Column ‘Paranormaal’ in De Morgen van maandag 30 september 2024

Paranormaal

Om Tadej Pogacar te kloppen is er maar één recept: een vroege bom gooien op een moment dat niemand het verwacht, waardoor chaos ontstaat en de ploegen uit elkaar worden gespeeld. Dan kijken wat er uit de chaos ontstaat en tegelijk hopen dat hij in een achterafgroepje belandt.

Wat deed Pogacar om dat te beletten? Een hele vroege bom gooien en zelf voorop gaan rijden, waardoor ook de ploegen uit elkaar werden gespeeld en het al heel vroeg een gevecht werd, man tegen man, land tegen land.

“Op honderd kilometer al wegrijden, serieus, wie had gedacht dat het kon?” reageerde Remco Evenepoel. “Maar het is Tadej en hij is de verdiende wereldkampioen.”

In het interview achteraf noemde die het een domme move. “What was I thinking?” Ja, dat weet alleen hij. Op honderd kilometer van de aankomst vertrekken, voor een normale sterveling eindigt dat onvermijdelijk in euthanasie door ondraaglijk fysiek lijden.

Pogacar is niet normaal, wel abnormaal, paranormaal zelfs. Paranormaliteit is volgens Wikipedia elk fenomeen dat in een of meer opzichten de grenzen overschrijdt van wat volgens de huidige wetenschappelijke aannames fysiek mogelijk wordt geacht. Pogacar komt in de buurt.

De eerste veertig kilometer van zijn raid had hij nog gezelschap en kreeg hij hier en daar wat hulp van ploegmaats, al of niet onder andere vlag zoals de Franse Rus Pavel Sivakov. Die krijgt zijn salaris ook betaald van UAE en wist al te goed waarom hij daar ‘toevallig’ reed en wat zijn taak was.

Op zestig kilometer van het einde, met nog drie ronden te gaan, liet Pogacar die laatste vluchtgezel achter en begon aan een tijdrit van anderhalf uur. Dat had hij dit jaar nog al gedaan, in de Strade Bianche met name, toen hij tachtig kilometer solo naar de streep reed.

Dat was op heel selectief terrein, op slechte wegen, en de tegenstand was van een ander niveau. Hoewel, weet u nog wie tweede was in Siena op 2 maart? Dat was de Let Toms Skujins, die gisteren ook erg bedrijvig was in de achtervolging op Pogacar en in de sprint om het brons door Mathieu van der Poel werd geklopt.

Van der Poel, Evenepoel, Skuijns, Healy, O’Connor, Hirschi en Mas. Dat was het uitgelezen gezelschap dat achter Pogacar kon samenwerken en ook effectief samenwerkte, maar lang geen seconde dichter kwam, wel integendeel. Tot anderhalve minuut schraapte de Sloveen bij elkaar, tot het op de laatste klim in Zürich in zijn zog toch ontbrandde en de ene na de andere aanval ertoe leidde dat zijn voorsprong werd gehalveerd.

Net op dat moment werd hij door de ardoisier ingelicht over zijn marge. Dan vraag je je af hoe die daarop moet reageren. Zijn benen liepen vol, zijn longen stonden in brand, hij voelde de krampjes her en der komen – niet in zijn darmen, of die waren althans te overzien, maar in alle bekende en onbekende spiertjes in de benen – en terwijl drong tussen de oren het besef binnen dat 21 kilometer nog een half uur verdomd hard werken was.

Pogacar is de derde renner die Giro en Tour wint en datzelfde jaar ook wereldkampioen wordt. De Ier Stephen Roche ging hem voor in 1987 en Eddy Merckx deed het in 1974. Merckx, jawel. Daar heb je hem weer, zal Pogacar denken, maar inmiddels is het duidelijk dat Pogacar de nieuwe Merckx is.

Wie op de wielerplaneet kan én een grote ronde winnen (vier inmiddels, waaronder drie keer de Tour de France) én kleine rondes (niet meer te tellen) én de zwaarste klassiekers (Luik-Bastenaken-Luik en Lombardije) én een kasseiklassieker (de Ronde van Vlaanderen)? Alleen Tadej Pogacar.

Wat de Belgen betreft kunnen we kort zijn. Remco Evenepoel werd op wonderbaarlijk voluntaristische wijze nog vijfde en kan een schitterend jaar gaan afsluiten in Lombardije, weer tegen Pogacar wellicht.

Hem valt niets te verwijten. Hij viel heel vroeg alleen. Als Van der Poel tot net voor de laatste ronde nog kon rekenen op Bauke Mollema en ook de Spanjaarden nog met twee waren, dan had daar nog een Belg bij gemogen.

Met Wout van Aert in de ploeg – maar dat zal in alle toonaarden worden tegengesproken – was dat anders uitgedraaid. Dan had niet alleen Van Aert zelf de finale gereden, maar had hij vast nog een Belgische ploegmaat bij zich gehad.

Het blijft een vreemd, beetje archaïsch, randje paternalistisch en superondoorzichtelijk gedoe, zo’n WK wielrennen. Een heel jaar in merkenploegen rondrijden en dan alleen die ene dag voor een land, met als inzet een wereldkampioenentrui die de wereldkampioen meeneemt naar zijn… merkenploeg.

Column ‘Thuiskomen’ in De Morgen van zaterdag 28 september 2024

Thuiskomen

Deze week werd ons gemeld dat de Belgian Cats op 7 november hun kwalificatiewedstrijd voor het Europese kampioenschap basketbal zullen spelen in het Sportpaleis in Antwerpen, waar ze zich begin dit jaar wisten te kwalificeren voor de Olympische Spelen. Het Sportpaleis nog wel, en men mikt weer naar 13.000 toeschouwers. Is dat niet wat veel eer voor een ploeg die de olympische verwachtingen niet heeft ingelost en slechts kon winnen toen van hen niks meer werd verwacht?

Vier van de zes wedstrijden op de Spelen gingen verloren. Eén wedstrijd (Duitsland) sliepen ze nog en om de medailles tegen Frankrijk en Australië werd winst weggegooid. Eén sensationele wedstrijd tegen Japan, die ze nooit meer kunnen herhalen, leverde een droomloting op tegen Spanje en die wonnen ze ook.

Die kwartfinale was het enige verschil tussen het parcours van de Belgian Cats op de Spelen en dat van de Rode Duivels op het EK. De lamzakken van Duivels, alleen goed in de poulefase tegen Roemenië, werden weggehoond. De arme meisjes van de Cats die zo hun best hadden gedaan werden Linde Merckpoel-gewijs in de armen gesloten.

Het is tekenend voor onze topsportcultuur, of eerder het gebrek eraan, dat we manifest falen niet durven benoemen. Het is maar een vraag en geen statement: zou het kunnen dat we milder zijn voor vrouwen- dan voor mannenploegen? Voer voor sportsociologen.

Volgende vraag. Moeten we mild zijn voor Kyara Linskens, ‘Kiki’ voor de vrienden? Als ze uit Rusland wegraakt begin november, zal ze dan antwoorden… Stop. Als Kiki uit Rusland wegraakt en als de douane in haar bagage geen vapecassette of wie weet geen toevallig op elkaar geplakte Haribo-beertjes vindt – nogal populair in Russische lgbtq+-kringen – en haar niet eventjes uit de rij haalt en… U weet hoe dat kan aflopen.

Als haar club haar laat gaan om mee te doen aan een competitie waaraan de Russen niet mogen deelnemen, en Kiki derhalve uit Rusland wegraakt, zal ze dan antwoorden op de vraag wat haar heeft bezield om in het foutste land van Europa en misschien wel de hele wereld te gaan basketballen?

Voorlopig is het de manager die haar naar daar heeft geloodst en haar contract, bij Koersk of all places, heeft onderhandeld en daar zijn percent(je?) op heeft gepakt, die in haar plaats het woord voert. “Wij doen niet aan politiek, wij doen aan sport, basketbal in dit geval.”

Zelden een dommere reactie gehoord. Hoe los van de realiteit kun je zijn om dat te antwoorden? Hoe wereldvreemd kun je zijn om, als je overal in Europa terecht kunt, uitgerekend in het met afstand meest verknipte sportland van deze eeuw te gaan ballen?

De eerste wedstrijd van november is tegen Litouwen, een land dat onder constante Russische dreiging leeft. Reken maar dat die ‘de Russin’ Kyara Linskens in de mot zullen hebben.

Fouter dan Rusland is lastig. Het belazert de sportkloot al een hele eeuw, meer in het bijzonder sinds het aantreden van Vladimir Poetin in 2001 als president. Eerst met gewone doping, later met fraude, ook corruptie, omkoping, weer doping en heel veel dreigen. Op de Olympische Winterspelen van Sotsji in 2014 kwam het allemaal samen.

Na Sotsji had de euro al kunnen vallen bij de buitenlanders die er hun roebel-dollars verdienden met sport. Niet zozeer omwille van die massale dopingfraude, want die kwam pas in 2016 aan het licht. Na Sotsji viel Rusland de Krim aan en pakte die af van Oekraïne.

Nu goed, de internationale reactie was nogal lauw en je kunt niet verwachten van sporters dat ze zich aan actuamagazines laven na een dagje afzien op training. Daarom kon je nog begrip opbrengen voor wie bleef.

Na de inval in Oekraïne op 24 februari 2022 was het hek van de dam. Iedereen die kon, liep er weg. Niet alleen voor de oorlog. Brittney Griner, de Amerikaanse basketbalspeelster en collega van Emma Meesseman bij Jekaterinenburg, was net een week eerder teruggekeerd naar haar Russische team. Of had dat althans geprobeerd.

Als zwarte Amerikaanse lesbienne van 2,03 meter viel ze sowieso al op. Ze werd een gewillig slachtoffer, helemaal na het vinden van cannabisolie in haar bagage, en werd opgesloten tussen moordenaressen in een vrouwengevangenis. Tien maanden zat ze daar vast, tot Poetin haar ruilde voor Viktor Bout, een wapenhandelaar die ooit vanuit Oostende opereerde.

Europese en Amerikaanse basketters die nu nog in Rusland spelen zijn van het pad af, tenzij ze Rusland steunen en dan is de conclusie dezelfde. Misschien moeten we Linskens in november het boek van Griner cadeau doen. Het heet niet toevallig Coming Home. Op 14 november verschijnt het als Thuiskomen in Nederlandse vertaling.

Column Remcoooh (afl. 1031) in De Morgen van maandag 23 september 2024

Remcooooh (afl. 1031)

Op 17 juni van dit jaar, net voor het Europees kampioenschap voetbal en twee weken voor de Tour-start, plaatste de Amerikaanse sportwebsite The Athletic een verhaal over en met Remco Evenepoel. The New York Times – die geen echte sportredactie meer heeft en The Athletic in huis heeft gehaald – nam het verhaal graag over.

Er zijn niet veel Belgische sporters die de NY Times hebben gehaald, neemt u dat maar aan. De Bruyne en Hazard zijn – als het geheugen het niet laat afweten – de enige Belgen aan wie dat referentiemedium ooit een longread heeft gewijd.

Een hele eer? Ja, als je nagaat wie de auteur – ene mijnheer Whitehead – allemaal heeft gesproken en hoeveel plaats er voor een niet-Amerikaanse sporter in een niet-Amerikaanse sport werd ingeruimd. Neen, als men het verhaal er op naleest.

Remco Evenepoel zal niet blij zijn geweest met de teneur. De bottom line zat in een quote van een van zijn voetbaltrainers: Remco-de-voetballer was in alles goed wat niet voetballen was, zoals veel lopen en inzet vertonen, tactisch was hij zwak.

Een andere trainer verweet hem net niet te veel te lopen en vooral niet te weten waar hij juist moest lopen bij balverlies, een vervelende eigenschap als je weet dat Evenepoel op het laatst als linksback werd uitgespeeld. Bob Browaeys, zijn coach bij de nationale jeugdelftallen, die hem zelfs kapitein maakte, had dan weer een mooi compliment in huis: nooit iemand gezien met zo’n high performance mindset.

De coach bij Anderlecht die hem op de bank zette en als eerste zijn zin in voetballen fnuikte, alsook de coach bij Mechelen die hem tactisch onvolwassen vond, moet de Koninklijke Belgische Wielerbond daar niet eens een kratje wijn bij afzetten?

Zonder dat vroege en wellicht ondoordachte doorselecteren was Remco blijven voetballen. En dan was hij gegarandeerd prof geworden en zelfs een heel degelijke wingback (dixit Bob Browaeys). Het lot besliste anders.

“Te weinig met het hoofd, te veel met het hart, maar hij bleef wel lopen, tot twaalf kilometer per wedstrijd in de jeugd.” Dat was nog een uitspraak van een andere voetbaltrainer over Evenepoel. Ziedaar het geheim van de tijdrijder in Evenepoel: niet te veel nadenken, blijven stampen en stoempen van het begin tot het eind.

Wat heb je nodig voor een tijdrit? Goede fiets. Check. Goede motor. Check. Goed pacing plan. Check. Goed parcours. Check, zeker gisteren. Goede houding, aerodynamisch. Check. Zelfs fenomenaal goed ondanks die aangekweekte korte hamstrings van de ex-voetballer.

Maar bovenal, een goede mentale ingesteldheid ten aanzien van de vreselijk inspanning die tijdrijden is. Een wil om door te zetten, om af te zien bij de beesten, om te blijven trappen daar waar anderen het laten lopen. Daarin maakte Evenepoel gisteren op het wereldkampioenschap tijdrijden in Zürich weer eens het verschil.

Lyrisch word je er niet meer van. Tenzij dan het Sporza-commentaarsduo dat Zürich prompt bombardeerde tot hoofdstad van Zwitserland. Zwitserland heeft geen hoofdstad. Wel een bondsstad en dat is vooralsnog Bern.

Remco Evenepoel heeft gisteren door het prolongeren van zijn wereldtitel de wereld niet meer verbaasd. De laatste keer dat hij dat kon en de monden deed openvallen was op de Olympische Spelen door als eerste goud te winnen in de tijdrit en de wegrit.

Deze jongen van nog maar 24 staat in die keiharde discipline van volwassen mannen op een punt waar nog niet veel collega’s op die leeftijd hebben gestaan. In een tijdrit is het van ‘ik kwam, ik zag en ik overwon’. In een tijdrit op twee wielen en op eigen kracht is Evenepoel voortaan de maat der dingen.

Dat beaamde ook Tom Dumoulin, zelf ooit een begenadigd tijdrijder, toen hij zei dat Evenepoel hard op weg was om de beste tijdrijder ooit te worden. Alleen zei hij er nog iets anders achterna. Dumoulin, een man van nuances ook toen het nog om hemzelf ging, dacht na over een minpuntje en zei “soms neemt hij nog een rare bocht”.

Dat laatste is duidelijk verkeerd gevallen. Daarmee geconfronteerd, reageerde Evenepoel als door een wesp gestoken. “Tom zal de tijdrit op de Olympische Spelen niet gezien hebben, zeker? Het regende, het was glad en daar won ik toch ook!? (fel) Tom komt soms nogal raar uit de hoek. Victor Campenaerts had er gisteren aan tafel nog een goeie quote over: ‘Als je alles wint, beginnen de mensen u soms te haten.'”

Maar neen, Remco. Niemand haat jou, iedereen erkent jouw talent. Maar zoals de voetbaltrainers die vonden dat je soms ondoordacht liep, zijn er journalisten en wielrenners die vinden dat je soms ondoordacht praat.

Column ‘Kirsty for president’ in De Morgen van zaterdag 21 september 2024

Kirsty for president

De kandidaat-opvolgers van Thomas Bach als voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité zijn bekend en er is een record gesneuveld. Tot de verkiezing van Jacques Rogge als achtste IOC-voorzitter waren er één keer vier kandidaten bij een nieuwe verkiezing. Dat was in 1925 toen de Belg Henri de Baillet-Latour werd verkozen.

Rogge moest het in 2001 tegen vier anderen opnemen en Bach moest in 2013 afrekenen met vijf IOC-leden. Voor deze verkiezing van de tiende IOC-voorzitter in de geschiedenis van de sport hebben zich niet minder dan zeven IOC-leden gemeld en het dient gezegd, er zitten een paar rare namen tussen.

Johan Eliasch is wel de opmerkelijkste figuur. De man is 62, miljardair, voorzitter van de internationale skibond, en heeft een Zweeds en Brits paspoort. He ticks all the boxes, schreef een Engelse collega, op één na: Eliasch is nog maar IOC-lid sinds 25 juli. Van arrogantie gesproken. Nog geen enkele serieuze sessie als lid meegemaakt en meteen al voor het hoogste ambt gaan, in dat milieu is dat een zelden geziene zelfmoordmissie. Het mag bevreemden als hij in maart volgend jaar één stem krijgt.

Wie tussen de lijnen leest in het document over de verkiezingsprocedure van de ethische commissie onder voorzitterschap van Ban Ki-moon (ex-VN) kan niet anders dan vaststellen dat vijf van de zeven kandidaten te oud zijn. De leeftijdslimiet ligt bij 70 en Seb Coe (68 eind deze maand), Morinari Watanabe (65), Juan Antonio Samaranch (65 op 1 november), prins Feisal al Hussein van Jordanië (over drie weken 61) en tafelspringer Johan Eliasch (62) kunnen maximaal een eerste termijn van acht jaar vervullen.

Na die eerste acht jaar moeten ze weg en voor sommigen onder hen (Coe, Watanabe, Samaranch) zullen er zelfs onderweg in hun eerste zit uitzonderingen op de leeftijdslimiet nodig zijn. Coes IOC-lidmaatschap kan bijvoorbeeld worden verlengd, maar slechts tot 2030. Alleen zit hij bij het IOC als voorzitter van World Athletics en dat mandaat loopt af in 2027.

Alleen de prins van Jordanië kan tot 2035 worden verlengd, maar ook dat volstaat niet voor twee termijnen. Een uitzondering maken op het Olympisch Handvest zou een slecht signaal zijn. Het is die overweging die Bach ertoe heeft aangezet om af te zien van een derde termijn.

Samaranch, het zoontje van de belangrijkste voorzitter sinds Pierre de Coubertin, die aan het eind van zijn mandaat net niet werd uitgespuwd, is ook kandidaat. Is dat om de nagedachtenis aan zijn pa in eer te herstellen, dan wel zijn vadercomplex van zich af te werpen? Hij lobbyde zich een ongeluk in Hôtel du Collectionneur tijdens de Spelen, maar of dat zal volstaan, is nog maar de vraag.

Twee van de zes kandidaten kunnen de volledige twaalf jaar (acht voor een eerste termijn en vier voor een eenmalige verlenging) uitzitten. Dat zijn de Fransman David Lappartient (51) en de Zimbabwaanse Kirsty Coventry (41), op voorwaarde dat ook Lappartient een volwaardig IOC-lid wordt. Voorlopig is hij ex officio gecoöpteerd, dus zoals Coe vanuit zijn bondsvoorzitterschap.

In het genre tafelspringer scoort Lappartient hoog. De man regeert met ijzeren vuist over de internationale wielerunie UCI, een disfunctionele bond die er niet in slaagt zijn atleten te beschermen. Hij is daarnaast voorzitter van het departement Morbihan en van het Franse olympisch comité en hij zet zich achter de kandidatuur van de Franse Alpen voor de Winterspelen van 2030.

Coventry is dan weer de opvallendste naam en de favoriet van de uittredende Bach. Dat laatste is niet onbelangrijk als je weet dat 81 van de 111 stemgerechtigde IOC-leden onder Bach zijn gecoöpteerd en Coventry zelf een van de eersten van de Bach-lichting was.

Ze is nog maar de tweede vrouw die zich ooit als kandidaat presenteert. De eerste was Anita DeFrantz in 2001. Zij was kansloos in het oude IOC omwille van een aantal ‘nadelen’: vrouw, lesbisch, zwart en Amerikaans.

De nadelen van 2001 zijn de troeven van 2025: Coventry is vrouw, jonge moeder, Afrikaanse, maar wel blank. En ze heeft drie gouden medailles gewonnen in een belangrijke olympische sport als zwemmen, één meer dan Coe.

Haar enige nadeel is haar beperkt trackrecord als leidinggevende, met uitzondering dan van een ministerpostje. Met een stevig uitgebouwde IOC-staf en administratie mag dat geen probleem zijn. Op 21 maart 2025 zal de witte rook uit de schouw van het Peloponnesische luxeresort Costa Navarino de consecratie van de tiende sportpaus aankondigen. Een pausin is niet ondenkbaar.

Column Swiss System in De Morgen van maandag 16 september 2024

Swiss System

Morgen begint de Champions League, occasioneel gespreid over drie dagen. Daarna moet u het even in de gaten houden: soms is het om de twee weken kampioenenbal, soms zitten er drie weken tussen. Niet onbelangrijk: er zijn acht in plaats van zes speeldagen in de groepsfase en die laatste twee vallen eind januari. Het wordt wennen, op alle vlakken.

Zo zijn er niet langer 32 maar 36 teams in de Champions League. Zelfde verhaal voor de Europa League en de Conference League, die twee weken later van start gaan en nog steeds op donderdag hun ding mogen doen en wel maar zes speeldagen tellen.

De competitieopzet dan. Als u maar af en toe voetbal kijkt, alleen als Messi of Ronaldo meedoet bijvoorbeeld, dan mag u hier stoppen met lezen. Niet alleen omdat Messi en Ronaldo niet meer meedoen, maar omdat u het toch niet zult begrijpen.

Er wordt één rangschikking van 36 ploegen opgemaakt na acht (zes) speeldagen. Kan dat? Dat kan. Met het Zwitserse model, officieel het Swiss system tournament.

Het Zwitserse competitiesysteem is bedoeld om uit te komen bij een winnaar uit een grote groep deelnemers, zonder dat iedereen tegen iedereen moet spelen. Met 36 ploegen volgens het bij ons gangbare roundrobinsysteem zou je zeventig wedstrijden moeten spelen. Onbegonnen werk.

Dat format is voor het eerst toegepast in Zürich in 1895 in een schaaktoernooi, vandaar Swiss system. Het wordt ook veelvuldig gebruikt in bridge, go, scrabble, Pokémon en Rocket League. En nu dus ook in voetbal, in de drie Europese bekers. Het systeem waardoor elke ploeg acht tegenstanders (zes in de Europa en Conference League) kreeg toegewezen lijkt arbitrair en ondoorzichtig, maar is gebaseerd op een rangorde van historische resultaten.

Waarom het bestaande systeem op de schop moest, dat is duidelijk. Toeval uitsluiten, zoals een sensationele uitschakeling van een grote ploeg uit een groot land door een outsider uit een klein land.

De vroegere Europabeker voor Landskampioenen, nog voor de Champions League van start ging in 1992, was een competitie met knock-out van in het begin, directe uitschakeling voor wie zijn eerste confrontatie (uit en thuis) verloor. De Champions League kwam er omdat de UEFA enkele marketeers onder de arm had genomen om haar eigen voetbalcompetitie wat meer aanzien te geven en zodoende sponsoring te werven. Het competitieformat omvatte toen ook al een groepsfase, maar daar was niet goed over nagedacht.

Pas met de dreiging van een een afscheurcompetitie in 1998 (toen al met enkele Saudi’s en Silvio Berlusconi als drijvende kracht) kwam er een hervorming naar de zin van de topclubs. De groepsfase werd uitgebreid naar zelfs twee opeenvolgende groepen van vier en drie ploegen en, nog belangrijker, de te verdienen gelden waren niet langer geheel afhankelijk van het resultaat. Twee vliegen in één klap.

Ten eerste, hoe langer een serie wedstrijden duurt, hoe kleiner de kans op verrassingen aan het eind. Op maat dus van de grote sterke teams die, ten tweede, zich verzekerd wisten van een groot deel van hun inkomsten nog voor de eerste bal was getrapt. Het gehanteerde verdeelmodel was erg oneerlijk: rijk werd rijker.

Voor deze hernieuwde editie is dat nog flagranter: maar 37,5 procent van de 2,467 miljard euro wordt verdeeld op basis van sportieve resultaten. Van 62,5 procent weten we nu al wie die straks krijgt. Die wordt verdeeld op basis van historische resultaten en de waarde van het tv-contract in het land van herkomst. Zo krijgt Paris Saint-Germain, omdat Frankrijk veel betaalt voor de Europese rechten en er maar vier Franse ploegen meedoen, op voorhand het meeste geld van alle 36 clubs: 63,351 miljoen. Daar kan nog 83,5 miljoen bij komen, maar dan moet PSG al zijn acht wedstrijden in de ‘Zwitserse fase’ winnen, én de finale van Champions League, én daarna nog de supercup.

Die 83,5 miljoen euro ligt in theorie ook te wachten op Club Brugge als het na de Champions League ook de supercup (in Europa welteverstaan) zou winnen. Club is wel benadeeld ten opzichte van PSG want het weet zich bij de start slechts verzekerd van 37,3 miljoen.

Al is het bijwoord ‘slechts’ hier heel ongepast. De vijf andere Belgische clubs die Europees spelen in de Europa en Conference League zijn nu samen zeker van 29 miljoen euro, met Gent en Anderlecht als koploper met meer dan 6,1 miljoen.

Ook hier te lande wordt rijk steeds rijker. Het ontwrichtende effect van de Champions League op de nationale competities is al langer een item en is nu ook tot de Premier League doorgedrongen, waardoor het dit seizoen zeker op de agenda komt.

Column ‘Doorselecteren’ van zaterdag 14 september 2024 in De Morgen

Doorselecteren

Domenico Tedesco heeft ballen aan zijn lijf, zoals hij tijdens zijn veelbesproken evaluatie eind augustus opperde dat hij met het oog op het ontwikkelen van een vernieuwde kern wilde doorselecteren in de Nations League. Het idee was goed, randje fantastisch. In het besef dat de Rode Duivels nu ter plaatse trappelen, wat gelijkstaat aan achteruitgaan, wilde Tedesco een beetje georganiseerde chaos in de hoop op een nieuwe Belgische voetbalorde.

In de wetenschap dat nieuw talent het altijd moeilijk heeft om zich door te zetten in een kader van gelouterde spelers kon dat doorselecteren weleens werken. Resultaat was dan even minder belangrijk, wel kijken wie samen in het bad kon worden gegooid, wie niet zou verzuipen en vooral wie zou bovendrijven. Dat recept is al meermaals in veel ploegsporten goed uitgedraaid, maar evenveel keer desastreus geëindigd, moet je erbij vermelden.

Een risico dus en dat komend van een coach die na Euro 2024 risico-avers werd genoemd omdat hij zijn ploeg te defensief had laten voetballen. Wie dat risico-avers op het conto van de bondscoach schreef, heeft nooit een teamsport op niveau gespeeld. Het is echt niet de coach die voor de volle 100 procent verantwoordelijk is voor wat er op het veld gebeurt, ook niet die ene speler die toevallig kapitein is. Het levende en fluïde organisme, het team, bepaalt uiteindelijk hoe er wordt gespeeld, afhankelijk van hoe de individuen hun taak invullen.

Dat doorselecteren heeft Tedesco niet helemaal zelf in de hand gehad. De zelfverklaarde onderkoning van Madrid, Thibaut Courtois, selecteerde zichzelf uit de ploeg. Dat was een sof, die onmogelijk Tedesco kan worden aangerekend. Hij heeft niet geplooid voor zijn superster en wie dat als zwakte ziet kent niks van ploegdynamiek.

Na het dubbele luik tegen Israël en vooral uit tegen Frankrijk is doorselecteren meer dan ooit de boodschap. Technisch directeur Frank Vercauteren kan voor één keer zijn rol als achter- en meeloper overstijgen als hij Tedesco in zijn volgende doorgeselecteerde selectie zou steunen. Hoe die er dan moet uitzien? Geen idee, maar alvast voorlopig geen Kevin De Bruyne.

Laat deze bondscoach maar eens proberen een ander middenveld te bouwen en geef hem daartoe tijd. Het onevenwicht zonder De Bruyne zal niet groter zijn dan met hem, het zal alleen anders zijn.

Het stond hier al eens eerder, na Euro 2024: De Bruyne heeft gelijk dat de rest van de ploeg zijn niveau niet haalt en precies daarom kun je De Bruyne alles toevertrouwen, behalve die kapiteinsband. Voor die rol is hij niet geschikt.

Dat bewees hij maandagavond toen hij na een halve wedstrijd met de armen zwaaien en met zijn hoofd schudden bij Gilles De Bilde net geen namen noemde van wie dan wel in zijn ogen de schuldigen waren voor de lamentabele prestatie. Dat Doen Kapiteins Niet. En wie dat wel wil doen moet die band niet om zijn arm willen.

Wat als daar een echte journalist had gestaan die wel had doorgevraagd? Oké, dat is niet helemaal eerlijk. Allemansvriend De Bilde maakt dingen los bij voetballers. Veel kans dat De Bruyne tegenover een journalist met perskaart en keurige vragen minder loslippiger is dan tegen de ex-voetballer De Bilde (ook meer emo-speler dan een tactische kraan in zijn tijd, maar passons) die hij absoluut meewilde in zijn betoog.

Laatst stond in een verhaal van L’Équipe Magazine over De Bruyne een compleet foute aanname: “Il n’y a pas plus humble que lui sur la planète foot.” Niemand bescheidener dan hij op de planeet voetbal? De Bruyne vindt zichzelf de beste van de wereld op zijn positie. Hij ziet het beter dan wie ook en wie het anders ziet is fout. Andere meningen laat hij niet toe want die brengen hem in verwarring. Er bestaan klinische termen voor mensen met die denkpatronen, maar die doen er hier niet toe.

Feit is: De Bruyne kan een genie zijn, maar dan alleen in een goedlopend raderwerk, genre Manchester City, en zelfs daar zwaait hij met de armen en schudt hij het hoofd. Het genie en een goedlopend Belgisch raderwerk hebben elkaar gevonden in welgeteld één toernooi: het WK 2018. Op het WK 2014 en het EK 2016 was De Bruyne nog niet de wereldster. Na 2018 werd hij dat wel en werd tegelijk de ploeg rond hem steeds minder. Gevolg: gedoe.

Zonder De Bruyne zal de nieuwe ploeg sneller kunnen groeien, met hem kom je altijd weer bij zijn ongeduld uit. Pas als de Rode Duivels zonder hem op de rails staan, kun je overwegen om hem terug te halen. Als hij dan nog wil, want het genie is wel degelijk koppig.

Column Paralympische Spelen in De Morgen van maandag 9 september 2024

Paralympische Spelen

Het Belgisch paralympisch team is als twintigste land geëindigd op de Paralympische Spelen in Parijs. Dat is beter dan in Tokio drie jaar geleden. Inzake aantal medailles leverde België wel één medaille in, maar daartegenover staat dan weer dat de helft van de medailles van goud waren.

Goed dat er zeven keer goud is gewonnen, want eentje minder van die kleur en België was op de 25ste plaats geëindigd. Ook dat was nog beter geweest dan in Tokio, waar vier keer goud op vijftien medailles werd gewonnen en België daardoor pas het 31ste land werd.

De negatie van de Paralympische Spelen op dit plekje in de krant stootte een aantal lieden flink tegen de borst. “Of topsporters met een beperking die het bovendien beter doen dan de olympiërs zonder beperking niet evenveel aandacht verdienen?”, probeerde iemand.

Antwoord: …eeuh, ja en neen, niet allemaal, niet altijd en niet overal. Paralympiërs en olympiërs doen hun ding in dezelfde stad, en nogal wat disciplines lijken op elkaar, maar elke andere vergelijking raakt kant noch wal.

Neem nu de podia. In Parijs deden 10.714 atleten mee op de Olympische Spelen en die konden 1.044 medailles winnen. Op de Paralympische Spelen doen ongeveer 4.400 atleten mee en voor hen liggen 1.668 medailles klaar.

Olympische Spelen kunnen verwarrend zijn met die meer dan dertig sporten. De Paralympische Spelen hebben er dan wel slechts 22, maar de opdeling in classificaties maakt van de Paralympische Spelen een warboel waar een kat haar jongen niet meer in terugvindt.

Sommige paralympische competities zijn echt topsport, andere minder en nog andere ontstijgen nauwelijks de bezigheidstherapie. Om de goede vrede te bewaren worden die hier niet benoemd, maar weet dat ook in de paralympische wereld die discussie wordt gevoerd.

Léa Bayekula, die twee keer goud won in haar wheeler op de 100 en 400 meter in de klasse T54, maakte van haar triomf gebruik om meer aandacht te eisen voor de paralympische sport en gooide er ook maar meteen achteraan dat er geen opdeling mag zijn tussen atleten met en atleten zonder beperking.

Het is een grove misvatting dat topsport en haar grootste toneel, de Olympische Spelen, inclusief zouden moeten zijn. Topsport is juist exclusief. Het is een zoektocht naar de Vitruviusman in elke sport.

Met die ene uitzondering. Ten behoeve van die hele grote categorie van de wereldbevolking die hormonaal anders is uitgerust – de biologische vrouw – is 150 jaar geleden begonnen met vrouwensport. Nog meer categorieën inrichten op de Olympische Spelen – trans mensen, atleten met een afwijkende geslachtsontwikkeling of met beperkingen – is praktisch onmogelijk.

Bovendien zijn de Paralympische Spelen als speeltuin van rijke (vooral Westerse) landen en landen met een staatsgestuurde topsport zelf wellicht het meest exclusieve mondiale sportevent. Delegaties uit Sub- Saharalanden – Zuid-Afrika uitgezonderd – bestaan uit één of twee atleten en die komen echt niet uit de sloppen van Ouagadougou of Kinshasa. Zelfs in de rijke landen is de paralympische sport een voorrecht voor enkelingen die toevallig de weg hebben gevonden. In Oekraïne, als zevende land geëindigd in Parijs, hebben ze dan weer sinds 2014 een nieuw blik talent opengetrokken, mede met dank aan Poetin.

Het is ook een grove misvatting dat meer paralympische sport in de media de spektakelwaarde en dus de interesse zou verhogen. Léa Bayakula doet haar ding in de klasse T54. Belgiës beste wheeler Peter Genyn dan weer in de klasse T51. Beiden hebben een verlamming, maar die van Léa is minder erg dan die van Peter.

T51 en T54 zijn maar twee klasses van de negenentwintig (29!) honderdmetercompetities op deze Paralympische Spelen. In het zwemmen zijn er dan weer achtentwintig 100-meterfinales. Dat krijg je nooit uitgelegd, en nog minder als je mensen met één been ziet zwemmen tegen mensen met twee benen.

Nog een fenomeen waar het grote publiek (en de media) op afhaken, is de aard van de beperking en hoe die wordt geclassificeerd. Hoort amazone Michèle George, die opnieuw twee keer goud won in de dressuur, na haar zevende goud nog steeds thuis op de Paralympische Spelen? Ze heeft een verlamming gehad aan één been, en revalideerde zo vastberaden dat er nauwelijks nog iets merkbaar is. Ooit sprong ze bij een medailleuitreiking vanop de grond meteen op het hoogste schavotje van het podium.

Idem voor tafeltennisser Laurens Devos, die een eenzijdige verlamming heeft, maar op 24-jarige leeftijd al drie keer paralympisch goud won. Ook hij sprong na zijn derde goud vlotjes op de tafel. Hij gaat nu proberen om de Olympische Spelen te halen in Los Angeles.

Column Vallen en Opstaan in De Morgen van zaterdag 7 september 2024

Vallen en opstaan

Wout van Aert zien we dit jaar niet meer op de weg. Wellicht nog wel eens, of meer dan eens, in zijn eerste speeltuin, het veld. Ook dat is niet zeker. Geen Europees kampioenschap en ook geen wereldkampioenschap op de weg noch op gravel voor Belgiës nummer twee. Een sof, in de eerste plaats voor de renner en voor de Belgische wielerliefhebber.

Wat de nummer één daar echt van denkt, is misschien niet wat hij erover zei. Enerzijds wordt Remco Evenepoel nu de enige kopman in de sowieso erg sterke nationale ploeg. Anderzijds mist hij de bliksemafleider Van Aert waar iedereen naar keek, waarna Evenepoel het zaakje kon afmaken. Te zijner verschoning, zijn wereldtitel in Australië kwam er na een ander scenario. Toen wist hij: ik moet hier zo snel mogelijk wegraken of we houden de boel gesloten voor Wout.

Het forfait van concurrent Van Aert is dus een mes dat aan twee kanten snijdt. Voor de Belgen is er duidelijkheid: allen voor Remco (of doen alsof). Voor de tegenstand is het makkelijk: laat de andere Belgen maar rijden en hou alleen die kleine met zijn grote mond in de gaten.

Of Van Aert klaar had kunnen zijn voor dat WK op de weg, dat weten alleen hij en zijn behandelende arts. Die hebben we niet gehoord. Wel ongeveer alle artsen die hem niet behandelen. Die zeggen dan ook: ik kan mij niet uitspreken over die specifieke blessure, maar… Gevolgd door een hele uitleg die elke vijfdejaars in de geneeskunde ook kan verzinnen. Een beter antwoord had kunnen zijn: u hoeft mij niet te bellen, ik heb ook maar gezien dat hij niet meer verder kon en dat hij bloedde. Hoezeer dat essentiële gewricht heeft geleden, daarvoor moet u in Herentals zijn. Wilt u het nummer?

Ervan uitgaand dat het EK te vroeg kwam, blijft de vraag: had Van Aert klaar kunnen zijn voor het WK op de weg? Dat weten we dus niet, maar dat deed er misschien niet meer toe. Wil hij wel klaar zijn om aan 95 procent bliksemafleider te spelen voor Evenepoel op een parcours waar hij het normaal zou moeten afleggen tegen de betere klimmers en waar hij nu met een inderhaast opgelapte knie helemaal kansloos is?

Hij kent het antwoord, maar het zou niet verbazen als hij die nacht in dat hotel in Spanje zijn gedachten al had geordend in de richting van een break. Een keertje je eigen verjaardag ongehinderd kunnen vieren met familie en vrienden, ook dat kun je meenemen in de overwegingen.

De val van dinsdag is door ooggetuigen omschreven als een rare val. “A bizarre crash”, zei Jay Vine. Waarmee hij tussen de regels aangaf dat die niet nodig was want het meest technische en gevaarlijke stuk van de afdaling was achter de rug. In hoever de Collada Llomeda in de Picos de Europa een voetnoot dan wel een heel hoofdstuk wordt in de Belgische wielergeschiedenis moet nog blijken.

Volgens de volgers van het peloton is het Van Aerts tiende val van het jaar. Die eerste twee zonder erg (in de cross in Benidorm over de balkjes en drie weken later in de Algarve in een monstercrash) zou je nog kunnen schrappen. Die andere acht, zit daar een patroon achter?

Of de olifant in de kamer: valt Van Aert niet te veel en vooral te snel? Met andere woorden: is hij te veel waaghals volgens zijn stuurkunsten? Aan zijn meer dan bovengemiddelde stuurkunsten moet niet worden getwijfeld, anders wint hij niet zoveel crossen. Maar goede stuurkunsten moeten in verhouding staan tot aanvaard risico en zijn collega Mathieu van der Poel gaat ook weleens onderuit op een plek en een manier waarvan je denkt: was dat nu nodig?

Het enige patroon dat je kunt herkennen in de meeste van die crashes is gretigheid. Neem de horrorcrash van 2019 in de Tour de France: slecht opgestelde hekken, dat wel, maar Van Aert draait als enige te kort de bocht in en blijft haperen, met een carrièrebedreigende blessure als gevolg.

Pech wordt dan gezegd, maar pech is vaak het fenomeen dat zich pas manifesteert als je zelf eerst de voorwaarden daartoe hebt gecreëerd. De val in het gootje van de Paterberg in de E3 Classic dit jaar: pech of eigen schuld dat je niet zit waar je moet zitten? Dwars door Vlaanderen: pech of te dicht op het wiel van Tiesj Benoot gereden? In de Tour dit jaar: te gretig in een bocht en vallen. Op de Olympische Spelen: te gretig in een bocht en vallen. Die laatste val: te dicht in de afdaling op Felix Engelhardt en zeer hard vallen. Einde seizoen.

Fysiek valt de blessure mee, zo wordt gemeld. De schade die de Collada Llomeda heeft aangericht tussen de oren van de renner die inmiddels beseft dat hij net iets meer valt dan normaal, dat is een ander probleem.

Column Ontluizing in De Morgen van maandag 2 september 2024

Ontluizing

Er hadden negentig AIN moeten deelnemen aan de Paralympische Spelen van Parijs.

Voor eens en voor altijd: het zijn de Paralympische Spelen of Paralympic Games. De Paralympics, in tegenstelling tot de ‘echte’ Olympics, bestaan niet. De band tussen beide is zo goed als onbestaand, wat men u ook wijsmaakt tijdens openings- en sluitingsceremonies. De relatie is zelfs koeler dan ooit, maar dat is voor een andere keer.

AIN staat voor athlètes individuels neutres, Russen en Wit-Russen die niks te maken hebben met de oorlog, nooit openlijk hun steun hebben toegezegd aan Poetin en goed genoeg zijn in hun sport om deel te nemen. Negentig is veel. Bij de Olympische Spelen waren de AIN met 32, meer Wit-Russen (17) dan Russen (15) overigens.

Er zijn dus niet alleen meer dode dan levende Russen – zoals te lezen viel in Zeno – of althans meer dode dan we denken, blijkbaar is er ook een overaanbod van Russen met een beperking. Niet helemaal duidelijk of dat te verklaren is door die inmiddels tien jaar speciale operaties in Oekraïne, maar het is bekend dat een flinke oorlog in de jaren nadien merkbaar is in het deelnemersveld.

Oorlog is trouwens de origine van de Paralympische Spelen. De Stoke Mandeville Games in 1948, een idee van de in 1933 gevluchte Duits-Joodse neuroloog Ludwig Guttman, waren bedoeld om de mensen met paraplegie van de Tweede Wereldoorlog te laten sporten. Ze hadden het beter bij paraplegen gehouden in plaats van het allegaartje aan classificaties van vandaag, maar ook dat is voor een andere keer.

De AIN op de Paralympische Spelen doen het beter dan de AIN op de Olympische Spelen. Bij het ter perse gaan stonden ze derde in de medailletabel met 26 medailles.

Die negentig zijn er niet allemaal geraakt. Vorige week is twee paralympiërs uit Rusland een visum geweigerd door de Franse autoriteiten, tot ergernis van de Russen. Vreemd is dat, want de Russische olympiërs die toch afreisden naar Parijs worden sindsdien door de hardliners onder de Russische politici onder vuur genomen voor hun neutrale houding. Die waren dan ook niet te best op dreef, misschien ligt het daaraan.

Van de vijf medailles die de neutralen wonnen was er één voor Rusland. Mirra Andreeva en Diana Shnaider verloren de dubbelfinale in het tennis. Goed dus dat die Spelen niet te zien waren in Rusland. Andreeva woont in Cannes en Shnaider studeert aan North Carolina State. Houden zo, dames.

Rusland is niet het enige land dat moeilijk doet over zijn al of niet terugreizende olympiërs. Hongkong won twee keer goud in het schermen. Cheung Ka-long, die al in Tokio voor de enige titel zorgde voor Hongkong, pakte opnieuw goud. Hij is een voorvechter voor een democratisch Hongkong en steunt openlijk de activistische zangeres Denise Ho.

Zijn schermcollega Vivian Kong, ook goud gewonnen, is dan weer pro China. Zij studeerde aan de Renmin-universiteit in Peking en schreef haar thesis over de weldaden van het één land/twee systemenmodel. Ze werd uitgespuwd op de sociale media.

China hield zich tijdens de Spelen actief bezig met het opsporen van Hongkongers die haar aanvielen en Cheung bewierookten, maar ook van zij die zich hadden verkneukeld in de dubbele val van de Chinese gymnast Su Weide in de allroundfinale, wat China het goud kostte.

Geen enkel land bakt het evenwel zo bruin als Noord-Korea als het gaat om vervelend doen tegen atleten die terugkeren naar hun land na al of niet succesvolle Spelen. Niet duidelijk of u dat mee hebt gekregen in al het onnozele gehype van Sporza, maar er was wat aan de hand na de tafeltennisfinale in het gemengd dubbel.

Ri Yong-sik en Kim Kum-yong uit Noord-Korea (afgekort PRK) hadden met 4-2 verloren van het Chinese paar en bij de medailleceremonie achteraf gingen ze maar wat graag op de foto met het hele podium. Probleempje: de nummers drie waren het paar uit Zuid-Korea en laat KOR nu toevallig de aartsvijand zijn van PRK. De selfie was al genoeg om de alarmbellen te laten afgaan, maar dat Ri en Kim volgens officiële rapporten glimlachten naar atleten van andere landen, Zuid-Koreanen inbegrepen, is een serieuze inbreuk op de gedragscode van Noord-Korea.

Besmetting door buitenlandse invloeden moet te allen prijze worden vermeden. De tafeltennissers zullen worden onderworpen aan een ontluizing in drie ronden, met een ideologische schrobbeurt als uiteindelijk doel. Niet duidelijk of dat al achter de rug is, evenmin of we Ri en Kim ooit nog zullen zien, laat staan op het WK volgend jaar in Doha.

Column De CEO in De Morgen van zaterdag 31 augustus 2024

DE CEO

De basisregels voor een aanstaande CEO van een sportbond, aangeboden door uw ervaringsdeskundige.

Regel 1: zet uw ego opzij, DOE HET NIET!

Regel 2: als uw ego te groot is, zie regels 3 en verder.

Regel 3: u heeft in uw nieuwe organisatie geen medestanders, laat staan vrienden.

Regel 4: spreek met elk personeelslid en met elke bestuurder maar weet dat zij overleven door nooit het achterste van hun tong te laten zien.

Regel 5: besef dat een sportbond meer lijkt op een politieke partij dan een bedrijf. Uw vijanden van morgen staan vandaag het dichtst bij u.

Regel 6: voortvloeiend uit regel 5. U bent eeuwige trouw verschuldigd aan wie u heeft aangesteld/gevraagd, ook al blijkt die misschien een corrupte stoethaspel.

Regel 7: om te anticiperen, is het goed om alle belangen in kaart te brengen en ernaar te handelen.

Regel 8: hoe zwaar het u ook valt, laat uw minachting voor die treurige spelletjes en bekrompen belangen nooit blijken.

Regel 9: roep de hypocriet in u op, vergeet de sympathie voor uw beter personeel en kies altijd de kant van de bestuurders, hoe hol en vooringenomen die ook zijn.

Regel 10: verbaas u te zijner tijd niet dat uitgerekend de minkukels in en rond uw organisatie u zullen doen struikelen.

Piet Vandendriessche hoefde niet zo nodig nog iets. Hij wilde een rol met maatschappelijk belang opnemen. Dat is begrijpelijk na jaren met zijn Deloitte bedrijven te hebben afgezet met veel te hoge facturen voor diensten waarvan ze later beseffen dat ze die zelf beter en goedkoper hadden kunnen doen. (Dat laatste geldt ook voor de andere leden van ‘the big four’.)

De ex-CEO van de Koninklijke Belgische Voetbalbond is er alvast niet al te beschadigd uitgekomen. Natuurlijk is hij nijdig dat hij er toch is ingetuind, maar dat zal slijten en al snel zal hij opgelucht zijn. Wanneer had hij voor het eerst door dat niet het grote belang telt – zoals van de voetbalwereld een grote sportieve, waardegestuurde beweging maken – maar wel hoe al die ego’s van het voetbal konden worden gemasseerd?

Behalve tegen alle tien de regels zondigen die hierboven staan, heeft hij nog een fout gemaakt: de vleugels tegen zich in het harnas jagen. Hij had beter moeten weten. De put van 6 miljoen euro waarvoor Voetbal Vlaanderen en de Franstalige tegenhanger zogezegd verantwoordelijk zijn, gaat in wezen om taken die vroeger bij de voetbalbond lagen en die op het bordje van de vleugels terecht zijn gekomen.

Zijn vraag om de bondsbijdragen te verhogen om die put te dempen, viel op een koude steen. Regel 11: als de kleintjes schouder aan schouder gaan staan, pas op je tellen want als ze combines vormen met de groten, ben je verloren. Precies wat is gebeurd.

Die bestuurders van de voetbalbond moeten voor wat hierna komt toch eens nadenken en dan hebben we het niet over die vier die door de Profliga zijn afgevaardigd want die weten wat ze willen en vooral wie ze willen bij de bond en dat is Vincent Mannaert.

Door niet zomaar Mannaert en zijn oekazes binnen te willen halen, ging Vandendriessche in tegen Wouter Vandenhaute en co. Je zou dat een foute en tegelijk een goede inschatting kunnen noemen want Vandenhaute en Mannaert zijn twee handen op één buik, twee mannetjes die de bond naar hun hand willen zetten.

‘Wil je Mannaert dan dood?’ Dat vroeg een bezorgde lezer, nadat ik eerder deze week bezwaar had gemaakt met betrekking tot zijn profiel van drinkebroer. Helemaal niet, ik heb hem zelfs ooit beterschap gewenst omdat hij een zeer gedegen clubmanager was. Dat is hij nog steeds, maar nu wel even zonder club.

De KBVB-bestuurders zouden moeten beseffen dat er een verschil is tussen een nationale voetbalbond en een club. Een nationale sportbond die – wat is het? – 400.000 vooral niet profvoetballers en voetballertjes (v/m/x) overkoepelt, is deels gestuurd door waarden en normen. Een profclub is een bedrijf in privéhanden, een vehikel om mensen te verhandelen en daar winst mee te maken. Zoek daar de waarden en normen.

Een profiel als dat van Vincent Mannaert slaat voor een koepelfederatie als een tang op een varken. Niet alleen is hij meermaals veroordeeld voor dronkenschap, bovendien zat hij tot over zijn oren (in totaal voor 2,4 miljoen euro) in de witwaszaak rond spelersmakelaar Dejan Veljkovic. Die mocht onder meer 1,5 miljoen euro factureren aan Cyprus voor ‘scoutingopdrachten’.

Mannaert werd aangeklaagd, heeft geschikt, heeft dus betaald, heeft dus bekend. Mag die dan niks meer nadien? Natuurlijk wel, maar misschien is de voetbalbond niet onmiddellijk de meest geschikte plek voor iemand met zijn rugzak.