
Toevalmodel
Theo Bos is vorige week voorgesteld als de nieuwe sprintcoach die de Belgische baanwielrenners naar een hoger niveau moet tillen.
Nog een Nederlander. Dat liet een collega weten. Zonder emoji of leestekens, dus een neutrale en juiste waarneming. Er zijn nogal wat Nederlanders aan de slag in de Belgische topsport: voetbal niet meegeteld, dertien na een ruwe telling. Omgekeerd zitten geen zichtbare Belgen op cruciale posities in de Nederlandse topsport. Correcties op deze vaststelling zijn altijd welkom.
Belgische topsport? Dat moet Vlaamse topsport zijn. Omdat Sport Vlaanderen de motor en financierende instantie is van die contracten komen haast alle Nederlanders via een Vlaamse subsidie de Belgische sport binnen.
Daar is niet iedereen even blij mee. Te beginnen over de taalgrens, waar Nederlanders snel worden weggezet als Fransonkundig, luidruchtig, arrogant, betweterig. Wat ze ook soms zijn, maar daar moet onmiddellijk bij vermeld dat een Belg die zich zo gedraagt het aura van een orakel krijgt.
En nu een quizvraagje: welke Nederlander, denkt u, heeft de grootste invloed gehad op de Belgische topsportresultaten? Na wat graven in de historie zal ongetwijfeld de naam van Ronald Gaastra opduiken. Logisch, Gaastra heeft olympisch goud behaald in 1996 met Fred Deburghgraeve op de 100 meter schoolslag en het zilver van Pieter Timmers in 2016 op de 100 meter vrije slag was al bijna even straf.
Gaastra deed het een beetje op een eiland en van een echte Gaastra-nalatenschap is om diverse redenen nooit sprake geweest. Zijn sporthart zit er wel nog: hij is de trainer achter Freya Aelbrecht, de voormalige topvolleybalspeelster die een gooi doet naar een olympische selectie in het langeafstandszwemmen.
Alle verdiensten van Gaastra ten spijt, dringt een andere naam zich op: Bert Wentink. Als u van deze man nooit hebt gehoord, weet dan dat hij de architect was van de cultuurshift in het Belgische hockey: hobbyisme werd professionalisme.
Wentink zette mee de juiste mensen op de juiste plek, ging geld zoeken waar het te vinden was en deed dat in een perfect werkende Belgische constructie samen met de Franstalige hockeyvoorzitter Marc Caudron. Wentink was de stille motor achter de hockeymedailles van de enige echte Belgische gouden generatie: zonder hem wellicht geen olympisch zilver en goud, wereld- en Europees kampioen.
Een derde naam, nog minder bekend, ligt aan de basis van enkele decennia Belgische judosuccessen. Leo ten Haaf was de coach, trainer, goeroe, begeleider van Robert Van de Walle op weg naar zijn judogoud op de Spelen van Moskou in 1980. De getormenteerde ziel Ten Haaf stapte twee maanden voor de Spelen uit het leven, maar het goede was geschied. Van de Walle zat op het Ten Haaf-spoor, klopte de Russische leeuw in zijn hol en bereidde zo de weg voor de generaties hardwerkende, succesvolle judoka’s die zouden volgen.
Nederlanders die in Vlaanderen aan de slag gaan zouden best een inburgeringscursus volgen, kwestie van niet te veel te schrikken.
Neem nu de politisering van de topsport. Waar in Nederland de topsportpolitiek de opdracht is van een grote superbond als het NOC*NSF samen met de betrokken sportbond waar de werknemers de dienst uitmaken, is dat in België/Vlaanderen helemaal anders.
Een tegenhanger voor het NOC*NSF is er niet. Het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité heeft meer praatjes dan geld, kennis en hefbomen om op de topsport te wegen. Tot grote ergernis van dat BOIC ligt de macht bij staatsagentschappen, in Vlaanderen is dat Sport Vlaanderen. De macht ligt in de bonden dan weer bij de bondsbesturen, die vaak denken het beter te weten dan hun verondersteld competente en betaalde stafleden.
Nederlanders denken vaak iets rechtlijniger dan Belgen. Iedereen plezieren vinden ze een onmogelijke evenwichtsoefening en kiezen sneller voor my way or the highway. Topsport is geen democratie, las ik recent in een Nederlands pamflet. Terecht.
In die inburgeringscursus moet de Nederlanders worden ingepeperd dat my way or the highway alleen wordt aanvaard van geboren Belgen. Buitenlanders moeten zich verplicht eerst de kunst van het Belgische compromis eigen maken.
Verder moeten ze niet denken dat receptuur die in alle andere landen werkt zomaar op Vlaanderen/België kan worden toegepast. Neem nu het groeperen van kennis, middelen en mensen op een daartoe ideale plek. In Vlaanderen is dat allesbehalve logisch en zweert men bij het versnipperde toevalmodel. De regel en tevens de valkuil is: als efficiëntie zich opdringt, zal de Belgische topsport inefficiëntie omarmen.