog maar de helft en op de Everest (bijna 9.000 meter hoog) nog maar 30 procent.

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat Remco Evenepoel niet boven de 2.000 meter zou kunnen klimmen en er is nog goed nieuws. Paniek is nergens voor nodig want alleen in de koninginnenrit van maandag 24 mei naar Cortina d’Ampezzo gaan de renners over drie cols van boven de 2.000 meter. De laatste, de Giau, is de kwaadste. Die klimt naar 2.233 meter en daarna is het nog achttien kilometer bergaf naar de aankomst. Tegen dan rijdt Evenpoel in het donkerroze en zal deze natie bij elke bocht, elk viaduct, elk brugje bidden dat hij recht mag blijven.