Column over Super Bowl in De Morgen van 10 februari 2024

Taylor en Travis

Zondagnacht staan in Las Vegas San Francisco 49ers tegenover Kansas City Chiefs in de Super Bowl, de finale van het American football.

Om u even bij te praten met een weetje dat u gerust dit weekend mag doorvertellen, teneinde uzelf interessant te maken: de NFL draait meer omzet en heeft hogere tv-rechten dan de vijf grote Europese voetbalcompetities opgeteld. En dat voor 32 teams die amper 17 wedstrijden spelen in de reguliere competitie en maximaal 3 play-offwedstrijden tot aan de Super Bowl.

Geïnteresseerd in de sportieve afloop? De Chiefs zijn titelhouder nadat ze vorig jaar Philadelphia Eagles hebben geklopt en ze wonnen ook in 2020 tegen diezelfde 49ers van zondag. In 2021 verloren ze dan weer van Tampa Bay Buccaneers.

Heel de VS vraagt zich nu af hoe het is gesteld met het competitieve evenwicht in de NFL en hoe het mogelijk is dat in de meest gelijkwaardige competitie ter wereld een en hetzelfde team nu al voor de vierde keer in vijf jaar in de finale staat. “Is the system broken?”

Maar heel de VS vraagt zich nog iets anders af: “Will she make it to the Super Bowl?” She, als in Taylor Swift, van wie ik al had gehoord (zoals laatst toen ze voor de zoveelste keer een Amerikaanse MIA kreeg) maar van wie ik mij geen bijzondere daden kon herinneren. Na extensieve research komt deze omissie geheel voor mijn rekening.

Jammer dat we de Swifties na de vorige paragraaf kwijt zijn, waarvoor excuus. U die bent gebleven, vraagt zich vast en zeker af wat mevrouw Swift (34 jaar inmiddels) te zoeken heeft op de Super Bowl.

Pro-choice feministe, uitgesproken tegen seksuele intimidatie, pro rechten van de andersgeaarde medemens, voor strengere wapenwetten, deelgenomen aan Black Lives Matter-demonstraties, ten slotte ook openlijk achter eerst Hillary Clinton en later Joe Biden gaan staan en tegelijk Donald Trump meermaals bekritiseerd… Verder afstaan van de leefwereld van het American football als deze, volgens de gemiddelde Republikein, staatsgevaarlijke communiste lukt niet. Toch zal ze zich na haar concert van vandaag in Tokio in een private jet richting Las Vegas reppen. Taylor wil bij Travis zijn, dat is de reden.

Travis, als in Travis Kelce, een oermens die zondag zal optreden als tight end van Kansas City Chiefs. Het daten van een tight end, niet te vertalen, is een gedurfde keuze. Bij veruit de meeste romances tussen celebrity’s uit de show- of andere bizz en een NFL-speler is een quarterback betrokken. Dat is de spelverdeler en meteen ook de man in een NFL-ploeg die het langst meegaat: twaalf jaar gemiddeld. Tom Brady was zelfs meer dan twintig seizoenen actief. Hij is getrouwd met supermodel Gisele Bündchen.

Brady-Bündchen staat op één. Verder in de top tien van beroemdste NFL-koppels vind je maar twee niet-quarterbacks. Het zijn wide receivers, en dat zijn dan weer de erg snelle en spectaculaire spelers die een bal moeten vangen die van de quarterback komt. Travis Kelce is niets van dat alles. Hij is een tight end, een monstertruck met een baard op snelle benen.

Samengevat komt het erop neer dat een tight end als offensieve speler eerst een soort levende muur vormt om te beletten dat de lopende mensen van zijn team worden aangevallen, waarna hij zelf een offensief wapen wordt. Een tight end is inferieur aan de quarterback, maar ook een beetje superieur aan de rest want hij mag tenminste nog een bal vangen en dat is niet alle posities toegestaan.

Hij is wat ze noemen een hybride speler en Kelce (ook 34) heeft daar het lichaam voor: 1,96 meter en 114 kilogram droog aan de haak. Swift zou 1,80 meter lang zijn en maar 60 kilogram wegen, dat gooien we er even tussen voor wie het zou interesseren.

Ze matchen sinds vorige zomer toen hij een concert van haar bezocht in zijn eigen thuisstadion in Kansas en er iets gebeurde met vriendschapsarmbandjes. Het komt erop neer dat hij een bandje met zijn nummer aan haar wilde geven. Wat toen niet lukte. En later klaarblijkelijk wel en sindsdien kussen ze openlijk op het veld na een wedstrijd.

Ik heb te doen met Swift, van wie ik na het schrijven van dit stukje een playlist ga starten. Haar lief mag dan wel volgens gespecialiseerde sites een hoge pijndrempel hebben en een laag blessurerisico lopen, hij heeft al twee hersenschuddingen en een nekcontusie opgelopen naast wat knie- en schouderdingetjes. Een tight end krijgt klappen, veel klappen, en al een jaar of vijf weten ze dat alle spelers die veel klappen krijgen ooit met hersenschade eindigen.

Column over WK veldrijden in De Morgen van maandag 5 februari 2024

Redelijk desastreus WK


Toen de profs aan de start stonden, prijkte Belgium op de medailletabel op de vijfde plaats met één zilvertje en twee bronsjes. Nederland stond op één met twee keer goud en nog drie andere kleurtjes, Frankrijk op twee met een wereldkampioene bij de juniores en de eerste plek in de verder compleet overbodige gemengde aflossing. Aflossing op zich is sportief al discutabel, gemengde aflossing is geforceerde inclusie, staat haaks op de sportieve en biologische realiteit en is daarom lichtjes ridicuul. Nederland, hét crossland van het moment, vond het niet eens de moeite om in te schrijven.

Groot-Brittannië ten slotte stond stevig op drie na de beloftewereldtitel van Zoë Backstedt. Italië stond ook nog voor België met dat ene goud van de junioreswereldkampioen Stefano Viezzi.

Dan begonnen de profs aan hun wedstrijd. Toen Vanthourenhout heel even in zijn remonte de tweede plaats van Joris Nieuwenhuis leek te bedreigen, ontsnapte aan VRT-commentator Ruben Van Gucht de overpeinzing of Michael Vanthourenhout daarmee het vel van zijn oom aan het redden was. Zijn oom, voor wie het niet volgt, is de genaamde Sven met dezelfde familienaam, en die is bondscoach van alles en iedereen die namens de Belgische driekleur op twee wielen rijdt.

Alle begrip voor commentatoren die een wedstrijd van een uur moeten volpraten waarin de posities na vier minuten koers al vast lagen. Dan wijdt een mens, en Van Gucht is tot nader order ook maar een mens, al graag nog eens uit en verkent hij grenzen al was het maar om ons thuis wakker te houden. Hij zou niet de eerste commentator zijn die ongelukkigerwijs nonsens uit zijn botten slaat, maar naast hem zat ene Paul Herygers als co-commentator en die – altijd goed ingevoerd de Pol – zweeg na die opmerking. Zou het?

Twee keer in enkele maanden – in Glasgow op de weg en in Tabor in de wei – werd de Belgische selectie weggeblazen door dezelfde renner, toevallig in België geboren, ook pratend met een Belgisch Kempens accent, maar uiteindelijk wel een Nederlander en dus in het oranje fietsend. Drie keer op rij in twaalf maanden zelfs, als je het WK veldrijden van vorig jaar in Hoogerheide er ook bij neemt.

Na de profs pakte Nederland met acht medailles veertig procent van de beschikbare podia in Tabor. België eindigde met vier medailles. Michel Vanthourenhout was de enige die een beetje in het Nederlands toneelstukje voorkwam en haalde brons. Eindresultaat: Belgium, vijfde plaats, nul goud.

Zou er waarlijk iemand in Tubeke Sven Vanthourenhout dit redelijk desastreus WK ten kwade duiden? Vlaanderen is dé crossregio in de wereld en hoewel dit resultaat beschamend is, was het te verwachten. Cross is hier meer circus dan sport.

Cross als (top)sport zou een trainingsvorm kunnen zijn, maar dan met een slanker en logisch opgebouwd wedstrijdprogramma. Dan nog zouden de Iserbytjes, Nysjes en Sweeckjes van deze wereld het wellicht moeten afleggen tegen echte toprenners als Van der Poel, maar ze zouden alvast niet zo uitgewoond en quasi ongeïnteresseerd aan de start van de belangrijkste wedstrijd van het jaar staan.

Cross is hier meer een verdienmodel dan een sport, zowel voor drank- en frietkramen, voor renners van de tweede garnituur, voor organisatoren, en niet het minst voor de werkgever van de bondscoach, de Koninklijke Belgische wielrijdersbond, die slapend rijk wordt van de wedstrijdvergunningen en geen heil ziet in een afgeslankte crosskalender.

Veldrijden moet nu echt gaan oppassen dat het niet het kleine, achterlijke broertje van de grote wielerfamilie wordt. Welke sport kan zichzelf serieus nemen als twee van de drie beste renners van het moment het WK links laten liggen? Welke sport kan het zich permitteren om zeventig procent van de contracten bij één wielerholding (de ploegen van de Roodhoofts) onder te brengen?

Het WK bij de profs was een non-vertoon. Tien meter heeft Van der Poel niet op kop gereden omdat er één in de start een fractie sneller in de pedalen zat. Na tien meter reed hij aan de leiding en voor zover die info juist was, is Niels Vandeputte in de eerste vier minuten één keer per ongeluk op kop geraakt. Vervolgens reed Van der Poel weg, maar dat enige spannende moment van actie heeft de regie jammerlijk gemist, en daarna maalde hij zijn rondjes af in steady state. Het veldrijden moet nu hopen dat Van der Poel in het voorjaar goed presteert op de weg of de zesvoudige wereldkampioen zien ze niet meer terug. Of hoe een vertier dat ooit dacht als sport op de Olympische Spelen te geraken, stilaan vervelt tot een Vlaamse kermis.

Column over WK veldrijden in De Morgen van maandag 6 feb 2024

Redelijk desastreus WK

Toen gisteren de profs aan de start stonden, prijkte Belgium op de medailletabel op de vijfde plaats met één zilvertje en twee bronsjes. Nederland stond op één met twee keer goud en nog drie andere kleurtjes, Frankrijk op twee met een wereldkampioene bij de juniores en de eerste plek in de verder compleet overbodige gemengde aflossing.

Aflossing op zich is sportief al discutabel, gemengde aflossing is geforceerde inclusie, staat haaks op de sportieve en biologische realiteit en is daarom lichtjes ridicuul. Nederland, hét crossland van het moment, vond het niet eens de moeite om in te schrijven.

Groot-Brittannië ten slotte stond stevig op drie na de beloftewereldtitel van Zoë Backstedt. Italië stond ook nog voor België met dat ene goud van de junioreswereldkampioen Stefano Viezzi.

Dan begonnen de profs aan hun wedstrijd. Toen Vanthourenhout heel even in zijn remonte de tweede plaats van Joris Nieuwenhuis leek te gaan bedreigen, ontsnapte aan VRT-commentator Ruben Van Gucht de overpeinzing of Michael Vanthourenhout daarmee het vel van zijn oom aan het redden was. Zijn oom, voor wie dat niet zo volgt, is de genaamde Sven met dezelfde familienaam, en die is bondscoach van alles en iedereen die namens de Belgische driekleur op twee wielen rijdt.

Alle begrip voor commentatoren die een wedstrijd van een uur moeten volpraten waarin de posities na vier minuten koers al vast lagen. Dan wijdt een mens, en Van Gucht is tot nader order ook maar een mens, al graag nog eens uit en verkent hij grenzen al was het maar om ons thuis wakker te houden.

Hij zou niet de eerste commentator zijn die ongelukkigerwijs nonsens uit zijn botten slaat, maar naast hem zat ene Paul Herygers als co-commentator en die – altijd goed ingevoerd de Pol – zweeg na die opmerking. Zou het?

Twee keer in enkele maanden – in Glasgow op de weg en in Tabor in de wei – werd de Belgische selectie van Sven Vanthourenhout weggeblazen door dezelfde renner, toevallig in België geboren, ook pratend met een Belgisch Kempens accent, maar uiteindelijk wel een Nederlander en dus in het oranje fietsend. Drie keer op rij in twaalf maanden zelfs, als je het WK veldrijden van vorig jaar in Hoogerheide er ook bij neemt.

Na de profs pakte Nederland met acht medailles veertig procent van de beschikbare podia in Tabor. België eindigde met vier medailles. Michael Vanthourenhout was de enige die een beetje in het Nederlands toneelstukje voorkwam en haalde brons. Eindresultaat: Belgium, vijfde plaats, nul goud.

Zou er waarlijk iemand in Tubeke Sven Vanthourenhout dit redelijk desastreus WK ten kwade duiden? Vlaanderen is dé crossregio in de wereld en hoewel dit resultaat beschamend is, was het te verwachten. Cross is hier meer circus dan sport.

Cross als (top)sport zou een trainingsvorm kunnen zijn, maar dan met een slanker en logisch opgebouwd wedstrijdprogramma. Dan nog zouden de Iserbytjes, Nysjes en Sweeckjes van deze wereld het wellicht moeten afleggen tegen echte toprenners als Van der Poel, maar ze zouden alvast niet zo uitgewoond en quasi ongeïnteresseerd aan de start van de belangrijkste wedstrijd van het jaar staan.

Cross is hier vooral meer een verdienmodel dan een sport, zowel voor drank- en frietkramen, voor renners van de tweede garnituur, voor organisatoren, en niet het minst voor de werkgever van de bondscoach, de Koninklijke Belgische wielrijdersbond, die slapend rijk wordt van de wedstrijdvergunningen en geen heil ziet in een afgeslankte crosskalender.

Veldrijden moet nu echt gaan oppassen dat het niet het kleine, achterlijke broertje van de grote wielerfamilie wordt. Welke sport kan zichzelf serieus nemen als twee van de drie beste renners van het moment het wereldkampioenschap links laten liggen? Welke sport kan het zich permitteren om zeventig procent van de contracten bij één wielerholding (de ploegen van de Roodhoofts) onder te brengen?

Het WK bij de profs was een non-vertoon. Tien meter heeft Van der Poel niet op kop gereden omdat er één in de start een fractie sneller in de pedalen zat. Na tien meter reed hij aan de leiding en voor zover die info juist was, is Niels Vandeputte in de eerste vier minuten één keer per ongeluk op kop geraakt.

Vervolgens reed Van der Poel weg, maar dat enige spannende moment van actie heeft de regie jammerlijk gemist, en daarna maalde hij zijn rondjes af in steady state. Het veldrijden moet nu hopen dat Van der Poel in het voorjaar goed presteert op de weg of de zesvoudige wereldkampioen zien ze niet meer terug. Of hoe een vertier dat ooit dacht als sport op de Olympische Spelen te geraken, stilaan vervelt tot een Vlaamse kermis.

Column over Africa Cup in De Morgen van zaterdag 3 feb 2024

AFCON

Ooit heette het toernooi de Coupe d’Afrique des Nations, afgekort de CAN. Vandaag heet het over het hele continent de AFCON, Africa Cup of Nations.

Zelfs in Marokko, Mali en Burkina Faso is de Engelse afkorting de regel en dat is een gevolg van de geopolitiek in die regio. Waar Frankrijk en het Frans ooit de referentie waren – vooral in de Afrikaanse landen waar ze de koloniale plak zwaaiden – worden ze vandaag uitgespuwd.

In november tijdens een tiendaagse omzwerving door het zuiden van Marokko viel het op hoe de gids, de chauffeur, de man of vrouw van de riad, de dromedarisdrijvers, tot de kruidenier van de ras el hanout toe er op stonden om slecht Engels te spreken in plaats van hun van oudsher redelijk school-Frans.

Met een van die riadeigenaars – een jurist die zijn kamers naar vrijheidsstrijders als Mandela, Castro, Martin Luther King had genoemd – ging het er op een avond heel militant aan toe.

… Alles was beter voor Afrika dan Frankrijk en het Frans, en bij uitbreiding was alles beter voor Afrika dan Europa en het Westen… De Wagner-milities en de Russen, daarvan konden wij in Europa wel vinden dat ze slecht waren en uit op macht, rijkdom en uiteraard grondstoffen, maar dat moest eerst nog maar eens worden bewezen… En de Chinezen, wel, die kwamen ten minste hun beloftes na…

Niet het minst in Ivoorkust. Het Beijing Institute of Architectural Design tekende het Alassane Ouattara Stadium in Abidjan, waar op 11 februari de AFCON-finale gepland staat. Beijing Construction Engineering Group bouwde het stadion.

Het Laurent Pokou Stadium in San Pedro is dan weer gebouwd door de China Civil Engineering Construction Corporation en de China National Building Material Group bekommerde zich om het stadion in Korhogo.

De Chinese stadiondiplomatie, gebaseerd op geschonken of door Chinese staatsbedrijven erg goedkoop gebouwde stadions (alleen al in Ivoorkust investeerde China 2 miljard dollar), is gelinkt aan de ‘One Belt, One Road’-politiek, bij ons beter bekend als de Nieuwe Zijderoute. Voor wat, hoort wat, natuurlijk. Sinds de Chinezen in 2016 de eerste steen legden van het nationaal stadion, hebben ze hun import van ruwe grondstoffen uit Ivoorkust verzevenvoudigd.

Dat maakt de Amerikanen erg bezorgd en in de eerste week van de AFCON kreeg organiserend land Ivoorkust hoog politiek bezoek. Op terugweg van Israël, waar blijkbaar ook wat te doen was, pikte niemand minder dan de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken en zelfverklaard voetballiefhebber Antony Blinken een wedstrijdje mee naast president Ouattara.

De strategische rivaal van China in Afrika is evenwel niet langer Frankrijk en ook niet de VS, maar Saudi-Arabië. Dat land is de hoofdsponsor geworden van de African Football League, de Afrikaanse versie van de Europese Champions League, en gaat partnerships aan met alle Afrikaanse landen waar het welkom is, en dat zijn er heel wat. Ook voor Saudi-Arabië is voetbal een glijmiddel om zich te verzekeren van onder meer het nodige lithium, kobalt en koper.

De AFCON wordt door nogal wat Afrikanen gezien als het ultieme bewijs dat Afrika de rest van de wereld niet nodig heeft om te excelleren. De realiteit is nochtans dat die hele Africa Cup niet alleen gebruikt en misbruikt wordt in het geopolitiek theater van de 21ste eeuw, maar in het internationale voetbal ook nog eens als een tang op een varken slaat en daar sportief onder lijdt.

Niks klopt aan de AFCON. Niet de timing, midden in het Europese voetbalseizoen, niet de 24 deelnemers en al helemaal niet de frequentie, om de twee jaar. Een Europees kampioenschap voetbal wordt bijvoorbeeld om de vier jaar gespeeld, netjes geschrankt met de World Cup, die ook om de vier jaar wordt georganiseerd.

Nadat in 2019 de Afrikaanse bond had beslist dat het toernooi in de zomer zou doorgaan om niet in het vaarwater van de Europese toernooien te komen, is die om diverse redenen toch altijd weer in de Europese winter gespeeld. Tot ergernis van de grote (Europese) clubs, die in tegenstelling tot selecties voor de World Cup en de Euro-toernooien geen compensatie van de Afrikaanse voetbalbond krijgen als ze hun spelers voor de AFCON afstaan.

Deze editie is een sportieve sof, ondanks de lyrische verhalen over pakweg de kwartfinale vanavond tussen de Kaapverdische Eilanden en Zuid-Afrika. Van de vijf Afrikaanse deelnemers aan de laatste World Cup – Kameroen, Tunesië, Marokko, Ghana en Senegal – geraakte geen enkele in de kwartfinales. Dat is geen toeval. Het was volgens waarnemers ter plaatse opvallend hoe vooral de in Europa geboren Afrikanen (een op drie) en de toppers met de rem op speelden.

Column over Australian Open in De Morgen van maandag 29 januari 24

Australian Open

Jannik Sinner heeft de Australian Open gewonnen. Jannik wie? Sinner, een Italiaan. Enfin, een Zuid-Tiroler, dus eerste taal Duits, dus een pseudo-Italiaan met dank aan Mussolini. De typische naam Sinner was tot voor kort bekend van de skibrillen en -helmen – geen familie – en nu dus van het tennis. Sinner klopte eerst Novak Djokovic, de nummer één van de wereld en gisteren Daniil Medvedev.

Wie? Daniil Medvedev, niets te maken met Poetins stropop Dimitri Medvedev, maar ook een Rus.

Een Rus, hoe kan dat? Een Rus in de topsport is een vreemde eend in de bijt sinds de oorlog tegen Oekraïne. Wimbledon heeft het kort na het begin van de oorlog geflikt om de (Wit-)Russen te weren, maar verloor tijdelijk zijn status als puntentoernooi. In 2023 haalden ze bakzeil en Medvedev speelde er de halve finale.

De tenniswereld heeft zoals andere sporten nooit gevraagd dat de landgenoten van de agressors zich zouden distantiëren van hun machthebbers. Daniil heeft ook nooit de behoefte gevoeld om een statement te maken. In onvermoede tijden, meer in het bijzonder na zijn winst op de US Open in september 2021, werd hij nog door Poetin op het schild gehesen als een ware kampioen en een echte Rus.

Het klopt helemaal dat Medvedev, die net als Sinner in Monte Carlo woont en een compleet Franse entourage heeft, daar niets kan aan doen. Toch bleef het erg ongemakkelijk om zaterdag bij de vrouwen een Wit-Russische (Sabalenka) te zien spelen en winnen en gisteren een Rus te zien verliezen. Winst had evengoed gekund, nadat die 2-0 in sets voorstond. Na wedstrijden met (Wit-)Russen volgen steevast persconferenties waar voor journalisten nu al bijna twee jaar de regel “don’t mention the war” geldt (of je komt er niet meer in).

Daniil Medvedev komt niet uit het niets. In februari 2022, uitgerekend de maand waarin Poetin Oekraïne binnenviel, werd hij de 27ste man en de derde Rus (na Kafelnikov en Safin in 1999-2000) in de historie van het professionele tennis die de eerste plaats van de ATP-ranglijst bereikte. Sinds 2004 hadden alleen Roger Federer, Rafael Nadal, Novak Djokovic en Andy Murray op die plek gestaan.

Sinner komt een beetje uit het niets. Hij staat op vier sinds vorig jaar. Ooit was hij als jeugdskiër een talent. “Zijn gevoel voor balans en zijn beweeglijkheid heeft hij aan dat skiverleden te danken.” Zo stond ergens te lezen. Geloof niet alle onzin, aub.

Die Jannik Sinner heeft eerder deze week Djokovic geklopt en dat werd algemeen geduid als het einde van een era. Met Nadal (37) in de lappenmand, Federer gestopt en Djokovic onderweg naar zijn 37ste verjaardag, is dat geen al te rare voorspelling.

Het mannentennis komt uit een ongeziene periode van hoogconjunctuur met epische duels tussen de drie groten. Alcaraz (2), Sinner (4), Zverev (6), Tsitsipas (7) en Rune (8) tikken ook een aardig balletje weg én – niet onbelangrijk – hebben een x-factor, maar ze zijn verre van de magneten die hun voorgangers waren. In die top tien staan ook illustere figuren als Andrej Roeblev (5), Hubert Hurkacz (9), Alex de Minaur (10) en ook dus Daniil Medvedev (3).

Hij is de meest stabiele tennisser na de grote drie, maar zijn x-factor is nul. Zijn metronoomtennis is af en toe geniaal maar inspireert niet. Medvedev straalt ook geen topsport uit. Opvallend, toen hij in militaire dienst moest, werd hij afgekeurd voor gezondheidsproblemen.

Hij is 1m98 dat wel, en geen gram vet, maar hoegenaamd geen atleet als Alexander Zverev, die hij na een 0-2 achterstand vrijdag in de halve finale in de drie daaropvolgende volgende sets genadeloos afslachtte. Ook meer een sater dan een godheid met die luizige plukjes haar die maar geen baard willen worden en die kaalplekken die schreeuwen om een pet. Medvedev ziet eruit alsof hij tennis alleen kent van elke dag twintig uur op de PlayStation te spelen.

Dat is schijn, een soort asportieve mimicry die de tegenstander op een dwaalspoor brengt. Er schuilt wel degelijk een atleet onder die vermomming. Zijn onwaarschijnlijke mentale sterkte alleen kan niet volstaan om dat niveau te halen, al horen daar soms spelletjes bij om de tegenstand uit zijn concentratie te halen. Jannik Sinner bleef er alvast stoïcijns kalm bij toen de Rus na het verlies van de derde set plots weer eens naar de kleedkamer moest.

Welke kant het ook uitgaat met de huidige top tien, het mannentennis staat zonder de grote drie voor een tocht door de woestijn. Sinner en Alcaraz hebben de grootste kansen om de nieuwe Djokovic en Nadal te worden. Een nieuwe Federer is voorlopig niet in zicht.

Column De Olympiaatjes in De Morgen van 27 januari 24

De Olympiaatjes

Je hoort al eens wat als je thuiswerkt. Zoals het radiojournaal dat de gewonnen halve finale in het dubbelspel van Elise Mertens in prime een item waard vond. Die behaalde ze met de Taiwanese Hsieh Su-wei, nummer 710 op de wereldranglijst. Alleen al die details, de klassering en de nationaliteit van de dubbelpartner zouden moeten volstaan om dat tenniszaktoerisme de journalistieke plek te geven die het verdient, bij de bagatellen en de bijverdiensten.

Nog iets later, wéér een bagatel van een item, wéér op de radio, waarvoor deze keer olympisch kampioene hoogspringen Tia Hellebaut uit bed werd gebeld. Ze wilden haar gedacht over Clarisse Agbegnenou. Ooit over gehoord? Natuurlijk niet, en dat is onterecht. Agbegnenou is de regerende olympisch kampioene in de koninginnenklasse van het vrouwenjudo, de klasse tot 63 kilogram. Ze won al 2 keer olympisch goud en 1 keer zilver, was 6 keer wereld- en een keer of 4 Europees kampioene.

Ze hadden bij de radio Hellebaut nodig om duiding te geven bij het verzoek dat Agbegnenou bij de Franse president Emmanuel Macron had neergelegd, toen die deze week in het topsportinstuuut INSEP langs was gegaan. De judoka had gevraagd of hij er niet kon voor zorgen dat haar kind bij haar kan zijn in het olympische dorp tijdens de Spelen.

Haar verzuchting viel in de Franse gespecialiseerde media als L’Équipe niet terug te lezen. Online, pakweg op de site Francs-Jeux, was het ook niet te vinden. Een search op Google leverde maar enkele Franse hits op.

“Wat vindt u ervan”, vroeg Voor de dag aan Hellebaut, “is dat geen goed idee, dat mama’s hun kindjes mogen meenemen in het olympische dorp?” Ons Tia, altijd al de nuchterheid zelve, zei dat ze haar kinderen ook graag zag en nog steeds ziet en dat ze die in Londen tijdens haar Spelen ook geregeld wilde knuffelen. Ze had daarvoor voorzieningen getroffen buiten het olympische dorp. Ze vond het derhalve geen goed idee om kinderen ín het olympische dorp te halen. Stel je voor, zei ze nog, zo’n stel bleirende kinderen die andere atleten wakker houden, je moet er niet aan denken.

Wanneer precies is niet zo duidelijk, maar ooit is Agbegnenou een keer te veel op haar hoofd gevallen bij dat judoën van haar. Wat ze precies wil, is evenmin duidelijk. Alvast een voorkeursbehandeling. Een eigen olympische suite met verzorgingsboudoir in het al zo krappe olympische dorp? Voor papa, kindje, oma’s en opa’s een accreditatie? Of een kindercrèche binnen dat dorp: de Olympiaatjes, met vers bereide fruit- en groentepapjes op maat van alle gewesten en de klok rond opvang en afhaal voor moeders en vaders die hun kinderen te zeer missen. Of, minder bekende optie, die zich op de kroost willen afreageren na het missen van een medaille.

Het is een dingetje van de laatste jaren, vrouwelijke atleten en hun kinderen. De Franse voetbalster Amel Majri reisde vorig jaar met haar kind van één jaar naar de World Cup in Australië. En in Tokio in 2021 kregen twee olympische atletes de toestemming om hun baby mee te nemen naar het hermetisch afgesloten Japan om borstvoeding te geven, zij het buiten het dorp.

Mannelijke atleten en hun kinderen is makkelijker. De allerrijksten hebben hun nanny mee naar de grote afspraken, zoals tennisser Roger Federer destijds. Soms dubbelt de nanny als vrouw. Neem nu wielrenner Wout van Aert. Zijn Sarah sleurde hun kleine Georges overal mee. Nadat vorige zomer kleine Jerome aan het gezin werd toegevoegd, zorgden de wielerorganisatoren voor een uitbreiding van de mixed zone.

Topsportsters die ervoor kiezen om tijdens hun carrière zwanger te worden en een kind op de wereld te zetten, om dan tot de vaststelling te komen dat er zich een logistiek probleem aandient, vroeger was het antwoord: keuzes maken hoort bij topsport, eigen schuld dikke bult. Dat antwoord mag niet meer.

Agbegnenou is verslaafd aan haar kind, dat zei ze zelf vorig jaar. De president zal haar vraag toch niet hebben zien aankomen. Wellicht dacht hij: Eh bien Clarisse, on ne peut avoir le beurre et l’argent du beurre. Vrij vertaald als ‘het is het een of het is het ander’. Dat was in haar specifiek geval niet eens een onbeleefd antwoord.

Volgens de gespecialiseerde pers leeft ze in opperste harmonie samen met de vader van het kind, die haar nog eens de beste moeder van de wereld vindt. Ze heeft een vaste baan bij het Franse leger en hoewel ze geen klauwen vol geld verdient als judoka moet ze zich met privésponsors als P&G en Le Coq Sportif een appartementje op loopafstand van het olympische dorp kunnen veroorloven.

Column Rivalen in De Morgen van maandag 22 januari 2024

Rivalen

‘Nog één keer, maar dan in de zon en op hardere ondergrond, minder technisch, sneller, meer pure power en uithouding en vooral een hogere trapfrequentie, meer wegwielrennen dan mountainbiken. Misschien dat het dan wel lukt om hem te volgen. En zo niet, wel ja, er is dat hogere doel.”

Was dat de mindset van Wout van Aert? De voorbije maanden was hij dag na dag, week na week, zij het in modder, gras of zand, naar huis gereden door de jongen/man/rivaal die hem nu al meer dan twaalf jaar vaker klopt dan omgekeerd. De eerste keer was in oktober 2011 in Bosduin, een wijk van Kalmthout. Ook toen moest de pas zeventien geworden Lillenaar de duimen leggen voor de vier maanden jongere Nederlander uit Kapellen.

In het wielerwalhalla moet je cross niet groter maken dan wat het is, een uurtje circus, maar daar zal Van Aert geen boodschap aan hebben gehad. Winter na winter heeft hij zijn prestaties en overwinningen in het veldrijden als basis en referentie gebruikt voor een voorseizoen in de Vlaamse klassiekers.

Dat hinken op twee gedachten heeft hem geen windeieren gelegd. De E3 twee keer, de Omloop, Gent-Wevelgem, de Amstel Gold Race, de Strade Bianche en niet te vergeten Milaan-Sanremo, dat is een voorjaarspalmares van de allerbesten.

En toch. Eeuwige rivaal Mathieu van der Poel won de Omloop nog nooit, maar wel de Brabantse Pijl. In de B-wedstrijden zijn ze elkaars gelijke, maar in het grote werk is hij Van Aert ontstegen. Neem nu die ene statistiek die de ogen uitsteekt: één monument tegenover vier voor Van der Poel, waarvan drie in Van Aerts droomkoersen, dat ligt zwaar op de maag.

De analyse van die verliesmomenten was snel gemaakt. Met het team was niks mis, het was kopman Van Aert die in de beslissende fase met de toppers voorin telkens moest afhaken. Daarom veranderde het geweer van schouder in deze winter van 2023-’24. Het werd een winter van een voltijdse wegrenner: extensieve duurtrainingen, geregeld op, net boven of net onder de drempel, afgewisseld met intensieve blokjes die steeds langer worden.

De prestaties van Van Aert in het veld deze winter verdienen deze context om ze te kunnen plaatsen. De vraag is of Van Aert dat ook zo ziet, of hij diep vanbinnen de cross niet blijft zien als de finale plaatsbeschrijving van zijn body, de referentie voor wat moet komen. Een minuut of meer aan de koersbroek krijgen van je rivaal, het lukt net iets minder makkelijk om dat een plaats te geven als je met de modderspatten in je gezicht een microfoon onder je neus krijgt geduwd die je vraagt om uit te leggen waarom je het niet erg vindt dat je zoek wordt gereden. En na het Nederlands mag dat nog eens in het Engels.

Als je vervolgens een dag later het ongeluk hebt om een van de twee sportkranten op de verkeerde pagina open te slaan, staat daar dat je een pakje slaag hebt gekregen. Dat kan niet anders dan zijn binnengekomen bij de nijdigaard/binnenvetter die onder de schil van de minzame familieman Van Aert huist.

Gisteren in Benidorm won Van Aert, maar of hij daar nu blijer en vooral wijzer van is geworden? Blijer wel, maar niks wijzer. Zo overtuigend was die overwinning niet. Van der Poel verloor door dubbele pech, maar imponeerde als nooit tevoren. Hij is in de vorm van zijn leven, zoveel is duidelijk. Om die stap te zetten was een denkomslag nodig, het besef dat het de hoogste tijd werd om er alles aan te doen om het allerbeste uit dat begenadigde lichaam te halen.

De stomme val op de Spelen van Tokio in de zomer van 2021 wordt vaak als trigger aangehaald, maar het was vooral in 2022 dat het besef groeide. Wie hem zijn gedeeltelijke verhuis naar Spanje heeft aangepraat, verdient alle credits. Wonen en trainen in en vooral rond Moreira heeft de kwaliteit en de kwantiteit van zijn trainingen de hoogte ingejaagd. De smalle basis van het supertalent werd een brede fond.

Gedaan met de nonchalance, het ego van de winnaar nam de overhand. Dat ego werd vorig jaar ruimschoots gevoed met mooie triomfen in superklassiekers en die ene fenomenale raid op het wereldkampioenschap in Glasgow.

De hamvraag is nu of Van der Poel en zijn entourage alles onder controle hebben, weten waar hij staat, wat er nog bij kan? Als er nog iets bij kan, en dit zijn nieuwe basisniveau is, o wee de tegenstand in alle wedstrijden voor de komende vier maanden. Alleen, Van der Poel zou Van der Poel niet zijn als er niet nog ergens een kinkje in de kabel zal komen. Gisteren was daar het perfecte voorbeeld van.

Column Pijn IS fijn in De Morgen van zaterdag 20 januari 2024

Pijn IS fijn

De voorbije mediaweek werd beheerst door lange tenen en angsthazenjournalistiek, soms een combinatie van de twee.

Zoals: de vrouwen en de gelijkegenderclubs die over (ex?-)sportjournalist Tom Coninx struikelden toen die zei dat hij zich in Italië als man niet te veel moet aantrekken van huiselijke taken en andere testosteron-onderdrukkende besognes. Dat alles uitgesproken met een sardonisch lachje, hem kennende. O jee, het kot was te klein.

Zoals ook: de ontelbare waarschuwingen afkomstig van de angsthaasjes van de radio en de tv over de drie centimeter of iets meer sneeuw die ons Vlaamse land naar de Noordkaap zou beamen. Het dient gezegd, ongeveer alle media deden mee, één site had het zelfs over een sneeuwbom. Deze krant had een omfloerste omschrijving voor het fenomeen angsthazerij: risicoaversie.

Terwijl de boodschap eigenlijk heel simpel is: schijt u in uw broek omdat u a. niet kunt rijden, b. geen winterbanden heeft, c. geen 4×4 heeft, of a, b en c samen, blijf thuis en loop of rijd de rest van de maatschappij niet in de weg.

Zoals nog: de ongewilde spin-off van het pas gestarte realityprogramma Kamp Waes, seizoen twee. Seizoen één solliciteerde nog naar de verbastering Kamp Dwaas, omdat de meeste deelnemers compleet onvoorbereid en dus ongeschikt waren om hun lijf, leden en geest aan brutale spelletjes van de elitetroep van het Belgische leger te onderwerpen.

Bij de deelnemers aan seizoen twee zitten op het eerste gezicht maar een tweetal loco’s, u mag ze zelf zoeken. Youssef Challouki lijkt ook op het tweede gezicht daar niet bij te horen, al had hij in zijn voorbereiding wel meer aandacht kunnen besteden aan kaartlezen.

Voor hen die uit de lucht vallen, Challouki is een sporter. Een kickbokser, meer in het bijzonder, en een goeie. Het wordt nu al uitkijken naar de milling, het militaire spelletje waarbij twee mensen elkaar zo vaak en zo hard mogelijk proberen te raken gedurende één minuut. Op voorwaarde dat hij daar geraakt, want Youssef – nu komt het – is geblesseerd aan Kamp Waes begonnen, dus toch een beetje Kamp Dwaas in zijn geval. Hij heeft een verrekte gewrichtsband in de knie.

In aflevering één moesten de deelnemers de Bergham Run afwerken: acht kilometer en onder de vijftig minuten binnenkomen. Lopen aan geen tien per uur is normaal een eitje, maar niet met een rugzak van twintig kilogram. Op twee na finishten ze allemaal binnen tijd.

Onderweg kreeg Youssef last. Of het nu die gewrichtsband was of wat anders, hij had pijn. De camera was bij hem en capteerde dat beklijvende moment. Eerst zei hij “het begint pijn te doen” en daarna met een ook al sardonisch lachje “pijn is fijn met een p”.

In Nederland heb ik destijds de spreuk pijn is fijn/ bloed is goed/ jeuk is leuk/zweet is wreed weleens gehoord van een zwemmer die tot het gaatje ging en daar wat mooie medailles aan overhield. Een andere grapte dan weer: jeuk is leuk/pijn is fijn/spastisch is fantastisch. Die won beduidend minder.

Pijn is fijn met een p, daar ging het dus over maandag en nog een beetje dinsdag. De VRT NWS-site ging erop door in de rubriek Technologie en Wetenschap en ook in de avondactua op Radio 1 was het een item.

De teneur was: pijn is fijn met een p, klopt dat? Domme vraag. Natuurlijk klopt dat niet. Niemand heeft graag pijn. Alle pijn is vervelend. Maar soms is pijn nodig, soms ook niet. Soms moet je pijn verbijten om je lichaam te pushen. Soms push je het lichaam beter niet en moet je pijn als een ernstig signaal zien. Einde discussie.

Er werd een professor bijgehaald van een pijncentrum. Hij stoorde zich aan het als fijn bestempelen van pijn want dat was nu eens euh… niet fijn voor mensen met chronische pijn. Waarna hij besloot met: “Ik zou het waarderen als mensen iets voorzichtiger zijn met zulke uitspraken.”

Man, man, man. Zegt niemand op zo’n redactie: “Gasten, overdrijven we niet een beetje?” Niemand die vragen stelt bij het voorlezen van de zoveelste Huppeldepup-zegt-in-onze-app-reactie? Niemand die weet dat ‘pijn is fijn met een p’ maar een boutade is, niks meer waard dan ‘koriander is fijn’ (terwijl er zijn die van koriander moeten kotsen)?

Pijn ís fijn. Of kan fijn zijn. Niet overal, niet altijd, niet voor iedereen, maar als je in sport iets wilt bereiken, of als je je lichaam een beetje wilt wapenen, zul je je toch af en toe moeten inspannen en daarbij door een pijngrens(je) moeten. Dat is wat Youssef bedoelde. Wie daar geen zin in heeft, hoeft zich niet geschoffeerd te voelen. Risicoavers thuisblijven, mond houden en niet reageren in de VRT-app is de boodschap.

Column Europese Kampioenschappen in De Morgen van 15 januari 2024

Europese Kampioenschappen

Ooit, in een niet zo heel ver verleden, viel in de eerste weken van de januarimaand weinig te beleven op sportief vlak. Van Belgische triomfen was al helemaal geen sprake, of het moest het BK modderrijden/ploeteren zijn. Dat had en heeft nog steeds het niet te versmaden voordeel dat alleen maar Belgen kunnen winnen. Altijd feest zonder die ‘Ollanders’, zoals gisteren in Meulebeke.

Zaterdag opende de VRT zijn journaal met de gouden en bronzen medaille van de Belgische kunstschaatsters Loena Hendrickx en Nina Pinzarrone op het EK. Het laatavondjournaal werd dan weer opgehangen aan de stunt van baanwielrenster Lotte Kopecky, die in twee opeenvolgende nummers Europees goud won en de twee bronzen medailles van broer en zus Desmet in het shorttrack.

Is er sprake van een trendbreuk? Zijn wij een topsportland geworden?

Het antwoord is meerlagig. Eerst deze heel positieve vaststelling: de Belgische topsport is erop vooruitgegaan, vooral met dank aan de Vlaamse topsport. De resultaten zijn deze eeuw onmiskenbaar beter dan de vorige en ze komen vooral op het conto van vrouwen. Dat laatste is dan weer te verklaren door de grotere progressiemarge in de vrouwensport, het gevolg van een historische achterstand en het mindere aanbod aan atleten.

Het is wat het is: België gaat erop vooruit. Hoewel, er blijft nog steeds de lichtjes ongemakkelijke vaststelling dat de zes medailles van Atlanta in 1996 minstens evenveel waard waren als de zeven van Tokio in 2021. Hoezo? Welnu, in die 25 jaar zijn een kwart meer olympische medailles te winnen.

Omdat de resultaten beter zijn, wil men nog wel eens het bredere plaatje uit het oog verliezen en van elke prijs een wereldwonder maken. Neem nu het EK baanwielrennen en het EK kunstschaatsen. Die worden elk jaar georganiseerd. Jaarlijkse EK’s worden op de internationale waardenschaal lager ingeschat dan tweejaarlijkse Europese kampioenschappen (atletiek, zwemmen) of vierjaarlijkse (voetbal). EK’s zijn de norm niet meer.

En er is nog iets waardoor je het best een slag om de arm houdt. Een EK in een olympisch jaar is doorgaans niet al te sterk bezet en de toppers die er wel zijn, pieken niet voor de volle honderd procent. Dat doet niets af aan de prestatie van Lotte Kopecky zaterdagavond. Die reed daar in haar wereldkampioenentrui in twee opeenvolgende wedstrijden het hele veld choco.

Niet om de pretbederver uit te hangen, maar er is nog een dingetje. België is zesde geëindigd op dat EK en won zes medailles. Nederland pakte er ook zes. Alleen de bronzen van Fabio Van den Bossche in het omnium en de zilveren medaille in de ploegkoers zijn behaald op olympische nummers. De Nederlandse medailles komen op één na allemaal uit olympische nummers. In het jaar van de Spelen kan dat een klein teken aan de wand zijn omdat sportlanden die zichzelf serieus nemen juist zwaar inzetten op olympische nummers.

Over naar die twee medailles van het kunstschaatsen. Het journaal ermee openen, ach, als in deze tijden van wereldellende (Gaza, Jemen, Oekraïne) het dorp België iets heeft om blij van te worden, waarom ook niet?

Het was wel verheugend dat de VRT-reporter die de weg naar Litouwen had gevonden ook de vraag stelde die moest gesteld worden: wat Loena, als de Russinnen hier wel waren geweest? Nog verheugender was het antwoord van Loena Hendrickx: “Dan stond ik niet op het podium, maar toch ga ik van deze gouden medaille heel hard genieten.” Goudeerlijke taal.

Hoe dat dan zit met het WK van maart in Japan, in Saitama, dezelfde hal waar de Belgian Cats hun olympische medaillekansen vergooiden? Hendrickx is al een keer tweede en derde van de wereld geweest (ook zonder Russinnen) maar is ook daar realistisch: “Goud? Alleen als de Japanse Sakamato valt en ik perfect schaats.”

Ondanks al die medailles blijft België een topsportwoestijn waar men de prioriteiten niet altijd op een rijtje heeft. Wat hebben Bart Swings en collega-langebaanschaatsers, de shorttrackers en de kunstschaatsters gemeen? Dat ze ofwel helemaal niet (Swings), of met veel moeite (alle anderen) in eigen land terechtkunnen om hun beroep uit te oefenen waar ze zo goed in zijn.

Zou er ergens een ander land zijn dat zo goed en vaak scoort in om het even welke sport zonder aangepaste topsportinfrastructuur? De baanwielrenners hebben hun tweede wielerbaan gekregen waar ze zo om smeekten. Terecht. In Zolder is vast nog plaats voor een topsportijshal. Die zal een cent kosten en ze zal niets opbrengen, maar dat geldt ook voor alle wielerbanen en alle vijftigmeterzwembaden.

Column Teflon Dave in De Morgen van zaterdag 13 januari 2024

Teflon Dave

‘United is een club gebouwd op de fundamenten gelegd door Sir Matt (Busby), Sir Bobby (Charlton) and Sir Alex (Ferguson) en er is meer nodig dan een titel van ridder, een zak geld en besmeurd sportsucces om tussen die voetbalgiganten te staan.”

Dat was de teneur eerder deze week in The Times naar aanleiding van hét internationale voetbalnieuwsfeit van deze winter: de verkoop door de Glazer-familie van een kwart van de aandelen en de uitbesteding van het sportieve beleid van Manchester United aan Jim Ratcliffe van Ineos. Het citaat sloeg maar ten dele (de zak geld) op Ratcliffe en Ineos. In essentie ging het hele opiniestuk over de bijdrage die Sir David Brailsford, sports director van Ineos, zou kunnen leveren aan de heropstanding van Manchester United.

Meteen twee bemerkingen. Over welke heropstanding hebben ze het? Sportief kan daar wat bij, dat klopt. Zakelijk ook, maar minder. Als het sportief wat beter zal gaan, volgt dat één op één. Dit seizoen zaten ze al in de Champions League, maar werden in een allesbehalve onoverkomelijke poule met Bayern, Kopenhagen en Galatasaray laatste.

De Engelse pers sprak van een schande, want ze haalden niet eens het vangnet van de Europa League, maar dat is commerciële onzin. Het grote geld van Champions League was binnen, in de terugronde kunnen ze zich concentreren om van die achtste plaats een vierde of vijfde te maken.

Het lopende boekjaar zal door die Champions League wellicht weer winst opleveren na een klein verlies voor 2022-’23. Man United speelde tien jaar geleden voor het laatst kampioen, maar moet met een omzet van 753 miljoen euro nauwelijks onderdoen voor de buur Manchester City, dat in de voorbije tien jaar zes keer kampioen werd.

Ook een bemerking: de lof voor Sir Alex is kortzichtig. Die liet de negentienjarige Paul Pogba in 2012 voor 1,8 miljoen euro (gratis dus) vertrekken naar Juventus zonder een terugkoopsom af te spreken. Vier jaar later wilden ze Pogba bij United terug, ook op aanraden van raadgever Ferguson: die transfer kostte hen 105 miljoen.

Pogba bakte er niet veel van. Hij vertrok in juli 2022. Naar Juventus. Gratis. In een minder krankzinnige economische omgeving zou zo’n verkoop/aankoopbeleid een heel management de kop kosten, maar Ferguson wordt nog elke wedstrijd toegejuicht in het Theatre of Dreams.

Met andere woorden, ze kunnen bij Manchester United wel wat gezond sportverstand gebruiken. De vraag is evenwel of Brailsford de juiste persoon op de juiste plaats is. De Engelse tabloids zijn ronduit negatief, de broadsheets erg kritisch. En alle Engelse pundits vinden dat zij dat veel beter zouden kunnen.

Dat een club sportief wordt aangestuurd door een minderheidsaandeelhouder zonder veel verstand van ‘the game’ is volgens aloude Engelse voetbalwijsheden sheer and utter nonsense. Dat die minderheidsaandeelhouder in de handen ligt van een man die zijn sportieve sporen heeft verdiend in het door het voetbalpubliek zo gehate posh cycling is godslastering.

Het dossier Man United is om al die redenen uitermate boeiend om te volgen. Nu komt het erop aan de juiste baasjes in het veld te krijgen en die te laten luisteren naar de juiste ploegbaas.

Als dat lukt, is de recordkampioen die de voorbije jaren vooral de subtop bespeelde een paar seizoenen verwijderd van een nieuwe titel in de Premier League, zoveel is zeker. Of Brailsford met zijn kennis van sportfysiologie en zijn MBA (master of business administration) maar nul ervaring in de handel in voetballende mensen dit proces in goede banen kan leiden, dat is de inzet van deze machtswissel.

Bij OGC Nice, een andere voetbalclub in het Ineos-imperium naast Lausanne Sports, mislukte Brailsford alvast. Ter vergoelijking: bij Manchester staat hij ongeveer boven aan de voedselketen, Nice stond niet eens halfweg.

Man United lijkt alvast meer op Team Sky, later Ineos Grenadiers. Acht kilometer is het, over de A635, van het National Training Centre, waar hij de eerste Britse wielersuccessen uittekende, naar Old Trafford.

Brailsford hield een titel van Knight Bachelor over aan de 6 Tour-overwinningen, 8 gouden olympische medailles en 59 wereldtitels, die werden behaald in zijn periode als performance director van Team Sky en British Cycling. Zijn bijnaam Teflon Dave was dan weer het gevolg van een nooit helemaal opgehelderd dopingschandaal waarbij hij handig de dans ontsprong. Nog een geluk dat die Pogba daar al weg was toen hij (bij Juventus) werd betrapt op doping. Het ging om testosteron, hetzelfde middel dat destijds bij Team Sky onder zijn bewind door de teamdokter werd aangekocht.