Column Het Mysterie KAA Gent in De Morgen van maandag 26 okt 2020

Het mysterie KAA Gent

Alvast één club is min of meer opgelucht dat er weer zonder publiek wordt gevoetbald en dat is KAA Gent. Stel je voor dat het stadion vanavond ‘Thorup-Thorup-Thorup’ begint te scanderen, gevolgd door wat andere namen en ‘buiten-buiten-buiten’, neen, dat kan die club nu niet hebben.

Jess Thorup was de lieveling van het publiek, de pers, de analisten, de spelers en nog wel wat blinden en slechtzienden. Dat supporters die man in zijn korte broek die hen telkens kwam groeten, op handen droegen, tot daar aan toe, maar van analisten en media had ik iets minder scorebordjournalistiek verwacht. Na een paar maanden vroeg ik een insider: “Die Thorup, aardige man, maar kan hij er wat van?” Antwoord: hij gaat heel goed om met de spelers, maar tactisch is het een beetje “doe maar aan”.

Nog iets later – 1 mei 2019 – verloren Thorup en Gent de bekerfinale tegen KV Mechelen. Tegen een tweedeklasser die weken aan een stuk geen competitie in de benen had, die zijn spelverdeler Onur Kaya moest missen en die nota bene op achterstand kwam. Toch werd het 1-2: nul intensiteit, nul veerkracht, nul tactische aanpassing. In de daaropvolgende play-offs werd Gent ternauwernood vijfde.

In die meimaand van 2019 liggen de kiemen voor de déconfiture van vandaag. Vadis Odjidja was rond met Anderlecht, tot Vincent Kompany kwam en een stokje voor de transfer stak. Jammer voor KAA Gent. Ze liepen blind een doodlopende straat in.

Odjidja is fantastisch aan de bal, inderdaad, maar hij en niemand anders bepaalt de intensiteit en de snelheid van het spel. Bovendien een alibiverdediger en dat op een erg cruciale positie. Al te veel tegengoals vertrokken vorig seizoen over zijn kant. De laksheid van Thorup ten aanzien van Odjidja was dan weer verklaarbaar. De Deen had door dat Odjidja een deel van de club in zijn zak had, helemaal toen de controletoren hem in augustus had bevorderd: een einzelgänger als kapitein, ook dat nog. Gevolg: Odjidja deed/doet zijn goesting.

Vervolgens kwam het seizoen 2019-2020. Gent scoorde de meeste goals, maar kreeg van alle ploegen in play-off 1 – die nooit zou doorgaan – de meeste goals tegen. Het eindigde nipt tweede na twee rampzalige verlieswedstrijden waarin Thorup voetballes kreeg van Cercle en Charleroi. Vooral die laatste 1-4 was ontluisterend: Charleroi bespeelde meesterlijk efficiënt de ruimtes die Gent weggaf, maar vanaf de bank kwam geen reactie.

De coronastop had een ideaal moment kunnen zijn om Jess Thorup te bedanken en een trainer te halen zoals Hein Vanhaezebrouck destijds: een slimme Belg, mét oefenstof en tactisch gepokt en gemazeld in de Jupiler Pro League. De Europese successen verbloemden veel, maar men vergat dat die werden behaald ten koste van ploegen die nóg meer dan Gent in de knoop lagen met zichzelf. In play-off 1 was dat Gent van half maart nooit tweede geëindigd. Thorup bleef en zou vervolgens te laat worden ontslagen. Of te vroeg, na twee speeldagen, dat was communicatief onverdedigbaar.

Door corona vergat men ook de competitie te ontleden. Bijvoorbeeld: waarom wonnen we zo vaak? Antwoord: niet door ons tactisch concept, maar door ons surplus aan talent voorin en door Jonathan David, een jongen met gouden voeten in een jaar waarin alles voor hem meezat. En ook: hoe komt het dat we twintig tegengoals meer hebben dan Club? Omdat het achterin een drama was. Vooral centraal was extra kwaliteit nodig. Alleen Arslanagic kwam. En later een jonge Noor.

In mei kreeg Odjidja een contractverlenging en rekende Gent zich rijk met die tweede plaats en het daaraan gekoppelde Europees voetbal, met kans op de Champions League. Die ging kansloos de mist in, terwijl men even tevoren nog hoog van de toren had geblazen dat ze Europees de best gerangschikte Belgische ploeg waren. Vandaag staat Gent derde. Ondertussen had de top van KAA Gent zich door een krant laten verleiden tot een boottocht-met-champagne op de Leie. De titel luidde: “Club Brugge staat een trapje hoger, maar de rest in België zijn we voorbij”. Hybris wordt altijd afgestraft: KAA Gent staat vandaag dertiende. In een competitie met zestien, wat Gent wilde, zouden ze in degradatiegevaar verkeren.

Na zes vette jaren zit Gent weer op het niveau van maart 2014: kansloos, of zo goed als, voor play-off 1 (met vier). Met spelers die niet langer in de eerste plaats aan het team denken. Met sterspelers, of wat daarvoor moet doorgaan, die roepen dat ze weg willen of redeneren “hoe hou ik hier mijn kop boven water?”. Succes in topsport is cyclisch en voetbal is toeval, maar soms helpt het simpele dingen goed te doen en noodzakelijke beslissingen te nemen op het juiste moment.

Column Coach de Coach over Anderlecht in De Morgen van zaterdag 24 okt 2020

Coach de coach

Gert Vande Broek staat Vincent Kompany bij in zijn coaching van Royal Sporting Club Anderlecht, zo raakte deze week bekend. Een opmerkzame collega legde meteen de link met de komst van Karel Van Eetvelt als CEO naar Neerpede. Van Eetvelt en Vande Broek kennen elkaar van wat we toen nog de KUL mochten noemen.

Het zijn sportkotters van Leuven, net als Anderlecht-voorzitter Wouter Vandenhaute. Gert Vande Broek leek in zijn gat gebeten bij de suggestie dat zijn passage bij Anderlecht meer te maken met lidmaatschap van die alumniclub dan wel met zijn kwaliteiten als coach. Al die academici (de eigenaar is bovendien een apotheker) bij Anderlecht, je schiet er geen ene moer mee op als die elf tussen de lijnen het niet doen, maar het staat ondertussen mooi op LinkedIn.

Van dat selecte gezelschap heeft alleen Vincent Kompany geen hoger diploma. Men heeft ons ooit vanuit Manchester willen laten geloven dat hij een MBA (master of business administration) had gehaald, maar er zijn MBA’s waarvoor je geslaagd bent als je het inschrijfgeld betaalt en er zijn MBA’s die er toe doen. Voor die laatste moet je voorafgaand een universitair diploma hebben behaald en dat heeft hij niet. Is dat van belang om een goede coach of een goede trainer of desnoods een zeer goede voetballer te worden/zijn? In het geheel niet, maar men moet ons niet voor de aap houden.

Kompany is ook zonder academische graad slim en daarom laat hij zich coachen door een ervaren coach. Dat het een volleybalcoach is die hoofdzakelijk met vrouwen heeft gewerkt (waaronder mijn eigen vrouw, ik getuig: best een goede leerschool – grapje), kan vreemd overkomen. Om hier dieper op in te gaan, is een aparte column nodig, maar laten we het hier op houden: als je vrouwen coacht als mannen, kom je er niet. Omgekeerd, coach mannen als vrouwen en de gevolgen zijn evenmin te overzien.

Er zijn nog verschillen. Het verschil tussen voetbal en toeval is de b van bal. Voetbal is een vaak onvoorspelbare aaneenschakeling van onbelangrijke situaties met tussendoor af een toe een hele belangrijke. Volleybal is een sjablonensport van steeds terugkerende voorgeprogrammeerde standaardsituaties, waarbij de tegenstander er niet toe doet, zolang je zelf je spel speelt en alles scoort en minder fouten maakt dan de andere. Het grootste verschil zit hem ten slotte in de kleedkamer. Passanten die het eigen succes boven dat van het team zetten – al helemaal de nationale ploeg die Vande Broek gewend is – zijn in een volleybalploeg op twee vingers te tellen. De passanten in een Belgisch voetbalteam zijn niet op twee, zelfs niet op vier handen te tellen. Een volleybalteam smeden is het belangrijkste doel van een coach. Een voetbalteam smeden is ondergeschikt aan de ontwikkeling van talent: de finaliteit van een voetbalteam is de lucratieve handel in voetballers, mensen.

Het beste voorbeeld is Jérémy Doku, in wie Kompany veel tijd heeft gestoken maar die meteen vertrok bij het eerste bod van een ambitieuze middenmoter uit de kleinste competitie van de G5. Dat is vooral wennen voor Vincent de voetballer, die bovenaan de voedselketen zijn métier uitoefende, maar nu Kompany de trainer-coach is en ergens midden in de voetbaljungle, belaagd van alle kanten, moet zien te overleven.

Kompany analyseerde zelf deze week de manco’s van zijn team. Duurde de wedstrijd maar tachtig minuten, we stonden los op kop, was zijn conclusie. Fout geredeneerd, want hij geeft zelf aan dat het probleem van zijn spelers niet de tijd, maar de instelling is nadat ze op voorsprong zijn gekomen.

De drie hoofdtaken van een trainer-coach in voetbal voorafgaand aan een wedstrijd zijn de juiste spelers selecteren, die spelers op de juiste plaats in het veld zetten en de spelers genoeg opnaaien. Niet te veel zodat het potje niet overkookt en ook niet te weinig om het bobijntje niet te snel te laten aflopen. Als hij dat niet van zichzelf wist, zal Gert Vande Broek, die dat wetenschappelijk heeft onderzocht, het hem wel hebben uitgelegd dat er verschillende leiderschapsstijlen zijn.

Vincent Kompany zegt snoeihard te zijn in de kleedkamer. Niks van gemerkt. Het is wachten op de eerste keer dat hij zijn spelers in het openbaar aanpakt. Vande Broek schrikt er als coach alvast niet voor terug om onder het oog van de camera’s zijn speelsters hun vet te geven. De dag dat Vincent Kompany boos uit zijn dug-out stormt, weet dan dat Vande Broek langs is geweest. Als Kompany een speler bij zijn haren van het veld trekt en er een andere in zet, heeft hij hem zelfs een clipje laten zien van illustere volleybalcollega. Zoek maar op: YouTube, Nikolay Karpol, the howling bear.

Column over MVDP en WVA in RVV in De Morgen van 19 okt 2020

Wielervrede

“Fucking motard de merde.” Zo luidde de hoogst ongelukkige tweet van Remco Evenepoel gisteren.

Die had te maken had met de val van Julian Alaphilippe in de Ronde van Vlaanderen. Een potentiële droomfinale werd daardoor onthoofd en toen kregen we een nog mooiere finale, met een Belg (of alvast een inwoner van België) als zekere winnaar. Met twee oerrivalen die elkaar in de laatste 34 kilometer voor geen vin losten en uiteindelijk met het kleinste verschil van elkaar werden gescheiden. Hoe zeven centimeter voor wielervrede zorgde.

Die val van Alaphilippe is een typesituatie zoals die vaak voorkomt in het wielrennen. Voorop rijdt een motor. Er rijden te veel motoren, helemaal mee eens, maar ze rijden er nu eenmaal en de renners hebben twee ogen. Renner één van de kopgroep rijdt naar de motor toe, want wil de studie van professor Bert Blocken in praktijk testen. Zelfs op vijftig meter haal je voordeel in het zog van de motor.
De motor moet inhouden, doet dat heel correct, misschien niet aan de kant van de weg waar dat had gemoeten, maar zoals gezegd: de drie hebben samen zes ogen en er is nog acht meter of zo om te passeren op een perfecte weg. Althans voor zover wegen in Vlaanderen ooit perfect zijn.

Op kop rijdt Wout van Aert en hij blijft rijden tot hij aan de motor is, maakt dan een zwiep om er langs te komen, waarna Mathieu van der Poel een nog grotere zwieper moet maken. Een acrobaat als Julian Alaphilippe slingert zich in normale omstandigheden ook langs die motor, maar nu is hij in communicatie met de volgwagen. Hij kijkt naar beneden om met zijn mond bij het microotje te kunnen. En dan gebeurt het: een klap, een val, een schreeuw, einde verhaal.

Een kopgroep met drie is misschien geen peloton, maar het was wel zo netjes geweest van de koploper om met het handje een beweging te maken naar zijn volgers, zoals wij wielertoeristen. Gewoon even waarschuwen, handje links of rechts wapperen: pas op, hindernisje, even opzij. Had gekund. Is niet gebeurd. Is dat slechte wil? Is dat in het heetst van de strijd?

Ach, het is gebeurd en – de uitspraak is in de mode – het is wat het is. Dit was een samenloop van omstandigheden, versterkt door de wet van Murphy. Randbemerking: kunnen ze bij DCQS Evenepoel zijn iPhone of Samsung niet afpakken als hij naar de koers kijkt? Geef hem tijdelijk zo’n ding waarmee je nog net kan bellen en sms’en, maar al de rest niet.

De droomfinale dan. Daar reden ze: twee jongens die nu al meer dan een decennium elkaar tegenkomen op kampioenschappen en die zo vaak samen op het podium hebben gestaan, dat ze elkaar niets meer te vertellen hebben. Het is anders: Mathieu van der Poel en Wout van Aert hebben elkaar nog nooit uitgebreid gesproken. Ze haten elkaar niet, maar ze kunnen geen vrienden zijn. Het is te hopen dat ze ooit eindigen als Roger de Vlaeminck en Eddy Merckx. Dat ze uiteindelijk na al die duels op het scherpst van de snee, wel gewoon vrienden worden.

Na de val van Alaphilippe zat er niets anders op dan door te rijden. Was de Franse wereldkampioen – de beste in koers om dat moment – in de kop gebleven, wat hadden we dan gekregen? Alaphilippe die probeert weg te rijden, Van Aert die redeneert “ik heb al veel prijzen, Mathieu, doe jij nu maar”. Mathieu die er een paar keer achteraan gaat en dan uiteindelijk niet meer, tenzij Wout gaat natuurlijk, waarna ‘de buitenlander’ Alaphilippe zou winnen. En het overhandse gezeik weer in alle hevigheid zou beginnen.

Niets daarvan. Mathieu en Wout reden een 240 kilometer lange Koppenbergcross. Samen uit, samen thuis. Mij leek Wout van Aert op de hellingen net iets flukser, net iets meer overschot te hebben, maar dat Merckxiaanse schokschouderen van Van der Poel zet een mens op het verkeerde been.

Hoe ze dat onderling hebben beleefd, dat is interessant om weten. Wie samen met iemand een berg oprijdt, redelijk tegen de limiet aan, weet meteen wie de sterkste is. Al hebben die mannen natuurlijk zoveel energiedepots om uit te putten, zoveel grinta en houden ze soms zoveel watts op overschot, dat je het nog niet weet en zij misschien ook niet.

Op het vlakke deden ze netjes hun beurten, tot de laatste kilometer. Wout van Aert dacht het binnen te hebben omdat hij Mathieu van der Poel de kop kon opdringen. Alleen, dit was al lang geen sprint meer. Met nog 200 meter te gaan lag de snelheid zo laag dat we te maken hadden met een explosieve start. En dan – zo weten we uit de cross – is Van der Poel haast altijd het snelst weg. Zeven centimeter redden het seizoen van de meest getalenteerde atleet die ooit op twee wielen heeft gereden.

Interview Tomas Van Den Spiegel in De Morgen van zaterdag 17 okt 2020

‘Ik heb in de Tour gezien hoe het níét moet’

Als morgen de Ronde van Vlaanderen wordt verreden, is dat zeker ook te danken aan Flanders Classics-CEO Tomas Van Den Spiegel (42). ‘Geen publiek, dat is heel erg. Maar we gaan wél het kijkcijferrecord breken.’

Afgelopen dinsdag in het Centrum Ronde van Vlaanderen. Operatie Red De Ronde heeft hoofdrolspelers opgetrommeld voor een persconferentie. De ene na de andere neemt het woord en met de spreker wordt de taal repressiever. Met een uit de kluiten gewassen federale politieman achter de micro, komt het pas echt binnen: de Vlaamse Ardennen beleven dit weekend een wielerstaat van beleg. Zoveel no-gozones, dat moet geleden zijn van de inval van de Duitsers. Na de desgevallende boetes en straffen nog eens te hebben benadrukt, kondigt de superflik de CEO van Flanders Classics aan.

Een imposante figuur hijst zich uit de te lage stoelen, stapt het podium op, gaat zitten, weer aan te lage stoelen en tafel, zet het Flanders Classics-mondkapje af. Hij bedankt elke spreker en instantie, uit het hoofd, en begint zijn verhaal, precies zoals hij dat eerder deed tegen ondergetekende in een Gentse koffiezaak, toen met cappuccino’s en twee puntjes kaastaart tussen ons.

De naturel, de rustige flair van Tomas Van Den Spiegel is nieuw voor koersland Vlaanderen. Zonder uitgeschreven tekst, slides heeft hij ook niet nodig, somt hij in klare taal nog eens de noodzakelijke maatregelen op die van de Ronde van Vlaanderen Limited Edition een unieke wedstrijd zullen maken.

Hij hamert op het belang van het gezondheidsaspect en legt handig de nadruk op hoe zijn organisatie het resterende mediabudget heeft ingezet om het publiek te vragen, zeg maar te smeken, weg te blijven van het parcours. In alle mediaoutlets was Van Den Spiegel daarna de geïnterviewde met dienst.

Tomas Van Den Spiegel: “Transparant communiceren is mijn voornaamste taak sinds het uitbreken van de coronacrisis. Dat zijn we verplicht aan de wielerfans en aan het wielrennen: onze verantwoordelijkheid nemen in goede en kwade dagen. Maar ik, stressvrij? Hoegenaamd niet. Ik slaap al weken slecht. Ik kan wel goed focussen om een resultaat te bereiken, dat is ook topsport.”

U bent sinds begin 2018 de CEO van Flanders Classics. Sinds wanneer weet u van het bestaan van de fiets en het wielrennen af?

Tomas Van Den Spiegel: “Ik ben een echte Vlaming, opgegroeid met die superpassie. Ik heb die sport altijd gevolgd, voor zover dat mogelijk was toen ik in het buitenland basketbalde. Toen ik bij Bologna speelde, waren dat de hoogdagen van Johan Museeuw en Italië is ook koersgek. Mijn bijnaam in Bologna was Il Leone di Fiandre, de Leeuw van Vlaanderen, naar analogie met Museeuw.

“Zelf fietsen is een ander verhaal. Ik heb nog niet zo heel lang een koersfiets. Ik ben ermee begonnen in 2015 toen ik peter werd van de 1.000 kilometer van Kom Op Tegen Kanker. Door mijn 2m14 was het heel lastig om een geschikt kader te vinden.”

Werken voor Wouter Vandenhaute en overleven is niet iedereen gegeven. U bent een survivor.

“Ik heb de eerste jaren vooral geluisterd en geobserveerd.

Jij hebt vorig jaar in een column geschreven dat ik in een dubbelinterview met Wouter maar een kwart van de quotes voor mijn rekening nam en je noemde dat slim. Met het dossier van de Wereldbekers cross ben ik een jaar geleden voor het eerst op de voorgrond getreden.

“Een survivor? Misschien wel, ik pas mij makkelijk aan, maar ik heb ook mijn ego, ik ben ook ambitieus en ik denk dat ik iets kan betekenen. Ik was niet de beste basketbalspeler van Europa, maar elke coach wilde mij wel in zijn team, omdat ik de puntjes kon verbinden om tot resultaat te komen. Dit wil ik ook bij Flanders Classics doen.

“Ik won in 2012 De slimste mens en toen ben ik met Wouter Vandenhaute aan de praat geraakt over ondernemen in de sport. Een goed gesprek. Elk jaar kwamen we elkaar wel eens tegen en begonnen we er opnieuw over. In 2018 belde hij dat hij mij wilde spreken. Toen hebben we een hele zaterdag samen gezeten. Ik moest hem terug bellen, maar ik belde niet. Waarop hij zelf belde: hoe zit het, klaar om CEO te worden van Flanders Classics? Ik ben toen gesprongen, heel goed wetend dat ik in een traditioneel milieu terechtkwam. Wouter was al een vreemde eend in de bijt, ik was nog vreemder. Ik zag er ook atypisch uit voor wielrennen.

“Ik manage de dagelijkse werking van Flanders Classics, dat zijn 25 vrouwen en mannen, en heel wat toeleveranciers. Neen, ik had weinig ervaring, maar ik heb wel wat gezond verstand en ben goed omringd en daar komt het op aan. Wat ik heb veranderd? Niet zo heel veel dat onmiddellijk opvalt. We hebben het vrouwenwielrennen organisatorisch naar een hoger niveau getild, waardoor er nu ook een Parijs-Roubaix voor vrouwen op de kalender stond. En ik heb voor deze compacte kalender de afstanden ingekort. Niet alle organisatoren en burgemeesters zijn daar even blij mee. En toch moest het zo.

“Naast vrouwenwielrennen hebben we door corona op het vlak van virtueel fietsen echt wel een verschil gemaakt. Daarnaast zijn we sterk gegroeid van een bedrijf dat enkel in het voorjaar relevant was naar een bedrijf dat het hele jaar organiseert. Er staat intussen ook een ‘data management platform’ klaar dat ons toelaat de wielerfan en liefhebber beter te leren kennen en op zijn wenken te bedienen.”

Neem ons eens mee naar februari-maart. Hoe hebt u dat beleefd?

“Tegelijk met de Omloop was er de UAE Tour in de Emiraten en enkele renners hadden daar positief getest. Dat was op dat moment ver van ons bed, wij organiseerden op 28 februari nog de start in het Kuipke in Gent met duizenden toeschouwers. Een week later ben ik al naar Marc Van Ranst getrokken om te vragen hoe hij de toekomst zag. Dat kon toen nog alle kanten uit, maar in Italië ontplofte het die week.

“Al heel snel hebben wij beslist dat we ons zouden beperken tot de basis van organiseren: een wedstrijd laten doorgaan. Het randgebeuren, de hospitality, toch een groot deel van ons zakencijfer, hebben we afgelast. Uiteindelijk is niks van het Vlaamse voorjaarsprogramma kunnen doorgaan. Nu wel, maar in beperkte vorm: geen toeschouwers, geen vips. Of we zo break-even kunnen draaien, zal ik pas kunnen zeggen als we hiermee klaar zijn.

“Het belangrijkste is dat die wedstrijd kan doorgaan. Wielrennen zonder vips is financieel lastig, zonder toeschouwers kan wel. De ticketing is maar een klein deel van de inkomsten, maar veel volk langs de kant is natuurlijk leuker. Gelukkig is een wielerwedstrijd waarin wordt gekoerst nog steeds een valabel tv-product. Ik denk zelfs dat we het kijkcijferrecord van 1,4 miljoen voor de Ronde van Vlaanderen zullen breken.”

Koers lijkt de enige sport die corona moeiteloos zal overleven. Met dank aan het voluntarisme van de wielrenners. Zo’n frictie tussen Van Aert en Van der Poel: is dat geen geschenk?

“Elke sport heeft nood aan verhalen, aan sterren. Laat het nu juist twee jongens van bij ons zijn, want dat is Mathieu ook, en die uit de cross komen, die het wielrennen vandaag domineren. Ze hebben allebei star quality en zijn welbespraakt. Dat akkefietje na Gent- Wevelgem is inderdaad een geschenk voor het wielrennen. Misschien wordt het zondag wel een sprint met die twee in Oudenaarde.

“Alle sport lijdt onder Covid-19, dat staat vast. Niet alleen de wedstrijden, maar ook de massaevents voor duizenden deelnemers. Gaan wij ooit nog een Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen kunnen organiseren, bijvoorbeeld? Hoe zit dat met de marathons van 40.000 man?

“Neem het veldrijden. Dat is een stadionsport, maar er zijn geen afgebakende zitjes zoals op het voetbal. Dus doen we het zonder publiek, net als in de Ronde. Wij willen sport organiseren, zonder verspreiders van het virus te zijn. Veldrijden heeft het moeilijk, het economisch model is afhankelijk van ticketing die nu wegvalt, en van het verkopen van eten en drinken, wat ook wegvalt. En toch hoed ik mij voor het wentelen in zelfmedelijden. Er zijn nog sectoren behalve sport die het zwaar hebben. De impact is gigantisch, maar het is aan de sportsector om er iets op te vinden, de dingen anders te doen.”

Wat doet u de dag van de koers?

“Ik sta aan de aankomstzone. Veel is er dan niet meer te doen voor mij. Dit jaar ben ik natuurlijk stand-by als het niet loopt zoals
het hoort met betrekking tot de veiligheid en de coronamaatregelen. Bij een normale editie praat ik met de genodigden of de lokale autoriteiten, maar die zijn nu dus niet zo talrijk als vroeger. En sponsors beperken nu vaak hun aanwezigheid, dus dat is ook minder. Afgezien van de stress of alles goed zal verlopen, zijn deze coronawedstrijden voor mij de rustigste die ik al heb gekend. De laatste weken was er alleen een probleempje rond de Brabantse Pijl, toen bleek dat de vrouwenploeg van CCC een positieve coronatest had. Die trokken zichzelf uit de wedstrijd terug.

“Mijn werk loopt weken vóór op het event. Veiligheid is een heel belangrijk item geworden en terecht. De kalender was een ander heikel probleem. Ik heb onderhandeld met de CEO’s van ASO, RCS en alle andere grote wedstrijden over wat wanneer zou worden gereden. Ik dacht dat we goed zaten met oktober, daar leek het ten minste op in juni. Nu blijkt het toch tricky te zijn. Die onderhandelingen heb ik alleen gedaan, Wouter Vandenhaute was toen erg druk met Anderlecht, maar we overlegden uiteraard.”

Op de fiets?

“Dat gebeurt geregeld. Mijn fiets zit vaak in de koffer van de auto en als we iets te bespreken hebben, is het gezonder om dat tijdens een fietstocht te doen dan aan tafel. Vilvoorde is wel niet zo’n ideale uitvalsbasis voor een mooie tocht. De meeste van mijn ritten ben ik alleen op pad. Ik woon in Heusden bij Gent, via de Schelde ben ik zo in Oudenaarde en dan hangt mijn rondje af van hoeveel tijd ik heb.

“Ik denk dat ik in 2020 aan 6.000 kilometer zal komen, wat veel is voor mij. Ik ben erop vooruitgegaan dit jaar. Ik ben ook fit en mijn gehavende enkels voel ik ook niet als ik fiets, tenzij na een hele lange tocht. Er zit nog wat ijzer in mijn voet en dat wil wel eens opspelen.

“Ik heb ook die obsessie van de wieltoerist: ik kan niet gewoon gaan fietsen. Ik moet een strijd leveren tegen mijzelf, tegen mijn pr op de STRAVA-segmenten en dan wil ik nog wel eens te veel doen en mijzelf kapot fietsen. Op Zwift durf ik ook wel eens tegen iemand te rijden en als die dan net sterker is, pfff. Ik weet dat ik nooit aan gemiddeldes van 37 zal geraken. Uit de wind zitten, dat gevoel ken ik niet. (lacht) Ik rij altijd in de wind. En klimmen is al zeker mijn ding niet.

“Ik ben in de Tour de Col de la Loze (21,5 km aan 7,8% met pieken van 20%, HV) opgereden. Met vijf per uur en af en toe strategisch gestopt. Ik was vooral in de Tour om te kijken hoe zij het aanpakten. Veel heb ik niet geleerd. Die massa volk op de Peyresourde was fout. Ook bij de tijdrit stond het volk te dicht op elkaar. De Grand Colombier was dan weer hermetisch afgesloten. De ene berg dicht en de andere niet, volgens de waan van de dag… Ik heb toen gezien hoe het niet moest.”

U zat eerder bij Bakala en dan zijn er nog Sporthouse Group en het basketbalverhaal. Hoe past u alles in?

“Bij Bakala ben ik weg sinds 2017. Bij Sporthouse Group ben ik aandeelhouder en heb ik een minder operationele functie. Sporthouse zit in de digitale communicatie. Wij doen onder meer de accounts van Kevin De Bruyne, Dries Mertens, een aantal voetbalclubs, Play Telenet. Ook Flanders Classics, maar dat dateert al van voor ik daar ben. Veertien mensen werken daar, de CEO is Sam Kerkhofs, de neef van Kat, de vrouw van Dries Mertens.

“Ik heb een drukke agenda, dat kan ik niet ontkennen en ik wil het ook allemaal goed doen. Dat betekent veel en lange dagen, opstaan en gaan slapen met wielrennen. Toch heb ik niet het gevoel dat ik werk.”page2image6241312

En dat basketbal?

“Ik ben voorzitter van ULEB, de koepelfederatie van de grootste liga’s in Europa. Maandag ben ik voor nog eens vier jaar herkozen, er was geen tegenkandidaat. Dat is een onbezoldigde functie, maar lang niet ceremonieel. We hebben recent, als grootste aandeelhouder van de Euroleague, bij de Europese Commissie een klacht ingediend voor kartelvorming tégen die Euroleague. Wij willen een eerlijke behandeling en toegang van alle liga’s tot die lucratieve Europese competitie.

“Ik zit als voorzitter van ULEB ook in de raad van bestuur en het uitvoerend comité van de wereldbasketbalbond FIBA Europe en ben lid van de competitiecommissie van FIBA World. Dat zijn puur politieke functies. Hoewel ik niet de typische bobo ben, liggen daar mijn kwaliteiten. Coachen? Nooit. Ik leg mijn lot niet in handen van anderen en van niet te controleren parameters. Ik ben ook niet geduldig genoeg om een hele hiërarchie te doorlopen. Als Belgische speler in Europa je plek veroveren, dat gevecht heb ik al eens geleverd. Nu ook nog eens als coach, is nog lastiger. Daar heb ik geen zin in.

“Basketbal is mijn leven geweest en wat ik nu doe voor de ULEB is teruggeven aan de sport. Het plezante is dat spelers van mijn generatie als Andrej Kirilenko (ex-NBA, HV) en mijn room mate bij Real Madrid Jorge Garbajosa nu ook voorzitter zijn van hun nationale bond. Het basketballen zelf? Als ik een ring zie hangen, zoals bij mijn zus, zal ik nog eens een bal gooien, maar ik heb thuis geen ring. In de kelder hangen wat shirts en memorabilia en dat is het.”

Af en toe post u nog een actie van u op Twitter.

“Soms wijzen vrienden mij op fragmenten van vroeger. Mijn carrière dateert grotendeels van voor het social-mediatijdperk dus zoveel materiaal is er niet. Maar het is wel leuk om dat eens terug te zien. Winnen en presteren in topsport, is een gevoel dat je met niks anders kan vergelijken. Dat af en toe terug oproepen, is plezant.”

Mag in uw biografietje ook uw passage bij het Optima van Jeroen Piqueur worden vermeld?

(lacht) “Zeker. Laatst was er iemand die beweerde dat ik mijn Optima-jaren van mijn LinkedIn had weggehaald. Niet waar. Ik ben Jeroen en zijn zoon dankbaar voor de kansen die ik heb gekregen. Dat was een goede leerschool. Ik begeleidde topsporters bij hun financiële planning, maar ik deed ook event marketing en sponsoring,. Ik zou vandaag niet staan waar ik sta zonder die jaren.”

Column over voetbal, corona en overheidssteun in De Morgen van zaterdag 17 okt 2020

Voetbal is niet in nood

De voetbaldomino’s zijn aan het vallen, althans in Frankrijk. Het is een kwestie van tijd voor ze ook bij ons omgaan. Donderdag opende L’Equipe de krant met de melding dat de Ligue, de Franse profliga, een lening had afgesloten voor 120 miljoen euro, kwestie van de hoogste nood bij de Franse profclubs te lenigen. Eerder al vroeg de Ligue 215 miljoen aan de Franse staat ter compensatie van de gederfde inkomsten van wedstrijden zonder publiek, hospitality en daarmee gepaard gaande sponsor- en andere overeenkomsten.

Daarbovenop heeft het Franse voetbal nu ook nog eens te horen gekregen dat rechtenhouder Mediapro het contract ter waarde van 810 miljoen euro (waarvan 780 voor de Ligue 1) wil heronderhandelen. De Ligue stond meteen op de achterste poten en sprak ferme taal. Zoals: geen sprake van. Of nog: in dat geval gaan we de hoofdaandeelhouder in gebreke stellen.

De tweede schijf die op 5 oktober door Mediapro moest worden betaald bedraagt 172 miljoen euro en dat is niet gebeurd. Het aparte aan dit verhaal is dat Mediapro een nieuwe rechtenhouder is. De vorige rechtenhouders waren Canal+ en BeIn Sports en die weigerden eind maart bij de stopzetting van de competitie om de resterende aanbetalingen te voldoen.

Waarop de nieuwe rechtenhouder de oude kapittelde en zie, daar is golfje bis en de nieuwe doet net hetzelfde.

Ander leuk aspect aan deze story: Mediapro is al lang geen Spaans bedrijf meer. Sinds 2018 heeft het als hoofdaandeelhouder een Chinees investeringsfonds dat luistert naar de naam Orient Hontai Capital. Dat zit dan weer onder de holding Orient Securities en die hebben op hun beurt als hoofdaandeelhouder de stadstaat Shanghai, zeg maar meteen de staat China. De Franse Ligue 1 gaat zich dus meten met China. Bonne chance.

Overigens is het eerste dominosteentje gevallen in Duitsland, maar dat bleef wat in de luwte. Afgelopen zomer is daar het nieuwe tv-contract onderhandeld dat moet ingaan vanaf de zomer van 2021. Voor het eerst is dat minder waard dan het vorige. Geen 1,15 miljard euro per jaar, maar 1,1 miljard.

In België houden de profclubs ook hun hart vast, telkens als Eleven een schijf moet betalen. Dat willen we best geloven. Bovendien eisen Telenet en Proximus nog altijd een compensatie voor de laatste schijf aan televisierechten die al is betaald, maar waar geen prestatie tegenover stond. Lees: we hebben betaald voor iets wat we niet hebben gekregen.

Ondertussen roert ook de abonnee zich. In tegenstelling tot wat je zou verwachten is dat niet het lompenproletariaat van de volksplaatsen dat zich van alles moet ontzeggen om een abonnement voor de wekelijkse anderhalf uur troost/ergernis. Clubliefde overstijgt de mercantiele reflex. Niet bij de dure zitjes, die hun geld terug willen. In Gent willen een aantal van die business- en vip- seathouders de club in gebreke stellen. Zij pikken het niet dat ze met een kluitje in het riet worden gestuurd, in casu met een tegoed op hun digitale betaalkaart voor drank en eten of een sjaal in de fanshop.

In Nederland was dan weer ophef ontstaan over bonussen van 200.000 en 250.000 euro voor algemeen directeur Edwin van der Sar en technisch directeur Marc Overmars van Ajax. Die hadden ze gekregen in 2019, maar stonden nu pas in het jaarverslag dat was gepubliceerd net in de periode dat bekend raakte dat Ajax – eigen vermogen 228 miljoen euro – eerder dit jaar 4 miljoen euro had gekregen uit de Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW). Dat is een steunpakket voor bedrijven die geraakt worden door de coronacrisis, zoals het overbruggingsrecht bij ons.

Wordt het niet stilaan tijd dat het voetbal wat realisme predikt? Een televisieproduct dat niet aan de voorwaarden voldoet zoals je
dat hebt gekocht, daar moet niet voor worden betaald zoals afgesproken. Een voetbalabonnee die niet de wedstrijden krijgt die zijn voorzien in de voetbalkalender, moet worden gecompenseerd. En een voetbalclub moet vooral geen beroep doen op fondsen die door de overheid bij elkaar zijn geharkt om aan de echte nood van bedrijven en werknemers tegemoet te komen.

Voetbal is niet in nood, het doet maar alsof. Voetbal moet het geld halen waar het zit, bij de spelers, managers, tussenpersonen, bestuurders. Die profiteren van wat economen surpluswinst heten: ze worden al jaren hoger vergoed dan nodig om in voldoende mate te produceren. Geen sector die zo overbetaalt, als het voetbal. Daar is niks mis mee, zolang het geld er is. Nu het geld er niet is, kan het ook met minder.

Column over Wout en Mathieu (na Gent-Wev) in De Morgen van maandag 12 oktober 2020

We hebben een rivaliteit

Het zal ongetwijfeld te maken hebben met die veertig min of meer normale jaren voorafgaand aan 2020, en misschien dat de jongere lezer daar anders tegenaan kijkt, maar dit sportjaar wil ik snel vergeten. Nog zo een en ik geef er de brui aan.

Wie verzint nu een Gent-Wevelgem in herfstkleuren, samenvallend met Parijs-Tours, een bergrit in de Giro en ergens een Superprestige veldrijden, was dat niet in Gieten? Tegelijk nog wel met tennis op Roland Garros, wat een treurnis. Roland Garros hoort gespeeld te worden onder een mooie late lentezon, met heel af en toe een bui, maar niet onder een dichtschuivend dak bij twaalf graden.

Zaterdag won een Poolse dochter van een roeier haar eerste proftoernooi ooit, meteen een grand slam. Zondag was het Rafael Nadal tegen Novak Djokovic. ‘Djoko’ droeg lange mouwen, Nadal een horloge van 1 miljoen dollar. Daar knap ik ook op af.

Voetbal dan maar? Helaas. Deze treurnis-met-bal-op-gras kan echt niet boeien. Niet de competitie, niet het Europees voetbal wat al is gepasseerd en wat nog moet komen en al helemaal niet het interlandvoetbal, het is één grote schone schijn die wordt opgehouden. Die oefeninterland tegen Ivoorkust deze week, kan iemand daar het nut van uitleggen? Idem voor de Nations League overigens. Zou er echt een topland geïnteresseerd zijn in dat onding? Ik heb medelijden met collega’s die daarover pagina’s vol moeten schrijven. Dit is de rechte weg naar een burn-out. Kan iemand ook uitleggen waarom de ene sportkrant in Vlaanderen het onding tegen Ivoorkust best wel oké vond en de andere niet? Zou dat met de commerciële deals rond de Rode Duivels te maken hebben?

Net toen najaars- of nacarrièreblues ongenadig hard wilde toeslaan, was er de finale van Gent-Wevelgem. Hoop doet leven. Heerlijke koers gezien, weeral. Wielrennen is de enige sport die beter is geworden van corona, zo lijkt het wel. Dat beeld van de nummers acht en negen in de uitslag, de beste sprinters op papier van de kopgroep tot op enkele kilometer van de meet, maar kansloos want te veel kruit verschoten. En dan die interviews. Dames en heren, ouderen en jongeren, sire, we hebben weer een rivaliteit in het cyclisme gelijkwaardig aan die tussen Rik Van Looy en Eddy Merckx destijds. Met dat verschil dat wij er veel langer van kunnen genieten want Rik was twaalf jaar ouder dan Merckx, die al na een jaar veel te sterk was voor Van Looy.

De rivaliteit tussen Wout van Aert en Mathieu van der Poel moet niet ten top worden gedreven, maar ze is geen verzinsel. Ze bestaat. Hoogst uitzonderlijk: ze is voor één keer niet uitgelokt door de media. Wel integendeel, in alle commentaren tijdens de dolle zomer van Van Aert bleef het respect voor Van der Poel groot. Terecht werd af en toe gewezen op de stappen die Van Aert had gezet en hoe zijn eeuwige rivaal Van der Poel daar zou naar kijken. Meer tweedracht is niet gezaaid. Van der Poel prees onlangs nog zijn concurrent als een van de beste renners van de wereld en hij gaf ridderlijk toe dat Van Aert dingen kon die hij niet kon.

Beetje vreemd hoe Wout van Aert na Gent-Wevelgem sprak. Hij zei iets in de trant van “ik vind het laag om zo te koersen” en “er was er een die liever wilde dat ik verloor dan dat hij won”. Harde woorden en als Van Aert het wedstrijdverslag zal terugkijken, spreekt hij wellicht anders. Van der Poel heeft veel geïnvesteerd in deze wedstrijd, meer zelfs dan Van Aert tot de finale begon. Dat hij vervolgens een paar keer een gat dichtreed op een groepje waarbij ook Van Aert zat, was zijn verdomde plicht. Alleen deed Van der Poel dat niet met de fluksheid die we van hem zagen in de finales van 2019 en kon hij niet reageren toen de vier wegreden.

Deze Van der Poel is niet de Van der Poel van 2019 en was gisteren net iets minder dan Van Aert, iets wat hij ootmoedig toegaf, maar Van Aert heeft ongelijk als hij beweert dat Van der Poel continu op zijn wiel heeft gereden. Hier schieten we niks mee op, jongens. Deze rivaliteit die in het veld is begonnen en die altijd keurig is gebleven – hoewel rond de WK’s in Bieles en Valkenburg heel even haat en nijd de bovenhand dreigden te nemen – kan een heel vervelend oorlogje worden.

Een Belg in Nederlandse loondienst die de beste Nederlander in Belgische loondienst laf koersgedrag verwijt, dat is heftig. Wout van Aert rijdt in het Oranje op wielen, Jumbo-Visma. Mathieu van der Poel, die woont in België en ‘Belgisch-Vlaams-Kempens’ spreekt, rijdt in de tricolore Nederlandse trui. Voor wie moeten wij Belgen nu partij kiezen: voor de Belgen van Alpecin-Fenix met een Nederlandse kopman, of voor de Hollanders van Jumbo-Visma met een Belgische kopman?

Interview Lotte Kopecky in De Morgen van zaterdag 19 oktober 2020

‘Veel vrouwen kunnen hard rijden, maar niet sturen’

Rit in de Giro, Belgische wegtitel, transfer naar een buitenlandse ploeg: Lotte Kopecky (24) heeft haar visitekaartje afgegeven in het mondiale wielrennen. ‘Er is niks erger dan een hele ploeg die zich voor jou uit de naad rijdt, waarna jij het verkloot.’

Eind oktober 2006. Het gezin Kopecky heeft de grote oversteek gemaakt van Schelle naar het Zilvermeer in Mol, waar Seppe, de oudste van drie kinderen, moet crossen bij de min-14-jarigen. Kleine zus Lotte, op haar eerste stalen Minerva-fietsje, start die 22ste ook. Seppe wordt vijfde na winnaar Laurens Sweeck, nu een subtopper bij de profs, Lotte wint bij de elfjarigen. De eerste kampioenentrui, die van de provincie Antwerpen, in een lange rij is binnen. Een dag later staat ze voor het eerst in de krant: een uitslag en een kort berichtje met haar naam in de titel. Op de gezamenlijke Antwerpse kampioenenfoto van 2006 staat bij de 13-jarige jongens een timide baasje, hij heet Wout van Aert.

Lotte Kopecky van Steeds Vooraan Kontich, provinciaal kampioen bij de elfjarigen, herinner je je dat nog?

“Jawel. Ik reed graag cross. Voor wie denkt dat het een echte overwinning was: je rijdt tot en met de nieuwelingen samen met de jongens. Meestal werden we eraf gereden. Ik was dus niet de eerste in die wedstrijd, maar het eerste van twee elfjarige meisjes dat over de streep kwam. Samen met de jongens rijden en trainen, ik heb niks anders geweten. Op de topsportschool trainde ik ook vaak alleen met jongens en nu nog rij ik soms wedstrijden bij de junioren. Laatst nog in Landskouter, Jolien D’Hoore reed ook mee.

“Vóór die wedstrijd hoorde ik jongens zich hardop afvragen wat ik daar te zoeken had, dat ze mij eens gingen laten zien wat koersen was… Winnen van die junioren kunnen we niet, maar we kunnen ze wel af en toe pijn doen. Je hebt er altijd die het raar vinden dat ze ons dat toestaan, maar voor ons is het een prima training. We moeten toch een indruk hebben nagelaten, want nadien kreeg ik allemaal vriendschapsverzoekjes.”

Wielrennen was niet je eerste en ook niet meteen je grote liefde.

“Neen, en dat is misschien maar goed ook. Sporten, bewegen, dat zat er bij ons thuis wel in. Ik heb eerst gevoetbald, als spits bij FC Schelle. En ik heb basketbal gespeeld. Toen mijn broer ging koersen, had ik daar niet zo veel mee. Eigenlijk fietste ik niet graag, maar ik dacht: waarom niet, laten we dat eens proberen.

“Ik heb nooit druk ondervonden van thuis. Mijn vader vond dat we moesten koersen als we dat plezant vonden. Waren we gelost, dan was dat zo. Als we maar ons best hadden gedaan en ons hadden geamuseerd. Volgende keer beter.

“Mijn vader heeft mij er onlangs nog aan herinnerd hoe ik hem toen al zei dat het toch mooi zou zijn als je wereldkampioen zou kunnen worden en de Olympische Spelen halen. In 2016 mocht ik naar de Spelen voor de tijd- en de wegrit en in 2017 werd ik samen met Jolien wereldkampioen. Volgend jaar gaan we naar de Spelen met een serieuze medaillekans. Dat had ik nooit durven dromen.”

Het is dinsdag, daags voor de Brabantse Pijl. Alleen losrijden staat die dag op het programma voor Lotte Kopecky, die thuis ontvangt, beschermd door een labrador, twee zwarte katten en een mondmasker.

Lotte Kopecky: “Wij worden twee keer getest vóór een grote wedstrijd en één keer voor een UCI-wedstrijd. Ik heb sinds augustus al wat wissertjes in mijn neus gehad. Ik weet van geen positieve testen bij de vrouwen. Bij de mannen ook niet, dat klopt, maar over de hele Tour de France geen enkele positieve test, geloof jij dat? Ik denk dat ze de test grondig of minder grondig kunnen doen, diep of minder diep. Ik heb die wisser al vooraan in de neus gehad, maar ze hebben hem ook al zo diep gestopt dat het een halve dag later nog pijn deed aan mijn sinussen.”

Was die lockdown in maart een beproeving?

“Ik vond het eerst erg vervelend. Al die mooie klassiekers die wegvielen. Daarna zag ik ook de voordelen: ik kon na jaren van koersen in de winter op de piste en in de zomer op de weg eindelijk eens rust nemen. Pas op, ik kan erg goed niks doen en als ik begin te kijken naar een serie, kan ik ook goed bingewatchen.

Zo heb ik alles van La casa de papel nog eens helemaal bekeken. Intussen zag ik collega’s hun training op Strava posten: die had 150 kilometer getraind, en die 160 kilometer. Ik dacht: doe maar. Willen jullie in augustus vliegen, mooi zo, ik wil in oktober vliegen.”

Je woont samen met je trainer Kieran De Fauw. Helpt dat?

“Dat ik privé rust heb gevonden, klopt. Ik voel mij momenteel goed in mijn vel, ik ben zelfverzekerder dan vroeger en ik ben gelukkig in die relatie. Dat zal allemaal wel zijn gevolgen hebben gehad voor mijn prestaties.

“Het grootste voordeel is dat ik mijn inbreng heb in wat ik doe. Ik ben zelf ook Trainer B wielrennen. Ik ken er wel iets van en ik doe niet om het even wat. Het is niet dat we ruzies hebben over hoe ik moet trainen. Wel soms een discussie: waarom vier uur met die blokjes uitgerekend nu, bijvoorbeeld. We scheiden dat: dan gaan we als atleet en trainer een uurtje zitten en spreken we alles door.

“Na de topsportschool heb ik mijzelf getraind. Ik werd vijfde in de Ronde van Vlaanderen en Jolien en ik werden wereldkampioen ploegenkoers. Ik dacht: waarom zou ik een trainer nodig hebben? Natuurijk heb ik toen fouten gemaakt. Vroeger was mijn devies: hoe meer, hoe beter. Nu train ik kwalitatiever en krijgen we van alle kanten wetenschappelijke input.”

Jij bent een product van de topsportschool. Heb je daar wat aan gehad?

“Jawel. Voor mij was dat het ideale traject. Baanwielrennen vind ik sowieso de beste opleiding. Het is de meest eerlijke discipline op de fiets, je traint heel gericht en je leert sturen. Dat komt van pas op de weg. Volgend jaar wil de UCI de pistemeetings in de zomer plannen en niet langer in de winter. Dat wordt vervelend voor wie ook op de weg wil rijden, maar ik wil het toch blijven combineren. Ik hou van de wielerbaan. Laatst hadden we nog een minimeeting in Aigle in Zwitserland, tussen het BK en de klassiekers, maar ik vond dat niet erg. Ik had er behoefte aan om weer wat beensnelheid te kweken en twee weken na Parijs-Roubaix hebben we alweer een EK baanwielrennen.

“Vijf jaar heb ik op de topsportschool gezet, waarvan vier jaar op internaat op de Blaarmeersen in Gent. Wij kregen nog les op een andere locatie, maar nu volgen ze les naast het internaat en honderd meter verder ligt de wielerbaan. Ideaal? (lacht) Misschien, maar wij hadden tenminste nog wat vrijheid. Het traject tussen de school en wielerbaan, dat vulden we zelf in. Zo konden we toch Gent een beetje ontdekken. De stad bedoel ik, de winkelstraten, niet de Overpoort. Die ken ik alleen van horen zeggen.”

Is dit het jaar van de doorbraak?

“Dat had 2017 moeten zijn, met die vijfde plaats in de Ronde van Vlaanderen en die wereldtitel, maar toen raakte ik geblesseerd: eerst een scheur in de hamstring en een jaar later een gebroken elleboog na een val. Ik heb het gevoel dat ik twee jaar ben verloren. Mentaal was dat een zware periode. Iedereen bestempelt je als het grote talent en hoewel je redelijke uitslagen rijdt, zit daar geen enkele uitschieter tussen. Dit seizoen heb ik een stap gezet. Ik ben ook vier kilo lichter dan vorig jaar, waardoor ik beter klim. Meer moet er voorlopig niet af: ik heb body nodig voor de piste.”

Op die topsportschool liep jij niet over van zelfvertrouwen. Je was zelfs heel introvert. Is dat veranderd?

“Het moet geleden zijn van de Chiro dat ik de luidruchtigste was. Op de topsportschool in Gent heb ik het eerste jaar geen tien woorden gezegd. Ik heb die behoefte niet meer om op te vallen. Ik weet wat ik wil en hoe minder mensen daar staan op te kijken, hoe comfortabeler ik mij daar bij voel.

“Op zich heb ik er geen probleem mee dat jij hier nu bent, maar ik voel mij wel ambetant als mensen te veel op mij letten. Als ik ga winkelen, heb ik de indruk dat ze in mijn kar kijken en zich afvragen ‘mag die dat wel eten?’. Stel dat ik Wout van Aert zou zijn, hoe erg moet dat niet zijn?

“Ik ga zo anoniem mogelijk naar de supermarkt. Geen koerskleren, geen logo’s van Lotto-Soudal. Anderzijds vind ik het plezant als mensen mij aanspreken en feliciteren. Ook als ik ga meerijden met de A-groep van wielertoeristen van Wippelgem, zal ik proberen op te gaan in de groep. Ik zeg weleens iets onderweg, ja, maar toch vooral als die naast mij eerst begint. En als de mannen vooraan echt beginnen te koersen, los ik.”

Hoe zit het nu voor volgend jaar? Mogen we schrijven dat je bij CCC-Liv gaat rijden?

“Het is van gisteren getekend.”

Vandaar die Porsche voor je deur.
(kijkt verbaasd)

Dat is een grapje.

“Ach zo. Neen hoor. Ik ga er wel iets op vooruit, maar nu ook niet heel veel. Ik kom wel in een betere ploeg. Marianne Vos vertrekt bij CCC en gaat naar Jumbo-Visma. Of ik de nieuwe Vos word? Haar palmares zal ik niet evenaren, maar ik word wel hun kopvrouw. Dat is een hele verantwoordelijkheid: niks erger dan een hele ploeg die zich de naad uit het lijf rijdt, waarna jij het verkloot. Daar kan je een slecht gevoel aan overhouden.

“Daarom was ik zo blij met die Belgische titel en vooral die rit in de Giro Rosa. Twee dagen eerder was ik nog net ingehaald door Marianne Vos terwijl ik dacht dat ik ging winnen. De dag dat ik won, was mijn laatste kans op ritwinst en dan gebeurt het toch nog. Het is een goed moment om weg te gaan bij Lotto-Soudal. Emotioneel heb ik niks met hun structuur van volgend jaar. Het hele management en de omkadering verandert, dat maakt het een stuk makkelijker om hen achter te laten.”

Wat kun jij goed en wat kun jij niet goed?

“Als ik ergens móét zitten in een wedstrijd, zal ik daar zitten. Dat heb ik wel voor. En ik kan goed sturen. Heel veel vrouwen kunnen heel hard met de fiets rijden, maar kunnen niet sturen of niet in een peloton rijden. Dat is trouwens ook een probleem in de ploegenkoers, een relatief nieuwe discipline voor vrouwen. Wat ik daar soms zie aan fouten, om bang van te worden.”

Mag ik zelf invullen wat jij niet goed kunt? Jij weet niet wat er allemaal in je motor zit.

“Ik voel mij zelfverzekerder dan ooit. Dit jaar ga ik naar koersen als Gent-Wevelgem (nu zondag, red.) en de Ronde van Vlaanderen met de idee: ik zit in de beste vorm ooit, ik kan winnen en als er wordt aangevallen op veertig kilometer van het einde, moet ik gewoon meekoersen. Dat is al heel wat voor mij. Alleen: ik zal nooit op voorhand zeggen dat ik ga winnen.”

De Nederlandse vrouwen zijn de beste, waarom zij en niet jij?

“Dat weet ik niet. Ik denk dat de onderlinge concurrentie in die brede top hen sterker heeft gemaakt. Ik kom nu in een buitenlandse ploeg terecht en ik hoop bij te leren en te zien wat ik nog mis. Ik heb Marianne Vos wel al eens geklopt. Anna van der Breggen is een ander type en die ken ik niet goed. Annemiek van Vleuten ken ik beter. Zij heeft mij twee jaar geleden gevraagd of ik bij haar in de ploeg wilde komen en sindsdien sturen we wel eens een berichtje.

“Toen ik die rit in de Giro Rosa won, was zij even daarvoor gevallen, en had ze haar pols gebroken. Daarna heb ik haar een berichtje gestuurd om haar spoedig herstel te wensen. Waarop zij antwoordde: ‘klote voor mij, maar jouw overwinning maakte de etappe toch een stukje mooier’. Na het BK stuurde ze dat ze had gekeken, dat ik de sterkste was en dat ik op de Tiegemberg vroeger had moeten demarreren.”

Waarom heeft vrouwenwielrennen de reputatie saai te zijn?

“Vind je dat? Er zijn toch al hele mooie topkoersen geweest? Oké, er is een verschil tussen de topkoersen en de koersen in België en zeker bij de jeugd. Het klopt dat die vaak saai zijn. Er zijn in België gewoon te weinig goede wielrensters, in elke categorie, van de jeugd tot de profs, om wedstrijd te maken. Nederland heeft tien-twintig toprensters, dus er wordt gekoerst. In België steken we er met twee bovenuit. Als je met diezelfde twee van in het begin koers maakt, ben je steeds met dezelfde vooraan. Dus wordt afgewacht en wordt pas aan het eind gekoerst. De vraag is dan waarom er zo weinig goede wielrensters zijn. Het klopt dat bij ons heel veel met de koersfiets wordt gereden, ook door meisjes en vrouwen. Volgens mij fietsen de meesten wel graag, maar zien ze niet graag af. Het is het enige wat ik kan bedenken.”

Het BK was een illustratie van je theorie: jij en Jolien D’Hoore rijden samen 50 kilometer voorop. Jij wint uiteindelijk een spannende sprint.

“Zij is de sterkere sprintster op papier, zij moet normaal altijd winnen, maar na een lastige koers kan ik ook sprinten. Mijn overwinning in de Giro Rosa was er ook één na een lastige etappe en met een finish op kasseitjes en licht bergop. Ideaal voor mij. Het BK was ook zwaar en daardoor kom ik in de sprint nog uit de verf.”

Jullie trainen samen om een olympische medaille te winnen in Tokio in de ploegenkoers. Werd er onderweg veel gepraat?

“Een keer of twee. (lacht) De eerste keer zei ze: ge gaat toch niet van achter mijn gat demarreren? En toen ik van achter haar gat was gedemarreerd, zei ze: rij nu maar op kop de Tiegem naar boven, anders rijd ik niet meer mee. Waarop ik antwoordde: er zitten er vier van mijn ploeg achter ons, als jij niet meer rijdt, komen zij terug. Waarna ze toch is gaan rijden.”

En verloor in de sprint. In de kranten verscheen: de wissel van de wacht. Geneer je je daarbij?

“Generen is een groot woord. Ik weet dat Jolien er veel waarde aan hecht dat ze beste is. Als zij zich daar beter bij voelt, mag zij gerust de leading lady zijn. Als wij een ploegkoers rijden en de pers wil ons spreken, dan zeg ik altijd: doe maar, Jolien. Zij vindt dat leuk en ik ben op mijn gemak.

“Met de uitslag van het BK van vorig jaar had ze meer moeite. Toen waren we een tijdje echt niet al te beste maatjes. Dat kwam omdat onze ploeg in dat BK reageerde op alles wat zij deed. Ten slotte won Jesse Vandenbulcke van Doltcini-Van Eyck, wat voor geen van beiden goed was. Ze was heel gefrustreerd. Dat heeft op onze relatie als ploegenkoerskoppel gewogen.

“Ik denk dat het dit jaar zuiverder was. Het was een eerlijke strijd en ik heb gewonnen, het had evengoed andersom kunnen zijn. Toen we elkaar in Aigle terugzagen, hebben we het niet meer over het BK gehad, neen. We hebben heel normaal gedaan tegen elkaar. We hebben elkaar nodig op de Spelen. Als we dat niet beseffen, zijn we allebei dom.”

Column Brugse Fata Morgana in De Morgen van zaterdag 10 oktober 2020

Brugse fata morgana

Die BeNeLeague, dat is zoiets als het stadion van Club of Uplace, dat duurt nog wel even voor het er komt. Of het komt er nooit.

Zo eindigde maandag deze column. Neen, ik had geen voorkennis van wat de Raad van State woensdag zou verordonneren met betrekking tot de Brugse stadionplannen. Ik volg in dit dossier mijn buikgevoel als burger. Wat ook helpt, is met iemand bellen die iets afweet van ruimtelijke ordening en hoe bouwplannen van die omvang worden beoordeeld. Daarom staat hier sinds 2006 dat die Brugse stadionplannen één grote fata morgana zijn.

Alles is terug te voeren op een systeemfout: twee eersteklassers in een uit de kluiten gewassen dorp met water rond. Volgens het (achterhaald) Belgisch-Europees competitiesysteem hebben beide teams evenveel bestaansrecht op die Brugse zakdoek. Toevallig is dat vandaag in eerste klasse. Niemand weet wat het morgen wordt, althans niet met Cercle. De vereniging was al een paar keer terminaal, maar staat telkens uit de doden op, de laatste keer met buitenlandse steun.

Dat steekt de Belgische eigenaars van Club en andere ‘Belgische’ eersteklassers de ogen uit, maar dat zelfverklaard superieur Belgisch eigenaarschap is pure hypocrisie. Club speelt het nu alsof het meer inzit met het Belgisch voetbal dan Cercle. Onzin. De finaliteit van alle clubs in de Jupiler Pro League – in Belgische dan wel in buitenlandse handen – is in de eerste plaats winst maken met de inkoop/verkoop en import/export van menselijke voetbalwaar. En als Bart Verhaeghe dat voetbal moe is en winst wil slaan uit een verkoop van zijn FCB en de meest biedende woont in Chakamaka, wie denkt u dat de eigenaar wordt? (Idem voor Gent, Antwerp, Mechelen, Luik en Anderlecht overigens.)

Het is wat het is, Brugge heeft twee eersteklassers: één topclub en een andere die het nu even iets beter stelt, maar al decennia tussen hangen en wurgen overleeft. Jawel Cercle, het is niet anders. Dat als gevolg daarvan een stadje als Brugge ook maar durft te overwegen om de in Vlaanderen schaarse open ruimte op te offeren voor twee nieuwe voetbalstadions, elk voor gemiddeld één wedstrijd per week, houdt het midden tussen arrogantie en wereldvreemdheid, vermengd met een serieuze scheut domheid en opportunisme.

De Raad van State schreef dat niet letterlijk in het arrest, maar je kunt het wel tussen de regels lezen. Het arrest spreekt zich overigens niet uit over de stadionplannen van Club Brugge, hoewel die onrechtstreeks de dupe zijn. De Raad van State zegt letterlijk: met
de (herbestemmings)plannen die voorliggen wordt in Brugge te veel openbare ruimte opgeofferd voor voetbal. De cijfers: van 21 hectare (Jan Breydelsite) voor profvoetbal wordt dat op twee locaties 71 hectare. En in Sint-Andries een bestaand stadion van 29.000 toeschouwers (met plannen voor een nieuw stadion van 40.000 in een woonwijk) én aan de Blankenbergse Steenweg een ‘gezellig familiaal stadion’ van 15.000 toeschouwers (in landbouwgebied) valt niet te verantwoorden.

Niet het bestaan van Cercle, maar de fata morgana van de ontdubbeling van de Brugse stadioninfrastructuur is de oorsprong van alle ellende. Die valt samen met de blijde intrede in Brugge van Bart Verhaeghe, die nooit een boodschap had aan Cercle, voor hem een blok aan het been. De historisch vreedzame coëxistentie tussen de twee clubs ontaardde daardoor in een scheiding van tafel en bed onder één dak.

Verhaeghe wilde af van Cercle. Zag hij onderweg van de E40 naar Jan Breydel een weide, hij droomde meteen van een stadion, aanvankelijk zelfs in combinatie met een gigantisch shoppingcenter en maar liefst 9.000 parkeerplaatsen. Keer op keer werden die plannen afgeschoten, want niet in lijn met de ruimtelijke ordening. Hij hield het op boycot en rechtsonzekerheid, hetzelfde riedeltje hanteerde hij voor het afkeuren van zijn Vilvoordse Uplace, later Noplace.

Na twaalf jaar ter plaatse trappelen, trad in 2018 in Brugge een nieuw stadsbestuur aan en die wilden in een vlaag van nooit gezien politiek opportunisme de volgende gemeenteraadsverkiezingen veiligstellen. Tegen 2024 een nieuw stadion voor Club én Cercle en de politieke buit was binnen. Niet dus.

Cercle hoopt nu op een andere locatie, maar daar stelt zich hetzelfde probleem met de Raad van State: twee voetbalstadions in Brugge spoort niet met ruimtelijke ordening gericht op het maximaal vrijwaren van open ruimte. Tenzij Club vertrekt uit Brugge, lijken Cercle en Club veroordeeld tot het samengebruik van één Brugs stadion. Gebouwd op maat van wat stad en omgeving kunnen dragen, een compromis tussen de wensen van het grote Club Brugge en het kleine Cercletje.

Column over Club Brugge en de BeNeLeague in De Morgen van maandag 5 oktober 2020

Club Brugge en de BeNeLeague

Bijzonder interessant interview zaterdag gelezen met Bart Verhaeghe en Vincent Mannaert, respectievelijk de voorzitter en de algemeen manager of directeur, enfin, de operationele baas van Club Brugge. Het interview is de bevestiging van een lang gekoesterd vermoeden: deze heren hebben het voetbal uitgevonden. Pas op met geïnterviewden die spontaan melden “laat ons vooral niet arrogant zijn”. Los daarvan: in het interview staan waarheden. Evengoed enkele kort-door-de-bochtredeneringen toevallig omdat die Club Brugge vandaag goed uitkomen. Dat heet opportunisme. Zoals bekend is dat een belangrijk wapen in het voetbal, ook wel eens toeval met een bal genoemd.

Niemand kan Club Brugge verwijten dat ze staan waar ze staan. Niemand mag Club Brugge met de nek aankijken omdat ze goed hebben gewerkt. Dat is de verdienste van bovenvermelde tandem. De putsch van Jean-Luc Dehaene en Michel D’Hooghe om in 2012 zowat de hele club gratis aan Verhaeghe te schenken na diens belofte om voor een nieuwe stadion te zorgen, is goed uitgedraaid. (Voor de volledigheid: er is 15 miljoen betaald door Verhaeghe, waarvan 14 werkingskapitaal, maar de activa van de club overstegen ruimschoots die som.) Zelfs zonder dat nieuwe stadion, zeilde Club op dat elan onweerstaanbaar naar de top van het Belgisch voetbal.

De marstabel van Verhaeghe die zichzelf in de daaropvolgende jaren profileerde binnen de voetbalbond en zich even de godfather van het Belgisch voetbal waande, is in Brugge perfect uitgevoerd door Mannaert. Voor wie selectief leest, de som van alles wat hiervoor staat, de plussen en de minnen opgeteld, is een grote plus, een acht op tien: Club Brugge is met afstand de meest geliefde én meest gehate én beste geleide club van het land.

Dat Club heeft het evenwel gehad met voetballand België, althans met het hardleerse deel dat volgens hen niet mee wil. Die willen ze overboord. Club is de wegbereider van de Beneliga. Als die er komt – met de nadruk op áls – zal die voor de verkoop naar het buitenland ongetwijfeld BeNeLeague heten. Nu nog een koper vinden en liefst meer dan één.

Club wil tegen Ajax en PSV voetballen en ook tegen nog zes andere Belgische clubs. De G7 zeg maar. Dat zijn de G5 – Club, Anderlecht, Gent, Standard en Genk – aangevuld met Antwerp en Charleroi. Aan de andere Belgische eersteklassers heeft Club geen boodschap meer. Jammer, en een beetje onterecht, die desolidarisering.

Het bijna levend organisme competitie is een raar ding. Het woord is afgeleid van het Latijn compet#ti#, wat ‘mededinging’ betekent, en op zijn beurt een origine vindt in het werkwoord competere wat dan weer ‘gemeenschappelijk streven naar’ betekent. In de etymologie van het begrip ligt dus een vorm van solidariteit besloten. Competitie is elkaar de duvel aandoen en aan het eind wint iemand, maar tegelijk is het iets dat je samen doet en waarbij solidaire afspraken gelden. Volgens Club – zij staan met die mening niet alleen maar durven er wel voor uitkomen – komen veel andere clubs in België hun afspraken niet na. Erger zelfs, de clubs die het niet goed doen (volgens Club) vragen geld aan de clubs die het wel goed doen (zoals Club).

Die redenering gaat voorbij aan een realiteit. Geldtransfers om economische ongelijkheid te nivelleren, tot een competitief evenwicht en als gevolg daarvan een aantrekkelijker product te komen, zijn cruciaal in het succes van de meest winstgevende (Noord- Amerikaanse) competities van deze planeet, maar niet in Europa, niet in België en al helemaal niet in Brugge.

Ongelijkheid onder voetbalclubs is volgens de heren van Brugge bijna altijd het gevolg van goed of slecht beheer. Dat is onzin.
Als slecht beheer cruciaal zou zijn, dan waren Club (erg lang geleden), Gent (lang geleden) en Anderlecht (recent) al eens failliet verklaard, bestonden Antwerp en KV Mechelen niet meer. Omgekeerd zouden de zuinige neringdoeners van Westerlo, Zulte Waregem en KV Kortrijk tot de vaste waarden aan de top behoren. Niets daarvan, in ons voetbal zijn de historische fanbase en vooral de geografische ligging cruciaal.

Volgens Mannaert verzandt Club Brugge door de schuld van de slecht beheerde clubs in een economisch zwakke omgeving. Daardoor mist het de internationale trein en kan het niet meer concurreren met de rivalen, ook internationaal. Conclusie: Club heeft geen zin meer in solidariteit met de concurrenten in België en ziet alle heil in de BeNeLeague. Ze zijn daarbij iets vergeten: die BeNeLeague, dat is zoiets als het stadion van Club of Uplace, dat duurt nog wel even voor het er komt of het komt er nooit.

Column over Eden Hazard in De Morgen van zaterdag 3 oktober 2020

Stress is het niet

Aan het eind van de eerste week dat mijn kleindochter voor het eerst naar de kleuterklas ging, belde ik – op dwingend advies van mijn vrouw, zelf was ik daar niet opgekomen – om te vragen hoe ze het had gesteld. Het antwoord was: heel goed, ze heeft goed meegedaan. Wij blij, weer een nazaat die de juiste weg was ingeslagen.

Ik moest aan de kleuterklas denken toen ik deze week op Twitter een artikel zag op de site van een andere krant dan deze. Het ging over Eden Hazard die bij Real Madrid was gaan trainen, een niet geheel ongewone tijdbesteding in zijn geval, niet in de laatste plaats omwille van de 23 miljoen euro die ze hem jaarlijks toeschuiven. De titel boven het bericht was ronduit euforisch: hij doet goed mee met de groep. Daarmee moesten we het doen. Er stond niet bij of hij had geweend bij het naar binnen gaan, ook niet of hij zijn koekje had opgegeten in de pauze en zijn yoghurtje helemaal had uitgeslurpt.

Hij Doet Goed Mee Met De Groep. Daar mogen we met zijn allen blij om zijn, niet? Ik bedoel: het is niet omdat je 115 miljoen hebt gekost en 23 miljoen verdient dat je automatisch ook goed meedoet met de groep. Het een is echt het ander niet in het topvoetbal, en al helemaal niet in het geval van Eden Hazard die in dat hele jaar dat hij nu voor Real Madrid heeft gespeeld nauwelijks een deuk in een pakje boter heeft getrapt. De keren dat het wel gebeurde, zat hij daarna weer weken op de bank met een blessure. Was het niet de enkel, dan wel een spier of iets anders. Pas hersteld van de enkel, speelde begin deze week alweer een spier op.

De fysieke toestand van Eden Hazard baart de mensheid ook ver buiten België zorgen, zoveel is duidelijk. Volgens Real Madrid zit het allemaal tussen de oren. Hazard zou last hebben van stress. Voor de slimme die al eens iets heeft horen waaien (stressfractuur en zo): neen, dat is een totaal ander verhaal. Een stressfractuur is lokale stress in de letterlijke betekenis van het woord, spanning van mechanische aard. Bijvoorbeeld door met te kleine of scheve schoenen te spelen, te veel te trainen, te vaak te lopen. Die schoenen daar gelaten, zijn de andere twee potentiële oorzaken niet van toepassing op Hazard.

De stress waar ze zich in Madrid grote zorgen om maken is van psychologische aard. Zelfs Lieven Vandenhaute van Radio 1 was er niet gerust in en hij had er deze week in Nieuwe feiten een item over. Hij belde met een sportarts die vooral in het wielrennen actief is. Of het stress kan zijn, vroeg Lieven. Ja, antwoordde de sportarts, dat kan het wel zijn. Maar ook niet. Hij had Hazard nog nooit van dichtbij gezien, gaf hij grif toe, maar het is niet uitzonderlijk.

Ter verschoning voor wat volgt: ik ben ook niet de grootste kenner van Eden Hazard en ik ben evenmin sportarts, nog minder psycholoog of psychiater. Maar na wat ik over die jongen heb gelezen – een prima half-geautoriseerde biografie van Frank Van de Winkel onder meer – en wat ik van hem heb gezien op het laatste EK en WK waar ik telkens het uitzonderlijke voorrecht had om de eerste tien minuten van de pre-pre-opwarming van de echte training bij te wonen en het blablabla-presspoint achteraf, lijkt stress mij zowat het laatste wat hem is, kán en ooit zál overkomen.

Lieven gooide het dan maar over een andere boeg. Of het wat anders kon zijn? Of een belabberde fysieke conditie de reden kon zijn? Ook bij die insteek moest de dokter passen en puur hypothetisch antwoorden. Dat was in dit specifieke geval nergens voor nodig. Het onderliggend probleem van Hazard zit bij hem niet tussen de oren, maar hangt ergens rond zijn broeksriem en het weegt een kilo of vijf of zelfs meer.

Topsport is de big bang of bodytypes. Een topsportlichaam hoort te beantwoorden aan de specifieke wetten van een sport: zwemmers horen slank en lang en breed van boven te zijn, basketbalspelers mogen iets forsers zijn naarmate ze langer zijn, afstandslopers moet je door een sleutelgat kunnen trekken zonder dat ze daar iets van voelen, turnsters hebben bij voorkeur een vetpercentage in de min – dat is, voor alle duidelijkheid, een hyperbool.

Voetballers krijg je in alle maten en passen doorgaans in veel verschillende mallen, maar de mal voor Eden Hazard zoals die bij Real in de zomer van 2019 met een overdaad aan buikvet kwam aanwaaien, die hadden ze niet in Madrid. Het was belachelijk hoe hij daar arriveerde, het is beschamend voor Hazard en Real dat ze daar een jaar later nog niets aan hebben verholpen. Doe hem vijf kilo aftrainen, de belasting zal verminderen, de conditie verbeteren en de blessures zullen vanzelf verdwijnen.