Column Wat. Een. Klassieker. in De Morgen van maandag 8 maart 2021

Wat. Een. Klassieker.

Deze week zat er een boek in de bus, het nieuwste sportboek van Lannoo in samenwerking met Grinta: Cycling Hotspots, 12 toplocaties voor wielrenners. Wielerliefhebbers hebben er ook wat aan, sinds iedereen overal boven geraakt met die elektrificatierage van de laatste jaren. Een aanrader dat boek, al was het maar voor de mooie beelden en interessante tips en echt niet omdat ik een presentexemplaar moet wettigen, iets waar ik meestal mijn voeten aan veeg.

Het boek valt op door de mooie coverfoto. Je ziet een zwoegende fietser in een groen glooiend landschap. Zijn houding verraadt beulswerk op het witte lint dat hij achter zich heeft gelaten. De cipressen in de verte verraden waar hij rijdt: ergens tussen Siena en Montalcino. De neus ver over het stuur, zwoegt en zweet hij op una strada bianca. Ik zou niet weten op welke settore sterrato het is, maar ik ben overtuigd: sinds zaterdag staat de Eroica – de gepijlde tocht en niet de massatoeristenversie – op de bucket list, en meteen helemaal bovenaan.

In september verscheen hier een column met als titel ‘Wat. Een. Tour.’ Origineel is het niet maar die Strade Bianche, editie 2021: Wat. Een. Klassieker. José De Cauwer had tranen in de ogen na afloop. Hij vond het een van de mooiste wielerwedstrijden ooit. Hij dwaalt: de Strade Bianche van 2021 is de mooiste klassieker aller tijden. Nooit heeft een sterker deelnemersveld de finale gekleurd, zelden was de spanning tussen zes van de allerbeste renners van de wereld tot in de laatste hectometers zo te snijden.

De drie beste klassieke renners van het moment die samen de finale ingaan met de twee laatste Tour-winnaars en een achtcilindercrossertje van 21. Het is ongezien in de geschiedenis van het cyclisme en zal misschien nooit meer voorvallen. Een historische Luik-Bastenaken-Luik komt misschien het dichtste in de buurt, maar dat moeten de specialisten uitzoeken. Of een rijk na- Tour-criterium, maar dan zonder startgeld en zonder scenario vooraf van wie waar wordt geacht te ‘demarreren’ en welke twee of drie de sprint aangaan en wie mag winnen.

Niets van dat alles zaterdag. Dit was koersen met open vizier. Leg op tafel die kaarten, haal je troef boven en kijk waar het schip strandt. Dit was ook Koers 3.0. Dit was de Eroica in het echt: heroïsch. Hoe zo’n Julian Alaphilippe achteraf reageerde: “Ik ben blij voor Mathieu dat hij heeft gewonnen, want hij was de beste.” En Mathieu van der Poel in de nababbel: “Julian had mij gezegd dat zijn benen niet meer goed waren. Die van mij wel. Ik voelde dat ik nog wat achter de hand had. Julian zal niet liegen.”

Uren later verscheen een tweet met een foto van de demarrage van Van der Poel die in de Via Santa Catarina de grote platte plavuizen uit de grond deed daveren. Een bekende wielertwitteraar schreef: “Heeft ooit eerder iemand Alaphilippe zo kunnen reduceren tot een wielertoerist?” Kort daarop reageerde Alaphilippe, niet nijdig, niet boos. Zijn repliek: “Ik had nochtans de indruk dat ik snel naar boven reed.” Gevolgd door een lachende emoji. Vintage Julian, oké met zichzelf en zijn prestatie.

Door de Porta di Fontebranda Gate, daar al 10 procent, overgaand in de Via Santa Caterina met zijn 16 procent, knalde Van der Poel 500 meter voor de finish vanop de kop weg. Zijn twee compagnons de route stonden stil. Dan iets verder scherp rechts in de Via Delle Terme en zo naar de Via Banchi di Sotto. Met nog 300 meter licht bergaf te gaan en met een comfortabele voorsprong op een capitulerende Alaphilippe en een uitgewoonde Egan Bernal, kon het zondagskind van ene Adri en Corinne – de genenmix van een harde Brabander en een Tour-winnaar – de zege ruiken. In de Via Rinaldini begon hij te genieten. De laatste zeventig meter naar de Piazza del Campo werd Mathieu van der Poel een bokser. Back on top. Opnieuw.

Het stond hier al een keer: Mathieu van der Poel is het grootste talent ooit op twee wielen, van om het even welk type of soort en in welk kader dan ook. Gedreven door zijn eerzucht heeft hij zich weer helemaal bovenaan de voedselketen van het cyclisme geparkeerd. Neen, hij zat niet met revanchegevoelens na die half mislukte Italiaanse campagne van vorig jaar.

Leugenaar. Natuurlijk was hij beledigd. Kansloos in de Strade 2020, dat kon hij nog op die lekke band steken – en op de verzengende hitte waar hij af en toe problemen mee heeft – maar in Milaan-Sanremo uit de wielen worden geknald op de Poggio, een helling waar geen levend wezen sneller dan hij zelf naar boven zou mogen rijden, dat was er ver over. Dat zou hem niet meer overkomen. Afspraak op zaterdag 20 maart.

Interview Rutger Smith (vóór EK indoor) in De Morgen van zaterdag 6 maart 2021

‘In een klein land als België moet je dat ene toptalent koesteren’

Als topsportcoördinator moet Nederlander Rutger Smith de Belgische en Vlaamse atletiek uit het slop halen. En er ligt, zo stelt de oud-kogelstoter en -discuswerper in de marge van het EK atletiek in Polen, nog werk genoeg op de plank.

Ondanks corona heeft Rutger Smith zich in die tweeënhalf jaar dat hij voor de Vlaamse Atletiekliga werkt – en vooral het voorbije jaar als topsportcoördinator – met succes een weg door de jungle van de Belgische en Vlaamse sport gehakt. Respect als oud- medaillewinnaar en ervaringsdeskundige in de topsport genoot hij van bij de start en dat is alleen maar toegenomen. “Een bruggenbouwer”, zegt de een. “Weet wat nodig is”, zegt een andere. “Kan met iedereen door één deur”, weet een derde. “Allez, figuurlijk dan.”

Dat ‘figuurlijk’ staat hier inderdaad op zijn plaats. Rutger Smith is 1m98 lang en woog ooit 130 kilo. Als kogelstoter en discuswerper was hij absolute wereldtop bij de jeugd, met wereld- en Europese titels. Bij de grote mensen in zijn disciplines, die – zo leert de geschiedenis – de medicinale hulp niet schuwen, moest hij een stap terug. Smith werd gewone wereldtop: meestal goed voor een finale – behalve op de Olympische Spelen, waar hij bij twee van de drie deelnames in de kwalificaties bleef steken – met af en toe uitschieters. Die kwamen er onder de vorm van drie medailles op WK’s en twee op EK’s. Aan die bronzen plak van Osaka 2007 is een verhaal verbonden.

Rutger Smith: “Ik woonde in de VS toen ik een brief van de wereldatletiekbond IAAF kreeg: of ik naar het WK 2017 in Londen kon komen om alsnog mijn medaille van Osaka op te halen. Andrej Michnevitsj uit Wit-Rusland was in 2013 bij een hertesting voor de tweede keer positief bevonden. Al zijn uitslagen na 2005 werden geannuleerd en ik schoof een plaats op. Ik twijfelde, tien uur vliegen voor iets wat tien jaar geleden was gebeurd, leek mij wat overdreven, maar ik ben toch gegaan. Het was een mooie, weliswaar late erkenning. Ik ben blij dat ik ben afgereisd, de familie was er en we hebben dat kunnen vieren. Ze hadden toen geen medaille van Osaka klaar, maar die zou ik toegestuurd krijgen. We zijn nu bijna vier jaar later en ik heb nog steeds geen medaille gezien.”

We zitten hoog in de tribune van de Topsporthal in zijn woonplaats Gent, waar hij tussen 2000 en 2008 elk jaar minimaal één keer aan de bak moest op zijn NK indoor, omdat Nederland toen zelf geen indoorhal had. Beneden op de baan onderwerpt een sportklas zich aan de leraar LO. Van topatleten geen spoor. Na corona wordt alles anders, weet topsportcoördinator Smith, die zijn eerste topsportbeleidsplan begon met de wervende zin ‘Coming together is the beginning. Keeping together is progress. Working together is success.’

“Samenwerking tussen coaches op een centrale plek is dé doelstelling. Dat is er nu nog niet van gekomen, maar na corona gaan we de toppers in Vlaanderen hier minimaal één dag per week samenbrengen. Atleten en coaches kunnen van elkaar leren, dat is de insteek, en dus geeft het geen pas om op eilandjes te blijven zitten. Wees open over wat je doet en hoe je het doet, probeer te leren van anderen.

“Er is talent in Vlaanderen. Onlangs nog verbeterde Jente Hauttekeete het junioreswereldrecord in de zevenkamp en sprong de zestienjarige Merel Maes over 1m91. Als jij antwoordt dat de postformatie in dit land eeen probleem is, dan zeg ik dat de kennis daartoe best wel aanwezig is. Kennisoverdracht is het antwoord.

“We zullen hier niet snel de situatie krijgen zoals in Nederland. Ik was de eerste Nederlandse atleet die fulltime op Papendal (sportcentrum voor topsport en onderwijs, red.) ging wonen. Vandaag trainen en wonen de meeste Nederlandse toppers op het Nationaal Sportcentrum. Als we hier al konden beginnen met één dag per week. Zodra de regels het toelaten, staat die ene dag hier op een woensdag ge- pland. Misschien komen ze dan wel drie dagen, misschien trainen ze hier later voltijds. Hiernaast is plaats om te overnachten.”

Dus in Vlaanderen geen Nafi Thiam en haar coach Lespagnard die alle hulp afwijzen?

“Voor hen werkt dat eilandjesmodel wel, dat hebben ze bewezen: olympisch, wereld- en Europees goud, veel meer kun je je niet wensen. En toch zijn dat de uitzonderingen die nooit de regel kunnen zijn. Ik zie trouwens al verandering, met coaches die elkaar contacteren.”

Nog een begrip dat af en toe terugkomt: het speerpuntenbeleid.

“Het lijkt mij logisch dat je inzet op waar je de meeste kansen op succes ziet. Wij hebben dat geanalyseerd door naar het huidige talent, naar resultaten uit het verleden en naar de situatie van de andere West-Europese landen te kijken. Daaruit haalden we een focus op meerkamp, polsstokspringen, speerwerpen, de estafette en halve fond (middellange afstand, red.). Dat kunnen alleen maar meer speerpunten worden. We hebben nu een hoogspringster als Merel Maes en een hamerslingeraarster als Vanessa Sterckendries. Die gaan we even goed ondersteunen, dat spreekt vanzelf.”

U hebt in de nadagen van uw carrière op de befaamde managementschool van Nijenrode een opleiding genoten. Was dat een bobo- opleiding?

“Nou neen, eigenlijk niet: het was een sportsleadership-programma gericht op het voeren van een beleid of het bekleden van een functie in een sportorganisatie. Dat was een heel mooie opleiding waar ik heel veel van heb geleerd. Er zaten oud-topsporters, maar ook mensen uit het bedrijfsleven, en die ervaringen komen dan samen.

“Of ik bobo wilde worden? Neen, maar ik wilde wel iets doen in het sportbeleid en ik gaf mij vijf jaar om ergens technisch directeur te worden. Mijn voorganger Max De Vylder is mij na de zomer van 2018 komen opzoeken. Of ik trainer werpen op de topsportschool en kwaliteitsmanager werpen bij de Vlaamse Atletiekliga wilde worden. Ik heb toegezegd en in oktober 2019 hebben ze mij doorgeschoven naar de functie van topsportcoördinator. Het is iets sneller gegaan dan ik voor ogen had.”

Zelfs Nijenrode kan je onmogelijk voorbereiden op de valkuilen van het Belgische sportlandschap.

“Weet ik niet, je moet het ook niet te ingewikkeld maken. Ik weet nu een beetje hoe het eraan toegaat, met die verschillende bonden, maar in principe ga ik alleen over de Vlaamse Atletiekliga. Mijn gesprekspartners zijn Sport Vlaanderen (het vroegere Bloso, red.) en het BOIC (het olympisch comité, red.).”

Zeker met Sport Vlaanderen was die relatie niet altijd even goed en binnen de Atletiekliga was het ook soms een zootje.

“Ik durf te zeggen dat ik daar niks van merk. Die relatie met Sport Vlaanderen is nu wel goed. Ik heb sowieso wekelijks met die mensen contact en soms zelfs dagelijks. Het is prettig samenwerken en ik denk dat het wederzijds is.

“Wat de federatie betreft, heb ik begrepen dat er in het verleden wel wat dingen zijn gebeurd, maar het bestuur dat er nu zit, is heel erg topsportminded. De afgelopen tweeënhalf jaar zijn er geen conflicten geweest.”

In welke mate heeft uw eigen carrière meegespeeld in uw visie op topsport?

“Dat heeft mij gevormd. Ik had twee trainers in Groningen toen ik voor het werpen koos. Ik maakte heel veel progressie, maar ik liep op technisch vlak tegen dingetjes aan, zoals de draaitechniek in het kogelstoten. Wij hebben mensen gevraagd die die expertise wel hadden.

“Zelfde verhaal met de sportpsycholoog. In mijn jonge jaren ging alles van een leien dakje – ik won, maakte grote stappen. Tussendoor liep ik zelfs een forse blessure op: afgescheurde borstspier met bankdrukken. Elf maanden later had ik alweer een persoonlijk record. Alles wat ik deed, ging goed.

“Toen kwamen de Spelen in Athene in 2004. Ik legde mijzelf te veel druk op: ik dacht al aan finaleplaatsen en medailles, maar ik raakte niet door de kwalificaties. Ik had daar beter moeten presteren.

“In de winter erna heb ik meteen een sportpsycholoog gecontacteerd. Op het EK indoor in Madrid van begin 2005 miste ik weer mijn eerste twee pogingen van drie om mij te kwalificeren. Tussen de tweede en derde poging heb ik alles naar boven gehaald wat ik had geleerd. In vijf minuten tijd heb ik mijzelf recht kunnen praten. Ik ging naar de finale en pakte zilver.

“Ik zeg nu ook tegen atleten: fysiek kun je nog zo goed zijn, maar om te presteren moet je ook mentaal honderd procent zijn. Mentale hulp zoeken is geen zwakte, maar een teken van sterkte.”

Welke rol speelden de Verenigde Staten in uw ontwikkeling?

“Ik heb tussen 2012, na de Spelen van Londen, en begin 2017 in de VS gewoond. Wonen aan de Westkust is niet goedkoop. Ik had nog wel ondersteuning van het stipendium (toelage voor sporters, red.) in Nederland, maar ik heb zelf moeten investeren.

“Ik heb daar heel veel geleerd. Bijvoorbeeld dat ik niet alles van hun systeem zou overnemen. Amerikaanse werpers trainen keihard en willen zo sterk mogelijk worden. Van de 25 toptalenten houden ze er nog twee over. In kleine landen als België en Nederland moet je net dat ene toptalent koesteren.”

Dat ene Vlaamse toptalent dat in de voorbije vijf jaar het best heeft gescoord – in uw specialiteit – is Philip Milanov. Maar de Milanovs weigerden uw hulp. Nog zo’n eilandje.

“Ik heb Philip in het begin wel getraind en dan is dat wat misgelopen. Ik heb nu op hem of zijn vader geen invloed meer. Wij ondersteunen hem, hij heeft een prestatieprogramma bij ons en ik had hem willen bijstaan bij het zoeken naar experts. Ik heb dat geprobeerd, maar ze hadden er geen behoefte aan.

“Emil (vader en trainer van Philip, red.) heeft niet langer een contract als trainer. Er is een moment geweest dat we hebben gezegd: je moet hulp aanvaarden. Emil heeft daarop letterlijk gezegd: ‘Laat ons ons ding doen, dan komt het goed.’ Dat hebben we gerespecteerd en we hebben geantwoord: ‘Laat ons zien wat je kunt.’

“Wat ik heb gehoord is dat Philip goed bezig is. Maar om op je vraag te antwoorden: een beetje frustrerend was het wel.”

Die problematiek kwam in november 2019 op de olympische stage in Belek naar boven. Het was heel pijnlijk om die twee einzelgängers door onbegrip verteerd te zien.

“Ik denk nog steeds dat Philip Milanov een van de grootste talenten in de Vlaamse atletiek is, maar ook in de werpwereld. Philips specialisme is mijn winkel geweest en ik heb mijn hulp aangeboden. Het persoonlijk record van Philip is net voorbij de 67 meter. Ik denk dat hij 70 meter kan werpen. In mijn optiek moeten een paar kleine dingen worden veranderd. Die techniek was oké, maar is de laatste jaren wat minder. Ik wilde hem in die hele ingewikkelde beweging wat meer ontspannen zien.

“Kijk, een kogel, die kun je een lel geven en dan gaat die wel. Discuswerpen gebeurt heel gecontroleerd. Je werpt die discus af op het topje van je vinger. Het laatste wat je voelt, is het puntje van je wijsvinger en als het goed is, gaat dat ding bijna 70 meter ver. Iets andere krachttraining en meer aandacht voor flexibiliteit, meer moet er niet veranderen. Jammer, want hij is een veel groter talent in discus dan ik ooit ben geweest, en mijn record staat een halve meter verder. Dat zou niet mogen.”

Wie na al die herteste stalen de dopingovertredingen van de laatste jaren bekijkt, moet bijna denken dat je zonder doping in de krachtnummers geen medaille kunt halen.

“Ik heb bewezen dat het ook zonder kan. Ik wist wel wat er speelde. Die ene keer in Osaka toen ik vierde werd en later toch brons won, was mijn reactie tegen mijn trainer en kine duidelijk: ‘Verdorie,’ zei ik, maar dan iets krachtiger, ‘ik had hier een medaille moeten pakken en zie mij hier nu zitten, vierde, na een dopingzondaar.’

“Ik had geen zin meer in het discus, maar een dag later heb ik alles uit mijn lichaam gegooid, met brons als beloning. Later kwam dat brons van de kogel er bovenop en daardoor ben ik internationaal de enige atleet die op een WK twee medailles heeft gewonnen in twee werpnummers. Zonder doping.

“Dat heb ik ook gezworen op het sterfbed van mijn vader: ik heb nooit gebruikt en zal nooit gebruiken. Is het mij aangeboden? Eerlijk: neen. Ik ken de verhalen van buitenlandse coaches, maar niemand is ooit op mij afgestapt met: ‘Hier, dit moet je doen.”

De Borlées dan maar? De vier spreken samen drie woorden Vlaams, maar lopen nu onder Vlaamse vlag. Typisch België, denkt de Nederlander dan?

(glimlach) “Het is apart. Het is ingewikkeld. Het is wennen. Ze zitten sinds kort bij ons, bij de Vlaamse Atletiekliga. Dat verloopt prima met Jacques. We – dat zijn de Atletiekliga en Sport Vlaanderen – hebben aan Jacques gevraagd: ‘Wil je dat wel doen, want zo’n overstap is niet simpel?’ Hij was vastbesloten. Nou ja, dan hebben we geregeld wat er geregeld moest worden.

“Jacques is de bondscoach van de 4×400 meter en hij heeft al veel atleten, ook Vlaamse, onder zich die geen Borlée heten. Ze trainen nog wel in Louvain-la-Neuve en als dat het beste is voor hun traject naar Tokio, is dat goed. Ik zou het wel op prijs stellen als hij bij onze omkaderingsdagen op woensdag en later in de aanloop naar Tokio ook met zijn groep naar Gent zou kunnen komen.”

Ook de Borlées nemen deel aan het EK indoor, dat dit weekend in het Poolse Torun plaatsvindt. Jullie vertrekken met een heel grote ploeg.

“Dat is een bewuste en terechte keuze van de selectiecommissie met het oog op dat lastige jaar dat we achter de rug hebben en op wat nog komt. Iedereen die punten kan pakken op de rankings en die in de buurt van het EK-minimum kwam, is geselecteerd. Wie in aanmerking komt om op de Olympische Spelen te staan, willen we een kans geven.”

Ooit trainde de Vlaamse atleet in de eerste plaats voor statusbehoud, niet om beter te worden.

“Ik ken dat fenomeen, maar bij deze groep atleten merk ik investeringsbereidheid. Onze ondersteuningspolitiek is ook gericht op het scheppen van voorwaarden. Wij bieden een service aan: trainers, testers, medisch personeel, een wetenschapper, gebruik het maar allemaal. Het wegnemen van excuses om niet te presteren, daar gaat ons geld naartoe, niet rechtstreeks een potje meegeven aan de atleet, behalve dan als het echte toppers zijn.”

Iemand vroeg om u niet te veel op te hemelen. ‘Anders halen ze hem terug naar Nederland.’

“Vooralsnog heb ik het hier erg naar mijn zin. Ik zou het graag willen opzetten en het helemaal ontwikkelen: atleten samenbrengen en de omkadering uitbouwen. Eerst die ene dag, later misschien meerdere dagen, al of niet met overnachting.

“Ik wil dat de veranderingen die we doorvoeren, aanslaan. Dat de programma’s automatisch draaien en dat er steeds talent wordt aangereikt. Onze vijver is niet groot, maar er is echt wel talent. Wij kunnen structureel mensen naar grote toernooien brengen.”

In een eerder portret van u ging het over uw Nederlandse directheid. Die hoor ik niet terug. U bent ook minder gevaarlijk dan u eruitziet, maar dat geldt voor alle werpers, begreep ik.

(lacht) “Ja, dat is bekend. Wij zijn de gentle giants van de atletiek. We doen geen vlieg kwaad, maar maak ons niet boos. Een boze werper, die wil je echt niet tegenkomen. Ik ben direct als het moet en ik ben diplomaat als het moet. Ik kan intern ook wel eens kwaad worden. En als ik keuzes moet maken, dan maak ik ze wel.”

Column Truel in Toscane (de biostatisticus in mij was fout) in De Morgen van zaterdag 6 maart 2021

Truel in Toscane

Een duel zou een leenwoord uit het Frans zijn, in de betekenis van ‘tweegevecht’, voor het eerst aangetroffen in 1636. U weet wel waar we dat copy-paste vandaan halen. Op de Engelse Wikipedia staat een mooiere uitleg. Het woord gaat terug op het Latijn. In den beginne was er bellum, oorlog. En de Romeinen hadden ook dualis, als tweevoud bekend van de Latijnse grammatica maar ook gewoon in de betekenis van tweetal.

Duellum, een samentrekking van bellum en dualis, zou uit de vijftiende eeuw stammen. Een duellum diende om een juridisch dispuut te beslissen. Pas in de zeventiende eeuw werd het een gevecht om de eer tussen twee personen. Om zo uit te komen bij Lucky Luke en Phil IJzerdraad in de Far West. Behalve dat laatste is wat hierboven staat copy-paste uit Oxford Languages.

Een duel met drie is een innerlijke tegenspraak. Daarom is het tijd voor een neologisme: doe maar truel. Voor het eerst sinds de Ronde van Vlaanderen nemen de grote drie van het klassieke werk op wielen het weer tegen elkaar op. Van die Ronde 2020, uitzonderlijk gereden in de herfst, herinneren we ons de millimetersprint tussen Mathieu van der Poel en Wout van Aert, gewonnen door de Belgische Nederlander vóór de Nederlandse Belg.

De Fransman Julian Alaphilippe was er toen al af. Niet afgewaaid, niet afgereden, wel afgevallen. Hij haalde nooit de streep omdat hij tegen de motor van een volger opknalde. De kans dat ze daar in Siena bij het rennersontbijt vandaag deze krant lezen is quasi nihil, dus geen verwijten dat ik olie op het vuur gooi met de duiding dat het incident in de Ronde van Vlaanderen onderhuids nog nazindert.

Elke wielrenner, van de top tot het zevende knoopsgat, weet wat daar fout is gegaan. Van Aert reed in de slipstream tot kort op de motor en maakte dan een zwieper naar links. Van der Poel kon die zwiep nog net imiteren. Alaphilippe niet. Als dit bij drie wielertoeristen gebeurt, krijgt Van Aert de volle laag.

Het zijn profs en geen toeristen, oké, en volle finale, holle ogen. Maar bij Deceuninck-QuickStep leeft alvast het gevoel dat Wout van Aert minstens even met het handje had kunnen wapperen of zijn rechterhand naar beneden steken, wijzend op een obstakel. Bij Alpecin-Fenix is hooguit een keer gegromd, vanuit de blauw-witte hoek heb ik het begrip ‘oncollegiaal’ opgevangen. In welke mate dat vier maanden later nog leeft, geen idee, maar op de Planeet Koers vergeet men doorgaans niet snel.

Of Alaphilippe daardoor vanmiddag ongenadig op het wiel van Van Aert zal springen en minder fel op dat van Van der Poel, dat valt allemaal af te wachten. We kunnen misschien bij Michel en José een biostatisticus zetten als extra-analist; die zal ons vast wel achteraf kunnen uitleggen waarom alles wat vooraf is voorspeld niet is uitgekomen en het is gelopen zoals het is gelopen.

De Strade Bianche, de koers van de witte wegen, dat is rallyrijden met een formule 1-auto. Gravelrijden mag dan in zijn – mijn gravelbike is al een halfjaar onderweg -, het blijft een anachronisme. Maar als de renners het zelf leuk vinden verstomt vanzelf
de kritiek van randfiguren als ondergetekende. De Strade is een boreling vergeleken met de honderdjarigen als Luik, Ronde van Vlaanderen, Milaan-Sanremo, Lombardije en Parijs-Roubaix, en toch waardeert het peloton inmiddels de helletocht door de Toscaanse wijn- en olijfheuvels als een zesde monument.

De lijst met winnaars is na veertien edities wel nog niet helemaal wat we van een monument verwachten. Aleksandr Kolobnev die in 2007 de eerste editie wint, niet om wild van te worden. Gelukkig was Aleksandr Vinokoerov niet in de buurt, anders had Kolobnev die misschien ook verkocht. Niemand die nog een gilletje slaakt bij het horen van de naam Thomas Lövkvist in 2009, of Maksim Iglinski in 2010, of Moreno Moser in 2013. De andere edities kregen dan weer Fabian Cancellara (drie keer), Michal Kwiatkowski (twee keer), Philippe Gilbert, Zdenek Stybar en Tiesj Benoot als winnaar. De laatste twee gingen naar de hoofdrolspelers van vanmiddag: Julian Alaphilippe en Wout van Aert.

Editie vijftien van de Strade Bianche is de Ronde van Frankrijk van de klassiekers. Iedereen die een beetje met de fiets kan rijden, wil erbij zijn. Om het koerscentrisme van de Lage Landen even te verlaten: Tadej Pogacar, Tom Pidcock en Egan Bernal rijden ook mee.

Waar in de Tour de belangen tussen kandidaat-ritwinnaars en kandidaat-eindwinnaars erg uiteenlopen, heeft iedereen vanmiddag hetzelfde doel: zo snel mogelijk in Siena aankomen, naar boven rijden door de smalle straatjes en arriveren op de Piazza del Campo. De biostatisticus in mij voorspelt dat het een kaartersduel met vier wordt en dat Pogacar er niet ver van zal zijn.

Column over openingsweekend in De Morgen van maandag 1 maart 2021

Zonnige zondag

Toen ik gisteren rond halfdrie net voor mijn oprit de Garmin stopte, zag ik 27,3 gemiddeld voor 80 kilometer. Kan beter, maar ter verschoning: het was solo, er stond veel wind en ik heb een helse maand achter de rug. Bijgedachte, in de laatste rechte lijn naar huis: laat dat AstraZeneca-vaccin maar komen. Gezien wie ik allemaal heb ingehaald en niemand die mij inhaalde – ook belangrijk – ben ik als 55-plusser in betere vorm dan de meeste twintigers, dertigers, veertigers. Mensen op hun geboortedatum in gezondheidshokjes indelen, wat een krankzinnig idee.

Geen mooiere zondagen dan zonnige zondagen die zowel late winter- als vroege lentedagen kunnen zijn. Geen mooiere dagen waarbij een planning die je in gedachten had ook uitkomt. Niet te laat opstaan, lekker laat ontbijten beschut buiten, en dan de fiets op om op tijd terug te zijn voor de koers. Dat alles in een heerlijke lentezon, crispy fris, vooral aan de voeten, maar wat deert het als je van bovenaf wordt verwarmd en de Garmin doet waarvoor hij is gekocht: je het allesverwarmende gevoel geven dat het nog niet (helemaal) op is.

Net op tijd terug ook om José De Cauwer (71) op zijn gezegende leeftijd weer een onversneden oneliner te horen debiteren. Als u hem niet hebt gehoord, welaan, hier is hij: in de koers is de kortste weg al lang genoeg. Eerlijk: geniaal, hoe die zomaar uit de losse pols kwam. Die kan op een tegel worden gebrand, op een muur worden geschilderd. De aanleiding was een voorval op zaterdag toen een groot deel van het peloton door de bosjes over een aardeweg een shortcut nam om de opstopping aan de voet van de Molenberg te vermijden.

Renners kankeren niet geheel ten onrechte op de UCI en op sommige organisatoren en op hun vakbond, maar als ze vijf meter kunnen stelen, zullen ze het niet laten. Op de Vesten in Geraardsbergen gingen ze zelfs doodleuk op het trottoir rijden om de kasseien te vermijden. Nu doping niet langer een structureel probleem is in het peloton wordt het tijd om ook die andere vreemde gewoontes aan te pakken. Overigens verheugend dat De Cauwer – van de generatie waarin echt alles kon – dat afsnijden ook laakbaar gedrag vond.

Kuurne-Brussel-Kuurne was zondag een veel mooiere wedstrijd dan de Omloop Het Nieuwsblad zaterdag, met dank aan Mathieu van der Poel die 86 kilometer in de aanval was met een paar anderen en ongeveer 43 kilometer daarvan op kop reed. Hij werd net voor de rooie vod van de laatste kilometer gepakt. Nadien zei hij: “Ik heb mijneige geamuseerd vandaag. Het was een ingeving van het moment en ik heb het de hele dag naar mijn zin gehad.”

Hij wordt weleens vergeleken met Eddy Merckx, die Mathieu van der Poel, maar als dit Merckx was overkomen, dan had je hem nogal gehoord. In theorie, want ik herinner mij niet dat dit de beste Merckx ooit is overkomen. Koersen waren in zijn tijd ook veel meer mano a mano, een strijd van man tegen man. Van der Poel is vijftig jaar te laat geboren.

De Omloop en Kuurne-Brussel-Kuurne zijn in 2021 definitief gedegradeerd tot openingskoersen die geen andere functie hebben dan het peloton klaarstomen voor het echte werk. Ondanks alle heisa, drukte en gehyp is de Omloop de Belgische versie van de Grand Prix Cycliste La Marseillaise.

Belgiës nummer één, Wout van Aert, liet het hele openingsweekend schieten. Mathieu van der Poel ook, maar die moest halsoverkop vertrekken uit de Emiraten en laste dan maar Kuurne in zijn programma in, net als morgen Le Samyn, nog zo’n C-wedstrijd.

De uitleg waarom Van der Poel niet in de Omloop aan de start kwam en wel in Kuurne, die geloof ik niet helemaal. Omdat het minder hectisch zou zijn, omdat er minder druk zou zijn. Gisteren luidde het na de overwinning van Mads Pedersen in Kuurne dan weer dat de laatste helling te ver van de meet lag. De Omloop, met die Muur en Bosberg en dan nog elf kilometer bergaf naar Ninove, waar zijn vader ooit won, had veel beter gepast bij zijn kwaliteiten. Wat de echte uitleg is, ik zou het niet weten, maar ik meen mij een quote te herinneren dat ze bij Alpecin-Fenix niet aan het handje van Flanders Classics wensen te lopen zoals andere ploegen/renners.

Dit hebben we weer gehad. Circus Fiets vertrekt nu naar het zuiden, met volgende week de Strade Bianche. Daarna volgen Tirreno en Parijs-Nice, waarna De Koers op 20 maart echt begint met Milaan-Sanremo, het eerste monument. Daarna komt de hele fietsende zooi weer onze kant op voor de echt grote wedstrijden. Koop een 65 inch oled of qled, vul die ijskast en ga ervoor zitten: 2021 wordt een grandcrujaar. Wielrennen is de enige sport die er in tijden van corona op vooruit is gegaan.

Column over beursgang van Club in De Morgen van zaterdag 27 februari 2021

Naar de beurs

Ooit kocht ik een boek van onze voormalige veldritmedewerker Paul D’Hoore. Hij was beursgoeroe geworden en op de vraag welke aandelen je moet kopen, antwoordde hij poepsimpel: je kunt misschien beginnen met aandelen van een merk waar je zelf in gelooft.

Kort daarna zat ik in de VS en had mij naar binnen gepraat bij Phil Knight en Nike. Phil zou ik maar vijf minuten spreken, geleund tegen zijn Honda Acura, maar ter compensatie voor de niet nagekomen afspraak kreeg ik een bezoek van twee dagen en tot slot een pasje voor drie uur shoppen in de personeelswinkel.

Mijn laatste babbel had ik met de baas van investors relations. Dat zijn de gasten die communiceren met potentiële en huidige investeerders van een (beursgenoteerde) onderneming. “One good advise”, zei de man toen hij mij uitgeleide deed, “buy Nike stock. It’s emo combined with a lot of ratio.”

Na die twee dagen kwam ik in trance naar buiten. Ik geloofde na dat bezoek in Nike. Kortom: ik heb Nike-aandelen gekocht. En in één moeite ook Apple, want daar geloofde ik ook in. Een paar jaar later heb ik die aandelen voor het dubbele verkocht. Dom misschien, maar de andere gouden regel van beursgoeroes was toen: verkopen als je 20 procent winst hebt.

Voor wie niet snel genoeg aandelen kan kopen van Club Brugge, als die beursgang er ooit komt: kópen, doe wat je niet laten kunt. Besef alleen dat de ratio compleet ontbreekt en denk een beetje na voor je je hele spaarvarken aan Verhaeghe-Mannaert toevertrouwt. Voetbalaandelen zijn per definitie emo-aandelen en daarmee maak je nooit winst, zo heeft het verleden uitgewezen.

Nogal wat economen en beursspecialisten beweren op basis van de slechte resultaten uit het verleden (in dezen wel een garantie voor de toekomst) dat voetbalaandelen pure geldklopperij zijn, bedoeld om de brave fans geld afhandig te maken waar ze niks voor in de plaats krijgen. Niet een stukje van de opbrengst bij de verkoop van Charles De Ketelaere, en voor de dividenden moet je het ook niet doen want voetbalclubs maken liever verlies dan winst.

Anderzijds worden ze wel uitgenodigd voor de jaarlijkse algemene vergadering. Jammer maar helaas, daar liggen alleen hamerstukken en worden dingen besproken waar ze niks van begrijpen. Voor de blauw-zwarte fermette-Vlaming, voor wie het bruto familiaal geluk rechtevenredig is met de resultaten van ‘de Club’, maakt dat niks uit. Die spaart zich desnoods het eten uit de mond voor zijn/haar voetbalkerk, en de gedachte van aandeelhouder te zijn versterkt nog die betrokkenheid.

Geniaal idee dus, die beursgang. Alleen, hoe moet dat gaan en waarover spreken we eigenlijk? Is het een kapitaalverhoging met het oog op de bouw van het stadion? Of gaat het om de verkoop van bestaande aandelen, dus om de huidige aandeelhouders te laten cashen? Mijn gok: het is een beetje van allebei.

Het lijkt weinig waarschijnlijk dat meer dan 30 procent van de aandelen van FCB op de beurs zullen komen. Ter info: Bart Verhaeghe heeft 70 procent, manager Vincent Mannaert 17,5 en de resterende zowat 12 procent is in handen van wat ondernemers (onder meer Luc Maes van Latexco en Jan Boone van Lotus).

De Tijd berekende wat de beurswaarde van Club zou kunnen zijn en kwam uit op een koers/omzetverhouding van 1,6 tot 1,8, dus 233 miljoen euro. De krant baseert zich op wat ze vergelijkbare Europese clubs noemt. Ik wil gestudeerde economen niet tegenspreken, maar Club kan niet de vergelijking doorstaan met Man United, Juventus, Lyon, Dortmund, zelfs niet met Celtic en Ajax.

De reden is simpel: Club is marktleider in België, de elfde voetbaleconomie van de planeet, en op korte, middellange en lange termijn komt daar weinig verandering in. Bepaald triest en onverdiend hoe Club donderdag werd uitgeschakeld door Dinamo Kiev, maar helemaal dramatisch dat dit op termijn meer dan waarschijnlijk België (FCB dus) de rechtstreekse plaatsing voor de eindronde van de Champions League kost.

Na de hervorming van de Champions League en de Europese competities is het goed mogelijk dat de toegang tot de vetste vetpotten van het Europees voetbal voor de Belgische kampioen extra wordt bemoeilijkt. De groeimarge voor Belgische clubs is miniem en het zou weleens kunnen dat Club financieel op zijn top zit.

De timing om een eventuele beursgang net nu te laten lekken leek de juiste, maar het Europees avontuur legt nog maar eens de vinger op de wonde: voetbal is de meest oneerlijke en onvoorspelbare sport en daarom een hoogst volatiele business. Bij Club is die onzekerheid dubbel, want dat stadion staat er nog lang niet en die Beneliga waar ze in Brugge zo hard op hopen komt er helemaal niet.

Column Code Rood in De Morgen van maandag 22 feb 2021

Code rood

Bijna een jaar geleden zat ik in De afspraak naast professor-expert infectiologe Erika Vlieghe, samen met Steven Van Gucht de meest vertrouwenwekkende en minst mediageile van alle echte en zogeheten experten, maar dat is dan ook een geheel persoonlijke mening. Ik zat daar in verband met het al of niet doorgaan van de Olympische Spelen in Tokio en ik had toen nog het gevoel dat het allemaal wel in orde zou komen tegen de zomer. Niet dus en ik ben inmiddels geleerd: nu kan ik alleen hopen dat het tegen volgende zomer goed komt en dat ik in het spoor van de olympische atleten in Tokio mag landen, gevaccineerd en wel.

Toen ik daar bij De afspraak zat, waren Frankrijk, Italië en Spanje al helemaal op slot en mocht de gemiddelde burger van die landen zich nog hooguit een kilometer buiten zijn huis begeven en in sommige landen zelfs alleen om inkopen te doen. Ik zei – het was niet mijn onderwerp, maar ze hebben in die actuaprogramma’s graag wat kruisbestuiving – dat ik mij aan alle regels zou houden, maar nooit de beperking van één kilometer zou aanvaarden.

Ik gaf het voorbeeld van waar ik woonde – in een bosgebied met single tracks waar ik geen mens tegenkom – en dat ik zou blijven mountainbiken waar en hoe ik dat wilde. Mevrouw Vlieghe schuifelde wat heen en weer op haar stoel en jawel, ik heb mij achteraf geëxcuseerd voor die ongemakkelijke confrontatie. Ze zei nadien wel dat het nooit zover zou komen in België, maar dat ze zoiets moeilijk kon verklaren in een studio.

Onmiddellijk liepen bij de krant verontwaardigde reacties binnen en belandde ik heel even in de wasmachine van de sociale media. Het was nog niet voorbij. Pieter De Crem, toen nog minister, vond in al zijn onmetelijke wijsheid dat ritjes met de fiets van meer dan vijftig kilometer niet langer verantwoord waren. Ik tweette daarop dat hij gelijk had want dat een beetje wielertoerist eind maart toch al aan honderd kilometer moest zitten. Wéér verontwaardiging: van een wielerterrorist viel geen burgerzin te verwachten.

Toch wel, maar niet als het burgeronzin is. U herinnert zich vast nog wel dat het bijna daags na de lockdown van 16 maart ineens zomer werd, ja toch? Welnu, kort daarna – de kilometer-van-huis-beperking was er niet gekomen maar de grenzen waren wel dicht – ben ik in een vlaag van burgerlijke ongehoorzaamheid de grens overgestoken nabij Sint-Laureins en in een bocht naar Cadzand-Bad gereden. Een honderdje, waarvoor ik op de heenweg over een grote berg zand moest klauteren en op de terugweg tussen Sluis en Damme heksentoeren moest uithalen om mij langs een metershoog hek te wurmen nadat ik eerst mijn fiets aan de andere kant in het gras had gegooid. Slecht voor de derailleur en voor de schoenplaatjes, maar het voelde als een overwinning.

Ik vraag mij nu al een een paar maanden af hoe we over enkele jaren op deze periode zullen terugkijken. Ik hoop alvast dat een aantal heel gemotiveerde studenten en hun professoren nu al bezig zijn de rol van de media in het versterken van het angstgevoel bij burgers en politici te fileren. Nooit is meer pseudo-wetenschap en slechtere statistiek opgeschreven en/of verteld dan het voorbije jaar. Ik hoop ook dat een aantal gerenommeerde onderzoeksinstituten na deze ellendige periode met duidelijke richtlijnen zullen komen over hoe we in de toekomst moeten omgaan met een onbekend virus dat velen besmet maar alleen de zwaksten doodt.

Voor alle duidelijkheid, ik houd mij aan de mondmaskerplicht, net als aan de afstandsplicht, alleen met het bezoek van mijn twee kinderen en twee kleinkinderen neem ik het niet zo nauw, maar knuffelen is er niet bij. Ik vreet wel een hele krant op als straks die studies, rapporten en aanbevelingen niét met de conclusie komen dat we met heel wat maatregelen zijn doorgeschoten en met andere oekazes de bal compleet hebben misgeslagen.

Neem nu het verbieden van sport en dan heb ik het niet over profsport met of zonder publiek maar over recreatieve sport en recreatief bewegen. Gelukkig zijn de zwembaden nu alweer een tijdje open, maar het is toch niet te geloven dat die ooit zijn dicht gegaan. Sporten houdt je fit, houdt je gezond. Zelfs voor binnensport overstijgen de voordelen de nadelen en daarom is dat verbod op competitieve buitensport niet te vatten. Wat is nu gevaarlijker? 22, 10 of 12 jongens, meisjes, mannen, vrouwen in korte broek

die samen sporten of een duizendvoud daarvan dat uit arren moede bij de eerste opstoot van de zon naar een kustdijk trekt? De burgemeesters van Oostende en Blankenberge maakten zich druk over code geel of oranje. Dat komt ervan als je de sport in code rood zet.

Column de Dynastie FCB in De Morgen van zaterdag 20 feb 2021

De dynastie FCB

Ze hebben woensdag in Oekraïne geprobeerd Club Brugge uit de comfortzone te halen door een bijkomende coronatest op te leggen. Club had daar geen zin in, maar gaf toe: bleek dat Mats Rits het ook vlaggen had en hij mocht/moest in een privévliegtuig, gezeten in een opblaasbaar condoom, naar huis. Elke andere Belgische club was na die nieuwe tegenslag een vogel voor de kat geweest. Niet Club. Met deze nooit geziene hoogconjunctuur is de kans levensgroot dat het grote blauw-zwarte verhalenboek wordt herschreven: de trip naar Kiev zal een apart hoofdstuk omvatten.

De coronaseizoenen 2019-’20 en 2020-’21 hebben de mannen van de jongetjes gescheiden. Bij Club hebben ze na het afserveren van de prima donna’s alleen nog mannen lopen en die willen nu maar één ding: wraak en doorgaan in Europa. Wie weet met Hans Vanaken en Noa Lang terug, en misschien mirakelgewijs alweer met Mats Rits in de plaats van Eder Balanta, die de enige dekkingsfout van de avond voor zijn rekening nam. Maar ook zonder moeten de Oekraïners donderdag voor de bijl.

Ook dat was het theater van Kiev, hoe de Dinamo-jongetjes van het veld stapten, hoe ze hun doelman voor het oog van de camera’s schoffeerden omdat hij bij de kopbal van Brandon Mechele in niemandsland stond. En dan de Club-mannen die na een tactisch stevige prestatie – hoog verdedigen, risicoloos aanvallen, weinig weggeven – met een grote glimlach de deur van de diepvriezer van Kiev achter zich toetrokken.

Club is hét Belgisch voetbalinstituut (dat Anderlecht ooit was en al een tijdje niet meer is). Het team dat referentiewedstrijd na referentiewedstrijd opstapelt en zo aan referentieseizoenen bouwt en uiteindelijk zal uitkomen bij een dynastie. Het was al de meeste bewonderde en tegelijk de meest gehate club van het land, maar een deel van die bewondering komt nu ook van hun tegenstanders.

In tegenstelling tot de andere ‘grote’ clubs in België hebben ze de juiste dingen goed gedaan. Ze hebben het daar goed voor mekaar, in Westkapelle. Dat succes is geen toeval meer, maar het gevolg van een cultuur. In de schaarse bezoeken aan het Belfius Basecamp viel op dat alles topsport ademde.

Natuurlijk is veel terug te leiden tot financiën, maar niet alles. Vorige week bracht Het Nieuwsblad een statistiekje van het aantal geblesseerde spelers per club en het aantal gespeelde wedstrijden. Gent heeft 38 wedstrijden gespeeld en zit aan 9 (vaak zelfs langdurig) geblesseerden, Anderlecht en Genk speelden 10 wedstrijden minder dan Gent en hebben 1 geblesseerde. De conclusie zou dan kunnen zijn: overbelasting door een overladen kalender. Alleen heeft Club inmiddels ook 37 wedstrijden achter de kiezen en nul (0!) geblesseerden.

Er zullen wel verschillen in aanpak zijn, maar laten we er toch van uitgaan dat de medische staf van Gent zijn voet mag zetten
naast die van Club. En Club zal iets meer geluk hebben gehad dan Gent, maar er zijn nog factoren die bepalend zijn voor het aantal geblesseerden. De rekrutering en testing bijvoorbeeld: is het een speler die de fysieke parameters haalt om het voetbal te spelen dat wij willen spelen?

Vervolgens is er de training. Gent heeft dit seizoen vier trainers gehad en alle vier hadden ze een ander systeem. Het begon met Thorup-voetbal gebaseerd op vrijheid-blijheid en de filosofie ‘laat aanvallend talent renderen, de rest zien we wel’. Dat vertaalde zich voor sommige spelers in minder intensief trainen en die betalen daar nu het gelag voor.

Finaal is Gent weer bij Hein Vanhaezebrouck uitgekomen, zowat de antipode van Jess Thorup. Hein verlangt hoge druk in combinatie met aanvallen over de vleugels en ziet (terecht) voetbal als loopsport. Die omschakeling zonder de juiste fysieke onderbouw, dat kan figuurlijk en letterlijk pijn doen. Bij Club spelen ze al sinds Michel Preud’homme hetzelfde voetbal, al werd Ivan Leko steeds meer een stoorzender. Hij verdween dan ook.

Vervolgens is er de monumentenzorg. Bij Club zweren ze bij blessurepreventie en medische parameters om een speler al of niet op te stellen. Ook bij de andere clubs kennen ze dat concept, maar bij blessurepreventie komt het erop aan de spelers te overtuigen. Bij Club is dat gelukt en kwamen ze beter uit de coronaperiode. Bij Gent was het andersom. Jonathan David liet vorig week in L’Equipe optekenen dat zijn zwakke start bij Lille het gevolg was van vijf coronakilo’s te veel.

Medisch coördinator David Bombeke van Club Brugge zei ooit in deze krant: “Als het zoals in de herfst van 2019 lukt om de spelersgroep door een drukke periode te loodsen en toch te blijven presteren, ben je daar trots op.” Hij mag weer trots zijn. Dat kunstje hebben ze deze nóg drukkere herfst herhaald. Dat is geen toeval meer.

Verhaal over Red Bull in sport/voetbal in De Morgen van zaterdag 13 feb 2021

Voetbal geeft je vleugels

Snuivend als een stier breidt Red Bull zijn sportimperium uit. Hét uithangbord van het bedrijf is het in Duitsland gehate RB Leipzig, dat dinsdag in de Champions League tegen Liverpool speelt. Wat is hun geheime formule?

Niemand weet waar de voetbalplannen van Red Bull eindigen, maar alvast niet bij een eventuele nederlaag in de aanstaande dubbele confrontatie van RB Leipzig met Liverpool. Het begin van die plannen kennen we wél en dat is in een lobby van een vliegveld in het Verre Oosten waar een Oostenrijkse marketingdirecteur van tandpasta en shampoo last heeft van een jetlag.

Dietrich Mateschitz maakt zo kennis met het Thaise energiedrankje Krating Daeng, wat rode waterbuffel betekent. Hij is zo onder de indruk van wat het met hem doet – vleugels geven? – dat hij zijn persoonlijk vermogen in een joint venture met de Thaise eigenaar Chaleo Yoovidhya investeert. Europa móét kennis maken met Krating Daeng, vertaald Red Bull. Vervolgens gaat het snel, een beetje zoals alle sport bij Red Bull, niet het minst hun voetbal: agressief, veroverend, scorend.

In 1987 wordt Red Bull voor het eerst in Oostenrijk geproduceerd. Buurland Hongarije en het Verenigd Koninkrijk volgen kort daarna en in 1994 wordt Duitsland als markt veroverd. In 1997, tien jaar na de lancering, gaat Red Bull naar de Verenigde Staten. Dat land is eind vorige eeuw vooral in de ban van dorstlessers en sportdranken als Gatorade en heeft nog nooit van het concept energydrink gehoord. Met een jaarlijkse groei van 25 procent is Red Bull bij het begin van deze eeuw het hotste drankje van de planeet. Het laatst bekende cijfer is dat van 2019: wereldwijd werden 7,5 miljard blikjes voor een omzet van 6,1 miljard euro geproduceerd.

Energiebommetje

De samenstelling van het drankje was letterlijk en figuurlijk gefundenes Fressen voor sport. Een blikje Red Bull van 250 milliliter bevat – behalve water – 27,5 gram suiker, 1.000 milligram taurine, 200 milligram glucuronolacton, B-complex vitamines en 80 milligram cafeïne. Glucuronolacton is een lichaamseigen stof die bij de afbraak van glucose in de lever vrijkomt. Taurine is dan weer een aminozuur dat een rol speelt in de vetverbranding. Wat suiker doet, weten we – snelle energie aanleveren en dik maken – en de hoeveelheid cafeïne is die van één grote kop koffie of twee à drie blikjes cola. Een energiebommetje dus, niet langer in een flesje zoals in Thailand, maar door de marketeer in Mateschitz mooi verpakt in een trendy blikje.

Red Bull is onder zijn impuls een eigenzinnige weg ingeslagen en dat houden ze nu al vijfendertig jaar vol. Het drankje dat op alle marktstudies buisde, gooide zich in de meest diverse sponsorprojecten, investeerde in iconische gebouwen, om finaal toch uit te komen bij de grote sporten van deze planeet: Formule 1 en voetbal.

Red Bull wordt als case in tal van marketinghandboeken uitgeplozen. Hun knapste verwezenlijking is hoe ze een eigen markt hebben gecreëerd. Van bij de eerste marketingplannen stonden energie en daadkracht centraal en waar vind je die meer dan in sport en niet zomaar sport, maar ware waaghalzerij?

De immer discrete Mateschitz (met een vermogen van 23,5 miljard euro staat hij op nummer 57 op de miljardairslijst van Forbes) legde aan dat zakenblad ooit uit hoe sponsoring van nichesporten het succes aanzwengelde. “Ik heb zelf altijd de grenzen opgezocht als het om lichaamsbeweging ging. Ik vloog met van alles, ik was een van de eerste snowboarders in de Alpen, ik deed aan motorcross, noem maar op. Alles wat een beetje gevaar inhield en snel ging, was mijn ding. Dat moest ook de speeltuin van Red Bull worden.”

Aanvankelijk deed Red Bull aan zogeheten guerrillamarketing. Zonder sponsorrechten te verwerven doken ze bij allerlei events op, deelden gratis blikjes uit en verdwenen weer voor de ellende met organisatoren te groot werd. De volgende stap was de creatie van eigen nieuwe events zoals de Red Bull Flugtag in 1991, waarbij uitvinders met eigen ontwerpen vanaf een pier moesten proberen vliegen. Tien jaar later zouden ze Red Bull Crashed Ice uitvinden, een waanzinnige afdaling op schaatsen langs een pop-upijspiste. Hoe groter de waaghalzerij, hoe beter Red Bull het bij het imago vond passen, met als top of the bill de Red Bull Air Race: elf stuntpiloten die op de meest diverse plekken in de wereld met vliegtuigjes van acht meter 400 kilometer per uur vliegen en terwijl allerlei hindernissen moeten nemen. Na 2019 is dat event opgedoekt omdat het nauwelijks nog toelating kreeg.

Red Bull is vandaag niet meer alleen in de niche van de waaghalzerij actief. Ook individuele atleten uit traditionele sporten die een jong publiek aanspreken, worden ondersteund. Internationaal voert Neymar een lange lijst aan. In België zijn de bekendste RB-atleten Nafi Thiam, snowboarder Seppe Smits, wielrenner Wout van Aert en de hockeyers Arthur Van Doren en Felix Denayer.

De bekende slogan ‘Red Bull geeft je vleugels’ is inmiddels in alle wereldtalen ingeburgerd bij het doelpubliek: the young, fast and furious. Red Bull houdt dat levend door geregeld te stunten en de overtreffende trap daarvan was in 2012 de Red Bull Stratos van Oostenrijker Felix Baumgartner, een duik uit een heliumballon vanop 39 kilometer boven de aarde. Die duurde tien minuten en Baumgartner ging daarbij door de geluidsmuur.

Dat ze in de erg dure Formule 1 zelf eigenaar werden, was verrassend. Red Bull was wel al cosponsor van Sauber, maar kocht in geen tijd twee teams. Eind 2004 nam het Jaguar Racing over van de noodlijdende eigenaars. In 2006 kwam naast Red Bull Racing ook Scuderia Torro Rosso op de startgrid. Begin 2020 werd dat omgedoopt in Scuderia Alpha Tauri, naar het kledingmerk van Red Bull. Dat is dan weer geïnspireerd op de grootste ster in de sterrenconstellatie Stier. Jawel, wat ze ook bedenken in het futuristische Red Bull-hoofdkwartier, verscholen in het Salzkammergut van The Sound of Music, achter alles zit een idee.

Aanwezigheid in de eerste wereldsport voetbal was een kwestie van tijd en een logische stap voor een bedrijf met een rebels imago dat zijn niche wilde overstijgen. Oprichter Mateschitz stond erop in 2005 per mail aan deze krant de sportmarketingmix te verklaren. “Als global company kunnen we niet naast de nummeréénsport kijken en we hebben ons op het voetbal gericht. Voetbal is de laatste jaren een andere sport geworden. Het spel is intelligenter, gesofisticeerder en sneller geworden. Voetbalsterren zijn tegenwoordig popsterren. Het publiek is veranderd, vrouwen en hele families komen naar het voetbal

Grasbalsport

‘Zich op het voetbal richten’ is een understatement. Een voetbalkenner-vriend en verre buur van Mateschitz in Salzburg gaf hem de raad om een bestaand team in te palmen. De adviseur? De Duitse voetballegende Franz Beckenbauer. De eerste steen van het voetbalimperium van Red Bull zou op 25 kilometer van het hoofdkwartier worden gelegd, met de overname van Traditionsverein Austria Salzburg.

Die club was al in 1978 van naam veranderd in Casino Salzburg en in 1997 werd het zelfs Wüstenrot Salzburg. Het was de derde naamsverandering, die van 3 juni 2005 in FC Red Bull Salzburg, maar ze wekte meer weerstand op dan ooit. Dat alles anders en beter zou worden, met al dat geld, en een vernieuwd stadion, daar waren de fans van overtuigd. Het hek ging pas van de dam toen ook de clubkleuren veranderden naar rood, wit en goudgeel in plaats van het traditionele paars-wit van de Oostenrijkse Austria-sportteams. Nadat bij een wedstrijd tegen Austria Wien rellen uitbraken, nam Herr Mateschitz de drastische beslissing om de geschiedenis van de in 1933 gestichte club te schrappen.

Red Bull Salzburg Gmbh was opgericht in 2005. Punkt. Aus. Ende.

Het plan was om met Red Bull Salzburg de eerste drie tot vijf jaar bij de top tien van het Europees voetbal te behoren en regelmatig aan de Champions League en UEFA Cup deel te nemen. Dat is af en toe gelukt, maar meer niet dan wel. Met elf titels in de eerste vijftien jaar van het bestaan, waarvan zeven op rij in de laatste zeven seizoenen, was het snel duidelijk dat Red Bullvoetbal te groot was voor Oostenrijk. Maar voor Europa waren ze iets te klein.

Het totaalconcept van het mini-Bayern München, dat zich in een rijke thuismarkt als groot-Salzburg richtte op een evenementieel publiek en families die voor twee uur vermaak wilden betalen, sloeg dan wel aan, de ‘global brand’ Red Bull had nog grotere markten nodig. Het werd meteen de grootste van alle sportmarkten: New York Metropolitan Area met zijn 18 miljoen inwoners.

In 2006 werden de New York Metrostars overgenomen en omgedoopt in de New York Red Bulls. Meteen werd begonnen met de bouw van een eigen voetbalstadion, de Red Bull Arena.

De overnamedrang was niet te stoppen. Leonard Cohen zong ‘First we take Manhattan, then we take Berlin’. Mateschitz probeerde het in Berlijn, maar ook in Hamburg en Düsseldorf. Het werd Leipzig.

Red Bull kwam finaal uit in het voormalige Oost-Duitsland, dat met geen enkel team in de Bundesliga was vertegenwoordigd en
waar sinds de World Cup van 2006 een mooi vernieuwd stadion lag te wachten op de roemrijke tijden van weleer. Omdat de twee traditieteams van Leipzig geen zin in een commercieel verhaal hadden, kocht Red Bull in 2009 de licentie over van vijfdeklasser SSV Markranstädt, een dorpsploeg in de buurt van Leipzig. De club kreeg de naam RB Leipzig waarbij de RB niet staat voor Red Bull – het staat u vrij dat te geloven – maar voor RasenBallsport, of grasbalsport.

Dat cynisch-semantisch trucje, bedoeld om de Red Bull-connotatie levendig te houden, werd niet gesmaakt in een land dat zijn clubs verplicht om voor meer dan de helft (de ’50+1′-regel) in handen van een ledenvereniging te zijn. Alleen als bedrijven een langdurende link kunnen aantonen met de vereniging, zoals bij Hoffenheim, kan daar een uitzondering op worden toegestaan. Red Bull omzeilde die bepaling door de spitsvondigheid RasenBallsport en door slechts negentien leden toe te laten, die zonder uitzondering met het bedrijf Red Bull verbonden zijn.

RB Leipzig wordt daarom samen met Hoffenheim, dat in handen is van de industrieel Dietmar Hopp en ook niet is onderworpen
aan de 50+1, door de fans van de andere Duitse clubs uitgespuwd. Toen de twee in het seizoen 2016-2017 voor het eerst in de Bundesliga tegen elkaar speelden, nadat RB Leipzig in zeven seizoenen vijf keer was gepromoveerd, eisten de fans van Hoffenheim hun geuzentitel van meest gehate club terug en dat was gemeend.

Gegenpressing

Hoffenheim en Dietmar Hopp zijn tijdelijk iets minder kop van Jut omdat Hopp de hoofdaandeelhouder is van CureVac, dat een goedwerkend vaccin tegen corona op de markt zal brengen tegen nauwelijks meer dan de kostprijs. RB Leipzig kan dan weer het Duitse voetbal een boost bezorgen door de arrogante Jürgen Klopp en Liverpool in de achtste finale van de Champions League schaakmat te zetten. Te beginnen dinsdag om 21 uur met de thuiswedstrijd, die omwille van corona in het Hongaarse Boedapest plaatsvindt.

De match tussen Liverpool en RB Leipzig is in vele opzichten een clash; niet alleen van het oude tegen het nieuwe businessmodel. Het is een strijd op hoog niveau van twee hogepriesters van de nieuwe Duitse school, van Jürgen Klopp tegen Julian Nagelsmann, de jongste trainer die ooit een halve finale van de Champions League coachte.

De wedstrijd is voetbaltechnisch een confrontatie van twee teams die zweren bij Gegenpressing, wat letterlijk betekent het counteren van de tegenaanval. Gegenpressing is hoogenergievoetbal dat een in de aanval verloren bal zo hoog mogelijk wil heroveren. Ideaal gebeurt dat binnen de vijf seconden en binnen de tien seconden volgt een nieuwe doelpoging.

Dát is het moderne voetbal, dat alleen kan worden uitgevoerd met perfect getrainde atleten – fysiek en tactisch – bovendien voorzien van goede voeten. Bij Liverpool – tien punten achter op de leider in de Premier League – stokt het momenteel en dat geeft de Duitse burger moed.

Terugspoelen naar zondag 7 februari, naar de topper tussen Liverpool en Manchester City, die door de ploeg van Pep Guardiola met 1-4 werd gewonnen na onder meer twee foute ballen van doelman Ederson. Die foute ballen van Ederson kwamen er niet zomaar. Ze werden uitgelokt door een hoge pressing van City, ook Gegenpressing, maar dan volgens de filosofie van Guardiola. Hij jaagt niet zozeer direct op de bal of baldrager, maar probeert de bal te heroveren door de passlijnen af te dekken. Dat scheelt in verspilde energie. Liverpool en ook RB Leipzig spelen een andere variant: ze vallen bal en baldrager direct aan met minstens twee spelers. Dat is nog energieker dan de City-versie en vereist een nog betere fysieke conditie.

Gegenpressing, de naam verraadt het, is een Duits concept en de godfather ervan heet Ralf Rangnick, tot juli vorig jaar head of sport and development bij Red Bull GmbH. Hij kwam pas in 2012 bij de RB-familie en probeerde zijn ideeën eerst met succes uit bij Hoffenheim, waar hij onder meer het Dortmund van Klopp versloeg met 4-1. Klopp belde hem nadien op en zei: “Jouw voetbal is het voetbal dat ik wil spelen.”

Naast Klopp zijn ook Julian Nagelsmann, Thomas Tuchel (eerst PSG en nu Chelsea), Ralph Hasenhüttl (Southampton) allemaal aan de Rangnick-universiteit – hun woorden – afgestudeerd. Een minder bekende alumnus is Alexander Blessin, die acht jaar jeugdtrainer was bij RB Leipzig en als onbekende begin dit seizoen in Oostende kwam aanwaaien. KVO speelt Rangnick-voetbal en presteert misschien niet toevallig verrassend goed.

Belangenvermenging

Rangnick staat niet meer op het veld, is nu ook weg bij Red Bull, waar hij mee het voetbalimperium uitbouwde. Wat Red Bull doet, heet technisch gezien multi-club ownership. Hun portfolio bevat clubs als FC Liefering in de tweede Oostenrijkse afdeling, Red Bull Salzburg, RB Leipzig en Red Bull Bragantino in Brazilië. Naast een team in New York had het met de academie Red Bull Ghana in Sogakope ook een vertegenwoordiging in Afrika, maar dat project werd stopgezet.

De link tussen Red Bull Salzburg en RB Leipzig heeft alvast die laatste club enkele interessante spelers opgeleverd. Dayot Upamecano, Konrad Laimer en Hannes Wolf kwamen zelfs eerst in FC Liefering terecht, vervolgens bij Salzburg en uiteindelijk bij Leipzig, waar Wolf alweer weg is. Ook Naby Keïta was eerst in Salzburg en dan in Leipzig alvorens naar… Liverpool te verhuizen. Andere Liverpool-spelers die volgens de RB-filosofie zijn opgeleid, en dus zo mee kunnen met de ideeën van Klopp, zijn Sadio Mane en Takumi Minamino.

Het Red Bull-netwerk – vijf clubs, Liefering meegerekend – vertoont gelijkenissen met dat van City Football Group, al heeft die holding uit de Emiraten tien clubs over de hele planeet, tot in Japan, India en Australië (zie grafiek). Met SK Lommel, AC Troyes en FC Girona in Europa lijkt CFG weinig risico te lopen dat ze van belangenvermenging zouden worden verdacht. Voor Red Bull is dat gecompliceerder.

Toen Red Bull Leipzig, pardon RB Leipzig, zich voor het seizoen 2017-’18 klaarmaakte om voor het eerst in de UEFA Champions League aan te treden, had ook Red Bull Salzburg zich voor de eindfase geplaatst. De UEFA heeft toen Mateschitz verplicht een aantal banden door te knippen. In hoever dat echt is gebeurd, dan wel windowdressing, is niet duidelijk. De twee clubs hebben recent wel een signaal uitgestuurd dat de UEFA heeft gerustgesteld. Zo is het grootste goudhaantje dat ooit met het Red Bull-logo voetbal speelde, voor één keer niet van Salzburg naar Leipzig getrokken.

Erling Braut Håland vertrok voor veel geld van Salzburg naar Dortmund, de naaste belager van RB Leipzig.

Column Super Suck in De Morgen van zaterdag 13 feb 2021

Super suck

Puppy pose. Tim Wellens deed het in de Ster van Bessèges toen hij ontsnapte en de basis legde voor zijn eindoverwinning. Dat zag
er heel stijlrijk uit en niet gevaarlijk, zo alleen onderweg. Lager liggen met de voorarmen op het stuur, vermindert de CdA. De C staat voor coëfficiënt, de d voor drag of windweerstand en de A voor area, of oppervlak. Een lagere CdA betekent minder weerstand door de verkleining van het frontaal oppervlak, dus sneller rijden voor hetzelfde vermogen, dus minder energie verbruiken.

Super tuck dan. Dat kent u vast: neus over het stuur, ballen op de bovenbuis, en maar snelheid maken, weeral een verhaal van C, d en A. Renners doen de super tuck om sneller een berg af te dalen. Ze doen maar. Ik trek boven een jasje aan, zet het half open en als het dan nog te snel gaat, ga ik rechtop zitten, met ellebogen en benen open. Een beetje als een terminale pad die de oversteek heeft gemist, maar ik ben dan ook geen prof.

De puppy pose en de super tuck worden door de internationale wielerbond UCI verboden in het inmiddels wereldberoemde artikel 1.3.008 van de UCI technical regulation. Daar stond al in dat de renner de voeten op de pedalen, de handen op het stuur en het zitvlak op het zadel moet houden. Vanaf 1 april komt daar een verduidelijking bij: je mag niet op de bovenbuis zitten en de voorarmen mogen niet dienen als steunpunt, tenzij in een tijdrit.

De renners zijn furieus, op een paar uitzonderingen na vinden zij het super suck. Iljo Keisse argumenteerde dat de renners zelf wel zullen beslissen hoe ze (naar beneden) rijden. Daar ben ik het niet helemaal mee eens. Soms zijn buitenstaanders beter geschikt om een probleem te benoemen en te verhelpen, denk maar aan doping. Als de renners begin deze eeuw alles zelf hadden kunnen bepalen, zaten we nog met het dopingspook.

Afgezien daarvan hebben de protesterende renners wel een punt. Het absurde aan de hele discussie is dat de renners niet werden betrokken bij die besluitvorming die als doel heeft, hun beroep, het wegwielrennen in peloton veiliger te maken. Nog vreemder wordt het als blijkt dat de CPA, de rennersvakbond die al zo onder vuur lag bij de renners, mee is gegaan met de UCI in dit verhaal.

Louis Vervaeke van Alpecin-Fenix, een slimme renner die zelden zijn mond opentrekt, was vernietigend: “Hoeveel renners zijn al gestorven, zo hard gevallen dat ze verlamd waren of belandden in een coma nadat ze in super tuck-houding of met hun handen op hun stuur hebben gereden? En hoeveel door onveilige wegen, motoren of niet-goedgekeurde nadars? Kun je de tel nog bijhouden?”

Het grote probleem van het wielrennen ís de veiligheid, met dat steeds sneller peloton, op dat steeds nerveuzer materiaal, op een
al maar minder geschikte openbare weg. Dat is benoemd, dat is geanalyseerd, er zijn voorstellen geformuleerd. Helemaal veilig
krijg je het wielrennen nooit, maar veiliger maken kan wel en daarvoor volstaat moed en visie. Moed en visie om een allesomvattend masterplan te schrijven, samen met de renners. Met daarin een doorgedreven kwaliteitscontrole voor de parcours van start tot aankomst, met strenge regels voor het gemotoriseerd verkeer in de koers, en met een afdwingbare gedragscode voor de renners, niet het minst voor de massasprint.

Pas als de renners beseffen dat hun bestuurders oprecht bekommerd zijn om hun veiligheid, zullen ze ook regels aanvaarden zoals het verbod op vreemdsoortige, al bij al ongevaarlijke fietshoudingen en het weggooien van drinkbussen op niet-voorziene plaatsen. Dat de UCI met deze nieuwe maatregelen het veiligheidsprobleem bij de renners neerlegt, is een belediging van formaat.

Er zijn corrupte sporten en sportbonden: bijvoorbeeld het atletiek ten tijde van Lamine Diack, of de AIBA of Internationale boksbond, of de internationale gewichtheffersbond en sinds kort mag daar ook de internationale biatlonfederatie bij in die 26 jaar dat de Noor Anders Besseberg daar de baas was. Vervolgens zijn er slecht bestuurde sporten en sportbonden zoals het malgoverno van het wielrennen door de UCI. In geen ander sportmilieu zijn de bestuurders – we houden het netjes – zo incompetent én tegelijk zo bekrompen en archaïsch als in het wielrennen.

België levert de meeste profrenners af. Als ze willen dat hun protest weerklank krijgt, dan raad ik hen aan om bij hun trainingsritjes door de Vlaamse Ardennen boven op de Paterberg aan te bellen bij het eerste huis links. Daar woont de voorzitter van de wegcommissie van de UCI en van de Professional Cycling Council en hij is ook nog eens lid van het UCI Management Committee. Kampioenenshirtjes aantrekken kan hij als geen ander. Laat het hem ook eens uitleggen hoe de vork daar in Aigle in de steel zit.

Column Amerikanisering in De Morgen van zaterdag 8 feb 2021

Amerikanisering

Interessant interview met Michael Verschueren gelezen in Het Laatste Nieuws van afgelopen zaterdag. Michael Verschueren is, zoals u wel weet, de zoon van Mister Michel. Michael was niet soft, maar toch niet hard genoeg voor de slechte wereld van het voetbal. De ‘turnmeester’ Michel Verschueren had daar geen probleem mee. Hij kon af en toe een bullebak zijn, maar met het hart op de juiste plek. Je kon op hem schelden zoals op deze plek meer dan twintig jaar geleden wel eens is gebeurd, en dan kreeg je op zaterdagochtend telefoon. “Kom ne keer iets eten in mijn frituur, we moeten een klapke doen.”

Michael Verschueren is behalve kleine aandeelhouder bij Royal Sporting Club Anderlecht ook lid van het executief van de European Club Association. Die drukkingsgroep van voetbalclubs is ontstaan in 2008 uit de toenmalige G14 die een zetel had op de Gulden Vlieslaan in Brussel en als lobbygroep was erkend bij de Europese Unie. Uiteindelijk braadde die haring daar niet en werd geopteerd voor een rol binnen de UEFA. Die ECA heeft dertien van de achttien leden in UEFA Club Competitions Committee, de commissie die gaat over de verschillende Europabekers.

Verschueren werd in HLN onder meer aan de tand gevoeld over de op handen zijnde hervormingen van de pan-Europese clubcompetities. Naast de UEFA Champions en Europa League komt vanaf volgend seizoen een derde competitie: de Conference League. Michael Verschueren verdedigde die plannen en daar is niet iedereen in België blij mee.

De nummer drie en vier van de Belgische competitie zullen meer dan waarschijnlijk in die Conference League uitkomen, de Europese derde klasse dus. De nummer twee, als die zich niet heeft kunnen plaatsen voor de Champions League, krijgt in de huidige Europa League een stekje en de kampioen is voorlopig nog gekwalificeerd voor de Champions League.

In de nabije toekomst zal de Belgische kampioen alleen nog bij hoge uitzondering de Champions League halen. In de verre toekomst wellicht nooit meer nu de UEFA vanaf 2024 denkt aan een Europese supercompetitie boven alle andere. Het protest daartegen komt van de European Leagues. Dat is de koepelorganisatie van de Europese nationale competities die in 2005 het licht zag. De European Leagues hebben binnen de UEFA niet de vertegenwoordiging, noch de macht die de ECA heeft.

Zij zien een gevaar in de plannen van de UEFA. Die zouden een eerste stap zijn naar een gesloten competitie en de toegang voor kampioenen uit kleine competities in de hoogste Europese competitie bemoeilijken of uitsluiten. Nog een bezwaar: de belangen zouden verschuiven van het nationale naar het internationale, waardoor de inkomsten van de nationale competities zouden verminderen. Er zouden meer Europese wedstrijden komen – ook in het weekend – en ten slotte zou de kloof tussen de Europese elite en de andere clubs in kleine landen nog groter worden.

Michael Verschueren ziet geen probleem in de Europese hervormingen. Ik ook niet. De amerikanisering van het Europees voetbal stond in de sterren geschreven en voor één keer is amerikanisering niet fout. Een goed uitgedokterde pan-Europese supercompetitie heeft alles om de voetbalconsument te plezieren.

Op termijn is het afsluiten van de competitie zelfs de enige weg. De vereisten om met de top mee te mogen doen, zullen niet langer puur sportief zijn. De commerciële slagkracht van een kandidaat-deelnemer zal het belangrijkste criterium worden. Kan de club die deelneemt aan de European Super Champions Premier League, of hoe dat ding ook zal heten, bijdragen tot het product? Heeft die een achterban en een stadion – dus een marktplaats – op niveau van het product? De haast die Club Brugge maakt met de bouw van het nieuwe stadion heeft precies te maken met die Europese plannen en de daarmee gepaard gaande normen. Als FCB de enige Belgische club is die over een modern stadion van 40.000 man beschikt, maakt het een kwantumsprong. Europa en niet langer België is dan de speeltuin.

Dat de pintjesliga bij de hervorming van de Europese competities grotendeels of misschien helemaal uit de boot zal vallen, staat nu als een paal boven water. Wij boksen boven ons gewicht door een aantal fiscale en parafiscale voordelen, maar we zijn en blijven een feeder league, zoals dat in de sporteconomie heet. Wij kopen in, wij leiden op en we verkopen door naar de top van de voedselketen. Financieel zal het weinig of geen verschil maken, volgens Michael Verschueren. Het statusverlies in Europa moeten we erbij nemen, tenzij we vol voor de BeNeLiga gaan. Daarin moet ik hem tegenspreken: één plus één zal bij een BeNeLiga nooit drie zijn. Hooguit anderhalf.