Column Lance (bis) over de docu in De Morgen van maandag 1 juni 2020

Lance (bis)

Is de ESPN-docu Lance, waarvan gisteren het tweede deel online stond, aan aanrader? Ik vind van wel.

Zal u veel nieuws vernemen? Anders dan inzicht in zijn persoonlijkheid(stoornis), neen, maar dat volstaat ruimschoots om de drie uur uit te zitten.

“You love or you hate him”, zegt een ex-ploegmaat aan het eind van de docu, en voegt er aan toe “ik ben er na al die jaren nog steeds niet uit”. Lance Armstrong polariseert en dat duurt nu al twintig, voor sommigen zelfs dertig jaar of langer. Je had de haters en de lovers, de believers en de non-believers. Die laatsten niet het minst bij de pers.

Ik herinner mij nog discussies met de Amerikaanse journalisten in de Tour. You don’t think he is clean? (rollende ogen) Mijn antwoord was altijd hetzelfde. “Guys, hij rijdt het hele peloton in de vernieling, een peloton dat in de Tour voor wellicht 100 procent op EPO rijdt (later bloedzakjes), en ik moet geloven dat hij clean is? Hij doet wat alle anderen doen. Vind ik dat erg? Een beetje maar, want als iedereen hetzelfde doet, hé wat is het probleem?” Door voortschrijdend inzicht zou ik die laatste zin niet meer herhalen, maar ik zou hem – dat vinden ook zijn toenmalige en latere collega’s – zijn zeven Tour-overwinningen ook niet afnemen.

Ik heb nooit van Armstrong gehouden, zoals sommige van mijn collega’s, en ik heb hem nooit gehaat, zoals sommige van mijn andere collega’s. Ik vond hem toen en vindt hem vandaag nog steeds een journalistiek cadeau voor de ietwat saaie sport die wielrennen soms kan zijn.

In 2002 praatte ik mij naar binnen bij het team om hen te volgen in de Midi Libre. Op een avond, dicht tegen middernacht, stond ik te praten met de mechanieker Jean-Marc Vandenberghe die de nieuwe tijdritfiets van Armstrong aan het opzetten was, toen opeens Lance Armstrong op kousenvoeten achter ons stond.

Hij monsterde zijn fiets: “Nice work Johnny-Marc, but a black ribbon? Doesn’t fit with the color of the frame. I want a blue one.” Mijnheer Lance wilde een blauw stuurlint, geen zwart. Waarop de arme man – die een jaar later zou verkassen naar een ander team – midden in de nacht kilometers verder (de Postals lagen altijd ver genoeg van de rest) bij een collega een blauw stuurlint moest gaan schooien.

Een dag later verloor Lance de tijdrit van Igor ‘that fucking’ Gonzalez ‘shithead’ de Galdeano. Hij was obsessief, in alle opzichten. Veeleisend voor zichzelf en de anderen. Me, myself and I. Nietsontziend, of zoals hij zelf zegt in de docu: altijd bezig met rivaliteiten, to get my hate on.

In 2003 praatte ik mij bij hem naar binnen, thuis nog wel, wat uitzonderlijk was, maar ik had dan ook zijn goededoelenrit Ride for the Roses gereden. Aan het eind van de uurlange babbel vroeg hij: “Jij bent nogal thuis in dopingzaken naar het schijnt. Waarom heb je geen vraag over doping gesteld?” Ik antwoordde: “De dag dat er iets uitkomt, zal ik wel schrijven.” Hij lachte en we deden een high five.

Een jaar later publiceerden David Walsh en Pierre Ballester LA Confidentiel. Geen smoking gun, maar veel onrechtstreeks bewijs, te veel om naast te kijken. Nog een jaar later kwam l’Equipe met sterke onderzoeksjournalistiek over de urine van Armstrong in de Tour van 1999. De pilaren van zijn rijk zakten langzaam in elkaar.

Aan allen, maar vooral journalisten die Armstrong een vreselijk mens vinden, geef ik de raad: kijk voorbij de dwangneuroot, maak je huiswerk, lees nog eens een boek, bekijk een docu. Ik heb toevallig recent The Last Dance gezien over en met Michael Jordan en tegelijk las ik de dikke biografie van Johan Cruijff. Die konden er ook wat van. Absolute toppers zijn nu eenmaal vaak nare mensen, en helemaal voor wie hen in de weg staat. Armstrong zegt aan het eind: “Ik zou willen dat ik een beter mens was geweest. Ik kan alleen sorry zeggen en doorgaan met mijn leven.” Daar moeten we het mee doen.

Voor de non-believers in zijn talent heb ik nog iets gevonden. De paragraaf hieronder komt uit One Way Ticket, de vorig jaar verschenen biografie van Jonathan Vaughters, een collega en ex-ploegmaat. Vaughters is ooit weggelopen bij US Postal. Hij wilde bij het cleane Crédit Agricole gaan rijden, maar ging weer aan de EPO. Hij wordt ook vandaag nog door Armstrong en co uitgespuwd, is in geen enkel opzicht een vriend. Als het over de wielrenner Armstrong gaat en hoe die aan de doping geraakte, is hij eerlijk.

“De bizarre waarheid is dat Lance Armstrong in 1995 die ongelooflijk getalenteerde maar erg boze wielrenner was die zijn carrière zag gestolen worden door dopeurs. Hij was tegen EPO, hij noemde het een epidemie en wilde een test. Ze zaten aan zijn pay check. Lance was going to change this unfair balance.”

Column De Strateeg over Wouter VDH in De Morgen van 30 mei 2020

De strateeg

Misschien is de anekdote die volgt hier al eens verschenen, maar als ik het niet meer weet (laatste check: van alles aan de hand maar nog geen dementie), dan u ook niet natuurlijk. Daarom vertel ik ze graag nog eens.

Deze krant was failliet gegaan ergens halfweg de jaren tachtig en we speelden een benefietwedstrijd op ‘het plein van Meulestee’, het veld van FC Meulestede bij Gent. We, dat was de sportredactie aangevuld met de gewone redactieleden die konden voetballen (zoals filmman Jan Temmerman, een dijk van een doelman) en versterkt in de as van het veld door onze voetbalkundige medewerkers.

Na afloop dronken we nog iets op onze miserie en ik bracht onze medewerker Waregem naar het station. De hele weg van de Muide naar het station had hij niet gezwegen en bij het uitstappen sprak hij inmiddels historische woorden: “Ja maar Hans, ik blijf geen medewerker Waregem hoor.” Dat was Wouter Vandenhaute, net afgestudeerd als licentiaat lichamelijke opvoeding. Hij heeft woord gehouden.

Enkele jaren later belde hij: of ik met mijn mooie topsportster/vrouw niet naar de VRT wilde komen voor de eerste uitzending van het nieuwe tv-programma dat hij samen met Mark Uytterhoeven had uitgedacht. Het zat goed in elkaar, ze hadden alleen nog wat publiek nodig om de studio te vullen. Familie, vrienden en bekenden werden opgetrommeld. Zo zaten wij als vriendendienst op de eerste rij bij de allereerste aflevering van het cultprogramma Het huis van wantrouwen.

Nog wat later reden we af en toe samen met de fiets met politicus André Denys en BRTN-sportchef Marc Stassijns, tot hun dood zijn vrienden. Stassijns, een klaarziende strateeg, zei mij ooit: “Wouter is de strafste die ik ooit heb gezien, altijd op de juiste plek, op het juiste moment, en wringen dat hij kan.” Dat was niet pejoratief bedoeld en het sloeg niet alleen op fietsen.

Veel later belde Vandenhaute mij met de vraag om klankbord te zijn tijdens een ritje van Oostduinkerke tot ver in Frankrijk, want hij had veel te vertellen over een plan. Het ging hard: het plan en het fietsen. Gelukkig was hij het die voluit praatte en hoefde ik alleen maar
te luisteren. Zijn Cycling 2020 was toen en is tot vandaag de meest doortastende visie op hoe het wielrennen zich kon/had moeten ontwikkelen.

Ik pingpongde en hij vroeg mij mee naar de vergaderingen met alle sleutelspelers uit het wielrennen: Bjarne Riis, Johan Bruyneel,
de Franse, Italiaanse en Spaanse kliek van oldskool ploegleiders, Patrick Lefevere natuurlijk en ten slotte, niet onbelangrijk, zijn kapitaalverschaffers. Dat grote wielerverhaal – nooit was meer geld beschikbaar voor die sport – is een van de schaarse momenten dat de strateeg Vandenhaute zijn slag niet thuishaalde. De mannen met het geld haakten af. Niet zijn schuld. Het echec was het resultaat van een boycot door ASO (van de Tour) en in mindere mate de UCI en Hein Verbruggen, die pas laat tot inzicht kwam dat Wouterke (zoals hij hem steevast aanduidde) misschien toch een coherent verhaal had.

Ik weet niet of Vandenhaute beseft dat de aversie die hem toen in het wielrennen te beurt is gevallen klein bier is met het wantrouwen van vandaag in het voetbal. Ongetwijfeld zijn vanuit alle presidentiële voetbalkantoren van de eersteklassers sms’en met felicitaties verstuurd, maar dat is schijn. Anderlecht is nu ko, de rijkaard Marc Coucke hangt in de touwen en geen eersteklasser die dat niet nog een tijdje zo wil houden, Brugge, Gent, Antwerpen, Luik en Genk op kop.

Coucke is nu gewoon eigenaar. Wat een deconfiture voor de man die het zo fantastisch vond in het voetbal omdat iedereen hem als ‘voorzitter’ aansprak. Het best denkbare scenario voor RSCA en voor de gezondheid van de man is hem zo onzichtbaar mogelijk houden.

De communicatieve strategie daaronder mag je gerust overlaten aan Vandenhaute. Hoe het verhaal dat hij en Vincent Kompany in het kapitaal van de club stappen daarin moet passen, is een ander paar mouwen. Her en der wordt al gesproken van kapitaalinjectie of kapitaalverhoging. Prima, maar hoe moet dat dan binnen de bestaande regels van – daar zijn we weer – de financiële fair play?

Uit het Staatsblad van 9 maart 2019 blijkt dat de nv RSC Anderlecht een kapitaalverhoging doorvoerde van duizend nieuwe aandelen van 30.000 euro, dus 30 miljoen, zijnde de maximale kapitaalverhoging die is toegestaan in drie jaar. Er zal een andere strateeg nodig zijn, liefst een met kennis van voetbalfinanciën, om daaruit te geraken zonder de licentiecommissie tegen te komen.

Commentaar Mitspieler over Wouter VDH en RSCA in De Morgen van 29 mei 2020

Mittspieler

Wouter Vandenhaute heeft nooit onder stoelen of banken gestoken dat hij in het voetbal een bepalende rol wilde spelen. Hij begon als krantenmedewerker toegewezen aan een club, werd reporter, groeide door naar presentator, kocht als ondernemer de voetbalrechten en werd later eigenaar van het productiehuis dat voetbal naar de huiskamer bracht.

Allemaal mooi, maar het volstond niet. Wouter Vandenhaute, zelf ooit een hobbyvoetballer, wilde altijd al een Mittspieler zijn. Zijn eerste plan bestond er in om iets bij Anderlecht te worden, Herman Vanholsbeeck opvolgen misschien. Later, na de verkoop van Woestijnvis, had hij de middelen om hoger te ambiëren. Vroeger al had zijn pijlen gericht op die andere mauve club, Beerschot. Nog vorig jaar leek AA Gent hem wel spek voor zijn bek. Zelfs Roda JC stond even in zijn belangstelling. Geen van die vage plannen – als het al plannen waren – ging door. Hij had wel eind 2017 op Anderlecht geboden, maar moest toen het onderspit delven voor Marc Coucke.

Die haalde na zijn zoveelste paniekaanval als voorzitter van het instituut RSCA in januari van dit jaar Vandenhaute binnen, samen met Karel Van Eetvelt als CEO. Om de gemoederen te bedaren. Het tegendeel was hun lot. Vandenhaute de makelaar – als aandeelhouder van Let’s Play – werd adviseur, hoe kon het voetbal dit verantwoorden? Gisteren schoof Vandenhaute door naar het voorzitterschap en zit nu waar hij zich ooit in zijn wildste dromen zag zitten.

Dat heeft hem een euro gekost. Vandenhaute verkoopt zijn aandelen van Let’s Play en stapt samen met technisch directeur/trainer/ coach/speler Vincent Kompany in het kapitaal van de club, maar het is onduidelijk wie hoeveel aandelen in hun handen heeft. Tot voor deze zoveelste paleisrevolutie – ze hebben er zowaar een naam voor bedacht, plan 2020-2025 – hadden Marc Coucke en zijn vennoot Joris Ide 74 procent van de aandelen.

Einde goed al goed? Het lijkt er alvast op dat Wouter Vandenhaute voor een minimale investering zijn droomjob te pakken heeft. Marc Coucke blijft voorlopig de eigenaar, de actionnaire principal, zoals hij – niet onbelangrijk – in een filmpje liet verstaan.

De minderheidsaandeelhouders Vandenhaute en Kompany krijgen het operationele in hun mandje. Marc Coucke – ‘Ik heb het te druk om dagelijks met de club bezig te zijn’ – zal op afstand toezien. Karel Van Eetvelt moet het dagelijks management in goede banen leiden.

Coucke die na goed twee jaar het voorzitterschap alweer uit handen geeft, is niks minder dan een nederlaag. In een paar maanden was al het respect voor zijn persoon weg. Binnen de club, bij de aanhang en in het voetbal in het algemeen, Coucke werd uitgespuwd. Vijf technisch directeurs en vijf trainers heeft hij versleten in die ruim twee jaar, dat moet zowat een record zijn, zeker voor Anderlecht maar wellicht ook voor het Belgisch voetbal. Intern was hij al kort na zijn aantreden alle krediet kwijt. Het personeel dat hunkerde naar stabiliteit kon niet om met zijn volatiel karakter en zijn ad-hocbeleid gestuurd door emotie.

Met Vandenhaute treedt een voetbaldier en een sportkenner aan. Zijn droomjob wordt meteen ook zijn lastigste opdracht ooit: de krabbenmand Anderlecht op orde krijgen.

Column BAS (bis) in De Morgen van 25 mei 2020

BAS (bis)

Waasland-Beveren heeft zijn stappenplan uit de doeken gedaan. Zoals bekend is die club niet blij dat ze als laatste in de afgebroken competitie moet degraderen. De onderliggende reden: er werd geen overeenstemming bereikt over een competitie van achttien clubs waarbij iedereen – die ene degradant en de twee promovendi OH Leuven en Beerschot – aan boord zou blijven.

In de plaats kwam een competitie van zestien ploegen, met Waasland-Beveren dat zakt en slechts één stijger. Wie op mag gaan, wordt nog uitgemaakt, ooit, ergens (in Europa). Waasland-Beveren wil eerst de Pro League op andere gedachten brengen. Dat zal niet lukken. Vervolgens wil het naar het Belgisch Arbitragehof voor de Sport (BAS). Daarna stappen ze eventueel naar de burgerrechtbank.

Het BAS, jawel. Schud en beef maar al, voetbal. Dat is dat clubje van de uitspraak dat KV Mechelen schuldig is aan omkoping maar niet wordt gestraft. En van de uitspraak dat niet bewezen is dat Moeskroen in handen is van makelaars. Hebt u vorige week ook grote ogen getrokken toen iemand in Het journaal het BAS kwam verdedigen als een uiterst competent en boven alle verdenking staand rechtsorgaan? Dat was de voorzitter van het BAS, Cyriel Coomans, een meevaller als u begreep wat hij wilde zeggen.

Met Coomans zat ik dertig jaar geleden in de raad van bestuur van het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC). Ik ben daar al lang weg en hij zit daar nog. Als ik deze carrièrebobo moet omschrijven, dan komt de kwalificatie ‘dood gewicht’ het dichtst bij de werkelijkheid. Toen en nu op 74-jarige leeftijd uiteraard nog meer. Aardige man, daar niet van, maar heeft hij in al die jaren iets toegevoegd aan de sport? Hij is van ondervoorzitterschap naar voorzitterschap of andere postjes gehopt, overigens niet altijd met succes, zoals laatst in de internationale basketbalfederatie FIBA toen hij verloor van een Malinees godbetert. Maar iets toegevoegd? Neen, niet echt.

Coomans heeft destijds het BAS opgericht, maar of we blij moeten zijn met die juridische blindenvereniging is toch een heel andere kwestie. Zoals ze daar tegenwoordig vonnissen, niet schrikken dat ze Waasland-Beveren tot kampioen uitroepen.

Het BAS spreekt zich van de week ook uit in de kwestie van de stopzetting van de amateur- en provinciale reeksen. Vijftien clubs hebben al begin april te kennen gegeven dat ze het niet pikken dat de stand op moment van afbreken door de coronacrisis wordt behouden, met alle gevolgen van dien voor promotie en degradatie. Zoals bekend wordt in die reeksen vooral aan het eind nogal wat geritseld om niet te zakken. Met nog vijf speeldagen te gaan was het moment aangebroken om de diepe zakken van de plaatselijke neringdoeners aan te spreken om de bevriende naaste en verre buren te overhalen een geste te doen. Ineens kwam daar corona en was het gedaan met voetballen en toen besloot de bond dat de klasseringen op moment van afbreken zouden gelden voor promotie en degradatie. Als het BAS in het voordeel van die dissidente amateurclubs oordeelt, heeft dat gevolgen voor 1A.

De amateurclubs hebben nog meer noten op hun zang. Ze hebben een brief geschreven naar de UEFA en vragen een onderzoek te openen naar hoe de Koninklijke Belgische Voetbalbond de gelden besteedt die haar door de UEFA (en de FIFA) zijn toevertrouwd. Het gaat om 4,3 miljoen euro van de UEFA en 467.000 van de FIFA.

Daarvan zou 1,25 miljoen gebruikt zijn om de kleinere clubs in 1A te overtuigen om voor een competitieformule met zestien clubs te stemmen en die van achttien te laten varen. Het geld van de UEFA en de FIFA komt de KBVB toe en moet dienen om het voetbal structureel te verbeteren, zoals daar zijn: jeugdwerking, vrouwenvoetbal, scheidsrechterij, noem naar op. Dat ook een deel daarvan in stenen wordt gestopt – niks structurelers dan infrastructuur – en wordt aangewend om de bondszetel in Tubeke uit te bouwen, lijkt op goed huisvaderschap. Als blijkt dat een kwart van het bedrag als smeergeld werd aangewend om clubs over een streep te trekken is dat weer niks anders dan aan corruptie grenzende onkunde en/of arrogantie. In dat geval zou bondsvoorzitter Mehdi Bayat beter opstappen om alleen nog voorzitter van Charleroi te blijven.

Neen, dat geld moet niet naar de amateurclubs. Laatst een verhaal gelezen op de regionale pagina’s over een eersteprovincialer die 40.000 euro tekort komt en ontbijtpakketten voor vaderdag verkoopt. Er wordt gerekend op de ouders, de sponsors en de gemeente. Waarna de aap uit de mouw komt: “Ook de spelers zullen moeten inleveren.” Als ons profvoetbal in de problemen zit, dan is dat het gevolg van exorbitante salarissen en in de lagere en amateurreeksen omdat veredelde cafévoetballers betaald willen worden om hun hobby te beoefenen.

Column ‘Lance’ in De Morgen van zaterdag 23 mei 2020

Lance

Amper bekomen van The Last Dance – Michael Jordan, dominator meets terminator, de kampioen als allesbrander – zendt ESPN zondagavond (maandagochtend bij ons) het eerste deel uit van de docu over die andere allesbrander: Lance, familienaam overbodig. Volgens de maker, Marina Zenovich, zal hij de rauwe waarheid vertellen. Benieuwd. De eerste onthulling is er geen: dat hij in 1993 corticoïden (ACTH om juist te zijn) heeft gebruikt om wereldkampioen te worden in Oslo. Als het al heeft geholpen, is het nóg knap. Achter hem reden Indurain en co. verdorie al op epo.

Dat van die ACTH had hij zelf al verklaard in die fameuze ziekenhuisscène waar hij – kankerpatiënt met uitzaaiingen in longen, hersenen en buik – de dokters antwoordt op hun vraag welke prestatiebevorderende middelen hij had gebruikt. Een antwoord waarvan ene Betsy, de dan aanwezige verloofde van zijn ploegmaat Frankie Andreu, van haar stoel valt. Waarna die Betsy in 2003 (zeven jaar later, haar man is inmiddels gestopt) een kruistocht begint tegen Lance Armstrong die Frankie in de Tours van 1999 en 2000 zou hebben aangezet tot doperen.

Ik heb haar genegeerd, te gegeneerd nadat ze in haar tirade over God begon die de antichrist Armstrong (een zelfverklaarde atheïst) moest en zou straffen.

Ik wil het onverdedigbare niet verdedigen, maar de historie verdient juist te worden geschreven. Het helpt om de Armstrong-files, de verhoren van ploegmaats door het Amerikaanse Usada, van naald tot draad te hebben gelezen om de loze beweringen te herkennen.

Zoals: Armstrong heeft epo in het peloton gebracht. Epo is vanaf 1990 in de sport en in 1991 in het peloton. Armstrong komt pas in 1995 tot het inzicht dat de Europeanen op andere brandstof rijden dan zijn eigen ploegje. In een vergadering zegt hij: “Ik ben het zat om weggereden te worden door de Europeanen en hun epo. Het wordt tijd dat wij er ook mee beginnen, zónder is onbegonnen werk.”

Armstrong zelf won in de lente van 1996 meer dan waarschijnlijk mét epo de Waalse Pijl. Daarop krijgt hij teelbalkanker. In de film vraagt hij zich af of het een met het ander te maken heeft. Dat kan, maar ook niet.

Of nog: Armstrong heeft zijn Tour-ploegmaats aangezet tot doperen. Als 98 à 99 procent van het peloton piekt met epo, dan lijkt het eerder goed leiderschap – hoe vreemd dat ook klinkt – om erop te wijzen dat een Tour op kop rijden zonder epo onbegonnen werk is en zelfs ronduit gevaarlijk. Spuiten of opzouten, het was niet anders in die jaren.

Nog: Armstrong had een gesofisticeerd dopingsysteem. Onzin. Wie bij Fuentes ging (Ullrich, Basso, Valverde onder meer) kon zijn bloed laten cryopreserveren (een soort van diepvriezen) en maanden later gebruiken. Armstrong en co. deden het quasiartisanaal met beperkt houdbare bloedzakken.

Ten slotte: Armstrong zou geen brug zijn over geraakt zonder doping. Volgens de illustere Ironman-winnaar Mark Allen was de zestienjarige Armstrong het grootste triatlontalent dat hij ooit had gezien. Tot 1989 bleef dat zijn eerste sport. Armstrong heeft na zijn tweede wielercarrière bewezen dat hij een superatleet was door in 2012 twee respectabele halve triatlons uit het Ironman-circuit te winnen, naast een tweede, derde en zevende plek.

Laat dat even doordringen: een sport doen, daar het grootste Amerikaanse talent ooit in worden, vervolgens van sport wisselen, daar wereldkampioen in worden, en passant zeven Tours winnen, om dan terug te keren naar die eerste sport en de wereldtop de hielen te laten zien. Op zijn veertigste.

Het is dat we op last van de hogere sport- en dopinginstanties de grote dopingheks Lance moeten verbranden, maar op basis van mijn kennis van de dopingproblematiek weiger ik (tot nader order) deze zevenvoudige Tour-winnaar te reduceren tot een uit de hand gelopen medisch experiment.

Dat hij hoogst onaardig was voor wie hem in de weg reed of stond, dat is erg. Zo zou hij het fietsenmerk van Greg LeMond hebben proberen te kelderen. Dat heeft hij vast geprobeerd, maar het voorbestaan van dat soort gepersonaliseerde merken (zie Merckx, zie Colnago) is sowieso hoogst precair. Het is geen excuus. Dat gedrag ís vreselijk.

Toch wil ik hem geen monster noemen en niet alleen omdat ik in 2003 bij hem thuis te gast was en ik er heelhuids ben weggeraakt. Eerder omdat ik denk dat deze man genoeg is gestraft en genoeg heeft geleden. Ik denk dat Lance Armstrong ons in deze docu een dieper inzicht zal geven in hoe zijn leven een ruïne werd met alle muren op instorten. Ik weet wat hem in 2018 is overkomen. Dat wil geen mens meemaken. Van mij zult u het niet lezen, maar misschien is het goed dat hij dat zelf eens vertelt. Waarna we hem misschien met rust kunnen laten.

 

20200523_De-Morgen_p-19-mail

Interview Oliver Naesen in De Morgen van zaterdag 23 mei 2020

‘Rustig fietsen, dat kan ik dus niet’

Als Oliver Naesen (29) tijdelijk minder goed slaapt, dan komt dat door zijn hoogtekamer en niet omdat hij niet kan koersen, einde contract is, pas een huis heeft gebouwd en zijn koppositie in De Container Cup verloor. Voor Naesen is het glas altijd meer dan halfvol. ‘Wij Belgen hebben nu echt een voordeel op de Italianen en de Fransen.’

We zagen er al een glimp van tijdens de virtuele Ronde van Vlaanderen: de klassieke kopman van AG2R La Mondiale is in november verhuisd naar een heel mooi huis. Waar zijn collega’s het in een rommelig hoekje, op hun terras of in hun garage deden, reed hij zich het pleuris ergens in een reusachtige betonnen omgeving. De sociale media vonden het gaaf. Woonde die Oli in een bunker? Zat hij in een panic room? Of had hij dan zijn eigen martelkamer?

Oliver Naesen: “Het was hier beneden in de kelder dat Greg over mij kwam op de E-Paterberg en ik zijn slipstream niet kon nemen. Net genoeg om weg te zijn. En dan de sprint tegen Nicolas Roche. Ik heb nooit hogere hartslagen gehad als toen op die rollen.”

Hij lacht, maar denkt tegelijk: ‘Doeme, dat ik toen net niet mee was.’ Oliver Naesen ten voeten uit, de dankbaarheid in persoon, en een zegen voor een journalist die het er op heeft gewaagd om zonder veel voorbereiding bij hem binnen te vallen. Een man voor alle vragen, een renner voor alle seizoenen en alle uitdagingen.

Neem nu die Container Cup op VIER.

Oliver Naesen: “Ja zeg, wat was dat? Heavy hoor. Wel plezant.

Dat zal wel, omdat je lang eerste stond – na deze week is Greg Van Avermaet leider.

“Ik weet niet wie wint. Er zit minstens tien dagen tussen de wedstrijd en de uitzending, dus iedereen is al geweest. Wout van Aert en Mathieu van der Poel moeten nog op tv komen. (richt zich tot Yannick Prévost, zijn manager die is komen aanschuiven) Weet jij iets van Wout? Neen?”

Vergeet judoka Matthias Casse niet.

“Juist, dat is ook een beest. Die blijft vast een miljard keren aan die monkey bars hangen en bencht 120 kilogram. En Mathieu kan alles beter dan ik, het zou raar zijn als die mij niet zou kloppen. Die speelt hele dagen op zijn PlayStation, dus dat schieten zal hem ook wel afgaan. Ik ben pas raak beginnen schieten toen mijn hartslag was gezakt. Dat vond ik wel knap van mijzelf, dat ik in een halve minuut van 170 hartslag naar een goeie 80 was gezakt.

“Het is wel een beetje een gekke boel, die Container Cup. Ik ben koud beginnen lopen tegen 19 per uur, toch zowat de beste sollicitatie voor een knieblessure.”

Wat vond je van Thibau, de kleine Nys?

(draait met de ogen) “Hoe die tekeerging in die eerste proeven, ik kreeg het efkes warm: neen, ’t zal toch niet waar zijn dat ik hier door een junior wordt geklopt.”

Yannick Prévost: “Ik had Toon Aerts aan de lijn en die kon er niet mee lachen, dat Thibau voor hem was geëindigd. ‘Dat meen je niet.'” Voor voetballers moet je niet bang zijn, hebben we geleerd.

“Goh, ja zeg. Van Hans Van Aken had ik wel wat meer verwacht. Wat een gezichtsverlies. Ik had een heel ander beeld van hem. Dat is toch een van onze betere voetballers. Zo zie je maar.”

Een podiumplaats in De Container Cup, zou dat niet mooi zijn? Stel je voor dat er niet meer wordt gekoerst, dan heb je toch dat al.

(lacht zuur) “Dat pakken ze mij dan niet meer af. Neen, dat wil ik niet. Stel je voor… als we nu nog eens helemaal zouden moeten afbouwen om dan weer uit te kijken naar een start verder in de toekomst, ik weet niet of ik dat trek. Tot nog toe is het voor mij best leefbaar geweest. Oké, de dagen van de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix is het balen als je thuiszit en naar retro-edities moet kijken, maar voorts heb ik geen last gehad van de coronacrisis.”

Je bent zelfs eens in tijden van niet-essentiële verplaatsingen rond Oost-Vlaanderen gaan fietsen, tot grote ergernis van velen.

“Dat was op verzoek van Maxim Pirard, een maat die ultrafietser is. Het paste nooit om mee te gaan op zo’n erg lange tocht met hem, maar nu dus wel. We zijn drie keer bij een bakker gestopt en hebben drie keer een Berlijnse bol gegeten, meer niet. Dat is niet zo lastig als je zou denken, ik had het ook zonder eten gekund. 375 kilometer, dertien uur 30 per uur gemiddeld, babbelen, het was chillen.

“Onze tocht kwam op Strava, precies op het moment dat De Crem vond dat ritten van langer dan 50 kilometer niet gepermitteerd waren. Dat is nooit een verordening geworden, maar zo werd dat dan vertaald. Die reacties meteen: ‘Is dat vijftig kilometer?’ ‘Is dat in uw kot blijven?’

“De ploeg heeft toen wel gevraagd om die Strava-account offline te halen. In Frankrijk had Macron net een oorlogsspeech gehouden en de sponsors van de ploeg begrepen niet goed dat wij wel nog alles mochten. Terwijl het andersom was: in Frankrijk, Italië en Spanje hebben de profs voor niks thuisgezeten. Hun mentale gezondheid heeft zeker een knak gekregen.

“Als ik twee weken stillig in de herfst, denk ik na de eerste training: dit niveau haal ik nooit meer. Zij hebben twee maanden verloren. Niet buiten mogen komen, weet je wat dat doet met een sporter? Ik zag hen af en toe bij een Zoom-aperitief lachen met een glas in de handen, maar ik weet zeker dat er zijn die zaten te blèten en dat ze dit het hele seizoen meedragen.

“Die zien op Strava hoe zij nog maar 5.000 kilometer hebben. Dan kijken ze bij mij: Oliver zit al aan 13.000. De gedachte dat ze straks tegen renners moeten die zijn kunnen blijven trainen… Je hoort het nu al: le cyclisme à deux vitesses. Het klopt ook wel. Ik zeg nu niet dat de Belgen en de Nederlanders alle wedstrijden gaan winnen, maar we hebben wel een voordeel op de Italianen, Fransen en Spanjaarden.”

Komt er nog eens bij dat je met dit gebalde seizoen beter over een brede basis beschikt.

“Ook dat nog, zo’n seizoen hebben we nog nooit gehad. Ik zie het volledig zitten, al die wedstrijden kort op elkaar, al helemaal omdat ik meestal aan het einde nog wat in de tank heb. Mijn type renner zal er het meeste profijt van hebben.”

Dat je positief bent ingesteld, zal je in deze tijden ook helpen.

“Je zult van een ezel geen koerspaard maken, dus je moet fysiologisch wel over de juiste waarden beschikken, maar het verschil zit hem in de psychologie. Ik denk dat dit de basis is voor goede prestaties. Elke dag goedgemutst opstaan. Elke dag blij om te mogen gaan trainen. Na de training nog eens gaan fitnessen. Heb je goesting om meer te doen dan een ander, daar komt het op neer.

“Jawel, ik weet dat ik meer doe dan een ander. Ik heb altijd de meeste kilometers van de ploeg. Dat moet ook zo, ik ben de kopman die het langst moet meegaan. Het kan niet dat je helpers meer kilometers hebben dan jij.

“Ik denk ook dat je psychologie mee wordt bepaald door hoe je eet. Ja, serieus. Ik eet voor een training, ik eet na een training. Ik wil met volle suikervoorraden beginnen en ik wil leeg toekomen. Klimmers daarentegen gaan trainen op een licht ontbijt of soms nuchter, eten dan niks of een slaatje.

“Vorig jaar op de Sierra Nevada zijn we allemaal te diep gegaan en ik trainde dan nog anderhalf uur minder dan de klimmers. Ik kon blijven wachten op die gasten om te beginnen eten. Die aten gewoon niet! Alleen als ik wat moet afvallen, zal ik na een training een paar uur wachten om te eten, en dan nog.

“Nuchter trainen is niet goed voor de joie de vivre van een coureur. Ik zie het verschil bij ons: de tafel met klassieke renners en die met klimmers, dat is een wereld van verschil. Wij komen ook leeg toe, maar dan hebben we nog praats aan tafel omdat we weten dat we weer iets mogen eten en ons opladen. Die klimmers zitten daar maar, daar zit geen leven meer in. Van nuchter trainen word je depressief.”

Jij hebt hier meteen wel een hoogtekamer laten installeren.

“Ja, en dat klinkt fancy, maar eigenlijk gaat het zo: je belt naar de aannemer en vraagt ‘steek eens een wachtbuisje van de logeerkamer naar de kelder, alstublieft’. Beneden in de kelder staat die bak die de druk in de kamer verlaagt, goedkoper dan een hoogtetent, want die heb je niet nodig. De kamer moet je wel hermetisch kunnen afsluiten. Ik was daarnet nog bezig met tochtstrips te plakken aan de deurlijsten. De ramen waren al oké en het enige wat we nog moesten doen, was de stopcontacten luchtdicht maken.

“Ik slaap nu een goede week op 2.200 meter hoogte. Dan nog twee weken. Vervolgens anderhalve maand gewoon en dan weer twee weken op hoogte. Ik weet niet hoe het zal bevallen. Ik doe het anders dan vorig jaar, toen we op de Sierra Nevada zaten en ik mij de nek heb afgereden. Bovendien: bevalt het nu niet goed, dan heb ik nog tijd om mij te herzetten. Ik voel de hoogte wel al op training. We zijn deze week opnieuw samen gaan rijden met ons trainingsgroepje en het was van bij de eerste dag pittig.”

De Parelvissers wilden elkaar na de lockdown tonen hoe goed ze wel niet hadden getraind?

“Zoiets ja. Greg was toch wel de man. (lacht) Ken je dat? ‘Ik heb niet getraind, nooit langer dan drie uur, blablabla’, maar op al die bergskes wel volle bak. ’t Was wijs. Een goede trainingsgroep doet ook veel voor je niveau als renner.”

Als je maar zelf genoeg op kop rijdt.

“Geen probleem. Greg of ik rijden op kop, met iemand naast ons. Wat wij wel niet kunnen, is rustig rijden. (lacht) Het komt toch altijd neer op koersen, en de nek af thuis komen.”

Jij bent als Belg blijven trainen. Je Franse ploegmaats daarentegen.

“Klopt. Ik had veel contact met de ploeg en telkens realiseerde ik mij dat het leven in België schoon was. Voor een coureur dan toch. Ik kom soms mensen tegen die zeggen: ”t Is toch erg voor jullie.’ Sorry neen, voor ons is het wellicht het minst erg. Wij mochten blijven doen wat we graag doen, fietsen, en niet onbelangrijk: voor het eerst sinds lang moest niks.

“Dat trainingsschema van mij, dat was dagen aan een stuk hetzelfde: 2 à 4 heures, selon envie. Ik heb altijd goesting om met de fiets te rijden, dus dat valt mee. Ik heb altijd minstens twintig uur per week gereden, altijd zo’n zeshonderd kilometer.”

Je hebt nu ook tijd om je nieuwe huis te ontdekken.

“We zijn op de laatste dag van november verhuisd. Daarna moest ik op stage en dan ben ik zo goed als altijd weggeweest tot de bewuste Parijs-Nice, waar alles stilviel. Ik kwam thuis en het was van: ah ja, dat staat daar en in die kast ligt dat. Dorien is apotheker en die moest in die eerste weken wat meer werken, waardoor ik meer thuis was dan zij.

“Het zal wennen zijn voor haar als ze straks zal thuis komen van het werk en het eten niet klaar staat. Ja, ik kan best wel een aardig gerechtje op tafel toveren. Vanavond ga ik er een stukje zalm inknallen, met een beetje prei, een pureetje en misschien een aspergeke nog erbij. Past dat?”

Gestoofd misschien.

“Of in de oven. Ik waardeer dit leven wel en het kwam ook goed van pas. Er is hier nog ontzettend veel te doen en elke dag zitten hier wel werkmannen. Als je er zelf bent, gaat het toch wat vlotter, kun je ook antwoorden op vragen. Anders kwam dat allemaal op Dorien haar nek terecht.

“Hoe dat hier vooruitgaat. Gisteren vertrok ik en was die tuin nog gewoon. Ik kwam terug en er lag een diepe put. Vandaag vertrok ik met die diepe put en nu is de betonnen fundering van het zwembad gegoten. Of ik zelf iets doe? Trainen. Dat stuk weiland daar, dat heb ik afgedaan met de bosmaaier. Er moeten ook nog veel beslissingen worden genomen.”

Zit de bouwheer nog met existentiële vragen?

“Euh neen, behalve misschien: hoe gaan we dat ooit betalen?” Een beetje goedbetaalde prof betaalt dit cash.

“Ja, maar de cash kwam van BNP Paribas-Fortis en ik moet afbetalen. Ik heb ontzettend geluk met de ploeg waarbij ik rijd: ik heb van in het begin gevraagd hoe het zit met dat inleveren aan salaris. Niks inleveren, zeiden ze. Wij hebben een contract met de sponsors en dat wordt gehonoreerd.

“Voor de buitenlanders is niks veranderd. De Franse renners genieten van hun royale sociale zekerheid. Die gasten staan op tijdelijke werkloosheid en krijgen 6.000 euro per maand. Om het even te kaderen: ze hebben voordien ook navenant hun hoog salaris afgedragen en daar profiteren ze nu van. Verdienen ze normaal meer dan 6.000 euro, dan legt de ploeg dat bij. Niemand van ons is er een euro bij ingeschoten.

“Hoeveel moet jij inleveren en hoeveel jij, dat was het item onder de renners. Je bent elkaars psycholoog op dat moment. Greg Van Avermaet moet nu voor de tweede keer een ploeg proberen te redden, pal in zijn gouden jaren waarin hij van zijn olympische titel zou moeten kunnen profiteren. Greg klaagt ook niet, maar als ik 80 of 90 procent moet inleveren, zou ik niet weten hoe ik dit kan afbetalen. Misschien wel: plakkaatje in de voortuin: ‘Te koop’.”

Jij bent ook te koop.

“Ik ben einde contract. Daarom is Yannick hier ook, om nog eens de opties te bekijken. Het is geen ideale periode om met de ploegen te gaan praten. Er zijn er die niet weten of ze nog gaan bestaan, er zijn er die het wel weten maar niet weten hoever ze kunnen springen, en dan zijn er ploegen die het wel weten en die kunnen praten. Mijn ploeg wil mij alvast langer houden, dus dat zit al goed.

“CCC haakt af als sponsor. Mitchelton-Scott, die ook 70 procent hebben moeten inleveren, hebben het erg zwaar. Bahrein-Merida stelt betalingen uit. Astana ziet er ook niet goed uit. De geruchten zijn dat ze de eerste maanden van dit jaar niet zijn betaald. Petroineos, het bedrijf boven Ineos, heeft een lening gevraagd van 560 miljoen euro. Stel dat twee ploegen de boeken neerleggen… Hoeveel profs zijn er in de WorldTour? Vijfhonderd? Als er maar 450 plaatsen zijn, zet dat een druk op de salarissen. Elke crisis is een beetje een filter waar het hele peloton door wordt getrokken. De kans dat er een aantal blijven hangen in die filter, is reëel. Voor mij komt het wel goed, maar wat met de oudere renners die deze week in de krant stonden? Dat zijn ook toffe collega’s. Aan die denk ik dan.

“Ik ben 29, dat is toch het moment waarop het er moet uitkomen. Ik ging goed geweest zijn, dat is makkelijk gezegd, maar ik gíng goed geweest zijn. Ik was niet beter in Parijs-Nice dan vorig jaar, dat nu niet. Vorig jaar reed ik de stenen uit de grond en dit jaar was ik ziek. Iets slechts gegeten of te veel in de regen gereden: iedereen in de ploeg had er wat van. Die eerste dagen van Parijs-Nice reden we door Noord-Frankrijk en het regende. De koeienmest die je dan binnenpakt door in die spray te rijden, dat wil je niet weten: in elke regendruppel zit stront. Maar ook dat gaat voorbij: 48 uur later ben je er vanaf.”

 

 

20200523_De-Morgen_p-70_-Rustig-fietsen-dat-kan-ik-dus-niet–all-mail

Column Ersatz in De Morgen van maandag 18 mei 2020

Ersatz

Kom je thuis van een honderdje op de fiets en verheug je je op een lekkere douche en uitrusten op het terras in het zonnetje, om je dan te realiseren dat er weer wordt gevoetbald. Geen lounge, geen terras, geen zonnetje, rewind naar het miserabele leven van een sportjournalist: binnen voor de televisie zitten kijken naar Borussia Dortmund gegen Schalke 04. Dat werd het ook: 0-4, enfin 4-0 dan, tegen Schalke.

Een deprimerende vertoning, las ik in de eerste commentaren. Ik ben het daar mee eens maar dan toch in de eerste plaats omwille van die commentatoren in plaats van door de wedstrijd zelf. Analist Marc Degryse zat in de studio van Play Sports en zocht in de rust en na de wedstrijd naar een middel om zich van kant te maken. Gelukkig hadden ze alle touwen bij Telenet op tijd verborgen. Gelukkig was er ook de altijd goedgezinde Geert De Vlieger om hem op het juiste pad te houden. Hij en Karl Vannieuwkerke zagen natuurlijk ook het grotere plaatje: zeggen dat het nergens op lijkt, jaagt de kijkers weg.

Eerlijk is eerlijk, het was voetbal. Ersatz, maar toch voetbal. Dus het uitzenden waard. Borussia was een moderne voetbalmachine, zette Schalke overal onder druk, recupereerde snel en schakelde meteen om. Thorgan Hazard was soms meesterlijk, Erling Haaland ook en verder liepen er nog een paar hele goede voetballers rond, zoals Raphael Guerrero met zijn twee goals.

322 mensen waren toegelaten in een stadion voor 81.365 toeschouwers. Daaronder tien journalisten. De plastieken fans, een trucje dat ze hadden afgekeken van Borussia Mönchengladbach, stonden niet in de tribune. Is dat ‘nóg niet’ of blijft dat Signal Iduna Park bij elke thuiswedstrijd leeg? Je hoorde elke schreeuw, elke conversatie tussen spelers, elke aanwijzing van de trainer en de bank. Het galmde als in een reusachtig zwembad, schreef De Volkskrant. Verder hield die krant zich op de vlakte en beschreef de sport zoals ze zich voltrok: een knappe overwinning van de Borussen die Bayern München onder druk blijven zetten.

Het is nu aan de spelers om de intensiteit bij zichzelf op te wekken die nodig is om een prestatie te leveren die een rechtstreekse uitzending van het vertoon wettigt. Lastig? Dat is hetzelfde als aanvaarden dat een ronderenner minder hard trapt in een haarspeldbocht waar geen volk staat. Ongetwijfeld zullen de tribunespelers – op het veld en in de perstribune – diep in hun intrinsieke motivatie moeten tasten om geïnspireerd te blijven. Overigens is dat op het veld meetbaar. Ik ben nu al benieuwd naar het verschil in afgelegde kilometers en sprints aan hoge snelheid met en zonder publiek.

Het klopt dat publiek van bij het ontstaan een onlosmakelijk deel is van voetbal, en het spel wellicht daardoor het populairste ter wereld is geworden, maar nu moet het even anders. Deze coronatijden bieden ook kansen: bijvoorbeeld om de beschaving terug naar het stadion te halen. Het verdient de aanbeveling om op Netflix de miniserie The English Game te bingen. Die gaat over het prille begin van het voetbal. Meer in het bijzonder de pure amateurploegen ter vermaak van de elites (zoals de Old Etonians) die de hete adem

in de nek voelen van de fabrieksploegen met werkvolk dat betaald wordt om te voetballen, zoals Blackburn Olympic. De serie is – op enkele details en de romantiek na – historisch erg correct en opvallend is onder meer het ontstaan van het hooliganisme als twee fabrieksteams het tegen elkaar moeten opnemen.

Wel iets om je druk over te maken, zijn de bepaald onzinnige maatregelen die moeten verhinderen dat de Bundesliga na drie speeldagen een Covid-19-selectie in quarantaine moet sturen. Zowat alles wordt ontsmet, zowat iedereen is getest, op de bank zitten de reservespelers en de staf meters van elkaar. Ze hebben mondkapjes op, maar die doen ze naar beneden om aanwijzingen te schreeuwen. Spelers mogen vrij ademen tijdens het spel, maar na de wedstrijd mochten ze niet met elkaar douchen en moesten de mondkapjes weer op.

Juichen en feesten met elkaar mag ook niet. De spelers van Hertha Berlijn lieten het bij hun sensationele uitoverwinning op Hoffenheim niet aan hun hart komen en knuffelden een eind weg. Die van Borussia deden elleboogje-elleboogje of dansten een regendansje, komt ook van pas dezer dagen. Het toppunt van hypocrisie doet zich voor in het spel zelf met het voetbal zoals we het kennen. Ze hijgen in elkaars nek, hangen aan elkaars lijf, doen handjeklap uit gewoonte, fluimen vliegen in het rond en – voorspelling – ze blijven allemaal gezond.

 

20200518_De-Morgen_p-21-mail

Verhaal over Michael Jordan in De Morgen van zaterdag 16 mei 2020

De man die alles kon

Hij kon vliegen, en voor een mirakel draaide hij zijn hand niet om: hij redde een sport van de ondergang, verkocht schoenen aan de hele wereld, blies een stad nieuw leven in en deed Wall Street beven. The Last Dance, de Netflix- docuserie over Michael Jordan, is een megahit.

Michael Jordan is niet geboren, hij werd geschapen, uitverkoren om de grootste sportman aller tijden te worden. Morgen om 21 uur Eastern Time zien de Amerikanen in primeur hoe dat in zijn werk is gegaan. Dan zendt de Amerikaanse sportzender ESPN aflevering negen en tien van The Last Dance uit. Maandag om 9.01 uur zet Netflix ze online voor de rest van de wereld en valt het doek over de meest gehypete – eerlijk is eerlijk, ook de allerbeste – sportdocu aller tijden.

Het succes van ‘TLD’ in de VS is vergelijkbaar met dat van de iconische sitcom Friends en komt in meer gedaanten dan in kijkcijfers. Zo ging de vraag naar retromerchandising van de Chicago Bulls door het dak. Een shirt van het Dream Team van Jordan is laatst voor 200.000 euro verkocht en is daarmee het duurste stukje sporttextiel ooit. Zelfs sidekicks van sidekicks profiteren mee. Hoe anders te verklaren dat op Pornhub de vraag naar video’s van Carmen Electra steeg van bijna geen aanvragen tot 1,7 miljoen op één dag? Niet toevallig nadat ze in episode vier haar verhaal deed van hoe ze zich verborgen hield toen Michael Jordan in 1998 was binnengevallen bij haar lief Dennis Rodman om hem aan te manen terug te komen trainen.

Nog opvallender: de hele NBA van vandaag zit elke zondagavond braaf voor de tv – of in de thuisbioscoop – te wachten op een dosis jeugdsentiment die wekelijks bijna homeopathisch wordt aangeboden.

Het succes van The Last Dance is uiteraard terug te voeren op de figuur van Jordan, de sportman die won als hij wilde winnen, maar het is geen highlight reel zoals hier veel dvd’s met hoogtepunten in de kast stof liggen te vergaren. Dit is een document, gefilmd van binnenuit. De commentaar van Jordan op de tussentijdse vakantie die Rodman opeist in 1998 is hilarisch, net als bij diens terugkeer van Las Vegas de conversatie met coach Phil Jackson die vraagt of Rodman er is: “His body is here, Phil, now we need his mind to be back.” Dat alles wordt nog eens versterkt door de aandacht voor de jonge jaren van Jordan omdat die veel verklaren van wat later zou gebeuren.

Postmodern sporticoon

Er is sprake van een Michael Jordan-obsessie, maar mag het even? Hij overstijgt alle sporters, moeiteloos. Jordan begon als basketbalspeler, werd een marketingwonder en eindigde als eerste postmodern sporticoon dat zijn sport en zijn ras oversteeg.

Jerry Reinsdorf, de Chicago Bulls-eigenaar die hem in zijn laatste twee seizoenen in Chicago 33 en 36 miljoen dollar betaalde, twijfelde ook. “Is Michael Jordan zwart? Ik weet het niet: ik denk dat hij geen kleur heeft.” Geen kleur (niet kleurloos) was handig: het gold alvast in de eerste plaats voor Michael Jordan.

Donald Dell was de grote baas van ProServ toen zijn werknemer David Falk de jonge basketballer van de Bulls tot een contract verplichtte. Dell zag het in 1985 al: “Jordan heeft een charisma dat de sport overstijgt.” Het was het begin van de sportmarketingstory van de eeuw, een verhaal in drie episodes.

In een eerste fase stond Jordan er op het veld grotendeels alleen voor. Hij eindigde ooit een wedstrijd uit bij de grote Celtics met 63 punten, maar de Bulls verloren. “Ik heb God gezien,” zou de (blanke) Celtics-ster Larry Bird na die wedstrijd zeggen, “hij droeg nummer 23.”

In 1982 scoorde Michael Jordan als eerstejaars aan de University of North Carolina een shot dat in de Amerikaanse sportgeschiedenis wordt aangeduid als ‘The Shot’, een ultieme jumper die UNC de titel opleverde. Twee jaar later was hij co-captain van het olympisch team dat in Los Angeles goud won. Nog eens twee jaar later incasseerde hij 2,5 miljoen dollar voor vijf jaar van Nike, een contract dat door Wall Street werd weggelachen.

De vlucht van Jordan

Het toen nog kleine Nike creëerde de eerste Air Jordan-schoen en hoopte in drie jaar tijd op een omzet van 3 miljoen dollar. Een meevaller was het dat de NBA die schoen tijdelijk verbood wegens te veel kleur. Dat was niet de enige reden dat ze in het eerste jaar voor 130 miljoen dollar Air Jordans verkochten, wel het instant-aura van Jordan.

De eerste campagne werd ondersteund door een memorabele videoclip waarin Jordan een schijnbaar eeuwige vlucht onderneemt op weg naar een dunk. Het achtergrondgeluid is dat van een straaljager, de voice van Jordan: “Who said man was not meant to fly?”Jordan Flight portretteerde Jordan als geboren atleet. Sociologen steigerden. Dit was de bevestiging van een raciale vooringenomenheid (maar soms een wetenschappelijke realiteit) waarbij zwarten een beter fysiek potentieel wordt toegedicht.

Anderen wezen erop dat een wig werd gedreven tussen de beste basketbalspeler ter wereld en zijn ras. Jordan was als student op de University of North Carolina al lid van de zwarte studentenbroederschap Omega Psi Phi. Wie ooit beroepshalve dicht bij een halfnaakte Jordan stond, kon zien dat er op zijn borst een omega als symbool van dat broederschap is getatoeëerd.

In The Last Dance komt de rassenproblematiek ook ter sprake. Jordan zou zich nooit hebben uitgesproken over de vele incidenten aan het eind van jaren 80 en 90. Jordan zou ooit hebben verklaard: ‘Republikeinen kopen ook Nike-schoenen.’ In The Last Dance –

daarom is het ook zo’n goeie docu – geeft hij toe dat hij dat heeft gezegd, maar eerder als cynische opmerking op de bus tegen een aantal Dream Teamers.

Volgens de wetenschappers Cole en Andrews van Memphis University was de NBA gediend met dat rassenloze statuut voor haar ster: “Met zijn imago maakte Jordan de NBA aanvaardbaar voor de midden- en toplaag van blanken die zich in de voorgaande jaren hadden afgekeerd van profbasketbal als een broeihaard van drugs en corruptie.”

Niet langer zwijgzaam

In interviews ten tijde van de Rodney King- en O.J. Simpson-affaires (1991 en 1995) – toen zwart en niet-zwart in de VS lijnrecht tegenover elkaar stonden – heeft Michael Jordan ook nooit een standpunt ingenomen. Inmiddels had hij tien bedrijven die hem met miljoenen dollars steunden en in alle spots was hij de all American boy, de eerste met een zwarte huid.

In juli van 2016 kwam Jordan met een statement: “Ik kan niet langer zwijgzaam toezien.” Hij zou geld doneren aan twee organisaties die de bevordering van de interraciale verstandhouding als doel hebben, waaronder de NAACP, de National Association for the Advancement of Colored People, die als behoorlijk militant bekendstaat. Veel had natuurlijk te maken met de onvoorwaardelijke steun van Nike voor Colin Kaepernick, de zwarte quarterback die knielde tijdens het spelen van het Amerikaans volkslied en geen contract meer kreeg.

Het rebelse Nike en Jordan zijn al 35 jaar twee handen op één buik. Nike haalde Reebok halfweg de jaren 80 in als wereldwijd marktleider en verpletterde vervolgens alle concurrentie, mede dankzij de stuwende kracht van het icoon Jordan. Het zakenblad Forbes rekende voor dat Michael Jordan sinds 1984 voor meer dan 1 miljard euro (1,3 miljard dollar) aan royalty’s van Nike heeft getrokken, eerst voor de schoenen die zijn naam droegen, later voor zijn aparte Jordan-kleding- en schoenenlijn.

In het seizoen 1991-’92 en 1992-’93 moest de goddelijke Jordan even van zijn voetstuk, na beschuldigingen over machtsmisbruik binnen het team en herhaalde berichten over een al of niet vermeende gokverslaving. Het boegbeeld had een scheve schaats gereden en op slag verschenen in de pers weer grote berichten over de foute levenswijze van de (hoofdzakelijk zwarte) NBA-sterren: smijten met geld en promiscuïteit.

Jordan stopte een eerste keer aan het eind van het seizoen 1992-’93. Alle bedrijven die hem sponsorden, verloren terrein op Wall Street en president Clinton sprak: “We zullen hem missen, in elke dorpstuin of op elk pleintje waar kinderen één-tegen-één spelen en dromen dat ze Mike zijn.”

‘Zijn zoals Mike’ of ‘Be like Mike’ was een oneliner uitgevonden door de copywriters van de sportdrank Gatorade. Mike ging honkbal spelen, maar dat wilde niet echt lukken. No problem. Dat was de start van de laatste episode in het sportmarketingsprookje van de 20ste eeuw: na de bovennatuurlijke Michael Jordan en de betrouwbare rassenloze passe-partout was het tijd voor de twijfelende, kwetsbare Michael Jordan.

Gatorade beet de spits af. Jordan dronk een slok en zei: “Als basketballer wilde ik altijd de bal en bepaalde ik waar hij heen moest. En ik dronk altijd Gatorade. Als honkballer drink ik nog altijd Gatorade, ik wil nog steeds die bal en ik weet nog steeds waar hij heen moet. Vroeg of laat zal ik ook die bal daar krijgen waar ik wil… hoop ik.” En dronk weer een slok.

Verrijzenis

Tijdens zijn afwezigheid kwam de NBA zwaar onder vuur te liggen. De nieuwe generatie zwarte spelers had problemen met de discipline. De NBA (85 procent zwarten) was ineens weer een metafoor voor de Amerikaanse maatschappij (11 procent zwarten) die
in 1994 voor de conservatieve Republikeinen had gekozen: jonge, losgeslagen horden zwarten die alle waarden overboord gooien. ‘Waarom kan Shaquille O’Neal zich niet als Mike gedragen?’, vroeg ook Sports Illustrated zich af. Men ging driftig op zoek naar alternatieven voor Jordan. Niemand kon die schoenen vullen. Al helemaal niet toen hij in februari 1995 zijn baseballavontuur overboord gooide en terugkeerde naar de NBA. Slam, een officieel NBA-blad, schreef: ‘Michaels terugkeer naar de NBA heeft meer weg van de heropstanding van Jezus of Dr. King dan van een zwarte broeder die terugkeert om te ballen.’

Toen Hij in de lente van 1995 terugkeerde naar het basketbal, luidde een kop in een Nederlands sportblad: ‘De grootste comeback sinds Jezus Christus.’ Gelovige lezers kropen in hun pen en zegden hun abonnement op. Sports Illustrated kon het niet beter illustreren dan met de cartoon op de cover: SuperMichael als een soort Superman die terugkeert en de NBA en Chicago van de ondergang redt.

Als direct effect was er de gunstige reactie van de beurs op Wall Street. Zijn vierde titel pakte hij op vaderdag. Hij barstte in tranen uit (zijn vader was drie jaar eerder vermoord). Jordan bedankte zijn vrouw, zijn goede vriend Scottie Pippen, zijn waterdragers in het team en nam zijn kinderen op de arm. Vervolgens sloeg hij zijn armen om de slechte zwarte, de getatoeëerde Dennis Rodman. Wat de blanke couch potato het gevoel gaf dat er nog hoop was voor zijn fantastische land.

In juni 1997 volgde een vijfde titel. Na beide trofeeën werd scherp onderhandeld. Het kostte de Bulls respectievelijk 33 en 36 miljoen dollar om hem een jaartje aan het ballen te krijgen. Nike had er een bestuurdersfunctie binnen een apart te runnen businessunit voor over om hem eeuwig aan hun logo swoosh te binden. Jordan zou in zijn laatste twee Bulls-jaren ongeveer 75 miljoen dollar verdienen, waarvan meer dan de helft afkomstig was van commerciële deals.

Maandag krijgen we te zien hoe hij het in juni 1998 voor de zesde keer klaarspeelde. Weer zal hij een onmogelijke situatie in de laatste seconden van de wedstrijd omdraaien en soeverein beslissen over winst en verlies met één shot: The Shot, derde versie. De ultieme krijger Jordan deed wat elke sportliefhebber diep vanbinnen wil meemaken: weggaan, sterker dan ooit terugkeren en winnen.

Zijn passage als speler bij de Washington Bullets in zijn tweede comeback, niet zeker of die nog aan bod komt. Laten we die toegift vergeten. Hij moest zijn gedeeld eigenaarschap van dat team opgeven om nog eens twee seizoenen te tonen hoe het moest. In tegenstelling tot Mohammed Ali, die hij overtreft als sportman aller tijden en die aan zijn nacarrière een hersenletsel overhield, kwam Jordan gezond uit dat overbodige avontuur. Hij verloor wel meer wedstrijden dan hem lief was. Op avonden dat het hem afging, speelde hij tegenstanders die vaak zijn kinderen konden zijn, vrolijk op een hoopje.

Vandaag is Michael Jordan businessman met een geschat vermogen van meer dan 2 miljard dollar. In 2010 kocht hij de Charlotte Hornets voor 175 miljoen dollar van een andere zwarte eigenaar. Winnen zit er niet direct in. Winst maken daarentegen… In 2019 verdiende hij omgerekend meer dan 30.000 euro per uur.

Allesbehalve een heilige

Jordan is de vitruviaanse man van de homo ludens. De fascinatie voor Jordan is van alle milieus en alle sporten. In The Last Dance wordt hij als allesbehalve een heilige neergezet, zelfs als een vervelende teamgenoot die steeds maar weer alle ballen opeiste. Hij verlangde opperste concentratie van wie dacht met hem in het veld te kunnen/mogen staan. Wie zich daaraan ergert, begrijpt niks van de jungle die topsport is.

Dat donkere kantje van de topsporter fascineert, die wil om koste wat kost te winnen, het vermogen om als het er echt om gaat boven zichzelf uit te stijgen en de tegenstand te verlammen. The Last Dance brengt die momenten mooi in beeld. Zijn terugkeer in zijn eerste jaar na een stressfractuur, zijn vele memorabele buzzer beaters, zijn The Shot II tegen Craig Ehlo van de Cleveland Cavaliers in 1989, zijn homerische strijd tegen de bad boys van de Detroit Pistons en hoe die ruzie met Isaiah Thomas nog steeds leeft, zijn titels, het Dream Team en ten slotte The Shot III in Delta Center op 14 juni 1998, met ondergetekende in de tribune als een van de vier Belgen aanwezig.

Benieuwd of en hoe ze in aflevering tien die sequentie zullen uitrafelen. Die paar seconden waarin hij als verdediger zijn aanvaller (Jeff Hornacek) laat lopen, terugkeert op zijn stappen, langs de blind side van een hoogst verbaasde Karl Malone opduikt en hem de bal uit zijn handen slaat. Geniaal, de meester-aanvaller en de meester-verdediger in één persoon verenigd. In die ene fase keert hij een rampzalige situatie.

Maar dan, nog twintig seconden, wat nu? Zijn vorige actie was een tweepunter geweest, een eenvoudige lay-up voorbij Bryon Russell, maar de vijf shots daarvoor waren allemaal missers. De laatste minuten is geen Bull meer aan de bal geweest en ook nu houdt Jordan de bal bij, op zijn huid gezeten door meester-verdediger Bryon Russell die gezworen heeft dat hij zich niet meer zal laten verrassen door een drive naar doel. En dan. Jordan dreigt toch naar doel, houdt plots in, geeft Russell een zetje en krijgt een open shot: jump, release, follow through, nothing but net. 86-87 met vijf seconden te gaan. John Stockton probeert het nog en mist op een haar. Game over. Titel zes is binnen.

Eindeloos werden de beelden in het mediahotel teruggespoeld, waarop ondergetekende en Eric Goens een beladen begrip lieten vallen: ‘offensive’ zoals in aanvallende fout. Elke andere speler behalve Jordan had met dat zetje een aanvallende fout geriskeerd. Later dat jaar zou Sports Illustrated in een lang uitgesponnen artikel dezelfde theorie aanhangen, maar die avond in de Marriott werden we terechtgewezen. “Come on, this is a storybook ending. Don’t ruin it.” Zo was het ook: een sprookjesachtig einde van een fabelachtige carrière in een van de moeilijkste sporten die de mens speelt.

 

Jordan, M.-mail

Column Habemus Victorem in De Morgen van zaterdag 16 mei 2020

Habemus victorem

Wie durft nu nog te beweren dat ze in de Pro League een bende sukkels zijn? Na beraad – het bijvoeglijk naamwoord ampel is in dezen een grove onderschatting – zijn ze het eindelijk eens over de afsluiting van de competitie en wie welke prijzen pakt. Nog meer goed nieuws: slechts één club is boos en stapt naar de rechtbank, Waasland-Beveren. Een gigantisch succes waar de heren Croonen (Genk) en Louwagie (Gent) en alle anderen gerust een glas mogen op drinken.

Op 2 april besloot België als eerste de competitie op te doeken. Een week later zou die formaliteit worden gestemd. Vier keer is de stemming uitgesteld. Gisteren vonden ze dan toch 84 procent van de ploegen bereid om een voorstel te aanvaarden.

Eerst Waasland-Beveren. Dat degradeert en is woedend omdat ze in hun wedstrijd van de laatste kans hun kans niet hebben gekregen om de twee punten achterstand op KV Oostende in te halen. Waasland-Beveren moest op die dertigste speeldag thuis tegen de tweede, KAA Gent. Voorlaatste KV Oostende moest uit tegen de derde laatste, Cercle Brugge.

Waasland-Beveren dat degradeert heeft dat geheel aan de eigen prestaties te danken. Een verlate immanente gerechtigheid, bestaat zoiets? Je kunt degradatie ook zien als een straf na de misdragingen van het bestuur rond de wedstrijd Waasland-Beveren – KV Mechelen van twee seizoenen geleden. Ten slotte is Waasland-Beveren allang geen aanwinst meer voor het profvoetbal in België, de historie en de twee landstitels ten spijt.

Dat Club Brugge een verdiende kampioen is, daar valt geen speld tussen te krijgen. Op één speeldag van het einde van de reguliere competitie – een ijkpunt – stond het vijftien punten voor. Dat was geen social distancing, de rest stond gewoon niet op de foto. Heel wat anders dan in Nederland, waar de competitie werd geannuleerd omdat drie ploegen op een zakdoek van elkaar nog in de running waren voor de titel. Bovendien heeft Nederland niet onze competitieformule.

Dat Gent tweede eindigt, is een gevolg van het stopzetten van de competitie. Andere teams hadden ook nog tweede kunnen eindigen na de play-offs, maar Gent heeft nu eenmaal de verdienste dat het daar stond toen het land en de sport op slot gingen. Dus speelt Gent de derde voorronde van de Champions League en is het zeker van de groepsfase van de Europa League.

En nu begint het. Het tweede ticket voor de groepsfase komt normaal de bekerwinnaar toe. Als Antwerp wint van Club Brugge, als de wedstrijd doorgaat – dat is twee keer als – krijgt Antwerp dat ticket. Zo niet is het Charleroi: ook normaal.

De meest inventieve oplossing was deze om uit te maken wie van OH Leuven of Beerschot mag promoveren. Kunnen ze die terugwedstrijd nog spelen (Beerschot won met 1-0) dan is het de winnaar die promoveert. Kunnen ze die niet spelen, dan is het warempel geen van beiden, maar Westerlo dat promoveert. Met Bob Peeters, altijd een feest. Dat zou wel een tweede rechtszaak kunnen worden, maar zover zijn we nog niet.

Ook inventief is het competitieformat voor volgend jaar. Club Brugge gooide van de week de knuppel in het hoenderhok door voor achttien clubs en geen play-offs te pleiten, maar heeft bakzeil gehaald want anders werd de competitie geannuleerd. De Brugse hybris heeft tegen hen gewerkt en uiteindelijk kozen Verhaeghe-Mannaert eieren (lees: een titel) voor hun geld.

Zestien ploegen en play-offs met vier: als dat maar niet de regel wordt voor de komende jaren. En hoe zal rechtenhouder Eleven Sports daarop reageren? Die gaan van dertig play-off 1-wedstrijden naar twaalf. Play-off 2 is voor de nummers vijf tot acht en de winnaar daarvan mag misschien Europees spelen. Wat de nummers negen tot zestien zullen doen na de reguliere competitie stond nergens vermeld.

Het misbaksel 1B, waarvan werd gehoopt dat het niet meer in te richten was door een gebrek aan clubs, wordt nog even beademd. Ze hebben zowaar acht ploegen gevonden en die spelen vier keer tegen elkaar. Het beste van het nieuwe 1B-verhaal is hoe de kampioen zich kroont: de winnaar van de competitie is kampioen en de twee periodekampioenschappen en de titelmatchen vallen weg.

Het aller-allerbelangrijkste is de zin voor realiteit die blijkt uit het voorstel om sportieve dalers altijd te laten dalen, zelfs al zijn er economische dalers. In het persbericht stond dat dit principe wordt toegepast tot een minimumaantal van veertien clubs wordt bereikt in Jupiler Pro League en zes clubs in 1B. Benieuwd hoeveel jaar het zal duren voor we die bodem hebben bereikt.

 

 

20200516_De-Morgen_p-19-mail

Column BAS in De Morgen van maandag 11 mei 2020

BAS

Vorige week werd op deze plek geciteerd uit de smoking gun die de licentiecommissie van de voetbalbond had doen besluiten dat Moeskroen in handen was van Pini Zahavi en zijn compagnon Marc Rautenberg, en niet van een Thai met een moeilijke naam. Aan het eind van dat stukje stond een zinnetje: “Moeskroen zal pleiten dat de PV’s in het kader van Operatie Zero niet mogen worden gebruikt voor andere procedures. Wordt vervolgd.”

Zaterdag stond in deze krant een portret van Pini Zahavi. Ik was dat stuk begonnen met deze paragraaf: “…Geen zinnig mens in het profvoetbal die er nu nog aan twijfelt: na vijf keer de dans te zijn ontsprongen, is gisteren het doek gevallen over de profclub Moeskroen. Alleen lopen de zinnige mensen niet dik in het Belgisch profvoetbal en zijn de wegen van Moeskroen en vooral van wie achter de club schuil gaat, ondoorgrondelijk…”

Die paragraaf heeft de krant niet gehaald, met dank aan de ZENO-eindredactie. De licentiecommissie werd afgelopen vrijdag wandelen gestuurd door de drie (twee tegen één kan ook, dat weten we niet) arbiters van het BAS en Royal Excel Moeskroen heeft toch zijn licentie beet.

Net zoals in de zaak tegen KV Mechelen heeft het BAS met een compleet onbegrijpelijke uitspraak het voetbal te kakken gezet. Toen werd KV Mechelen nog ten minste schuldig bevonden aan omkoping maar konden ze (zogezegd) niet straffen. Dat getuigde toen van weinig lef, en de vrijspraak van Moeskroen is in hetzelfde bedje ziek.

Eerst de smoking gun. Dat waren de telefoontaps van Paul Allaerts, algemeen directeur van Moeskroen waaruit bleek dat Rautenberg een kapitaalsverhoging zou doen maar waarbij het moest lijken alsof dat geld van de papieren eigenaar uit Thailand kwam. Die taps zijn als onderdeel van een heel dossier over de omkoping van Waasland-Beveren door KV Mechelen op 14 maart 2019 aan de bond bezorgd door Eric Bisschop, adjunct van de federale procureur. Bij dat dossier zat een brief van Bisschop waarin hij stelt: “deze stukken kunnen enkel aangewend worden in het kader van disciplinair onderzoek inzake competitievervalsing”.

Heeft dat zinnetje de licentiecommissie parten gespeeld? Volgens onze informatie had licentiemanager Nils Van Brantegem de bewuste belastende PV van Allaerts niet via de bond, maar kwam die uit een dossier van een derde partij die een aanklacht had lopen tegen Moeskroen. In dat geval was er geen bezwaar, zeggen rechters met veel kilometers. Nog volgens die informatie zou Erik Bisschop later zelfs schriftelijk toestemming hebben gegeven om het bewuste PV wel te gebruiken.

Door enkele insiders wordt nu gedacht aan een samenzwering van duistere krachten. Dat kan, het blijft tenslotte voetbal. Zo doet de aanwezigheid van maître Louis Derwa als de arbiter van Moeskroen vragen rijzen, maar Moeskroen had het recht om deze kompaan en opvolger van de meermaals in opspraak gekomen en in ongenade gevallen Laurent Denis aan te stellen. Derwa is gepokt en gemazeld in moeilijke procedures. De andere twee arbiters waren alvast minder ervaren en één – de voorzitter – was zelfs een totale bleu.

Wat als er geen duistere krachten in het spel waren maar arbitrage eens te meer gewoon op haar grenzen is gebotst? Arbitrage is maar zo goed als haar arbiters en in bijzonder ingewikkelde dossiers zoals licenties zou het alvast helpen als men arbiters met een specifieke expertise zou selecteren en niet de eerste de beste advocaat die zich destijds heeft opgegeven om in zijn of haar vrije tijd arbiter te zijn.

Sportrecht en aanverwanten is een specialisme. Eerste aanleg voor de licentie is de licentiecommissie. Die wordt voorgezeten door een ervaren beroepsrechter en heeft als leden onder meer de licentiemanager, over wie iedereen het eens is dat die man zijn job kent, een notaris en een bedrijfsrevisor, beiden met jarenlange ervaring.

Voor het beroep tegen de licentiecommissie moet men vervolgens naar het Belgisch Arbitragehof voor de Sport waar drie arbiters worden aangeduid. Zonder uitzondering advocaten, soms meer toeristen dan specialisten, opgeleid om honderd-en-één argumenten aan te slepen om verwarring te zaaien. Als men al eens zou beginnen met ook in de arbitrage met beroepsrechters te werken. Recht spreken is het belang van het groter geheel voor ogen houden en de argumenten van de advocaten toetsen op hun verdiensten. Van een specialisme gesproken.

 

20200511_De-Morgen_p-21-mail