
Majesteit Mathieu
Deze week vroeg ik aan de deelnemers van de Cycling Academy of ze zich naast veldrijden nog een andere sport of discipline voor de geest konden halen waarin één atleet zonder te veel ongelukken altijd alles wint en dan nog met een gigantische marge.
Iemand suggereerde Armand ‘Mondo’ Duplantis. Point taken. In het polsstokspringen is het misschien nog opvallender. Mathieu van der Poel begint ten minste nog samen met de anderen aan de wedstrijd, Duplantis begint pas te springen op een hoogte als het grootste deel van de tegenstand drie keer de lat eraf heeft gegooid.
Polsstokspringen is dan ook het veldrijden van de atletiek: één kan het supergoed, de rest denkt dat ze het kunnen. Bij uitbreiding is veldrijden of crosscountry een bij uitstek Vlaamse sport waarin een paar Nederlanders (m/v) alles winnen.
Sinds gisteren is dat ook historisch een datafeit: niemand heeft meer wereldtitels gewonnen dan de Nederlander Van der Poel, die in Hulst zijn achtste pakte. Het was de hele week te doen om de titel van GOAT, greatest of all time, of de vraag of Van der Poel wijlen de Belg Erik De Vlaeminck zou onttronen.
Alsof De Vlaeminck met zijn zeven wereldtitels tot gisteren mede-GOAT was. Niet dus. De Vlaeminck heeft behalve één etappe in de Ronde van Frankrijk van 1968 nooit iets van belang gewonnen op de weg. En hij is meer dan één keer behoorlijk uit de bocht gegaan.
Toen het over De Vlaeminck ging in het commentaarhok schoot het duo Van Gucht-Herygers uit zijn pedalen met een denigrerende opmerking over een uitstekend portret van de voormalige bondscoach dat in een weekendkrant was verschenen.
De kop was allesomvattend: ‘Acrobaat, drugsverslaafde en mentor van een gouden generatie’. Voor de supporters-met-micro in dat commentaarhok: zo’n portret van rozen met doornen, dat heet journalistiek.
Puur sportief was De Vlaeminck de allerbeste van de boerenstampers, Van der Poel is Zijne Koninklijke Hoogheid van het veldrijden. Majesteit Mathieu is nog correcter, ZKH was in Nederland de titel van Willem-Alexander toen die nog kroonprins was.
De vraag was welke Van der Poel we zouden zien. Die van Tokio 2021 en bij uitbreiding het mountainbiken, de overmoedige, die op een cruciale plek een cruciale fout maakt? Of de Van der Poel van de klassieke overwinningen op de weg, supergeconcentreerd, geen fouten en de zaak afmaken? Jammer voor de concurrentie, het was die laatste versie.
Ten bewijze: waar de meeste crossers over de twee balkjes sprongen, sprong Van der Poel nooit. “Ik moest er vooral voor zorgen dat ik niet door een mechanical in de problemen zou komen.” Dat hebben we Van der Poel nog nooit horen zeggen. Zijn secondant Tibor del Grosso perste er bij het laatste brugje nog een showjump uit. Ook dat liet hij voor de anderen: wereldtitel nummer acht primeerde.
Hij had al een gaatje in ronde één, waarop de latere zilveren en bronzen medailles Del Grosso en Thibau Nys terugkeerden, maar hij reed vanaf ronde twee een extra strak tempo dat niemand kon of wilde volgen. De wedstrijd reed hij uit zoals Tadej Pogacar als die voorop raakt: een kloofje uitbouwen, beveiligen en rustig binnenbollen.
Nu we van die onzindiscussie over de GOAT zijn verlost, zal het van nu tot volgende winter gaan over de vraag of de crosser in Van der Poel straks een schrikkelwinter neemt. Hij zei eerder dat hij dat te overwegen vond. De analisten koppelden de uitkomst van die overweging aan hoe hij dit voorjaar zou presteren.
Als hij pakweg weer de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix zou winnen of de Strade Bianche en Milaan-Sanremo en nog wat klein grut, dan zou hij blijven crossen. Als hij op de Oude Kwaremont, Le Tolfe of de Poggio geen antwoord zou hebben op Pogacar, dan zou hij een klassieke wintervoorbereiding overwegen.
Als Van der Poel slim is en zijn avontuurlijke aard volgt, is het logisch dat hij minstens één hele winter alleen op de weg traint. Minder crossen betekent meer langere trainingen, geen gedoe met het bovenlichaam dat je voor de cross wel nodig hebt, per maand scheelt dat een kilo. Van der Poel min drie kilo zonder krachtverlies is in het klassieke voorjaar de evenknie van Pogacar. Hij wordt volgende winter al 32, waar wacht die nog op?
Als dat hem ook nog te saai is, zie ik hem eerder nog trainen voor een ironman. Hij kan fietsen, dat is duidelijk. Hij kan ook lopen, bewijzen zijn Strava-uitjes. Nu nog beter zwemmen. Daarvoor is al een oplossing: op zijn golfclub speelt ook ene Ronald Gaastra en die twee hebben het daar al over gehad.