Column Marktplaats.be in De Morgen van maandag 26 augustus 2024

Marktplaats.be

We lezen voor uit de sportkaternen van dit weekend, de koppen volstaan om te begrijpen waar het over gaat.

…Bijna witte rook voor Lukaku (die aan Napoli moet worden verkocht)

…Puertas op weg naar promovendus in Saudi-Arabië

…Torino meldt zich voor Cuesta

…El Khannouss zet zinnen op Premier League

…Eriksen naar Anderlecht wordt aartsmoeilijk

…Goudhaantje Mandela Keita wacht op zijn transfer

…Transfer Hong van Gent naar Trabzon sleept aan

…Standard vangt 5 miljoen voor Ngoy

Andere verhalen gaan over Club Brugge en zijn CEO die hebben opgetreden tegen neofascistische ‘enkelingen’ onder hun supporters. Of over de problemen bij de voetbalbond, zoals de late evaluatie van de bondscoach en de financiën. Of over diezelfde bondscoach onder wie de Primadonna van Madrid, aka Courtois, niet meer wil spelen.

Ook een niet onbelangrijk verhaal over het uitstellen van twee wedstrijden met daarin drie Belgische clubs die volgende week hun Europese deelnames aan de groepfases van de kneusjescups willen veiligstellen en vooral welke problemen dat zal geven in een overvolle kalender.

Verder een verhaal over die nieuwe Oostendse fata morgana KV Diksmuide Oostende van Karl Vannieuwkerke, die wel zegt waar het op staat: “Om eerlijk te zijn vind ik het voetbal in 1A en 1B commercie: kopen, verkopen, geld verdienen.”

Echte voetbalverhalen? Iets over Noah Sadiki (die naar het buitenland zou kunnen, dus ook handel…). Jan Van den Bergh die in Nederland speelt en iets aan zijn hoofd had en Carl Hoefkens die in Nederland trainer is (van Van den Bergh) en niks in zijn hoofd heeft, zo wordt gezegd.

Nog goed dat er andere sport in de katernen staat en dat die echt over winnen of verliezen gaat. Vannieuwkerke heeft gelijk. Voetbal in België is marktplaats.be, kopen en verkopen, import en export.

Tot zaterdagnamiddag zijn volgens de website transfermarkt.be uit de zestien 1A-clubs van de Jupiler Pro League 189 spelers vertrokken en daarvoor zijn er 178 in de plaats gekomen. In totaal zijn deze zomermercato alleen al 367 spelersbewegingen (in of out) genoteerd bij de zestien topclubs. 138 of meer dan een derde van die bewegingen waren/zijn huurconstructies tussen clubs, het voetbalequivalent van koppelbazerij.

Dat is de stand van zaken op 24 augustus en we hebben nog tot 6 september. Deze handel in voetballende mensen zorgt voor een voorlopig positieve handelsbalans van dik 132 miljoen euro, of zo’n 8,3 miljoen gemiddeld per 1A-club.

Met gemiddeldes moet men evenwel oppassen. Op één staat Genk met 35,65 miljoen euro aan winst en dan moet Bilal El Khannouss nog worden verkocht voor een miljoen of veertig. Club Brugge is tweede met 28,5 miljoen euro aan overschot en dat ondanks de extreme waardevermindering die ze hebben geboekt op Jaremtsjoek. Gekocht voor 17 miljoen euro in 2021 en verkocht voor 2 miljoen deze zomer. Een kemel van formaat maar de Club-kas kan dat hebben.

Negatieve handelsbalansen zijn er voorlopig voor Union dat een miljoentje meer uitgaf dan het binnenkreeg en voor Westerlo dat in evenwicht was tot het Madsen wegdeed voor 3,75 miljoen en Bayram bij Galatasaray haalde voor 4 miljoen.

AA Gent staat er op papier het slechtst voor, met 6,8 miljoen in de min. Vorig seizoen verkocht het wel ongeveer iedereen die een doelpunt kon maken, miste daardoor play-off 1, maar hield er wel een positief saldo van bijna 36 miljoen aan over. Een gedeelte daarvan werd gebruikt om de schuldenberg af te lossen, een ander deel moet dienen om de kern te versterken en tegelijk nog wat meer mensen naar het voorlopig halflege stadion te lokken.

AA Gent is een apart geval. Ze willen het daar anders aanpakken en dat zie je nu al. Amper dertien inkomende en uitgaande transfers voorlopig. Dat staat in schril contrast met de gemiddeld 52 spelersbewegingen per seizoen sinds de titel in 2015. Anderlecht heeft er ook nog maar twaalf, maar Club Brugge bijvoorbeeld 28.

Interessant experiment om volgen, als ze dit kunnen volhouden tenminste. Stabiliteit is de kern van elk succes in teamsport, maar daartegenover staat de economische realiteit dat het Belgisch profvoetbal aan het infuus van de transferinkomsten hangt.

Niks mag die mensenhandel in de weg staan en daarom begint de Jupiler Pro League met veel te veel wedstrijden zes weken vroeger dan het einde van de mercato. Daarom ook moeten teams die hun Europese inkomsten willen veiligstellen hun belangrijkste duels winnen uitgerekend in de maand dat hun personeelsbestand alle kanten opschiet.

Column De Zondaar in De Morgen van zaterdag 24 augustus 2024

De Zondaar

Toepasselijke namen, ze zijn niet altijd even toepasselijk. Neem nu de tennisspeler Jannik Sinner. Sinner’s sin, de zonde van Sinner, je ziet het zo al voor je in de Amerikaanse media. Voor wie een beetje weinig sport heeft gevolgd deze week: Sinner betekent zondaar en die Jannik Sinner, de nummer één van het moment, heeft een zonde begaan.

Tot twee keer toe is tijdens het toernooi van Indian Wells in zijn urine het spierversterkende middel clostebol gevonden in erg lage hoeveelheden. Hij kreeg geen straf, omdat hij met een aanvaardbare uitleg kwam. Zijn masseur had bij zichzelf een zalfje met clostebol gebruikt op een wonde en hem daarna gemasseerd.

De masseur is op dat toernooi gefotografeerd met een verband om de duim. De masseur had een bonnetje van de aankoop van de zalf. En Sinner lijdt aan de huidziekte psoriasis, waardoor het clostebol makkelijker in zijn systeem kwam.

Maandag begint Sinner aan de US Open en dat wordt daar nog een dingetje. John McEnroe reageerde in bewoordingen als ‘shocking’ en ‘bombshell news’. De niet altijd prettig gestoorde Nick Kyrgios vond het een schande dat hij geen vier jaar straf kreeg.

Het zou handig zijn als iedereen met een mening over dit dossier ook het hele dossier zou hebben gelezen. Het is maar 33 pagina’s en je kunt het inmiddels vinden op de site van ITIA. Wie het leest, zal begrijpen dat hier geen speld valt te tussen te krijgen. Sinner is terecht vrijgesproken. Zijn dossier is onderzocht door drie onafhankelijke experts, twee aangeduid door de internationale tennisbond en één door Sinner zelf.

De drie experts zijn of waren directeurs van een WADA-antidopinglab. Unaniem kwamen ze met de conclusie: de uitleg is consistent met het afwijkende analyseresultaat. Daarop hebben drie rechters van het arbitragetribunaal van de internationale tennisbond ook unaniem de experts gevolgd. Dat heet gerechtigheid.

Uiteraard zou Sinner clostebol systemisch kunnen hebben gebruikt in de wetenschap dat hij achteraf met die uitleg van contaminatie via huid kon komen. Alleen moet doping ook beantwoorden aan een zekere logica.

In tijd bijvoorbeeld: waarom zou Sinner tijdens of voor het toernooi van Indian Wells plots clostebol gebruiken? Dat slaat nergens op.

In kwantiteit: het gaat om erg minimale hoeveelheden die het lab moet rapporteren. Die zouden sporen kunnen zijn van een vroegere kuur, maar geen enkele andere van zijn dopingtests tussen maart 2023 en april 2024 – hij onderging er twaalf – hebben sporen van verboden substanties opgeleverd.

En dan het product: er is op de markt van de spierversterkers performanter en minder makkelijk opspoorbaar spul dan clostebol.

Jawel, vooral de Italianen zijn hardleers wat clostebol betreft, een middel dat daar vrij in de apotheek beschikbaar is in een zalf. De vraag is dan of we de carrière van een profsporter die van niks wist on hold moeten zetten voor de hardleersheid van een derde? Is dat de gerechtigheid die we willen in dopingzaken?

Uiteraard is hier klassenjustitie in het spel, maar dan in de twee richtingen. Sinner is meer zondaar als nummer één dan als nummer tweehonderd. Tegelijk is voor Sinner de kostprijs van een dure advocaat het equivalent van een eerste ronde overleven in een achteraftoernooitje.

In de dopingbepalingen (TADP) van de internationale tennisbond staat voor een product als clostebol een tarief van vier jaar. Tenzij er geen intentioneel gebruik en ook geen onzorgvuldigheid in het spel is. Dan wordt het twee jaar.

Artikel 10.5 van de TADP spreekt ook van geen straf, maar alleen als kan worden aangetoond dat de atleet in kwestie nooit op enige manier kon weten of hij in aanraking kwam met een middel, uiterste zorgvuldigheid in dat verband heeft nagestreefd en tegelijk wel kan bewijzen hoe het in zijn systeem is terecht gekomen.

Sinner is daar samen met zijn dure advocaat in geslaagd. Therese Johaug bijvoorbeeld niet. Zij was de (latere) viervoudige olympisch kampioene langlaufen die in 2016 werd betrapt op clostebol. Haar uitleg: ik heb Trofodermin (zelfde zalfje als Sinner) gebruikt voor mijn verbrande lippen en ik heb niet gekeken naar de verpakking (waarop staat dat het doping is). Johaug kreeg een gereduceerd tarief van achttien maanden omdat ze niet ‘uiterst zorgvuldig’ was.

Het valt nu te bezien hoe het wereldantidopingagentschap WADA reageert. Dat is de enige instantie die in beroep kan gaan tegen de vrijspraak. Laat die nu net onder vuur liggen, vooral dan in de VS waar Sinner maandag begint te tennissen, voor een ander geval uit 2021 van vrijspraak na contaminaties bij de Chinese zwemploeg.

Column Spektakel (v.) in De Morgen van maandag 19 augustus 2024

Spektakel (v.)

Mijn kennismaking met vrouwenwielrennen dateert van 2011. Toen arriveerde een bedeesde tiener op de Topsportschool in Gent. Dat was Lotte Kopecky. Ze reed rondjes op de wielerbaan en af en toe buiten op de weg, samen met de jongste jongens en een paar keer met de algemeen directeur van Wielerbond Vlaanderen in het peloton. Die laatste, dat was ik in een vorig leven. Kopecky, die reed gewoon mee en zweeg.

Vrouwenwielrennen en de promotie ervan stond hoog op de prioriteitenlijst. Meer en meer vrouwen waren op koersfietsen gesignaleerd en ze reden steeds sneller, maar dat vertaalde zich niet in meer wedstrijden of meer belangstelling voor vrouwenwielrennen.

Op een zaterdag stond ik ergens in de Vlaamse Ardennen aan een café waar een vrouwenwedstrijd – ik meen een Vlaams kampioenschap – rondjes draaide. Ik noteerde: vrouwenkoers, Niet Om Aan Te Zien.

Elke ronde passeerde een grote groep, breed uitgesmeerd over de weg. Op de derde rij waren ze aan het keuvelen. Op de vierde aan het breien. Hellingen genoeg, maar geen ontsnappingen, ook geen afvallingskoers. Gewoon rondjes draaien en iedereen welkom om eraan te blijven hangen. Na x aantal rondjes kwam een groepje naar de meet. Dat had de rest gelost op een bultje en sprintte vóór het café voor de overwinning.

Maandag hadden we stafmeeting of zoiets en ik vroeg aan de technici van onze bond wat ik had gezien. “Vrouwenwielrennen”, luidde het antwoord. “Ze durven niet te koersen, ze smijten zich niet, bang om dood te gaan. Maar dat is aan het veranderen onder impuls van de Hollandse vrouwen.”

“Juist, Leontien van Moorsel,” opperde ik, “heb ik nog geïnterviewd in mijn Hollandse jaren.”

Neen, was het antwoord. Marianne Vos is het grote voorbeeld.

Vos is nog steeds een voorbeeld, Annemiek van Vleuten was dat ook maar die is gestopt, Kopecky is nu de evenknie van wie dan ook in de wereldtop, en er wordt gekoerst. Vrouwenwielrennen is even spannend als mannenwielrennen en dus even spectaculair. Gisteren in de Tour de France Femmes viel Demi Vollering aan op 53,7 kilometer van de aankomst, op de Glandon en met nog een beklimming van Alpe d’Huez als dessert. Het was spektakel à la Pogacar. Het werd een ouderwets slagveld.

Vrouwenwielrennen is niet zoals vrouwenvoetbal. Het mag trager gaan, je ziet het niet. Zolang er maar wordt gekoerst en gisteren is volop gekoerst.

Vollering reed bijna anderhalve minuut bij elkaar op de Glandon, maar zag dat herleid tot 35 seconden. Gele trui Katarzyna Niewiadoma kwam dichter, maar toen begonnen ze aan de alp. Seconde na seconde moest ze inleveren en na vijf kilometer klimmen reed Vollering in het geel, op voorwaarde dat ze Pauliena Rooijakkers nog zou kunnen lossen.

Waarna het weer omsloeg. Seconde na seconde kwam Niewiadoma dichterbij, maar toen had Vollering nog een laatste gruwelijk snelle kilometer in de benen en zag Niewiadoma haar boniseconden ultiem nog afgepakt, waardoor het een secondespel werd.

Vier seconden scheelde het voor een gele trui. Vollering was ontroostbaar, Niewiadoma steeg op naar een wolk. De spannendste wielerwedstrijd, misschien wel spannendste sport van het jaar was de Tour de France Femmes.

Bijkomstig voordeel van vrouwenwielrennen zijn de interviews voor de start van de etappe of nadien. Jarenlang hebben die vrouwen in de relatieve anonimiteit hun ding gedaan. De eerste keer dat een journalist aan hun campertje verscheen schrokken ze zich een hoedje.

Leontien was de eerste die journalisten tegen de gilet trok. Met teksten over haar twijfels, depressies, eetstoornissen en ten slotte met prestaties zoals haar drie keer goud in Sydney 2000.

Het zijn allemaal Leontiens. Heerlijk moet het zijn als journalist om iemand voor je microfoon/bandje te krijgen die dankbaar is dat je hen de aandacht schenkt die ze verdienen en die ook op alle vragen antwoordt.

De smiley-trui voor de beste interviews gaat zonder enige discussie naar Justine Ghekiere. Ze was het brede publiek al opgevallen in Parijs toen ze zich uit de naad reed voor Kopecky. Dat vond ze genoeg reden om een paar nachten stevig door te feesten tot de ploegleiding haar naar de Tour sommeerde. Ze maakte van de nood een deugd en ging voor de bollentrui voor beste klimmer. Die had ze dit jaar al gepakt in de Giro. Gisteren was ze half koers zeker van eindwinst in dat nevenklassement. Haar uitleg, haar teksten, haar interviews kortom; lesmateriaal voor hoe je de interviewers en het publiek moet inpakken. Van Ghekiere word je op slag blij. Heeft die vrouw een supportersclub? Ik wil lid worden.

Column Na de euforie (van de OS) in De Morgen van zaterdag 17 augustus 2024

Na de euforie

.. Na de tien medailles van de Olympische Spelen is het een goed idee om met onze beide voetjes terug op de grond te komen, straks. Eerst nog wat verder surfen op de golf van olympisch enthousiasme.

We zijn in de officiële stand 25ste geëindigd op 84 landen/regio’s die een medaille hebben gewonnen. Dat is volgens de telling ‘goud eerst’. Nemen we het totaal aantal medailles – tien dus – dan eindigen we 21ste.

Ten slotte is er de NCAA-telmethode, ontwikkeld door de koepelorganisatie van de universitaire sport in de VS. Die is interessant voor ons, want ze geeft punten aan één tot acht. Daarin eindigen we zowaar 19de. Afgezet tegenover onze economie (22ste) boksen we in deze stand boven ons gewicht.

Hoe we ook rekenen, we moeten ons nu al zorgen beginnen maken voor over vier jaar. Alles wijst erop dat de zeven medailles van Tokio en de tien van Parijs toe te schrijven zijn aan een generationeel effect. Aan toeval, met andere woorden.

De meeste medaillewinnaars van Parijs kunnen mee tot Los Angeles, op Bashir Abdi en Nafi Thiam na, al weet je met haar nooit. Bij de anderen staan ook levensgrote vraagtekens. Blijft dat taekwondo voor Sarah Chaari te combineren met die doktersstudies? Hebben Remco Evenepoel en Wout van Aert goesting in een derde Olympische Spelen helemaal over de plas naar de andere kant van de VS? Zelfde vraag voor Lotte Kopecky. En voor Fabio Van den Bossche en andere baanwielrenners moeten we vooral hopen dat ze geen wegrenner worden.

Bij de topachtplaatsen, onder wie geen jong volk, is de spoeling pas dun. Van de teams lijken alleen de Red Panthers in het hockey in een opwaartse spiraal te zitten. De Red Lions moeten herbronnen en voor de Belgian Cats was Parijs het nu-of-nooitmoment en zij moeten verjongen.

Er is ook goed nieuws. Topsport is een van de weinige Vlaamse domeinen waarin serieus is geïnvesteerd de voorbije jaren. Een klein bedrag van een aantal miljoenen maakt al een heel verschil. De topsportcultuur is verbeterd. De investeringsbereidheid van de atleten is groter dan ooit. De coaches zijn beter en worden beter behandeld.

Jammer, maar dat zal niet volstaan om in een kleine markt als België/Vlaanderen een gestage aanvoer van medaillewaardige atleten te garanderen. Neen, wij blijven afhankelijk van toeval. Onze sportbasis is meestal niet in staat om uit een steeds kleiner aanbod (sedentarisme!) die schaarse talenten te vinden en die de kans te geven zich te ontplooien.

De structurele manco’s zijn al langer bekend.

Wij hebben 17.000 sportclubs voor 6,8 miljoen inwoners. Nederland heeft voor 18 miljoen inwoners 25.000 sportclubs, met een iets grotere sportparticipatie. Onze clubs zijn te klein, te weinig professioneel en drijven op de goede wil van benevolen. Een standbeeld voor die mensen, maar zo is het Vlaamse clublandschap meer recreatie dan sport, laat staan topsport.

Alleen wielrennen ontsnapt aan die wetmatigheid, omdat de jonge wielrennertjes hier aan de bomen groeien. Zelfs daar moet je vaststellen dat meer dan wie, welke club of bond ook, Remco Evenepoel vooral zichzelf heeft opgeleid.

Uit dat recreatief landschap van die vele clubjes wordt vervolgens het bestuurlijk ‘talent’ voor de bonden gerekruteerd. Hoe hoog de bestuurder in de bonden geraakt wordt niet bepaald door kwaliteit, wel door diens tijd en ego.

Ten slotte kan her en der ook wat vet van de soep. Neem nu de problematiek van de nationale koepelbonden. Sport is regionale materie, wat inhoudt dat elke regio zijn sportbond heeft en daarboven een koepel hangt. In de meeste sporten stelt die niks voor, behalve bij voetbal (KBVB), wielrennen (KBWB) en de Olympische Spelen (BOIC).

De voetbal- en de wielerbond stonden deze week nog in de krant: ze moeten besparen. Die klaagzang tart alle verbeelding. Nationaal georganiseerde sportbonden zijn in de eerste plaats gericht op maximaliseren van de subsidiestromen, al of niet via de Nationale Loterij of hun regionale vleugels.

Daarnaast genereren ze eigen middelen door het ophalen van sponsoring. Die vloeit grotendeels terug als return aan de sponsors, waardoor die bonden bij grote events ware reisbureaus worden. Een ander deel gaat naar de eigen werking, lees zware loonlasten en het comfort van de bondsstructuur. Check de nationale bondsgebouwen (KBVB, KBWB) en de plannen (BOIC).

Omdat het federaal niveau niks vandoen heeft met sport, ontsnappen die nationale koepelbonden aan elke vorm van controle. Misschien een adviesje aan de volgende minister van Sport: ga met uw Franstalige FWB-collega rond de tafel zitten en spreek af om dat nationaal potverteren een halt toe te roepen.

Column Dominator in De Morgen van maandag 22 juli 2024

Dominator

Niks mooiers in de topsport dan de algehele dominantie van de ene atleet tegenover de andere, tot en met de complete annihilatie van de tegenstand.

Eddy Merckx die in die vijf haast onklopbare jaren niks weggaf. Of de jonge Muhammad Ali die iedere andere bokser alle hoeken van de ring liet zien. Zeker ook de oudere Michael Jordan die zich scorend en verdedigend naar drie nieuwe titels trashtalkte. Jawel, ook Lance Armstrong, sprinter Usain Bolt en tennisser Novak Djokovic.De kannibalen Merckx, Ali, Jordan, Armstrong, Bolt en Djokovic, ooit kwamen ze allemaal op een punt waarop de bewondering voor hun meesterschap vervaagde en de publieke opinie begon over te hellen naar verveling en voor een deel zelfs naar haat. Om ten slotte te eindigen bij opluchting: gedaan met de dominantie, ander en beter.

Niet zeker of de nieuwe dominator in het wielrennen datzelfde lot beschoren is. Tadej Pogacar, hoe wreed hij ook is met zijn tegenstander(s), hoe kannibalistisch, hoe overheersend, het is nooit met de grim- maar altijd met de glimlach.

Wielrennen is voor Pogacar het ene moment een speeltuin om even later een spel van dominator en onderworpene te worden, bdsm op twee wielen als het ware. Als die onderwerping ook nog eens mooi in beeld wordt gebracht, kan je alleen maar vaststellen: daarvoor is topsport zo’n 2.800 jaar geleden uitgevonden.

Pogacar is de ultieme dominator, in zover dat nu wordt gespeculeerd of Tadej Pogacar geen betere renner is dan Eddy Merckx ooit is geweest. Niet overdrijven met heiligschennis. Het volstaat dat een sprinter godbetert het record voor aantal Tour-overwinningen van Merckx heeft verbeterd.

Om beste renner ooit te worden heeft Tadej Pogacar nog wat gaten in het palmares te vullen, zoals alle monumenten meerdere keren winnen, elf grote rondes en drie wereldtitels. Het is onzinnig om tijdperken die vijftig jaar uit elkaar liggen te vergelijken, maar voor wie het niet kan laten: hij komt qua palmares voorlopig niet aan de enkels van Merckx, die van Hinault zijn in zicht.

Waar Pogacar ook in verschilt van Merckx is zijn speelsheid waarmee hij wint, maar evengoed verliest, zoals de voorbije twee jaren. De meeste volgers hebben Merckx alleen leren kennen toen hij met koersen was gestopt en in een paar maanden die aimabele, timide man werd die hij vandaag nog is. De wielrenner Merckx kon niet tegen zijn verlies.

De gemiddelde wieleraficionado prefereert Pogi boven Jonas, dat staat als een paal boven water. Zijn koersgedrag, altijd het volle pond geven en niet rekenen. Zijn verscheiden koersprogramma, dat hebben we in decennia niet gezien. Ondanks zijn dominantie is de gunfactor van Tadej Pogacar vooralsnog vele malen groter dan die van Jonas Vingegaard.

Alleen Visma-Lease a Bike en hun fans werkte hij deze Tour op de zenuwen, maar dan echt ook alleen maar die club. Wat een hele rare opmerking van Team VLB-baas Marijn Zeeman eerder deze week nadat Pogacar zijn vierde bergetappe had gewonnen ten koste van Matteo Jorgenson. Waar haalde Zeeman het dat dit de populariteit van Pogacar niet ten goede zou komen?

Thomas De Gendt verwoordde het goed: “Waarom zou een sprinter wel vier vlakke ritten mogen winnen en klassementsrenners geen vier bergritten?”

Natuurlijk was Pogacar de voorbije week op missie: tijd om de puntjes op de i’s te zetten van Visma-Lease a Bike. Boven op Isola 2000 stond Jorgenson het huilen veel nader dan het lachen. Vingegaard huilde zelfs echte tranen in de armen van zijn vrouw. De annihilatie van de tegenstand kon niet treffender zijn en was geen toeval.

Tadej Pogacar is nu al vier jaar lang eerst het zwarte beest, om later de norm te worden om tegen op te tornen. Het begon in 2020 met die tijdrit op La Planche des Belles Filles toen Primoz Roglic seconde na seconde moest prijsgeven en finishte als een uitgewoonde postbode. De nieuwe jonge god Pogi vloog over het verse asfalt van de Vogezen naar het geel.

Een jaar later was plots de anti-Pogimissile Jonas Vingegaard voor het eerst van de partij. Hij toonde zijn potentie en werd tweede. In 2022 en 2023 zou Vingegaard winnen. “Omdat wij weten wat er nodig is om Pogacar te kloppen. Hij is niet goed op lange klimmen en niet goed in de hitte.” Na de eerste etappes van deze Tour, Vingegaard zelf: “Ach dertig seconden. Vorig jaar kreeg Pogacar zeven minuten aan de broek in de echte bergen.”

Pogacar mag dan altijd glimlachen, hij is eerzuchtig en hij onthoudt goed. Jumbo-Visma en nu Visma-Lease a Bike hebben hem de voorbije twee jaar vernederd. Zo voelde hij dat en het is niet eens ver van de waarheid. Het was tijd voor een payback. En wat voor één.

Column Wondermiddelen in De Morgen van zaterdag 20 juli 2024

Wondermiddelen

Zijn de prestaties van Tadej Pogacar verdacht?

De vraag is niet meer of hij de Tour wint, ook niet langer hoe dat gebeurt. Dat weten we: hij wint zondag zonder ongelukken of rare wendingen en dat doet hij door heel hard te rijden, elke dag weer. Alleen op welke speciale brandstof hij rijdt, dat moet nog even worden uitgeklaard.

Vreemd toch dat het in de koers altijd weer over geheime wondermiddelen gaat die de ene renner zou hebben en de andere niet. Vaak wordt verwezen naar de epo-jaren van eind vorige en begin deze eeuw om te verklaren waarom die sport niet los geraakt van het dopingspook. Dat is onzin.

Wondermiddelen en alle daarmee verbonden verhaaltjes zijn van alle tijden. Het beste voorbeeld is de mythe rond de Welshe wielrenner Arthur Linton, die in 1896 Bordeaux-Parijs won en – zo staat het in nogal wat boeken – als gevolg van de middelen die zijn soigneur hem had toegediend bij zijn thuiskomst stierf. De realiteit: Linton stierf inderdaad dat jaar, maar wel pas twee maanden nadat hij Bordeaux-Parijs had gewonnen. Van buiktyfus, een toen veel voorkomende ziekte.Bij die verhaaltjes zijn we weer aanbeland nadat vorig weekend bekend werd dat CO inademen wordt gebruikt als (volstrekt legale) testmethode, maar ook zou kunnen worden misbruikt. De aanzet tot die insinuatie werd gegeven op een klein sportwetenschappelijk congres dat in de aanloop naar de Tour een studie presenteerde over CO-inhalatie in zeer lage hoeveelheden. Een nieuw opgerichte website pikte dat op, sprak een aantal betrokkenen die daar erg open over waren en gooide boven het verhaal een kop dat renners CO ter prestatieverbetering inademen.

Dat stond nergens in de tekst, de geciteerden spraken dat zelfs tegen, maar zo’n titel moest wel scoren en de nieuwe site (opvolger van CyclingTips) bekendheid geven. Zo geschiedde.

Zijn de prestaties van Tadej Pogacar en Jonas Vingegaard, en neem er ook maar Remco Evenepoel bij, verdacht? Er wordt al langer gratuit gejongleerd met watt per kilogram lichaamsgewicht en met klimtijden. Die vier minuten die Pogacar van de tijd van Marco Pantani afdeed op Plateau de Beille is behoorlijk indrukwekkend, net als de vermeende 6,8 tot 6,9 watt per kilo van de Sloveen, maar ook Evenepoel en Vingegaard waren ruim sneller dan Pantani.

Die waarden zijn onderhevig aan flinke foutenmarges van 5 procent en meer. De omgevingsomstandigheden (wind, drafting) worden niet meegerekend. De reële waarden zijn niet gekend: de 6,8/6,9 is berekend op basis van klimtijden en herleid naar een standaardrenner.

En dan is er nog die fysiologische bovengrens en de premisse dat een mens met een maximale zuurstofopname van 100 onmogelijk zou zijn. Daarbij wordt dan verondersteld, ook door media, dat je nooit meer dan 100 kunt hebben, alsof het om een percentage zou gaan.

De VO2max wordt evenwel uitgedrukt in milliliter opgenomen zuurstof per minuut per kilogram lichaamsgewicht. Sledehonden geraken tot 240, sommige antilopen tot boven de 300. Vooralsnog is een mens geen sledehond en de VO2max van de mens zal uiteraard begrensd zijn, maar waar ligt dan die grens? Onthoud vooral: wat wordt gemeten, daar zit flink wat ruis op.

Er zijn vooralsnog meer redenen om aan te nemen dat ze vandaag clean rijden dan omgekeerd. Wielrennen is een totaal andere sport geworden. De fietsen zijn beter, de wegen zijn beter, de voeding is beter, de atleten zijn beter en het steeds compactere peloton rijdt (en valt) sneller dan ooit.

Een paar voorbeelden: vroeger konden banden niet dun genoeg zijn en niet te hard worden opgepompt. Plots blijkt breder in combinatie met de juiste velgen en minder druk voor minder rolweerstand en ook minder vermoeidheid te zorgen.De voeding van Lance Armstrong onderweg bestond deels uit confituurtaartjes uit Izegem en na de wedstrijd stond zijn bordje aardappelen met een beetje olijfolie klaar. Vandaag staat alles in het teken van de juiste fueling met verschillende suikers en eiwitten inclusief nadien de onmiddellijke recuperatie aangepast aan het individu.

Wielrennen is van een archaïsche sport een hoogtechnologische sport geworden. De trainingswetenschap met hitte/hoogtetrainingen heeft het overgenomen van het nattevingerwerk. Of zoals een trainer zei die ooit met renner X derde werd in de Tour: “Als ik toen had geweten wat ik nu wist over trainingen, X had die Tour gewonnen.”

Het allerbeste argument om in de kampioenen van vandaag te geloven is dit: wondermiddelen die over minstens vier verschillende ploegen worden gebruikt en die nog eens geheim blijven, dat is een onmogelijkheid in de roddelbarak van het wielrennen.

Column Best of the rest in De Morgen van maandag 15 juli 2024

Best of the rest

Een week geleden geraakte een tweet niet weg, of toch niet helemaal. Die luidde: “Visma-Lease a Bike rijdt zoals Frankrijk voetbalt of zoals Joop Zoetemelk wielrende.”

Even ter verduidelijking voor de jonge lezertjes: Zoetemelk won de Tour in 1980, zijn enige, en alleen maar omdat gele trui Bernard Hinault opgaf met knieproblemen. Zoetemelk werd ook zes keer tweede, alleen door te volgen. ‘De wieltjeszuiger’ was de bijnaam die wij Belgen hem gaven.

Ervaren twitteraars zullen wellicht meteen merken of een tweet al of niet doorkwam. Pas na enkele uren bleek dat die nog bij de concepten stond en toen was de vraag: to post or not to post.

Waar die vandaan kwam, een raadsel, maar mildheid borrelde op. Die arme Jonas Vingegaard voor dood opgeraapt uit die Baskische greppel, die gehavende ploeg, geen Dylan van Baarle, geen Steven Kruijswijk, Wout van Aert nog snel in elkaar gevezen na zijn Dwars door Vlaanderen-crash, hebben die niet al genoeg meegemaakt? En – slag om de arm ook – wie weet wat er nog gebeurt deze Tour?

Niet gepost, gelukkig maar. Gisteren reed Visma-Lease a Bike zoals Oranje voetbalt: om te winnen. Wellicht hebben ze de Tour verloren, al is dat niet zeker. Hulde aan Visma-Lease a Bike. Voor het vijfde jaar op rij helpen ze om van de Tour de France een fenomenaal kijkstuk te maken.

De voorbije twee jaar reden ze Tadej Pogacar in de vernieling, nadat die hen in 2020 in de laatste klimtijdrit een onwaarschijnlijke hak had gezet en in 2021 met overmacht had gewonnen. In 2022 was het aan Team Visma met die tweetrapsraket Roglic- Vingegaard, waarbij Pogacar op alles sprong wat bewoog maar zo slecht werd gecoacht vanuit de volgwagen dat het pijn deed aan de ogen.

In 2023 was Pogacar in de situatie waarin Vingegaard zich dit jaar bevindt: krakkemikkige voorbereiding, twijfel in het hoofd, toch maar bluffen, gokken, proberen…

2024: de rollen zijn omgekeerd. Keer na keer na keer pakte Pogacar de voorbije twee weken tijd op zijn directe rivaal. En steeds meer tijd, gisteren zelfs meer dan een minuut, wat doet vermoeden dat Vingegaard sneller stukgaat in deze Tour dan de Sloveen.

U hebt misschien gelezen dat sommige renners beter worden naarmate de Tour vordert. Geloof dat maar niet. Niemand wordt beter. Ja, Mathieu van der Poel en Wout van Aert, maar die kiezen hun momenten uit, wisselen intensieve prikkels af met extensieve uithouding en gebruiken de Tour als een rondreizend trainingskamp.

Iedereen die voor het klassement rijdt wordt minder vanaf de tweede week. Rare vergelijking misschien, maar Pogacar in deze Tour de France is een beetje zoals Usain Bolt op de 100 meter. Na de 60 meter leek die weg te lopen van de rest, maar dat was gezichtsbedrog. Hij ging gewoon minder snel stuk.

Vijfennegentig procent van de wieleraficionado’s wil dat Pogacar wint. Omwille van zijn panache, zijn stijl, zijn aanvalslust, zijn grapjes, zijn interviews… Die andere 5 procent zijn Denen en enkele verdwaalde Nederlanders die Visma-Lease a Bike als hun nationale wielerploeg zien.

Vingegaard, het moet gezegd, die inspireert alleen de blinden. Hoe die op een fiets zit, dat ziet er echt niet uit. Dat geel waren we op den duur gewend omdat op den duur alles wel went, maar in die bollentrui van tweede bergkoning, jeetje. Dat shirt is gewoon een maat te groot. En is er dan niemand bij het team die ziet dat hij door die communicatie-unit op zijn rug een soort quasimodo op een fiets wordt?

Wie nu beter dan wel slechter is dan vorig jaar, daar hebben we het raden naar zolang we geen objectieve gestandaardiseerde data hebben. Of we die ooit zullen zien, twijfel daar maar aan. Dat behoort tot de bedrijfsgeheimen.

Wie wel beter is dan ooit, en dat kun je op het eerste gezicht en vooral op zijn gezicht zien, is Remco Evenepoel. Hij speelt in een andere reeks dan die eerste twee, maar dat had hij ook zo voorspeld. Van alle klassementsmannen die niet Tadej of Jonas heten met hun voornamen is hij de beste.

Evenepoel the best of the rest klinkt onrespectvoller dan het is bedoeld. Zonder ongelukken wordt hij derde in deze Tour en als Vingegaard er helemaal onderdoor gaat, zit er misschien zelfs een tweede plaats in. Dat is veel beter dan verhoopt. We moeten de derde week nog afwachten, maar als hij ook in de volgende zes etappes (waarvan drie hele zware) niet total loss wordt gereden, dan heeft België voor de volgende tien jaar elke zomer iets om naar uit te kijken.

Column Vamos Espana in De Morgen van zaterdag 13 juli 2024

Vamos Espana

Zondagavond om 21 uur spelen Spanje en Engeland de finale van het Europese kampioenschap voetbal 2024. Spanje werd dan wel niet bij de heel directe topfavorieten geklasseerd, voor aanvang was het een outsider waarmee rekening moest worden gehouden.

De halve finales hebben gebracht wat we van halve finales mogen verwachten: redelijk en bij momenten erg goed spel, afgewisseld met belabberd en saai voetbal. Het redelijke en goede overheerste, en dat was de verdienste van twee landen: Spanje en Nederland. Omdat die wilden voetballen, gingen ook Frankrijk en Engeland erin mee.

Spanje werd daarvoor beloond, Nederland niet, maar je moet al een hele fanatieke Nederland-fan zijn om niet toe te geven dat de Engelsen toch net dat ietsje meer hadden, getuige daarvan de actie van de ingevallen spits Ollie Watkins. Vergeleken bij dat kantje psychopathie van de ook ingevallen Wout Weghorst, dan weet je het wel.

Dat Nederland zo ver geraakte, heeft het trouwens te danken aan de Rode Duivels die nalieten om eerste te worden in hun groep, waardoor Oranje tegen het verrassende maar lang niet verrassend goede Roemenië mocht in de achtste finale.

Sommigen commentatoren en analisten vinden Euro 2024 een goed toernooi. Dat is wellicht het gevolg van een vooringenomenheid ingegeven door nabijheid. Omdat de baas een mooi hotel betaalde, met andere woorden, en ze volgende keer weer willen. Dit is natuurlijk geen goed EK geweest en als het zondagavond geen 10-9 wordt na verlengingen zal die laatste wedstrijd daar weinig aan veranderen.

Tot de finale is maar 2,28 keer per wedstrijd gescoord, een half doelpunt minder dan in 2021 toen het EK 2020 een jaar te laat werd afgewerkt. 2,28 is het laagste gemiddelde van deze eeuw, op de editie van 2016 na (2,12). Op dat verschil tussen 2021 en 2024 is niet direct een vinger te leggen. Is dat het gevolg van een postcovideffect? Of is het vele reizen tussen de elf verschillende speelsteden in elf verschillende landen in 2021 de oorzaak?

Nog een statistiek is die van het balbezit. Opvallend volgens de fetisjisten van de statistieken: de vier halvefinalisten waren allemaal teams die meer dan de helft van de tijd de bal claimden. Dat is het voorbeeld van slecht gebruikte data. Balbezit is de kwestie van de kip of het ei. Hebben ze zo vaak de bal en raakten ze daardoor zo ver? Of waren ze gewoon beter dan de anderen, geraakten eerder ver door hun surplus aan kwaliteit en hadden daardoor automatisch zo vaak de bal?

Overigens heeft het team met het meeste balbezit over het hele toernooi de duimen moeten leggen in de kwartfinale: Portugal had over alle wedstrijden 66,6 procent balbezit en dat betekent elke twee van de drie minuten. In de kwartfinale tegen Frankrijk hadden ze ook nog 60 procent de bal, maar ze verloren omdat hun doelman die een ronde eerder drie strafschoppen had gestopt er in deze strafschoppenserie geen enkele kon pakken. Voetbal, de grootste toevalsport die de mens heeft uitgevonden.

Wat ben je met balbezit als je zoals Portugal in de knock-outfase geen enkele keer kunt scoren? Idem voor juiste passes. Duitsland scoorde daarin het hoogst: 91,2 procent aangekomen passes is ook een record. Statistieken zijn gevaarlijk als men ze los ziet van de wedstrijden van de tegenstand. Tegen Spanje was die passnauwkeurigheid maar 84 procent. Ook de Spanjaarden bleven steken op een voor hen lage 86 procent.

Spanje blonk dan wel weer uit in de kolom balls recovered: 65 tegen 50 in de wedstrijd die het won tegen Duitsland, voor een totaal van 255 over het hele toernooi, een record. En wat doet Spanje met die gerecupereerde ballen? Aanvallen. In zijn geval 1.349 keer de bal raken in het aanvallende derde van het veld, 180 keer meer dan Engeland.

De Engelsen veroverden vijf ballen minder en liepen toch 2,5 kilometer meer per wedstrijd. Wat Spanje doet met de bal wordt wellicht bepalend voor de finale. Het schoot in die eerste zeven wedstrijden 108 keer op doel tegenover 66 keer voor Engeland. Zevenendertig Spaanse doelpogingen belandden binnen het doelkader, het dubbele van Engeland; ze scoorden dan ook dubbel zoveel goals.

Spanje is met afstand de aanvallendste ploeg van dit toernooi. Vamos España daarom, in het belang van het voetbal. Als Spanje de buitenspelers Nico Williams en Lamine Yamal in stelling kan brengen, dan is Engeland eraan voor de moeite. Het verdeelde Spanje dat een Europese titel cadeau krijgt van twee jongens met Afrikaanse roots, beiden op dit toernooi jarig (22 en 17 geworden), afkomstig uit separatistische regio’s die tegen La Roja supporteren, dystopischer wordt het voetbal niet.

Column Evenpoel SWOT van maandag 8 juli 2024 in De Morgen

Evenpoel SWOT

(Met voorspellingen waarvan er voorlopig twee compleet naast zitten 😉

Van de drie grote sportzomervragen is er al één beantwoord. Gaan de Rode Duivels Europees kampioen worden? Neen, dat gaan ze niet. Reden: te lam om hun poot te zetten in de groepsfase, waardoor ze tegen Frankrijk moesten.

Voor vraag drie is het nog te vroeg. Die luidt: gaat het Belgian Olympic Team het record van zeven olympische medailles van Tokio verbreken in Parijs? Het ziet er goed uit. We gaan met meer atleten dan ooit naar de Spelen: 164 om precies te zijn, evenveel vrouwen als mannen.

Vooral vraag twee brandt nu op eenieders lippen. Die luidde aanvankelijk: zal onze Remco een rit kunnen winnen in zijn eerste Tour de France en hoe hoog kan hij eindigen? Na één week Tour (dit stukje is gepleegd voorafgaand aan de etappe van gisteren over de Franse route blanches) heeft Evenepoel inmiddels een rit gewonnen – de tijdrit – en hij staat tweede.

En dus, welaan dan maar, een herwerkte vraag: waar op het podium zal onze Remco eindigen en kan dat op het hoogste schavotje? Het onuitgesprokene werd toch uitgesproken, vooral dan door de volgers in de Tour van wie geen enkele ooit een Tour heeft beleefd waarin Belgen kansen hadden op het podium. Erger nog, de meeste journalisten en ander volgerstuig moesten nog geboren worden toen Lucien Van Impe in 1976 als laatste Belg een Tour won. Begrip dus voor hun extase.

Jawel, Remco Evenepoel kan deze Tour winnen. Dat kan bijvoorbeeld op zijn Evenepoels, met een van die begenadigde dagen waarin hij het hele veld aan gort rijdt. Of dat kan met een dosis geluk aan zijn kant en pech aan de andere kant, een beetje zoals hij destijds de Vuelta heeft gewonnen.

Voor dat laatste scenario zal meer nodig zijn dan een Primoz Roglic die op een cruciaal moment uitvalt. De situatie is ook anders: Evenepoel leidde in die Vuelta van 2022 geheel op eigen krachten in het algemeen klassement toen Roglic ten val kwam.

Het recept om een Tour winnen is poepsimpel: in alle ritten oplettend zijn, in de bergritten geen slechte dag kennen, vol gaan in de tijdritten, af en toe zelf de tegenstand op tijdsachterstand zetten en ten slotte: recht blijven.

Evenepoel heeft twee grote rondes uitgereden, twee keer de Vuelta. Laten we hem eens swotten, zonder in te gaan op de T van threats of bedreigingen, want die zijn er niet als je een godenkind bent.

Zijn sterkste punt is zijn tijdrit, maar die laatste tijdrit van 33 kilometer is een minibergrit met tien kilometer klimmen, elf kilometer meestal technisch dalen en de rest is plat. Die wint hij in principe niet.

Een ander sterk punt is uiteraard zijn grote motor en zijn onbevangenheid. Die onbevangenheid kan je meteen bij de opportuniteiten – de O van SWOT – klasseren. De rest vertrouwt hem niet als hij het zot in zijn kop krijgt. Voor het eerst sinds lang is er iemand die als een vrijbuiter de Tour helemaal op zijn kop kan zetten.

Zijn zwakke punten dan. Ten eerste zijn daaltechniek. Hij kan verdomd goed dalen, maar Pogacar, Vingegaard en Roglic dalen beter. Zijn explosiviteit… Evenepoel springt niet weg, zoals Pogacar, hij rijdt weg. Zoals Vingegaard, maar die kan dat (in zijn beste vorm) nog beter, nog harder en vooral nog langer.

Zijn andere zwakke punt zit (zat?) tussen de oren. Als Evenepoel het gevoel heeft dat hij minstens evengoed is als de rest, krijgt hij vleugels. Voelt hij dat die anderen er ook wat van kunnen en misschien zelfs sterker zijn, gooide hij tot nog toe snel de handdoek.

Het probleem met dit stukje en alle andere voorafnames zoals het redelijk gedurfde “Evenepoel kan nog beter worden, maar Pogacar…?” van de VRT-radiomannen, is dat we amper een weekje Tour hebben gehad.

Het zwakste punt, daar kan hij niets aan doen: hij komt op onbekend terrein. De Vuelta van 2022 was niet de helft zo lastig als deze Tour. Hij mag dan kilo’s zijn verloren en zal er nog een paar kwijtspelen, hij is geen klimmer pur sang. Hoe zal het allrounderslichaam van Evenepoel reageren op de lange slooppartij die de Tour is? Wat als hij een mindere dag heeft zoals in de Vuelta van 2023? Let op, ze moeten ook nu weer over de Tourmalet.

Even kijken wat er nog komt: volgende zaterdag aankomst bergop in Saint-Lary-Soulan, zondag op Plateau de Beille. In de laatste week volgt nog een bergrit, een zware heuvelrit en nog twee bergritten met drie aankomsten op een berg. Daarna nog die tijdrit.

De Tour moet nog beginnen. Voorspelling voor zondag 21 juli: 1. Vingegaard, 2. Pogacar, 3. Roglic. Evenepoel eindigt ergens tussen vijf en tien. Of hij is na een complete offday uitgestapt met het oog op de Olympische Spelen.

Column Cities, acutius, letalius in De Morgen van zaterdag 6 juli 2024

Citius, acutius, letalius

Is Tour de France: Unchained op Netflix een aanrader? Misschien. Het is overigens al deel twee en dat gaat over de Tour van 2023. Deel één heette Tour de France: Au coeur du peloton en ging over de Tour van 2022.

Of Remco Evenepoel zich in 2024 vooraan kan handhaven en volgend jaar in juni een aflevering krijgt, dat is na nog geen week koers niet duidelijk. Hij zette gisteren alvast de puntjes op de i als beste tijdrijder van de wereld.

Tour de France: Unchained kan op de Europese wielerliefhebber overkomen als wielrennen voor het kinderjournaal en dat is het ook af en toe. Oud-renner Steve Chainel die uitlegt dat er 22 teams zijn met elk acht renners alsof hij een groot geheim onthult, het doet geforceerd aan.

Hetzelfde voor Orla Chennaoui van Eurosport die haar statements poneert met een air van ‘nu zal ik eens wat vertellen’. Komt daarbij dat ze focussen op de story- telling, al weer vooral gericht op het Angelsaksische publiek.

Vandaar de overdreven aandacht voor Ben O’Connor, tegelijk Engelstalig en fietsend voor een Franse ploeg, maar dit jaar niet van de partij. Vandaar ook dat de achtdelige serie de etappes door elkaar husselt, terwijl een repo over de Tour de France gebaat is bij een puur sportieve chronologie.

Ook vreemd, maar uiteraard passend als tearjerker, is de aandacht voor Gino Mäder, de renner van Bahrein Victorious die op 15 juni van vorig jaar tijdens de Ronde van Zwitserland crashte in een afdaling en een dag later overleed. Er is zelfs een hele vierde aflevering gewijd aan zijn team dat een etappeoverwinning najaagt. Met succes overigens, want ze zullen er drie winnen, na Alpecin-Deceuninck het meeste van alle teams.

Bij uitbreiding is een groot deel van die serie, meer dan in jaargang één, opgehangen aan het aspect gevaar. Het is duidelijk waar ze de mosterd hebben gehaald: van Drive to survive, ook van Netflix, dat de wereld van de formule 1 van binnenuit volgt. Die serie deed het goed bij de Amerikaanse kijkers en lokte meer geïnteresseerden naar de F1.

Niet zeker of de Amerikaan nu ook massaal het wielrennen gaat volgen. Ik heb de serie begin deze week in anderhalve sessie gebinged. Dinsdag was ik net klaar, toen ik kon blijven zitten voor de ronduit krankzinnige etappe over de Galibier. Ik weet niet meer welke wielrenner het was, maar hij had natuurlijk overschot van gelijk dat die lange snelle afdaling niks toevoegde aan het sportieve. Hij schreef deze etappe toe aan de tunnelvisie van het oude wielrennen dat het spektakelgehalte laat primeren op de gezondheid van de renners.

Citius, acutius, letalius of sneller, gevaarlijker, dodelijker hoort als leuze niet bij sport, dat was ASO even vergeten of heeft Netflix mee de etappes mogen uittekenen?

Jawel, het is goed afgelopen, zoals Tadej Pogacar, Jonas Vingegaard, Remco Evenepoel en alle anderen zich in de diepte stortten. Afdalingen horen erbij, want wat naar boven gaat moet ook wel eens naar beneden, maar een aankomst na een twintig kilometer lange afdaling leggen waarop snelheden van boven de 100 worden behaald op een niet altijd even droog wegdek, is aan misdaad grenzende waanzin.

Hetzelfde oude wielrennen, verpersoonlijkt in nogal wat volgers onder wie commentatoren en journalisten, dat hiervoor de schouders ophaalde, zag geen graten in de sprint die Jasper Philipsen eergisteren reed ten koste van Wout van Aert en finaal ook ten koste van zichzelf. Zijn fixatie op Van Aert kostte hem die 20 centimeter die hij te kort kwam tegen Dylan Groenewegen.

Toeval wil dat Philipsen – die vier etappes en de groene trui won vorig jaar – ook in TdF: Unchained zit. Vooral dan met die ene sprint in de derde etappe in Bayonne waarbij hij de ideale, kortste lijn kiest op een bochtig parcours en zo Wout van Aert al of niet hindert.

Toen was je geneigd te zeggen, dat diskwalificatie niet terecht zou zijn omdat hij op kop voor de kortste weg ging. Eergisteren deed hij de deur dicht, en dat had gemogen, volgens Jan Bakelants, maar niet zo laat, niet toen Van Aert al op zijn hoogte was gekomen.

Het wielrennen leert het maar niet af, de wielrenners leren het maar niet af. Voor elk Van Aert die inhoudt, staan er twee recht die niet inhouden, die redeneren ‘het is flikken of geflikt worden’. Dat gedrag moet eruit. Weg met die haantjes. Het wielrennen zal straks gele kaarten invoeren, rode kaarten zijn meer op hun plaats. Mark Cavendish had er ook één verdiend, maar dan had Netflix die story van de recordoverwinning niet.