Column One Manshow(s) in De Morgen van maandag 18 december 2023

One Manshow(s)

In Zuid-Korea zijn ze in volle voorbereiding op de Olympische Spelen en dat land mag dan wel al 35 jaar de militaire dictatuur de wacht hebben aangezegd, het leger blijft daar een huis van vertrouwen. Nu ook voor de olympiërs in spe, die een gratis trainingsstage van het leger krijgen.

De bedoeling? Mentale hardheid kweken, ten einde in Parijs een beter resultaat te halen dan drie jaar geleden in Tokio

Is dat niet iets voor onze crossers? Een weekje Elsenborn, hoeft niet eens met de special forces te zijn. Gewoon een weekje afzien, beetje honger lijden, maar niet te veel.

Beetje uit de comfortzone halen, maar ook niet te veel, het blijven tenslotte late millenials of vroege gen Z’ers en die mag je niet bruuskeren.

Mentale hardheid kweken, met het oog op de crossen die er aan komen, het kan van pas komen. Bijvoorbeeld als Mathieu van der Poel nog eens hard begint van bij de start, om dan niet al na tweehonderd meter de handdoek te gooien. En als Tom Pidcock aan het eind nog wat over heeft, om hem juist niét te laten rijden. Wat moet dat worden als straks ook nog Wout van Aert op de eerste rijen komt postvatten?

Deze column had ook kunnen beginnen met … Zie je wel… het grote gelijk.

In 2016. Dat Mathieu van der Poel en Wout van Aert (van Pidcock was toen nog geen sprake) zo snel mogelijk uit dat veld weg moesten, naar de weg.

In 2019. Dat Mathieu van der Poel en Wout van Aert het veldrijden hebben gedegradeerd tot wat het van oorsprong was, een sportieve winteruitstap in combinatie met een trainingsvorm.

In 2020. Dat de cross niets meer is dan een Vlaamse Kermis. Een Zesdaagse, maar dan in de modder en klaar in één uur. Nog later: dat de Iserbytjes van deze wereld Solexjes zijn vergeleken bij de 1200 cc’s.

Het is wat het is. Er is cross mét, en er is cross zonder. Zoals er provinciaal voetbal is en Champions League. Alleen moet FC Bavikhove nooit in de wei tegen Manchester City, maar moet Iserbyt wel in de wei (en het bos, en het zand) tegen Van der Poel en Tom Pidcock.

Het is voor iedereen wennen. Voor de organisatoren en bonden om te wennen aan toppers die de krenten uit de vier verschillende soorten pap halen. Voor de toppers aan een jaartje zonder kampioenschappen, zonder kampioenentrui. Voor de kijkers die zich kunnen troosten met de gedachte dat er de ene week een onemanshow en de andere week strijd op het programma staat.

En niet in het minst voor de crossers van de C-categorie – de B’s zijn na Herentals en Namen afgeschaft – aan de ene week op kop rijden en geïnterviewd worden alsof ze de wereld hebben veroverd en de andere week van bij de start geridiculiseerd worden. Om dan achteraf deemoedig te moeten bekennen dat ze een koutje hadden opgelopen bij het voorbij gereden worden door die ene A-crosser die een weekje eerder naar huis was gekomen.

Dat Mathieu van der Poel zaterdag in Herentals kon wegrijden van in de eerste ronde verwonderde hem zelf ook. Terecht. Zijn conditioneel overwicht is groot maar niet van die orde dat geen enkele collega hem geen ronde of twee, drie, misschien vier zou kunnen volgen. Technisch zijn ze op niveau, en ze hebben wedstrijden in de benen. Wie had gewild, had hem kunnen volgen. En was daarna gelost en misschien ingestort, juist. Die gedachte zal ongetwijfeld hebben meegespeeld, maar de reden voor de vroege capitulatie zat in eerste instantie toch vooral tussen de oren. De superioriteit die Van der Poel meteen uitstraalde. Hoe hij daar links op de eerste rij in zijn kraaknette, hagelwitte wereldkampioenentrui aan de start verscheen, iets langere haren dan gewend maar duidelijk afgetraind, dat ontnam elke goesting tot experimenteren.

Komt daar nog eens bij dat die andere jongens die al van september aan het crossen zijn klassementen verdedigen en dus andere prioriteiten hebben en meer gebaat zijn bij regelmaat en podium halen dan bij zich total loss rijden en niet finishen.

Bij FC Bavikhove en co. zijn ze ook niet van gisteren. De voorbije jaren, toen die grote motoren de weg nog maar begonnen te ontdekken, waren ze al niet meer te volgen. Vandaag hebben ze onder hun drietjes talloze klassiekers gewonnen of mee gedomineerd, de toon gezet in grote rondes en regenboogtruien gewonnen (of net niet) in andere disciplines. De techniek is gebleven en de basis is nog breder.

De onemanshow van Van der Poel zaterdag in Herentals en de twee remontes van Pidcock na één (1) crosstraining gisteren in Namen, hebben duidelijk gemaakt dat we de mooiste en spannendste jaren in het crossen hebben gehad.

Column Cian U. in De Morgen van zaterdag 16 december 2023

Cian U.

Het is te hopen dat Cian Uijtdebroeks nooit waarmaakt wat de kenners in hem zien. Althans vanuit het standpunt van de buitenlandse wielercommentatoren. Wietebruks, Ooitebrooks, Whateverfromthebrook, die worstelden sowieso al met Belgische en Nederlandse namen.

Vanuit Belgisch oogpunt daarentegen leren we best die naam gewoon foutloos schrijven. De jongen is een man geworden; hij is hier en hij zal hier nog wel even blijven. Laten we dus vooral hopen dat hij juist wel waarmaakt wat kenners in hem zien en dat de maand december 2023 geen zwart laatste hoofdstuk wordt van het jaar van zijn doorbraak.

Uijtdebroeks leerden we allemaal kennen in de Vuelta van afgelopen zomer toen hij bergrit na bergrit voorin meestreed en uiteindelijk zevende zou eindigen, ware daar niet de vervelende Rus Aleksandr Vlasov die nota bene bij hem in de ploeg reed maar hem alsnog op slinkse wijze van die zevende plek verdrong met zeven seconden. Hij eindigde wel ruim zeven minuten voor onze pibe de oro Remco Evenepoel.

2023 is het jaar van de wielertransfers geworden. Die van Remco E. mislukte grandioos en heeft diepe wonden geslagen. Die van Cian U. lukt (voorlopig?) en heeft ook diepe wonden geslagen.

Drie jaar geleden verscheen op Sporza een kort interview met de toen zeventienjarige junior Uijtdebroeks, die voor het eerst mee op stage was met zijn nieuwe ploeg Bora-Hansgrohe. Uit dat interview bleek dat hij zelf had gekozen voor die ploeg nadat alle WorldTour-teams voor zijn deur hadden gekampeerd. Bij manager Ralph Denk en trainer Dan Lorang had hij “het beste gevoel van allemaal”.

In 2022 is hij bij Bora-Hansgrohe prof geworden en in 2023 lieten ze hem al een grote ronde rijden. Inzake kansen kon de jonge renner, die in februari nog 21 moet worden, alvast niet klagen.

Er is de laatste week veel verschenen over het hoe en waarom van zijn zelfgeforceerde transfer naar Visma-Lease a Bike. Het materiaal was niet goed, de trainingen waren niet top, de ploeg lag hem niet, hij zou gepest zijn. Enfin, het goede gevoel was weg, redenen genoeg om eenzijdig zijn contract op te zeggen zoals dat volgens de (rare en manke) Belgische wetten nu eenmaal kan. Toen hij er drie jaar geleden voor vier seizoenen tekende, heette het nog dat de begeleiding top was en op maat van het groeiproces van een jonge renner.

Dat ze hem omwille van zijn gedrevenheid in die ploeg af en toe in het ootje zullen hebben genomen, ongetwijfeld. Zoiets behoort tot het teamproces en de ontgroening. Zolang het geen Reuzegom-trekjes krijgt, moet een jonge atleet daar tegen kunnen. Hoe ook, van een band of brothers zoals ze daar zich afficheren bij Bora was alvast geen sprake.

Toch lijkt in deze saga veel, zo niet alles terug te voeren op een financiële kwestie, waarbij de Nederlanders hem beduidend meer te bieden hebben dan de Germanen, die hem aan zijn vierjarig contract willen houden. Rolf Aldag, de nummer één onder de sportdirecteurs bij Bora, gaf gisteren nog uitleg en noemde Uijtdebroeks “zeer intens om mee samen te werken”. Tegelijk vond hij de move van de jonge renner erg verstorend voor het wielrennen.

Aldag heeft gelijk. Een renner, of eender welke atleet, die bij zijn volle verstand een contract tekent en daar om onduidelijke redenen sneller vanaf wil heeft meestal het gelijk niet aan zijn kant. Net zoals bij Wout van Aert zal het geld kosten om van onder dat contract uit te komen. De les is alvast dat het dom is om op je zeventiende jezelf vier jaar te binden aan een ploeg.

De les kan nooit zijn dat het wielrennen een systeem moet invoeren van transfers zoals in het voetbal. Patrick Lefevere weet niet waarover hij praat als hij dat propageert. Of hij ziet plots miljoenenvisioenen om zijn nakende uitstap verteerbaarder te maken, dat kan ook. Voor eens en voor altijd: de betaalde transfer in het voetbal is illegaal. De betaalde transfer in het voetbal wordt gedoogd omdat elke poging om die onwettig te laten verklaren voor het Europees Hof – succeskans 100 procent – door het voetbalbestel wordt afgeblokt of afgekocht.

Een arrest dat de betaalde transfer als pure mensenhandel verbiedt is een kwestie van tijd en dus geduld. Van alle sporten is voetbal is de enige die zogezegd niet zonder kan. Wat ongeveer klopt, want de meeste teams dempen hun financiële putten met de import-export van talent. Voor het armlastige wielrennen, waarin drie puissant rijke overheden teams bezitten, is een transfersysteem de rechte weg naar het morele en financiële failliet. Een vastgelegde opleidingsvergoeding tot 23 jaar, daar valt dan weer wel veel voor te zeggen.

Column Stop Uitfans in De Morgen van 11 december 2023

Stop uitfans

In Frankrijk waren tijdens de voorbije speeldag bij Lorient-Marseille, PSG-Nantes, Lyon-Toulouse en Saint-Etienne-Nîmes de bezoekende fans niet welkom. Voor Montpellier-Lens, Nice-Reims, Angoulême-Bordeaux en FC Saint-Méziéry-Auxerre konden supporters van de bezoekers eerst niét en dan weer wél de bus of het vliegtuig op.

Voor al die wedstrijden had het ministerie van Binnenlandse Zaken van Frankrijk een verbod afgekondigd, maar na een snelprocedure van de Association Nationale des Supporters (ANS) voor de Raad van State hief die instantie het verbod op bezoekende supporters deels op. Het argument dat de maatregelen van het ministerie disproportioneel waren, werd gevolgd.

Die zogezegde disproportie kwam er nadat vorig weekend een supporter van FC Nantes was doodgestoken door iemand van Nantes die een huurauto bestuurde met daarin fans van Nice die op weg waren naar de wedstrijd. Die auto reed uit voorzorg in colonne naar het stadion in Nantes – zo gaat dat tegenwoordig bij voetbal – toen die werd aangevallen door een meute van driehonderd lokale hooligans van de Brigade Loire, de harde kern van FC Nantes.

Laat het even bezinken. Twee clubs spelen een partij voetbal tegen elkaar en ze hebben elk hun fans. De ene groep fans die op weg is naar het stadion in lokale huurauto’s met chauffeur wordt aangevallen door de andere groep fans met als doel de vijand uit de auto’s te halen. Over het uiteindelijk doel als ze daar waren in geslaagd, heb je het raden, maar vredevol was het toneeltje allerminst.

‘Extirper’, zo stond het in de Franse pers. Uittrekken. Geen tand, maar een mens. De lokale chauffeurs wilden dat niet laten gebeuren, bang voor hun cliënten en wellicht ook hun auto. Eén daarvan had een flink mes op zak en gebruikte dat op Maxime, een 31-jarige hooligan van Nantes die ondanks zijn oorlogszuchtige intenties nu wordt afgeschilderd als een heilige die toch zo graag voetbal zag.

Eerder al dit seizoen ging het bijna goed fout toen de spelersbus van Lyon in Marseille werd aangevallen en de ruiten werden ingeslagen met stenen en ijzeren staven. Eén van die stenen kwam terecht op het voorhoofd van de coach van Lyon en die beelden, van de bloedende coach vooraan in de haastig wegrijdende bus, gingen de wereld rond.

Bij ons misdroegen afgelopen weekend de fans van Standard zich bij Anderlecht, rukten ze tientallen zitjes los en schoten ze vuurpijlen naar een paars-wit vak. Het omgekeerde scenario van vorig jaar, toen Anderlechtfans het in Luik zo bont maakten dat de wedstrijd werd gestaakt. De verontwaardiging daarover gaat altijd snel liggen.

Voetbaljournalisten hebben geen oog voor die collectieve debiliteit. Na elke rel zou het obligate verslag moeten worden vervangen door een opsomming van alle supportersrellen van de voorbije weken, maanden. Maar neen.

Supportersgeweld wordt gemakshalve afgedaan als een maatschappelijk fenomeen waarbij het voetbal hooguit als katalysator dient. Onzin. Voetbalgeweld is als onkruid, het komt altijd terug als een verdorven uitwas van een verdorven spel.

Het is een raadsel waarom we het fenomeen van de bezoekende fan nog dulden. Jezelf uren van tevoren met gelijk uitgedosten in een bus proppen, vervolgens veel pinten achterover slaan, om daarna in een achterafhoek in een vreemd stadion refreintjes te brullen, waarna de terugweg wordt aangevat op diezelfde bus, nog meer pinten hijsend… Wordt het geen tijd dat de niet al te snuggere medemens die zich dat aandoet tegen zichzelf in bescherming wordt genomen?

Volgens Jan Vertonghen zou het zonde zijn als het concept van de bezoekende fans op de schop gaat. Aangemoedigd worden door de ene kant van het stadion en uitgejouwd door de andere, die interactie tussen supportersgroepen, dat heeft zo zijn charme, aldus Vertonghen.

Vertonghen zou met zijn verleden in Nederland, waar ook al een dode is gevallen, moeten weten welk risico gepaard gaat met hele horden hooligans die het land doorreizen.

In België beperkt de schade zich tot een paar lam geslagen fans, materiële schade en een flinke onzichtbare maatschappelijke kost, maar het is een kwestie van tijd voor ook hier een dode valt.

‘Stop stadionverboden’, zo staat het op een vlag waarmee een groepje fans thuis en uit mee zwaaien. Zo ook laatst in Genk, waar ze ten bewijze van hun intelligentie ‘Alle Genkies zijn homo’s’ zongen. Bij een achterstand, ook dat nog.

Meer stadionverboden, meer controles én een verbod op uitfans, het zal de echte sportconsument ten goede komen en ook de maatschappij, die gebaat is bij minder overuren van de politie.

Column Christophe Galtier in De Morgen van zaterdag 9 december 2023

Christophe Galtier

Deze man komt volgende week in Frankrijk in het oogje van een stormpje en omdat hij een brutale keikop is met nogal wat vijanden, dreigt het een flinke storm te worden.

Galtier is een voetbaltrainer die werkte voor de grootste Franse clubs en het meeste succes had bij OGC Nice. Nadat hij met Nice in het seizoen 2021-22 PSG had geklopt, tekende hij bij die laatste club een contract tot de zomer van 2024. Na één seizoen met tegenvallende resultaten met een team waar de klad in zat, stapte hij afgelopen zomer in ‘onderling overleg’ ook op in Parijs.

De storm waar Galtier in terecht zal komen, gaat terug op zijn periode in Nice. Zijn voormalige sportdirecteur bij Nice, ene Julien Fournier, heeft hem in een onderzoek van de plaatselijke recherche beschuldigd van discriminatie, racisme, bodyshaming en islamofobie.

Galtier deed dat onmiddellijk af als onzin, maar de politie van Nice – volgens Galtier niet gehinderd door revanchegevoelens ten gevolge van zijn destijdse vlucht naar Parijs – heeft zonder dat er een klacht was zelf een onderzoek geopend. Op 30 juni werd hij samen met zijn zoon opgepakt, opgesloten, en voorgeleid voor ondervraging. Galtier moet op 15 december, volgende week vrijdag dus, verschijnen voor de rechtbank in Nice.

Concreet wordt hem aangewreven dat hij zijn bekommernis om het grote contingent zwarte spelers en moslims in zijn ploeg in Nice op een discriminerende manier zou hebben geuit. Volgens Fournier zou hij ooit hebben gezegd: “Julien, je hebt het nog altijd niet begrepen. Ik wil geen noirs of Arabes meer.”

Een huisbaas die dat zegt, kan worden veroordeeld voor racisme of discriminatie. Een werkgever idem. Een potentiële schoonvader die dat tegen zijn dochter zegt, is al lastiger te kapittelen. Wat met de voetbaltrainer die zoiets zegt?

Wat nog in de aanklacht staat: Galtier zou bij een tactische bespreking in de rust van de wedstrijd van Nice tegen Saint-Etienne de twee bezoekende centrale verdedigers hebben aangeduid als ‘les deux King Kongs’. En later zou hij hebben gezegd dat hij geen problemen heeft met moslims in het algemeen maar wel met Algerijnen in het bijzonder omdat die te fanatiek hun geloof belijden. “Te extreem,” was zijn commentaar.

Het mag duidelijk zijn dat Galtier niet de meest fijnbesnaarde medeburger is. Langs de woke-meetlat gelegd zal hij alvast niet slagen en dreigt zelfs cancelling. Maar is hij een racist als hij een flink uit de kluiten gewassen verdediger King Kong noemt? Als dat een zwarte verdediger is, heeft hij de schijn tegen. Bij het AA Gent van vorig jaar is de blanke Bruno Godeau ooit omschreven als een bonenstaak en zijn zwarte collega-verdediger Michael Ngadeu als een rots. Geen haan die er naar kraaide. Een rots is geen King Kong, geen aap. Als we er mogen vanuit gaan dat Galtier niet uit café ’t Hemelrijk kwam, is de connotatie met een aap op zijn minst ongelukkig.

De aanklacht wordt een beetje problematisch omdat ze zich op het terrein van de trainer begeeft en diens prerogatief om zijn selectie samen te stellen naar eigen goeddunken. Als Galtier verkiest om zo weinig mogelijk zwarten en moslims in de kern op te nemen, is daar volgens hem een goede reden toe: de ramadan. Niet eten en drinken tijdens inspanningen, staat als een tang op een varken als het op presteren aankomt. Dat is geen islamofobie, maar trainingsleer.

De laatste jaren (en de komende jaren) is de ramadan geleidelijk verschoven van de zomer naar de lente en toevallig is dat de periode waarin de prijzen worden uitgedeeld. In dat verband is er ook een getuigenis ten laste van een zwarte moslim die door Galtier is gevraagd om zijn vasten uit te stellen. En dat ook deed, wat overigens mag volgens de Koran.

Terloops, beste voetbalfans, begin maar al de moslims in jullie team te tellen. De ramadan van 2024 begint in België op zaterdag 9 maart en eindigt op maandag 8 april. Daarin vallen de laatste twee speeldagen van de reguliere competitie, de voorbereiding op de play offs en de eerste twee speeldagen van de play offs.

Voor de volgende jaren is het van hetzelfde, met de vastenmaand die telkens een week eerder begint. Tussendoor gaan de betere Afrikanen ook nog eens Africa Cup spelen.

Ten faveure van Galtier zullen ook twee getuigen worden gehoord. Zowel Burak Yilmaz, zijn spits bij Lille gedurende vier seizoenen en moslim, en zijn zwarte collega-trainer Antoine Kombouaré kiezen de kant van Galtier. Ten slotte zal Galtier zelf komen getuigen. Hij moet daarvoor even verstek geven bij zijn club, de Qatarese landskampioen Al-Duhail. Benieuwd hoe hij het daar aanpakt: de laatste vier speeldagen van de Qatar Stars League vallen pal in de ramadan van 2024.

Column Decathlon in De Morgen van maandag 4 december 2023

Decathlon

Het was schrikken toen AG2R La Mondiale-Citroën hun automerk als co-sponsor moest laten gaan. En dan die vervanger: Decathlon, zelfs meteen hoofdsponsor. Vanaf volgend jaar hebben we het over Decathlon-AG2R.

Het budget van de Franse ploeg van teammanager Vincent Lavenu gaat van 23 naar 26 miljoen euro. Dat is middenklasse. Overigens, even tussendoor iets over die Lavenu, een krokodil van het oude wielrennen van de jaren negentig. Uit getuigenissen rond de Festina-affaire is destijds gebleken dat een groot deel van de producten die soigneur Willy Voet in zijn auto had toen hij werd tegengehouden aan de grens, ook bestemd waren voor enkele Franse teams, waaronder de toenmalige Casino-ploeg van Lavenu.

Omdat Voet ten tijde van zijn proces zedelijk zweeg om niet ook nog eens als trafikant/dealer te moeten terechtstaan, is Lavenu voor zover geweten zelfs nooit op het matje geroepen, ook niet door de Franse pers die bekend waren met de feiten. Een overlever als geen ander.

Nu opnieuw, door met Decathlon een erg mooie sponsor binnen te halen. Die keten van goed en goedkoop vrijetijds-, sport- en kampeermateriaal is een wereldspeler. 1.751 winkels in 69 landen, 15 miljard euro omzet, 105.000 werknemers.

Van alle wielersponsors doen alleen Ineos en Intermarché beter inzake omzet, al hebben landen als de Emiraten (UAE), Bahrein (Bahrein-Victorious) en Kazachstan (Astana) ongetwijfeld een groter BBP. Decathlon is als sportretailer wel de absolute nummer één in zijn categorie en dat kan geen enkele andere wielersponsor beweren.

Decathlon ziet het groot en wil de ploeg ook laten rijden op hun fietsen. Neen, niet lachen, het zullen niet de Sinterklaas- of eerstecommuniefietsjes van BTwin zijn. Evenmin een late upgrade van de fiets waarmee Jaan Kirsipuu begin de jaren 2000 een Tour de France-etappe won. Wel de high-endmachines genaamd Van Rysel.

Die naam is een apart marketingverhaal. Van Rysel is bedoeld om de topfietsen ingang te laten vinden in fietsgekke regio’s, te beginnen met Frankrijk, maar ook België, Nederland en zelfs Groot-Brittannië. Rysel verwijst naar Rijsel, de originele Vlaamse naam van Lille, waar de sportgigant zijn hoofdzetel heeft.

Toen deze zomer doorsijpelde dat de BMC bij AG2R als fietsmerk zou worden vervangen door Decathlon, maakte het peloton zich vrolijk en waren ze bij AG2R ongerust. Dat was nergens voor nodig. Van Rysel is een prima wegfiets zo blijkt, en niet alleen uit de eerste verhalen van de renners. Ook Leon van Bon was enthousiast.

Oud-renner Van Bon test wel eens meer fietsen voor het Nederlandse blad Fiets en was na een snelle rit met een Maastrichts semi-profpeloton helemaal verkocht. En te bedenken dat hij niet eens reed met de iets lichtere pro-versie die is voorbehouden voor de ploeg.

Voor de kenners: de Van Rysel RCR voor de World Tour wordt afgemonteerd met Shimano Dura Ace di2. Die publieksversie van Van Bon had een veertig gram zwaarder kader en de SRAM Force eTap AXS 2×12-speed. Hij bolde als een trein, aldus de krachtpatser en voormalig sprinter Van Bon. De prijs is de moeite waard van het vermelden: 4.799 euro.

Volgens kenners houdt de gelikte Van Rysel het midden tussen een topfiets van Canyon en één van Specialized en dat is een erg mooi midden. Verwondering over zoveel kwaliteit voor zo weinig geld? Racefietsen zijn sinds corona buitensporig duur geworden. De winstmarges, ook van de toeleveranciers, bedragen soms het tienvoud van die in een gelijkaardige sector als de automobielindustrie.

Sommige merken, met name de Amerikaanse, adverteren met een carbonproductielijn in eigen land. Alsof het carbon dat ze in Taiwan gebruiken zou verschillen van dat in de VS. Alsof een Amerikaanse fabriek beter carbon zou assembleren dan één in Taiwan. Alsof een gigant van 15 miljard als Decathlon geen betere voorwaarden kan bedingen bij de toeleveranciers dan BMC, dat maar 84 miljoen omzet draait.

Een racefiets is in principe een erg simpele fiets: er is het kader en er is de afmontering, de groep (versnellingen en remmen), het zadel en de zadelpen, de headset (tegenwoordig cockpit genoemd) en uiteraard de wielen. Van Rysel levert de fiets standaard ook nog eens met uitstekende wielen.

Waarom hier die gratis publiciteit voor Decathlon? Omdat koersfietsen en afgeleiden als mountainbikes en gravelbikes momenteel het dubbele kosten van wat ze waard zijn. Als het klopt dat de helft goedkopere Van Rysel de vergelijking kan doorstaan met een high-end van een prestigieus merk, hebben we hier te maken met een gamechanger van formaat. Met hopelijk als gevolg dat alle betere sportfietsen een stuk goedkoper worden.

Column Pep en Co in De Morgen van zaterdag 2 december 2023

Pep en Co

Van voetbaltrainers verwacht je veel, soms te veel. Trainers moeten de sfeer in de ploeg houden, iedereen tevreden stellen, de juiste tactiek bedenken, de juiste baasjes gebruiken en uiteraard veel winnen. Daarnaast moeten ze bestuur, management en supporters naar de mond praten of althans niet tegen zich in het harnas jagen.

Vervolgens krijgen ze te maken met de media, die, als ze de trainers niet van hun voetstuk willen halen, toch minstens het verlangen koesteren hen zo veel mogelijk op de zenuwen te werken. Althans, zo ervaren sommigen dat. Neem nu Hein Vanhaezebrouck. (Voor wie er een strategie in ziet, het is puur toeval dat hij hier in twee opeenvolgende columns opduikt.) Als door een horzel gestoken zo reageerde hij vorig weekend na het gelijkspel van zijn AA Gent thuis tegen Union, toen een journalist een vraag stelde over Gift Orban.

De vraag was logisch en terecht, ze niet stellen was een journalistiek manco. Waarom Orban zo laat inbrengen? Onderhuids: waarom Orban niet meer en beter gebruiken? Achterliggend: is dit niet een beetje kapitaalsvernietiging?

Het antwoord was een beetje naast de kwestie: “Journalisten moeten geen vragen stellen over tactiek want ze kennen er veel minder van dan trainers.” Waarmee hij eigenlijk bedoelde dat journalisten geen vragen mogen stellen die verder gaan dan “vond u het een goede, dan wel minder goede wedstrijd, ref, VAR?” en daardoor meteen de essentie van het journalistieke functioneren in vraag stelde.

Dat lijkt een beetje vreemd, maar dat is het niet. De journalist die de vraag stelde heeft veel kilometers en kan echt wel een voetbaltactiek op zijn verdienste beoordelen, maar dat was het niet dat de ergernis opwekte. Het zit namelijk zo. Die journalist, dat is bekend, heeft een rechtstreekse lijn met de voorzitter en dus vermoedde de trainer allicht dat hij een niet uitgesproken bestuurlijke bekommernis eventjes in de openbaarheid gooide.

Die bekommernis draait om de gehanteerde tactiek en de baasjes die daarbij worden opgesteld. En of tactiek (hoog storen) en baasjes (nauwelijks Orban gebruiken) wel de belangen van de club dienen, zoals bij de eerste zes eindigen en play-off 1 halen. De buitenwereld mag dan vinden dat Gent van het beste voetbal speelt dat in België te zien is, de binnenwereld van de KAA Gent Arena ziet dat enigszins anders. Dat aanvoelen is een erfenis van vorig seizoen.

Vandaar een vreemde uithaal die nergens voor nodig was. Gent staat derde. Vooralsnog.

Ergens een kilometer of zeshonderd in vogelvlucht naar het noordwesten werkt een andere Belgische trainer. Ook hij is heilig overtuigd van zijn gelijk, houdt vast aan zijn systeem en werd/wordt daar af en toe voor vervloekt. Vincent Kompany is de naam, ‘Vinnie’ voor de vrienden, en daar behoren voorlopig ook de media nog toe. De looplijnen verschillen, maar goed uitvoetballen, verzorgd opbouwen, hoog druk zetten: Kompany en Vanhaezebrouck zijn in dezelfde toverdrank gevallen. Klonen van Pep en co..

De persconferenties van Kompany verlopen wel gemoedelijker, voorlopig nog. De pers blijft ook voorzichtig na zijn succesverhaal in de Championship. Met handen en voeten – as I said earlier – blijft ‘Vinnie’ uitleggen wat hij wil zien en hoe het komt dat wij het niet zien en hij wel en wat het moet worden. Om telkens bij dezelfde conclusie uit te komen: we geven zelf de goals weg.

Burnley doet het merkelijk slechter dan Gent. Het staat laatste met vier punten, evenveel als Everton, dat er tien is kwijtgespeeld door inbreuken tegen de financiële fair play, en eentje minder dan Sheffield United. Maar aangezien er drie zakken uit de Premier League kijken ze daar best ook naar Luton, dat al negen punten heeft.

Voorzichtig wordt geopperd dat Burnley en Kompany misschien een plan B moeten overwegen. Het blok staat al lager, als je de commentatoren mag geloven. Misschien moet het nog een beetje lager, misschien moet wat minder worden gejaagd, wat slimmer worden verdedigd. Dat is ook wat in Gent nu leeft. Misschien de aanvallers minder als gekken naar elke bal laten jagen, maar de tegenstander lager opvangen en zo ruimte creëren voor die drie supersnelle spitsen, zou dat eens niet te overwegen zijn?

Allemaal Pep? Vergeet het. Pep Guardiola werkt in een driesterrenrestaurant met de beste ingrediënten die hij zelf kan uitkiezen bij de topleveranciers. Kompany en Vanhaezebrouck halen hun gerief bij de grootwarenhuizen. Dat is wat minder, maar verder is daar niks mis mee. Het is wat het is en daarom is er ook niks mis met je tactiek te laten afhangen van je spelersmateriaal.

Column (Data)scouting in De Morgen van 27 november 2023

(Data)scouting

De aanleiding voor dit stukje is wat Hein Vanhaezebrouck afgelopen vrijdag zei, in de aanloop naar de topper tegen Union in zijn razend interessante persconferentie, die achttien minuten duurde en dat ondanks vragen van slechts twee en een halve journalist, maar wat dat laatste betreft kan ik mij vergissen.

Eerst even dit, voor u zou denken dat Hein – in de media met de voornaam aangeduid, in navolging van Michael (Jordan), Elvis (Presley) en (koning) Filip – hier in de zeik wordt genomen, quod non. De regel is: Hein (Vanhaezebrouck) heeft altijd gelijk, zelfs als hij geen gelijk heeft.

Vrijdag poneerde hij twee stellingen.

Ten eerste: we zijn beter gewapend dan vorig jaar om Union partij te geven, de intensiteit die Union toen aan de dag legde konden wij niet matchen.

En als nagedachte, je zou het met wat slechte wil ook een natrap kunnen noemen naar de bij Gent vertrokken hoofdscout: het belang van scouting wordt fel overdreven, slechts 20 procent van de spelerstransfers komt uit de scouting, het merendeel wordt aangeboden door derden.

Vooral dat laatste toen hij het had over Mohamed Amoura, die bij Union speelt maar evengoed bij Gent had kunnen zitten, bood stof tot nadenken.

“Amoura is aangeleverd door een externe persoon, zoals het bij de meeste transfers gebeurt. De media denken dat de scouting een groot aandeel heeft in de aankopen, maar dat is maximaal 20 procent. Dat is bij Union niet anders”

En toen had hij kunnen zwijgen, maar hij ging door en had het plots over de huizenmarkt. Dat huizen vooral worden verkocht door makelaars, dat kopers die huizen niet zomaar tegenkomen en dan besluiten: dat huis koop ik.

Als er nu één aankoop is die kan en moet worden geobjectiveerd met data over staat, ligging, isolatie, ruimte, en waarbij die data de verkooppraatjes van de makelaar moeten overstijgen of minstens relativeren, dan wel een huis. Dat geldt evengoed voor de aanschaf van een voetballer.

Geen enkele reden om aan voetbalscouting en de nieuwe dada datascouting te twijfelen. Grofweg zijn er drie soorten spelers: die van wie je denkt dat je ziet wat ze kunnen en tot wat dit kan leiden als het goed wordt aangepakt, die van wie je vermoedt dat het niks wordt en ten slotte die van wie je het niet weet. In alle drie kun je je gruwelijk vergissen.

Voor categorie één kunnen data helpen om een onderliggende zwakte te vinden en te remediëren. Voor categorie twee en drie zijn data onmisbaar om een goede kijk te krijgen op de potentie van de speler. Kan hij lopen, kan hij passen, hoe snel gaat het en ten slotte: staat er een hoofd op waar iets in zit? Dat laatste is moeilijk in data onder te brengen, daar kan dan weer gewone scouting bij helpen.

Er zijn omgekeerd meer dan genoeg redenen om aan de verkooppraatjes van de makelarij te twijfelen. Om te beginnen is er het businessmodel van de makelaar: de omloopsnelheid van zijn spelers bepaalt de inkomsten van speler en makelaar, maar in vele gevallen ook die van de betrokken clubs en clubmanagers, en zelfs af en toe de trainer die de speler binnenhaalt.

Om dan nog te zwijgen van de packagedeals rond een goede speler in wiens zog een halve zool wordt meegestuurd. Dat dit businessmodel van de ‘externe persoon’ nog steeds voor 80 procent van de transfers verantwoordelijk is, geeft juist aan hoe ziek het voetbal is.

Overigens heeft Vanhaezebrouck zijn redenering over het ondergeschikte belang van datascouting zelf eerder al onderuitgehaald. Die onthulling daarover kwam niet van hem maar van Ismaël Kandouss, de centrale verdediger die op zijn vraag van Union naar Gent is gekomen.

Toen ze vorig jaar tegen elkaar speelden, had Vanhaezebrouck zijn aanvallers de opdracht gegeven Kandouss aan de bal te laten en druk te zetten op de anderen. Tot hij merkte dat hij zich had vergist en Kandouss rustig bleef en zowaar crosspasses trapte. Vanhaezebrouck gebruikte dat als argument om Kandouss te overhalen naar Gent te komen. Het pakte, Kandouss ruilde Union voor Gent (en een beter loon, zal ook hebben geholpen) maar het blijft natuurlijk een voorbeeld van slechte/geen scouting of datascouting als de houten klaas uit je analyse een vaardige passer blijkt te zijn.

En wat die eerste opmerking betreft, dat ze qua intensiteit bij Gent beter gewapend waren dit jaar, met die 1-1 van gisteren kan je alle kanten uit. In de eerste helft was die intensiteit er wel, in een groot deel van de tweede dan weer niet. Bottomline: het was beter en dus heeft Hein (geen on)gelijk.

Column Wat Is Topsport? in De Morgen van zaterdag 25 november 2023

Wat is topsport?

De opschudding die de column van vorige week over de Gentse zesdaagse veroorzaakte, heeft mij maar laat bereikt. En nog wel door een ex-renner en een ex-renner/ploegdirecteur die beleefd lieten weten dat ze het niet met mij eens waren.

Toen ik in ons extensief app-verkeer mijn redenering uitlegde, luidde een finale repliek: “Jaja, ik begrijp wel wat je bedoelt. Ik ben akkoord dat het een circus is, maar optreden met 60 kilometer per uur blijft lastig.” En de andere: “Ik snap je volledig (de column) maar ik kon het niet laten passeren.”

De eerste reactie kwam van een ex-renner/ploegdirecteur: “Hé maat, goede column in DM.” En deze week nog een andere ex-renner tegen het lijf gelopen en die zei: “Het verbaast mij dat mensen die zesdaagse zo serieus nemen, maar dat heb ik ook met dat zondagse uurtje modderrijden.”

Om de stelling even te herhalen: de zesdaagse heeft evenveel met de topsport baanwielrennen als circus met gymnastiek, niets tot weinig dus.

Om dat goed uit te leggen, moeten we even terug naar de basis.

Ten eerste: wat is sport? Sport is elke fysieke activiteit of inspanning die een gevolg heeft op hart- en bloedvaten en die wordt beoefend volgens afgesproken regels, in een vorm van competitie tegen een tijd, een score of anderen.

Wat is bijgevolg geen sport? E-sport, denksport, hengelen, darten, snookeren en biljarten. Dat zijn moeilijke bezigheden, maar de fysieke component ontbreekt. Je kunt het ook omkeren: sporten waarin bètablokkers helpen zijn geen sporten. Inderdaad: ook niet alle olympische sporten (neem schieten of curling) doorstaan die toets. Golf is een twijfelgeval.

Wat de zesdaagserenners presteren is sport, dat staat als een paal boven water. Zoals die ene ex-renner/ploegdirecteur in zijn repliek zei: “Ik ben ooit twee keer gekoppeld aan een goeie pistier met de bedoeling dat we zouden winnen en ik ben twee keer choco gereden. Nooit gewonnen. Een zesdaagse is van het zwaarste dat ik ooit heb gedaan.”

Klopt ongetwijfeld. Wat die gasten presteren in de ploegkoersen op een te korte baan die er bovendien niet te best bij ligt verdient bewondering. Maar de vraag is hier niet of het sport is en of het lastig is en of we ze al of niet mogen/moeten bewonderen. De vraag is: kunnen we de zesdaagse catalogiseren als topsport? Het antwoord blijft: neen.

Om een sport als topsport te beschouwen zijn er extra criteria nodig. Om te beginnen: wordt deze sport genoeg beoefend? Genoeg als in ‘voldoende vaak’, door voldoende atleten van voldoende niveau en op voldoende plaatsen in de wereld. Een tweede criterium: zit er een internationale component aan, in de vorm van een EK, WK en bij voorkeur een olympische discipline.

Twee keer is het antwoord neen. Dat geldt zelfs voor veldrijden en dat heeft wel een EK en WK, stel je voor. Dat geldt ook voor afstandszwemmer Matthieu Bonne en ultraloper Karel Sabbe. Jammer maar helaas, wel topprestaties maar geen topsport, want te marginaal en niet voldoende representatief. Jawel, zoals de zesdaagsen.

Daarvan zijn er nog twee echte in de hele wereld: Gent en Rotterdam. Een sport die twaalf dagen per jaar wordt georganiseerd en her en der nog als een halve week bestaat, is dood maar beseft het nog niet. Een event dat bovendien alleen in een kleine regio wordt georganiseerd die niet de best mogelijke atleten aan de start krijgt (check de einduitslag), die niet representatief is voor het mondiale en olympische niveau (check de einduitslag), heeft misschien wel bestaansrecht als spektakel, maar dat maakt het nog geen topsport.

Helemaal mee eens dat dit een reductionistische visie is op sport en topsport. Het is niet anders. Deze insteek wordt ook gehanteerd door alle sportmodellen van de wereld om de vraag te beantwoorden welke sporten/disciplines worden ondersteund en welke niet.

In dat verband zijn er nogal wat die een zesdaagse verwarren met de onmiskenbare topsport baanwielrennen. Een denkfout. Het beste bewijs in de voorbije zesdaagse was Lasse Norman Hansen. Hij is op de wielerbaan in de uithoudingsonderdelen de beste renner van de laatste tien jaar met 22 medailles, waarvan 7 gouden en 2 olympische titels. In Gent werd hij voorlaatste op 35 ronden en dat lag echt niet alleen aan zijn koppelmaat Jonas Rickaert, die na zijn rustperiode na een zwaar seizoen als een pannenkoek rondreed.

Hansen zou wel gek zijn om al eind november als een opgefokt duracellkonijn op een gevaarlijke baan als Gent rond te tollen. Volgend jaar in Parijs zal hij er op die gladde, glooiende 250 meterbaan wel staan, op welk onderdeel dan ook.

Column 1,7 Promille in De Morgen van maandag 20 november 2023

1,7 Promille

De zomer van 2024 is een van die lange hete sportzomers die eens in de vier jaar het leven van sportvolgers (en hun entourage) compleet overhoop haalt en soms ook het leven van enkele sporters. Laten we toch vooral hopen op dat laatste en wel in positieve betekenis.

De Rode Duivels kunnen Europees kampioen worden, Remco Evenepoel kan de Tour winnen en ten slotte kan de Belgische olympische ploeg met een nooit geziene oogst aan medailles uit Parijs terugreizen.

Of niet: geen Europees kampioen, geen Tour-winst en in plaats van tien of meer, slechts zes of minder medailles. Alles kan, alles mag, niets moet, we zijn tenslotte Belgen. Hoewel. Een knalprestatie op de Spelen van Parijs zou van pas komen om de olympische topsport de kickstart te geven waarmee ze nog jaren verder kan.

Deze inleidende topsportoverpeinzingen bereiken u vanuit het Turkse Belek, een vakantieoord zo verstoken van stijl en klasse, dat als ik de Middellandse Zee was, ik er nooit aan land zou willen komen. Maar bon, dat doet hier niet echt ter zake. In de Gloria Sports Arena in Belek blaast het Belgian Olympic Team nu al een paar jaar verzamelen, meer in het bijzonder sinds 2019.

Club La Santa op het Canarische eiland Lanzarote ligt sinds het aantreden van de Duitser Olav Spahl als directeur topsport niet meer in de bovenste schuif. Dat wordt vooral betreurd door de entourage van de atleten die zich het ontbijt, lunch en diner in restaurant Atlantico herinneren. En uiteraard ook de ellenlange conversaties in de Pool Bar en niet te vergeten de afsluitende barbecue op het strand.

Het dient gezegd, de atleten zijn beter af in Belek, en om de atleten draait het. Toch? Op deze stage zijn evenwel meer randfiguren dan atleten. Van de gedoodverfde medaillekandidaten geeft alleen zeilster Emma Plasschaert present. Geen Thiam, geen Kopecky of andere renners, geen Casse, geen Derwael, geen Belgian Cats, noch Red Lions. De Red Panthers zijn wel present.

Misschien moeten we daar blij om zijn. Dat atleten in deze cruciale maanden hun trainingsgewoontes niet willen onderbreken om even vier uur heen en vier uur terug te vliegen naar de olympische jamboree wijst op toegenomen professionalisme.

Er is op korte tijd heel veel veranderd in het Belgisch topsportlandschap. De eerste preolympische stages op Lanzarote (1991 had de primeur) waren vooral veredelde Chiro-kampen. Gezelligheid en erbij zijn primeerde. De tweede editie was veruit de meest memorabele. Lanzarote 1995 staat nog steeds te boek als een halve orgie en naarmate de hoofdrolspelers van het sporttoneel verdwijnen, worden de verhalen aangedikt.

In dat verband vroeg ik mij af tijdens de lange wandeling van het atletenhotel naar het pershotel — in de regen, jawel ook hier regen — iets af. Stel dat ze Jean-Marie Dedecker — Belgiës meest succesvolle bondscoach — naar deze stage zouden beamen, zou hij dan schrikken? Meer begeleiding dan atleten, sponsors bij de vleet, stylisten van het kledingmerk Caroline Biss, socialemediaspecialisten bij bosjes, (para)medici zoveel je wil en sportpsychologen van elke taalrol.

Jawel, tijden zijn veranderd maar toch ook weer niet zoveel en wat brengt het allemaal op? In Atlanta 1996 won België zes medailles op een totaal van 842 te verdienen eremetaal, of 0,71 procent. In Tokio in 2021 was dat zeven op 1080 of 0,65 procent. De hoeraverhalen ten spijt leert deze eenvoudige rekensom dat we er in die kwarteeuw na Atlanta niet op zijn vooruitgegaan.

Hoewel de topsport in dit landsdeel er nooit beter voor stond, bestaat de kans dat dit zich niet vertaalt in Parijs in een hoger aantal medailles. Dat wordt nog een dingetje om dat aan de publieke opinie verkocht te krijgen.

Zaterdag mocht de minister van sport van de Fédération Wallonië-Bruxelles uitleggen hoe hij zijn topsport wil laten aansluiten bij hoe Vlaanderen het aanpakt. Dat lukt nooit, door de cultuurverschillen, maar dat is een aparte column waard. In dat verband sprak de timing van het kabinet Weyts boekdelen: uitgerekend afgelopen vrijdag maakten die bekend dat de topsport in Vlaanderen weer meer geld krijgt. Het totale budget zou nu 30 miljoen bedragen voor het olympisch jaar 2024 en de jaren daarna.

Vandaag arriveert Vlaams sportminister Ben Weyts in Belek om toelichting te geven bij die genereuze geste. Die moet de atleten uit dit landsdeel in de ratrace naar de olympische podia de duw in de rug geven. Waarvoor dank. Een substantiële verhoging van het topsportbudget is op zijn plaats. Ten slotte: dertig miljoen voor de hele Vlaamse topsport, dat is 1,7 promille van alle Vlaamse subsidies die in 2022 zijn uitgedeeld. Daar kan/mag/moet nog wat bij.

Column Gentse Zesdaagse in De Morgen van zaterdag 18 november 2023

Gentse Zesdaagse

Mijn vader zaliger was correspondent voor een aantal Franstalige kranten. Dat omvatte verslagen van La Gantoise en Racing de Gand, van een occasionele atletiekmeeting, maar ook de Six Jours de Gand.

Pa stonk als hij naar de zesdaagse was geweest. Juister: het hele huis stonk als ik de volgende ochtend opstond. Naar rook, van sigaretten, sigaren, van alles door elkaar en hij rookte en dronk niet. Mij leek die zesdaagse een café waar ook aan sport werd gedaan. Dat was van een afstand bekeken en op hele jonge leeftijd. Ik zat er niet ver naast.

Niettemin lag op een ochtend naast mijn hoofdeinde een heel mooi cadeau. Pa had op de zesdaagse zijn stoute schoenen aangetrokken en was naar het hokje van het illustere duo Merckx-Sercu gestapt met de vraag om een foto te signeren. Ergens moet ik die nog hebben, ik kan mij niet inbeelden dat ik die ooit zou hebben weggegooid. “Voor Hans”, zo stond het er, en daaronder de krabbel van Eddy de Grote.

Gisteren had ik op de zesdaagse kunnen zitten, vip, uitgenodigd door een vriend. Ik kon niet. Andere verplichtingen. Ik schreef dit stukje vanop het vliegtuig naar eerst Istanbul en daarna Antalya, alwaar we een bus onder onze kont hebben gekregen die ons naar Belek bracht, het oord waar de Belgische olympische ploeg nu al een paar jaar verzamelt met het oog op de Spelen.

Jawel, u las het goed, Eddy Merckx heeft nog zesdaagsen gereden, samen met de (op de wielerbaan) nog grotere Patrick Sercu, die in tegenstelling tot Merckx wel ooit olympisch goud heeft gewonnen. In de jaren vijftig reden en wonnen klassieke renners als Rik Van Looy, Rik Van Steenbergen en Fred De Bruyne in Gent. De jaren zestig, zeventig en tachtig waren de jaren van Sercu, maar wie toen ook allemaal de revue passeerde en won: Merckx, Van Looy, Jempi Monseré, Roger De Vlaeminck, samen hebben die zowat alle wielerwedstrijden van hun tijd gewonnen en meer dan één keer. En toen was het afgelopen.

De zesdaagse van Gent werd vanaf de jaren tachtig gewonnen door B- en C-renners als Etienne De Wilde, Stan Tourné, Danny Clark en Don Allen. In de jaren negentig werd het er niet beter op. Geen enkele winnaar van een zesdaagse kwam aan de enkels van hun illustere voorgangers, met uitzondering van die passage van Mark Cavendish en Bradley Wiggins in 2016.

Deze week las ik een verhaal over en met Iljo Keisse. Iljo verdient respect voor hoe hij zichzelf heeft heruitgevonden als renner, maar wie hem de titel van keizer van de Gentse zesdaagse geeft, moet zijn historisch kompas laten nakijken. Iljo heeft zijn best gedaan, het Gentse publiek vermaakt, zeven keer gewonnen, maar de keizer van Gent blijft Patrick Sercu en niemand anders. Sercu (11 keer gewonnen in Gent op 88 keer winst in zesdaagsen) heeft op de weg ook nooit een klassieker gewonnen maar wel 6 ritten in de Tour en 13 in de Giro.

Nadat Keisse op last van Patrick Lefevere van de weg een prioriteit had gemaakt, ging het nog sneller bergaf met de kwaliteit op de baan. De koning van de Gentse zesdaagse werd plots Kenny De Ketele. Het is maar hoe je het bekijkt, dat koningschap, maar De Ketele heeft zijn hele leven voor (Top)Sport Vlaanderen gereden. Tot zijn 36ste in een opleidingsploeg, dat was niet uit vrije wil maar omdat geen enkele andere wielerploeg hem ooit is komen halen zoals wel Keisse, Jasper De Buyst en recent Robbe Ghys en Fabio Van den Bossche.

De zesdaagse is in 2015 omschreven als een dinosaurus, met uitsterven bedreigd. In dat jaar bleef Gent samen met Berlijn, Kopenhagen, Bremen en Rotterdam als enige over op de zesdaagsenkalender. Vandaag zijn dat nog Gent en Rotterdam. De al uitgestorven dino’s hebben met de moderne DNA-technieken een betere kans op een doorstart dan de uitstervende zesdaagsen.

Wie zich amuseert op de Gentse zesdaagse, be my guest, maar maak niet de fout te denken dat het over topsport gaat. De Gentse zesdaagse is in de eerste plaats een hospitality-happening, de Gentse Winterfeesten mét studenten. Zodoende is het vooral een kaskoe voor organisator Golazo.

Zoals gymnastiek zich verhoudt tot circus, zo verhoudt baanwielrennen zich tot de zesdaagse. Die voegt niks toe aan de topsport baanwielrennen, wel integendeel. Dat bleek nog op de laatste twee Olympische Spelen die ploegkoers op het programma hadden. De keizers en koningen van die Gentse hobbelpiste van 166 meter kwamen zowel in Peking in 2008 als in Tokio in 2021 op een echte olympische baan van 250 meter tekort om die ene laatste ronde te nemen. Ghys-Van Den Bossche volgende zomer in Parijs, dat zou het kunnen worden, de eerste ploegkoersmedaille in twintig jaar.