Column Remmende voorsprong in De Morgen van maandag 10 mei 2021

Remmende voorsprong

Als Club Brugge kampioen wordt is dat een pleidooi voor de play-offs. Als Club Brugge geen kampioen wordt ook. Elke einduitslag is oké want de regels waren van bij de start duidelijk: na afloop van een competitie waarin iedereen tegen iedereen thuis en uit heeft gespeeld, gaan we met de eerste vier dat nog eens over doen. Dus 34 wedstrijden plus nog zes erachteraan en aan het eind kijken we wie eerste staat en die wordt kampioen. O ja, detail: de punten na 34 wedstrijden delen we in twee.

Club heeft nog vijf punten voorsprong op Racing Genk, waarvan het vrijdagavond een 3-0 om de oren kreeg. Volgens de voetbaljournalisten is de spanning terug. Zou kunnen. Maar ook niet. Club hoeft alleen rekening te houden met dat Racing Genk. Antwerp en Anderlecht volgen op acht punten en zijn met nog zestien punten te verdienen zo goed als uitgeschakeld. Tenzij Club natuurlijk donderdag verliest bij Antwerp.

Een avondje eerder spelen Genk en Anderlecht tegen elkaar. Dat wordt een hele interessante partij. Genk speelt erg aanvallend, maakt het veld breed en geeft ruimte weg. Anderlecht wil niet liever. Dus, voor alle blauw-zwarten die sinds vrijdag met de daver op het lijf lopen: supporter maar voor paars-wit. Het kan zomaar dat Anderlecht in Genk wint en dan staan ze bij Genk op vijf punten van Club. Het enige wat Club dan nog moet doen in Antwerpen is een gelijkspel halen en dan staan ze er zes voor op Anderlecht en Genk en acht op Antwerp. Met nog drie wedstrijden te spelen en negen punten te verdienen (en twee thuiswedstrijden) mag het niet meer fout gaan.

Wint Genk ook van Anderlecht en speelt Club gelijk, dan scheelt het nog drie punten. Verliest Club dan nog twee. Voetbal kan simpel zijn.

Neen, Club is niet meer zo dominant als het ooit was, bijvoorbeeld net na de winterstop toen Bas Dost nog werd gehaald. Waar dat mee te maken heeft, wie zal het zeggen? Ik las dat de covidbesmettingen er misschien voor iets tussen zitten, maar ik wist niet dat je van covid humeurig werd. Het valt op dat meer dan één speler kregelig reageert bij het minste dat fout gaat. Hans Vanaken heeft dat altijd wel een beetje in zich gehad, maar ook anderen van wie je dat niet verwacht tonen zich emotioneel kwetsbaar.

Ruud Vormer voerde al in die eerste wedstrijd tegen Anderlecht in de rust een raar theaterstukje op. Niet wat hij schreeuwde ging door merg en been, dat kon er nog door komend van een aanvoerder, wél dat steenkolenengels van hem. Hij heeft het voor Louis van Gaal, die hem ooit bij AZ liet debuteren. Niks mis mee, maar daarom hoeft hij zijn Engels nog niet te imiteren. Volgend keer, Ruudje uit Hoorn, gewoon in het Noord-Hollands.

Philippe Clement weet het stilaan ook niet meer, tenzij zijn keuzes zijn beïnvloed vanuit de controlekamer, zoals bij elke club. Het management heeft altijd spelers die het liever in het uitstalraam ziet dan andere spelers en meldt dat meestal ongevraagd. Daarbij hoort dan de toegift: het spreekt vanzelf dat jij de ploeg opstelt. Het moet al een sterke trainer zijn om daar geen rekening mee te houden.

De vervanging van Charles De Ketelaere afgelopen vrijdag was voor velen een mysterie. Oké, bij dat eerste doelpunt zag hij er wat ongelukkig uit, maar De Ketelaere kent inzake eentijds aanvalsspel zijn gelijke niet. Dit is zowat het grootste talent dat Club ooit zelf heeft voortgebracht en een garantie op een mooie verkoopprijs, alleen nog niet volgende zomer.

En nu even ernstig: wat hiervoor staat, is een en al speculatie. Wellicht heeft het tanende Club Brugge te maken met de wet van de remmende voorsprong. Het was de befaamde Nederlandse historicus Jan Romein die daar in augustus 1935 op wees in zijn essay ‘De dialectiek van de vooruitgang’. Zoals Wikipedia zegt: het fenomeen is in tal van omgevingen toepasbaar, dus ook sport.

De wet stelt dat een voorsprong op een bepaald domein er vaak toe leidt dat er weinig stimulans is om verdere verbetering of vooruitgang op te zoeken, zodat men vroeg of laat wordt voorbijgestreefd c.q. ingehaald. Door te berusten in een voorsprong wordt men geremd om nog verder te gaan.

Het is het onontkoombare lot van de dominante partij. Omgekeerd is er de wet van de stimulerende achterstand. Club Brugge is het doel, het mikpunt, de schietschijf voor heel België. Iedereen zal zich straks verbazen/verkneukelen of zal jammeren/klagen als Club straks alsnog naast de titel grijpt. Dat zal niet gebeuren: de jonge traditie wil dat de play-offs nog nooit een onterechte kampioen hebben opgeleverd.

Column Kapitaalvernietiging in De Morgen van zaterdag 8 mei 2021

Kapitaalvernietiging

Ik kan het niet helpen, ik zal wel niks van voetbal kennen, maar ik heb het niet voor Real Madrid. Nooit gehad. Heeft te maken met mijn jeugd. Spanje was een no-goland: fascistisch, dictator aan de macht, Basken verdrukt (over Catalanen spraken we toen nog niet) en Franco was de baarlijke duivel want wij kenden hoogstpersoonlijk Basken die voor hem waren gevlucht.

Real Madrid was de sportieve veruitwendiging van dat fascisme. De Caudillo (generaal Franco) zat daar in de tribune. Je was dus niet of nooit voor Real Madrid. Later, na de democratisering, gingen mijn ouders vaak naar Spanje met vakantie, en ik zit al 25 jaar van als het kan op Lanzarote, meer Afrika dan Europa, maar technisch gezien nog steeds Spanje.

Spanje is nu oké, maar niet Real Madrid, no way. Doe dan maar Barcelona. Helemaal toen Johan Cruijff daar in 1973 landde en hen meteen kampioen maakte. Dat gebeurde in 1974 en Franco werd ziek en stierf een goed jaar later. Ook na de dood van Franco is Real die rechtse tot uiterst rechtse falangistenclub gebleven, de trots van de oude rijken van Castilië. De Koninklijke die koopt wat ze kan kopen: eerst spelers en als gevolg daarvan titels.

Wat hoorde ik woensdagavond tijdens de wedstrijd tegen Chelsea FC, die ze kansloos verloren met 2-0? Geen enkele club had in 2020 meer uitgegeven dan dat sympathieke, jonge, driftige Chelsea. Dat ben ik gaan opzoeken en het klopt. Bijna 300 miljoen euro ging over de toonbank in Londen. Kai Havertz en Timo Werner kwamen uit Duitsland voor respectievelijk 80 miljoen en 53 miljoen euro. Ben Chilwell werd gehaald voor de verdediging. Kostte ook 50 miljoen. Hakim Ziyech kwam over van Ajax: 40 miljoen en komt niet van de bank af. Voor de goal kochten ze Edouard Mendy van Rennes, nog eens 20 miljoen. Thiago Silva en Malang Sarr kwamen voor niks.

Real Madrid daarentegen had niks gehaald. U leest het goed: 0 euro uitgegeven en alleen maar verkocht, voor het eerst in de recente geschiedenis van de club. Gareth Bale (uitgeleend) en James Rodríguez (gratis) spelen nu in de Premier League. De verkoop van Achraf Hakimi, Sergio Reguilón en Oscar Rodríguez bracht 83 miljoen in het laatje.

Het ene jaar is het andere niet. Op 17 juni 2019 had Real Madrid al voor ruim 300 miljoen euro aan spelers gehaald en toen moest de transfermarkt nog opengaan. Ze zouden landen op een goeie 350 miljoen euro, een record voor een voetbalclub, al komen het Manchester City en Barcelona van in 2017-’18 aardig dicht in de buurt.

In die zomer van 2019 was de top signing van Real Madrid een Belg: Eden Hazard kwam over van Chelsea voor 115 miljoen euro. Een deel van dat kapitaal is woensdagavond onherstelbaar vernietigd, in rook opgegaan. Hazard trapte geen deuk in een pakje boter. Het moet gezegd dat Chelsea er omgekeerd wel alles aan deed om een deuk in Hazard te trappen en zelfs meer dan één.

Die anonieme wedstrijd was niet eens het probleem. Zijn maatje Karim Benzema en dribbelwonder Vinícius Júnior deden het niet beter. Wat na de wedstrijd gebeurde, was andere koek. Zelfs al kan het je geen ene moer schelen of je hebt verloren dan wel gewonnen en vind je het al zo prettig om dat laatste weekend in mei vrij te zijn met het gezinnetje, je lacht niet na een verlieswedstrijd zoals Hazard samen met N’Golo Kanté lachte. Een speler die verliest, die bovendien nog eens minder heeft gespeeld (omdat die ploegt hem niet ligt, maar dat doet er even niet toe), die speler hoort niet te lachen zoals Hazard lachte.

Natuurlijk is het hypocriet om hem op basis van die ene ongelukkige schaterlach en dat dollen met Kanté af te maken zoals in dat naar het schijnt veel bekeken televisieprogramma. De conclusie daar was dat Hazard geen toekomst heeft in Madrid en weg moet. “Bye bye Eden”, schreef een krant. Een andere krant had het over een bejaarde uit Benidorm en Hazard zou niet begrijpen wat het is om bij Real te spelen. Misschien begrijpen ze bij Real niet wat het is om met Hazard te spelen.

Wat er ook van aan is, en welke richting dit uitgaat, misschien moet Real zich eens bezinnen want dit is al de tweede recordaankoop die dreigt te mislukken. Hazard was de duurste aller tijden, Bale is de nummer twee. Van hem kon je nog vermoeden dat hij een over het paard getilde en dus te dure voetballer was, maar niet van Eden Hazard. Daarom alleen zal de soep niet zo heet worden gegeten als ze wordt opgediend, al was het maar om die investering te beschermen. De marktwaarde van Hazard was ooit 150 miljoen euro. In maart van dit jaar werd die door Transfermarkt bijgesteld naar 40 miljoen euro. Daar gaat nu nog wat vanaf.

Verhaal over Giro, Belgen en Evenepoel in De Morgen van zaterdag 8 mei 2021

Roze Remco, waarom niet?

Hij houdt de boot af en zijn ploeg nog meer. Toch hoopt deze grote kleine wielernatie dat Remco Evenepoel (21) in zijn eerste Giro d’Italia eerdere Belgen als Eddy Merckx achternagaat. Een rit of twee winnen zou mooi zijn. Maar eindwinst is ook een optie.

Op 31 mei 1967 begonnen de renners van een sterk bezette Giro d’Italia – Jacques Anquetil was er en Felice Gimondi en de vier laatste winnaars – aan de 220 kilometer lange twaalfde etappe van Caserta naar Blockhaus, of Passo Lanciano, een col in de Abruzzen. Het was in die Giro de eerste zware bergrit met een aankomst boven de 2.000 meter. De groten van het peloton bleven zowat de hele rit samen, ook in de klim.

Onder hen een 21-jarige Belg die eerder in het seizoen Milaan-San Remo had gewonnen en daarna de Waalse Pijl. Vooral die eerste overwinning, zijn tweede op rij in San Remo, had de Italianen op het spoor gezet van Edouard – zeg maar Eddy – Merckx die na 288 kilometer in een sprint met vier Gianni Motta, Franco Bitossi en Felice Gimondi, drie Italianen van faam, had geklopt.

In die rit naar Blockhaus viel Italo Zilioli op 2 kilometer van de meet aan. Hij nam onmiddellijk een comfortabele voorsprong, tot een hijgende, stoempende, wiegende achtervolger hem inhaalde. Met nog 1 kilometer te gaan waren ze met twee voorop en toen zette Merckx een aanval in. Hij kwam boven met tien seconden voorsprong. De dag erna kopte een krant: Il Giro d’Italia ha un nuovo favorite. De nieuwe favoriet werd bewierookt: ‘Merckx heeft zijn les geleerd, nu gaat hij voor het roze’. Belgische kranten kenden hun nieuwe ster nog niet zo goed en kopten: ‘Sprinter wint nu ook in de bergen’.

Twee dagen later won hij nog een etappe, nu wel in de sprint. Hij stond heel even op 30 seconden van de leidersplaats, maar zou in de laatste week door ziekte afhaken en als negende eindigen, op twaalf minuten van winnaar Felice Gimondi. Een jaar later was Merckx terug, niet meer als kopman van Peugeot, maar in loondienst van het Italiaanse Faema. Hij bleef drie weken gezond en reed Gimondi in zijn prime tureluurs. Negen minuten bedroeg de afrekening.

De Muynck en Pollentier

De Ronde van Italië en bij uitbreiding ook andere wielerwedstrijden in dat land hebben wel meer Belgen zien schitteren. De Giro mag dan nooit de envergure van de Tour hebben gehad, in de jaren 60 en 70 – met dank aan Merckx – kwam die toch in de buurt. Merckx won vijf edities van de zeven die tussen 1968 en 1978 door Belgen werden gewonnen. Dat hadden er acht kunnen zijn als Roger De Vlaeminck zijn ploegmaat Johan De Muynck in de editie van 1976 die hij zelf wilde winnen, niet in de steek had gelaten nadat hij op een kansloze achterstand was beland. De Muynck stond heel even op winst, maar verloor nog met 19 seconden van Gimondi. In 1978 – die keer met de hulp van zijn nieuwe ploegmaat Gimondi – zou hij zich revancheren.

Ook de Giro van 1977 was voor de Belgen. Elf van de 22 etappes werden door landgenoten gewonnen, waaronder tien voor de Flandriaploeg en zeven alleen al voor Freddy Maertens. De kopman van die ploeg, Michel Pollentier, reed in de zeventiende rit naar Cortina d’Ampezzo leider Francesco Moser uit het roze. Hij bouwde in de daaropvolgende ritten zijn voorsprong uit zonder te schitteren, maar zou er in de voorlaatste nog een tijdritoverwinning aan toevoegen, kwestie van zijn eindoverwinning wat meer glans te geven.

Is het slim van Deceuninck-Quick-Step om Remco Evenepoel van het groterondewerk te laten proeven in Italië? De geschiedenis zal het leren, maar de Giro is debuterende Belgen meestal erg goed gezind. Voor de relatief onervaren debutant Evenepoel was dit de beste optie, zegt de meest ervaren arts van het peloton, Yvan Vanmol. “Inzake stijgingspercentages en kilometers bergop liep de Giro altijd wel voorop, maar nu ontlopen de grote rondes elkaar niet meer. Dat is voor Remco ook niet zo van belang. Veel interessanter is de aard van de koers. De Tour is elke etappe nerveus vanaf de eerste kilometer, de Giro niet. Ritten trekken zich mooi op gang en de hectiek rond het peloton is ook minder.

“Remco heeft negen maanden niet in een peloton gekoerst. Hem meteen naar de Tour sturen, zou niet slim zijn. In de Giro kan hij weer wennen en zijn stuurvaardigheid wat aanscherpen. Niet vergeten: zijn laatste herinnering aan de koers was toen hij die bocht miste en over dat muurtje in het ravijn dook. Voor iemand die 3,5 jaar echt koerst – in de wetenschap dat je toch vijf, zes jaar nodig hebt om je die skills eigen te maken – is dat heel heftig.”

Startnummer 91 of 92

De 104de Giro d’Italia start vandaag in Turijn met een korte tijdrit en finisht traditioneel in Milaan drie weken later op zondag 30 mei, ook met een tijdrit. Er wordt bijna 3.500 kilometer per fiets gereden voor in totaal 47.000 hoogtemeters, een gemiddelde van meer dan 2.000 meter klimmen over elk van de 22 etappes. De eerste aankomst bergop ligt in Sestola, al meteen in de vierde etappe. Voorts staan maar zeven ritten als vlak aangeduid, en dan nog. Onder meer in de eerste week kan ook de wind een rol spelen.

Tussendoor wordt een mini-Strade Bianche gereden, maar het zwaartepunt ligt traditioneel in de derde week als het peloton zich al twee weken door berg en dal heeft gesleurd en eindelijk in de Alpen arriveert. Daar in het noorden staat in etappe 14 na 186 kilometer eerst de gevreesde Monte Zoncolan op het menu. Gelukkig van de ‘makkelijke’ kant vanuit Sutrio: slechts 9 procent gemiddeld met een max van 13,6. De andere kant vanuit Ovara heeft een gemiddelde van 12 procent.

Iets verder die week wordt Cortina d’Ampezzo aangedaan, na beklimmingen van de Passo Fedaia, Pordoi en de Giau. Een uitgelezen rit voor Evenepoel om zich te tonen. De laatste drie dagen zijn gruwelijk: twee aankomsten bergop en als uitsmijter een vlakke tijdrit van 30 kilometer. Egan Bernal (Ineos Grenadiers), Simon Yates (BikeExchange) en Jai Hindley (DSM) zijn de topfavorieten. Outsiders zijn George Bennett (Jumbo-Visma), Dan Martin (Israel Start-Up Nation), Mikel Landa (Bahrain-Victorious), Vincenzo Nibali (Trek-Segafredo), Marc Soler (Movistar), Hugh Carthy (EF Education-Nippo). Van Belgische kant is de Portugees João Almeida een kanshebber, hij is voor Deceuninck-Quick-Step de kopman. Of zou dat moeten zijn. De rugnummers van alle eerder genoemde favorieten eindigen op 1. Het rugnummer van Almeida is 92. De 91 bij Deceuninck-Quick-Step is voorbehouden voor Remco Evenepoel.

Is dat een voorteken? José De Cauwer, in de podcast De tribune, dacht van wel. Bij de ploeg houden ze de boot af en spreken ze van toeval. Met hun communicatie eind vorige week bij de aankondiging van de geselecteerde renners zaaiden ze nog meer verwarring. Daar staat de Deen Mikkel Honoré prominent vooraan op de foto en blijven zowel Almeida als Evenepoel deels in de schaduw. “Dat heeft te maken met de lengte van de renners”, hoor je bij de ploeg. Dat slaat pas nergens op, want de renners staan vanaf hun middel afgebeeld.

Wat er ook van aan is en wie ook de echte en de schaduwkopman is, Deceuninck-Quick-Step vertrekt voor het eerst in de geschiedenis met een ploeg die vol voor het eindklassement gaat in een drie weken durende Ronde. De selectie die wordt bijgestaan door Davide Bramati, Klaas Lodewyck en Geert Van Bondt als ploegleiders heeft geen sprinter maar wel twee hardrijders mee om in de vlakke en tussenetappes eventueel iets recht te zetten. Dat zijn Iljo Keisse en Rémi Cavagna, respectievelijk 72 en 78 kilogram zwaar. Pieter Serry (66), Fausto Masnada (65, derde in Romandië vorige week) en Mikkel Honoré (68) zijn van het slag allrounder en kunnen overal uit de voeten. Evenepoel (61), Almeida (63) en James Knox (58) zijn de speerpunten als de stijgingspercentages in de dubbele cijfers gaan.

NV Evenepoel

Of ze dat bij Deceuninck-Quick-Step nu willen of niet, alle ogen zijn nationaal en internationaal op Remco Evenepoel gericht. Het zondagskind uit Schepdaal dat het ook als voetballer had kunnen maken, was 19 jaar en acht maanden oud toen hij zich op de voorgrond stuntte in de Clásica San Sebastián. Aanvankelijk ging hij mee met de kopgroep alvorens te worden gelost. Vanuit de commentaarhokjes daalde de lof over hem neer omdat hij het zo lang had uitgehouden, om vervolgens plaats te maken voor verwondering toen hij nog een laatste keer bij de kopgroep kwam aansluiten. De monden vielen open en de commentaar werd lyrisch toen hij uit de kopgroep wegreed en met 38 seconden voorsprong over de meet reed.

Dat was augustus 2019. In 2020 won hij alle wedstrijden waarin hij startte. Het begon pre-corona in de Ronde van San Juan: winst in de tijdrit en eindwinst. Daarna de Ronde van Algarve: ritwinst bergop en in de tijdrit én eindwinst. Hij nam rust, keerde terug in de Ronde van Burgos eind juli met ritwinst bergop en eindwinst. Ook eindwinst in de Ronde van Polen waar geen aankomst bergop voorzien was, maar hij toch in een zware etappe na een monstervlucht Jakob Fuglsang op 1’48” en Simon Yates op 2’22” reed. Diezelfde Yates die nu topfavoriet is, weet maar al te goed wat Evenepoel kan.

Na Polen volgde de Ronde van Lombardije waar hij in de kopgroep zat toen hij zijn buiteling maakte. Die bijna fatale afloop droeg nog bij aan zijn aura van superster. Voordien was Evenepoel al grotendeels van de mediaradar verdwenen. Al anderhalf jaar wordt hij als een schaars goed gepositioneerd. Stephanie Clerckx is zijn personal assistant. Niet helemaal duidelijk of zij dan wel in dienst is van het team en zo is toegewezen aan Evenepoel, dan wel in dienst is van de nv Evenepoel, inmiddels ook met eigen kledinglijn.

Het is een detail, maar het is tekenend voor hoe Evenepoel in de markt wordt gezet en tegelijk wordt afgeschermd. Spreken met Evenepoel is streng gereglementeerd en gecensureerd, spreken óver het wonderkind kan ook de nodige gram opwekken. Laatst nog in De tribune op Radio 1 samen met Thijs Zonneveld vergeleken wat Tom Dumoulin was overkomen met de druk die de inmiddels 21- jarige op zijn schouders krijgt als grote Belgische Rondehoop. Dat was voldoende om door ploegbaas Patrick Lefevere gebanbliksemd te worden. “Laat die jongen toch met rust.” Mevrouw Clerckx ging er overheen met een duidelijk “da’s gesproken”.

Evenepoel is het goudhaantje en zowat de levensverzekering voor de ploeg van Lefevere. Op 6 april tekende hij bij voor vijf jaar. Het is binnen de ploeg bekend dat Lefevere zijn sponsoring rond heeft tot en met 2023, maar de officiële communicatie daarover ontbreekt. Een knalprestatie in een grote Ronde zou nieuwe sponsors kunnen aantrekken, maar daar legt de boekhouder in Lefevere zijn bonen liever niet op te week. Hij als geen ander beseft hoe snel het mis kan gaan.

127 rondes geen winst

Alles wijst erop dat Remco Evenepoel niet naar de Giro trekt om een keertje een grote Ronde te rijden en wat te roderen na zijn lange revalidatie. Ook die revalidatie was trouwens met de nodige mist omgeven. Eerst hakte Lefevere met zijn gekende nuances in op zijn eigen medische staf, vervolgens luidde het volgens de officiële communicatie dat Evenepoel rust moest nemen omdat de breuk niet volledig was geheeld en hij veel te vroeg te hard had getraind. Een telefoontje later bleek het over een irritatie te gaan op de plek waar het zitbeen bij die val was gebarsten. Vervelend en pijnlijk, maar een kwestie van tijd en van wat anders trainen.

Remco Evenepoel zelf had er eerst nog alle vertrouwen in dat het helemaal goed zou komen tegen de Giro, maar heeft dat narratief de laatste weken omgedraaid. In een interview in ProCycling liet hij tot twee keer toe uitschijnen dat België niet al te veel van hem moet verwachten. Dat is voorwaar jammer, want van alle grote wielerlanden wacht België het langst op een Ronde-overwinning. Sinds Johan De Muynck in 1978 in diezelfde Giro zijn 127 grote rondes gereden en geen landgenoot kwam nog maar in de buurt van de eindoverwinning.

Ook populair als quote komende uit de mond van Remco Evenepoel: “Ik ben sinds die val een ander mens geworden. Voordien was ik alleen maar met koers bezig, nu geniet ik van het moment, het kan sneller gedaan zijn je denkt.” Pas 21 is hij en hij spreekt als een arme stakker die maandenlang op intensieve zorg de dood in de ogen heeft gekeken. Dit is deel van een zorgvuldig opgebouwd imago – de hypergetalenteerde, maar immer bescheiden en sympathieke buurjongen – dat kan niet anders.

Een voorspelling nog voor deze Giro van start gaat: Remco Evenepoel zal niet ver van de eindwinst eindigen en wint minstens twee etappes. Zijn fysiologische/fysieke waarden zijn top, zijn drive is gebleven, wat hij ook wil laten uitschijnen, en de ploeg is sterker dan ooit om hem te helpen. Zelf heeft hij er alles aan gedaan: deze week nog een verkenning van de etappe van de Strade Bianche. Nog meer mist werd gespuid rond zijn tijdrit. In ProCycling heette het dat die qua aerodynamica niet meer kon verbeteren, of hij zou op een kader voor kinderen moeten rijden. Nochtans zijn ze recent een halve dag in de weer geweest op de wielerbaan van de Blaarmeersen en hebben ze daar door een nog betere houding nog wat vermogen gewonnen.

Uiteraard blijven er vragen en die heeft de ploeg ook. Yvan Vanmol kent die als geen ander: “Er zijn zoveel factoren die een rol kunnen spelen. Wat met die eerste week? In die eerste ritten kan ook van alles gebeuren. Wat met de hoogte? Ze gaan een paar keer boven de 2.000 meter. Uiteraard heeft hij op die hoogte al getraind en dat zag er allemaal best goed uit, maar dit is een wedstrijd. En ten slotte, wat met de derde week?”

Die werd in zijn eerste deelname ook Eddy Merckx fataal. Het is leergeld dat moet worden betaald, maar als één renner met een dikke portemonnee vandaag aan de start staat in Turijn, dan wel Remco Evenepoel uit Schepdaal. Schrijf hem maar bij op het lijstje van de favorieten.

Column Obesitasepidemie in De Morgen van maandag 3 mei 2021

Obesitaspandemie

Wat heb ik onthouden van deze vroege weekendkrant die al op vrijdag verscheen? Dat op pagina’s 10 en 11 van de dagkrant stond ‘Veel zaad lozen is erg goed voor de prostaat’. En op pagina 42 van Zeno ‘Mannen moeten minder klaarkomen’. Dat spoort niet
en u vindt dat een mysterie? Ik denk dat ik weet hoe dat komt. Bij de Zeno zijn de vrouwen op de redactie de baas, in de dagkrant gebeurt het heel af en toe dat ook een man iets te zeggen heeft. Beide verhalen zijn wel geschreven door een vrouw en die ene van de prostaat ken ik. Nog beter, ik ken ook haar man, die sinds vrijdag ongetwijfeld als een trotse haan door Gent paradeert. Ik gun het hem van harte.

Hét verhaal van het weekend staat op pagina 6. Het gaat over de obesitasepidemie. Die zou zijn blootgelegd door de coronapandemie. Waarbij meteen moet worden opgemerkt dat wereldwijd veel meer mensen sterven aan de gevolgen van obesitas dan aan corona, en obesitas dus meer pandemie is dan eender welke virale systeemfout.

Bovendien heeft corona niets blootgelegd. Die obesitas was er lang voor die vleermuis besloot een gordeldier te bijten en een Chinees dat ene gordeldier opvrat. Of was het een buideldier? Maakt niet uit. Aan obesitas werd geen belang gehecht of het werd weggelachen. “Maatje meer, moet kunnen” werd “twee maatjes meer, ach ja, de natuur” enzovoort tot “vier maatjes meer, wat kan je er nog aan doen?” en toen kwamen ze bij de VRT ook nog eens met dat onzalige Albatros.

Het verhaal van pagina 6 werd opgehangen aan een endocrinoloog, ik vat even voor u samen wat die vond: dikke mensen mogen niet worden aangesproken op hun dik zijn, want ze kunnen er niet aan doen. Een andere bekende endocrinoloog die eerder al eens in de krant stond, had het nochtans over corona als eye opener en de verdomde plicht die ieder van ons heeft om het lichaam op orde te houden en het gewicht onder controle.

Die laatste, de strenge, werkt in de genderbusiness en sprak dus vrijuit. Die eerste is voorzitter van de Belgian Association for the Study of Obesity. Als onze association president zou zeggen dat ieder van ons (voor een groot deel) verantwoordelijk is voor het eigen gewicht, dan heeft zijn vereniging niets meer te bestuderen, dus ik begrijp het wel. Ik ken die redenering, typisch voor deze tijd waarin niemand nog op zijn individuele verantwoordelijkheid wil worden gewezen, maar voor alles wat misgaat een goede reden vindt waar men zelf niets kan aan doen.

Ik zit nu al halfweg deze column en waar wil ik na deze brede omweg landen? Bij jeugdsport zowaar. U mag weer met twee gaan winkelen, straks op terras iets eten en drinken, naar Benidorm vliegen en daar cocktails hijsen dat het een lieve lust is, naar het voetbal kijken op televisie en als die van het voetbal hun zin krijgen (en die krijgen ze altijd) straks ook met een paar duizend in het stadion, maar weet u dat de georganiseerde sport nu al meer dan een jaar zo goed als stil ligt?

Dit gaat niet over mij. Ik ben vooral wielertoerist en behalve dat ik de georganiseerde veldtoertochten in Vlaanderen heb gemist deze winter, heb ik kunnen sporten als anders. Het vereiste alleen een beetje wilskracht en die had ik niet altijd en daarom zijn er twee kilo bij. Er gaan er vijf af tegen 12 juli, beloofd.

Georganiseerde sport is wat anders. Dat is de morele plicht of ouderlijke verplichting je twee of meer keer per week aan te bieden bij een training, te luisteren naar een trainer, en je af en toe in competitie te meten met anderen. In groep (dat heet een ploeg) of individueel. Te verliezen en te winnen en in beide gevallen er mee kunnen omgaan. Dat alles is grotendeels weggevallen en je vraagt je af, waarom?

Zelfs nu de scholen weer helemaal openen, wordt met geen woord gerept over de amateur- en vooral de jeugdsport. Het gaat er mij niet om dat we nu een jaar geen talent hebben kunnen sprokkelen om straks medailles op te halen, dat ene jaar overbruggen we wel. Het gaat er mij om dat we hele horden jongeren thuis hebben gezet en bij gebrek aan een sportief kader hun ouders elke reden hebben ontnomen om die jongeren niet te laten Fortniten en Tiktokken.

We hebben sport en beweging afgenomen van een hele generatie die alleen maar zal sporten of bewegen als dat in groep en opgelegd gebeurt. We kweken een generatie van sedentairen en toekomstige obesen, en waarom? Niet om virologische redenen, maar uit angsthazerij, omdat geen enkele excellentie de moed had zijn nek uit te steken en federale Frank niets met sport heeft en geen enkele toegeving wilde doen op dat vlak. Wat jammer dat Ben Weyts zowel onderwijs als sport in zijn portefeuille heeft. Had hij zich maar zo hard gemaakt voor sport als voor onderwijs.

Column Groen voetbal in De Morgen van vrijdag 30 april 2021

Groen voetbal

Deloitte is een grote speler in de voetbalbusiness, een ferme boîte zoals dat dan heet, waarnaar wordt geluisterd als die iets melden. Elk jaar in januari publiceren ze hun Rich List. Dat is een foute benaming want de twintig clubs die ze in kaart brengen zijn niet de rijkste clubs, maar de clubs met de meeste omzet. Zoals bekend maken de clubs met de grootste omzetten vaak de grootste verliezen, Bayern München is daar een uitzondering op.

Elke zomer krijgen we dan van Deloitte Sports Business Group de Annual Review of Football Finance, waarin ze haarfijn uit de doeken doen waarom voetbal de meest volatiele, amorele, immorele en slechtst geleide sportbusiness is van de hele planeet. Als je die Review volledig wil, met de details van de cijfers, moet je het rapport wel kopen en dat kost meer dan duizend pond. In het voetbal krijg je niks voor niks, alles moet opbrengen.

Deloitte UK houdt zich daar mee bezig. Het is vakmanschap, zonder meer. Ze brengen wel meer rapporten uit, bijvoorbeeld over rugby of cricket, maar gisteren mailden ze iets totaal nieuws en we kregen het zowaar gratis. Niet alleen daarom dacht ik meteen aan fake news. Het leek wel een grap van Greenpeace of van de Bond Beter Leefmilieu die het voetbal hadden gekaapt.

‘A sporting chance’, was de titel. Een opportuniteit voor de sport. ‘The role of sport in mitigating climate change.’ De rol die sport kan spelen in het ‘verzachten’ van de klimaatverandering.

Ik weet niet wat ze daar hebben gegeten in de Sports Business Group in Manchester en/of Londen, of door wie ze zijn geïnfiltreerd, maar de taal in de inleiding getuigde van een nooit gezien activisme grenzend aan idealisme.

Leest u mee: (…) In het voorbije jaar hebben we sport positief zien bijdragen aan de campagne voor raciale gelijkheid en gerechtigheid, in het bijzonder de steun aan de Black Lives Matter-beweging. Sport heeft ook bijgedragen aan de strijd tegen Covid-19 door stadions in te zetten als hospitalen en testcentra. Daarom zeggen we dat sport nu de kans heeft om dezelfde rol op te nemen in de strijd tegen de klimaatverandering. (…)

En het gaat maar door. Naarmate de fans groener worden, zal ook de sport groener moeten worden, de stakeholders verwachten dat.

O ja? Ten eerste hangt aan dat Black Lives Matter-gedoe in het voetbal een opgeklopt sfeertje dat eerder te maken heeft met ‘kijk ons eens stoer doen’, dan met de overtuiging dat racisme de wereld uit moet. En dan die stakeholders die verwachten dat het voetbal groener wordt. Tuurlijk niet. Zal ik u zeggen wat die verwachten? Dat de ploeg waar ze hun geld in stoppen, wint, by all means necessary. Zal ik u zeggen wat de fans verwachten? Dat hun ploeg waar ze hun bruto familiaal geluk aan ontlenen, wint, en alle middelen om te winnen zijn daarbij goed. Betekent dat die ene hele goeie van de anderen onder de groene zoden stoppen, jammer maar helaas, nood breekt wet.

Zal ik u zeggen wat de sponsors van de komende World Cup in Qatar verwachten als het daar 40 graden is terwijl ze naar het voetbal zitten te kijken? Dat ze in hun open stadion toch een beetje afkoeling vinden in de airco die daar rondblaast. Zal ik u zeggen wat die voetbalsponsors in de eretribune ook nog willen? Dat hun ploeg wint, dat ze lekker eten krijgen, en dat ze in de tribune droog zitten en als het even kan hun jasje kunnen uitdoen om van de weldoende warmte van de straallampen te kunnen genieten.

Zal ik u zeggen wat die milieubewuste woke spelers willen van hun veld? Dat het gras groener is dan elders, korter gemaaid, snellere ballen toelaat en dat het een heel jaar lang blijft groeien. Ga maar eens in een doorsnee eersteklassestadion kijken door de week en verbaas u over de lampen die op het gras staan. Dat gras denkt dat de zon schijnt en besluit te groeien, zo gaat dat met gras. Alleen komt het zonlicht uit het stopcontact, opgewekt door elektriciteit. Die mag dan nog groen zijn zoals ze in sneltempo zonnepanelen op de stadions leggen, een voetbalwedstrijd blijft een gigantische energieverspilling. De ecologische voetafdruk van de voetbalindustrie is niet te overzien.

Ik snap Deloitte wel. Ze hebben een nieuwe divisie ‘duurzaamheid en klimaatverandering’ opgericht en die wordt geleid door – nomen est omen – Katherine Lampen. Ik wens hen veel succes, maar van een business die draait om mensenhandel, die van de overheden steunmaatregelen eist, om rijk nog rijker te maken, moet je geen burgerzin verwachten. De enige taal die voetbalclubs en hun eigenaars, bestuurders en managers begrijpen is als we hen de arm omwringen en verplichten te vergroenen.

Verhaal met Peter Verbeke van RSC Anderlecht in De Morgen van vrijdag 30 april 2021

Kringloopwinkel RSC Anderlecht

De beste spelers worden sneller verkocht dan ooit en de nieuwe spelers waren nooit goedkoper. Occasie van de week van RSC Anderlecht was Lior Refaelov, een 35-jarige. Tekst en uitleg van sportief directeur Peter Verbeke bij het paars-witte schaarstemodel.

Een halve eeuw geleden scheerde Anderlecht hoge Europese toppen met de Nederlanders Robbie Rensenbrink en Arie Haan, onbetwiste internationals van het kleinste grote voetballand ter wereld en twee keer World Cup-finalist. Vanaf de jaren tachtig trok dat kaliber wereldtoppers liever naar Italië of Spanje. Nog later naar Engeland en Duitsland.

Anderlecht concentreerde zich dan maar op de potentiële toppers bij andere Belgische clubs en haalde daar alles weg dat ook maar enigszins kon voetballen. Dat duurde tot begin deze eeuw. De vermolming van de Villa des Mauves was haast ongemerkt begonnen, en eerst aan de kop. Af en toe werd nog wel eens voor veel geld een topper de deur uitgedaan, maar de kostenstructuur overtrof al snel de inkomsten: Anderlecht werd een handelshuis dat de tering niet naar de nering had staan.

Toen miljardair Marc Coucke in 2017 verrassend de zaak mocht overnemen, trof hij een paar kasten met lijken aan, maar ging toch door op de oude manier. Dure spelers kwamen, kregen hoge contracten en mislukten. De put werd nog dieper. Coucke haalde ten einde raad een andere voorzitter, Wouter Vandenhaute, en – om een lang verhaal kort te maken – die haalde op zijn beurt Peter Verbeke en maakte hem sportief directeur.

Verbeke brak destijds een beginnende trainerscarrière en een wenkend doctoraat af toen hij door Club Brugge werd gevraagd om de scoutingcel te leiden. Dat deed hij vijf jaar, tot KAA Gent met een project kwam om hem in de opvolging van Michel Louwagie in te schakelen. Na anderhalf jaar in de Gentse schaduw haalde Vandenhaute hem naar Anderlecht.

Het is de donderdagochtend na de kwalificatie van Anderlecht voor play-off 1 als Verbeke tijd vrijmaakt op het trainingscentrum in Neerpede voor een babbel over zijn moeilijke, bijna onmogelijke job: goede en goedkope spelers vinden voor een veeleisende trainer met een technisch-tactisch hoogstaand project. Dit moet het eerste interview ooit zijn op een voetbalclub waarbij de geïnterviewde een presentatie heeft voorbereid met antwoorden op vragen die hij ook zelf stelt.

Peter Verbeke: “De eerste stap is de eigen kern analyseren. Hoe staan onze spelers ervoor: technisch, tactisch, maar ook fysiek, medisch en qua mentaliteit? Vervolgens maken we een profielschets van de speler die we willen: per positie beschrijven we zo gedetailleerd mogelijk waar we naar op zoek zijn.

“Tweede stap: de zoektocht begint. Stel nu dat Sambi Lokonga vertrekt en je hebt een opvolger nodig. De Premier League, de Serie A, La Liga, de Bundesliga zijn in principe voor ons onhaalbaar. In principe, want je hebt altijd spelers die daar op een zijspoor zitten en die zich opnieuw willen uitvinden. Dus kan je die opvolger over de hele wereld vinden, van Bogota tot Parijs. Daarvoor bestaat gespecialiseerde software.”

De gegevens uit Parijs zijn betrouwbaarder en completer dan die uit Bogota, toch?

“Niet noodzakelijk. De laatste vijf jaar is de markt van data- en scoutinggegevens ontploft. Wij halen data binnen van InStat en van Wyscout. De hele grote clubs sturen nog altijd hun scouts de hele wereld rond om zoveel mogelijk wedstrijden te bekijken, maar dat zijn uitzonderingen. Zij rekruteren ook alleen in de grote markten. Als wij scouts moeten uitsturen, zouden dat er honderd zijn, en we zijn maar met zeven.

“Wij moeten elke markt die interessant is voor ons filteren. Dan stel ik aan Laurenz Van Looveren en Dries Belaen, die onze scoutingcel coördineren, de vraag: wie in (noemt een land) zou de opvolger van Sambi Lokonga kunnen zijn? Via een eigen ontwikkeld algoritme krijgen we zo een aantal namen met een score. Ziehier de central midfielders in dat land…”

De speler die op één staat, is dat de topprospect?

“Neen, want die staat maar met vijf wedstrijden in de statistiek, dus dat kan toeval zijn. De tweede heeft er achttien, dat is al beter, en er staan er ook in de lijst met veel meer wedstrijden. Met de nummer drie spreken we momenteel. Je mag zijn naam niet noemen.”

Hoe weet u of hij in het systeem-Kompany past?

“Dat is inderdaad de volgende stap. Onze performancedata slaan op het technisch-tactische: hoeveel gelukte passes, hoeveel steals, hoeveel passes vooruit met enig risico? Het beste voorbeeld is Kevin De Bruyne. Die haalt nooit 90 procent gelukte passes, omdat veel ballen van De Bruyne met risico zijn getrapt. Die leiden wel vaak tot een doelpunt.”

Waar let u op bij een spits?

(Er verschijnt een XY-grafiek met alle spitsen van de Belgische competitie.)”Expected goals in combinatie met created chances. Met die twee parameters kun je goede spitsen van de minder goede onderscheiden. Naar de spelers in het vakje rechtsboven zijn wij op zoek. Dat is onze buy box. Wie zit daarin? De usual suspects in onze competitie: Sakala, Jaremtsjoek, Dost, Nmecha en Onuachu.

“Daarnaast gebruiken we nog een dataprogramma: SciSkill. Dat kijkt niet naar performancedata, maar vooral naar het cv van een speler. Een speler van zeventien jaar die dertig wedstrijden speelt bij Anderlecht, wordt vergeleken met anderen die dat hebben gepresteerd. Op basis daarvan gebeurt een voorspelling voor de carrière van die speler.”

Wat met de fysieke parameters?

“Dat is de volgende stap in het proces, de fysieke screening. De lijst van negentig spelers die wij dankzij Laurenz en zijn collega’s op onze radar krijgen, zijn potentieel interessant voor de vervanging van Sambi Lokonga. Of die data betrouwbaar zijn? Ik dacht het wel: het is bovendien een business die zichzelf continu verbetert.”

De vervanger van Lokonga moet hetzelfde risico in zijn spel durven te leggen en vooruit voetballen.

“Inderdaad, en daarvoor hebben we dan Wyscout. Als Vincent het belangrijk vindt dat zijn speler op die positie veel thru-passes kan geven (gedurfde passes naar voren die een aantal spelers uitschakelen, HV), dan kunnen wij die opvragen via de Wyscout-videotool. Twee mensen in onze organisatie zullen die lijst van negentig door een eerste videofilter gooien. Wij krijgen dan een serie beelden van acties van die speler na elkaar. Met dit programma kun je iemand van naaldje tot draadje analyseren. Onze lijst van negentig wordt zo herleid tot 45, en dan wordt het al interessanter.

“Vervolgens begint mijn job. We schrappen de spelers die we financieel nooit kunnen halen. Voor marktwaarde is Transfermarkt bijvoorbeeld een goede indicator, en meestal zijn ze in het echt nog iets duurder. Als de scouts zeggen dat ze een goede speler hebben gevonden van Basel, Kopenhagen of Young Boys Bern, met bovendien nog een lang contract, haak ik af: dat is in de huidige omstandigheden met onze financiële beperkingen niet de markt voor Anderlecht.

“Zo hou je er nog 25 over en gaan we weer videoscouten, maar in de diepte. Drie spelers per dag voor elk van de vier videoscouts worden zo intensief bekeken. Dat levert twaalf rapporten per dag op, en een antwoord op de vraag ‘kan die speler Lokonga vervangen?’.

U hebt de reputatie veel uit video en data te willen halen.

“Dat klopt, maar livescouting – een speler daadwerkelijk zien bewegen over het veld, zien spelen in een ploeg, voor een ploeg, hem observeren – is nog steeds het allerbelangrijkste. Zeker als je een grote investering doet, moet je de speler een paar keer live kunnen zien. Wat dan weer erg lastig is in tijden van corona.

“Om inlichtingen in te winnen over hoe een speler functioneert, kun je ook mensen bellen. Daarvoor doe je een beroep op je netwerk. Spelers, makelaars, trainers, clubbestuurders die de mentaliteit van de speler kunnen typeren. Het is goed te horen als een speler die wij op het oog hebben mentaal sterk blijkt, een winner, iemand die er altijd voor gaat.”

Dan weet u nog altijd niet welke motor er onder de kap zit.

“Precies, de maximale zuurstofopname is uiteindelijk de holy grail en die data zijn niet beschikbaar. Via de Pro League hebben we wel een deal met nog een ander databedrijf, Stats, en die leveren data over fysieke prestaties zoals sprinten met hoge intensiteit, aantal afgelegde kilometers per wedstrijd en dergelijke meer.

“Wat Lior Refaelov betreft, hebben wij eerst onderzocht of hij meekon in het spel van Anderlecht als tweede spits of als pocketspeler. Onze normen zijn anders op die positie dan die van Antwerp. Dat bleek oké, dus hebben we hem een contractvoorstel gedaan. De fysieke data van Dieumerci Mbokani, die heel weinig loopt, zouden dan weer moeilijker te verzoenen zijn met onze benchmarks.”

Inspanningstesten lijken onvermijdelijk voor spelers die men niet goed kent.

“Uiteraard. Sinds ik hier ben, test Anderlecht uitgebreider dan ooit. Ik keur makkelijk iemand af op basis van fysieke testen. Vervelend soms, want die speler is hier dan en denkt dat hij een contract kan tekenen, zoals laatst een achttienjarige buitenlander. Maar met een VO2 max van 42 ben je niks in het voetbal van vandaag, hoe goed hij misschien ook kan voetballen. Hij kon eveneens naar Franse topclubs, maar als hij daar wordt getest, zullen die hetzelfde concluderen. Tenzij de makelaar de technisch of sportief directeur omkoopt, want dat gebeurt ook.

“Wij hebben een deal met het UZ in Gent, waar ze een heel grote database ter beschikking hebben om te vergelijken met andere spelers. Biomechanisch, coördinatorisch, de speler wordt van onder tot boven ontleed, vooral om te zien waar de werkpunten liggen. Hier op Neerpede leggen we de speler ook onder de scanner om het vetgehalte te bepalen, en mag hij op bezoek bij onze sportpsycholoog.”

Komt het door die financiële beperkingen dat Anderlecht zo rigoureus scout?

“Ook. Maar alle clubs hebben daar baat bij. Als je een goedkoop talent vindt en je verkoopt dat door met een meerwaarde van 5 miljoen euro, dan is onze hele scoutingcel van zeven man voor een aantal jaren gefinancierd.

“De vraag is natuurlijk of je nog dat ene grote talent vindt, zoals Gent het geluk had om Jonathan David een contract te geven en hem enkele jaren later voor 30 miljoen te verkopen. Het ongekende potentieel is vaak al gekend. Wat wij doen, doen veel andere clubs. We vissen allemaal in dezelfde vijver.

“Vijf jaar geleden vond Club Brugge Dennis in Oekraïne en Diatta in Noorwegen, en niemand had van die gasten gehoord. Vandaag is dat onmogelijk, precies door die dataprogramma’s. Je moet nu heel snel zijn en je moet goede scouts hebben, alleen al om de prijsstijgingen voor te zijn.

“Ik heb de gemiddelde uitgaven over de laatste drie seizoen voor België in kaart gebracht: Genk gaf bijna 29 miljoen euro uit, Club 21 miljoen, Anderlecht 19 miljoen, het oude Anderlecht welteverstaan. Het voorbije seizoen heeft Anderlecht negen spelers gehaald voor 4,5 miljoen, het negende transferbudget in België.

“Toptalenten zijn ook voor België ontzettend duur geworden, en dat hebben we onszelf aangedaan. Scandinavië was lang een interessante markt voor België, met goede spelers voor 1 tot 2 miljoen. De gamechanger was toen Anderlecht 8 miljoen betaalde voor Bubacarr Sanneh, een centrale verdediger die bij ons niet is geslaagd, en Ajax een paar jonge talenten bij de U19 ging halen voor 7 miljoen. Zo, dachten die clubs, dat kan dus duurder.”

Waar zijn nog koopjes te vinden?

“Afrika is nog een beetje een blinde vlek. Daarvoor heb je scouts ter plekke nodig om wedstrijden te gaan bekijken. Die Congolezen die bij Standard spelen en van TP Mazembe uit Lubumbashi komen, dat zijn talenten en zo zijn er nog, daar ben ik zeker van. Japan is ook nog interessant. De meeste spelers die van daar komen, slagen. In Zuid-Amerika zijn geen koopjes meer te doen, de inflatie heeft daar toegeslagen. Naast scouts in Afrika zou ik nog één scout fulltime in de banlieues van Parijs laten rondlopen. Nergens ter wereld is meer talent op een kleinere oppervlakte te vinden.

“Makelaars? Ik zeg altijd: als een makelaar ons een talent voorstelt en wij kennen die speler niet, dan hebben wij gefaald. Maar sommige makelaars hebben zoveel kennis van hun specifieke markt – zoals Sergei Serebrennikov in Oekraïne – dat hij een zeventienjarig talent kan aanbrengen nog voor de dataprogramma’s die hebben opgemerkt. Ik krijg wel honderd aanbiedingen voor spelers per dag in mijn mailbox, ik weet bij welke makelaar het de moeite loont om er even dieper op in te gaan.”

De kapitaalverhoging bij Anderlecht is eindelijk aanvaard, maar dat betekent niet dat u nu ineens veel meer kan uitgeven.

“Neen en dat wil ik ook niet. Voorgangers van mij hebben hier heel veel geld mogen uitgeven aan spelers die niet spelen maar nog steeds eigendom zijn van Anderlecht. Die schaarste inspireert ons om beter te doen dan de concurrentie, maar ik heb Marc Coucke wel gezegd dat het langer dan vijf jaar zal duren om de kloof met Club te dichten als we elk jaar beperkt zijn tot 5 miljoen.

“Als Anderlecht weer aan de top komt, zal dat in de eerste plaats te danken zijn aan de Academy op Neerpede. Wat hier rondloopt aan talent, is ongezien. Brussel en omgeving, dat zijn de Parijse banlieues in het klein. Vincent gaat nu weer vier jonge gasten met de A- kern laten meetrainen. We hebben al zoveel jeugd in de ploeg met Sambi Lokonga, Killian Sardella, Francis Amuzu, Anouar El Hadj. En dan heb je Kristian Arnstad, Mario Stroeykens, Zeno Debast en Bart Verbruggen die er nog aan komen.

“Naast opleiden moeten we erg slim scouten. We hebben met ons datasysteem Josh Cullen, Lukas Nmecha, Amir Murillo, Bogdan Mykhaylichenko en Matt Miazga gehaald en die blijken succesvol. Er waren twijfels of Nmecha wel voldoende scorend vermogen zou hebben, maar op basis van de data hebben we de trainersstaf ervan kunnen overtuigen dat hij kon ontploffen, en dat is gebleken.

“Dat is dan ook Kompany: een geschenk voor de scouting. Helemaal anders dan de trainers die ik eerder meemaakte. Vincent loopt om de haverklap binnen bij de scoutingcel. ‘Toon eens, gasten, wie en wat jullie hebben gevonden?’ Die is echt bezeten en hij is nog eens een open boek ook. Bij de tactische besprekingen met de ploeg vraagt hij de scouts erbij, zodat ze weten wat hij van elke speler verlangt en ze nog gerichter kunnen zoeken.”

Column in De Morgen van maandag 26 april 2021

SEXPLOITATIE

Simone Biles heeft laten uitschijnen dat Tokio 2021 wel eens niét haar laatste Olympische Spelen zouden kunnen zijn. Biles is niet de eerste de beste. Ze is de allerallerbeste allroundgymnaste ooit, en dat uitgerekend zij overweegt om voor een derde deelname aan de Olympische Spelen te gaan, is een opsteker voor een sport die de gewoonte heeft om elke vier jaar van kindsterren te wisselen.

Biles zal 27 zijn als ze in Parijs aan haar grondoefening begint en als ze dan nog allround zou turnen, zou dat even straf zijn als de vier Olympische Spelen van Michael Phelps. Is het dan gedaan met de kindsterren in de gymnastiek? Welneen, er zullen altijd trainers zijn die lichter en jonger en kneedbaarder verkiezen boven volwassen springveertjes als Biles of elegante langpootmuggen als Nina Derwael. Het geeft wel aan dat een verhoging van de minimumleeftijd naar achttien jaar niet noodzakelijk leidt tot sportieve devaluatie.

Er is nog wat dat aan die sport mag veranderen en neen, het gaat niet over de psychische terreur. De Duitse Sarah Voss gaf bij het begin van de competitie het voorbeeld: in de kwalificaties sprong ze in een bodysuit. Prompt leidde dat tot een waterval van tweets, in gang gezet door een Amerikaanse journaliste die ook voor Team USA werkt. Meer van dat, was de teneur.

Zo’n bodysuit heten ze in de gymnastiek ook wel eens een unitard en die naam komt dan weer uit het ballet, waar ze (de mannen
dan vooral) al eeuwen in een spannend eendelig pak dansen. In de gymnastiek is dat nog niet ingeburgerd, maar wel wenselijk, als
je de reacties een beetje mag geloven. Overigens is de unitard dan weer afgeleid van het woord leotard, dat staat voor het klassieke gympakje. Die leotard is genoemd naar de acrobaat Philippe Léotard die het pak zelf gebruikte voor zijn optredens, met dien verstande dat de mannenversie korte pijpen heeft. De leotard van de vrouwen is aan de billen diep uitgesneden en hoe dieper, hoe beter.

U weet vast waar ik naar toe wil: een close-up van een vrouwelijke gymnaste die met open benen aan de brug naar de camera toezwaait, is gênant voor de gymnaste. Er zijn lui die zulke foto’s uitknippen en verzamelen, maar dan om de verkeerde reden. Ik herinner mij ooit een verhaal dat ik zelf schreef over de trainer van Aagje Vanwalleghem die in een besloten vergadering, waarvan de notulen mij waren doorgespeeld, had geroepen dat zijn meisjes niet mochten menstrueren.

Dat werd door de fotoredactie van deze krant een beetje ongelukkig geïllustreerd door een plaat van Aagje die met opengespreide benen naar de lens kwam toezwaaien. Waarop Aagje kwaad werd. Terecht. Oké, door sommige bodysuits van de mannen priemt ook wel eens een bult, maar ik heb nooit begrepen waarom vrouwen in al te nauwsluitende, niet altijd flatterende maar vooral weinig verhullende outfits aan sport doen en mannen niet.

Als één sport seksistische kledingvoorschriften heeft gehanteerd en nog steeds, dan wel volleybal onder de heerschappij van de Mexicaan Dr. Rubén Acosta. Die overigens helemaal geen dokter was maar ooit ergens een eredoctoraat had gekregen en zich zo liet noemen.

Onder de watch van Acosta is beachvolleybal ooit olympisch geworden. Een van de voorwaarden om de sport in Atlanta op de het programma te krijgen, had betrekking op de kleding. De mannen mochten in wijde shorts en tanktops, de vrouwen moesten in bikini

Beachvolleybal was al een hele tijd erg populair in de VS en werd steeds populairder. Het was de enige Amerikaanse balsport met betere kijkcijfers voor de vrouwen dan voor de mannen, waardoor de commercials voor de vrouwenfinales duurder waren dan voor de mannenfinales

De New York Times deed daar destijds onderzoek naar. Zij kwamen tot de vaststelling dat het publiek bij beachvolleybal voor vrouwen voornamelijk bestond uit – ik citeer – “niet al te hoog opgeleide mannen van middelbare leeftijd die met één hand rond een Budweiser en met de andere aan de crotch (het kruis) ongehinderd naar bezwete, halfnaakte door het zand rollende mooie vrouwenlichamen kunnen kijken”. En als hun vrouw er iets van zei, konden ze argumenteren dat ze naar topsport keken.

Laatst was er beachvolleybal in Qatar. Een bikini dragen in volle openbare glorie en dat op tv uitzenden in een moslimland, lag wat lastig. De meeste teams opteerden voor een bodysuit. Straks in Tokio blijven evenwel de kledingvoorschriften gelden zoals die door Acosta ooit zijn uitgevaardigd: de bikini mag op de heupen niet breder zijn dan zes centimeter. Dat heeft niets vandoen met technische, fysieke of andere sportieve regels, maar alles met sexploitatie van de sport.

Column Koers 3.0 in De Morgen van maandag 19 april 2021

Koers 3.0

Er is die ene waarheid als koe in het wielrennen: de renners maken de koers, niet het parcours, niet het publiek, niet de media. In de op twee na laatste ronde had Michel Wuyts het nog over “ze rijden alsof het een kermiskoers is”. Of dat past in het dedain dat Vlamingen traditioneel voor wielerwedstrijden in Nederland aan de dag leggen, is niet helemaal duidelijk. Wetend hoeveel Nederlanders voor het wielrennen naar Sporza kijken zou ik dat alvast niet doen, maar een ronde later ging het al van “er wordt gekoerst, het spel zit op de wagen” en nog een ronde later “wat een koers”.

Klopt helemaal. Wat een koers. Opnieuw. Weeral. Voor de zoveelste keer reden beresterke wielrenners voorop nadat ze zelf de wedstrijd hadden opengebroken en beslisten in een onderlinge shoot-out wie ging winnen. Gisteren was het een postmodern Far West-einde: de winnaar schoot de winnende kogel af, maar werd ook geraakt. Hij ging alleen iets later dood dan de verliezer.

Als we de sprint tussen Mathieu van der Poel en Wout van Aert in de Ronde van Vlaanderen 2020 al spannend vonden, wat dan te denken van de Amstel Gold Race 2021. Ik heb bij het schrijven van dit stukje nog steeds de finishfoto niet gezien, en hoewel ik geen sikkepit vertrouwen heb in de UCI wil ik de jury die Van Aert heeft uitgeroepen tot winnaar best geloven. Alleen blijf ik met dat tv-beeld in mijn hoofd zitten. Twee centimeter voorbij de streep heeft Tom Pidcock minstens drie centimeter marge. Als hij die sprint niet heeft gewonnen, wil dat zeggen dat hij ongeveer vier centimeter heeft gewonnen in twee centimeter afstand. Daar kan mijn verstand niet bij, en ik was in goed gezelschap want Van Aert was heel oprecht toen hij richting de tent reed: “Ik gewonnen? Ik heb net de finishbeelden gezien en nu twijfel ik toch.”

Ik ben nu halfweg dit stukje en ik check nog even de Sporza-site: ook daar een beeld waarbij Pidcock duidelijk een bandbreedte voorop ligt, weliswaar net voorbij de streep. Kan een ultieme, maar net iets minder goed getimede jump zoveel verschil maken? Hallo specialisten?

Aanvaardt Ineos deze uitkomst wel? Het was een Belgisch jurylid en hij keek op een iPad om zijn beslissing kenbaar te maken. In Valkenburg hadden ze een vergrootglas nodig, maar misschien gaan ze vandaag in Aigle wel met een elektronenmicroscoop nog eens terug naar die onwaarschijnlijk spannende aankomst. Het meest onwaarschijnlijke aan die onwaarschijnlijke aankomst is natuurlijk het compleet ontbreken van een duidelijke finishfoto, pal op de lijn, met een soort muur, en met de band die het eerst door die muur gaat als duidelijke winnaar. Liefst binnen de vijftien seconden.

Driekwart ver in dit stukje check ik nog eens. Het beeld van Sporza genomen vanaf de lijn is nu vervangen door een beeld van de sprint pal op kop. Daar zie je dat het Max Schachmann wellicht niet is, maar wie van die andere twee dan wel wint, dat is raden. Heel vreemd. Voor alle duidelijkheid: Van Aert mag van mij winnen, liever dan Pidcock en ik zeg niet dat er bedrog in het spel is. Misschien is dit zoiets als met de VAR in het voetbal en zien die mannen het altijd iets beter en anders dan de gewone sterveling.

Deze coronaversie van de klassieker Amstel Gold Race zou de UCI en bij uitbreiding de hele wielerwereld aan het denken moeten zetten. Trouwe lezers van deze rubriek weten al langer dat hier op gezette tijden een lans wordt gebroken voor circuitraces. Over de plas – denk aan de wedstrijden in Quebec en Montreal die de renners heel graag rijden – hebben ze al langer het licht gezien: het geeft geen pas om van punt naar punt te rijden.

Wereldkampioenschappen zijn dan weer een mengvorm: vaak een start ergens verder weg, waarna ze in gestrekte draf naar een plaatselijk circuit rijden en daar rondjes draaien. Toen de Ronde van Vlaanderen in 2012 de Muur en de aankomst in het aartslelijke Meerbeke verplaatste naar Oudenaarde, en tegelijk met lokale rondjes uitpakte over de Kwaremont en de Paterberg, kwam daar veel protest op, maar jaar na jaar is de wedstrijd er spannender en beter op geworden.

Wie de nostalgie even opzij zet, zal alleen maar voordelen zien van circuitracing, ofte Koers 3.0: een beter verdienmodel dan van punt naar punt, want meer inkomsten en minder kosten, veel veiliger wedstrijden want een perfect controleerbare en aanpasbare omgeving, minder flankerend verkeer. (Hoeveel valpartijen waren er gisteren? Eén, twee misschien?) Ten slotte, want daar gaat het om, even spannende of nog spannender races, veel beter in beeld te brengen en perfect te formatteren in een spannend uurtje televisie.

Column Special Olympics in De Morgan van zaterdag 17 april 2021

Special Olympics

Het ticket ligt klaar. De overstap in Frankfurt is een beetje verlaat, maar normaal land ik op 13 juli in de vroege ochtend op Tokyo- Haneda. Dat is zonder een onweer, zoals vijf jaar geleden toen ik op weg naar Rio samen met de inhoud van dertig andere widebody’s rond middernacht in de vertrekhal werd gedumpt.

Net een extra glaasje bubbels gekregen, toen de Lufthansa-piloot fulmineerde: “In Frankfurt hebben de groenen verkregen dat we zelfs in geval van nood of oponthoud na middernacht niet meer mogen opstijgen. Sie mussen raus.” Dan vlieg je een keertje businessclass met dank aan de karrenvracht miles, word je midden in de nacht samen met het economy-plebs (grapje) geacht je plan te trekken. De taferelen die ik die nacht in Frankfurt heb gezien en het gebrek aan solidariteit tussen jong – “ik heb een bankje gevonden, opzouten jullie” – en oud – “zie ons hangen in een bagagekar, is er dan niemand die ons helpt?” – waren een voorbode voor 2020-’21.

Het olympische logies is al voor de helft betaald. De andere helft had al maanden geleden betaald moeten zijn, maar de Japanners stellen die finale factuur steeds uit. De accreditatie zou ook oké moeten zijn. Voor Peking in de winter van 2022 pas ik en de volgende Spelen gaan door in Parijs op een uurtje auto en een uurtje tgv, dus dat wordt mijn laatste verre trip als sportjournalist op kosten van een ander – hoop ik althans.

Uit alle analyses van de grote pandemiekenners en virusexperts heb ik altijd begrepen dat ze het in Azië en Oceanië zo goed voor mekaar hadden. Dat had te maken met van alles, gaande van ingebakken discipline tot wonen op een eiland. Welnu, als één eiland aan elkaar hangt van de discipline, dan wel Japan en daar zijn ze ondanks mooie temperaturen inmiddels toch toe aan een nieuwe en hele zware coronagolf. En vaccineren doen ze nog trager dan in Europa.

Deze week heeft Japans tweede partij in de regering laten verstaan dat de Spelen wel degelijk kunnen worden afgelast. Die partij levert niet de minister van Sport en niet de eerste minister, daar zal dat ook wel mee te maken hebben. Waarop de oppositie zich druk maakte en vond dat ze die Spelen maar meteen moesten afgelasten.

Ik hoop om op 12 juli alsnog om 9 uur de vlucht naar Frankfurt te kunnen nemen. Ik kijk er zelfs naar uit. Dit worden sowieso de Apocalyptische Spelen, zeg maar Special Olympics, maar dan voor valide atleten. Alleen maar autochtonen op straat, alleen maar autochtonen in de tribune, dit is voor mij professioneel geleden van de Nationale Spelen in China in 2005.

Aandachtige lezers zullen hebben opgemerkt dat 13 juli nogal ver op voorhand is voor iets wat op vrijdagavond 23 juli begint met de openingsceremonie – waar ik niet bij wil zijn, allemaal energieverlies – en eigenlijk pas een dag later in gang schiet. Welja, ik denk dat ik die twaalf dagen goed zal kunnen gebruiken om mijn weg te zoeken in wat mag en niet mag.

U wilt niet weten wat er allemaal in dat Press Playbook staat dat we hebben ontvangen. Hoe we ons moeten gedragen, het openbaar vervoer niet mogen gebruiken, niet in dat sympathieke restaurantje om de hoek mogen gaan eten met de Nederlandse collega’s, ook niet een ommetje mogen maken langs het parkje om op een bankje wat te internetten of met een local een praatje maken.

Voor zover dat laatste überhaupt een optie is. De laatste keer dat ik in Japan was, in Osaka in 2007 voor het WK atletiek, spraken ze daar nog steeds geen woord over de grens. Zelfs in de Starbucks moest je met handen en voeten uitleggen dat een medium latte volstond. Hoewel: bij de derde keer “no I don’t need that fucking vanilla syrup” hadden ze het toch begrepen.

De eerste keer Japan was helemaal erg. Dat was met het WK volleybal in 1998 en ik volgde als Nederlandse journalist de regerende olympische en Europese kampioen. De speelstad voor de Nederlanders was Hamamatsu. In de hele stad geen Japanner (m of v of
x) te vinden die drie woorden Engels kon. Op elke vraag antwoordden ze yes, ook als het antwoord neen was. Uitleg: een Japanner die bekent dat hij iets niet weet, lijdt gezichtsverlies. Toen we eindelijk een taxichauffeur hadden gevonden die tien woorden Engels sprak, wilde hij ons met alle geweld naar een restaurant brengen waar je kon eten en ook nog wel wat meer doen om dat eten te laten verteren in het gezelschap van een dame.

Nu, het goede nieuws is dat ik in Rusland tijdens de World Cup de weldaden van Google Translate heb leren ontdekken en dat moet met Japans ook lukken. We leven op hoop. Nu nog dat virus een beetje onder controle krijgen.

Verhaal + commentaar over Gymrapport in De Morgen van zaterdag 17 april 2021

Beschadigde topgymcoaches mogen blijven

Jazeker, het ging soms mis in de aanpak van de coaching en training in het Vlaamse topturnen ten aanzien van jonge vrouwen, soms nog meisjes. Maar, zo concludeert een langverwacht onderzoeksrapport, de ergste kwalen zijn verholpen. Yves Kieffer en Marjorie Heuls, de topcoaches die onder vuur lagen, excuseerden zich en kunnen samen met Nina Derwael en co. op medaillejacht in Tokio.

Zestien dagen nadat de voorzitter van de onafhankelijke onderzoekscommissie gymnastiek (OOG) naar ‘trainersterreur’ in de gymnastiek het rapport aan de minister van Sport heeft overgemaakt, weten we ook wat er in het langverwachte werkstuk staat. Samengevat: er was wel degelijk wat mis, met de nadruk op wás. Daarom adviseert de commissie het huidig model, fel bijgestuurd na 2016, te behouden en verder bij te sturen. Vlaams minister van Sport Ben Weyts (N-VA) en de Gymnastiekfederatie Vlaanderen (Gymfed) volgen dat advies.

Het onderzoek kwam er nadat vorig jaar een reeks (ex-)turnsters hadden getuigd over mentale misbruiken bij trainingen. Vooral oud- coach Gerrit Beltman kreeg het, net als eerder in Nederland, te verduren, maar ook het huidige coachingduo Yves Kieffer en Marjorie Heuls kwam in het vizier.

In het rapport, met negatieve en positieve punten, staat voor elk wat wils. Daardoor riskeert iedereen min of meer gefrustreerd achter te blijven, niet het minst de ex-gymnasten en hun ouders die het etiket hardliners opgeplakt kregen. Hun eis om schoon schip te maken, die ooit begon als een smeekbede om excuses, wordt niet ingewilligd.

Op de persconferentie kwam wel een (digitale) knieval van de hoofdtrainers Kieffer-Heuls. In een opgenomen video lazen ze een verklaring voor. Samengevat: “Als we gymnasten en ouders hebben gekwetst met onze harde aanpak, willen we ons excuseren. Wij hebben nooit de intentie gehad om psychisch grensoverschrijdend gedrag te plegen. We zullen daar onze lessen uit trekken en werken aan een cultuurverandering binnen onze sport.”

De Gymfed zelf bij monde van algemeen manager Ilse Arys excuseerde zich daarna nog omstandig en beloofde verder te gaan op de ingeslagen weg. Voor die Gymfed pleit dan weer dat ze vijf jaar geleden al doorhad dat het anders moest en daarnaar handelde door in meer omkadering te voorzien. Na 2016 vielen nog nauwelijks of geen klachten en zware blessures te noteren. Minister van Sport Weyts somde daarna dertien aanbevelingen op waarbij controle op het topsportmodel gericht op kinderen centraal staat.

De Vlaamse sport scoort met dit snel rapport. In Vlaanderen besloot men een maand na Nederland, waar de betrokken commissie nog steeds niets heeft gepubliceerd, tot de oprichting van de OOG onder leiding van rechter Bart Meganck, ex-atleet en raadsheer in het hof van beroep in Gent. Hij werd bijgestaan door Tim Stroobants, directeur Vlaams expertisecentrum kindermishandeling, orthopedisch chirurg Kristof Smeets, topsportexpert Eddy De Smedt en Inge Vanderstraete, kinder- en jeugdpsychiater. Op 31 maart was het rapport klaar.

De commissie stelde zich onder meer tot doel inzicht te krijgen in wat, wie, wanneer overkomen was en wat er al of niet intussen is veranderd. Een andere bekommernis: in welke mate speelde oud zeer omwille van de eigen gemiste carrière en jaloersheid een rol? Getuigenissen van de ex-topgymnasten Dorien Motten – ‘gewoon niet goed genoeg’, aldus een betrokkene bij de Gymfed – en Aagje Vanwalleghem – ‘kreeg haar kans in de trainersstaf , maar greep ze niet’ – werden tegen het licht gehouden.

Georchestreerde campagne

Het dossier verzandde al snel in een verhaal van believers tegen non-believers. Het mediabombardement wekte de indruk van een georchestreerde campagne. Het in één artikel vernoemen van de verbale terreur in Gent met Larry Nassar, de psychopaat-dokter die in de VS een paar honderd jonge turnsters heeft misbruikt, was niet van die aard om de sereniteit te bevorderen.

Dat op 13 maart twaalf topgymnasten van de nationale selectie in een open brief de aantijgingen ten aanzien van hun coaches afdeden als een heksenjacht en vroegen daarmee te stoppen in het belang van hun toekomstige prestaties, sprak boekdelen.

De commissie heeft gesproken, maar dat is lang niet het einde van dit verhaal. Wellicht zullen de klachten blijven komen. Die kunnen worden behandeld bij het Vlaamse Tribunaal voor de Sport (VTS).

Het Franse trainerskoppel Kieffer-Heuls heeft gewankeld, is beschadigd, maar blijft overeind. Ze hebben zich formeel geëxcuseerd, maar zijn tegelijk beledigd, voelen zich in de steek gelaten en verwijzen naar de opdracht die ze meekregen: de Vlaamse gymnastiek naar een hoger niveau tillen en medailles halen. Hun – harde – devies is dat van de topgymnastiek over de hele wereld: je kan geen omelet bakken zonder een ei te breken.

Bij de Gymfed hoopt men nu dat de rust terugkeert en dat Nina Derwael en het team sereen naar de Spelen kunnen toewerken. Derwael laat dit weekend het EK schieten, maar is al zo goed als klaar met een nieuwe oefening met daarin elementen die de concurrentie in Tokio op onoverkomelijke afstand moet zetten. Wat het daarna wordt, is niet zeker. Als Kieffer en Heuls vertrekken, kan dat het einde van Derwael als topgymnaste inluiden.

STANDPUNT

Elke sport heeft het in zich om haar atleten te overbevragen, maar van alle topsport gaat gymnastiek daarin het verst. Trainingsmethoden in de gymnastiek zijn een mix van Aziatische en Oost-Europese modellen, gericht op aanleren van waanzinnig moeilijke bewegingen, weghalen van angst, verbijten van pijn, en finaal ontkennen van de eigen wil. Dat bereik je het snelst door conditionering en totale onderwerping.

Vrouwen- of meisjesgymnastiek heeft een extra bezwarende component, vergeleken met andere sporten: in de jaren dat het lichaam zich moet ontwikkelen gaat het talentje eerst twintig, later dertig uur en nog meer per week trainen – drie keer meer dan voetbalprofs. Het doel is het inslijpen van de perfecte beweging; het nevendoel, eigenlijk nevenschade, is de onderdrukking van een lichaam dat vrouw wil worden. Hoe lichter en kleiner, des te makkelijker om halsbrekende toeren uit te voeren.

Dat geldt niet voor de supertalenten. Wereldtoppers als Nina Derwael, die toch ook voluit vrouw kunnen zijn, inclusief een relatie hebben, zijn de uitzonderingen. De andere leden van Derwaels team (en hun trainers) hebben er alle belang bij de groeispurt en het volwassen worden, inclusief ongesteldheid, zo lang mogelijk uit te stellen.

Samen met de biologie wordt ook de eigen wil jarenlang uitgeschakeld en wat dat besef doet met een turnmeisje dat na de carrière ineens vrouw wordt, bleek uit getuigenissen in Nederland. Verona van de Leur, die ooit nog met Nederland vijfde werd op het WK van 2001 in Gent, vraagt nu dat gymnastiek voor vrouwen wordt verboden. Een minimumleeftijd van achttien (in plaats van zestien, tot 1996 was het zelfs maar veertien) zoals die nu wordt gevraagd door een aantal westerse bonden waaronder ook België, vindt zij geen oplossing.

Hoe men het ook draait of keert: vrouwengymnastiek is dé systeemfout van de topsport. Een voetballertje raakt soms geblesseerd, ziet gewrichtsbanden knappen, het wielrennertje valt soms meer en zwaarder dan hem lief is, het gymnastje wordt haast zeker dag na dag gesloopt en geconditioneerd.

Een voetballertje van zestien dat wordt afgetest bij een topclub, kan lager aan de slag, tot in het cafévoetbal. Voor het gymnastje van zestien dat door blessures of gebrek aan talent een carrière in rook ziet opgaan, ligt dat anders. Na de dertig uur in Topsporthal in Gent gaapt alleen de grote zwarte leegte.

Naast uiteraard een betere omkadering met checks-and-balances ten aanzien van de gezondheid en de trainerspraktijken – iets wat de Gymfed na 2016 al heeft gedaan – moet dat de voornaamste bekommernis zijn: begeleiding en bescherming van gymkinderen/tieners/ ouders in hun ongebreidelde passie. En nazorg als ze hun dromen in rook zien opgaan.