Column ‘Masked twitteraar’ in De Morgen van zaterdag 12 oktober 2024

Masked twitteraar

Hij had gisterenmorgen bij het doorsturen van dit stukje 12.781 volgers. Zelf volgt hij maar één account, dat van Tadej Pogacar. Posts: niet te tellen de laatste dagen. Veel kans dat er na gisteren nog een stuk of twintig zijn gevolgd en als die u desgevallend zouden interesseren, één adres: het X-account @mou55981652.

Mou is een fan van Tadej Pogacar. Hij noemt hem de greatest of all time, de GOAT van het wielrennen en daarmee trapt hij de Belgen collectief op hun ziel. Dat is ook de bedoeling van de provocateur Mou.

Een van zijn tweets de voorbije dagen refereerde aan ‘Eddie’. Of dat opzettelijk fout is gespeld, dan wel ook een provocatie, dat is niet duidelijk. Hij ging over het superjaar dat Pogacar aan het afwerken is en er zat een statistiekje in dat moest bewijzen dat Pogacar het beste jaar ooit had gereden, beter dan Eddy Merckx.

Voor Lombardije zat de Sloveen aan 24 grote overwinningen, terwijl Merckx er in 1971 maar 22 had. Dat Merckx in zijn superjaren vijftig en meer wedstrijden won, dat vergat Mou gemakshalve. Tijdperken vergelijken is compleet zinloos en opmerkingen als dat Merckx van wijndrinkende Fransen en Italianen won, getuigt van weinig historische kennis.

Helemaal uit de bocht gaat Mou als hij Pogacar een grotere sporter vindt dan Michael Jordan, Roger Federer en Michael Phelps. Als Jordan een Mou had gehad, dan had de Mou van Jordan geen 12.000 volgers op X maar 1,2 miljoen. De beste wielrenner ooit, als hij dat al is, zal nooit groter zijn dan de beste basketbalspeler ooit.

Mou mag dan een provocateur zijn, en soms klinkklare nonsens verkopen, niemand die zijn tweets leest over Pogacar kan ontkennen dat hij weet waar hij over tweet. Niet alleen kent hij de materie waarover hij tweet, zoals trainingsleer, hij heeft ook onmiskenbaar veel inside informatie over de manier van werken van Pogacar en UAE.

Mou bestaat al even op X, maar kwam vooral in beeld deze lente toen hij met een aantal stoute beweringen voorspelde hoe de Giro en de Tour zouden aflopen. Hij recidiveerde met het voorbije wereldkampioenschap. Misschien is het makkelijker een uitslag voorspellen van Pogacar dan van welke andere renner, maar hij kreeg drie keer gelijk en zijn scenario’s klopten grotendeels.

Sinds de lente is de wielerpers op zoek naar wie die geheimzinnige twitteraar wel kan zijn. Meer zelfs, volgens Mou wil de wielerpers hem interviewen en zijn het vooral de Belgen die achter hem aanzitten.

Wie is Mou? Hij beweert te vaak dat hij Pogacar niet kent, om hem niet te kennen. Hij beweert te vaak dat hij niks te maken heeft met UAE en hij tweet vooral te veel inside info om helemaal niks met de ploeg te maken te hebben.

De jacht op Mou is al een tijd open, maar voor zover bekend weet niemand wie hij is. Het lijkt een Sloveen, want hij tweet soms in het Sloveens. Zijn Engels is ook niet te best. En hij refereert soms aan de langlaufwereld, waar de Slovenen top zijn.

Weet Pogi ook zelf niet wie de masked twitteraar is? Dat is een open vraag. Nogmaals, heel af en toe sluipt er info in die tweets die alleen vanuit de inner circle zou kunnen komen. Kwatongen beweren dat het zijn vrouw Urska Zigart zou kunnen zijn, in de rol die Michelle ooit speelde als vrouw van Chris Froome. Die beledigde ook de wereld rond haar man, maar tenminste niet vermomd.

Dat Pogacar dit seizoen een gedaanteverwisseling heeft ondergaan, lijkt welhaast zeker. Dat die te maken heeft met een andere trainingsaanpak ook. Daarover weet Mou dat de Sloveen tot vorig jaar maar wat rondreed zonder veel visie, dat zijn trainingschema’s werden opgesteld door een dokter die in Colorado woonde en die geen idee had van wat de juiste zones waren waarbinnen Pogacar zijn trainingen moest afwerken.

Dat laatste zou kunnen kloppen. Nu Pogacar met Javier Sola werkt als trainer, rijdt hij veel gestructureerder rond. Altijd in de juiste zone, de juiste kwaliteit, de juiste duur. Bovendien is er biomechanisch aan hem gewerkt, zo wist Mou als eerste te melden. De Sloveen heeft een aparte trainer voor zijn lichaamsstabiliteit, rijdt nu met cranks van 165 millimeter en zou daardoor veel efficiënter zijn gaan fietsen.

Het gevolg: een overwicht tegenover zijn concurrenten. Mou rekende uit dat in de voorbij Tour Pogacar gemiddeld per rit 1.000 kilocalorieën minder zou hebben verbruikt dan Remco Evenepoel en 2.000 minder nog wel dan Matteo Jorgensen. Voor Remco Evenepoel voor de Ronde van Lombardije had Mou nog een advies: “Ga mee als Tadej gaat. Dat je dan opgegeten wordt op de Sormano, leef er mee, maar wees tenminste geen lafaard en ga mee.”

Column ‘Het Arrest Diarra’ in De Morgen van maandag 7 oktober 2024

‘Het Arrest Diarra’

Het is ingewikkeld maar soms moet het ingewikkeld en daarom moeten we het nog eens hebben over die uitspraak van het Europees Hof over de voetbaltransfer. Misschien is het besef nog niet helemaal doorgedrongen dat de hemel op de voetbalhoofden is gevallen, feit is dat de voetbalbusiness na 4 oktober 2024 nooit meer zal zijn wat die is geweest.

Oké, hier gaan we: de bepalingen rond het ITC en de RSTP van de FIFA zijn aan herziening toe en moeten in lijn worden gebracht met de Europese regel- geving.

ITC? Staat voor internationaal transfercertificaat. RSTP? Dat staat voor Regulations on the Status and Transfer of Players. FIFA kent u wellicht, dat is de wereldvoetbalbond die nu een beetje struisvogel speelt en de kop in het zand steekt.

Eerst nog wat ingewikkelds: de zaak-Diarra, genoemd naar de speler die na zijn vertrek bij Lokomotiv Moskou niet bij Charleroi terechtkon omdat een te hoge verbrekingsvergoeding werd gevraagd, is met de uitspraak van het Europees Hof (CJEU in het jargon) niet ten einde.

Het CJEU antwoordde op een prejudiciële vraag van het Hof van Beroep in Mons. Daar, in Mons of all places, zal de rechter op basis van wat de CJEU heeft geoordeeld, zijn vonnis vellen.

Wat dat aspect betreft, lijkt deze zaak erg op die van Jean-Marc Bosman die begon in 1990 en eindigde in 1995. Lassana Diarra begon eraan in 2015 en heeft tien jaar later gelijk gekregen. In Mons, alweer in België zoals destijds met Bosman in Luik, zal het voetbalbestel spitsroeden lopen.

De FIFA meent dat er maar weinig aan de hand is en dat de transferbepalingen de toets van de wettelijkheid hebben doorstaan. “Slechts twee puntjes zijn voor discussie vatbaar”, aldus het commentaar.

Dat zijn klinkklare nonsens want die twee puntjes zijn juist de pilaren waarop het hele systeem van handel in voetballers is gebaseerd, en waarmee de macht bij de clubs ligt/lag om de spelers als koopwaar aan te bieden.

De houding van FIFA staat in schril contrast met die van de spelersvakbond FIFPRO. Die laatste club had ooit al eens de FIFA en hun mensenhandel bij de keel maar toen ze konden doorknijpen, losten ze hun greep. Tot vandaag weet niemand exact waarom ze toen bakzeil haalden.

Vooraanstaande juristen in sportrecht, als ze niet voor het voetbalbestel werken en de affaire-Diarra namens hun broodheren minimaliseren, spreken over een aardverschuiving. Over de hele wereld zullen in alle cursussen sportrecht of sporteconomie nieuwe slides opduiken met als laatste datum 4 oktober 2024, en in hoofdletters Het Arrest ‘Diarra’.

In deze is het interessant om de juiste juristen te aanhoren. Eén daarvan is Antoine Duval, senior researcher van het Asserinstituut in Den Haag. Hij las vrijdag al het hele arrest en dat is een wereldprestatie. Op X (@Ant1Duval) kan u zijn analyse volgen en als u nog niet gelooft dat de hele zaak op de schop gaat, blijf dan gerust in uw parallel universum.

Een van de meest opmerkelijke conclusies van alle waarnemers is dat vooral de spelers en hun makelaars (of agents in het jargon) nu de macht hebben. Dat is lichtjes vooruitlopen op de feiten en die conclusie houdt vooral geen rekening met de begeleidende maatregelen die nodig zullen zijn om het voetbalbestel in het gareel te houden.

Dat zal nog de grootste fall-out zijn van de beslissing van het Europees Hof: het voetbal kan nu niet anders dan regulerend optreden binnen het wettelijk Europees kader. Dat zou al op heel korte termijn kunnen resulteren in een loonplafond, strenge financiële eisen inzake bedrijfsvoering, herverdeling van talent en middelen ten einde competitief evenwicht te realiseren.

Op langere termijn zal het ook leiden tot die onterecht zo gevreesde superliga, waarbinnen gelijk- gezinde clubs met duidelijke afspraken hun eigen competitie inrichten.

Het is juist de afschaffing van de remmende maat- regelen op spelersverloop die in de Verenigde Staten heeft geleid tot het NBA-, NFL- en NHL-model van vandaag. Het zal nog wel even duren vooraleer we hier in Europa aan toe zijn en misschien wordt het zelfs een wereldwijde superliga, maar dat de nationale competities binnen afzienbare tijd zullen overvleugeld worden door een permanente supranationale competitiestructuur lijkt een kwestie van tijd.

Wat het ontsporen van de salarissen betreft en de verdiensten van de makelaars, daar is makkelijk een mouw aan te passen, zeker in België. Gebruik het vrijgekomen geld om voetballers fiscaal en parafiscaal te behandelen zoals andere werknemers. En als er nog wat over is, gebruik de rest om de maatschappelijke kost zoals ordehandhaving door het voetbal te laten betalen en niet langer door de maatschappij.

Column Gravelen in De Morgen van zaterdag 5 oktober 2024

Gravelen

Jan Bakelants eerder deze week op Radio 1 over het wereldkampioenschap gravel, dat dit weekend wordt verreden tussen Halle en Leuven: “Gravel is het padel van het wielrennen.” Als het een eigen vinding is, geen enkele wielrenner zou daar opkomen. Behalve dan Bakelants, en dat maakt hem uniek in die wereld.

Toch enige nuance. Als gravel padel is, dan toch eerder het padel van het mountainbiken, op zich al een afgeleide van wielrennen.

Beide disciplines zijn overigens ontstaan in de VS. Mountain biking in Californië, meer in het bijzonder in Marin County ten noorden van San Francisco. De roots van gravel biking zijn lastiger te duiden. De eerste wielerwedstrijden einde negentiende eeuw gingen vaker over niet-geasfalteerde wegen dan wel, en de eerste bergpassen in de Tour waren ook niet verhard. Dat was ook gravelen, weze het avant la lettre.

Het concept gravelbiken, voor de lol fietsen over onverharde wegen en paden, dateert van 2005. Toen werd voor het eerst een wedstrijd georganiseerd over zogeheten dirt roads, dat was de Trans-Iowa, 560 kilometer lang. Een jaar later volgde de befaamde Dirty Kanza, 320 kilometer.

Gravelen kan fysiek even zwaar zijn als mountainbiken, maar is dan weer technisch vele malen makkelijker. Vandaar de vergelijking met padel, waar je als sedentair met beperkte techniek en manke fysiek meer lol aan beleeft dan bij tennis, en meer de indruk krijgt dat je sport.

Idem voor gravelen. Iedereen beleeft lol aan gravelen. Je krijgt niet de ellenlange klimmen en de waaghalzerij van het moderne mountainbiken met zijn drops tussen rotsen. Niet de single-tracks waar je zelfs in een toertocht wordt opgejaagd door een horde horken in dezelfde outfit. Je krijgt ook niet de saaiheid van de weg en de daarbij horende gevaren van het verkeer.

Technisch leunt het dichter aan bij wegwielrennen dan bij mountainbiken. Je moet al eens een putje ontwijken, een rotsje en een plasje omzeilen of wat mul zand doorploegen, een klimmetje en wat bergaf zit er ook weleens in, maar je hoeft geen Mathieu van der Poel te zijn om van een ritje te genieten.

Er is nog een bijkomend voordeel. Ondanks de lagere gemiddelde snelheid dan op de weg krijg je door het gevarieerde parcours de indruk dat de kilometers sneller gaan. En door de onmogelijkheid om in een peloton te fietsen (voor niet-wielrenners althans) rij je sowieso je eigen snelheid en is de kans kleiner dat je jezelf over de kling jaagt.

Gravelparcoursen gaan door bos en veld, langs weinig bereden wegen. Het is verbazingwekkend hoeveel van die paden en wegen ons volgebouwde Vlaanderen nog telt. Als ze tenminste niet al of niet illegaal worden afgesloten door een grootgrondbezitter of omgeploegd door een boer. Nog erger, als ze niet worden afgesloten door het Agentschap Natuur en Bos (ANB), waar ze – enige mogelijke conclusie – een bloedhekel moeten hebben aan mensen op een fiets.

Nu, overtuigde gravelaars hebben een alternatief. Zij kunnen in dezen het principe van de burgerlijke ongehoorzaamheid huldigen en zich laten leiden door het devies dat waar mag worden gewandeld of paardgereden ook mag worden gefietst. Op voorwaarde dat rekening wordt gehouden met de andere gebruikers en desgevallend de snelheid wordt gemilderd, ook al moet het even stapvoets.

Word je toch tegengehouden door een boswachter of andere geüniformeerde, dan kun je opteren voor een praatje en je burgerlijke ongehoorzaamheid uitleggen. Het is evenwel niet ondenkbeeldig dat de geüniformeerde het op zijn/haar heupen krijgt en je ID-kaart of naam vraagt. Dat is dan het sein om beleefd goeiedag te zeggen en gewoon weg te fietsen. Er zitten geen atleten bij ANB, succes verzekerd.

Het WK gravel van zondag heeft dat probleem niet. Dat mag eenmalig overal door, zo stond het in de krant. Ook door een stiltegebied in Leuven. Een zure meneer uit die stad vond dat niet kunnen. Hij haalde twee dagen na elkaar de media nadat een al even zure professor die graag naar vogels kijkt de schrik had uitgesproken dat een pleisteraar – nog nooit van gehoord – niet langer zou pleisteren.

Maar het moet gezegd, het WK gravel van zondag dient de zaak niet van het gravelrijden. Wel integendeel, de roep om meer regulering zal na dit weekend weerklinken. Het WK gravel heeft ook geen enkel uitstaans met gravel zoals het ooit is (her)uitgevonden: af en toe rustig rijden waar dat moet, sportief waar dat kan, door de mooie natuur, verkeersluw, zonder medegebruikers van de paden op de zenuwen te werken, met een brede glimlach iedereen groetend.

Column ‘Paranormaal’ in De Morgen van maandag 30 september 2024

Paranormaal

Om Tadej Pogacar te kloppen is er maar één recept: een vroege bom gooien op een moment dat niemand het verwacht, waardoor chaos ontstaat en de ploegen uit elkaar worden gespeeld. Dan kijken wat er uit de chaos ontstaat en tegelijk hopen dat hij in een achterafgroepje belandt.

Wat deed Pogacar om dat te beletten? Een hele vroege bom gooien en zelf voorop gaan rijden, waardoor ook de ploegen uit elkaar werden gespeeld en het al heel vroeg een gevecht werd, man tegen man, land tegen land.

“Op honderd kilometer al wegrijden, serieus, wie had gedacht dat het kon?” reageerde Remco Evenepoel. “Maar het is Tadej en hij is de verdiende wereldkampioen.”

In het interview achteraf noemde die het een domme move. “What was I thinking?” Ja, dat weet alleen hij. Op honderd kilometer van de aankomst vertrekken, voor een normale sterveling eindigt dat onvermijdelijk in euthanasie door ondraaglijk fysiek lijden.

Pogacar is niet normaal, wel abnormaal, paranormaal zelfs. Paranormaliteit is volgens Wikipedia elk fenomeen dat in een of meer opzichten de grenzen overschrijdt van wat volgens de huidige wetenschappelijke aannames fysiek mogelijk wordt geacht. Pogacar komt in de buurt.

De eerste veertig kilometer van zijn raid had hij nog gezelschap en kreeg hij hier en daar wat hulp van ploegmaats, al of niet onder andere vlag zoals de Franse Rus Pavel Sivakov. Die krijgt zijn salaris ook betaald van UAE en wist al te goed waarom hij daar ‘toevallig’ reed en wat zijn taak was.

Op zestig kilometer van het einde, met nog drie ronden te gaan, liet Pogacar die laatste vluchtgezel achter en begon aan een tijdrit van anderhalf uur. Dat had hij dit jaar nog al gedaan, in de Strade Bianche met name, toen hij tachtig kilometer solo naar de streep reed.

Dat was op heel selectief terrein, op slechte wegen, en de tegenstand was van een ander niveau. Hoewel, weet u nog wie tweede was in Siena op 2 maart? Dat was de Let Toms Skujins, die gisteren ook erg bedrijvig was in de achtervolging op Pogacar en in de sprint om het brons door Mathieu van der Poel werd geklopt.

Van der Poel, Evenepoel, Skuijns, Healy, O’Connor, Hirschi en Mas. Dat was het uitgelezen gezelschap dat achter Pogacar kon samenwerken en ook effectief samenwerkte, maar lang geen seconde dichter kwam, wel integendeel. Tot anderhalve minuut schraapte de Sloveen bij elkaar, tot het op de laatste klim in Zürich in zijn zog toch ontbrandde en de ene na de andere aanval ertoe leidde dat zijn voorsprong werd gehalveerd.

Net op dat moment werd hij door de ardoisier ingelicht over zijn marge. Dan vraag je je af hoe die daarop moet reageren. Zijn benen liepen vol, zijn longen stonden in brand, hij voelde de krampjes her en der komen – niet in zijn darmen, of die waren althans te overzien, maar in alle bekende en onbekende spiertjes in de benen – en terwijl drong tussen de oren het besef binnen dat 21 kilometer nog een half uur verdomd hard werken was.

Pogacar is de derde renner die Giro en Tour wint en datzelfde jaar ook wereldkampioen wordt. De Ier Stephen Roche ging hem voor in 1987 en Eddy Merckx deed het in 1974. Merckx, jawel. Daar heb je hem weer, zal Pogacar denken, maar inmiddels is het duidelijk dat Pogacar de nieuwe Merckx is.

Wie op de wielerplaneet kan én een grote ronde winnen (vier inmiddels, waaronder drie keer de Tour de France) én kleine rondes (niet meer te tellen) én de zwaarste klassiekers (Luik-Bastenaken-Luik en Lombardije) én een kasseiklassieker (de Ronde van Vlaanderen)? Alleen Tadej Pogacar.

Wat de Belgen betreft kunnen we kort zijn. Remco Evenepoel werd op wonderbaarlijk voluntaristische wijze nog vijfde en kan een schitterend jaar gaan afsluiten in Lombardije, weer tegen Pogacar wellicht.

Hem valt niets te verwijten. Hij viel heel vroeg alleen. Als Van der Poel tot net voor de laatste ronde nog kon rekenen op Bauke Mollema en ook de Spanjaarden nog met twee waren, dan had daar nog een Belg bij gemogen.

Met Wout van Aert in de ploeg – maar dat zal in alle toonaarden worden tegengesproken – was dat anders uitgedraaid. Dan had niet alleen Van Aert zelf de finale gereden, maar had hij vast nog een Belgische ploegmaat bij zich gehad.

Het blijft een vreemd, beetje archaïsch, randje paternalistisch en superondoorzichtelijk gedoe, zo’n WK wielrennen. Een heel jaar in merkenploegen rondrijden en dan alleen die ene dag voor een land, met als inzet een wereldkampioenentrui die de wereldkampioen meeneemt naar zijn… merkenploeg.

Column ‘Thuiskomen’ in De Morgen van zaterdag 28 september 2024

Thuiskomen

Deze week werd ons gemeld dat de Belgian Cats op 7 november hun kwalificatiewedstrijd voor het Europese kampioenschap basketbal zullen spelen in het Sportpaleis in Antwerpen, waar ze zich begin dit jaar wisten te kwalificeren voor de Olympische Spelen. Het Sportpaleis nog wel, en men mikt weer naar 13.000 toeschouwers. Is dat niet wat veel eer voor een ploeg die de olympische verwachtingen niet heeft ingelost en slechts kon winnen toen van hen niks meer werd verwacht?

Vier van de zes wedstrijden op de Spelen gingen verloren. Eén wedstrijd (Duitsland) sliepen ze nog en om de medailles tegen Frankrijk en Australië werd winst weggegooid. Eén sensationele wedstrijd tegen Japan, die ze nooit meer kunnen herhalen, leverde een droomloting op tegen Spanje en die wonnen ze ook.

Die kwartfinale was het enige verschil tussen het parcours van de Belgian Cats op de Spelen en dat van de Rode Duivels op het EK. De lamzakken van Duivels, alleen goed in de poulefase tegen Roemenië, werden weggehoond. De arme meisjes van de Cats die zo hun best hadden gedaan werden Linde Merckpoel-gewijs in de armen gesloten.

Het is tekenend voor onze topsportcultuur, of eerder het gebrek eraan, dat we manifest falen niet durven benoemen. Het is maar een vraag en geen statement: zou het kunnen dat we milder zijn voor vrouwen- dan voor mannenploegen? Voer voor sportsociologen.

Volgende vraag. Moeten we mild zijn voor Kyara Linskens, ‘Kiki’ voor de vrienden? Als ze uit Rusland wegraakt begin november, zal ze dan antwoorden… Stop. Als Kiki uit Rusland wegraakt en als de douane in haar bagage geen vapecassette of wie weet geen toevallig op elkaar geplakte Haribo-beertjes vindt – nogal populair in Russische lgbtq+-kringen – en haar niet eventjes uit de rij haalt en… U weet hoe dat kan aflopen.

Als haar club haar laat gaan om mee te doen aan een competitie waaraan de Russen niet mogen deelnemen, en Kiki derhalve uit Rusland wegraakt, zal ze dan antwoorden op de vraag wat haar heeft bezield om in het foutste land van Europa en misschien wel de hele wereld te gaan basketballen?

Voorlopig is het de manager die haar naar daar heeft geloodst en haar contract, bij Koersk of all places, heeft onderhandeld en daar zijn percent(je?) op heeft gepakt, die in haar plaats het woord voert. “Wij doen niet aan politiek, wij doen aan sport, basketbal in dit geval.”

Zelden een dommere reactie gehoord. Hoe los van de realiteit kun je zijn om dat te antwoorden? Hoe wereldvreemd kun je zijn om, als je overal in Europa terecht kunt, uitgerekend in het met afstand meest verknipte sportland van deze eeuw te gaan ballen?

De eerste wedstrijd van november is tegen Litouwen, een land dat onder constante Russische dreiging leeft. Reken maar dat die ‘de Russin’ Kyara Linskens in de mot zullen hebben.

Fouter dan Rusland is lastig. Het belazert de sportkloot al een hele eeuw, meer in het bijzonder sinds het aantreden van Vladimir Poetin in 2001 als president. Eerst met gewone doping, later met fraude, ook corruptie, omkoping, weer doping en heel veel dreigen. Op de Olympische Winterspelen van Sotsji in 2014 kwam het allemaal samen.

Na Sotsji had de euro al kunnen vallen bij de buitenlanders die er hun roebel-dollars verdienden met sport. Niet zozeer omwille van die massale dopingfraude, want die kwam pas in 2016 aan het licht. Na Sotsji viel Rusland de Krim aan en pakte die af van Oekraïne.

Nu goed, de internationale reactie was nogal lauw en je kunt niet verwachten van sporters dat ze zich aan actuamagazines laven na een dagje afzien op training. Daarom kon je nog begrip opbrengen voor wie bleef.

Na de inval in Oekraïne op 24 februari 2022 was het hek van de dam. Iedereen die kon, liep er weg. Niet alleen voor de oorlog. Brittney Griner, de Amerikaanse basketbalspeelster en collega van Emma Meesseman bij Jekaterinenburg, was net een week eerder teruggekeerd naar haar Russische team. Of had dat althans geprobeerd.

Als zwarte Amerikaanse lesbienne van 2,03 meter viel ze sowieso al op. Ze werd een gewillig slachtoffer, helemaal na het vinden van cannabisolie in haar bagage, en werd opgesloten tussen moordenaressen in een vrouwengevangenis. Tien maanden zat ze daar vast, tot Poetin haar ruilde voor Viktor Bout, een wapenhandelaar die ooit vanuit Oostende opereerde.

Europese en Amerikaanse basketters die nu nog in Rusland spelen zijn van het pad af, tenzij ze Rusland steunen en dan is de conclusie dezelfde. Misschien moeten we Linskens in november het boek van Griner cadeau doen. Het heet niet toevallig Coming Home. Op 14 november verschijnt het als Thuiskomen in Nederlandse vertaling.

Column Remcoooh (afl. 1031) in De Morgen van maandag 23 september 2024

Remcooooh (afl. 1031)

Op 17 juni van dit jaar, net voor het Europees kampioenschap voetbal en twee weken voor de Tour-start, plaatste de Amerikaanse sportwebsite The Athletic een verhaal over en met Remco Evenepoel. The New York Times – die geen echte sportredactie meer heeft en The Athletic in huis heeft gehaald – nam het verhaal graag over.

Er zijn niet veel Belgische sporters die de NY Times hebben gehaald, neemt u dat maar aan. De Bruyne en Hazard zijn – als het geheugen het niet laat afweten – de enige Belgen aan wie dat referentiemedium ooit een longread heeft gewijd.

Een hele eer? Ja, als je nagaat wie de auteur – ene mijnheer Whitehead – allemaal heeft gesproken en hoeveel plaats er voor een niet-Amerikaanse sporter in een niet-Amerikaanse sport werd ingeruimd. Neen, als men het verhaal er op naleest.

Remco Evenepoel zal niet blij zijn geweest met de teneur. De bottom line zat in een quote van een van zijn voetbaltrainers: Remco-de-voetballer was in alles goed wat niet voetballen was, zoals veel lopen en inzet vertonen, tactisch was hij zwak.

Een andere trainer verweet hem net niet te veel te lopen en vooral niet te weten waar hij juist moest lopen bij balverlies, een vervelende eigenschap als je weet dat Evenepoel op het laatst als linksback werd uitgespeeld. Bob Browaeys, zijn coach bij de nationale jeugdelftallen, die hem zelfs kapitein maakte, had dan weer een mooi compliment in huis: nooit iemand gezien met zo’n high performance mindset.

De coach bij Anderlecht die hem op de bank zette en als eerste zijn zin in voetballen fnuikte, alsook de coach bij Mechelen die hem tactisch onvolwassen vond, moet de Koninklijke Belgische Wielerbond daar niet eens een kratje wijn bij afzetten?

Zonder dat vroege en wellicht ondoordachte doorselecteren was Remco blijven voetballen. En dan was hij gegarandeerd prof geworden en zelfs een heel degelijke wingback (dixit Bob Browaeys). Het lot besliste anders.

“Te weinig met het hoofd, te veel met het hart, maar hij bleef wel lopen, tot twaalf kilometer per wedstrijd in de jeugd.” Dat was nog een uitspraak van een andere voetbaltrainer over Evenepoel. Ziedaar het geheim van de tijdrijder in Evenepoel: niet te veel nadenken, blijven stampen en stoempen van het begin tot het eind.

Wat heb je nodig voor een tijdrit? Goede fiets. Check. Goede motor. Check. Goed pacing plan. Check. Goed parcours. Check, zeker gisteren. Goede houding, aerodynamisch. Check. Zelfs fenomenaal goed ondanks die aangekweekte korte hamstrings van de ex-voetballer.

Maar bovenal, een goede mentale ingesteldheid ten aanzien van de vreselijk inspanning die tijdrijden is. Een wil om door te zetten, om af te zien bij de beesten, om te blijven trappen daar waar anderen het laten lopen. Daarin maakte Evenepoel gisteren op het wereldkampioenschap tijdrijden in Zürich weer eens het verschil.

Lyrisch word je er niet meer van. Tenzij dan het Sporza-commentaarsduo dat Zürich prompt bombardeerde tot hoofdstad van Zwitserland. Zwitserland heeft geen hoofdstad. Wel een bondsstad en dat is vooralsnog Bern.

Remco Evenepoel heeft gisteren door het prolongeren van zijn wereldtitel de wereld niet meer verbaasd. De laatste keer dat hij dat kon en de monden deed openvallen was op de Olympische Spelen door als eerste goud te winnen in de tijdrit en de wegrit.

Deze jongen van nog maar 24 staat in die keiharde discipline van volwassen mannen op een punt waar nog niet veel collega’s op die leeftijd hebben gestaan. In een tijdrit is het van ‘ik kwam, ik zag en ik overwon’. In een tijdrit op twee wielen en op eigen kracht is Evenepoel voortaan de maat der dingen.

Dat beaamde ook Tom Dumoulin, zelf ooit een begenadigd tijdrijder, toen hij zei dat Evenepoel hard op weg was om de beste tijdrijder ooit te worden. Alleen zei hij er nog iets anders achterna. Dumoulin, een man van nuances ook toen het nog om hemzelf ging, dacht na over een minpuntje en zei “soms neemt hij nog een rare bocht”.

Dat laatste is duidelijk verkeerd gevallen. Daarmee geconfronteerd, reageerde Evenepoel als door een wesp gestoken. “Tom zal de tijdrit op de Olympische Spelen niet gezien hebben, zeker? Het regende, het was glad en daar won ik toch ook!? (fel) Tom komt soms nogal raar uit de hoek. Victor Campenaerts had er gisteren aan tafel nog een goeie quote over: ‘Als je alles wint, beginnen de mensen u soms te haten.'”

Maar neen, Remco. Niemand haat jou, iedereen erkent jouw talent. Maar zoals de voetbaltrainers die vonden dat je soms ondoordacht liep, zijn er journalisten en wielrenners die vinden dat je soms ondoordacht praat.

Column ‘Kirsty for president’ in De Morgen van zaterdag 21 september 2024

Kirsty for president

De kandidaat-opvolgers van Thomas Bach als voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité zijn bekend en er is een record gesneuveld. Tot de verkiezing van Jacques Rogge als achtste IOC-voorzitter waren er één keer vier kandidaten bij een nieuwe verkiezing. Dat was in 1925 toen de Belg Henri de Baillet-Latour werd verkozen.

Rogge moest het in 2001 tegen vier anderen opnemen en Bach moest in 2013 afrekenen met vijf IOC-leden. Voor deze verkiezing van de tiende IOC-voorzitter in de geschiedenis van de sport hebben zich niet minder dan zeven IOC-leden gemeld en het dient gezegd, er zitten een paar rare namen tussen.

Johan Eliasch is wel de opmerkelijkste figuur. De man is 62, miljardair, voorzitter van de internationale skibond, en heeft een Zweeds en Brits paspoort. He ticks all the boxes, schreef een Engelse collega, op één na: Eliasch is nog maar IOC-lid sinds 25 juli. Van arrogantie gesproken. Nog geen enkele serieuze sessie als lid meegemaakt en meteen al voor het hoogste ambt gaan, in dat milieu is dat een zelden geziene zelfmoordmissie. Het mag bevreemden als hij in maart volgend jaar één stem krijgt.

Wie tussen de lijnen leest in het document over de verkiezingsprocedure van de ethische commissie onder voorzitterschap van Ban Ki-moon (ex-VN) kan niet anders dan vaststellen dat vijf van de zeven kandidaten te oud zijn. De leeftijdslimiet ligt bij 70 en Seb Coe (68 eind deze maand), Morinari Watanabe (65), Juan Antonio Samaranch (65 op 1 november), prins Feisal al Hussein van Jordanië (over drie weken 61) en tafelspringer Johan Eliasch (62) kunnen maximaal een eerste termijn van acht jaar vervullen.

Na die eerste acht jaar moeten ze weg en voor sommigen onder hen (Coe, Watanabe, Samaranch) zullen er zelfs onderweg in hun eerste zit uitzonderingen op de leeftijdslimiet nodig zijn. Coes IOC-lidmaatschap kan bijvoorbeeld worden verlengd, maar slechts tot 2030. Alleen zit hij bij het IOC als voorzitter van World Athletics en dat mandaat loopt af in 2027.

Alleen de prins van Jordanië kan tot 2035 worden verlengd, maar ook dat volstaat niet voor twee termijnen. Een uitzondering maken op het Olympisch Handvest zou een slecht signaal zijn. Het is die overweging die Bach ertoe heeft aangezet om af te zien van een derde termijn.

Samaranch, het zoontje van de belangrijkste voorzitter sinds Pierre de Coubertin, die aan het eind van zijn mandaat net niet werd uitgespuwd, is ook kandidaat. Is dat om de nagedachtenis aan zijn pa in eer te herstellen, dan wel zijn vadercomplex van zich af te werpen? Hij lobbyde zich een ongeluk in Hôtel du Collectionneur tijdens de Spelen, maar of dat zal volstaan, is nog maar de vraag.

Twee van de zes kandidaten kunnen de volledige twaalf jaar (acht voor een eerste termijn en vier voor een eenmalige verlenging) uitzitten. Dat zijn de Fransman David Lappartient (51) en de Zimbabwaanse Kirsty Coventry (41), op voorwaarde dat ook Lappartient een volwaardig IOC-lid wordt. Voorlopig is hij ex officio gecoöpteerd, dus zoals Coe vanuit zijn bondsvoorzitterschap.

In het genre tafelspringer scoort Lappartient hoog. De man regeert met ijzeren vuist over de internationale wielerunie UCI, een disfunctionele bond die er niet in slaagt zijn atleten te beschermen. Hij is daarnaast voorzitter van het departement Morbihan en van het Franse olympisch comité en hij zet zich achter de kandidatuur van de Franse Alpen voor de Winterspelen van 2030.

Coventry is dan weer de opvallendste naam en de favoriet van de uittredende Bach. Dat laatste is niet onbelangrijk als je weet dat 81 van de 111 stemgerechtigde IOC-leden onder Bach zijn gecoöpteerd en Coventry zelf een van de eersten van de Bach-lichting was.

Ze is nog maar de tweede vrouw die zich ooit als kandidaat presenteert. De eerste was Anita DeFrantz in 2001. Zij was kansloos in het oude IOC omwille van een aantal ‘nadelen’: vrouw, lesbisch, zwart en Amerikaans.

De nadelen van 2001 zijn de troeven van 2025: Coventry is vrouw, jonge moeder, Afrikaanse, maar wel blank. En ze heeft drie gouden medailles gewonnen in een belangrijke olympische sport als zwemmen, één meer dan Coe.

Haar enige nadeel is haar beperkt trackrecord als leidinggevende, met uitzondering dan van een ministerpostje. Met een stevig uitgebouwde IOC-staf en administratie mag dat geen probleem zijn. Op 21 maart 2025 zal de witte rook uit de schouw van het Peloponnesische luxeresort Costa Navarino de consecratie van de tiende sportpaus aankondigen. Een pausin is niet ondenkbaar.

Column Swiss System in De Morgen van maandag 16 september 2024

Swiss System

Morgen begint de Champions League, occasioneel gespreid over drie dagen. Daarna moet u het even in de gaten houden: soms is het om de twee weken kampioenenbal, soms zitten er drie weken tussen. Niet onbelangrijk: er zijn acht in plaats van zes speeldagen in de groepsfase en die laatste twee vallen eind januari. Het wordt wennen, op alle vlakken.

Zo zijn er niet langer 32 maar 36 teams in de Champions League. Zelfde verhaal voor de Europa League en de Conference League, die twee weken later van start gaan en nog steeds op donderdag hun ding mogen doen en wel maar zes speeldagen tellen.

De competitieopzet dan. Als u maar af en toe voetbal kijkt, alleen als Messi of Ronaldo meedoet bijvoorbeeld, dan mag u hier stoppen met lezen. Niet alleen omdat Messi en Ronaldo niet meer meedoen, maar omdat u het toch niet zult begrijpen.

Er wordt één rangschikking van 36 ploegen opgemaakt na acht (zes) speeldagen. Kan dat? Dat kan. Met het Zwitserse model, officieel het Swiss system tournament.

Het Zwitserse competitiesysteem is bedoeld om uit te komen bij een winnaar uit een grote groep deelnemers, zonder dat iedereen tegen iedereen moet spelen. Met 36 ploegen volgens het bij ons gangbare roundrobinsysteem zou je zeventig wedstrijden moeten spelen. Onbegonnen werk.

Dat format is voor het eerst toegepast in Zürich in 1895 in een schaaktoernooi, vandaar Swiss system. Het wordt ook veelvuldig gebruikt in bridge, go, scrabble, Pokémon en Rocket League. En nu dus ook in voetbal, in de drie Europese bekers. Het systeem waardoor elke ploeg acht tegenstanders (zes in de Europa en Conference League) kreeg toegewezen lijkt arbitrair en ondoorzichtig, maar is gebaseerd op een rangorde van historische resultaten.

Waarom het bestaande systeem op de schop moest, dat is duidelijk. Toeval uitsluiten, zoals een sensationele uitschakeling van een grote ploeg uit een groot land door een outsider uit een klein land.

De vroegere Europabeker voor Landskampioenen, nog voor de Champions League van start ging in 1992, was een competitie met knock-out van in het begin, directe uitschakeling voor wie zijn eerste confrontatie (uit en thuis) verloor. De Champions League kwam er omdat de UEFA enkele marketeers onder de arm had genomen om haar eigen voetbalcompetitie wat meer aanzien te geven en zodoende sponsoring te werven. Het competitieformat omvatte toen ook al een groepsfase, maar daar was niet goed over nagedacht.

Pas met de dreiging van een een afscheurcompetitie in 1998 (toen al met enkele Saudi’s en Silvio Berlusconi als drijvende kracht) kwam er een hervorming naar de zin van de topclubs. De groepsfase werd uitgebreid naar zelfs twee opeenvolgende groepen van vier en drie ploegen en, nog belangrijker, de te verdienen gelden waren niet langer geheel afhankelijk van het resultaat. Twee vliegen in één klap.

Ten eerste, hoe langer een serie wedstrijden duurt, hoe kleiner de kans op verrassingen aan het eind. Op maat dus van de grote sterke teams die, ten tweede, zich verzekerd wisten van een groot deel van hun inkomsten nog voor de eerste bal was getrapt. Het gehanteerde verdeelmodel was erg oneerlijk: rijk werd rijker.

Voor deze hernieuwde editie is dat nog flagranter: maar 37,5 procent van de 2,467 miljard euro wordt verdeeld op basis van sportieve resultaten. Van 62,5 procent weten we nu al wie die straks krijgt. Die wordt verdeeld op basis van historische resultaten en de waarde van het tv-contract in het land van herkomst. Zo krijgt Paris Saint-Germain, omdat Frankrijk veel betaalt voor de Europese rechten en er maar vier Franse ploegen meedoen, op voorhand het meeste geld van alle 36 clubs: 63,351 miljoen. Daar kan nog 83,5 miljoen bij komen, maar dan moet PSG al zijn acht wedstrijden in de ‘Zwitserse fase’ winnen, én de finale van Champions League, én daarna nog de supercup.

Die 83,5 miljoen euro ligt in theorie ook te wachten op Club Brugge als het na de Champions League ook de supercup (in Europa welteverstaan) zou winnen. Club is wel benadeeld ten opzichte van PSG want het weet zich bij de start slechts verzekerd van 37,3 miljoen.

Al is het bijwoord ‘slechts’ hier heel ongepast. De vijf andere Belgische clubs die Europees spelen in de Europa en Conference League zijn nu samen zeker van 29 miljoen euro, met Gent en Anderlecht als koploper met meer dan 6,1 miljoen.

Ook hier te lande wordt rijk steeds rijker. Het ontwrichtende effect van de Champions League op de nationale competities is al langer een item en is nu ook tot de Premier League doorgedrongen, waardoor het dit seizoen zeker op de agenda komt.

Column ‘Doorselecteren’ van zaterdag 14 september 2024 in De Morgen

Doorselecteren

Domenico Tedesco heeft ballen aan zijn lijf, zoals hij tijdens zijn veelbesproken evaluatie eind augustus opperde dat hij met het oog op het ontwikkelen van een vernieuwde kern wilde doorselecteren in de Nations League. Het idee was goed, randje fantastisch. In het besef dat de Rode Duivels nu ter plaatse trappelen, wat gelijkstaat aan achteruitgaan, wilde Tedesco een beetje georganiseerde chaos in de hoop op een nieuwe Belgische voetbalorde.

In de wetenschap dat nieuw talent het altijd moeilijk heeft om zich door te zetten in een kader van gelouterde spelers kon dat doorselecteren weleens werken. Resultaat was dan even minder belangrijk, wel kijken wie samen in het bad kon worden gegooid, wie niet zou verzuipen en vooral wie zou bovendrijven. Dat recept is al meermaals in veel ploegsporten goed uitgedraaid, maar evenveel keer desastreus geëindigd, moet je erbij vermelden.

Een risico dus en dat komend van een coach die na Euro 2024 risico-avers werd genoemd omdat hij zijn ploeg te defensief had laten voetballen. Wie dat risico-avers op het conto van de bondscoach schreef, heeft nooit een teamsport op niveau gespeeld. Het is echt niet de coach die voor de volle 100 procent verantwoordelijk is voor wat er op het veld gebeurt, ook niet die ene speler die toevallig kapitein is. Het levende en fluïde organisme, het team, bepaalt uiteindelijk hoe er wordt gespeeld, afhankelijk van hoe de individuen hun taak invullen.

Dat doorselecteren heeft Tedesco niet helemaal zelf in de hand gehad. De zelfverklaarde onderkoning van Madrid, Thibaut Courtois, selecteerde zichzelf uit de ploeg. Dat was een sof, die onmogelijk Tedesco kan worden aangerekend. Hij heeft niet geplooid voor zijn superster en wie dat als zwakte ziet kent niks van ploegdynamiek.

Na het dubbele luik tegen Israël en vooral uit tegen Frankrijk is doorselecteren meer dan ooit de boodschap. Technisch directeur Frank Vercauteren kan voor één keer zijn rol als achter- en meeloper overstijgen als hij Tedesco in zijn volgende doorgeselecteerde selectie zou steunen. Hoe die er dan moet uitzien? Geen idee, maar alvast voorlopig geen Kevin De Bruyne.

Laat deze bondscoach maar eens proberen een ander middenveld te bouwen en geef hem daartoe tijd. Het onevenwicht zonder De Bruyne zal niet groter zijn dan met hem, het zal alleen anders zijn.

Het stond hier al eens eerder, na Euro 2024: De Bruyne heeft gelijk dat de rest van de ploeg zijn niveau niet haalt en precies daarom kun je De Bruyne alles toevertrouwen, behalve die kapiteinsband. Voor die rol is hij niet geschikt.

Dat bewees hij maandagavond toen hij na een halve wedstrijd met de armen zwaaien en met zijn hoofd schudden bij Gilles De Bilde net geen namen noemde van wie dan wel in zijn ogen de schuldigen waren voor de lamentabele prestatie. Dat Doen Kapiteins Niet. En wie dat wel wil doen moet die band niet om zijn arm willen.

Wat als daar een echte journalist had gestaan die wel had doorgevraagd? Oké, dat is niet helemaal eerlijk. Allemansvriend De Bilde maakt dingen los bij voetballers. Veel kans dat De Bruyne tegenover een journalist met perskaart en keurige vragen minder loslippiger is dan tegen de ex-voetballer De Bilde (ook meer emo-speler dan een tactische kraan in zijn tijd, maar passons) die hij absoluut meewilde in zijn betoog.

Laatst stond in een verhaal van L’Équipe Magazine over De Bruyne een compleet foute aanname: “Il n’y a pas plus humble que lui sur la planète foot.” Niemand bescheidener dan hij op de planeet voetbal? De Bruyne vindt zichzelf de beste van de wereld op zijn positie. Hij ziet het beter dan wie ook en wie het anders ziet is fout. Andere meningen laat hij niet toe want die brengen hem in verwarring. Er bestaan klinische termen voor mensen met die denkpatronen, maar die doen er hier niet toe.

Feit is: De Bruyne kan een genie zijn, maar dan alleen in een goedlopend raderwerk, genre Manchester City, en zelfs daar zwaait hij met de armen en schudt hij het hoofd. Het genie en een goedlopend Belgisch raderwerk hebben elkaar gevonden in welgeteld één toernooi: het WK 2018. Op het WK 2014 en het EK 2016 was De Bruyne nog niet de wereldster. Na 2018 werd hij dat wel en werd tegelijk de ploeg rond hem steeds minder. Gevolg: gedoe.

Zonder De Bruyne zal de nieuwe ploeg sneller kunnen groeien, met hem kom je altijd weer bij zijn ongeduld uit. Pas als de Rode Duivels zonder hem op de rails staan, kun je overwegen om hem terug te halen. Als hij dan nog wil, want het genie is wel degelijk koppig.

Column Paralympische Spelen in De Morgen van maandag 9 september 2024

Paralympische Spelen

Het Belgisch paralympisch team is als twintigste land geëindigd op de Paralympische Spelen in Parijs. Dat is beter dan in Tokio drie jaar geleden. Inzake aantal medailles leverde België wel één medaille in, maar daartegenover staat dan weer dat de helft van de medailles van goud waren.

Goed dat er zeven keer goud is gewonnen, want eentje minder van die kleur en België was op de 25ste plaats geëindigd. Ook dat was nog beter geweest dan in Tokio, waar vier keer goud op vijftien medailles werd gewonnen en België daardoor pas het 31ste land werd.

De negatie van de Paralympische Spelen op dit plekje in de krant stootte een aantal lieden flink tegen de borst. “Of topsporters met een beperking die het bovendien beter doen dan de olympiërs zonder beperking niet evenveel aandacht verdienen?”, probeerde iemand.

Antwoord: …eeuh, ja en neen, niet allemaal, niet altijd en niet overal. Paralympiërs en olympiërs doen hun ding in dezelfde stad, en nogal wat disciplines lijken op elkaar, maar elke andere vergelijking raakt kant noch wal.

Neem nu de podia. In Parijs deden 10.714 atleten mee op de Olympische Spelen en die konden 1.044 medailles winnen. Op de Paralympische Spelen doen ongeveer 4.400 atleten mee en voor hen liggen 1.668 medailles klaar.

Olympische Spelen kunnen verwarrend zijn met die meer dan dertig sporten. De Paralympische Spelen hebben er dan wel slechts 22, maar de opdeling in classificaties maakt van de Paralympische Spelen een warboel waar een kat haar jongen niet meer in terugvindt.

Sommige paralympische competities zijn echt topsport, andere minder en nog andere ontstijgen nauwelijks de bezigheidstherapie. Om de goede vrede te bewaren worden die hier niet benoemd, maar weet dat ook in de paralympische wereld die discussie wordt gevoerd.

Léa Bayekula, die twee keer goud won in haar wheeler op de 100 en 400 meter in de klasse T54, maakte van haar triomf gebruik om meer aandacht te eisen voor de paralympische sport en gooide er ook maar meteen achteraan dat er geen opdeling mag zijn tussen atleten met en atleten zonder beperking.

Het is een grove misvatting dat topsport en haar grootste toneel, de Olympische Spelen, inclusief zouden moeten zijn. Topsport is juist exclusief. Het is een zoektocht naar de Vitruviusman in elke sport.

Met die ene uitzondering. Ten behoeve van die hele grote categorie van de wereldbevolking die hormonaal anders is uitgerust – de biologische vrouw – is 150 jaar geleden begonnen met vrouwensport. Nog meer categorieën inrichten op de Olympische Spelen – trans mensen, atleten met een afwijkende geslachtsontwikkeling of met beperkingen – is praktisch onmogelijk.

Bovendien zijn de Paralympische Spelen als speeltuin van rijke (vooral Westerse) landen en landen met een staatsgestuurde topsport zelf wellicht het meest exclusieve mondiale sportevent. Delegaties uit Sub- Saharalanden – Zuid-Afrika uitgezonderd – bestaan uit één of twee atleten en die komen echt niet uit de sloppen van Ouagadougou of Kinshasa. Zelfs in de rijke landen is de paralympische sport een voorrecht voor enkelingen die toevallig de weg hebben gevonden. In Oekraïne, als zevende land geëindigd in Parijs, hebben ze dan weer sinds 2014 een nieuw blik talent opengetrokken, mede met dank aan Poetin.

Het is ook een grove misvatting dat meer paralympische sport in de media de spektakelwaarde en dus de interesse zou verhogen. Léa Bayakula doet haar ding in de klasse T54. Belgiës beste wheeler Peter Genyn dan weer in de klasse T51. Beiden hebben een verlamming, maar die van Léa is minder erg dan die van Peter.

T51 en T54 zijn maar twee klasses van de negenentwintig (29!) honderdmetercompetities op deze Paralympische Spelen. In het zwemmen zijn er dan weer achtentwintig 100-meterfinales. Dat krijg je nooit uitgelegd, en nog minder als je mensen met één been ziet zwemmen tegen mensen met twee benen.

Nog een fenomeen waar het grote publiek (en de media) op afhaken, is de aard van de beperking en hoe die wordt geclassificeerd. Hoort amazone Michèle George, die opnieuw twee keer goud won in de dressuur, na haar zevende goud nog steeds thuis op de Paralympische Spelen? Ze heeft een verlamming gehad aan één been, en revalideerde zo vastberaden dat er nauwelijks nog iets merkbaar is. Ooit sprong ze bij een medailleuitreiking vanop de grond meteen op het hoogste schavotje van het podium.

Idem voor tafeltennisser Laurens Devos, die een eenzijdige verlamming heeft, maar op 24-jarige leeftijd al drie keer paralympisch goud won. Ook hij sprong na zijn derde goud vlotjes op de tafel. Hij gaat nu proberen om de Olympische Spelen te halen in Los Angeles.