Column over..gewicht in De Morgen van zaterdag 18 jan 2020

Het juiste gewicht

Kim Clijsters hield een mediadag. Ik wist nergens van. Misschien maar beter ook. Ik was toch weer de ambetanterik geweest die had gevraagd of het geen gekkenwerk is om met zoveel overgewicht aan de intensieve fase in de trainingsopbouw te beginnen. Mijn collega’s hebben het geprobeerd. “Ze staat al wat scherper”, schreef er een. Ik ken hem van vroeger. Hij zal wel hebben gegrinnikt bij het tikken. Een andere vroeg haar op de vrouw af of er nog wat kilo’s af konden. Ze antwoordde dat dat nog moest komen nu ze intensiever ging beginnen werken.

Dat is bepaald vreemd en baart een beetje zorgen. Het behoort tot de geplogenheden van de trainingsleer om de intensieve fase in een trainingsopbouw aan te vatten net boven het competitiegewicht en die laatste paar kilo’s er gaandeweg af te trainen. Wat overigens lastig is want voor elke spiercel die een vetcel vervangt, win je per saldo aan gewicht omdat spieren zwaarder wegen dan vet. Daarom zeggen verstandige diëtisten ook dat elk pondje langs het mondje gaat en dat vooral de energie-input moet beperkt worden, naast de energie-output optrekken.

Clijsters’ output in de maand december, daar hebben we het raden naar. Haar input? Ze ziet er niet uit alsof ze zich de voorbije weken heeft uitgehongerd. Nu wil ik Carl Maes best geloven dat ze een mentale en algemene fysieke reset heeft ondergaan in die zeven/acht jaar relatieve rust en die twee nieuwe zwangerschappen (na haar eerste kindje keerde ze alvast met succes terug).

Ze kan daarnaast haar enorme intrinsiek tennistalent in de schaal werpen én er is het voorbeeld van Serena Williams die 38 is, met veel meer overgewicht kampt en nog af en toe wint. Toch blijft het tricky om de belasting te verhogen op pezen, gewrichten en spieren als je x (zelf invullen) aantal kilo’s te veel moet meezeulen. Met het trackrecord aan blessures van Clijsters (36) is dat vragen om problemen.

Voor wie overweegt om bodyshaming in te roepen: gewicht is een essentieel gegeven in topsport en sporters daarop aanspreken is goeie sportjournalistiek. Het is ook een issue bij een lichtgewicht-roeier die zichzelf moet uithongeren, of een taekwondoka/judoka die voor de weging nog in een sauna moet gaat zitten om zijn of haar klasse te halen, of een renner die bergop wil presteren maar duidelijk te veel kilo’s meesleept en ten slotte bij de vadsige voetballer die niet verdedigt en maar zes kilometer per wedstrijd loopt. Dus mag je daar ook een tennisspeelster in een veel te wijde joggingbroek en T-shirt op afrekenen.

Toegegeven, het gaat soms verder en dan heb ik de onweerstaanbare drang om ook mijn niet-sportende medemens te waarschuwen voor het onheil dat obesitas met zich meebrengt. Ik houd mij dan een beetje in omdat het mijn zaken niet zijn, behalve dan dat obesen (en rokers) asociaal de gezondheidskosten de hoogte injagen, maar passons. Ik wil mij echter niet inhouden om het fenomeen ‘te dik’ in de sport te benoemen.

Het juiste gewicht halen is een discriminerende factor voor topprestaties. Daarom heb ik het ook niet begrepen op het omgekeerde fenomeen: al die sporters die zich geroepen voelen om hun eigen gevecht tegen de kilo’s aan te klagen als een uitwas van topsport. Erover praten: ja. Benoemen: oké. Maar toch niet aanklagen?

Magerzucht ís een fenomeen in de sport. Topsport ís balanceren op het randje of er net over, ook inzake gewicht. Met alle gevaren daaraan verbonden: denk maar aan de vele breuken in het wielrennen of de kreupele ruggen van de turnsters uit de jaren tachtig en negentig. We weten inmiddels dat de strijd tegen het gewicht bij topsport hoort.

Daarom begreep ik het belang van de recente interviews met atlete Louise Carton over haar eetstoornis ook niet zo goed. Om de topsport te behoeden? Meisjes, jongens, TikTok’ers, wakker worden: topsport is georganiseerde uitwas en gereglementeerd onrecht in competitieverband, punt aan de lijn.

Omdat anorexia misschien een maatschappelijk probleem is? Zou kunnen, maar willen we eens tellen hoeveel mensen er per jaar doodgaan aan anorexia en hoeveel er het loodje leggen omdat ze te dik zijn/waren? Rare maatschappij die te magere mensen moet bewenen en te dikke mensen niet mag responsabiliseren. In de topsport mag dat laatste wel, móét dat. Te mager of te dik, wie de strijd tegen de kilo’s niet aankan zit óf in de verkeerde sport/gewichtsklasse, óf heeft niet het juiste karakter of lichaam. Die zal het erg lastig krijgen. Amerikanen hebben daarvoor een mooi devies: als je de hitte niet kunt verdragen, blijf je beter uit de keuken.”

 

20200118_De-Morgen_p-19-mail

Column Anderlecht in De Morgen van woensdag 15 jan 2020

Meer bestuurders, CEO’s en raadgevers dan spelers

Royal Sporting Club Anderlecht is al omschreven als duiventil, krabbenmand, afgeleefd instituut, uitgewoonde villa, zottenkot… Paardjesmolen kan daar nog bij, toch? Nu springen Karel Van Eetvelt, Wouter Vandenhaute en in mindere mate ook Patrick Lefevere en Philippe Close op de paars-witte carrousel.

Burgemeester Close in de raad van bestuur van Anderlecht, dat is een hele slimme zet. Anderlecht is Brussel en Brussel is Anderlecht. Die stadionplannen, let maar op. Maar Lefevere naast Close? Nu is hij ineens weer Anderlecht-supporter, terwijl hij in de Krant van West-Vlaanderen voor Nieuwjaar nog bezwoer dat hij dat juist niet was en hij toch vooral de laatste jaren op Club te zien was. Er is geen objectieve reden om aan te nemen dat een succesvol wielermanager aan het voetbal iets zou kunnen toevoegen.

Vandenhaute dan. Die wilde eerst eigenaar worden van Anderlecht (maar het werd Coucke). Hij wil al langer een rol van betekenis spelen in het voetbal: Beerschot stond ooit op zijn verlanglijst en bij Gent zag hij onlangs ook wel mogelijkheden. Nu zit hij alsnog bij zijn oude liefde. Niet als bestuurder, maar als extern adviseur van de CEO (zie verder).

Wat hem betreft, dient zich misschien wel een klein probleem aan en dat kan ook groot worden: het heet belangenvermenging. Vandenhaute is naast televisiebaas (biedend op rechten) ook nog eens mede-eigenaar van Let’s Play, een filiaal op de transfermarkt.

Marc Coucke zei vorig jaar in het parlement: “Er is maar één echt probleem: dat van de makelaars, een subsector zonder enige regulering met enorme uitwassen.” En haalt prompt een makelaar binnen om zijn CEO te adviseren. Identiek wat Mogi Bayat deed voor Herman Van Holsbeeck. Voor hij echt boos wordt: Vandenhaute is nog nooit op belangenvermenging betrapt en verdient het voordeel van de twijfel.

Van Anderlecht was bekend dat het te veel spelers had, maar inmiddels heeft het meer bestuurders, managers, CEO’s, sportieve en andere directeuren en raadgevers dan spelers. Verwacht de komende weken en maanden nog maar een aantal verschuivingen, demoties en afdankingen.

Wat Van Eetvelt dan weer bezielde om zijn derde job in drie jaar aan te nemen, tussendoor de CD&V te polsen of ze hem als voorzitter zagen zitten (neen), vervolgens een politieke beweging op te richten (ook niet of toch wel, het is niet zeker) en nu op Anderlecht
te springen, ook dat is een raadsel. Kan het iets anders zijn dan een late midlifecrisis? Of is het gewoon back to the roots? Net als Vandenhaute is Van Eetvelt een licentiaat lichamelijk opvoeding en sportfreak.

O ja, zondag komt Club Brugge op bezoek. Gaat het mis – en waarom zou het goed gaan? -, Wouter of geen Wouter, Karel of geen Karel, Vincent of geen Vincent, Marc of geen Marc, dan steken die fans toch gewoon weer het kot in brand.

 

20200115_De-Morgen_p-4-mail

Column WAANZIN over de Brugse stadionplannen in De Morgen van maandag 13 jan 2020

Waanzin

Even voor de lol: open Google Maps, tik Jan Breydelstadion in en zet dan de kaartoptie op satelliet. U ziet daar het huidige stadion, ingesloten door een woonwijk, maar op een redelijke afstand van de huizen. De naaste buren zijn de doden van de begraafplaats van Sint-Andries en het provinciaal zwemcomplex Lago. Onderin links van het huidige stadion zou het nieuwe moeten komen, waarbij de rechterbovenhoek van het nieuwe stadion zal palen aan die linksonder van het bestaande stadion.

Eerste reactie: is daar wel plek voor een stadion dat een kwart tot misschien de helft groter zal zijn in oppervlakte dan wat er nu staat?

Tweede reactie: wat met de bewoners van de Lange Molenstraat en de Doornstraat die niet langer een stadion op honderd meter van hun huizen hebben, dertien jaar lang lekker zijn gemaakt met het vooruitzicht dat het onding zou verdwijnen, maar nu alsnog een mastodont zullen zien verrijzen, in hun achtertuintje nog wel, daar waar voordien hooguit een verdwaalde voetbal belandde afkomstig van de aanpalende oefenveldjes.

Wat het stadsbestuur en Club Brugge vrijdagochtend heeft bezield om al die bewoners (inclusief de Club-fans), de voetbalburen van Cercle, maar erger, ook de provincie en de Vlaamse overheid in snelheid te pakken en in de gordijnen te jagen, dat weet niemand. Er doen wat theorieën de ronde en die komen allemaal op hetzelfde neer: dit is zo’n waanzinnig, onrealistisch plan dat er meer moet achter steken, bijvoorbeeld een tactische zet om de impasse rond de gronden aan de Blankenbergse Steenweg te deblokkeren.

Wat is nu die waanzin? Ten eerste dat de stad Brugge, omdat Cercle en Club niet door één deur kunnen, twee eersteklassestadions wil (laten) bouwen en gedurende een jaar of twee zelfs drie voetbalstadions op zijn grondgebied zal hebben.

Drie? Jawel drie. Jan Breydel wordt niet afgebroken vóór het nieuwe er staat. En als het nieuwe er staat, wordt Jan Breydel nog niet afgebroken zolang er geen ander stadion is voor Cercle Brugge, waarvoor langs de Blankenbergse Steenweg zou worden gebouwd. Maar dat is juist die plek waar voorlopig alles blokkeert en niet mag worden gebouwd, een dossier dat momenteel bij de Raad van State ligt. (Die impasse wordt mee in stand gehouden door Paul Gheysens van Ghelamco en Antwerp FC, die daar in een opportunistische bui ooit gronden heeft gekocht en die niet wil vrijgeven, wat niet erg netjes is, maar het is nu eenmaal zo.)

Ten tweede: het huidige stadion van 29.000 plaatsen leidt bij elke thuiswedstrijd van Club Brugge tot het grootste lokaal verkeersinfarct in België. Het nieuwe stadion van 40.000 – en reken maar dat het vaak vol zal zitten – zal een derde meer auto’s aanzuigen want zoals bekend komen de blauw-zwarte fans van overal in Vlaanderen noodgedwongen met de auto omdat het stadion nu eenmaal ver van een station ligt en Club noch de stad heeft ingezet op een mobiliteitsplan. Of toch, één keer wel en het heeft gewerkt: dat was voor twee wedstrijden van Euro 2000, toen voor 25.000 toeschouwers, niet voor 40.000.

Het beste aan de Brugse plannen is niet dat Club een nieuw stadion zou krijgen want dat kan de Belgische voetbalmarkt ontwrichten, maar wel dat het oude gedrocht zou verdwijnen uit het woongebied waar het nooit had mogen worden gebouwd. Uitgerekend het enige positieve gaat nu op de schop.

Nu even praktisch. Als we de omgevingsvergunning (dat is de bouw – en milieuvergunning samengevoegd) tegen de zomer kunnen indienen en tegen het eind van het jaar rond krijgen, dan kunnen we in 2022-2023 in het nieuwe stadion spelen. Dat zei Bart Verhaeghe. Je hebt vooruitgangsoptimisten en je hebt dagdromers. Bart Verhaeghe behoort tot die laatste soort.

Het enige voordeel van het Brugs dossier is dat er geen bestemmingswijziging voor de gronden moet komen, maar daar houdt het op. Verder zijn er alleen maar nadelen en hinderpalen: bijvoorbeeld dat het zo’n groot project wordt dat er een mobiliteitseffectenrapport of MOBER aan te pas zal komen, waardoor het dossier onttrokken wordt aan de stad en bij de provincie terechtkomt. De doorloop van zo’n dossier duurt maanden, soms zelfs jaren in complexe gevallen zoals deze.

Er zal dus een openbaar onderzoek moeten gebeuren en daar wringt opnieuw een schoentje, meer dan één. Alle belanghebbenden kunnen zich dan mengen in de procedure en de zaak tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen (een afsplitsing van de Raad van State) brengen, iets wat nog eens jaren kan aanslepen. 2022-2023? Ze bedoelden 2032-2033 allicht.

 

20200113_De-Morgen_p-19-mail

Column WK-zonder-Mathieu in De Morgen van 15 jan 2020

WK-zonder-Mathieu

Wordt u ook badend in het zweet wakker, piekerend over wie zich zondag op het strand van Sint-Anneke tot kampioen kroont? Voelt u de spanning ook al? Neen? Jammer hé, hier ook niet. Maar het bevreemdt wel, dat opgeklopte gedoe, nu al dagenlang, over wie het WK-veldrijden-zonder-Mathieu zal winnen.

Ergens stond dat jongens als Eli Iserbyt, Laurens Sweeck of Tim Merlier ineens startpremies tot 10.000 euro per wedstrijd zouden kunnen vragen. Als ze tenminste dat WK-zonder-Mathieu zouden winnen en een jaar in een tricolore kampioenentrui zouden mogen rijden. Zou, zou, zou… Voor Mathieu van der Poel zelf verandert er niks. Hij vangt tot wel 12.000 euro voor een cross vertelde mij een oud-crosser die ik in Brussel vorige week tegen het lijf liep. Een andere bezwoer mij dan weer dat hij niet onder de 15.000 ging en van een tv-mens heb ik zelfs al 20.000 euro gehoord.

Er zijn niet te veel sporters en alvast geen wielrenners die zoveel worden betaald voor een openbare intensieve training als Mathieu van der Poel. Die plant in het weekend een uur submaximaal gelardeerd met blokjes en halfweg rijdt hij in een van die blokjes alles wat nog in zijn wiel hangt in de vernieling. Gaat het daarna te snel en is het niet leuk meer voor het publiek, dan speelt hij dat hij een fout maakt en valt gecontroleerd, zodat de anderen weer op zijn wiel kunnen komen. In een volgend blokje is het dan definitief prijs. Iedereen content, en kassa.

Mathieu doet zeker niet mee want hij mag dan al klinken als een Noorderkempense Belg, hij heeft een Nederlandse identiteitskaart. Daarom de vraag: is 10.000 euro startpremie voor the best of the rest niet wat overdreven? Wout van Aert, ook met Nederlandse roots en rijdend voor een Nederlandse ploeg maar wel een echte Belg, doet ook al niet mee voor de prijzen en die is wel van het kaliber Mathieu.

Wel even met twee woorden spreken: Wout van Aert speelt normaal niet mee voor de prijzen, maar die jongen is zo’n klasbak en die nationale trui is zo gegeerd en de rest zal zo naar elkaar kijken, met name die drie van die ene ploeg (zie verder), dat Van Aert de dark horse is van het WK-zonder-Mathieu aan ’t strand van Sint-Anneke.

Nu gebeurden er in de loop van de voorbije weken wel een aantal wereldschokkende dingen in het crosswereldje en die zullen – volgens de gespecialiseerde pers – hun invloed hebben. Neem nu de benen van Tim Merlier. Die heeft een lief: Cameron Vandenbroucke, dochter van de betreurde Frank. Met plotse liefde kan het twee kanten uit: of de benen zijn van fluweel en het wordt niks, of ze zijn van staal en Merlier vliegt zoals ooit in de Vuelta zijn schoonvader die hij nooit heeft gekend. (Al was daar in zijn geval misschien nog wat anders in het spel.)

Iemand met veel kilometers in het veldrijden beweerde begin december al dat Merlier het WK-zonder-Mathieu ging winnen. Dat zou een unicum zijn: nog nooit mocht een renner in hetzelfde seizoen de tricolore trui op de weg en in het veld dragen.

Er was nog gedoe. Tussen Michael Vanthourenhout, Laurens Sweeck en Eli Iserbyt met name. De ene verweet de andere dat hij op zijn wiel reed en niet had meegeholpen om een gat te dichten, erger nog, zelfs een gat had dichtgereden met een concurrent in het wiel. Naar het schijnt pakt de mayonaise weer – hebt u ‘em? – bij Pauwels Sauzen-Bingoal (de naam alleen al) en is een en ander uitgepraat. Welnu, reken maar van niet. Donderdag stond in de krant hoe dat moet gaan: we mogen alleen achter elkaar rijden als er geen concurrent meekomt. Maar elkaar helpen, dat doen we niet, tenzij we ons niet te best meer voelen. Met dien verstande dat in dat laatste geval ook helpen niet meer kan, maar dat zeggen ze er niet bij.

Om de druk wat af te houden is er een bliksemafleider gezocht. Toon Aerts die moeilijk vooruit geraakt met zijn ribben, dat verhaal geloven de mayonaisemannen niet. Iserbyt had eens een maat en die had eens één gebroken rib en die kon eens een week zijn bed niet uit. Dat Aerts met drie gebroken ribben kan fietsen, daar loopt slimme Eli niet in.

Ten slotte hoorde ik in Brussel van een oud terugkerend fenomeen. Men stelde mij de vraag wat ik ervan vond dat een aantal toppers de Spaanse zon ineens verkoos boven rijden in de DVV-trofee. En of dat niet te maken had met even uit competitie verdwijnen, kwestie van met corticoïden te kunnen klooien. Als er morgen een wint die nog geen platte prijs heeft gereden, dan wordt het interessant.

 

20200111_De-Morgen_p-19-mail

Verhaal over Saoedi-Arabië en sportswashing in De Morgen van11 januari 2020

Sportswashing in de woestijn

Zijn ze gek van sport, willen ze hun imago opsmukken of is het geopolitiek? In Saudi-Arabië is het een beetje van alles. Ze hebben geld met hopen, waardoor ze zich zelfs de Spaanse supercup kunnen veroorloven.

De grote Fernando Alonso lag van de week in de Arabische woestijn onder zijn Toyota Hilux, om zijn kapotte ophanging te repareren. Ergens tussen Al Wajh en het futuristische Neom was een foute rots voor zijn wielen opgedoken. Alonso is niet langer topfavoriet in de Dakar. Ooit reed die rally van Parijs naar Dakar in Senegal, vanaf 1994 werd het een bijna louter Afrikaanse affaire. Tussen 2009 en 2019 week de organisatie uit naar het veiligere Zuid-Amerika. Een beetje cynisch dat een event dat (beweert dat het) Afrika mijdt omwille van aanslagen nu bij een van de (vermeende) sponsoren van islamistisch geweld te gast is. De Dakar duurt nog tot 17 januari.

Die was net vertrokken uit Jeddah toen de eerste vliegtuigen met daarin delegaties van vier Spaanse topvoetbalclubs landden. Zij zijn woensdag begonnen aan een vierhoekstoernooi, de Spaanse Supercopa. Normaal is dat de kampioen tegen de bekerwinnaar. Om voor iedereen de trip naar het Midden-Oosten wat te stofferen – niet het minst voor de gastheer – werden ook uitgenodigd: Valencia (verkiezend finalist van de Copa del Rey), Atlético de Madrid (tweede in La Liga) en uiteraard Real Madrid, hoewel vorig seizoen geen platte prijs gehaald. De finale wordt zondag gespeeld tussen Real en Atlético, een Madrileense stadsderby in de woestijn.

De Saudi’s hebben daar flink voor betaald: minimaal 8,9 miljoen euro voor de deelnemers en 12 miljoen voor wie de finale haalt. De Spaanse voetbalbond krijgt een kleine 8 miljoen toegestopt en noch de clubs noch de Spaanse bond hebben zich verder vragen gesteld, ook niet toen hun fans afhaakten voor de trip.

De vragen rond mensenrechten werden afgewimpeld. Jamal Khashoggi, iemand? De onderdrukking van de vrouw? De vele gevangenisstraffen zonder proces? De publieke onthoofdingen (146 in 2019 aldus Amnesty International)? Of misschien de nu al vijf jaar durende bombardementen in Jemen? Nooit van gehoord in Voetballand en bij uitbreiding op Planeet Sport. Als kroonprins Mohammad bin Salman – beter bekend als MBS – namens zijn General Sports Authority roept (en betaalt), geeft de sport present.

Jamal Ahmad Khashoggi was de Saudi-Arabische journalist die in oktober 2018 op gruwelijke wijze werd vermoord in de Saudische ambassade in Istanbul. Een documentaire van het Amerikaanse PBS toonde haarfijn aan dat alle betrokkenen bij de moord uit de inner circle van Mohammad bin Salman kwamen.

MBS is de kroonprins, de zoon van de koning en de de facto leider van de oliestaat. Hij regeert als een verlicht despoot en staat mondjesmaat versoepelingen van de strenge wahabitische of salafistische leefregels toe. Zo mogen vrouwen inmiddels van hem met een auto rijden. Sinds 2012 kunnen Saudische vrouwen ook deelnemen aan de Olympische Spelen, zij het onderworpen aan de strenge kledingvoorschriften.

Na de dood van Khashoggi was opgeroepen om Saudi-Arabië links te laten liggen en in de sport te boycotten. Kort daarna, terwijl alle gruwelijke details aan de oppervlakte kwamen, ging een internationaal golftoernooi vrolijk door. Volgend jaar wil de European Tour Riyad aandoen voor een toernooi. Topper Phil Mickelson argumenteerde zijn deelname met “ik ga daar spelen omdat ik dat land dan ook eens heb gezien”. Tegen een Britse journalist die hem daarop aansprak, antwoordde hij: “You do you, I’m gonna do me.”

Andere golfers waren duidelijker: “Wij spelen golf, wij zijn geen politici.” Bedekte vrouwen

Tiger Woods en Rory McIlroy lieten de 2,2 miljoen euro startpremie wel schieten. De Noord-Ier McIlroy zei onomwonden: “Dit is een moraliteitskwestie. We komen in wel meer landen waar wat mis mee is, maar dáár speel ik niet.”

Opvallend, in maart landt de European Ladies Tour in Jeddah. Vrouwen die zich in het openbaar vertonen, zijn in Saudi-Arabië verplicht zich helemaal te bedekken. De klassieke golftenues voor vrouwen bij dertig graden en meer zijn topjes en shorts. Dat wordt schipperen maar toch vooral veel zweten.

Wat vrouwensport in Saudi-Arabië betreft, is er één precedent. De eerste – naar Arabische begrippen – grote competitie die haar tenten opsloeg in Saudi-Arabië was in 2018 de WWE, een van de professionele worstelbonden uit de VS. In oktober van vorig jaar was het al meteen de beurt aan de worstelende vrouwen. De zaal zat afgeladen vol (met mannen) en die zagen geen blote schouders of billen maar op een hoofddoek na volledig bedekte Amerikaanse worstelaars die afwisselend deden of ze elkaar sloopten.

Saudi-Arabië is een voetballand, geen sportland. Ondanks 34 miljoen inwoners en een flink uit de kluiten gewassen bnp heeft het amper drie medailles (nooit goud) behaald op alle Olympische Spelen sinds 1896. Alleen voetbal telt en het nationale team haalt af en toe de World Cup, waar ze al eens wonnen van België (in 1994 in de VS). In Rusland vorig jaar wonnen ze in de groepsfase nog van Egypte, die andere grote macht in het Midden-Oosten. Hun WK was geslaagd.

In tegenstelling tot andere staten in de Golf was het tot voor kort ook niet geïnteresseerd in andere sporten. Sinds de promotie van MBS tot kroonprins is daar verandering in gekomen en steeds volgens dezelfde logica: “Wij willen sport naar ons land halen en dat mag kosten wat het wil.” Sportevenementen zijn duur, maar geld is voor het huis van Saud (geschat vermogen: 1.500 miljard euro) geen probleem.

In de Clash of the Dunes begin december gaf wereldkampioen zwaargewichten Andy Ruiz de Brit Anthony Joshua partij. De Brit heroverde zijn eerder verloren kampioensgordel in de nieuw gebouwde entertainmentwijk Diriyah Oasis, net buiten Riyad. Hij nam 55 miljoen euro mee naar huis.

De plotse sportgekte is puur opportunisme, sportswashing in het jargon: sport als middel om het slechte imago, meestal in verband met mensenrechten, te verdoezelen. De sport reageerde al evenzeer opportunistisch. Vorig jaar besliste de formule 1 ineens dat het gedaan moest zijn met de pitspoezen. “Waarom zo drastisch?”, vroeg het circuit zich af. Kort daarna lekte uit dat Riyad wellicht een F1-wedstrijd krijgt. Halfnaakte vrouwen op het tarmac en op de televisie, dat zou in Saudi-Arabië, waar F1 niet te zien was, niet kunnen.

Inmiddels zijn door Saudische rijkaards ook de eerste schuchtere pogingen ondernomen om Europese (voetbal)teams te kopen, maar daarmee zijn ze hopeloos te laat. De bekendste is Abdullah bin Mosaad bin Abdulaziz al Saud, niet alleen de eigenaar van Sheffield United dat dit jaar in de Premier League uitkomt, maar ook voor de helft eigenaar van Beerschot. Abdullah bin Mosaad, in Antwerpse voetbalmilieus als ‘De Prins’ aangeduid, is een zakenman met banden met het koningshuis.

Mohammad bin Salman leent voorlopig alleen zijn naam aan de tweede klasse in zijn land en is nergens eigenaar van, maar is wel van plan dat te worden. Hij heeft in oktober een bod uitgebracht van 2,7 miljard euro bij de Glazer-familie om Manchester United te kopen. Daarmee wil hij de concurrentie aangaan met sjeik Mansour, die met zijn investeringsmaatschappij Abu Dhabi United Group driekwart van Manchester City bezit.

Het Public Investment Fund of Saudi Arabia, het grootste private investeringsfonds van de wereld en volledig in handen van het Huis van Saud, heeft via de subdivisie Sports Development Fund al zijn interesse laten blijken in de uitgebreide Club World Cup die de FIFA vierjaarlijks wil inrichten. De wereldvoetbalbond FIFA mikt daarvoor op een toernooi dat tussen de 25 en 50 miljard moet genereren en waartegen de teams geen neen kunnen zeggen.

Die investeringen passen in Vision 2030, die de transitie van de Arabische belangen van olie naar andere, moderne industrieën moet begeleiden. Ook de Amerikaanse profsport mag zich op interesse van de Arabieren verheugen, zo bleek uit openbaar gemaakte documenten over de buitenlandse lobbying op Amerikaans grondgebied.

Daarnaast is sport een pion in de geopolitiek en de verhoudingen in de Golf veranderen snel. Waar vroeger Qatar en Saudi-Arabië met de neuzen tegen elkaar stonden, is in die gespannen relatie onlangs een versoepeling opgetreden. Abdu Dhabi en bij uitbreiding de andere emiraten zijn de laatste maanden steeds vaker de gebeten hond voor de Saudi’s en omgekeerd.

Inmiddels weet de Planeet Sport dat Saudi-Arabië als grootmacht van het Midden-Oosten het spel hard kan spelen. Je hebt de Saudi’s alvast beter te vriend. Neem nu beoutQ, de Saudi-Arabische betaalzender die het vertikt om sportrechten te kopen maar alles illegaal capteert van het in Qatar gevestigde beIN en Eleven en daar een eigen commentaar aan toevoegt. Die piraterij begon in 2017 toen Saudi-Arabië een economische boycot tegen Qatar uitsprak. Tot dan keken de Saudi’s ook naar beIN, dat op slag uit de ether werd gehaald.

Sindsdien is alles in het werk gesteld door alle grote competities van de wereld – onder meer La Liga, dat er momenteel zijn supercup organiseert – om in Saudi-Arabië ook maar één advocaat te vinden om beoutQ aan te klagen voor piraterij. Tevergeefs. Advocaten genoeg, maar niemand wil er zich aan wagen want iedereen weet dat beoutQ gebruikmaakt van door de staat gecontroleerde infrastructuur en sterke banden heeft met het koningshuis.

 

20200111_De-Morgen_p-18-19-2-mail

Interview Mathieu van der Poel in De Morgen van zaterdag 28 december 2019

‘Ik vind het wel cool wat ik doe’

In 2019 presteerde hij soms hemels, maar in 2020 gaat Mathieu van der Poel (24) buitenaards. Grenzen verleggen, geschiedenis schrijven, daar is het ’s werelds meest complete wielrenner om te doen. Op zíjn manier: ‘Ik probeer zo weinig mogelijk te doen in het huishouden.’

“Is hij dan toch niet onklopbaar?” Je hoorde de twijfel in de stem van commentator Michel Wuyts in Ronse twee weken geleden. In een veldrit die door de vele regen was herschapen in drie kilometer modder- en strontlopen, had Mathieu van der Poel eerst Toon Aerts moeten laten gaan en even later reed ook de kleine Eli Yserbit hem fluks voorbij. Na 35 overwinningen op rij zou de beste crosser aller tijden nog eens verliezen.

“Mmm… Een nachtje slapen en het kan morgen al weer heel anders zijn.” Co-commentator Paul Herygers had zo zijn twijfels of het wel echt verval was. Een dag later in Overijse reed Van der Poel al vóór half koers alleen vooraan, forceerde niet maar consolideerde en won op automatische piloot. De twee weken ervoor had hij aan de Costa een flinke fond gelegd en dat was broodnodig met het oog op wat zou komen.

Bij de testen in het Spaanse hinterland van Benicassim, met uw krant als aandachtig toeschouwer, had zijn manager-coach-toeverlaat Christoph Roodhooft een bekentenis gedaan. “Hij heeft tot nog toe wel alle crossen gewonnen, maar ik heb hem vaak gezegd: ‘Mathieu, je wint wel, maar het was niet goed’. Na het WK op de weg heb ik hem laten doen. Wilde hij trainen, dan trainde hij, wilde hij iets anders doen, dan deed hij iets anders. Daar kwamen nog eens die twee weken bij dat zijn grootvader (Raymond Poulidor, HV) op sterven lag en uiteindelijk overleed en waarin hij begrijpelijkerwijs geen zin had in de fiets. Vóór de stage heb ik hem gezegd dat de speeltijd voorbij is.”

Mathieu van der Poel: “Na het WK op de weg had ik wat tijd nodig om te recupereren. Ik heb toen alleen met de fiets gereden als ik het echt wilde. Later ben ik wat meer gaan trainen en dan begin november in competitie gekomen. Ik won meteen alles, maar eigenlijk was het vaker niet goed dan wel. Die strijd van mijn grootvader en dan dat overlijden heeft er aardig ingehakt. Ik heb twee weken niet getraind en alleen wedstrijden gereden op adrenaline. Die won ik ook, maar ik wist: dit kan ik geen winter volhouden. Daarom ben ik ook twee weken op stage gegaan.”

Dat WK op de weg in Harrogate…

“Ja, dat WK…Dat is de reden dat ik 2019 een goed jaar vind, maar het had nog beter kunnen zijn.” Dat WK heeft Mad Pedersen niet gewonnen, maar hebt u verloren.

“Daar ben ik het niet mee eens. Jij vindt dat ik fouten heb gemaakt met eten. Jazeker, ik ben met mijn zakken vol eten aangekomen en mijn bidons waren ook nog vol en onderweg heb ik Philip (Roodhooft, broer van Christoph, red.) en Christoph zien staan met die Snickers, en ook die heb ik niet aangenomen… Weet je, ik kreeg niks meer naar binnen. Ik had geen honger, of misschien wel, maar het eten ging er niet door. Ik had geen vertering meer en bovenaan kon er niks meer bij. Het was ineens op. Daarvoor had ik nog een stevige kopbeurt van twee minuten gedaan, het bewijs dat ik het niet zag aankomen. Ik wilde toch mijn eerste WK uitrijden en in die laatste kilometers heb ik nog tien minuten verloren, compleet in overlevingsmodus. Zelden ben ik zo lang, zo slecht geweest na een wedstrijd.

“Ik weet heus wel hoe ik vooraf moet eten en tijdens de race heb ik mijn 90 gram koolhydraten per uur ingenomen. De omstandigheden waren te extreem en ik kan al niet goed tegen regen en koude. Ik ben geen uitzondering. Halfweg reed ik naast Julian Alaphilippe: sjonge, daar zat echt geen leven meer in, hij keek dwars door mij heen. Dat lange wedstrijden mij niet zouden liggen, is ook onzin. In de Ronde van Vlaanderen reed ik wel mee tot het laatst.”

Daar had u ook kunnen winnen.

“Als ik niet was gevallen, was ik er misschien bij geweest toen Alberto Bettiol aanviel. Als, als, als: daar koop je niets voor. Ik voelde mij wel prima die dag en dat ik na die val iedereen inhaalde en in geen tijd weer vooraan zat, was ook een goed teken. Het was op adrenaline, maar je moet wel nog steeds de vermogens trappen.”

Nooit gedacht dat ik u dit jaar nog op de weg zou zien na die namiddag in maart in Nokere.

“O ja, dat was een flinke crash, mijn zwaarste ooit op de weg. Gelukkig was het op kasseien, daar hou je meer kneuzingen, maar minder schaafwonder aan over. Vier dagen later won ik in Dénain en een week later Dwars door Vlaanderen. Toen deed het al geen pijn meer, maar die eerste twee uur in Dénain was het afzien.

“In Gent-Wevelgem raakte ik ingesloten, maar daar had ik zelfs in een open sprint niet kunnen winnen. Mijn beste sprint was niet die van de Brabantse Pijl, maar die van Dwars door Vlaanderen. Toen die Anthony Turgis aanging en ik reageerde, heb ik mijn beste vijf seconden ooit getrapt.”

Uw beste vijf kilometer waren de laatste vijf van de Amstel Gold Race.

(bekijkt de uitdraai van zijn vermogensmeter) “Ja, dat was een mooie. Kijk: 197 maximale hartslag. Best mogelijk dat ik dit heel af en toe op de mountainbike haal, maar daar rij ik nooit met een metertje dus ik weet het niet. Op de weg is dit uniek en ook in de cross kom ik nooit in de buurt. Dat wil wel zeggen dat ik dan nog echt goed zat.

“Op de laatste beelden leek het natuurlijk dat ik helemaal alleen dat laatste stuk heb dicht gereden, maar dat klopt niet. En het waren ook niet de motoren. Het stuk na de Bemelerberg was niet in beeld en juist dan hebben we in ons groepje prima rond gedraaid. Vraag het maar aan alle vijf. (stiller) Helaas kun je het aan Bjorg niet meer vragen, die zat daar ook. (Bjorg Lambrecht overleed in de Ronde van Polen na een val, HV).

“Toen ik dat laatste stuk als een gek op kop ging rijden was dat nog voor een podium. Ineens zag ik die twee rijden en het was nog bijna een kilometer naar de aankomst. Dat heb ik dan wel: als ik de meet zie, kan ik door een muur.

“Die foto, hoe ik daar na de aankomst op het asfalt blijf liggen, dat was he-le-maal geen schwalbe. Dat was een mix van uitputting en vreugde. En opluchting, want tactisch was het geen meesterstuk hoe ik daar heb gereden. Ik heb nadien ook gelezen hoe Armstrong dat de meest onwaarschijnlijke finish ooit vond. (aarzelt) Het is een moeilijke om daar op te reageren, zonder in de problemen te komen.”

Ik vergeleek u al met Eddy Merckx en die had ook dat gevoel voor drama.

(ernstig) “Ja Merckx, er valt niet aan te ontsnappen zeker? Ik zal nooit zijn palmares rijden en hij zal nooit in mijn disciplines winnen, dus waar gaat de vergelijking op? Dat we drie verschillende dingen combineren, oké. Merckx was een supergoeie tijdrijder en reed ook zesdaagsen. Tijdrijden, daar hou ik nog wel van. In zesdaagsen zal je mij nooit zien.

“Ik wil net als Eddy Merckx geschiedenis schrijven, maar dan op mijn manier. Niemand heeft ooit geprobeerd om in drie totaal verschillende disciplines de grootste wedstrijden te winnen. Wellicht zal dat ook niet snel meer gebeuren. Dus in die zin vind ik het wel cool wat ik presteer.”

Waarom bent u nu zo goed?

“Genetica? Ik denk het wel. Mijn pa had ook een goede uithouding en mijn moeder is een Poulidor. En natuurlijk het milieu van de fiets waarin ik opgroeide. Ik rij graag met alle soorten fietsen, dat heeft geholpen.”

Uit de tests vorig jaar bleek vreemd genoeg dat uw uithouding misschien al goed zat voor de lange wedstrijden, maar dat u nog aan explosiviteit kon winnen.

“Dat was inderdaad een vreemde vaststelling, maar ze is wel correct gebleken. Ik had de indruk dat ik vooral een explosieve renner was, maar daar zat nog de meeste rek op. Die uithouding was er altijd al en eigenlijk wist ik dat wel. Na drie keer lang trainen merkte ik al een verschil en bij andere renners duurde dat veel langer.

“De komst van Kristof De Kegel als performancemanager heeft ons geholpen om vervolgens ook die overstap te maken naar het mountainbikeseizoen. Ik heb die eerste wedstrijden vooral voorbereid op de wegfiets, maar wel met specifieke mountainbiketrainingen met korte, intensieve blokken.”

Ook bij het zondagskind Van der Poel komt het dus niet vanzelf.

“Ik zal zelfs vaker een uurtje te veel dan te weinig doen. Ik weet goed uit gesprekken met anderen dat ik een van de hardste werkers uit het peloton ben. Dat we geen plan zouden hebben, is ook onzin. Je kan niet in drie disciplines willen scoren zonder plan.

“Ik train en rij zo vaak mogelijk met vermogensmeter en volgens schema. Tenzij ik mij er niet goed bij voel en dan overleg ik met de trainer. Het lichaam heeft het laatste woord. Als het niet te best gaat met mij, moet ik juist rustig trainen, terwijl ik vroeger dacht: nu moet het extra hard. Neen dus.”

De meeste progressie maakte u op de mountainbike, maar u bent daardoor ook een betere crosser geworden.

“Een technisch crossparcours is niks vergeleken bij een technisch mountainbikeparcours. Die zijn de laatste jaren zo extreem geworden, niet normaal. Dan heb je net een minutenlange steile klim achter de kiezen, ontplof je bijna, en moet je meteen een supertechnische afdaling in. Cross heeft dat niet. Daar kan je een rondje makkelijk op een egale hartslag rijden. In het mountainbike rij ik veel vaker tegen de limiet aan en die heb ik dit jaar kunnen verleggen.

“Weet je, ik begrijp niet dat ik zo’n overwicht heb op de rest van het veld. Het is voor een deel mentaal. Oké, Wout van Aert is er voorlopig niet bij, maar dan nog: ik was in het begin echt niet goed en toch won ik nog makkelijk. Ik snap niet dat ze niet meer hun best doen om dichter te komen. Zo heb ik ook lang tegen Nino Schurter (Zwitsers topmountainbiker, 8-voudig wereldkampioen en regerend olympisch kampioen, red.) aangekeken, maar ik wilde wel wedstrijd na wedstrijd het gevoel hebben dat ik dichter kwam en dit jaar in Novo Mesto voelde ik dat ik niet meer zou kraken als hij zou versnellen. Het was omgekeerd: toen ik versnelde, moest hij lossen. Daar had ik dan echt voor getraind. Overigens vind ik Schurter nog steeds de maat der dingen in het mountainbike, dus dat wordt nog een harde strijd volgende zomer in Tokio.”

In 2020 wordt u Captain Kirk: stoutweg gaan waar niemand ooit is geweest. Wereldkampioen cross worden, een monument winnen en olympisch goud op de mountainbike, dat is veel.

“Het is niet weinig, maar ik denk dat het kan, anders begon ik er niet aan. We trainen nu al in functie van volgend jaar. Deze stage was ik vorig jaar al super, nu nog niet. Dat moet in januari anders. Na het WK veldrijden begin ik dan op de weg te rijden.

“Van de monumenten rij ik normaal Vlaanderen en Roubaix. Amstel Gold Race? Weet ik nog niet. Oké, ik ben dan wel Nederlander en ik heb daar gewonnen, maar als het te veel is, zou ik die best wel eens kunnen laten schieten.

“Gent-Wevelgem rij ik liever niet. Dat is toch meer een wedstrijd voor sprinters dan voor punchers als ik. De Waalse Pijl lijkt meer mijn ding, met die laatste helling die het verschil maakt, maar ook die is niet zeker. Denk je dat de Muur van Hoei te steil is voor mij? Ik ben niet bang van steil. Ik denk wel dat ik die klim goed zou verteren. Ik hou van bergop rijden. Dat is ook een van mijn eerste herinneringen: negen was ik toen ik met het koersfietsje l’Alpe d’Huez op reed.”

Behalve dat u dingen combineert die nog niemand heeft gecombineerd, hebt u ook lak aan alle geplogenheden.

“Hoezo dan? Dat ik het WK mountainbike niet heb gereden terwijl ik de meest World Cups heb gewonnen, had te maken met de jetlag. Dat WK was in Canada en ik kon mij dat niet permitteren. Ik kies mijn wedstrijden uit in functie van wat mijn lichaam aankan. Ik bouw ook rust in en als net dan een mooie wedstrijd wordt verreden, dan is dat maar zo. Ik ga volgend jaar ook maar vijftien crossen rijden, de vijftien die ik het mooiste vind, niet omdat ze deel uitmaken van een klassering.”

(Tussen het interview en verschijnen werd Mathieu van der Poel Sportman van het Jaar in Nederland. Hij ging niet naar de uitreiking, 140 kilometer verder. ‘Mathieu blijft liever thuis in een drukke periode’, legde de ploegleiding uit. Daar keken ze in Nederland van op, HV))

U hebt wel inmiddels een heel sterk team rond jou voor dat wegprogramma.

“Dat was ook nodig. We hadden al een goede ploeg, maar met wat we nu allemaal op ons bord krijgen, moest er nog kwaliteit bij.”

Welke wegwedstrijd wilt u het liefste winnen?

(denkt lang na)”Doe mij dan toch maar Parijs-Roubaix. Voor één keer hoop ik dat het dan regent, dat is in mijn voordeel op die gladde kasseien. En het is te hopen dat we niet lek rijden, maar op die kasseistroken heb je altijd een dosis geluk nodig.”

In hoeverre bent u betrokken bij de uitbouw van deze ploeg?

“Mijn raad wordt gevraagd en dan zeg ik wat ik te zeggen heb. Ik heb niet het gevoel dat ik zomaar een werknemer ben, maar echt mee kan bepalen waar het met deze ploeg naartoe moet. Ik voel mij ook verantwoordelijk voor de ploeg. Natuurlijk zou ik ook voor Ineos of zo kunnen rijden, maar daar zou ik mij moeten inpassen in een bestaande structuur. Als ik start en denk dat ik kan winnen, ben ik in deze ploeg de enige kopman.”

Is dat enig kopmanschap de reden dat u bij die ploeg zit?

“Ja, maar vooral de reden waarom ik destijds niet ben blijven voetballen. Ik heb getest bij Willem II en bij Antwerp, maar het ergerde me afhankelijk te zijn van anderen om te winnen. Ik wil het zelf doen en als ik de beste ben, wil ik kunnen winnen. Daarom hou ik het meeste van mountainbike of cross, dat zijn de eerlijkste wielerdisciplines, eerlijker dan de weg waar de beste even vaak niet wint.

“Het is ook minder saai dan wegwielrennen, want die eerste uren overbruggen blijft toch een bekommernis. Ik heb inmiddels wel wat renners in het peloton met wie ik een praatje kan slaan om de tijd te doden. De meeste komen uit mijn ploeg, maar met Stijn Vandenbergh van AG2R heb ik het dan weer over auto’s. Tot hij wordt geroepen om op kop te rijden.”

Tussen u en het management, Philip en Christoph Roodhooft, is een chemie ontstaan waar niemand tussenkomt.

“Ik denk dat wij een heel aparte band hebben. Dat is begonnen met hoe ze mijn broer materiaal gaven en daarna ook zijn kleine broer, aan mij dus. Later kwam ik in hun jeugdteam en zijn we samen gegroeid. Ik ken de Roodhoofts al meer dan tien jaar en we hebben weinig woorden nodig om elkaar te begrijpen. Ik begrijp wel dat ze af en toe liever zouden hebben dat ik sommige dingen anders doe, en dat zeggen ze dan ook, maar ze laten mij zijn wie ik ben. Ik denk dat zij beseffen dat ze met mij iets speciaals in handen hebben en omgekeerd besef ik dat ik door hen ben kunnen worden wie ik ben.”

Toen u in april ging samenwonen met uw vriendin dacht ik: oei, als dat maar goed afloopt.

“We wonen nog steeds samen, is dat je vraag? Het was wel een verandering, maar ik kan niet zeggen dat ik anders train of leef. Ik ga nog steeds even graag op stage, al zit mijn vriendin dan thuis. Ik hou ervan om 24 uur, zeven op zeven met mijn vak bezig te zijn en aan niks anders te moeten denken. Thuis is er meer afleiding. Gaan shoppen naar Antwerpen? Neen, dat is niks voor mij. Uiteten wel, dat doen we ook vaak.

“Ik weet niet of ik zo’n goeie partner ben om mee samen te leven. Ik probeer zo weinig mogelijk te doen in het huishouden (lacht), maar ik moet nu wel mijn eigen kleren wassen en pa is er ook niet meer om mijn fiets te poetsen. Neen, niet met de hogedrukreiniger. Ik doe het zoals het hoort. In tien minuten is dat gefikst. Als er iets aan mijn fiets moet worden bijgesteld, rij ik wel eens naar Morkhoven bij Christoph of tot bij mijn ouders.”

Missen die u niet?

“Ik denk het wel. Ik was toch een beetje de sfeermaker in huis. Mijn moeder heeft het kwaad gehad toen opa stierf, maar ze moet ook gewoon verder en het is niet dat we het niet hebben zien aankomen. Eigenlijk wisten we al weken dat het slecht zou aflopen.”

Bouwt u nog illegale parcoursen in bossen die niet van u zijn?

(lacht) “Neen. Alleen als de eigenaar van de grond toestemming geeft. BMX’en doe ik niet meer en mijn zware crossmotoren heb ik ook verkocht. Pitbikes (kleine motoren met kleine wielen, HV), daar rij ik nog wel eens op. We hebben onlangs nog met wat vrienden

een parcours aangelegd, en daar kwam wat kraanwerk bij kijken. Wanneer ik daar de tijd voor heb? Als ik niet moet fietsen. Rusten? Ja, ik weet het, ik kan niet stilzitten.”

Hoewel, u staat erom bekend soms uren afgezonderd met die koptelefoon op uw hoofd in een hoek te zitten. Van der Poel, de gamer.

“Voor gamen kan ik wel op een stoel blijven zitten, dat klopt. Is dat niet hetzelfde als rusten? Ik dacht het wel. Thuis speel ik gemiddeld meer dan twee uur per dag, maar ik heb ook al eens dagen gehad waarop ik niet moest trainen dat ik wel tien uur aan één stuk speelde.”

Gamen is het nieuwe drinken of roken. Verslavend en ongezond.

“Ja, nou heb ik wel voldoende beweging als ik niet game. Dat ongezonde gaat voor mij niet op, maar ik begrijp wat je bedoelt. Het ís verslavend en toch ben ik niet verslaafd. Hier op stage heb ik niks meegenomen omdat de wifi hier niet goed genoeg is. Dan speel ik veertien dagen niet. Ik heb ook niet de indruk dat ik minder sociaal ben. Voor een spelletje poker ben ik ook van de partij.”

Is het leven voor u niet één groot spel?

“Meer één grote uitdaging, zolang het maar leuk blijft. Neem nu zo’n mountainbikestage in de bergen. Inspanningen zijn mij niks te veel. Alleen denk ik tijdens die lange klimtrainingen hoe ik daarna ook nog eens het zwarte downhillparcours naar beneden kan razen, zo hard mogelijk. Op mijn gewone mountainbike. Gevaarlijk? Neen hoor. Ik heb best wel controle en het maakt van mij ook een betere mountainbiker.”

Fietsen is gamen op twee wielen.

(lacht) “Nu je dat zo zegt, misschien wel. Ik moet plezier halen uit wat ik doe, anders hou ik het niet vol.”

 

20191228_De-Morgen_p-50_-Ik-begrijp-niet-waarom-ik-zo-dominant-ben-in-de-cross–all-mail

Interview Delfine Persoon in De Morgen van zaterdag 21 december 2019

‘Af en toe een blauw oog of een gebroken neus, dat stelt niks voor’

Waar je niet dood van gaat, maakt je sterker. Delfine Persoon (34) verloor dit jaar – volgens velen onterecht – de ‘kamp van haar leven’, zat even heel diep, vocht terug en is eind 2019 toch weer de beste vrouwelijke bokser van de wereld. In 2020 doet ze een gooi naar olympische roem.

Filiep Tampere, coach, begeleider, toeverlaat en partner van Delfine Persoon, gromt als hij zijn vriendin achterlaat met ‘die journalist die had geschreven dat twee vrouwen die elkaar tot bloedens toe slaan geen reclame is voor de sport’.

Delfine Persoon: “Ik dacht: waar komt die nu mee af? We hebben het wel over profboksen hè, en daar kan wat bloed bij vloeien. Maar de keren dat ik dit jaar heb gebloed of mijn neus heb gebroken, kwam door een kopstoot, niet door een slag.”

Vorige week lieten Persoon en Tampere weten dat zij gaat proberen zich te plaatsen voor de Olympische Spelen in Tokio, volgende zomer. Persoon geeft daarvoor haar statuut van profbokser op en zal deelnemen aan een kwalificatietoernooi in maart in Londen. Het vertrouwen in een goede afloop is groot. “W’en z’ol bekeke. We weten hoe het moet. Dat ze ons maar laten doen tot in Tokio”, zegt Tampere. En weg is hij.

Als je niet tegen haar moet vechten, is Delfine geen kwaaie. Het argument dat ik haar kom interviewen als bewonderenswaardige atlete neemt ze dankbaar in ontvangst. Ze excuseert zich zelfs voor de ontvangst – “we zullen straks een koffie gaan drinken” -, zet twee stoelen bij elkaar in haar bokszaaltje naast Café De Boksneuze op het Stationsplein in Lichtervelde en wacht op de ijsbreker.

Gefeliciteerd! Pound for pound (een ‘algemeen klassement’ van alle gewichtsklassen dooreen, red.) bent u de beste vrouwelijke bokser ter wereld. Opnieuw.

“Ja, normaal wordt die ranking nu ongeveer bekendgemaakt, en aangezien ik dit jaar drie kampen van de hoogste categorie vocht, sta ik weer op één, zo heeft Filiep uitgerekend. Die vergist zich daar niet in.”

De blazers van de verwarming verspreiden een weeë geur van oud zweet die je ook in slecht verluchte bergruimtes van sporthallen vindt. Het past bij het kader. Boksen is een sport van bloed, zweet en in het geval van Delfine zeker ook tranen. Of ze nog eens haar verhaal van 2019 wil doen? Vooruit dan maar, ook al zullen er dan ongewild weer demonen worden opgeroepen.

Op 1 juni verloor Delfine Persoon ‘de kamp van haar leven’. In de legendarische Madison Square Garden-zaal in New York bokste ze tegen de Ierse Katie Taylor om de WBC-wereldtitel. Hoewel vele waarnemers meenden dat Persoon de beste was en tot winnaar had moeten worden uitgeroepen, gaf de jury de zege met miniem verschil aan Taylor. Het leidde tot tandengeknars, woede en tranen, veel tranen.

Dat u in die algemene rangschikking de beste vrouwelijke bokser bent, is dat nu een schrale troost of helpt het om uw verlies in juni tegen Katie Taylor te plaatsen?

“Het goeie weegt niet op tegen het slechte. Als ik aan die kamp terugdenk, ben ik ontroostbaar. Zelfs landgenoten en vrienden van Taylor vonden het een onterechte uitslag. Laila Ali, de dochter van, zei op Instagram: ‘Mijn vader draait zich om in zijn graf.’ En toch: frustratie overheerst.

“Filiep heeft er langer over gedaan dan ik om het te verwerken. Onze relatie heeft daar niet onder geleden, al waren er wel de klassieke discussies. Hij die zegt dat ik dat stapje achteruit had moeten zetten en ik die hem dan weer verwijt dat hij luider had moeten roepen. Het heeft geholpen dat we snel allebei weer zijn gaan werken. Ik weet dat hij een beetje met een schuldgevoel zit ten opzichte van mij. Wij zijn ook niet de types die dat eventjes uitpraten bij een etentje. Binnenvetters, West-Vlamingen, wat wil je…”

Een collega-kenner voorspelde: ‘Persoon zal Taylor uit de ring moeten slaan, of ze verliest.’

“Dat klopt en dat wisten we. Onze tactiek was goed. Ik de conditie en de slagkracht, zij de techniek. Het kwam er op aan haar geen speelruimte te geven en de pas af te snijden na haar combinaties om haar zo te vermoeien, Dat deed ik goed.

“De fout die ik heb gemaakt is te blijven hangen toen ze mij telkens weer bij de armen greep – ‘grab her arms’, riep die coach van haar altijd. Ik had toen sneller een stap terug moeten doen en weer aanvallen, zo zou het tempo van de hele kamp hoger hebben gelegen en dat was zeker in mijn voordeel uitgedraaid.

“Dat ik ben bedrogen, dat weet inmiddels iedereen en nog heeft het niks gescheeld of ik had haar voor het einde op de knieën gekregen.

“Die laatste ronde was dertien seconden te kort, niet toevallig toen ze aan het gaan was. Dat hebben ze goed gezien. Bij het begin van de laatste ronde moeten boksers altijd even met de handschoenen tegen elkaar tikken. Normaal begint de klok pas te tikken na dat ‘handschoenmoment’, maar nu liep ze al toen we uit onze hoek kwamen. Zo waren er al dertien seconden weg. Daarmee werd ook mijn chronoman op het verkeerde been gezet, want die waarschuwt mij altijd dertig seconden voor het einde van de ronde om er nog eens volle bak in te vliegen. In een andere ronde waarin ze in de problemen kwam, hebben ze dat ook geflikt. We hebben dat allemaal aangekaart, maar wat helpt het?”

Durft u de kamp opnieuw te bekijken?

(lacht) “We zijn met het vliegtuig in België geland, zijn naar huis gereden en hebben onmiddellijk drie keer na elkaar de kamp bekeken. In totaal heb ik hem – denk ik – dertig keer of zo gezien. Masochisme? Neen, dat denk ik niet. Ik wil gewoon weten dat ik goed heb gebokst. We hebben zes ronden voor mij, twee voor haar en twee ronden onbeslist. Dan is het nog 6-4 voor mij. Filiep zegt zelfs dat ik er zeven had moeten krijgen.

“Nu weten we natuurlijk hoe we het de volgende keer moeten aanpakken. Stapje achteruit als ze mij vastpakt bijvoorbeeld, maar ook sneller beginnen met mijn rechtse jab (een stoot rechtdoor, red.). De eerste vijf ronden heb ik die niet gebruikt omdat we bang waren voor haar counter. Alleen kwam die counter niet. Eigenlijk hebben we haar niveau te hoog ingeschat.”

Katie Taylor moest dus winnen. Wat heeft zij wat u niet hebt?

“Het is een Ierse, ze woont in Philadelphia waar een grote Ierse kolonie is, ze heeft Eddie Hearn van Matchroom (grote promotor van boks- en andere sportevenementen, red.) als manager en die bepaalt de uitslag. Ook in het Verenigd Koninkrijk en Ierland is ze een ster met haar olympisch goud. Het was dus inderdaad een kwestie van hen geen kans te geven om de uitslag te fiksen. Dat is vooral mijn frustratie, dat we er zo dicht bij waren.

“Dichter kom ik niet. Ik geloof niet in een rematch. Er wordt van alles gezegd en geschreven, maar wij weten nergens van. Ik denk dat Matchroom het wel zou willen voor pay-per-view. Vrouwenboksen brengt tegenwoordig ook geld op.”

U bent in de dagen voor de kamp ongelooflijk veel gepest.

“Niet normaal. Ineens moesten we uit ons hotel omdat Katie Taylor mij niet wilde zien. Wist ik veel dat zij daar ook logeerde. Dan moest weer mijn astma worden onderzocht terwijl die al is vastgesteld in België en ik daar een uitzondering voor heb gekregen. Maar neen, de regels van het Wereld Antidopingagentschap (WADA) telden niet in het Amerikaans boksen.

“Twee uur voor de kamp kreeg ik ineens dopingcontrole, en daarna zou ik niets meer mogen eten of drinken behalve water dat zij mij zouden geven. Toen heeft Filiep ingegrepen en we zijn pas veel later gaan plassen.

“Een uur voor de kamp kwam de dokter binnen in mijn kleedkamer en zag dat ik mijn enkelgewrichten tapete, iets wat ik altijd doe. Ah neen, ook dat mocht niet. Alsof je met je voeten bokst. Mee naar de sportverantwoordelijke. Die keek en zei: oei, dat is een zaak voor de hoofdverantwoordelijke. Dan is die aan mijn enkels beginnen sleuren en toen het oké was, hadden we nog een kwartier om te tapen en op te warmen.

“Dat heeft Filiep goed gedaan: hij heeft mij in vijf minuten zo opgejut, zo agressief gemaakt dat ik er meteen kon invliegen terwijl ik normaal drie ronden lang als een diesel warm moet draaien.

“In de kamp had ze verschillende keren een waarschuwing moeten krijgen. Ik zág er nadien niet uit, maar dat was van de kopstoten en van één elleboogstoot, níét van slagen. De scheidsrechter hield zich de hele kamp van de domme. Integendeel, ze haalde ons een paar keer onterecht uit elkaar toen het voor Taylor te gevaarlijk werd. De scheidsrechter was een Amerikaanse. Ik zag in haar ogen echt een paar keer de vrees dat ik zou gaan winnen. Dat was duidelijk niet haar afspraak met de matchpromotor.”

U werkt fulltime als agent bij de federale politie. Hoe bent u daar eigenlijk terechtgekomen?

“Ik ben bachelor lichamelijke opvoeding. Les geven had ik ook wel willen doen. Ik heb ooit een interim gedaan in de gesloten meisjesinstelling De Zande. Dat kon ik ook wel aan. Maar als je geen connecties had in het onderwijs, kon je een vaste job wel vergeten. Daarom ben ik bij de spoorwegpolitie gegaan. Daar was een vacature. Niks doen is geen optie in het gezin waar ik ben opgegroeid.”

Hoe bereidde u zich voor op de kamp van uw leven, in juni, tegen Katie Taylor?

“Dat begon met verlof vragen. Politiebaas Catherine De Bolle had mij destijds al overgeplaatst van de spoorwegpolitie naar de federale politie, maar ik was wel voltijds blijven werken. Haar opvolger als commissaris-generaal (Marc De Mesmaeker, red.) ken ik ook. We hebben hem twee keer uitgenodigd naar kampen en hij beloofde dat hij mij zou helpen. Ik heb vijftien dagen extra vakantie gekregen, maar in de dagen voor ik stopte heb ik op het werk wel vol gas moeten geven.

“Ik ben verantwoordelijk voor de planning van de opleidingen geweldbeheersing. Dat valt uiteen in dwang zónder en mét vuurwapen, en ik ben een van de weinigen die ze allebei heeft gevolgd.

“Mijn job bestaat erin om die opleidingen te coördineren en schietoefeningen en andere trainingen in te plannen. Dat was helemaal uitgewerkt tot na mijn kamp. Enkele dagen nadat ik terug was uit New York, zat ik alweer aan mijn bureau. In juli en augustus heb
ik volle bak gewerkt en had ik weer 150 overuren opgespaard die ik dan heb opgenomen in de aanloop naar mijn kamp van eind november. Om de dag neem ik dan vrij. Een vrije dag betekent: twee keer trainen. Een werkdag combineer ik met één keer sporten, bijvoorbeeld een looptraining.”

Is dat bureauwerk niet te saai voor u?

“Ja en neen. Ik ga soms nog het terrein op, maar het grootste voordeel van binnen werken zijn de betere uren. In 2015 was ik uitgeput en heb ik drie keer achter elkaar gordelroos gehad, van vermoeidheid. Dat shiftensysteem – twee nachten, een vroege, een late, weer nacht – was dodelijk voor mij, zeker in combinatie met de trainingen. Ik ben één keer van de vroege shift niet thuis geraakt en dat is amper van Brugge tot Lichtervelde. Ik at een appel, raam wijd open, muziek luid en nóg kon ik niet wakker blijven. Ik heb de auto aan de kant moeten zetten, helemaal op was ik. De dokter zei: ‘Je bent dertig en niet versleten, op voorwaarde dat je je bioritme op orde krijgt.’

“Ik wilde wijkagent worden, maar De Bolle stelde me voor om op het Operationeel Coördinatiesecretariaat in Brugge te gaan werken. Sindsdien gaat het beter. In de aanloop naar de kamp laten ze mij met rust en ik kan zelf veel regelen. Als er geen kamp is, werk ik nog wel eens ‘buiten’ en ik spring ook in voor collega’s. (Net als ze dat zegt, gaat de telefoon. Of ze vrijdagnamiddag iemands shift wil overnemen.)

“Niemand werkt graag laat door op vrijdag, maar mij kan dat niet schelen. Ik werk ook in de kerstperiode. Zo kan ik iets terugdoen. Maar evengoed spring ik bij als we voor de illegalen naar Zeebrugge moeten, of naar een voetbalwedstrijd.

“Nu zit ik alweer aan de antivirale middelen. Ik moet oppassen. De voorbije maanden waren zwaar. Ik werk en boks niet alleen, ik organiseer ook. Op 11 november hadden we een kamp in Oostende, georganiseerd door Filiep en mij en enkele andere mensen. Nadat we er enkele keren bekaaid van af zijn gekomen met mensen die hun beloftes niet nakwamen, doen we nu alles zelf.

“De drie maanden voor de kamp kwam ik thuis van de training, om halftien of zo, en zat ik tot na middernacht op de laptop mails te sturen, dingen te coördineren, budgetten te maken. Alle betalingen doe ik zelf, ticketing idem, tot op de dag van de kamp. Wij zetten zelf de stoelen in de zaal. Tot enkele uren voor ik de ring in moet, ben ik nog van alles aan het regelen. Daarna zonder ik mij af om me voor te bereiden. Niet ideaal, ik weet het, maar het blijft boksen, een sport van weinig geld. Enfin, aan deze kamp hebben we wel wat verdiend, dat is ook al wat.”

Klopt het dat u 200.000 dollar hebt gekregen voor de kamp tegen Taylor?

“Ja, maar dat heeft wel wat voeten in de aarde gehad. We hadden al een contract getekend, maar in New York kregen we dan weer een ander onder de neus geschoven. Met papierwerk ben ik wel vertrouwd, dus ik las dat na en zag dat er een bedrag ingehouden werd, zodat er maar ruim 170.000 overbleef. Dat hebben we niet willen tekenen en dat gedoe kwam nog eens terug bij de weging, samen met die extra astmatests. Een dag voor de wedstrijd! De weging was om vier uur en om negen uur zaten wij daar nog, zonder te hebben gegeten. Uiteindelijk zijn we vertrokken.

“In ons hotel waren ze daar wéér met dat papier, dat ik weigerde te tekenen. Toen hebben ze gedreigd dat de kamp niet zou doorgaan, maar ook daar zijn we niet voor gezwicht. Het bedrag dat ze afhielden was zogezegd voor de gordels van de verschillende bonden. Filiep riep toen: ‘You can keep your belts, put them in your ass, we just want to defeat Katie Taylor.’ We hebben niet getekend. Na de kamp: hetzelfde verhaal. Uiteindelijk is de New York Boxing Association toch gezwicht.”

U bent de hardste tante die ik ken. Vechten met een gebroken neus vanaf de tweede ronde, zoals in november tegen Helen Joseph, hoe doet u dat?

“Op adrenaline. Ik was niet te best in die kamp, een beetje trager dan anders, maar 80 procent schat ik. Dan overkomt je zoiets. Een gebroken neus voel je en als je er nadien een slag op krijgt, doet dat extra veel pijn. Achteraf bleek dat het een rechte breuk was. Het is de tweede keer dat ik hem breek. Na die eerste keer stond hij al een beetje scheef en dat is niet veranderd. Of toch: na de vorige keer kon ik alleen door mijn rechterneusgat ademen, nu alleen nog uit mijn linker.” (lacht)

U zit hier best wel vrolijk aan het eind van een jaar waarin u uw grootste sportieve tegenslag hebt gekend.

“Goh ja, waarom niet? Met je hoofd in de grond zitten, dat heb ik genoeg gezien bij mijn ouders, daar schiet je niets mee op. Ik heb best nog wel wat plannen en ideeën en dan helpen donkere gedachten niet. Al het geld dat wij verdienen zetten we opzij omdat we een stuk grond willen kopen en een bokszaal bouwen. Dat is onze grote droom, alleen trappelen we nu al vijf jaar ter plaatse. Ik ken inmiddels alles over bouwgrond, verkavelingsvoorschriften, bestemmingen, RUP, enzovoort, maar voor je grond vindt waar je zoiets op mag bouwen, pfff…

“Kortrijk heeft ons een aanbod gedaan om in hun vechtsportencentrum iets op te starten. Ik zou het liever in mijn eentje doen, maar misschien moeten we daar ook eens gaan luisteren.

“Dat eigen project zal iets zijn van rond de 600.000 euro. Dat halen we uit eigen middelen en subsidies van de provincie, plus een lening. Alles hebben we: het financieringsplan, de bouwplannen, een locatie in Gits hadden we op het oog, alleen de toestemming ontbreekt.”

U zou ook gewoon aan een rustige nacarrière kunnen denken.

“Rustig? Ik? Neen hoor, ik wil bezig blijven, ik blijf een kind van boeren. Vandaar dat ik ook fulltime blijf werken. Ik woon nu momenteel bij Filiep en ik verhuur mijn eigen huis, dat is profijtiger. Dat huis moet ik nog afbetalen, vandaar dat ik moet blijven werken. Soms zegt men mij: goh, wat heb jij het zwaar, fulltime werken en dan nog eens boksen op het hoogste niveau. Tja, het is veel, maar mijn pa werkte van zes ’s ochtends tot elf ’s avonds. Dat is veel zwaarder dan wat ik doe, werken en sporten, wat eigenlijk een hobby is.

“Het beheer van die zaal hier, dat doen wij ook. Ik sta in voor de lidgelden, tenminste, bij wie het kan betalen. Je hebt ze hier al zien toekomen, de gasten die hier trainen, dat is niet met de auto maar met de fiets of met de trein. Soms kunnen ze niet betalen en dan mogen ze toch blijven trainen, op voorwaarde dat ze meehelpen de zaal opruimen, stoelen zetten op een meeting of les geven aan kinderen. Daarnaast vraag ik respect binnen en buiten de ring.”

U wilt zich in maart plaatsen voor de Olympische Spelen. Wéér een nieuwe uitdaging.

“Ja, in maart in Londen zal het moeten gebeuren. Ik kijk er wel naar uit. We hebben met het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) gepraat en met Sport Vlaanderen, en dat zit goed. Filiep mag mij coachen, maar de nationale trainer zal ook in de buurt zijn. Daar doe ik niet moeilijk over, maar ik wil wel Filiep in mijn hoek.

“De handschoenen zijn iets dikker en zachter en een olympische wedstrijd duurt maar drie ronden. Gelukkig wel drie minuten in plaats van twee vroeger, dat is dan weer in mijn voordeel. Filiep is nu al de tegenstanders aan het scouten.

“Bij de boksfederatie dachten ze aan toernooien als voorbereiding, maar ons plan is om ons pas te tonen op dat olympisch kwalificatietoernooi. Ze kennen mij allemaal en er zullen er wel een paar bang zijn. Ik ben het gewend om hard te slaan. Van dat

verrassingseffect moeten we kunnen profiteren. Als we ons kunnen plaatsen voor Tokio, wil Filiep sparren tegen de olympische boksers van Rio die nu prof zijn, om dat andere boksen beter onder de knie te krijgen.

“Als ze ons zo’n voorbereidingstraject kunnen garanderen, wil ik er vol voor gaan. Ik vraag geen profcontract, ik moet geen geld, ik ben gewend om het alleen te doen, mijn bazen willen ook een inspanning doen, maar het zou mooi zijn als ze mijn voorbereiding zouden betalen en als ze Filiep vrij zouden kunnen krijgen.”

U wordt 35, u hebt dit jaar drie zware kampen gehad, slagen uitgedeeld en slagen gekregen. Elke bokser kan maar zoveel incasseren.

“Die blauwe ogen, die open wenkbrauwen en zelfs die neusbreuk, dat stelt niet veel voor. Wij zweren bij Reparil in pilvorm en Feldène als ontstekingsremmer. Dat helpt, dat moet je echt eens proberen als je een bloeduitstorting hebt. Na een paar dagen is het ergste voorbij en na een paar weken zie je er niks meer van.

“Op het werk klagen ze nog niet dat ik dingen begin te vergeten. (lacht) Ik ben nog nooit knock-out gegaan. Je ziet het wanneer iemand niet meer reageert of incasseert. Lang voor Sugar Jackson stopte, zei Filiep al dat het te veel was.

“Wij hebben ooit een bokser van ons zijn laatste kamp laten boksen tegen een veel sterkere tegenstander, maar zo ingepraat op die ander dat hij nooit naar het hoofd sloeg. Die jongen van ons werd gespaard, maar wist niet wat er was afgesproken en is toch met een goed gevoel gestopt.

“Ik zal nooit de kamp te veel boksen. En als ik het niet meer besef, dan zal Filiep mij wel tegenhouden.”

 

 

 

Delfine Persoon DM dec 2019-mail

Column Iedereen trainer in De Morgen van zaterdag 21 december 2019

Iedereen trainer

 

Van de week op de radio: “Philippe Clement heeft de Trofee Raymond Goethals gewonnen. Die bekroont de trainer die het best de waarden van Raymond Goethals benadert.” Of toch in die woorden, ongeveer. Het begrip waarden werd in één zin gebruikt met Goethals en dat volstond om haast in de gracht te rijden.

Zoals ik het verbazingwekkend vond dat wij ooit een jeugdprijs de naam gaven van een veroordeelde dopingzondaar (in het wielrennen) en er nog steeds (ook in het wielrennen) een grote prijs bestaat van een veroordeelde dopingzondaar, is ook de Raymond Goethals-trofee totaal misplaatst.

Over welke waarden hebben we het? Dat hij voetbal zag? Dat hij zelden of nooit aanviel en afwachtte? Daar kun je over discussiëren en van mening verschillen. Maar waar geen discussie over bestaat, is zijn rol bij twee omkoopdossiers: de eerste keer bij Waterschei- Standard in 1982 was hij de initiatiefnemer en de tweede keer bij de wedstrijd Olympique de Marseille tegen Valenciennes was hij de coach die wist van de omkoping. Twee keer ging het om een ‘ontmoedigingspremie’ voor de tegenstander, zodat die niet te fel zou spelen, waarna de eigen ploeg een paar dagen later frisser aan het Europees duel zou kunnen beginnen. Twee keer speelde Goethals een centrale rol en naar die man noemen wij de trofee voor de voetbaltrainer van het jaar. Als het er al niet over is, grenst dit toch aan normvervaging. Typisch voetbal.

Benieuwd welke voetballers van de Golden Generation – die tot nog toe niet verder is geraakt dan brons voor alle duidelijkheid – over tien of twintig jaar die trofee mogen komen ophalen. Misschien is er tegen die tijd een Belgische trainer doodgegaan die echt iets heeft gewonnen en naar wie we een prijs noemen en niet zoals Goethals moest voetballen zoals zijn voorzitter Bernard Tapie hem opdroeg en daar warempel een Europese titel mee won.

Onze Rode Duivels krijgen een verkorte trainerscursus, zo raakte van de week bekend. Althans, die krijgen ze cadeau van de bond en volgens de eerste geruchten is er heel veel interesse. De cursus zal worden ingericht bij de stages van de Rode Duivels in het kader van interlands. Als dat klopt, hebben de trainingen of die lessen niet veel te betekenen, maar dat laatste was al langer bekend. Als je ziet wie ze allemaal heeft gevolgd, van wie je vermoedt dat ze amper hun naam foutloos kunnen spellen, dan weet je het wel. Inschrijven en betalen staat gelijk aan slagen.

Als er sprake is van een verkorte cursus moet er ook een volledige cursus zijn. Wat zouden ze dan wel verkorten voor die internationals? Voor welke vakken zijn die vrijgesteld?

Internationals hoeven niet meer te leren om tegen een bal te stampen, dat is duidelijk. De basis van tactiek zullen ze ook wel onder de knie hebben, en zelfs een groep met de juiste instelling op het veld brengen moeten ze vanuit hun ervaring kunnen. Maar trainen is zoveel meer dan weten hoe er moet worden gevoetbald.

Misschien is het de bedoeling dat onze gouden generatie meteen een elftal sterren of galácticos gaat aansturen, en in dat geval kan een kind de was doen. Toptrainers bij topclubs hebben topassistenten zoveel ze willen. Linietrainers, conditietrainers, hersteltrainers, hulptrainers… Noem het op en ze hebben het in drievoud. Maar zelfs dan heb je skills nodig om de hele fabriek aan te sturen. Nu zal ik misschien wat overdrijven, maar deze generatie is doorgaans zo wereldvreemd dat ze nauwelijks nog met echte mensen in contact komt en op gras een spel speelt dat ze kent van de computer.

Ongetwijfeld weten ze als geen ander hoe het spel moet worden gespeeld en kan worden gespeeld als hun baasjes hun spel tenminste weten op te pikken, maar ook dan hebben we dit seizoen geleerd dat zelfs een slimme voetballer/mens als Vincent Kompany zich daarop kan verkijken.

Alles wat ze beter kunnen dan een modale collega zal hen eerder hinderen dan helpen om een goeie trainer te worden. Het is slim om de oefenstof van Pochettino, Guardiola of van de geniale gek Bielsa te hebben opgeschreven, maar je schiet er geen ene moer mee op. Topvoetballers hebben geen verkorte maar een verlengde cursus nodig.

De eerste eigenschap van een trainer/coach is het inschatten van de capaciteiten van zijn groep en daar een spel mee spelen dat die groep wil en kan spelen. De tweede is daarvoor de gepaste oefenstof ontwikkelen en de derde is spelers beter maken, ook door uitdagende oefenstof. Dat moet je leren, door scha en schande en door onderaan te beginnen. Dat is een leerproces en daar valt niks aan te verkorten.

 

20191221_De-Morgen_p-19

Column Parafernalia in De Morgen van maandag 16 december 2019

Parafernalia

Wat Jeff Hoeyberghs en Anderlecht gemeen hebben, is dat het geweeklaag om hun boodschap inmiddels vele malen belachelijker is dan de boodschap zelf. Verder is er geen vergelijking tussen hen, tenzij dat Anderlecht en Hoeyberghs geen openingen meer vinden waar ze hun ding in kunnen doen. (Ik schrijf het maar op zoals het is gezegd, met excuses.) Of nog: dat ze niet weten wanneer ze moeten zwijgen.

Anderlecht gooide van de week olie op het eigen vuur met een brief waarin de supporters werd uitgelegd dat het misschien dit seizoen niet zal lukken. Communicatief is het bij RSCA een zootje, zoveel is duidelijk. De club heeft David Steegen, die een jaar geleden door Coucke opzij gezet was, maar recent weer op het hoofdspoor gerangeerd werd. Vincent Kompany heeft voor zijn boodschappen en imago zakenpartner Klaas Gaublomme en Marc Coucke werkt voor zijn persoonlijke communicatie met Wim Demeyere.

De brief is een schuldbekentenis, aldus de supporters. Of een knieval, aldus de media. Sowieso niet te vatten, zeggen analisten. Conclusie: Anderlecht onwaardig. Nog maar eens is een barrière gesloopt. Straks eisen de supporters bij elke wedstrijd een brief waarin wordt uitgelegd wie speelt, hoe er zal worden gespeeld, wie zal worden vervangen en waarom, om te eindigen met een oproep aan de fans of ze suggesties hebben voor de ploeg van volgende week.

Die supporters krijgen steeds meer noten op hun zang. Dat heb je natuurlijk als je er een gewoonte van maakt om de fans te gaan groeten. Ooit begon dat bij hoge uitzondering na winst op een erfvijand of na een titel. Gaandeweg werd dat uitgebreid naar alle winstwedstrijden. In België is het de laatste jaren de gewoonte om de fans altijd te gaan groeten: dikke of magere winst, gelijkspel, nipt of zwaar verlies, de spelers zullen zich na afloop naar de harde kern begeven en daar de lofbetuigingen, c.q. beledigingen in ontvangst nemen. Chadli liet zich uitkleden. Wat komt hierna? Voetbalspelers die als dokter Livingstone in de brousse parafernalia meenemen naar de stamhoofden met het doel om hen gunstig te stemmen?

Inmiddels zijn we het proces dat Anderlecht doormaakt uit het oog verloren. Vele malen interessanter in dat verband was het nieuws dat Anderlecht zich in de toekomst zou beroepen op een revolutionair scoutingsysteem, de Current Impact Score.

Scouting is een moeilijk verhaal in voetbal, omdat het geen sjablonensport is waarin steeds weer dezelfde vooraf doorgesproken wedstrijdacties worden opgezet. Voetbal is daarnaast ook nog eens de laagst scorende sport die de mens heeft uitgevonden en is daarom afhankelijk van toeval. Anderzijds kan je toeval een handje helpen door de dingen juist te doen en niét te laten afhangen
van de inspiratie van het moment. Dieumerci Mbokani wordt altijd als voorbeeld aangehaald: loopt geen meter te veel, is een alibiverdediger als geen andere, maar scoort, altijd weer. Conclusie in het scoutingrapport: prima voor België, maar hoger schiet je er niks mee op, wat ook is gebleken.

Er zijn twee soorten scouting: prestatiescouting en het veel meer gecompliceerde talentscouting, dat naar de potentie op zoek gaat. Prestatiescouting is simpel: je laat een computer los op alle acties en je brengt in kaart hoeveel en waar een speler heeft gelopen, hoe vaak aan welke snelheid, gewonnen duels, doelpunten, schoten op doel en niet te vergeten wat zijn tegenstander inmiddels heeft gepresteerd. Dat is een momentopname en geen hersenchirurgie, voor alle duidelijkheid. Het komt er op aan veel data te hebben van diezelfde speler en van vergelijkbare spelers in eenzelfde systeem. Als je vervolgens weet wat zijn opdrachten waren, en die van de spelers rond hem, pas dan kan je een prestatie min of meer beoordelen.

Het lijkt mij dat het Current Impact System prestatiescouting is. Veel interessanter voor Anderlecht is talentscouting. Dat begint bij de fysieke capaciteiten van een voetballer: de uithouding, de pieksnelheid, de belastbaarheid. Allemaal moeilijk te meten, al helemaal als daar de mentale component bij komt. Het minst moeilijke om in kaart te brengen zijn de voetbalcapaciteiten, dat ziet het oog van de meester. Het allermoeilijkste is dan weer hoeveel rek er nog zit op de technische, tactische en fysieke ontwikkeling.

Ach, Anderlecht maakt het allemaal veel moeilijker dan het is en heeft zich verloren in een communicatie waaruit het geen uitweg meer ziet. Het verhaal, ook naar de supporters, had simpelweg moeten zijn: “Ja, de club gaat door een dal, maar soms moet je een stap terug zetten, om achteraf veel beter te doen. Neen dus, we zullen geen kampioen spelen. Ooit weer wel. Wanneer? Zo snel mogelijk.”

 

20191216_De-Morgen_p-19

Column De Europese flosj in De Morgen van 14 december 2019

De Europese flosj

Vijf Belgische clubs begonnen in augustus aan het Europees avontuur. Vier mochten naar de poulefase en als die Antwerpenaars het zot niet in de kop hadden gekregen, dan waren ze met vijf. Van die vier waren twee bij voorbaat kansloos, niet toevallig kampioen Genk en Club Brugge in de Champions League.

Voor Club was dat een succes, want een tweede Belgische deelnemer die zich via de voorrondes van het kampioenenbal plaatst is een zeldzaamheid. En zie, Club is een van de Belgische teams die doorgaat omdat het netjes derde werd in een aartsmoeilijke groep.

KAA Gent is een andere overwinteraar. Gent won zowaar zijn poule in de Europese tweede klasse, ook bekend als de Europa League. Standard verknoeide naar de traditie van het huis zijn kansen en nam donderdag afscheid van Europa.

Voor het eerst in de formule met 32 teams en met één poulefase komen alle zestien teams in de tweede ronde van de Champions League uit de grote vijf voetballanden. Grootste slachtoffer was het dit seizoen net iets minder wonderbaarlijke Ajax Amsterdam. Net iets minder betekende net iets minder stevig, vooral dan achterin, net iets minder dominant in het midden, net iets minder dodelijk voorin. Braindrain op cruciale posities, dat is de realiteit. Zestien ploegen uit de G5 is geen statistiek en voorlopig geen nieuwe trend. Tot nader order is het toeval.

Nog toeval: Gent als hoogst gerangschikte Belgische club op de Europese coëfficiëntentabel. Dat is een momentopname die rekening houdt met de laatste vijf jaar. Volgend jaar verliezen ze de punten van hun verrassende tweede ronde van de Champions League uit 2015-2016. Zelfs als Gent deze keer doorgaat tot de halve finale van de Europa League zakken ze flink wat plaatsen. En België ook.

Europees voetbal is goed om af en toe een aardige cent bij te verdienen, goed voor het ego van de Napoleonnetjes die onze clubs besturen, maar voorts schiet je er niet mee op. Gent ging een jaar na de achtste finale in de Champions League nog door op het elan en klopte Tottenham in de Europa League, maar heeft met al die miljoenen weinig kunnen aanvangen.

Europese inkomsten zijn voor onze Belgische clubs de flosj op de kermis. Dat ding hangt daar, als je het kunt pakken kun je trots
een rondje draaien, maar evengoed grijp je de volgende keren altijd weer naast. Waar je niet jaar na jaar na jaar kunt op rekenen, laat daar nooit je beleid van afhangen. Eenmalige inkomsten kunnen niet dienen voor recurrente uitgaven, hooguit om structureel te investeren. Dat is een beetje de fout die veel Belgische clubs hebben gemaakt in het verleden. Hun extra Europese miljoenen werden hoofdzakelijk ingezet in het bieden op jonge buitenlandse talenten en niet voor de verbetering van de accommodatie, laat staan de verbetering van het Belgische economisch voetbalmodel in het algemeen.

Club en Genk staan elk een klein stukje van hun Champions League-miljoenen af aan de andere eersteklassers. Omwille van het marktverstorend effect zou die solidariteit in de Belgische context minimaal 50 procent of meer moeten bedragen, iets wat Eddy Wauters van Antwerp begin de jaren 90 al bepleitte. Kansloze missie. Club Brugge is zelfs bezig met een operatie desolidarisering. Zij willen meer geld van de tv-rechten en lonken naar Europa of zelfs naar de Beneliga, die er – read my lips – nooit komt.

Het Brugs argument dat te veel clubs in eerste klasse geleid worden door puissant rijke voorzitters die weigeren structureel te investeren in hun import-exportvoetbalbedrijf is valabel. Een nieuw of verbeterd stadion en jeugdopleiding zijn van geen tel voor de financial fair play, dus wie het goed voorheeft met het voetbal kan gerust zijn gang gaan. Alleen hebben onze clubs en onze politici de (onder meer fiscale en andere) randvoorwaarden gecreëerd waardoor buitenlandse eigenaars alleen interesse betonen in de marktplaats die het Belgisch voetbal is.

Club Brugge gebruikt dat argument als drogreden voor een groter doel. Het wil vanuit de Belgische waaier naar de Europese rijden. Dat heet gezonde ambitie, maar het is hybris in het kwadraat. FCB is dan wel de Belgische nummer één, het blijft een regionaal clubje met een beperkte achterban en vooral met een klein economisch hinterland. Real Madrid was eerlijk tegen het Brugs bestuur: “Wij willen in de toekomst liever niet meer tegen jullie voetballen.”

Aan economische en geografische realiteiten valt niet te verhelpen. Zelfs al verrijst er straks een oosters voetbalpaleis uit de poldergrond aan de Blankenbergse Steenweg, als er ooit een Belgisch team toegelaten wordt tot de Europese elite zal dat misschien in de Europese hoofdstad liggen. Als… misschien…

 

20191214_De-Morgen_p-21-mail