Column Swiss System in De Morgen van maandag 16 september 2024

Swiss System

Morgen begint de Champions League, occasioneel gespreid over drie dagen. Daarna moet u het even in de gaten houden: soms is het om de twee weken kampioenenbal, soms zitten er drie weken tussen. Niet onbelangrijk: er zijn acht in plaats van zes speeldagen in de groepsfase en die laatste twee vallen eind januari. Het wordt wennen, op alle vlakken.

Zo zijn er niet langer 32 maar 36 teams in de Champions League. Zelfde verhaal voor de Europa League en de Conference League, die twee weken later van start gaan en nog steeds op donderdag hun ding mogen doen en wel maar zes speeldagen tellen.

De competitieopzet dan. Als u maar af en toe voetbal kijkt, alleen als Messi of Ronaldo meedoet bijvoorbeeld, dan mag u hier stoppen met lezen. Niet alleen omdat Messi en Ronaldo niet meer meedoen, maar omdat u het toch niet zult begrijpen.

Er wordt één rangschikking van 36 ploegen opgemaakt na acht (zes) speeldagen. Kan dat? Dat kan. Met het Zwitserse model, officieel het Swiss system tournament.

Het Zwitserse competitiesysteem is bedoeld om uit te komen bij een winnaar uit een grote groep deelnemers, zonder dat iedereen tegen iedereen moet spelen. Met 36 ploegen volgens het bij ons gangbare roundrobinsysteem zou je zeventig wedstrijden moeten spelen. Onbegonnen werk.

Dat format is voor het eerst toegepast in Zürich in 1895 in een schaaktoernooi, vandaar Swiss system. Het wordt ook veelvuldig gebruikt in bridge, go, scrabble, Pokémon en Rocket League. En nu dus ook in voetbal, in de drie Europese bekers. Het systeem waardoor elke ploeg acht tegenstanders (zes in de Europa en Conference League) kreeg toegewezen lijkt arbitrair en ondoorzichtig, maar is gebaseerd op een rangorde van historische resultaten.

Waarom het bestaande systeem op de schop moest, dat is duidelijk. Toeval uitsluiten, zoals een sensationele uitschakeling van een grote ploeg uit een groot land door een outsider uit een klein land.

De vroegere Europabeker voor Landskampioenen, nog voor de Champions League van start ging in 1992, was een competitie met knock-out van in het begin, directe uitschakeling voor wie zijn eerste confrontatie (uit en thuis) verloor. De Champions League kwam er omdat de UEFA enkele marketeers onder de arm had genomen om haar eigen voetbalcompetitie wat meer aanzien te geven en zodoende sponsoring te werven. Het competitieformat omvatte toen ook al een groepsfase, maar daar was niet goed over nagedacht.

Pas met de dreiging van een een afscheurcompetitie in 1998 (toen al met enkele Saudi’s en Silvio Berlusconi als drijvende kracht) kwam er een hervorming naar de zin van de topclubs. De groepsfase werd uitgebreid naar zelfs twee opeenvolgende groepen van vier en drie ploegen en, nog belangrijker, de te verdienen gelden waren niet langer geheel afhankelijk van het resultaat. Twee vliegen in één klap.

Ten eerste, hoe langer een serie wedstrijden duurt, hoe kleiner de kans op verrassingen aan het eind. Op maat dus van de grote sterke teams die, ten tweede, zich verzekerd wisten van een groot deel van hun inkomsten nog voor de eerste bal was getrapt. Het gehanteerde verdeelmodel was erg oneerlijk: rijk werd rijker.

Voor deze hernieuwde editie is dat nog flagranter: maar 37,5 procent van de 2,467 miljard euro wordt verdeeld op basis van sportieve resultaten. Van 62,5 procent weten we nu al wie die straks krijgt. Die wordt verdeeld op basis van historische resultaten en de waarde van het tv-contract in het land van herkomst. Zo krijgt Paris Saint-Germain, omdat Frankrijk veel betaalt voor de Europese rechten en er maar vier Franse ploegen meedoen, op voorhand het meeste geld van alle 36 clubs: 63,351 miljoen. Daar kan nog 83,5 miljoen bij komen, maar dan moet PSG al zijn acht wedstrijden in de ‘Zwitserse fase’ winnen, én de finale van Champions League, én daarna nog de supercup.

Die 83,5 miljoen euro ligt in theorie ook te wachten op Club Brugge als het na de Champions League ook de supercup (in Europa welteverstaan) zou winnen. Club is wel benadeeld ten opzichte van PSG want het weet zich bij de start slechts verzekerd van 37,3 miljoen.

Al is het bijwoord ‘slechts’ hier heel ongepast. De vijf andere Belgische clubs die Europees spelen in de Europa en Conference League zijn nu samen zeker van 29 miljoen euro, met Gent en Anderlecht als koploper met meer dan 6,1 miljoen.

Ook hier te lande wordt rijk steeds rijker. Het ontwrichtende effect van de Champions League op de nationale competities is al langer een item en is nu ook tot de Premier League doorgedrongen, waardoor het dit seizoen zeker op de agenda komt.

Column ‘Doorselecteren’ van zaterdag 14 september 2024 in De Morgen

Doorselecteren

Domenico Tedesco heeft ballen aan zijn lijf, zoals hij tijdens zijn veelbesproken evaluatie eind augustus opperde dat hij met het oog op het ontwikkelen van een vernieuwde kern wilde doorselecteren in de Nations League. Het idee was goed, randje fantastisch. In het besef dat de Rode Duivels nu ter plaatse trappelen, wat gelijkstaat aan achteruitgaan, wilde Tedesco een beetje georganiseerde chaos in de hoop op een nieuwe Belgische voetbalorde.

In de wetenschap dat nieuw talent het altijd moeilijk heeft om zich door te zetten in een kader van gelouterde spelers kon dat doorselecteren weleens werken. Resultaat was dan even minder belangrijk, wel kijken wie samen in het bad kon worden gegooid, wie niet zou verzuipen en vooral wie zou bovendrijven. Dat recept is al meermaals in veel ploegsporten goed uitgedraaid, maar evenveel keer desastreus geëindigd, moet je erbij vermelden.

Een risico dus en dat komend van een coach die na Euro 2024 risico-avers werd genoemd omdat hij zijn ploeg te defensief had laten voetballen. Wie dat risico-avers op het conto van de bondscoach schreef, heeft nooit een teamsport op niveau gespeeld. Het is echt niet de coach die voor de volle 100 procent verantwoordelijk is voor wat er op het veld gebeurt, ook niet die ene speler die toevallig kapitein is. Het levende en fluïde organisme, het team, bepaalt uiteindelijk hoe er wordt gespeeld, afhankelijk van hoe de individuen hun taak invullen.

Dat doorselecteren heeft Tedesco niet helemaal zelf in de hand gehad. De zelfverklaarde onderkoning van Madrid, Thibaut Courtois, selecteerde zichzelf uit de ploeg. Dat was een sof, die onmogelijk Tedesco kan worden aangerekend. Hij heeft niet geplooid voor zijn superster en wie dat als zwakte ziet kent niks van ploegdynamiek.

Na het dubbele luik tegen Israël en vooral uit tegen Frankrijk is doorselecteren meer dan ooit de boodschap. Technisch directeur Frank Vercauteren kan voor één keer zijn rol als achter- en meeloper overstijgen als hij Tedesco in zijn volgende doorgeselecteerde selectie zou steunen. Hoe die er dan moet uitzien? Geen idee, maar alvast voorlopig geen Kevin De Bruyne.

Laat deze bondscoach maar eens proberen een ander middenveld te bouwen en geef hem daartoe tijd. Het onevenwicht zonder De Bruyne zal niet groter zijn dan met hem, het zal alleen anders zijn.

Het stond hier al eens eerder, na Euro 2024: De Bruyne heeft gelijk dat de rest van de ploeg zijn niveau niet haalt en precies daarom kun je De Bruyne alles toevertrouwen, behalve die kapiteinsband. Voor die rol is hij niet geschikt.

Dat bewees hij maandagavond toen hij na een halve wedstrijd met de armen zwaaien en met zijn hoofd schudden bij Gilles De Bilde net geen namen noemde van wie dan wel in zijn ogen de schuldigen waren voor de lamentabele prestatie. Dat Doen Kapiteins Niet. En wie dat wel wil doen moet die band niet om zijn arm willen.

Wat als daar een echte journalist had gestaan die wel had doorgevraagd? Oké, dat is niet helemaal eerlijk. Allemansvriend De Bilde maakt dingen los bij voetballers. Veel kans dat De Bruyne tegenover een journalist met perskaart en keurige vragen minder loslippiger is dan tegen de ex-voetballer De Bilde (ook meer emo-speler dan een tactische kraan in zijn tijd, maar passons) die hij absoluut meewilde in zijn betoog.

Laatst stond in een verhaal van L’Équipe Magazine over De Bruyne een compleet foute aanname: “Il n’y a pas plus humble que lui sur la planète foot.” Niemand bescheidener dan hij op de planeet voetbal? De Bruyne vindt zichzelf de beste van de wereld op zijn positie. Hij ziet het beter dan wie ook en wie het anders ziet is fout. Andere meningen laat hij niet toe want die brengen hem in verwarring. Er bestaan klinische termen voor mensen met die denkpatronen, maar die doen er hier niet toe.

Feit is: De Bruyne kan een genie zijn, maar dan alleen in een goedlopend raderwerk, genre Manchester City, en zelfs daar zwaait hij met de armen en schudt hij het hoofd. Het genie en een goedlopend Belgisch raderwerk hebben elkaar gevonden in welgeteld één toernooi: het WK 2018. Op het WK 2014 en het EK 2016 was De Bruyne nog niet de wereldster. Na 2018 werd hij dat wel en werd tegelijk de ploeg rond hem steeds minder. Gevolg: gedoe.

Zonder De Bruyne zal de nieuwe ploeg sneller kunnen groeien, met hem kom je altijd weer bij zijn ongeduld uit. Pas als de Rode Duivels zonder hem op de rails staan, kun je overwegen om hem terug te halen. Als hij dan nog wil, want het genie is wel degelijk koppig.

Column Paralympische Spelen in De Morgen van maandag 9 september 2024

Paralympische Spelen

Het Belgisch paralympisch team is als twintigste land geëindigd op de Paralympische Spelen in Parijs. Dat is beter dan in Tokio drie jaar geleden. Inzake aantal medailles leverde België wel één medaille in, maar daartegenover staat dan weer dat de helft van de medailles van goud waren.

Goed dat er zeven keer goud is gewonnen, want eentje minder van die kleur en België was op de 25ste plaats geëindigd. Ook dat was nog beter geweest dan in Tokio, waar vier keer goud op vijftien medailles werd gewonnen en België daardoor pas het 31ste land werd.

De negatie van de Paralympische Spelen op dit plekje in de krant stootte een aantal lieden flink tegen de borst. “Of topsporters met een beperking die het bovendien beter doen dan de olympiërs zonder beperking niet evenveel aandacht verdienen?”, probeerde iemand.

Antwoord: …eeuh, ja en neen, niet allemaal, niet altijd en niet overal. Paralympiërs en olympiërs doen hun ding in dezelfde stad, en nogal wat disciplines lijken op elkaar, maar elke andere vergelijking raakt kant noch wal.

Neem nu de podia. In Parijs deden 10.714 atleten mee op de Olympische Spelen en die konden 1.044 medailles winnen. Op de Paralympische Spelen doen ongeveer 4.400 atleten mee en voor hen liggen 1.668 medailles klaar.

Olympische Spelen kunnen verwarrend zijn met die meer dan dertig sporten. De Paralympische Spelen hebben er dan wel slechts 22, maar de opdeling in classificaties maakt van de Paralympische Spelen een warboel waar een kat haar jongen niet meer in terugvindt.

Sommige paralympische competities zijn echt topsport, andere minder en nog andere ontstijgen nauwelijks de bezigheidstherapie. Om de goede vrede te bewaren worden die hier niet benoemd, maar weet dat ook in de paralympische wereld die discussie wordt gevoerd.

Léa Bayekula, die twee keer goud won in haar wheeler op de 100 en 400 meter in de klasse T54, maakte van haar triomf gebruik om meer aandacht te eisen voor de paralympische sport en gooide er ook maar meteen achteraan dat er geen opdeling mag zijn tussen atleten met en atleten zonder beperking.

Het is een grove misvatting dat topsport en haar grootste toneel, de Olympische Spelen, inclusief zouden moeten zijn. Topsport is juist exclusief. Het is een zoektocht naar de Vitruviusman in elke sport.

Met die ene uitzondering. Ten behoeve van die hele grote categorie van de wereldbevolking die hormonaal anders is uitgerust – de biologische vrouw – is 150 jaar geleden begonnen met vrouwensport. Nog meer categorieën inrichten op de Olympische Spelen – trans mensen, atleten met een afwijkende geslachtsontwikkeling of met beperkingen – is praktisch onmogelijk.

Bovendien zijn de Paralympische Spelen als speeltuin van rijke (vooral Westerse) landen en landen met een staatsgestuurde topsport zelf wellicht het meest exclusieve mondiale sportevent. Delegaties uit Sub- Saharalanden – Zuid-Afrika uitgezonderd – bestaan uit één of twee atleten en die komen echt niet uit de sloppen van Ouagadougou of Kinshasa. Zelfs in de rijke landen is de paralympische sport een voorrecht voor enkelingen die toevallig de weg hebben gevonden. In Oekraïne, als zevende land geëindigd in Parijs, hebben ze dan weer sinds 2014 een nieuw blik talent opengetrokken, mede met dank aan Poetin.

Het is ook een grove misvatting dat meer paralympische sport in de media de spektakelwaarde en dus de interesse zou verhogen. Léa Bayakula doet haar ding in de klasse T54. Belgiës beste wheeler Peter Genyn dan weer in de klasse T51. Beiden hebben een verlamming, maar die van Léa is minder erg dan die van Peter.

T51 en T54 zijn maar twee klasses van de negenentwintig (29!) honderdmetercompetities op deze Paralympische Spelen. In het zwemmen zijn er dan weer achtentwintig 100-meterfinales. Dat krijg je nooit uitgelegd, en nog minder als je mensen met één been ziet zwemmen tegen mensen met twee benen.

Nog een fenomeen waar het grote publiek (en de media) op afhaken, is de aard van de beperking en hoe die wordt geclassificeerd. Hoort amazone Michèle George, die opnieuw twee keer goud won in de dressuur, na haar zevende goud nog steeds thuis op de Paralympische Spelen? Ze heeft een verlamming gehad aan één been, en revalideerde zo vastberaden dat er nauwelijks nog iets merkbaar is. Ooit sprong ze bij een medailleuitreiking vanop de grond meteen op het hoogste schavotje van het podium.

Idem voor tafeltennisser Laurens Devos, die een eenzijdige verlamming heeft, maar op 24-jarige leeftijd al drie keer paralympisch goud won. Ook hij sprong na zijn derde goud vlotjes op de tafel. Hij gaat nu proberen om de Olympische Spelen te halen in Los Angeles.

Column Vallen en Opstaan in De Morgen van zaterdag 7 september 2024

Vallen en opstaan

Wout van Aert zien we dit jaar niet meer op de weg. Wellicht nog wel eens, of meer dan eens, in zijn eerste speeltuin, het veld. Ook dat is niet zeker. Geen Europees kampioenschap en ook geen wereldkampioenschap op de weg noch op gravel voor Belgiës nummer twee. Een sof, in de eerste plaats voor de renner en voor de Belgische wielerliefhebber.

Wat de nummer één daar echt van denkt, is misschien niet wat hij erover zei. Enerzijds wordt Remco Evenepoel nu de enige kopman in de sowieso erg sterke nationale ploeg. Anderzijds mist hij de bliksemafleider Van Aert waar iedereen naar keek, waarna Evenepoel het zaakje kon afmaken. Te zijner verschoning, zijn wereldtitel in Australië kwam er na een ander scenario. Toen wist hij: ik moet hier zo snel mogelijk wegraken of we houden de boel gesloten voor Wout.

Het forfait van concurrent Van Aert is dus een mes dat aan twee kanten snijdt. Voor de Belgen is er duidelijkheid: allen voor Remco (of doen alsof). Voor de tegenstand is het makkelijk: laat de andere Belgen maar rijden en hou alleen die kleine met zijn grote mond in de gaten.

Of Van Aert klaar had kunnen zijn voor dat WK op de weg, dat weten alleen hij en zijn behandelende arts. Die hebben we niet gehoord. Wel ongeveer alle artsen die hem niet behandelen. Die zeggen dan ook: ik kan mij niet uitspreken over die specifieke blessure, maar… Gevolgd door een hele uitleg die elke vijfdejaars in de geneeskunde ook kan verzinnen. Een beter antwoord had kunnen zijn: u hoeft mij niet te bellen, ik heb ook maar gezien dat hij niet meer verder kon en dat hij bloedde. Hoezeer dat essentiële gewricht heeft geleden, daarvoor moet u in Herentals zijn. Wilt u het nummer?

Ervan uitgaand dat het EK te vroeg kwam, blijft de vraag: had Van Aert klaar kunnen zijn voor het WK op de weg? Dat weten we dus niet, maar dat deed er misschien niet meer toe. Wil hij wel klaar zijn om aan 95 procent bliksemafleider te spelen voor Evenepoel op een parcours waar hij het normaal zou moeten afleggen tegen de betere klimmers en waar hij nu met een inderhaast opgelapte knie helemaal kansloos is?

Hij kent het antwoord, maar het zou niet verbazen als hij die nacht in dat hotel in Spanje zijn gedachten al had geordend in de richting van een break. Een keertje je eigen verjaardag ongehinderd kunnen vieren met familie en vrienden, ook dat kun je meenemen in de overwegingen.

De val van dinsdag is door ooggetuigen omschreven als een rare val. “A bizarre crash”, zei Jay Vine. Waarmee hij tussen de regels aangaf dat die niet nodig was want het meest technische en gevaarlijke stuk van de afdaling was achter de rug. In hoever de Collada Llomeda in de Picos de Europa een voetnoot dan wel een heel hoofdstuk wordt in de Belgische wielergeschiedenis moet nog blijken.

Volgens de volgers van het peloton is het Van Aerts tiende val van het jaar. Die eerste twee zonder erg (in de cross in Benidorm over de balkjes en drie weken later in de Algarve in een monstercrash) zou je nog kunnen schrappen. Die andere acht, zit daar een patroon achter?

Of de olifant in de kamer: valt Van Aert niet te veel en vooral te snel? Met andere woorden: is hij te veel waaghals volgens zijn stuurkunsten? Aan zijn meer dan bovengemiddelde stuurkunsten moet niet worden getwijfeld, anders wint hij niet zoveel crossen. Maar goede stuurkunsten moeten in verhouding staan tot aanvaard risico en zijn collega Mathieu van der Poel gaat ook weleens onderuit op een plek en een manier waarvan je denkt: was dat nu nodig?

Het enige patroon dat je kunt herkennen in de meeste van die crashes is gretigheid. Neem de horrorcrash van 2019 in de Tour de France: slecht opgestelde hekken, dat wel, maar Van Aert draait als enige te kort de bocht in en blijft haperen, met een carrièrebedreigende blessure als gevolg.

Pech wordt dan gezegd, maar pech is vaak het fenomeen dat zich pas manifesteert als je zelf eerst de voorwaarden daartoe hebt gecreëerd. De val in het gootje van de Paterberg in de E3 Classic dit jaar: pech of eigen schuld dat je niet zit waar je moet zitten? Dwars door Vlaanderen: pech of te dicht op het wiel van Tiesj Benoot gereden? In de Tour dit jaar: te gretig in een bocht en vallen. Op de Olympische Spelen: te gretig in een bocht en vallen. Die laatste val: te dicht in de afdaling op Felix Engelhardt en zeer hard vallen. Einde seizoen.

Fysiek valt de blessure mee, zo wordt gemeld. De schade die de Collada Llomeda heeft aangericht tussen de oren van de renner die inmiddels beseft dat hij net iets meer valt dan normaal, dat is een ander probleem.

Column Ontluizing in De Morgen van maandag 2 september 2024

Ontluizing

Er hadden negentig AIN moeten deelnemen aan de Paralympische Spelen van Parijs.

Voor eens en voor altijd: het zijn de Paralympische Spelen of Paralympic Games. De Paralympics, in tegenstelling tot de ‘echte’ Olympics, bestaan niet. De band tussen beide is zo goed als onbestaand, wat men u ook wijsmaakt tijdens openings- en sluitingsceremonies. De relatie is zelfs koeler dan ooit, maar dat is voor een andere keer.

AIN staat voor athlètes individuels neutres, Russen en Wit-Russen die niks te maken hebben met de oorlog, nooit openlijk hun steun hebben toegezegd aan Poetin en goed genoeg zijn in hun sport om deel te nemen. Negentig is veel. Bij de Olympische Spelen waren de AIN met 32, meer Wit-Russen (17) dan Russen (15) overigens.

Er zijn dus niet alleen meer dode dan levende Russen – zoals te lezen viel in Zeno – of althans meer dode dan we denken, blijkbaar is er ook een overaanbod van Russen met een beperking. Niet helemaal duidelijk of dat te verklaren is door die inmiddels tien jaar speciale operaties in Oekraïne, maar het is bekend dat een flinke oorlog in de jaren nadien merkbaar is in het deelnemersveld.

Oorlog is trouwens de origine van de Paralympische Spelen. De Stoke Mandeville Games in 1948, een idee van de in 1933 gevluchte Duits-Joodse neuroloog Ludwig Guttman, waren bedoeld om de mensen met paraplegie van de Tweede Wereldoorlog te laten sporten. Ze hadden het beter bij paraplegen gehouden in plaats van het allegaartje aan classificaties van vandaag, maar ook dat is voor een andere keer.

De AIN op de Paralympische Spelen doen het beter dan de AIN op de Olympische Spelen. Bij het ter perse gaan stonden ze derde in de medailletabel met 26 medailles.

Die negentig zijn er niet allemaal geraakt. Vorige week is twee paralympiërs uit Rusland een visum geweigerd door de Franse autoriteiten, tot ergernis van de Russen. Vreemd is dat, want de Russische olympiërs die toch afreisden naar Parijs worden sindsdien door de hardliners onder de Russische politici onder vuur genomen voor hun neutrale houding. Die waren dan ook niet te best op dreef, misschien ligt het daaraan.

Van de vijf medailles die de neutralen wonnen was er één voor Rusland. Mirra Andreeva en Diana Shnaider verloren de dubbelfinale in het tennis. Goed dus dat die Spelen niet te zien waren in Rusland. Andreeva woont in Cannes en Shnaider studeert aan North Carolina State. Houden zo, dames.

Rusland is niet het enige land dat moeilijk doet over zijn al of niet terugreizende olympiërs. Hongkong won twee keer goud in het schermen. Cheung Ka-long, die al in Tokio voor de enige titel zorgde voor Hongkong, pakte opnieuw goud. Hij is een voorvechter voor een democratisch Hongkong en steunt openlijk de activistische zangeres Denise Ho.

Zijn schermcollega Vivian Kong, ook goud gewonnen, is dan weer pro China. Zij studeerde aan de Renmin-universiteit in Peking en schreef haar thesis over de weldaden van het één land/twee systemenmodel. Ze werd uitgespuwd op de sociale media.

China hield zich tijdens de Spelen actief bezig met het opsporen van Hongkongers die haar aanvielen en Cheung bewierookten, maar ook van zij die zich hadden verkneukeld in de dubbele val van de Chinese gymnast Su Weide in de allroundfinale, wat China het goud kostte.

Geen enkel land bakt het evenwel zo bruin als Noord-Korea als het gaat om vervelend doen tegen atleten die terugkeren naar hun land na al of niet succesvolle Spelen. Niet duidelijk of u dat mee hebt gekregen in al het onnozele gehype van Sporza, maar er was wat aan de hand na de tafeltennisfinale in het gemengd dubbel.

Ri Yong-sik en Kim Kum-yong uit Noord-Korea (afgekort PRK) hadden met 4-2 verloren van het Chinese paar en bij de medailleceremonie achteraf gingen ze maar wat graag op de foto met het hele podium. Probleempje: de nummers drie waren het paar uit Zuid-Korea en laat KOR nu toevallig de aartsvijand zijn van PRK. De selfie was al genoeg om de alarmbellen te laten afgaan, maar dat Ri en Kim volgens officiële rapporten glimlachten naar atleten van andere landen, Zuid-Koreanen inbegrepen, is een serieuze inbreuk op de gedragscode van Noord-Korea.

Besmetting door buitenlandse invloeden moet te allen prijze worden vermeden. De tafeltennissers zullen worden onderworpen aan een ontluizing in drie ronden, met een ideologische schrobbeurt als uiteindelijk doel. Niet duidelijk of dat al achter de rug is, evenmin of we Ri en Kim ooit nog zullen zien, laat staan op het WK volgend jaar in Doha.

Column De CEO in De Morgen van zaterdag 31 augustus 2024

DE CEO

De basisregels voor een aanstaande CEO van een sportbond, aangeboden door uw ervaringsdeskundige.

Regel 1: zet uw ego opzij, DOE HET NIET!

Regel 2: als uw ego te groot is, zie regels 3 en verder.

Regel 3: u heeft in uw nieuwe organisatie geen medestanders, laat staan vrienden.

Regel 4: spreek met elk personeelslid en met elke bestuurder maar weet dat zij overleven door nooit het achterste van hun tong te laten zien.

Regel 5: besef dat een sportbond meer lijkt op een politieke partij dan een bedrijf. Uw vijanden van morgen staan vandaag het dichtst bij u.

Regel 6: voortvloeiend uit regel 5. U bent eeuwige trouw verschuldigd aan wie u heeft aangesteld/gevraagd, ook al blijkt die misschien een corrupte stoethaspel.

Regel 7: om te anticiperen, is het goed om alle belangen in kaart te brengen en ernaar te handelen.

Regel 8: hoe zwaar het u ook valt, laat uw minachting voor die treurige spelletjes en bekrompen belangen nooit blijken.

Regel 9: roep de hypocriet in u op, vergeet de sympathie voor uw beter personeel en kies altijd de kant van de bestuurders, hoe hol en vooringenomen die ook zijn.

Regel 10: verbaas u te zijner tijd niet dat uitgerekend de minkukels in en rond uw organisatie u zullen doen struikelen.

Piet Vandendriessche hoefde niet zo nodig nog iets. Hij wilde een rol met maatschappelijk belang opnemen. Dat is begrijpelijk na jaren met zijn Deloitte bedrijven te hebben afgezet met veel te hoge facturen voor diensten waarvan ze later beseffen dat ze die zelf beter en goedkoper hadden kunnen doen. (Dat laatste geldt ook voor de andere leden van ‘the big four’.)

De ex-CEO van de Koninklijke Belgische Voetbalbond is er alvast niet al te beschadigd uitgekomen. Natuurlijk is hij nijdig dat hij er toch is ingetuind, maar dat zal slijten en al snel zal hij opgelucht zijn. Wanneer had hij voor het eerst door dat niet het grote belang telt – zoals van de voetbalwereld een grote sportieve, waardegestuurde beweging maken – maar wel hoe al die ego’s van het voetbal konden worden gemasseerd?

Behalve tegen alle tien de regels zondigen die hierboven staan, heeft hij nog een fout gemaakt: de vleugels tegen zich in het harnas jagen. Hij had beter moeten weten. De put van 6 miljoen euro waarvoor Voetbal Vlaanderen en de Franstalige tegenhanger zogezegd verantwoordelijk zijn, gaat in wezen om taken die vroeger bij de voetbalbond lagen en die op het bordje van de vleugels terecht zijn gekomen.

Zijn vraag om de bondsbijdragen te verhogen om die put te dempen, viel op een koude steen. Regel 11: als de kleintjes schouder aan schouder gaan staan, pas op je tellen want als ze combines vormen met de groten, ben je verloren. Precies wat is gebeurd.

Die bestuurders van de voetbalbond moeten voor wat hierna komt toch eens nadenken en dan hebben we het niet over die vier die door de Profliga zijn afgevaardigd want die weten wat ze willen en vooral wie ze willen bij de bond en dat is Vincent Mannaert.

Door niet zomaar Mannaert en zijn oekazes binnen te willen halen, ging Vandendriessche in tegen Wouter Vandenhaute en co. Je zou dat een foute en tegelijk een goede inschatting kunnen noemen want Vandenhaute en Mannaert zijn twee handen op één buik, twee mannetjes die de bond naar hun hand willen zetten.

‘Wil je Mannaert dan dood?’ Dat vroeg een bezorgde lezer, nadat ik eerder deze week bezwaar had gemaakt met betrekking tot zijn profiel van drinkebroer. Helemaal niet, ik heb hem zelfs ooit beterschap gewenst omdat hij een zeer gedegen clubmanager was. Dat is hij nog steeds, maar nu wel even zonder club.

De KBVB-bestuurders zouden moeten beseffen dat er een verschil is tussen een nationale voetbalbond en een club. Een nationale sportbond die – wat is het? – 400.000 vooral niet profvoetballers en voetballertjes (v/m/x) overkoepelt, is deels gestuurd door waarden en normen. Een profclub is een bedrijf in privéhanden, een vehikel om mensen te verhandelen en daar winst mee te maken. Zoek daar de waarden en normen.

Een profiel als dat van Vincent Mannaert slaat voor een koepelfederatie als een tang op een varken. Niet alleen is hij meermaals veroordeeld voor dronkenschap, bovendien zat hij tot over zijn oren (in totaal voor 2,4 miljoen euro) in de witwaszaak rond spelersmakelaar Dejan Veljkovic. Die mocht onder meer 1,5 miljoen euro factureren aan Cyprus voor ‘scoutingopdrachten’.

Mannaert werd aangeklaagd, heeft geschikt, heeft dus betaald, heeft dus bekend. Mag die dan niks meer nadien? Natuurlijk wel, maar misschien is de voetbalbond niet onmiddellijk de meest geschikte plek voor iemand met zijn rugzak.

Column Marktplaats.be in De Morgen van maandag 26 augustus 2024

Marktplaats.be

We lezen voor uit de sportkaternen van dit weekend, de koppen volstaan om te begrijpen waar het over gaat.

…Bijna witte rook voor Lukaku (die aan Napoli moet worden verkocht)

…Puertas op weg naar promovendus in Saudi-Arabië

…Torino meldt zich voor Cuesta

…El Khannouss zet zinnen op Premier League

…Eriksen naar Anderlecht wordt aartsmoeilijk

…Goudhaantje Mandela Keita wacht op zijn transfer

…Transfer Hong van Gent naar Trabzon sleept aan

…Standard vangt 5 miljoen voor Ngoy

Andere verhalen gaan over Club Brugge en zijn CEO die hebben opgetreden tegen neofascistische ‘enkelingen’ onder hun supporters. Of over de problemen bij de voetbalbond, zoals de late evaluatie van de bondscoach en de financiën. Of over diezelfde bondscoach onder wie de Primadonna van Madrid, aka Courtois, niet meer wil spelen.

Ook een niet onbelangrijk verhaal over het uitstellen van twee wedstrijden met daarin drie Belgische clubs die volgende week hun Europese deelnames aan de groepfases van de kneusjescups willen veiligstellen en vooral welke problemen dat zal geven in een overvolle kalender.

Verder een verhaal over die nieuwe Oostendse fata morgana KV Diksmuide Oostende van Karl Vannieuwkerke, die wel zegt waar het op staat: “Om eerlijk te zijn vind ik het voetbal in 1A en 1B commercie: kopen, verkopen, geld verdienen.”

Echte voetbalverhalen? Iets over Noah Sadiki (die naar het buitenland zou kunnen, dus ook handel…). Jan Van den Bergh die in Nederland speelt en iets aan zijn hoofd had en Carl Hoefkens die in Nederland trainer is (van Van den Bergh) en niks in zijn hoofd heeft, zo wordt gezegd.

Nog goed dat er andere sport in de katernen staat en dat die echt over winnen of verliezen gaat. Vannieuwkerke heeft gelijk. Voetbal in België is marktplaats.be, kopen en verkopen, import en export.

Tot zaterdagnamiddag zijn volgens de website transfermarkt.be uit de zestien 1A-clubs van de Jupiler Pro League 189 spelers vertrokken en daarvoor zijn er 178 in de plaats gekomen. In totaal zijn deze zomermercato alleen al 367 spelersbewegingen (in of out) genoteerd bij de zestien topclubs. 138 of meer dan een derde van die bewegingen waren/zijn huurconstructies tussen clubs, het voetbalequivalent van koppelbazerij.

Dat is de stand van zaken op 24 augustus en we hebben nog tot 6 september. Deze handel in voetballende mensen zorgt voor een voorlopig positieve handelsbalans van dik 132 miljoen euro, of zo’n 8,3 miljoen gemiddeld per 1A-club.

Met gemiddeldes moet men evenwel oppassen. Op één staat Genk met 35,65 miljoen euro aan winst en dan moet Bilal El Khannouss nog worden verkocht voor een miljoen of veertig. Club Brugge is tweede met 28,5 miljoen euro aan overschot en dat ondanks de extreme waardevermindering die ze hebben geboekt op Jaremtsjoek. Gekocht voor 17 miljoen euro in 2021 en verkocht voor 2 miljoen deze zomer. Een kemel van formaat maar de Club-kas kan dat hebben.

Negatieve handelsbalansen zijn er voorlopig voor Union dat een miljoentje meer uitgaf dan het binnenkreeg en voor Westerlo dat in evenwicht was tot het Madsen wegdeed voor 3,75 miljoen en Bayram bij Galatasaray haalde voor 4 miljoen.

AA Gent staat er op papier het slechtst voor, met 6,8 miljoen in de min. Vorig seizoen verkocht het wel ongeveer iedereen die een doelpunt kon maken, miste daardoor play-off 1, maar hield er wel een positief saldo van bijna 36 miljoen aan over. Een gedeelte daarvan werd gebruikt om de schuldenberg af te lossen, een ander deel moet dienen om de kern te versterken en tegelijk nog wat meer mensen naar het voorlopig halflege stadion te lokken.

AA Gent is een apart geval. Ze willen het daar anders aanpakken en dat zie je nu al. Amper dertien inkomende en uitgaande transfers voorlopig. Dat staat in schril contrast met de gemiddeld 52 spelersbewegingen per seizoen sinds de titel in 2015. Anderlecht heeft er ook nog maar twaalf, maar Club Brugge bijvoorbeeld 28.

Interessant experiment om volgen, als ze dit kunnen volhouden tenminste. Stabiliteit is de kern van elk succes in teamsport, maar daartegenover staat de economische realiteit dat het Belgisch profvoetbal aan het infuus van de transferinkomsten hangt.

Niks mag die mensenhandel in de weg staan en daarom begint de Jupiler Pro League met veel te veel wedstrijden zes weken vroeger dan het einde van de mercato. Daarom ook moeten teams die hun Europese inkomsten willen veiligstellen hun belangrijkste duels winnen uitgerekend in de maand dat hun personeelsbestand alle kanten opschiet.

Column De Zondaar in De Morgen van zaterdag 24 augustus 2024

De Zondaar

Toepasselijke namen, ze zijn niet altijd even toepasselijk. Neem nu de tennisspeler Jannik Sinner. Sinner’s sin, de zonde van Sinner, je ziet het zo al voor je in de Amerikaanse media. Voor wie een beetje weinig sport heeft gevolgd deze week: Sinner betekent zondaar en die Jannik Sinner, de nummer één van het moment, heeft een zonde begaan.

Tot twee keer toe is tijdens het toernooi van Indian Wells in zijn urine het spierversterkende middel clostebol gevonden in erg lage hoeveelheden. Hij kreeg geen straf, omdat hij met een aanvaardbare uitleg kwam. Zijn masseur had bij zichzelf een zalfje met clostebol gebruikt op een wonde en hem daarna gemasseerd.

De masseur is op dat toernooi gefotografeerd met een verband om de duim. De masseur had een bonnetje van de aankoop van de zalf. En Sinner lijdt aan de huidziekte psoriasis, waardoor het clostebol makkelijker in zijn systeem kwam.

Maandag begint Sinner aan de US Open en dat wordt daar nog een dingetje. John McEnroe reageerde in bewoordingen als ‘shocking’ en ‘bombshell news’. De niet altijd prettig gestoorde Nick Kyrgios vond het een schande dat hij geen vier jaar straf kreeg.

Het zou handig zijn als iedereen met een mening over dit dossier ook het hele dossier zou hebben gelezen. Het is maar 33 pagina’s en je kunt het inmiddels vinden op de site van ITIA. Wie het leest, zal begrijpen dat hier geen speld valt te tussen te krijgen. Sinner is terecht vrijgesproken. Zijn dossier is onderzocht door drie onafhankelijke experts, twee aangeduid door de internationale tennisbond en één door Sinner zelf.

De drie experts zijn of waren directeurs van een WADA-antidopinglab. Unaniem kwamen ze met de conclusie: de uitleg is consistent met het afwijkende analyseresultaat. Daarop hebben drie rechters van het arbitragetribunaal van de internationale tennisbond ook unaniem de experts gevolgd. Dat heet gerechtigheid.

Uiteraard zou Sinner clostebol systemisch kunnen hebben gebruikt in de wetenschap dat hij achteraf met die uitleg van contaminatie via huid kon komen. Alleen moet doping ook beantwoorden aan een zekere logica.

In tijd bijvoorbeeld: waarom zou Sinner tijdens of voor het toernooi van Indian Wells plots clostebol gebruiken? Dat slaat nergens op.

In kwantiteit: het gaat om erg minimale hoeveelheden die het lab moet rapporteren. Die zouden sporen kunnen zijn van een vroegere kuur, maar geen enkele andere van zijn dopingtests tussen maart 2023 en april 2024 – hij onderging er twaalf – hebben sporen van verboden substanties opgeleverd.

En dan het product: er is op de markt van de spierversterkers performanter en minder makkelijk opspoorbaar spul dan clostebol.

Jawel, vooral de Italianen zijn hardleers wat clostebol betreft, een middel dat daar vrij in de apotheek beschikbaar is in een zalf. De vraag is dan of we de carrière van een profsporter die van niks wist on hold moeten zetten voor de hardleersheid van een derde? Is dat de gerechtigheid die we willen in dopingzaken?

Uiteraard is hier klassenjustitie in het spel, maar dan in de twee richtingen. Sinner is meer zondaar als nummer één dan als nummer tweehonderd. Tegelijk is voor Sinner de kostprijs van een dure advocaat het equivalent van een eerste ronde overleven in een achteraftoernooitje.

In de dopingbepalingen (TADP) van de internationale tennisbond staat voor een product als clostebol een tarief van vier jaar. Tenzij er geen intentioneel gebruik en ook geen onzorgvuldigheid in het spel is. Dan wordt het twee jaar.

Artikel 10.5 van de TADP spreekt ook van geen straf, maar alleen als kan worden aangetoond dat de atleet in kwestie nooit op enige manier kon weten of hij in aanraking kwam met een middel, uiterste zorgvuldigheid in dat verband heeft nagestreefd en tegelijk wel kan bewijzen hoe het in zijn systeem is terecht gekomen.

Sinner is daar samen met zijn dure advocaat in geslaagd. Therese Johaug bijvoorbeeld niet. Zij was de (latere) viervoudige olympisch kampioene langlaufen die in 2016 werd betrapt op clostebol. Haar uitleg: ik heb Trofodermin (zelfde zalfje als Sinner) gebruikt voor mijn verbrande lippen en ik heb niet gekeken naar de verpakking (waarop staat dat het doping is). Johaug kreeg een gereduceerd tarief van achttien maanden omdat ze niet ‘uiterst zorgvuldig’ was.

Het valt nu te bezien hoe het wereldantidopingagentschap WADA reageert. Dat is de enige instantie die in beroep kan gaan tegen de vrijspraak. Laat die nu net onder vuur liggen, vooral dan in de VS waar Sinner maandag begint te tennissen, voor een ander geval uit 2021 van vrijspraak na contaminaties bij de Chinese zwemploeg.

Column Spektakel (v.) in De Morgen van maandag 19 augustus 2024

Spektakel (v.)

Mijn kennismaking met vrouwenwielrennen dateert van 2011. Toen arriveerde een bedeesde tiener op de Topsportschool in Gent. Dat was Lotte Kopecky. Ze reed rondjes op de wielerbaan en af en toe buiten op de weg, samen met de jongste jongens en een paar keer met de algemeen directeur van Wielerbond Vlaanderen in het peloton. Die laatste, dat was ik in een vorig leven. Kopecky, die reed gewoon mee en zweeg.

Vrouwenwielrennen en de promotie ervan stond hoog op de prioriteitenlijst. Meer en meer vrouwen waren op koersfietsen gesignaleerd en ze reden steeds sneller, maar dat vertaalde zich niet in meer wedstrijden of meer belangstelling voor vrouwenwielrennen.

Op een zaterdag stond ik ergens in de Vlaamse Ardennen aan een café waar een vrouwenwedstrijd – ik meen een Vlaams kampioenschap – rondjes draaide. Ik noteerde: vrouwenkoers, Niet Om Aan Te Zien.

Elke ronde passeerde een grote groep, breed uitgesmeerd over de weg. Op de derde rij waren ze aan het keuvelen. Op de vierde aan het breien. Hellingen genoeg, maar geen ontsnappingen, ook geen afvallingskoers. Gewoon rondjes draaien en iedereen welkom om eraan te blijven hangen. Na x aantal rondjes kwam een groepje naar de meet. Dat had de rest gelost op een bultje en sprintte vóór het café voor de overwinning.

Maandag hadden we stafmeeting of zoiets en ik vroeg aan de technici van onze bond wat ik had gezien. “Vrouwenwielrennen”, luidde het antwoord. “Ze durven niet te koersen, ze smijten zich niet, bang om dood te gaan. Maar dat is aan het veranderen onder impuls van de Hollandse vrouwen.”

“Juist, Leontien van Moorsel,” opperde ik, “heb ik nog geïnterviewd in mijn Hollandse jaren.”

Neen, was het antwoord. Marianne Vos is het grote voorbeeld.

Vos is nog steeds een voorbeeld, Annemiek van Vleuten was dat ook maar die is gestopt, Kopecky is nu de evenknie van wie dan ook in de wereldtop, en er wordt gekoerst. Vrouwenwielrennen is even spannend als mannenwielrennen en dus even spectaculair. Gisteren in de Tour de France Femmes viel Demi Vollering aan op 53,7 kilometer van de aankomst, op de Glandon en met nog een beklimming van Alpe d’Huez als dessert. Het was spektakel à la Pogacar. Het werd een ouderwets slagveld.

Vrouwenwielrennen is niet zoals vrouwenvoetbal. Het mag trager gaan, je ziet het niet. Zolang er maar wordt gekoerst en gisteren is volop gekoerst.

Vollering reed bijna anderhalve minuut bij elkaar op de Glandon, maar zag dat herleid tot 35 seconden. Gele trui Katarzyna Niewiadoma kwam dichter, maar toen begonnen ze aan de alp. Seconde na seconde moest ze inleveren en na vijf kilometer klimmen reed Vollering in het geel, op voorwaarde dat ze Pauliena Rooijakkers nog zou kunnen lossen.

Waarna het weer omsloeg. Seconde na seconde kwam Niewiadoma dichterbij, maar toen had Vollering nog een laatste gruwelijk snelle kilometer in de benen en zag Niewiadoma haar boniseconden ultiem nog afgepakt, waardoor het een secondespel werd.

Vier seconden scheelde het voor een gele trui. Vollering was ontroostbaar, Niewiadoma steeg op naar een wolk. De spannendste wielerwedstrijd, misschien wel spannendste sport van het jaar was de Tour de France Femmes.

Bijkomstig voordeel van vrouwenwielrennen zijn de interviews voor de start van de etappe of nadien. Jarenlang hebben die vrouwen in de relatieve anonimiteit hun ding gedaan. De eerste keer dat een journalist aan hun campertje verscheen schrokken ze zich een hoedje.

Leontien was de eerste die journalisten tegen de gilet trok. Met teksten over haar twijfels, depressies, eetstoornissen en ten slotte met prestaties zoals haar drie keer goud in Sydney 2000.

Het zijn allemaal Leontiens. Heerlijk moet het zijn als journalist om iemand voor je microfoon/bandje te krijgen die dankbaar is dat je hen de aandacht schenkt die ze verdienen en die ook op alle vragen antwoordt.

De smiley-trui voor de beste interviews gaat zonder enige discussie naar Justine Ghekiere. Ze was het brede publiek al opgevallen in Parijs toen ze zich uit de naad reed voor Kopecky. Dat vond ze genoeg reden om een paar nachten stevig door te feesten tot de ploegleiding haar naar de Tour sommeerde. Ze maakte van de nood een deugd en ging voor de bollentrui voor beste klimmer. Die had ze dit jaar al gepakt in de Giro. Gisteren was ze half koers zeker van eindwinst in dat nevenklassement. Haar uitleg, haar teksten, haar interviews kortom; lesmateriaal voor hoe je de interviewers en het publiek moet inpakken. Van Ghekiere word je op slag blij. Heeft die vrouw een supportersclub? Ik wil lid worden.

Column Na de euforie (van de OS) in De Morgen van zaterdag 17 augustus 2024

Na de euforie

.. Na de tien medailles van de Olympische Spelen is het een goed idee om met onze beide voetjes terug op de grond te komen, straks. Eerst nog wat verder surfen op de golf van olympisch enthousiasme.

We zijn in de officiële stand 25ste geëindigd op 84 landen/regio’s die een medaille hebben gewonnen. Dat is volgens de telling ‘goud eerst’. Nemen we het totaal aantal medailles – tien dus – dan eindigen we 21ste.

Ten slotte is er de NCAA-telmethode, ontwikkeld door de koepelorganisatie van de universitaire sport in de VS. Die is interessant voor ons, want ze geeft punten aan één tot acht. Daarin eindigen we zowaar 19de. Afgezet tegenover onze economie (22ste) boksen we in deze stand boven ons gewicht.

Hoe we ook rekenen, we moeten ons nu al zorgen beginnen maken voor over vier jaar. Alles wijst erop dat de zeven medailles van Tokio en de tien van Parijs toe te schrijven zijn aan een generationeel effect. Aan toeval, met andere woorden.

De meeste medaillewinnaars van Parijs kunnen mee tot Los Angeles, op Bashir Abdi en Nafi Thiam na, al weet je met haar nooit. Bij de anderen staan ook levensgrote vraagtekens. Blijft dat taekwondo voor Sarah Chaari te combineren met die doktersstudies? Hebben Remco Evenepoel en Wout van Aert goesting in een derde Olympische Spelen helemaal over de plas naar de andere kant van de VS? Zelfde vraag voor Lotte Kopecky. En voor Fabio Van den Bossche en andere baanwielrenners moeten we vooral hopen dat ze geen wegrenner worden.

Bij de topachtplaatsen, onder wie geen jong volk, is de spoeling pas dun. Van de teams lijken alleen de Red Panthers in het hockey in een opwaartse spiraal te zitten. De Red Lions moeten herbronnen en voor de Belgian Cats was Parijs het nu-of-nooitmoment en zij moeten verjongen.

Er is ook goed nieuws. Topsport is een van de weinige Vlaamse domeinen waarin serieus is geïnvesteerd de voorbije jaren. Een klein bedrag van een aantal miljoenen maakt al een heel verschil. De topsportcultuur is verbeterd. De investeringsbereidheid van de atleten is groter dan ooit. De coaches zijn beter en worden beter behandeld.

Jammer, maar dat zal niet volstaan om in een kleine markt als België/Vlaanderen een gestage aanvoer van medaillewaardige atleten te garanderen. Neen, wij blijven afhankelijk van toeval. Onze sportbasis is meestal niet in staat om uit een steeds kleiner aanbod (sedentarisme!) die schaarse talenten te vinden en die de kans te geven zich te ontplooien.

De structurele manco’s zijn al langer bekend.

Wij hebben 17.000 sportclubs voor 6,8 miljoen inwoners. Nederland heeft voor 18 miljoen inwoners 25.000 sportclubs, met een iets grotere sportparticipatie. Onze clubs zijn te klein, te weinig professioneel en drijven op de goede wil van benevolen. Een standbeeld voor die mensen, maar zo is het Vlaamse clublandschap meer recreatie dan sport, laat staan topsport.

Alleen wielrennen ontsnapt aan die wetmatigheid, omdat de jonge wielrennertjes hier aan de bomen groeien. Zelfs daar moet je vaststellen dat meer dan wie, welke club of bond ook, Remco Evenepoel vooral zichzelf heeft opgeleid.

Uit dat recreatief landschap van die vele clubjes wordt vervolgens het bestuurlijk ‘talent’ voor de bonden gerekruteerd. Hoe hoog de bestuurder in de bonden geraakt wordt niet bepaald door kwaliteit, wel door diens tijd en ego.

Ten slotte kan her en der ook wat vet van de soep. Neem nu de problematiek van de nationale koepelbonden. Sport is regionale materie, wat inhoudt dat elke regio zijn sportbond heeft en daarboven een koepel hangt. In de meeste sporten stelt die niks voor, behalve bij voetbal (KBVB), wielrennen (KBWB) en de Olympische Spelen (BOIC).

De voetbal- en de wielerbond stonden deze week nog in de krant: ze moeten besparen. Die klaagzang tart alle verbeelding. Nationaal georganiseerde sportbonden zijn in de eerste plaats gericht op maximaliseren van de subsidiestromen, al of niet via de Nationale Loterij of hun regionale vleugels.

Daarnaast genereren ze eigen middelen door het ophalen van sponsoring. Die vloeit grotendeels terug als return aan de sponsors, waardoor die bonden bij grote events ware reisbureaus worden. Een ander deel gaat naar de eigen werking, lees zware loonlasten en het comfort van de bondsstructuur. Check de nationale bondsgebouwen (KBVB, KBWB) en de plannen (BOIC).

Omdat het federaal niveau niks vandoen heeft met sport, ontsnappen die nationale koepelbonden aan elke vorm van controle. Misschien een adviesje aan de volgende minister van Sport: ga met uw Franstalige FWB-collega rond de tafel zitten en spreek af om dat nationaal potverteren een halt toe te roepen.