Column Sportstad Sarajevo in De Morgen van zaterdag 19 december 2020

SPORTSTAD SARAJEVO

Donderdag opende ik de krant en zag dat deze week 25 jaar geleden de akkoorden van Dayton zijn gesloten. Die maakten een einde aan de Joegoslavische burgeroorlogen. Ik dacht meteen aan Sarajevo. Zelden heeft een stad meer indruk op mij gemaakt, en hoewel ik gruwel van verjaardagsjournalistiek toch deze trip down memory lane.

Ik was er voor het eerst in 1986 met Kruikenburg Ternat voor een Europese final four. Dat was amper twee jaar na de Olympische Winterspelen (met de hemelse Katarina Witt), die de stad een boost hadden bezorgd. Sarajevo was toen minder een sportstad dan wel een kruispunt van culturen, met op het centrale plein een synagoge, katholieke kerk, orthodoxe kerk en de grootste moskee van Europa. Vandaag is Sarajevo etnisch en min of meer religieus gezuiverd. De glamour van weleer is weg, die verloor het in die wrede etnische/godsdienstoorlog.

Op het vliegtuig terug naar Zagreb zaten de (Kroatische) broers Petrovic, de illustere basketbalspelers, die hun legerdienst in Sarajevo volbrachten. Drazen, de eerste Europese NBA-ster, zou in 1993 op de Autobahn verongelukken op weg naar het EK in Duitsland, waar hij met Kroatië aan de slag moest. Zijn oudere broer Aleksandar zou ik later ontmoeten op een basketbalbedevaart naar Cibona Zagreb. Hij liet mij het schrijn voor zijn broer bezoeken.

Toen Drazen verongelukte, was het al oorlog in Sarajevo en wijde omstreken. Hij was op weg naar een EK basketbal in Duitsland, het eerste sporttoernooi ooit met een team van Bosnië en Herzegovina. De spelers uit Sarajevo, niet eens allemaal moslims maar ook orthodoxen en katholieken, kregen veel internationale pers omdat ze bij nacht en ontij uit het belegerde Sarajevo waren ontsnapt. Daartoe hadden ze een geheime tunnel gebruikt onder de landingsbaan van de luchthaven, die in Servische handen was.

Toen nog Joegoslavië (Servië en Montenegro) was ook op dat EK basketbal van 1993 en protesteerde heftig. “Zoveel misplaatst medelijden voor een groepje marginalen aangevoerd door ene Samir Avdic, een officier van het Bosnische leger, een moordenaar nog wel.” Avdic gaf bij persconferenties grif toe dat hij tussen de schaarse basketbaltrainingen door Serviërs om zeep had geholpen: “Zoals alle jonge mannen in mijn land deed ik mijn plicht.” Maar Bosnië mocht toch op het toernooi blijven.

In 2004 ben ik teruggekeerd – verjaardagsjournalistiek, jawel. De stad was nog lang niet hersteld van die 1.395 dagen onder Servisch geschut. De trip van de luchthaven naar het centrum was een schoktherapie. De flatgebouwen hadden één gemeenschappelijk kenmerk: mortier-, obus- en kogelgaten. In de stad herinnerden de rozen van de dood, bloedspatten van rode verf op de trottoirs, aan de gruwel van de granaataanvallen. De moslimbegraafplaats Kovaci, met al die witte stèles naast elkaar, drong vanuit de heuvels met hun witte gletsjertongen de stad binnen. Het Mezarje-kerkhof had alle voetbalvelden rond het olympisch stadion ingenomen.

Mijn chauffeur die trip was tijdens de oorlog de chauffeur van president Izetbegovic. Hij toerde met mij in de heuvels rond Sarajevo. Of we nu op Selimovic Boulevard – toen beter bekend als Sniper Alley – of in de olympische skigebieden van Bjelasnica of Jahorina reden, waar tien jaar eerder de zware Servische kanonnen stonden, of later in de heuvels rond de stad, zijn mantra bleef: “Cetniks. Nie gut. Boem boem, rattatatatata.”

Het bevreemdende gezicht van het zwartgeblakerde hotel Igman, in 1984 het olympische hoofdkwartier bij de langlauf, de graven midden op de skipistes, het olympische monument bij Bjelasnica dat de Serviërs voor hun schietoefeningen hadden gebruikt en waar nog stukken van de ringen aanhingen, het was ontluisterend. Toen ik vroeg om een toiletstop ontstond paniek. Hij wees op de bordjes in de bermen: MINE! Niet te ver plassen, was de opdracht.

En dan had ik Trebevic, de site van het bobsleeën, nog niet gezien. Die had hij bewaard voor het laatst. Weer hetzelfde: “Jaja, Trebevic, Chetnik. Viel boem boem.” Trebevic is de dichtste hoge heuvel die op Sarajevo uitkijkt. De bobbaan of wat daarvan overbleef, was tot op tien meter benaderbaar. Dit was de dichtste munitieopslagplaats van de Serviërs bij de stad en op 5 februari 1994 werd vanuit die stelling – de bobbaan diende als lanceerplatform – de Markale-groenmarkt in de stad met mortieren bestookt. In één klap vielen 67 doden.

Het was op die trip dat ik een wijsheid hoorde die mij altijd is bijgebleven: “Het eerste dat ophoudt door oorlog is sport. Het eerste dat herbegint als het even kan, is ook sport.”

Column Coronaprijzen in De Morgen van maandag 14 december 2020

Prijzen in tijden van corona

Ik gun Wout van Aert alles. Een mooi huis, een mooie vrouw, een mooie ploeg en mooie fietsen heeft hij al. In wens hem ook een mooie baby die op komst is, en veel, heel veel prijzen. Wout van Aert is een topatleet. Zoals hij is teruggekeerd na die horrocrash in de Tour van 2019, dat doen er niet veel hem na. Strompelen, stappen, wandelen, licht fietsen, licht lopen, zwaar lopen, zwaar fietsen, mee kunnen met peloton…oef…dat was al onverhoopt. 

Vervolgens het peloton naar huis rijden in de klassiekers en daar nog een dijk van een Tour aan vasthangen, om te besluiten met de sprint van het jaar tegen aartsrivaal Mathieu van der Poel – heel nipt verloren, oké – dat is niets meer of minder de comeback van de eeuw in het wielrennen. Bovendien is Van Aert een heel aardige gast. Dat zeg ik erbij onder licht voorbehoud want ik heb een jaarlijks groot gesprek te goed. Niks zegt dat het er niet van komt. Ik heb geduld en met de corona nog meer, maar met die sterren weet je nooit, éénmaal naar een ander melkwegstelsel gewarpt.

Wout van Aert mag én gaat dit vervloekte jaar 2020 alle sportprijzen winnen die in dit kikkersportland te winnen zijn. Is dat terecht? Daar gaat dit stukje over. Het prijzenfeest begon naar aloude traditie met de Trofee voor Sportverdienste. Die is al aangekondigd en wordt ergens begin volgend jaar uitgereikt, als ik goed heb gevolgd. Die was voor Wout en die kan hij maar één keer winnen. Check, daar is hij alvast van verlost.

Vervolgens werd hij ook uitgeroepen tot Flandrien van het Jaar door Het Nieuwsblad. Die maken daar in normale omstandigheden een hele avondvullende show van, maar niet deze keer. Jazeker, corona heeft ook voordelen. Daarna kregen we – we, zijnde de sportpers met een officiële perskaart – het stemformulier binnen voor de Vlaamse Reus. Dat is dan weer de prijs die uitgereikt wordt door het verbond van Vlaamse Sportjournalisten. 

Ik heb die tweedeling nooit goed begrepen, maar ze zal wel noodzakelijk zijn geweest. Iets met subsidies zeker, zoals alles wat taalgesplitst is in dit land. Euh, wat had u gedacht, ook die Vlaamse Reus was voor Wout van Aert. Normaal wordt hem gevraagd die af te komen halen op een etentje, maar – corona heeft in deze niets anders dan voordelen – ging een delegatie bij hem op bezoek om de prijs af te geven. 

Wout ging op de foto en vond het een hele eer omdat – zo zei hij – die prijs vergeven wordt door echte kenners, wij dus, de sportpers. Als ik hem zie, zal ik hem wel eens uitleggen dat het reuze meevalt (of tegenvalt zo u wil) met die brede kennis van de topsport. De meeste sportjournalisten zijn tegenwoordig zo gefixeerd op hun sport dat ze er alles zouden aan doen om bij ‘hun’ atleten op een goed blaadje te komen, tot zelfs – zag ik laatst – een chocoladetaart aanslepen om toch maar een quootje te krijgen.

Verdorie, ik ben de Kristallen Fiets vergeten. Die zal ook wel voor Wout van Aert zijn. Effe gecheckt, oké, die wordt deze week uitgereikt. Die wielerprijs komt van Het Laatste Nieuws en dat is zowat de Gouden Schoen van de wielrenners. De Gouden Schoen van de voetballers is iets voor januari. Er is maar één stemronde. Nog deze week – vrijdag meer in het bijzonder – wordt de Sportman/vrouw/ploeg/jongere/paralympiër van het jaar bekend gemaakt. Ook daarvoor mocht ik stemmen en dat heb ik niet gedaan.

Ik weiger in dit gedecimeerd sportjaar te stemmen. Mijn stem zal het verschil niet maken, maar het is een princiepskwestie. Alle lof voor de sporters die het ongetwijfeld heel goed hebben gedaan en prijzen winnen maar die hadden toch vooral het voordeel tegenover andere sporters dat hun tijdverdrijf/beroep wel doorgang vond. Denk daarbij in de eerste plaats aan wielrennen en voetbal. Dat duopolie beheerst de sportjournalistiek nergens meer dan in België, en om dat nog maar eens te bevestigen, neen, liever niet.

Jammer voor de Sportvrouw van het Jaar want ik had/heb een boon voor Julie Allemand, de spelverdeelster van de Belgian Cats, die samen met Emme Meesseman de drijvende kracht achter de kwalificatie voor de Olympische Spelen. Idem voor Sportploeg van het Jaar, waar ik ook de Belgian Cats op één zou zetten (maar niet deed). Voor belofte van het jaar vind ik Charles De Ketelaere wel een mooie, van die zullen we nog horen. Coach van het jaar (Clement van Club of Mestdagh van de Cats?) en Paralympiër van het Jaar (hadden die competitie) is een lastige.

Deze week werd een mail uitgestuurd die mij bevestigde in mijn tegendraadsheid. Sport Vlaanderen reikt dit jaar geen Vlaamse sportprijzen uit. Ik wil hen daarvoor feliciteren.

Ik weiger in dit gedecimeerd sportjaar te stemmen. Mijn stem zal het verschil niet maken, maar het is een princiepskwestie.

Verhaal over de aandelen en financiën van RSC Anderlecht in De Morgen van zaterdag 12 december 2020

Met gestrekt been vechten om de macht

Anderlecht flirt met de 100 miljoen euro schulden en blijft flink verlies maken. Zonder extra geld gaat Belgiës roemrijkste club failliet. Maar kleine aandeelhouders blokkeren de benodigde kapitaalinjectie. Achtergronden bij een peperdure patstelling.

De Royal Sporting Club Anderlecht-saga is een lang verhaal met een onzekere afloop, tot daar het slechte nieuws. Het goede nieuws, voor u lezer: erg ingewikkeld is het allemaal niet, op voorwaarde dat u bij de les blijft.

We vatten het ter inleiding even samen. Anderlecht heeft volgens de eigen mantra de laatste jaren te kampen gehad met tegenslag, voor zover geen Europees voetbal, minder spelers verkocht voor minder geld en meer uitgegeven kan doorgaan voor tegenslag.

Er zijn eind 2017 bij de machtswissel Roger Vanden Stock/Marc Coucke ook lijken uit de kast komen vallen, maar eerlijk is eerlijk: de precaire financiële situatie is het gevolg van een oude kwaal: Anderlecht zaait al jaren niet naar de zak.

Het beeld van de oude adel die op grote voet bleef leven terwijl rond haar de zekerheden wegvielen en de inkomsten opdroogden, is niet vergezocht. Alleen, nadat die oude adel de bouwval had verkocht, ging de nieuwe adel nóg driester te werk. In het eerste volledige seizoen onder het bewind van Marc Coucke – meteen ook de laatst gepubliceerde jaarrekening – werd 25 miljoen euro verlies gemaakt. In het eerste halve jaar nadat hij de club had overgenomen, eindigde hij ook al op 5 miljoen verlies.

Eersteklassers sluiten hun boekjaar op 30 juni af en moeten rond deze tijd hun jaarrekening indienen bij de balanscentrale van de Nationale Bank van België. Anderlecht wil daar wel eens tegen zondigen; die kleine boete kan er nog wel bij. Later duikt die jaarrekening op in de Staatsbladmonitor. Van RSC Anderlecht en het boekjaar 2020, afgesloten op 30 juni van dit jaar, was bij het ter perse gaan nog geen spoor. Insiders steken het niet onder stoelen of banken: “De jaarrekening kleurt eens te meer donkerrood, maar wat wil je? Het ging al niet goed en dan nog eens die corona…”

En nu komt de paradox: corona ís erg voor het voetbal, maar voor Anderlecht zou het de redding kunnen betekenen. Met de nadruk op ‘zou’. Leest u verder, we komen daar zo op terug.

Alarmbelprocedure

De paars-witte zorgen zijn terecht. De club liet in het vorige boekjaar – dat afliep op 30 juni 2019, dus voordat corona toesloeg – al een verlies optekenen van 25 miljoen euro. Daartegenover stond toen een eigen vermogen van 8,5 miljoen euro, maar schulden ten belope van bijna 95 miljoen, waarvan 73.183.932 opvraagbaar binnen één jaar, kortlopende schulden dus.

Verwacht wordt dat bij deze jaarrekening het verlies hoger uitkomt dan dat van vorig jaar en dat de schuldenberg ruim boven de 100 miljoen piekt, een absoluut record voor een Belgische club.

Maar: schulden alleen zijn geen indicator. Bij Club Brugge zijn die in het laatste boekjaar ook met 20 miljoen toegenomen, tot 61 miljoen euro, maar daartegenover staat dat de club de voorbije twee boekjaren 11 en 35 miljoen euro winst maakte. Daarnaast hebben de landskampioenen ook mooi geïnvesteerd en reserves aangelegd, kortom, zoals het hoort.

Anderlecht zit wél in vieze papieren. De dag dat het de schuldeisers niet meer betaalt, krijgt het ook geen licentie meer voor 1A, zoals de Jupiler Pro League officieel heet. Dat dossier zit nu in de opmaakfase en in februari volgt de toets door de licentiecommissie. Zij geven op dat moment de licentie voor het Belgisch profvoetbal vrij, en voor Europa.

Decennialang was dat de favoriete speeltuin van Anderlecht, maar de laatste Europese campagne dateert al van de herfst van 2018. Voor de laatste grote prestatie moeten we terug naar de lente van 2017 en de kwartfinale van de Europa League, toen nipt van Manchester United werd verloren. Een half jaar later stapte een nieuwe kleine grote man door de poorten van het Astridpark: Marc Coucke.

Hoewel het misschien penibel oogt, is het behalen van die licenties geen onoverkomelijke opdracht, op voorwaarde dat voor eens en altijd de rekeningen worden aangezuiverd en de bedrijfsvoering navenant is. Aanzuiveren moet via een kapitaalverhoging en mag niet via de rekening-courant of een lening verlopen. Ook dat is niet onoverkomelijk. Anderlecht heeft met Marc Coucke een hoofdaandeelhouder die voor de doorsnee-Belg zo rijk is als de zee diep.

Toch sinds hij zijn Omega Pharma aan de Amerikanen van Perrigo voor 3,6 miljard euro verkocht. Nadien beschuldigde Perrigo Coucke ervan zijn bedrijf te hebben verkocht op basis van vervalste cijfers. De omzetcijfers zouden kunstmatig zijn opgedreven. De Amerikanen eisen in een arbitrageprocedure ongeveer de volledige meerwaarde terug die Coucke boekte op de verkoop. Uitspraak volgt in april 2021.

Ondanks de onzekere uitkomst van die arbitrage wil Coucke maar wat graag vers kapitaal in zijn club, zijn voornaamste speelgoed, pompen, al was het maar om de schone schijn op te houden voor de buitenwereld. Het is juist dat dossier dat momenteel door enkele andere aandeelhouders wordt geblokkeerd.

Nog een heikel probleem is dat de financiële toestand van Anderlecht niet alleen de voetbalbond, maar ook de financiële waakhonden in dit land zorgen baart. RSCA – met ondernemingsnummer BE0823.379.451 gevestigd aan de Théo Verbeecklaan 2 in 1070, Anderlecht – is al een tijdje onderworpen aan de zogeheten alarmbelprocedure.

Tijd voor een intermezzo vennootschapsrecht: de alarmbelprocedure moet worden toegepast als aan een van twee criteria voldaan is. Zo is er de balanstest. Daarbij wordt gekeken of het ‘netto-actief’ – het eigen vermogen minus de schulden en de voorzieningen – negatief is geworden of dreigt te worden. Verder volgt ook een liquiditeitstest. Daaruit moet blijken of de vennootschap gedurende minstens de volgende twaalf maanden haar schulden zal kunnen betalen. Anderlecht scoort hoog, slecht dus, op beide criteria.

Naast het informeren van de algemene vergadering binnen een termijn van twee maanden moet de directie maatregelen nemen om de problematische financiële toestand te verhelpen. Dat is het herstelplan waar CEO Karel Van Eetvelt bij zijn aantreden in de lente hard aan heeft gewerkt. Dat deed hij samen met Anderlechts financiële man, Jo Van Biesbroeck. Inmiddels is Van Biesbroeck weg, maar het plan ligt er nog altijd en wordt uitgevoerd, omdat het niet anders kan: Anderlecht heeft inkomsten nodig. De voortijdige lozing van supertalent Jérémy Doku naar Rennes – voor een geschatte transfersom van 27 miljoen euro plus bonussen bij een eventuele doorverkoop – was daar een exponent van.

Dank aan de pandemie

Zo, nu u bent bijgepraat over de financiële toestand van Royal Sporting Club Anderlecht, gunnen we u een blik in de paars-witte achterkamerpolitiek.

Alles begint in 2017, het jaar van de laatste titel en de laatste geslaagde Europese campagne. Roger Vanden Stock en diens neef Philippe Colin willen al langer van de dagelijkse beslommeringen af die het besturen van een club met zich meebrengt. Ze willen geld verdienen aan hun aandelen en tegelijk zich tweewekelijks op de tribune d’honneur kunnen nestelen. Maar er is een tweede, minder bekende reden waarom ze snel willen verkopen: een aangekondigde belasting – die er uiteindelijk nooit zal komen – op de meerwaarde bij de verkoop van hun aandelen.

Verschillende kandidaten dienen zich aan. Wat toen voor waarheid werd verkondigd – dat onder gesloten omslag is geboden en de club blind naar de meest biedende ging, Coucke, dus – is niet helemaal waar. De kandidaten hebben zich gepresenteerd en een koperspraatje gehouden. Naast Coucke, die voor zijn doen in alle stilte opereerde, waren dat Wouter Vandenhaute, al of niet met anderen, Johan Beerlandt namens bouwgroep Besix en hun Egyptische eigenaarsfamilie en ten slotte ook Paul Gheysens, van vastgoedinvesteerder en bouwbedrijf Ghelamco.

Die laatste viel snel af omdat Vanden Stock en Colin een aversie tegen Paul Gheysens hadden ontwikkeld na de saga met het Eurostadion van Gheysens, waar Anderlecht eerst wel, dan niet, dan weer wel en uiteindelijk niet in zou participeren. “Het werd Coucke,” zo zegt een Anderlecht-man vandaag, “niet omdat ze Coucke zo graag hadden, maar omdat ze van de club af wilden en Coucke het geld had. Dat hij plannen had om de club op moderne leest te schoeien en een Belg was, speelde mee. Belgische verankering zou goed zijn voor de club.”

Intimi weten nu dat ze beter voor Beerlandt, Besix en de Egyptenaren van bouwbedrijf Orascom hadden gekozen. Die wilden zo graag in het voetbal. Toen Anderlecht niet doorging, kochten de Egyptenaren, de familie Sawiris, de Engelse club Aston Villa.

Marc Coucke, tot op dat moment de grote man bij KV Oostende, liet de kustploeg als een baksteen vallen. Samen met zijn zakenpartner Joris Ide nam hij 74 procent van de aandelen over en werd zo de nieuwe voorzitter van RSC Anderlecht. De resterende aandelen, 25,7 procent, bleven in handen van zes andere aandeelhouders: Johan Beerlandt, Etienne en zijn neef Olivier Davignon, Michael Verschueren, Claire en Julie (dochters van gewezen voorzitter Roger) Vanden Stock en Alexandre Van Damme. Die laatste koos ook voor Coucke, maar heeft zich dat snel beklaagd. Ooit had de zakenman (AB InBev), vermoedelijk de rijkste Belg, 16 procent van de aandelen en leek hij de nieuwe sterke man te worden, maar na de komst van wervelwind Coucke bouwde hij zijn aandelen af.

Van Damme zou volgens bronnen dicht bij de club gedegouteerd zijn door het roekeloze beleid van Coucke in zijn eerste twee jaar en zou zijn aandelen daarom aan Michael Verschueren hebben verkocht. Bronnen binnen de club stellen zich daar vragen bij en vermoeden dat Van Damme op de achtergrond nog steeds aanwezig is. Michael Verschueren is op papier de grootste kleine aandeelhouder geworden, maar de situatie blijft dezelfde: de B-aandeelhouders hebben een blokkeringsminderheid van 25 procent en kunnen dus elke kapitaalverhoging tegenhouden.

Die kapitaalverhoging is dan weer nodig om Anderlecht boven water te houden en de schuldenberg aan te zuiveren. In veel andere bedrijfssectoren zou dat met een lening kunnen, maar niet in het voetbal. In de zomer van 2017 is in de Profliga een financial fair play ingevoerd. Die stipuleert dat een club over drie seizoenen maximaal 35 miljoen euro verlies mag maken, op voorwaarde dat het verlies wordt bijgepast, en dan alleen nog maar via een kapitaalverhoging.

Coucke heeft op 6 maart 2019 al een kapitaalverhoging toegepast van 30 miljoen euro en kan dus in normale omstandigheden een jaar later niet opnieuw het kapitaal verhogen, althans niet de sommen die nodig zijn om de schulden aan te zuiveren. Dat zou pas opnieuw in 2022 kunnen en weer voor maximaal 30 miljoen euro. Maar dit zijn geen normale omstandigheden. Dit is het jaar van corona en de Profliga heeft deze zomer beslist – in navolging van de UEFA – dat corona-gerelateerde schulden zonder bestraffing door de financial fair play mogen worden weggewerkt.

Het is een buitenkans voor Coucke. Zonder corona had elke nieuwe kapitaalinjectie tot een bestraffing geleid, te beginnen met puntenaftrek en een reductie van het aantal kernspelers. In theorie zou alleen coronagerelateerd inkomstenverlies in aanmerking worden genomen. Een rondvraag bij andere profclubs leert dat enkele clubbestuurders heel goed in de gaten willen houden wat Coucke in het schild voert. Anderen denken dan weer dat elke structurele kapitaalinjectie in het voetbal moet worden aangemoedigd. Vandaag kan meer dan ooit, met dank aan de pandemie.

Paleisrevolutie(s)

Ondertussen is Marc Coucke zowat van de aardbol verdwenen. De driftige twitteraar is niet meer. Alleen over Pairi Daiza en darmproblemen wil hij zelf nog wel iets op schrift stellen, voor het overige houdt hij zich onledig met retweets over Anderlecht. In januari van dit jaar stelde hij al een nieuwe CEO aan in de persoon van Karel Van Eetvelt en haalde hij ook mediaman Wouter Vandenhaute binnen als extern adviseur.

Die twee begeleidden Michael Verschueren als sportieve baas naar de uitgang en haalden half februari Peter Verbeke voor die functie weg bij Gent.

Wie toen al dacht aan een paleisrevolutie, viel eind mei pas echt van zijn stoel. Wouter Vandenhaute verving Marc Coucke als voorzitter van de club waar hij zelf nog eind 2017 op had geboden en werd de vervanger van de man tegen wie hij het drie jaar geleden moest afleggen. Maar Vandenhaute is vandaag officieel nog steeds geen voorzitter. Ook dat symbooldossier is niet goedgekeurd door de raad van bestuur, net als de kapitaalverhoging waarvoor Vandenhaute zich het vuur uit de sloffen loopt.

Die kapitaalinjectie zien Vandenhaute en Coucke als de gedroomde en ook enige ontsnappingsroute voor RSC Anderlecht. Tot hun niet geringe frustratie blijven de B-aandeelhouders moeilijk doen. Dat is te begrijpen. Als Coucke nog eens 20 miljoen euro in de club pompt en 50 miljoen euro schulden omzet in kapitaal, zoals wordt gehoopt, vergroot het kapitaal en wordt zijn aandeel in dat kapitaal groter dan 75 procent. Door die kapitaalverhoging zien de B-aandeelhouders hun blokkeringsminderheid verdwijnen. Tenzij ze ook meestappen in de kapitaalinjectie, maar dat willen of kunnen ze niet.

Het gaat dus om pure macht. Of die houding goed is voor de club, is een ander verhaal.

Bij de oude getrouwen van de club weet men ook niet goed welk spelletje nu wordt gespeeld. Zij menen dat de starre houding niet terug te voeren is op logica, maar emotie: alles begint en eindigt bij de viscerale afkeer voor Marc Coucke. Anderen denken (of hopen) dat ze hem zo kunnen uitroken, ten voordele van een overnemer die in de coulissen klaar staat.

De onderhandelingen zitten nu in een cruciale fase. De vertegenwoordigers van de B-aandeelhouders zijn Michael Verschueren en oude vos Etienne Davignon, twee gematigde Anderlecht-bestuurders die wel nog in de eretribune te zien waren, toen dat omwille van de coronaregels nog mocht. Davignon zei vorige week aan Het Laatste Nieuws dat een akkoord niet ver af is en wellicht voor Kerstmis bekend wordt gemaakt.

Het is met die kapitaalverhoging zoals met het buitenspel: wait and see.

Column met en over Loekasjenko in De Mor gen van zaterdag 12 december 2020

Loekasjenko

In 1995 zat ik in het gevolg van sportpaus Juan Antonio Samaranch en troonopvolger-kardinaal Jacques Rogge. We vlogen met een piepklein privévliegtuigje (zonder toilet aan boord) naar enkele Oostblok-landen. Na beleefdheidsbezoekjes aan Vilnius en Tallinn volgde de derde en lastigste etappe naar Minsk. Tot dan was alles perfect verlopen, die ene officiële rondetafel in Vilnius waarbij ik haast in slaap viel niet te na gesproken. Ik werd toen net voor de snurkfase gered door een elleboogstoot van Annie, de privésecretaresse van Samaranch.

Toen ze later in de tussenvlucht richting Minsk naast mij kwam zitten, verwachtte ik een reprimande. Niet dus, ze had wat advies. De president had haar gevraagd mij te briefen over Aleksandr Loekasjenko en de ware reden van onze tocht richting Minsk. Officieel was het een beleefdheidsbezoek aan het nationaal olympisch comité (NOC) van Belarus, zoals Wit-Rusland in de internationale sportwereld heet. Officieus waren Samaranch en Rogge op blitzbezoek omdat de zittende secretaris-generaal hen had getipt over een mogelijke machtsgreep van president Loekasjenko op de Wit-Russische sport. Als sportfanaat wilde hij maar wat graag voorzitter worden van eigen zijn NOC, onder meer om zo een jaar later in Atlanta van een plekje op de eretribunes verzekerd te zijn.

Een nationaal olympisch comité hoort in theorie apolitiek te zijn en daarom moesten wij Loekasjenko wijsmaken dat zoiets not done was. Misschien is ‘wij’ in voorgaande zin en mijn aandeel in deze operatie lichtelijk overdreven, want ik was decor. Het leverde wel een aardige repo op, zelfs nadat de ware toedracht van ons bezoek achteraf uit mijn verhaal werd gecensureerd.

Bij aankomst in Minsk was van de Wit-Russische president geen spoor te bekennen. Er stond wel een andere Aleksandr klaar. Aleksandr Medved was de eerste worstelaar uit de olympische geschiedenis die op drie opeenvolgende Spelen goud had gewonnen. De Beer – zijn bijnaam – stond ons op te wachten, maar verder dan een vermorzelde hand (die van mij) en wat heen-en-weer- geglimlach geraakten we niet vanwege ik geen Russisch en hij niets anders dan (Wit-)Russisch.

De colonne reed recht naar een van de paleizen van Loekasjenko, alwaar we een kamer kregen om eerst wat uit te rusten in afwachting van de ontmoeting met Loekasjenko. Die was hartelijk. De lokale pers was erbij, met een bloedmooie journaliste van de tv over wie werd gefluisterd dat ze deel uitmaakte van de vaste presidentiële harem. Cadeaus werden overhandigd en Loekasjenko nam het woord. Hij uitte zijn passie voor sport en vroeg in één moeite aan Samaranch om naast de (toen nog) 26 olympische sporten ook een vierjaarlijks olympisch bokstoernooi voor staatshoofden te organiseren. Nadat de tolk dat netjes had vertaald, dacht ik: haha, grapje. Er was er maar één die hardop lachte. Foutje. ‘Loeka’ keek mij aan en ik zag meteen dat het hem menens was. Hij leek mij ook een veel betere bokser dan ik.

Vervolgens trok de top (Samaranch, Rogge, Loekasjenko en een tolk) zich terug voor het moeilijkste halfuurtje van de hele driedaagse trip. Enige tijd later, nadat een slechtgehumeurde Samaranch een tweede receptie had afgelast, zagen we elkaar terug op het vliegveld van Minsk. “Loekasjenko heeft de boodschap begrepen”, zei Rogge, om daar op zijn Rogges ironisch aan toe te voegen, “maar ik denk niet dat hij zich daar veel van zal aantrekken.”

Zijn voorspelling kwam uit. Even later waren secretaris-generaal en voorzitter afgezet en bij de voorzittersverkiezingen voor het nationaal olympisch comité was er maar één kandidaat: Aleksandr Loekasjenko. Hij haalde 100 procent van de stemmen, nóg beter dan bij al zijn stalinistische presidentsverkiezingen.

Aleksandr Loekasjenko is sindsdien de enige president die ook voorzitter is van zijn eigen nationaal olympisch comité en dat nu al 24 jaar lang. Zijn zoon Viktor is vice. The NOC of Belarus verhuisde van de Karl Marxstraat naar de Regenboogstraat en is nu gevestigd in een soort vliegende schotel. Verder is niks veranderd.

Hoewel, na de staatsterreur, niet het minst ten aanzien van de topatleten die deelnamen aan de protestacties, en gevolg gevend aan de internationale verontwaardiging besloot het Internationaal Olympisch Comité (IOC) deze week alle betalingen aan het NOC op te schorten. Ze vragen ook alle internationale sportbonden de banden met Wit-Rusland op te schorten. Die betalingen en die banden zullen Aleksandr en Viktor aan hun reet roesten, maar dat ze niet welkom zijn op de tribunes van de Olympic Family in Tokio volgende zomer is wel een flinke tegenvaller. Ten bewijs: Loekasjenko heeft gedreigd met een proces tegen het IOC. Wordt vervolgd.

Column Navelrijden in De Morgen van maandag 7 december 2020

Navelrijden

Eli Iserbyt heeft gisteren zijn zevende veldrit gewonnen en loopt uit in de Superprestige. Michael Vanthourenhout is tweede geworden. Eli en Michael komen uit respectievelijk Harelbeke (spreek uit als Oarelbeke) en Wingene (spreek ongeveer uit zoals het wordt geschreven).

Wingene moet u kennen, niet van de cross maar van de varkens. In 1990 brak daar de varkenspest uit. Er waren toen twintig keer meer varkens dan mensen in groot-Wingene. Die hebben ze toen ongeveer allemaal een kopje kleiner moeten maken. Vandaag zijn er in Wingene/Zwevezele nog altijd elf keer meer varkens dan mensen.

Wat heeft dat te maken met de cross? He-le-maal niks, maar het is goed om te weten. De ene varkensregio (West-Vlaanderen) heeft de andere varkensregio (de Kempen) tijdelijk afgelost als epicentrum van het navelrijden in modder, ook weleens cross of veldrijden geheten. De nummers drie en vier van gisteren in Boom waren Toon Aerts uit Malle en Wout van Aert uit Lille, de Kempen dus.

Ik kijk naar de cross, maar ik weet niet hoe ik een en ander moet inschatten. De ene keer geloof ik Michel Wuyts en zijn sidekick Paul Herygers: we zijn bevoorrechte getuigen van wereldprestaties. We mogen ons vooral niet storen aan die eenzijdige Vlaamse dominantie, want uit onze Vlamingen uit de Kempen, West-Vlaanderen en een beetje Brabant is door zorgvuldige kruising genetisch, technisch, psychologisch en socio-cultureel het superras van de veldrijder ontstaan. Oké, en de rest van de wereldbevolking benijdt ons die voorbestemdheid, wil ook wel met ons meedoen, maar ze kunnen gewoon niet.

De andere keer denk ik: moet dit wel op televisie? Het grootste deel rijdt zich de pleuris om bij de eersten te finishen en dan komt er daar een uit vakantie terug en nadat hij drie woensdagen op rij in Kasterlee zijn hartslag in de hoogte heeft gejaagd, rijdt die meteen bij de eerste drie. Het grootste deel rijdt een koers, heeft een heel jaar naar deze wedstrijden gepiekt. Die andere komt trainen, wil een piekje in januari in het veld en vooral in maart en juli op de weg, en flirt zomaar met de winst. Zo komt er straks nog een bij.

“En nu stappen zetten om te concurreren met Van Aert en Van der Poel”, pochte het management van de Sauzen-ploeg na Merksplas, waar ze het hele podium bezetten. Bij Jurgen Mettepenningen en Mario De Clercq moet ik altijd denken aan een pak slappe frieten met foute saus. Samen zijn ze la Flandre très profonde maar het is niet anders, die twee leiden momenteel de beste crossploeg van Vlaanderen, dus van de wereld. Op 12 december komt Mathieu van der Poel terug in het veld, beter gezegd in het zand want hij maakt zijn debuut in Antwerpen.

Zowel Van Aert als Van der Poel mikt vooral op de kampioenschappen, met als hoogtepunt het WK in België, in het zand van Oostende meer in het bijzonder. Van de klassementen liggen ze niet wakker. Samen rijden ze drie Superprestiges en nog eens drie wereldbekers. Verder hebben ze hun wedstrijden uitgekozen, wellicht in functie van wie het best betaalt.

Het doet een beetje denken aan hoe Eddy Merckx en andere wegrenners destijds in het zesdaagsecircuit stapten en de mooiste startgelden kregen. Laat het een les zijn: een discipline die de beste atleten niet meer aan de start krijgt, verdwijnt in de marginaliteit.

De switch naar de weg van de enige twee grote motoren (sinds Roger De Vlaeminck) heeft het veldrijden herleid tot zijn essentie: een goeie trainingsvorm. Van grote en kleine motoren, enduro’s en solexjes gesproken, veelwinnaar Iserbyt zou bij zijn twintigminutentest in augustus 355 watt weg hebben gestampt. De journalist/commentator schreef: “Niet wereldschokkend op het eerste gezicht. Tot je die watts deelt door dat lage gewicht. Per kilo trapt de beste Iserbyt circa 6,4 watt weg.”

Dat is een beetje appelen met peren vergelijken. Watt per kilo is fantastisch, zolang het de hele tijd bergop gaat. Wat heb je aan die 6,4 watt per kilo lichaamsgewicht als een groot deel van het parcours vlak is? In dat geval ben je altijd beter af met een hoger vermogen, ook al weeg je meer. Die 100 watt extra die Van Aert en Van der Poel halen op het vlakke en de powerstukken is het verschil tussen kunnen volgen en moeten lossen.

Cross lijkt voortaan een beetje op een kartingcircuit waar Lewis Hamilton en Max Verstappen voor de lol nog eens komen meedoen. Winnen zullen ze niet doen, goed verdienen wel. De organisatoren weten wel wie wat waard is. Eli Iserbyt, Toon Aerts, Laurens Sweeck en Michael Vanthourenhout krijgen tussen 1.250 en 2.250 euro per cross. Dat is opgeteld niet eens de 10.000 euro die Wout van Aert en Mathieu van der Poel elk krijgen.

Column Glazen Plafond over vrouwen in voetbal in De Morgen van zaterdag 5 december 2020

Glazen plafond

Het was de week van de vrouw in het voetbal en – raar maar waar – ook in het mannenvoetbal. Stéphanie Frappart is inmiddels een BV(S) of bekende voetbalscheidsrechter, niet alleen in kenaumiddens. Een Franse madame van 1,64 meter die 22 beren in korte broek in toom houdt, is groot nieuws. Dat deed ze opnieuw bij Juventus-Dinamo Kiev in de UEFA Champions League. Tot eenieders tevredenheid, zo stond het in de meeste wedstrijdverslagen vermeld. Hoezo dan?

Iedereen die de fysieke examens heeft afgelegd, het reglementenboek weet toe te passen (buitenspel is buitenspel, een overtreding is een overtreding) en de verschillende reeksen heeft doorlopen, kan om het even welke wedstrijd fluiten. Ook een vrouw. Ook een mannenwedstrijd. Er is geen enkele reden om, zoals de trainer van Valenciennes David Le Frapper in oktober 2015, te twijfelen aan verminderde beoordelingscapaciteiten ten gevolge van een vermeend verkeerd geslacht. Hij zag zijn team een strafschop onthouden door Mme Frappart en besloot “dat het toch gecompliceerd was, een vrouw in een mannensport”. Hij kreeg prompt twee wedstrijden schorsing.

Frappart floot haar eerste wedstrijd in de Ligue 1 in 2019, de late lente, wellicht toen het niet al te veel kwaad meer kon. Enkele maanden later kreeg ze de supercup toegewezen. Dat is ook al geen wedstrijd op het scherp van de snede en deze Juve-Kiev was dat evenmin. Kiev was al uitgeschakeld voor overwinteren in de Champions League en Juventus was al door.

Donderdagavond kreeg Stéphanie concurrentie uit haar sekse. In de wedstrijd AA Gent tegen Liberec hebben ze ook een vrouw geprobeerd. Correctie, drie vrouwen in één keer: Katerina Monzul en assistenten uit Oekraïne. Die fluit al sinds 2016 in de hoogste Oekraïense mannendivisie. Bij Gent hebben ze bijna meer Oekraïners dan Belgen dus dat treft. Ook AA Gent tegen Liberec ging nergens meer om. Hiërarchie en anciënniteit, allemaal goed en wel, maar geef Stéphanie en Katerina voortaan ook wedstrijden mét inzet.

Het doorbreken van het glazen plafond in het mannenbastion voetbal is voor de emancipatie van de vrouw in het voetbal en bij uitbreiding in de sport de grootst mogelijke hefboom. Die twee scheidsrechters zullen het verschil niet maken, maar alle beetjes helpen.

Neem nu de Red Flames die zich deze week hebben gekwalificeerd voor het Europees kampioenschap in Engeland: van onschatbare waarde. De manier waarop was al even belangrijk: zwarte beest Zwitserland, waar het enige verlies van de hele campagne werd geïncasseerd, werd opzijgezet. Koel, kil, efficiënt, resultaatgericht: 4-0.

België heeft zich als laatste groepswinnaar van de poules kunnen kwalificeren. In april komen daar na play-offs nog eens zeven teams bij. Ik dacht eerst een enthousiast paragraafje te wijden aan het Belgische doelpuntensaldo van plus 32 en die ene 0-9 in Litouwen, maar toen overliep ik de andere groepen en stootte ik op Denemarken, dat met 14-0 had gewonnen van Georgië, en Frankrijk, dat er elf en twaalf binnen shotte tegen Noord-Macedonië en Kazachstan. En dan heeft San Marino nog geen vrouwenteam.

Het is wat het is, tot twintig jaar geleden zagen we die scores ook in de groepen bij de mannen. De Red Flames hebben met die 0-9 wel de hoogste uitoverwinning van de hele EK-kwalificatie geboekt, dat is ook wat.

Dat EK moest normaal volgend jaar doorgaan, maar dat kan niet omdat dit jaar het EK voor mannen niet kon doorgaan en werd verschoven naar volgend jaar. De vrouwen zijn al van 2019 bezig met kwalificatiewedstrijden en de eindronde van het Europees kampioenschap wordt in de zomer van 2022 gespeeld. Tussendoor krijgen ze de kwalificaties voor het WK op hun bord.

Van alle tot nog toe geplaatste landen heeft België de minste ervaring: een EK in 2017 en verder niks.

Vrouwenvoetbal is een jonge sport, en als je een kwantumsprong wilt maken in een jonge sport moet je investeren. Het uitstel van het EK is voor deze jonge groep een goede zaak. Tot wie ik mij nu moet richten, ik zou het niet weten, maar misschien kan de voetbalbond het voortouw nemen. Een sportbond/sport die een talentvolle vrouwenploeg ter beschikking heeft, zicht heeft op twee kampioenschappen, het voordeel van de tijd heeft en financieel het meer dan behoorlijk doet, is het aan zijn rang en stand verplicht om vol te investeren in omkadering en randvoorwaarden.

Geef de Red Flames een ambitieus programma, haal de internationals gedeeltelijk uit de competitie, biedt hen lange stages aan met veel oefenwedstrijden tegen sterke landen, smeed een team en betaal hen een salaris dat toelaat zich alleen nog te concentreren op hun sport.

Verhaal over overgevraagde voetballers in De Morgen van zaterdag 28 november 2020

Blessuretijd vanaf de aftrap

Competitievoetbal, Champions League, EK, Nations League, WK… Ziedaar de kalender 2021-2022. Steeds meer topvoetballers en sportartsen vrezen voor een enorme blessuregolf. Hoe belastend is het schema van de Kevin De Bruynes van deze wereld?

Het was 10 oktober. Twee dagen na de oefeninterland waarin de Rode Duivels met een experimenteel elftal een belabberde prestatie hadden neergezet tegen Ivoorkust, moest bij Kevin De Bruyne iets van de lever. Hij begon over zijn drukke kalender met drie interlands in zeven dagen, inclusief twee reizen, gevolgd door een speeldag in de Premier League en daarna alweer Champions League en weer Premier League.

“Als ik zo tot het eind van het seizoen doorga, betekent dit dat ik twee jaar zonder pauze zal hebben gespeeld. Ik maak me soms zorgen. Ik heb deze zomer negen dagen vrijaf gehad, maar geen vakantie. Niemand luistert naar de spelers. Iedereen zegt: je verdient goed geld, je moet er maar mee om kunnen. Ik zie een blessuregolf komen, voor veel spelers.”

Van decontrolefreak De Bruyne mag je verwachten dat hij in zijn elektronische agenda de wedstrijden en toernooien in kleurtjes heeft gedownload. Hij weet wat er op hem afkomt. Zoals het scenario van begin oktober dat zich de voorbije weken zou herhalen.

Het begon met interlands – waarvan hij de eerste vriendschappelijke niet speelde – gevolgd door afgelopen weekend een topper tegen Tottenham, daarna Olympiakos Piraeus uit, in de Champions League.

Het zijn/worden vijf helse weken: tussen 21 november en 28 december zal een international die in Engeland voetbalt en in de Champions League meedraait, twaalf wedstrijden spelen – de ene al belangrijker dan de andere. Als ze ook nog eens in de League Cup doorgaan, hebben ze tot 2 februari twee wedstrijden per week. Waarna alras de Champions League zijn eindfase ingaat.

Kijken we nog verder: als het een beetje meezit, of tegenzit, hebben de De Bruynes van deze wereld de komende twee jaar tot en met het WK in Qatar geen lange break meer. Dat is dan opgeteld vier jaar zonder echte vakantie.

Wat voor De Bruyne geldt, geldt ook voor Toby Alderweireld. Met dat verschil dat bij hem afgelopen zondag de veer al leek te breken, toen hij het einde van de wedstrijd Tottenham-Manchester City niet haalde. “Vermoeidheid”, zei zijn coach José Mourinho over de oorzaak van Alderweirelds blessure. De centrale verdediger zou twee tot vier weken out zijjn.

Toni Kroos speelt niet in Engeland – en heeft het voordeel dat Duitsland na de 6-0 tegen Spanje niet in de Final 4 van de Nations League zit – maar de international van Real Madrid vond de laatste interlandbreak ook een uitstekende gelegenheid om aan de alarmbel te hangen.

“Wij zijn de poppenspelers in de poppenkast van de UEFA en de FIFA. Niemand vraagt ons iets en elk jaar komt er wel een competitie bij. Voor de Spaanse Supercup moeten we naar Saoedi-Arabië. Waarom? Voor het geld.”

Gekkenwerk

Elke topsport, zeker als er geld mee gemoeid is, heeft de neiging om het uiterste te vragen van zijn atleten, maar topvoetballers – al lang niet meer de luieriken onder de topsporters – komen er het slechtst van af.

Sportarts Stijn Indeherberge, eerder werkzaam bij KRC Genk en bij PSV Eindhoven, heeft de belasting op topvoetballers jaar na jaar zien toenemen.

“Er is een internationaal aanvaarde naam voor dat fenomeen, match congestion. Jammer genoeg is er te weinig onderzoek naar en er zijn te weinig data om toegenomen blessurelast te objectiveren. Die is er wel. De limiet is bereikt, al langer dan vandaag.

“Wij hebben ooit met KRC Genk alle voorrondes van de Europa League gespeeld en zijn doorgegaan tot de kwartfinales. Aan het eind hadden we 64 officiële wedstrijden op de teller, dus zonder interlands of oefenwedstrijden.”

Iedereen die in het topvoetbal te maken heeft met de gezondheid van voetballers weet dat de rek er uit is, maar een overbevraagde speler behoeden voor overbelasting en gezond houden, biedt ook uitdagingen, zegt David Bombeke. Hij maakte eerder als kinesitherapeut deel uit van de entourage van Tourwinnaar Cadel Evans. Sinds de zomer van 2019 is hij medisch coördinator bij Club Brugge.

“Als technische en medische staf probeer je die belasting te managen. Als het dan zoals in de herfst van 2019 lukt om de spelersgroep door een drukke periode te loodsen en toch te bijven presteren, ben je daar trots op. Natuurlijk wordt het stilaan erg veel, met wedstrijden die elkaar te snel opvolgen, en dan nog eens die interlands en die verplaatsingen erbij. Gekkenwerk in normale omstandigheden en daar komt nu nog eens die pandemie bij.”

‘moord op spelers’

De FIFPRO, de internationale vakbond van voetbalspelers, presenteerde in de zomer van 2019 een rapport met als titel: At the Limit. Conclusie: de workload is overdreven. Manchester City-coach Pep Guardiola werd daarin geciteerd: “Het is een gekke kalender die onze spelers vermoordt. Dit kunnen we niet langer dulden. Er moet meer rust worden ingebouwd.”

Dat rapport keek naar het aantal wedstrijden van enkele topspelers. De nummer één van het seizoen 2018-2019 was de Zuid-Koreaan Heung-min Son van Tottenham Hotspur (zie kader). Tussen 25 mei 2018 en 13 juni 2019 speelde hij 78 wedstrijden, 53 met de Spurs en 25 met Zuid-Korea. Drie op de vier keer had hij minder dan vijf dagen rust tussen twee wedstrijden. Hij vloog ook nog eens 110.000 kilometer, alleen al voor de nationale ploeg.

Een andere speler in dat rapport is Eden Hazard. Zijn statistieken in zijn laatste seizoen Chelsea werpen een iets ander licht op zijn moeizame start bij Real Madrid. Eden Hazard was namelijk een mooie nummer twee na Son met 73 wedstrijden, waarvan 54 met Chelsea. Twee op de drie keer had hij minder dan de aangewezen vijf dagen rust tussen twee wedstrijden. Zijn voordeel tegenover Son: minder air miles en dus minder jetlag. Hazard vloog in dat seizoen slechts 27.600 kilometer, maar het is overduidelijk waarom hij in de zomer van vorig jaar uitgewoond in Madrid arriveerde.

Het rapport verdween in veel lades. Van de meest stringente aanbevelingen – een minder belastende kalender en beter overleg tussen de verschillende nationale en internationale bonden – kwam niks in huis. Wel integendeel, na de lockdown waarin niet werd gevoetbald – ongeveer van maart tot in de zomer – en waarin voetbalspelers vooral op zichzelf aangewezen waren om te trainen, werden alle speeldagen zoveel mogelijk ingehaald.

Dokter Indeherberge: “Niet alle voetballers zijn zoals wielrenners die vanuit zichzelf iets meer zijn gaan trainen. Een voetballer is niet gewend om individueel te werken aan zijn basisconditie. We moeten de gevolgen van de lockdown nog krijgen, vrees ik.”

Toen de Premier League weer van start ging, werd die op een drafje afgewerkt en daarna kwam een eindronde van de Champions League, om na een goeie week respijt alweer aan een nieuwe Premier League te beginnen. Dat alles om die 3,4 miljard euro aan televisierechten te vrijwaren.

De FIFPRO zag zich begin november verplicht om een nieuwe waarschuwing de wereld in te sturen: “Beperk het nodeloze reizen. Niet alleen om het risico van besmetting tegen te gaan, maar ook voor de gezondheid van de spelers.” Het was een terechtwijzing van FIFA en UEFA die niet aan de programma’s van de nationale ploegen willen raken. Ook dat heeft te maken met tv-rechten, dus geld. Een aantal eisen volgde. Minimaal vier weken achtereen zomervakantie en een break van twee weken in het seizoen. Individueel gestuurde belasting, minstens vier weken conditionele voorbereiding, overal vijf wissels invoeren.

Blessure verzwijgen

Individueel gestuurde belasting is ingeburgerd in het topvoetbal, ook in België. David Bombeke legt uit. “We vragen de speler elke dag hoe hij zich voelt, we monitoren de urine, we monitoren het bloed, we monitoren de hoge-intensiteitsprints. Indien nodig, sturen we bij. We sluiten toeval zoveel mogelijk uit. Dat is op de club. Maar wat als Emmanuel Dennis (aanvaller van Club Brugge, red.) naar Nigeria vliegt om met de nationale ploeg te trainen en te spelen en geblesseerd terugkeert? Wat met de mentale belasting? Wat als de speler in concurrentie ligt met een andere en het is Champions League en hij verzwijgt een beginnende blessure?”

De medische begeleiding en de samenspraak met de trainersstaf is bij topclubs zeer doorgedreven. Stijn Indeherberge: “Als we bij PSV merkten dat Steven Bergwijn tegen Ajax dertig procent meer hoge-intensiteitsprints had, werd hij in de daaropvolgende trainingen ontzien. De voorwaarde is wel dat je trainer mee is met die aanpak.”

Blessures zijn één. Die kennen en herkennen we allemaal: speler x gaat zitten, voelt aan de achterkant van zijn bil en de commentator zegt op ernstige toon: ‘Oei, hamstringblessure, dat is einde verhaal’. Of speler y komt in botsing – al is contact niet eens nodig – en zakt door de knie. ‘Hopelijk is het niet te erg’, zegt de commentator. Te erg is synoniem voor een ACL, in het jargon. Dat staat voor voorste-kruisbandletsel. Denk bij letsel maar meteen aan afgescheurd – Standard-verdediger Zinho Vanheusden laatst nog, of Virgil van Dijk, de stoere aanvoerder van Liverpool.

Dat zijn de mechanische blessures. Soms hebben die een oorzaak die niets met een trauma of contact te maken heeft. In dat geval gaat het allicht om overtraining: een onbalans tussen belasting (door training en wedstrijden) en herstel. Wie te veel belast, gaat overbelasten en komt in overtraining. Die kan weer leiden tot spierpijn en ontstekingen. Spelers die dan nog doorgaan, lopen het risico op zwaardere blessures.

Overreaching bestaat ook: de spieren zijn sneller vermoeid en het gevolg is prestatieverlies. Hoewel dat veel minder erg lijkt dan een afgescheurde kruisband, is zo’n metabole onbalans veel carrièrebedreigender.

Mentaal moe

Daar komt nog eens de mentale vermoeidheid bij. Omdat lichaam en geest op elkaar inwerken, leidt dat tot symptomen zoals slecht slapen, prikkelbaarheid, verslechterd concentratievermogen. Rust is het enige wat helpt en zelfs dat is geen garantie op een volledig herstel, want vaak volgt een terugval.

Dat het programma steeds drukker wordt en de belasting steeds groter en dat er daardoor meer uitval van voetballend personeel is, werd in 2013 vastgesteld door Håkan Bengtsson, Jan Ekstrand and Martin Hägglund van de universiteit van Linköping. Zij bestudeerden spierblessures in elf opeenvolgende Champions League-campagnes.

Hun conclusies waren eenduidig: in en na wedstrijden met voorafgaand vier of minder dagen rust manifesteerden zich meer hamstring- en quadricepsletsels.

Spierblessures zijn de meest vervelende, zegt Jordi Puigdellivol, hoofdarts van alle professionele teams onder de vlag van FC Barcelona. Stijn Indeherberge organiseerde half november voor de 39ste keer zijn Limcosport-congres voor sportgeneeskunde en had (per video uiteraard) de Catalaan uitgenodigd om te spreken.

“Puigdellivol beheert een medisch departement dat zeven miljoen euro per jaar kost en de modernste toestellen op de club heeft staan, maar ook hij ziet het somber in. Het aantal hamstringblessures neemt toe. Hij vindt dat de meest vervelende blessure omdat je niet, zoals bij pakweg een gescheurde meniscus, kunt voorspellen hoelang de revalidatie zal duren. Dat kan twee weken zijn, maar ook drie maanden. Hij ziet ernstiger blessures en steeds vaker leiden die tot een operatie (zoals bij Thomas Vermaelen, HV).”

162 wedstrijden

Er bestaan competities met een nog drukkere kalender. Neem de Major League Baseball in Noord-Amerika: elke team speelt 162 wedstrijden in een seizoen met 171 kalenderdagen. Sommige spelers komen altijd wel eens in het veld, maar honkbal is lang niet zo inspannend en gemiddeld werpt de pitcher – de meest belastende positie – maar in 34 wedstrijden en in nog eens 34 komt hij de startende werper vervangen. Vijf dagen rust tussen twee starts is een normaal ritme.

Basketballers in de NBA hebben ook een druk seizoen, met soms drie tot vier wedstrijden per week. Sterspelers zullen elke wedstrijd spelen, en minstens dertig minuten. Het verschil met voetbal is groot. NBA-ploegen hebben eigen vliegtuigen, de wedstrijden zijn indoor, van een interlandkalender is geen sprake (tenzij volgend jaar met de Olympische Spelen) en vooral: de spelersvakbond is machtig en komt op voor de belangen van de spelers.

Het grootste verschil tussen voetbal en andere sporten is de specifieke belasting. Stijn Indeherberge: “Geen enkele sport heeft zoveel spierletsels als voetbal. Ligt dat aan het algemeen atletisch vermogen? Misschien zouden we nog beter kunnen selecteren op spiervezeltype en in de opleiding gerichter de basisconditie kunnen trainen , maar voetbal blijft door die aaneenschakeling van korte sprints, afgewisseld met trappen op een bal, een aanslag op de spieren.”

David Bombeke: “Ik kom uit het wielrennen en nergens wordt meer getraind dan in die sport, maar de belasting is niet te vergelijken met voetbal. Wielrenners die overbelast worden, recupereren niet meer, moeten lossen of worden ziek. Voetballers raken geblesseerd. Binnen één ploeg zijn er positioneel grote verschillen in belasting. Soms wordt gezegd dat Hans Vanaken (Club Brugge-middenvelder, red.) meer dan twaalf kilometer heeft gelopen, het meeste van de hele ploeg. Dat klopt, maar aan welke intensiteit? Ik minimaliseer zijn prestatie niet, maar de arbeid die de wingers Diatta en Dennis moeten leveren – telkens weer die sprints tegen hoge snelheid – is veel zwaarder voor het gestel en veel gevaarlijker voor blessures.”

In het FIFPRO-rapport van augustus 2019 wordt ook Anderlecht-coach Vincent Kompany geciteerd met een aantal oplossingen. “Verhoog het maximumaantal spelers dat een team kan inzetten in competities en zet een maximum op het aantal wedstrijden per speler.”

Een andere maatregel ter bescherming van de speler is de veralgemening van de vijf wissels. Voor David Bombeke maakt dat weinig verschil. “Behalve tegen Francs Borains voor de Beker, waarbij je je betere spelers na een uur van het veld haalt, zijn wissels haast altijd tactische ingrepen. Een kalender met tussen elke wedstrijd verplicht vijf dagen rust, zou al veel oplossen.”

Stijn Indeherberge pleit vooral voor meer onderzoek. “Het is toch vreemd dat er in al die jaren nog maar één studie is gehouden naar dat fenomeen en die heeft onmiskenbaar aangetoond dat er een probleem is. Sinds 2013 hebben we geen data meer.”

Column over Maradona (en de journalistiek) in De Morgen van zaterdag 28 november 2020

Als de bal toch vuil is

Dé foto in de Belgische kranten van donderdag was die van de zes Rode Duivels die oog in oog met de Grote Maradona doodsangsten uitstaan. Iconisch beeld, staat daar bij. Uitzoomen… Het beeld is niet iconisch. Het is Belgische navelstaarderij, weliswaar overgenomen door The Guardian en die cover werd dan gisteren door L’Equipe geteleporteerd naar Mexico ’86.

Uitzoomen… Dan zou je misschien zien dat het een uiteenvallende muur bij een vrije trap betreft – vandaar die zes Duivels op een hoopje. Neen, het was ook geen foto uit 1986 maar uit de World Cup van 1982, uit de openingswedstrijd, gewonnen door de Rode Duivels met 1-0. Niks speciaals aan die hele Maradona toen.

Vier jaar later kegelde hij wel hoogstpersoonlijk de Belgen uit de halve finale. De voetballiefhebber in mij, die avond voor een repo op bezoek in Beerse in de tent in de tuin van de ouders van Patrick Vervoort, kon een gilletje niet onderdrukken toen Maradona een tweede keer de Belgen oprolde. Rond mij stortte de wereld in elkaar.

Een stationnetje eerder op die World Cup was ik ook al op de hand van Maradona en de Argentijnen toen ze het Engeland van Margaret Thatcher klopten als revanche voor de smadelijke militaire nederlaag die ze hadden geleden in de slag om de Malvinas, sindsdien nog meer de Falklands.

Was er een VAR geweest, schreef een VAR-hatende collega deze week, geen van beide goals van Diego Maradona zou zijn goedgekeurd. Imperfectie is dus toch niet zo mooi. Die goal met de hand van God, groter bedrog is op een World Cup niet gepleegd. Jaren later, in gesprek met Gary Lineker, legt hij uit hoe dat ging: het was, aldus de Heilige Diego, geen bedrog, eerder een ingeving van God. Die tweede goal, de fenomenale rush, zou zijn begonnen met een fout op een Engelsman. Ik vind daar niks van terug en vreemd genoeg zeggen ze ook in de Engelse reconstructies niks over een voorafgaande overtreding. So what, die solo staat op zichzelf, is fenomenaal en werd goal van de eeuw.

Nu is Diego Armando Maradona dood en plots is hij en niet langer Lionel Messi weer de allerbeste voetballer aller tijden. Zo gaat het altijd weer. Als je wilt voortleven in het collectieve geheugen als cultfiguur, gedraag je vooral niet zoals het hoort en ga niet op een normale manier dood.

Messi en andere voetballers weten wat hen te doen staat. Doen zoals Maradona of zijn illustere voorganger, George Best van Man United. Raak verslaafd aan drank en drugs en word een cultheld. Best werd net geen zestig. Als je muziek of film maakt, ga extra vroeg dood, bij voorkeur op je 27 en aan drugs. Als je koerst, wees dan Frank Vandenbroucke die twee klassiekers won maar alsnog de godenstatus kreeg door zijn tragische dood. Hij werd 34. Of Marco Pantani, ook 34. Kreeg een film over zijn leven. Titel: De toevallige dood van een wielrenner.

Wat hebben die met Maradona gemeen? Bijvoorbeeld dat er niks toevalligs is aan hun dood. Van Best weet ik het niet zeker, maar al die andere helden hebben meer kilo’s cocaïne gesnoven dan prijzen gepakt. Voor alle duidelijkheid, die hoeven daar niet voor te branden in de hel en alle begrip voor de fans die hun lot bewenen.

Idolatrie, randje hysterie, allemaal goed en wel, maar laat dat aan de straat. Van sportjournalistiek verwacht ik dat ze niet de erfenis van dode sporters herleiden tot dat ene en misschien ook dat tweede moment waarop ze de wereld hebben verbaasd.

Zo hoort bij elk portret van Maradona in de inleiding te staan dat hij, de fenomenale dribbelaar, zich twee keer gewillig overgaf aan
de maffia. Eerst aan de camorra in Napels, later aan het Sinaloa-kartel in Mexico. Dat het bepaald jammer is dat zijn hart het heeft begeven, maar wel een logisch gevolg van dertig jaar cocaïnegebruik. Trek de plussen (twee landstitels en een Europa-bekertje met Napels en een wereldtitel) af van de minnen (zijn nalatenschap is puin, zowel in het voetbal als sociaal) en je hebt de uitkomst: een af en toe geniale voetballer die eindigde als een marginale schertsfiguur verslaafd aan alles waaraan een mens verslaafd kan worden.

Ter compensatie voor deze ontheiliging doe ik zijn aanbidders zijn laatste woorden cadeau toen hij in zijn Bombonera zijn Boca-fans kwam groeten: “Voetbal is de mooiste en meest gezonde sport ter wereld. Als een enkeling het verkloot, moet niet het hele voetbal betalen. Ik heb het verkloot en ik heb betaald. Pero la pelota no se mancha. Maar de bal is nooit vuil.” Hij meende het ook en had tranen in de ogen, toen op 10 november 2000. Daarna heeft hij nog twintig jaar onzin uitgekraamd en de clown uitgehangen, zoals trainer worden in Culiacán, de wereldhoofdstad van cocaïne – zie onder meer Maradona en Sinaloa op Netflix. Zijn bal was wel degelijk vuil.

Column Broeksriem aanhalen in De Morgen van zaterdag 21 november 2020

Broeksriem aanhalen

Twitter schrijft bij @realDonaldTrump bijna onveranderlijk: this claim about election fraud is disputed. Bij berichten van de Pro League, bijvoorbeeld over de vreselijke verliezen die onze profclubs lijden, zou iets kunnen staan als: uitroepteken, deze claim over de belabberde financiële toestand van onze profclubs vergelijkt appelen met peren.

Factchecking, is dat geen opdracht van de media? In plaats van klakkeloos persberichten over te nemen en lukraak wat clubmanagers op te bellen ter bevestiging van de uitgestuurde rampberichten, misschien de cijfers eens analyseren, duiden? Om finaal het oordeel te vellen: ‘meestal niet waar’ want gestoeld op een verkeerde voorstelling van financiële cijfers. Dat zou kunnen, maar het is niet gebeurd.

In de ene krant stond het al juister dan in de andere, dat moet gezegd. 275 miljoen euro minder inkomsten, schrijft de ene. Een andere krant – meestal heel correct als het om duiding van de voetbalbusiness gaat – schuift eenmalig uit: profclubs verliezen 275 miljoen euro. Minder inkomsten is echt niet hetzelfde als verlies. Zal wel aan die eeuwige hang naar clicks en likes hebben gelegen, dat hoopt een mens dan maar.

Alles begon met een persbericht van de Pro League eergisteren: “Vergelijking cijfers btw-aangiften toont daling inkomsten van bijna 50 procent. Dit is te wijten aan het quasi volledig wegvallen van de wedstrijdinkomsten, dalende sponsorinkomsten en het stilvallen van de uitgaande transfermarkt.”

Correct. De interpretatie is een ander verhaal. “Zelfs met het verderzetten van de competities (achter gesloten deuren) wordt het profvoetbal, net als overige sectoren in onze economie, zwaar getroffen door de gevolgen van deze gezondheidscrisis.” Hier steekt het profvoetbal als een verzameling volleerde struisvogels de kop in het zand en denkt dat de nulmeridiaan door hun stadions loopt. Voetballers worden meerdere keren per week getest, voetbal mag gewoon doorgaan, er mag alleen geen mens ter plaatse komen kijken. Die ‘overige sectoren’ die helemaal dicht moeten, die hebben pas reden tot klagen.

Ten slotte breit de Pro League er nog een breed maatschappelijk luik aan vast. “Snel oplopend verlies in 2020-2021 impacteert ook bredere ecosysteem.” Met dat ecosysteem wordt bedoeld onderaannemers, gezinnen… Waarna de voorzitter van de Pro League – oef zeg – wel nog goed nieuws heeft: de mediarechtendeal met Eleven Sports blijft overeind (vooralsnog) en AB InBev en clubsponsors zijn ook aan boord gebleven.

Het persbericht had dus kunnen besluiten met: eigenlijk is er weinig aan de hand, behalve dat we de broeksriem een beetje moeten aanhalen, maar dat kan best in onze sector want nergens zit er zoveel vet op de soep. Dat is niet gebeurd want die 275 miljoen euro omzetverlies dient om de politiek af te schrikken: gelieve nu niet en ook in de toekomst niet aan onze 170 miljoen euro voordelen in sociale lastenverlagingen en niet-geïnde belastingen te raken.

De wakkere burger van dit land kan maar hopen dat de politiek de cijfers zelf goed leest. Die 275 miljoen euro is een bedrag dat je later in geen enkele financiële analyse van het Belgische profvoetbal zal terugvinden. De Belgische eerste klasse draaide in het seizoen 2018-2019 volgens Deloitte UK 344 miljoen euro omzet. Hoe je op dat bedrag in zeven maanden 275 miljoen euro omzetverlies kunt draaien, een knappe kop die dat krijgt uitgelegd.

Geen enkele zichzelf respecterende en onafhankelijke analist neemt in de rekeningen van voetbalcompetities de transferbalans – per definitie géén recurrente inkomsten – op. Als er minder geld binnenkomt door transfers kan er ook minder worden uitgegeven.

De vergelijking van de transferinkomsten van deze zomer met die van vorige zomer toen een recordbedrag van 308 miljoen euro werd geïnd (bijna 200 miljoen alleen voor Club, Standard en Genk – met dank aan collega Dimitri Thijskens) is intellectueel oneerlijk. Uiteraard zijn door het verbod op toeschouwers minder andere inkomsten geboekt, maar dat zou perfect kunnen worden opgevangen door een koppeling van de salarismassa (de grootste uitgavenpost) aan de inkomsten.

Wat deze cijfers ons vooral leren is waar het in het Belgische profvoetbal om te doen is. Níét wekelijks 11.000 toeschouwers maal aantal wedstrijden plezier verschaffen, of een micro-economie gaande houden, of een community creëren. De finaliteit van ons Belgisch profvoetbal is de import/export van mensen die toevallig goed op een bal kunnen schoppen en daar winst mee maken. We moeten corona verdorie dankbaar zijn dat dit model nu onder druk staat.

Column ‘Een crisis, een kans’ in De Morgen van zaterdag 14 november 2020

Een crisis, een kans

Die corona hakt er aardig in, niet het minst omdat de paniekbrigade de strijd heeft gewonnen van de versoepelbrigade. Nu de cijfers weer een beetje de minder slechte kant uitgaan en we straks allemaal kunnen kiezen uit zeven vaccins, wordt de anekdotiek bovengehaald.

Zoals deze week de ene ex-comateuze na de andere werd opgevoerd in wat moest doorgaan voor duiding, is misschien van het goede te veel. Anderzijds komt een beetje opgedrongen angst misschien net op tijd, zeker nu het voetbal zich alweer een beetje rijk rekent en snel terug wil naar wedstrijden met publiek. Zonder massale vaccinatie zijn massa-events zoals sportwedstrijden en festivals iets wat we te allen prijze moeten vermijden.

Meer zelfs, nu we gewend zijn geraakt aan sport zonder publiek en de geluidstechnici steeds bedrevener worden in het omkaderen van acties met het juiste applaus, gejoel of holengeluid, is sport met publiek zowat de allerallerlaatste versoepeling die in werking mag treden. Het geëmmer van de journalisten, commentatoren, bestuurders, begeleiders en spelers – die tweehonderd man in het stadion – is in deze kwestie totaal irrelevant. Dat zij daar zitten te zitten in die lege betonnen bakken, zonder geluiden en kunstmatige sfeer, tant pis. Ze verdienen er nog steeds een mooie boterham mee.

Andrà tutto bene. Ooit komt het weer goed. Ooit zullen we weer in elkaars armen kunnen vallen als een ploeg heeft gescoord. Tot die tijd, alvast een oproep. Het is een boutade, maar toch: een crisis is een opportuniteit. Deze crisis zou het Belgische profvoetbal moeten aangrijpen om een plan op te stellen om uit het moeras te geraken. Als je weet dat er in het precoronaseizoen al een geconsolideerd verlies is geleden van 80 miljoen euro lijkt enige urgentie op zijn plaats.

De werven zijn al langer bekend. Op één uiteraard een regeling treffen met de overheid voor een normale belastingheffing en sociale lasten die sporen met andere sectoren. In dat verband is het altijd weer lachen als het voetbal verwijst naar de research, baggeraars, zeelieden ter koopvaardij, scheepssleepvaart en zeevisserij die ook gunstiger sociale barema’s hebben dan u en ik. Prima, maar in die sectoren gaat het over correcties om in een internationaal competitief milieu niet failliet te gaan. Níét over gunstmaatregelen om in een nationale voetbalcompetitie salarissen tot 3 miljoen per jaar te betalen, of duizend werknemers gemiddeld 211.000 euro per jaar te laten verdienen.

Werf twee is werk maken van een economisch kader waarbinnen alle profvoetbalclubs kunnen floreren via een slimme herverdeling. Dat blijft wishful thinking, nog meer sinds marktleider Club Brugge soloslim speelt en de precaire financiële toestand van kleine clubs wijt aan ‘niet goed werken’.

Een miniwerfje is tussentijds gerealiseerd: er mag niet meer worden gerookt in de stadions. Althans, die bepaling kwam er met dank aan corona: roken betekent mondmasker afzetten en dat mag niet. Benieuwd hoeveel clubs volgend seizoen dat ongezonde, asociale en onsportieve gedrag opnieuw toelaten.

Werf drie is een stringent kader voor ethisch verantwoorde sponsoring. In Engeland is men om. Zelfs de Conservatieven weten dat het zo niet langer kan en gaan nog dit jaar de Gambling Act van 2005 herzien. De gokindustrie heeft vooral het Engelse voetbal vanaf tweede klasse (The Championship) in haar greep. Die tweede klasse heeft zelfs een gokfirma als hoofdsponsor en de totale waarde van de sponsoring vertegenwoordigt bijna 50 miljoen euro. Dat is geen 6 procent op een omzet van 900 miljoen euro. In de Premier league is dat nog minder. Dat scheelt een slokje op een borrel, maar is perfect overbrugbaar.

Ook Spanje gaat reclame voor gokken bij voetbalwedstrijden en sponsordeals voor voetbalclubs verbieden. Tegen het einde van het lopende seizoen, corona-ellende of niet, moeten alle deals aflopen. Wat de gokindustrie bijdraagt aan het Belgische voetbal is niet bekend, wel dat alle eersteklassers op de een of andere manier worden gesponsord door een gokbedrijf. Weg daarmee.

Begin dit jaar nog kwam een rapportering boven water die stelde dat in de play-offs van 2019 140.000 nieuwe accounts waren geopend en dat dagelijks voor 4,2 miljoen euro was ingezet. Gokken mag dan tot de persoonlijke sfeer behoren, het is potentieel verslavend. Aanzetten tot gokken, zoals het voetbal elke week op alle velden, is misdadig. Na een lange strijd is het algemeen aanvaard dat reclame voor rookgerief niet verenigbaar is met sport. Reclame voor gokken evenmin. Eenmaal dat van de baan, is alcohol aan de beurt.