
Allrounders
Paddestraat, Haaghoek, Leberg, Eikenberg, Lange Munte, nog eens Haaghoek en Leberg, Eikenberg, Holleweg, Wolvenberg, Kerkgate, Jagerij, Molenberg, weer Haaghoek en Leberg, Berendries, Tenbosse, Parikeberg, Kapelmuur, Bosberg.
Dat zijn de scherprechters in de seizoensopener, beter bekend als de Omloop. Opgeteld twaalf hellingen en acht kasseistroken, enkele daarvan met dubbele functie, zoals de Muur. Die ligt op 15,7 kilometer van de eindmeet, die zelf dan weer na 207,6 kilometer wordt bereikt. Tussen Muur en eindstreep in Ninove ligt op 11,8 kilometer nog de Bosberg, ook kasseien en bergop.
Met andere woorden, dit is de finale van de Ronde van Vlaanderen toen die nog in Ninove arriveerde, weze het 60 kilometer korter en minder ‘bergen’. Behoorlijk zwaar voor een eerste wedstrijd in de Vlaamse Ardennen, zegt de toerist in ondergetekende, maar die is niet de norm.
Het huidige peloton wel, en dat zegt dat er veel kans is dat ze deze namiddag gaan sprinten. De oud-wielrenner en nog steeds fietsverslaafde gravelaar Greg Van Avermaet vindt dat de opening van het Belgische weekend best wat zwaarder mag. En ze zouden beter over smallere wegen koersen.
Wielrenners hebben er soms het handje van om alle kanten op te schieten en zichzelf tegen te spreken. In de eerste plaats over de veiligheid (meer smalle wegen, hoe verzin je het?), maar ook over de wielerparcoursen. Nu is het nog te licht, over een paar weken zal het allemaal wel weer te zwaar zijn.
Van Avermaet vindt dat de Belgische opener meer (lees: zwaarder) verdient. Waarom dan? Omdat het de Belgische opener is? De kans dat het ijsregent deze week, of zelfs sneeuwt, is spijts de klimaatverandering nog steeds even groot als het lenteprikje dat we deze week hebben meegemaakt. 207 kilometer, 12 hellingen en 8 kasseistroken, dat moet volstaan als gulden middenweg.
De enige ongemakkelijke waarheid is dat het Belgische openingsweekend als een tang op een varken slaat in die hele koerskalender. Tot vorige week zaten ze in het zuiden, om dan voor een lang weekend naar het noorden te verhuizen en na Le Samyn dinsdag trekken ze weer naar het zuiden. Logica in dat alles? Onbestaand, typisch voor de planeet Koers.
Deze discussie over de zwaarte van de Omloop past in een bredere kwestie die al langer het peloton en de volgers verdeelt: hoe moet een ideale wielerwedstrijd eruitzien? Ideaal als in: hoe krijgen we alle of zoveel mogelijk toppers samen aan de start, allemaal met een redelijke kans op succes?
Met een Jonas Vingegaard zal dat niet meer lukken. Die is zo mis ‘gekweekt’ dat hij alleen uit zijn Deense hoeve komt om één, hooguit twee keer per jaar, weken na elkaar bergop te fietsen. Willen we geen nieuwe Vingegaard, Chris Froome en, als we verder teruggaan, ook geen nieuwe Lance Armstrong meer, dan moet worden begonnen met het belang van de Tour de France terug te dringen. Alvast bonne chance daarmee.
De ideale wielerwedstrijd is er een waarin allrounders, klimmers, grote en kleine ronderijders en sprinters die een helling over raken zich geroepen voelen om aan de start te staan, allen met hun eigen specifieke strategie om in een kansrijke positie aan de eindstreep te komen.
Allrounders die alles aankunnen, van klassiekers over kille Vlaamse hellingen tot grote rondes over hete en zuurstofarme bergen, die lopen niet dik. Mathieu van der Poel wordt soms een allrounder genoemd. Onterecht. Geef hem een wegfiets, een crossfiets of een mountainbike, overal en altijd doet hij mee, maar verwacht hem niet in een bergetappe of in de hitte.
Dit hele WorldTour-peloton van 525 wielerprofs telt maar één allrounder en die heet Tadej Pogacar. Die kan echt alles. Vier keer de Tour winnen, Vlaanderen winnen en tweede worden in Roubaix, wat betekent dat je daar ook ooit kunt winnen, dat is geleden van Bernard Hinault en verder terug Eddy Merckx. Pogacar is in het postmoderne sporttijdperk van de hyperspecialisatie een buitenbeen.
In geen enkele andere sport verwacht men alle verschillende types samen aan de start. Van geen enkele atleet verwachten we dat ze van de 800 meter tot en met de 10.000 meter domineren, laat staan van de 100 tot de marathon. Zwemmers idem.
Natuurlijk is elke wielerwedstrijd in beginsel een uithoudingswedstrijd en lijken alle wielrenners fysiologisch meer op elkaar dan Usain Bolt op Eliud Kipchoge lijkt. De verschillen zitten hem meer in het gewicht. Wielrenners van 85 en 60 kilogram samen over dezelfde parcoursen jagen is onzin. Judoka’s van 70 kilogram vechten ook al lang niet meer tegen kolossen van 110. Gewichtscategorieën in de koers, waar wacht die UCI toch op?