Column Kafkaiaans drama in De Morgen van zaterdag 31 januari 2026

Kafkaiaans drama

Mevrouw de sportminister,

U kent mij allicht niet. U zou mij misschien kunnen kennen als u eens op uw stuurgroep topsport was verschenen, zoals uw voorgangers, maar bon, u hebt het vast heel druk. Ik richt mij tot u per brief, niet om u de mantel uit te vegen, maar om u aan te zetten tot een beleidsdaad een sportminister waardig.

U weet dat u volgende week woensdag in de commissie Sport van het Vlaams Parlement een paar vragen op uw telloortje krijgt. Bogdan Vanden Berghe heeft zich terecht vastgebeten in het dossier van de vermeende fraude van de 3×3-basketballers op weg naar Tokio, alwaar ze zo’n mooi parcours aflegden.

Mooi parcours doet hier niet meer ter zake, omdat de vermeende fraude door een rechter is gekwalificeerd als echte fraude. Als gevolg daarvan en tot overmaat van ramp zijn straffen uitgesproken, boetes en schadevergoedingen toegekend.

Ten behoeve van de lezer van deze column even wat duiding. Toen 3×3 olympisch werd, kwamen de Belgen tot de vaststelling dat in België niet genoeg toernooien waren georganiseerd. Aangezien het voor de internationale bond FIBA volstond om toernooien aan te melden, hebben de spelers dat zo geflikt: nooit gespeelde toernooien aanmelden.

Daarmee waren ze nog lang niet op de Spelen, ze vrijwaarden daarmee wel hun sportief traject voor olympische kwalificatie, die ze later via twee toernooien sportief afdwongen. Daarna speelden ze in Tokio om de medailles, maar verloren. Geen vuiltje aan de lucht, tot een uit de ploeg gezette 3×3-speler uit rancune ging klikken.

Zowel de basketbalbond als het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) trok de paraplu open en diende een klacht in. Later zouden ook de Hongaren zich aanmelden als gedupeerde partij. Zij hadden in de finale wedstrijd om het laatste olympisch ticket verloren van onze koene Belgen.

Dit is een bagatel die nooit een zaak had mogen worden, maar dat werd het wel. Meer nog, inmiddels is het voor sommigen een nachtmerrie. Bijvoorbeeld voor die ene medewerker van de bond die, in een poging de spelers van stommiteiten te vrijwaren, een tip had gegeven hoe ze die toernooien moesten aanmelden zonder in het oog te lopen.

Samen met dat personeelslid (8.000 euro en 240 uur werkstraf) hebben ook de drie spelers een persoonlijke boete en werkstraf opgelegd gekregen. Het BOIC kreeg een schadevergoeding van 25.000 euro die met de rechtsplegingskosten is opgelopen tot ruim 34.000 euro, te betalen door die vier veroordeelden.

Vanden Berghe zal u vragen of u het normaal vindt dat de basketbalbond hier helemaal vrijuit gaat – gelukkig wees de rechter hun schadevergoeding af – hoewel de top van de bond ruim voor Tokio op de hoogte was dat er administratief wat (on)handigheidjes waren gepleegd.

Verder wijst hij er in zijn vraag op dat er nog een Hongaars zwaard van Damocles boven die vier hoofden hangt. De Hongaren hebben voorlopig 1 euro provisionele schadevergoeding gekregen en zullen misschien nog met een echte factuur afkomen.

Laten we de vragen waar u moet op antwoorden nog eens herhalen:

– Vindt de minister het rechtvaardig dat de huidige veroordeelden de boetes en schadeclaims moeten ophoesten, terwijl de CEO (van de basketbond) op de hoogte was?

– Vindt de minister dat met deze gang van zaken de échte verantwoordelijken gestraft worden?

– Welke maatregelen zult u nemen om er zeker van te zijn dat alle verantwoordelijken voor de feiten op een rechtmatige wijze mee de verantwoordelijkheid dragen?

– Wordt de raad van bestuur – die het vertrouwen behoudt in de CEO – nu aansprakelijk als de veroordeelden met de aanwijzingen uit de audit de schadeclaims die zij moeten dragen aanvechten?

Het enige juiste antwoord op de eerste twee vragen is twee keer ‘neen’. Voor het overige zal uw kabinet met wat ontwijkende antwoorden u uit de wind zetten, zo gaat dat. Ik vraag u evenwel met aandrang om over de partijgrenzen heen, voorbij meerderheid/oppositie, door een menselijke bril naar dit kafkaiaanse drama te kijken.

Nodig alle partijen uit en bespreek dit dossier in alle transparantie. Vraag aan het BOIC, nu hun onschuld is bevestigd in deze affaire, om die schadeclaim te laten vallen want die hebben echt nul schade geleden.

Verplicht de basketbaltop om hun eindverantwoordelijkheid in deze op te nemen. Zeg hen dat ze gaan onderhandelen met de Hongaren over die zogelegd geleden schade, dat ze desnoods de Belgian Cats als pasmunt gebruiken.

Als u een hart hebt voor sport, sluit alle paraplu’s, neem als crisismanager de boel in handen en beperk de schade voor die vier goedgelovigen, het Belgische/Vlaamse basketbal en de sport in het algemeen.

Column Extreem, extremer, extreemst in De Morgen van maandag 26 januari 2026

Extreem, extremer, extreemst

Ik heb een fascinatie voor bergen en vooral voor bergbeklimmers. Twee keer heb ik de grote Reinhold Messner mogen interviewen. Durven interviewen, want Messner stond bekend om zijn humeur. Kunnen interviewen ook, beslagen genoeg op het ijs komen en vooral vermijden dat je over de dood van zijn broer begon.

Uiteindelijk begon hij de tweede keer in 2005, gezeten in een van zijn kasteeltjes (Juval voor de geïnteresseerden) er zelf over. Zijn broer was net teruggevonden en zijn theorie, dat hij zijn broer niét levend had achtergelaten tijdens de klim maar dat ze tijdens de afdaling in een lawine elkaar kwijt waren geraakt, was eindelijk bewezen door de plek waar het lijk was gevonden.

Dat drama waarbij hij zelf meer dood dan levend werd gered door een lokale herder voltrok zich in 1970 op de Nanga Parbat, een van de meest dodelijke bergen in de Himalaya. In die periode overleefden drie op de vier klimmers die klim niet. Vandaag geeft nog steeds een op de vijf de geest op de Killer Mountain. Voor wie niet genoeg krijgt van de doden: de Annapurna is historisch gezien de meest dodelijke met een op drie klimmers die overlijden tijdens de klim of de afdaling.

Messner was in 1986 de eerste die alle veertien achtduizenders bedwong zonder gebruik te maken van extra zuurstof. Zijn eerste achtduizender was overigens die Nanga Parbat waar het zo slecht afliep voor broer Gunther.

Fast forward naar 2021: Netflix brengt 14 Peaks: Nothing Is Impossible uit, een film over Nirma Purja die alle veertien achtduizenders beklimt in zes maanden en zes dagen tijd. Soms zonder, meestal met zuurstof. Purja is een Nepalees met een Brits paspoort, die via de Ghurkas – een Indiaas contingent in het Britse leger – uiteindelijk in de Royal Navy belandt als lid van de Special Boat Service, een illustere afdeling van de Special Forces.

Purja was gespecialiseerd in – hoe kan het ook anders – cold weather warfare. Zijn record van snelste opeenvolgende beklimmingen zou in 2023 worden verbroken door Kristin Harila en Tenjen Sherpa. Zij verbraken het record door in minder dan drie maanden (92 dagen) alle veertien toppen te bereiken.

Harila, een Noorse Sami-vrouw en voormalige bescheiden langlaufster, en Tenjen Sherpa misten hun eerste poging om binnen zes maanden als eerste vrouw de veertien toppen te halen omdat China haar in 2022 geen toestemming verleende voor de laatste twee toppen.

Toen die in 2023 wel binnen was, deden ze het dan maar in drie maanden. In één jaar tijd hadden Harila en Tenjen zo noodgedwongen 26 achtduizenders bedwongen. Later dat jaar zou Tenjen Sherpa verongelukken. Dat staat allemaal te lezen op Wikipedia, en dat heb ik pas ontdekt toen ik naar wat achtergrond over Purja zocht.

Waarom wist ik daar niet eerder van? Simpel: Netflix was er niet bij. De kijkcijfers van de 101 minuten durende docu waren niet bijster goed. Wie de film heeft gezien, vindt hem fantastisch, maar wie heeft de film gezien? Gevolg: Kristin Harila en Tenjen Sherpa zijn nobele onbekenden.

Dat is anders met Alex Honnold, die ook namens Netflix zondag de Taipei 101 naar boven klauterde. Hier geen sneeuw, geen gebrek aan zuurstof, geen achtduizend maar slechts een luizige vijfhonderd meter in het spel. Geen montage achteraf.

Gewoon een man die live langs een torengebouw naar boven klimt. In anderhalf uur. Cameraatje of twee in de buurt, een drone en een bodycam, en huppakee, kassa voor Netflix. En vooral: geen beveiliging. Extreem, extremer, extreemst.

Ik heb Netflix, maar ik weet niet of ik zal kijken, nu ik weet dat Honnold niet is gevallen. Als hij was gevallen, zou ik zeker niet kijken. Het is ook maar anderhalf uur dezelfde stalen buizen vastnemen en je naar boven hijsen, te digitaal, te gekunsteld, te artificieel en niet intelligent genoeg. Plus daarbij de lelijke backdrop: een torenflat is geen berg.

Als ik op een ladder sta van vier meter krijg ik al slappe knieën, dus is het niet aan mij om de fenomenale prestatie van Honnold ter relativeren. Maar als een prestatie pas telt als ze op Netflix komt, is er iets fundamenteels mis met onze waardenschaal.

Live kijken, wie daar zin in had en geen slappe knieën kreeg, kon dat doen. Al zaten er tien seconden tussen. Je weet nooit dat Alex ter hoogte van de 65ste verdieping een appelflauwte zou krijgen.

Honnold zei dat hij hoopte mensen te inspireren. “Als er iets is wat mensen moeten onthouden, dan wel dat hun tijd eindig is en dat ze die zo goed mogelijk moeten gebruiken.” Of onbeveiligd tegen een gebouw opklauteren kan worden gecatalogiseerd als je tijd goed gebruiken, daar is de jury het niet over eens.

Column Toevalmodel in De Morgen van zaterdag 24 januari 2026

Toevalmodel

Theo Bos is vorige week voorgesteld als de nieuwe sprintcoach die de Belgische baanwielrenners naar een hoger niveau moet tillen.

Nog een Nederlander. Dat liet een collega weten. Zonder emoji of leestekens, dus een neutrale en juiste waarneming. Er zijn nogal wat Nederlanders aan de slag in de Belgische topsport: voetbal niet meegeteld, dertien na een ruwe telling. Omgekeerd zitten geen zichtbare Belgen op cruciale posities in de Nederlandse topsport. Correcties op deze vaststelling zijn altijd welkom.

Belgische topsport? Dat moet Vlaamse topsport zijn. Omdat Sport Vlaanderen de motor en financierende instantie is van die contracten komen haast alle Nederlanders via een Vlaamse subsidie de Belgische sport binnen.

Daar is niet iedereen even blij mee. Te beginnen over de taalgrens, waar Nederlanders snel worden weggezet als Fransonkundig, luidruchtig, arrogant, betweterig. Wat ze ook soms zijn, maar daar moet onmiddellijk bij vermeld dat een Belg die zich zo gedraagt het aura van een orakel krijgt.

En nu een quizvraagje: welke Nederlander, denkt u, heeft de grootste invloed gehad op de Belgische topsportresultaten? Na wat graven in de historie zal ongetwijfeld de naam van Ronald Gaastra opduiken. Logisch, Gaastra heeft olympisch goud behaald in 1996 met Fred Deburghgraeve op de 100 meter schoolslag en het zilver van Pieter Timmers in 2016 op de 100 meter vrije slag was al bijna even straf.

Gaastra deed het een beetje op een eiland en van een echte Gaastra-nalatenschap is om diverse redenen nooit sprake geweest. Zijn sporthart zit er wel nog: hij is de trainer achter Freya Aelbrecht, de voormalige topvolleybalspeelster die een gooi doet naar een olympische selectie in het langeafstandszwemmen.

Alle verdiensten van Gaastra ten spijt, dringt een andere naam zich op: Bert Wentink. Als u van deze man nooit hebt gehoord, weet dan dat hij de architect was van de cultuurshift in het Belgische hockey: hobbyisme werd professionalisme.

Wentink zette mee de juiste mensen op de juiste plek, ging geld zoeken waar het te vinden was en deed dat in een perfect werkende Belgische constructie samen met de Franstalige hockeyvoorzitter Marc Caudron. Wentink was de stille motor achter de hockeymedailles van de enige echte Belgische gouden generatie: zonder hem wellicht geen olympisch zilver en goud, wereld- en Europees kampioen.

Een derde naam, nog minder bekend, ligt aan de basis van enkele decennia Belgische judosuccessen. Leo ten Haaf was de coach, trainer, goeroe, begeleider van Robert Van de Walle op weg naar zijn judogoud op de Spelen van Moskou in 1980. De getormenteerde ziel Ten Haaf stapte twee maanden voor de Spelen uit het leven, maar het goede was geschied. Van de Walle zat op het Ten Haaf-spoor, klopte de Russische leeuw in zijn hol en bereidde zo de weg voor de generaties hardwerkende, succesvolle judoka’s die zouden volgen.

Nederlanders die in Vlaanderen aan de slag gaan zouden best een inburgeringscursus volgen, kwestie van niet te veel te schrikken.

Neem nu de politisering van de topsport. Waar in Nederland de topsportpolitiek de opdracht is van een grote superbond als het NOC*NSF samen met de betrokken sportbond waar de werknemers de dienst uitmaken, is dat in België/Vlaanderen helemaal anders.

Een tegenhanger voor het NOC*NSF is er niet. Het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité heeft meer praatjes dan geld, kennis en hefbomen om op de topsport te wegen. Tot grote ergernis van dat BOIC ligt de macht bij staatsagentschappen, in Vlaanderen is dat Sport Vlaanderen. De macht ligt in de bonden dan weer bij de bondsbesturen, die vaak denken het beter te weten dan hun verondersteld competente en betaalde stafleden.

Nederlanders denken vaak iets rechtlijniger dan Belgen. Iedereen plezieren vinden ze een onmogelijke evenwichtsoefening en kiezen sneller voor my way or the highway. Topsport is geen democratie, las ik recent in een Nederlands pamflet. Terecht.

In die inburgeringscursus moet de Nederlanders worden ingepeperd dat my way or the highway alleen wordt aanvaard van geboren Belgen. Buitenlanders moeten zich verplicht eerst de kunst van het Belgische compromis eigen maken.

Verder moeten ze niet denken dat receptuur die in alle andere landen werkt zomaar op Vlaanderen/België kan worden toegepast. Neem nu het groeperen van kennis, middelen en mensen op een daartoe ideale plek. In Vlaanderen is dat allesbehalve logisch en zweert men bij het versnipperde toevalmodel. De regel en tevens de valkuil is: als efficiëntie zich opdringt, zal de Belgische topsport inefficiëntie omarmen.

Column Klaagmuur in De Morgen van maandag 19 januari 2026

Klaagmuur

Sport Vlaanderen heeft vorige week zijn subsidiepolitiek in de topsport uit de doeken gedaan. Die bestaat uit twee delen: enerzijds een salarissubsidie voor atleten die een voldoende hoog niveau halen en anderzijds een veel groter bedrag voor de topsportomkadering van de bonden die daarvoor in aanmerking komen.

Zoals elk jaar was de bekendmaking van de lijst met ondersteunde atleten het grootste nieuws, ook al bedraagt die totale investering niet eens een tiende van de totale topsportmiddelen. Veel minder aandacht was er voor welke sporten voor hoeveel worden ondersteund. Dat zijn er 31. Of het allemaal topsportfederaties zijn, daar mag aan worden getwijfeld, maar het is wat het is. De subsidies variëren van minimaal 30.000 euro voor bonden met enkele atleten tot bijna 2 miljoen euro voor grote sportbonden zoals Gymnastiek Vlaanderen, Cycling Vlaanderen, Volley Vlaanderen, Atletiek Vlaanderen en de Vlaamse Hockey Liga.

Nogal wat bonden en hun nationale koepels (hockey, wielrennen) beschouwen die middelen als een verworven recht. Zoals ook nogal wat sporters hun salaris als een verworven recht zien. Veertien verloren hun contract, zeventien nieuwe kwamen erbij. In totaal hebben nu 75 veronderstelde topsporters een arbeidscontract bij de Vlaamse overheid.

Eerst dit: wij zijn in België vergeleken met pakweg Nederland te genereus in onze directe betoelaging. Te veel atleten krijgen te veel geld. Gevolg? Al te vaak is de eerste bekommernis niet om beter te worden en in eigen onderhoud te kunnen voorzien, maar om die verworven status en het daaraan verbonden makkelijke geld te behouden.

Boze sporters die van de Vlaamse overheid geen salaris meer krijgen kunnen desgevallend bij ADEPS aankloppen, de Franstalige tegenhanger van Sport Vlaanderen. Hoewel Franstalig België vergeleken bij het ook al ondermaatse Vlaanderen een topsportwoestijn is, staan daar zowaar tachtig ‘topsporters’ op de salarislijst. Elke poging om daar over de taalgrens heen een lijn in te krijgen is tot op heden mislukt.

Er is nog meer mis met die topsportcontracten. De salarissen zijn niet gelijk. Daar hebben de prestaties niks mee te maken, wel het diploma. Een vaste podiumklant met alleen een middelbaar getuigschrift zal behoorlijk minder verdienen dan een minder presterende concurrent die toevallig de universiteit afmaakte.

De reactie van de atleten die hun status van topsporter en hun salaris kwijtspelen is er een van ontgoocheling, te begrijpen. De reactie van de media is minder te begrijpen: opvallende nieuwkomers zoals die squashende zusjes Gilis zijn minder interessant dan een grote naam die uit de boot valt.

Zo was het nogal makkelijke journalistiek om samen met polsstokspringer Ben Broeders naar de klaagmuur te gaan en hem een forum te geven.

Het stopzetten van zijn topsportcontract past binnen consequent en degelijk topsportbeleid. Volgens Broeders is het een miskenning van zijn talent en zijn prestaties, en hij drukt ons nog op het hart dat het niveau in het polsstokspringen ontzettend hoog is. Dat gaat maar op voor één van die acrobaten. Jammer genoeg heet die niet Ben Broeders maar Armand ‘Mondo’ Duplantis en zelfs hij is niet zo uitzonderlijk.

Als je zijn recordverbeteringen grafisch uitzet, zie je een normale evolutie die 35 jaar geleden is ingezet door Serhi Boebka. Het specialisme polsstok trappelt al een kwarteeuw ter plaatse, op Mondo na.

Boebka sprong meer dan dertig jaar geleden al over 6,14 meter. In Tokio afgelopen zomer ging Duplantis over 6,30 meter, de andere twee van het podium tikten af bij 6 en en 5,95 meter. Op die ene Zweed na is de spoeling in het polsstokspringen zelden dunner geweest en zelfs in dat magere veld voldeed Broeders niet aan de criteria.

Dat hij die criteria miste, spreekt hij overigens niet tegen. Hoewel hij voor het tweede jaar op rij buisde, wijt hij het aan “één keer een hoogte niet gehaald”. Voor ze in de commissie Sport van het Vlaams Parlement een nieuw schandaal ontwaren en zich willen bemoeien: Broeders hoeft niet direct onder een brug te gaan slapen. Zo zal hij nog steeds een beroep kunnen doen op een budget voor trainingen en stages.

Er was daarnaast het vangnet van het VDAB-statuut en een vervangingsinkomen. Omdat hij in Nederland bij zijn vriendin (Femke Bol) woont, kan dat evenwel niet.

Dan maar Nederlander worden? Jammer maar helaas, ook in Nederland zou hij geen recht hebben op een salaris, dat daar stipendium heet, minder riant is dan in Vlaanderen en voorbehouden is voor atleten die mondiaal top acht zijn. Broeders blijft nu al een paar jaar hangen rond de twintigste plek.

Hoger springen, iets anders zit er niet op.

Column Basketbal Vlaanderen in De Morgen van zaterdag 17 januari 2026

Basketbal Vlaanderen

Zou er nog een land zijn waar een handigheidje, een achterdeurtje in slecht opgestelde regels, wordt gekwalificeerd als ‘grootschalige fraude’? Zou er nog een land zijn waar de politiek de kop eist van iedereen die daarvan op de hoogte was?

Dit stukje gaat over het vermeende schandaal van de olympische kwalificatie van de 3×3-basketbalploeg, die in Tokio in 2021 vierde werd. Om uw geheugen op te frissen nog maar eens een herhaling.

De internationale basketbalbond FIBA haastte zich om in de aanloop naar de Olympische Spelen van Tokio met drie tegen drie een discipline toe te voegen aan een moderner olympisch programma, dat de sport terug naar de straat moest brengen.

Een belachelijk voornemen, zo bleek in Tokio, waar kindjes zowaar de medailles wonnen. Vier van de zes medailles bij de skatende vrouwen waren dertien jaar of jonger. Aan de Youth Olympics, waar de limiet op veertien jaar lag, hadden ze niet mogen deelnemen.

In het 3×3-basketbal was het andere koek. Hoewel 3×3 eerst op het rooster van de Youth Games verscheen en pas halfweg 2017 naar de echte Olympics mocht, waren het vooral de getruukte, oudere spelers die al snel de dienst uitmaakten in deze ruwere versie van het zaalbasketbal.

Van bij het begin was de kwalificatieprocedure van de FIBA een vreemd gedoe, totaal anders dan het zaalbasketbal. Zo diende een account te worden aangemaakt, mochten vrijblijvend pleintjestoernooien worden georganiseerd en die moesten – het ging tenslotte om straatsport met afspraken eerder dan regels – gewoon aan de FIBA worden gemeld. Op basis daarvan werden tickets uitgedeeld. Niet voor de Spelen zelf, zoals u misschien zou denken, maar om deel te nemen aan kwalificatietoernooien, waar een ticket voor die Spelen kon worden verdiend.

Toen in november 2019 de kwalificatieprocedure werd afgesloten, bleek dat België niet genoeg echte toernooien kon aanmelden en dus rapporteerden de Belgian 3×3 via hun account snel-snel enkele fictieve toernooien.

Nogmaals, er werden geen uitslagen vervalst, wel werd gezorgd dat België aan een voldoende aantal georganiseerde toernooien raakte, om deel te kunnen nemen aan een kwalificatietoernooi met de uiteindelijke bedoeling de olympische droom gaaf te houden. Dat handigheidje is de ‘fraude’ waarvan sprake.

Het Belgische team mislukte in die opdracht in het eerste kwalificatietoernooi in Graz. Vervolgens ging het naar een tweede toernooi in Debrecen in Hongarije. Ze versloegen in de poulefase Oekraïne (19-14) en Slovenië (20-18). In de halve finale ging Mongolië met 16-15 voor de bijl. In de finale nadien tegen Hongarije haalden ze het met 21-14. De winnaar mocht naar Tokio. Dat waren de Belgen en dat hadden ze sportief zelf met bloed, zweet, tranen afgedwongen, weliswaar na aanwending van wat administratieve creativiteit.

Het handigheidje met de spooktoernooien werd een onhandigheidje toen ene Anthony Chada uit de ploeg werd gezet, plots wroeging kreeg, klikspaan werd en naar de media stapte. Vanaf dan ging het handigheidje een eigen leven leiden en werd het een schandaal.

De achterliggende realiteit is dat de internationale basketbalbond FIBA er een zootje van heeft gemaakt in de aanloop naar de Spelen door op geen enkel moment de procedure te controleren. België is nu de pineut, maar het zou wel heel vreemd zijn als alleen Belgen handig hebben gebruikgemaakt van de systeemfouten bij de FIBA.

De verantwoordelijkheid van de Belgische bond in deze aanvankelijk grappige affaire bleef tot voor kort beperkt tot enkele personeelsleden. De hoogste in rang in opspraak was technisch directeur Sven Van Camp, maar iedereen met een beetje kennis van de sportbonden had daar meteen zijn twijfels over. In weerwil van zijn eerdere beweringen blijkt nu ook de CEO Koen Umans op de hoogte te zijn geweest. Het tegendeel had verwonderd.

Volgens de Dienst Verstrengd Toezicht Subsidies is het een ernstig risico als de personeelsleden van Basketbal Vlaanderen die op de hoogte waren van het administratief gefoefel zouden aanblijven. Hoezo dan? Het is net omgekeerd. Het risico is groter als je zomaar de kennis vervangt omdat enkele parlementsleden opnieuw (zie Thiam-gate) zonder ook maar enige kennis van sportzaken een voorwendsel hebben gevonden om de minister van Sport te pesten.

Er zijn fouten gemaakt door de leiding van Basketbal Vlaanderen, vooral dan in de onderschatting van dit dossier. De eigenlijke feiten blijven vederlicht en waren geen inbreuken tegen de sportieve ethiek. Een tik op de vingers, meer is hier niet nodig. Goed van Basketbal Vlaanderen dat ze de hysterie het hoofd bieden.

Column Gouden Oog in De Morgen van maandag 12 januari 2026

Gouden Oog

Wat is er van de sport dezer dagen en waar moet deze rubriek een mening over hebben? Toch niet de Gouden Schoen die gisterenavond in besloten gezelschap werd uitgereikt? Zo besloten dat het niet eens meer op televisie komt maar wordt gestreamd via de website van HLN.

Het is wat met die sportprijzen. De twee wielertrofeeën zijn hun gala kwijt en worden overhandigd via achterafbezoekjes. De Sportman/vrouw van het jaar wordt in een zaaltje langs de A12 uitgereikt, al lang niet meer op tv en de meest prestigieuze voetbalprijs is zijn televisie-exposure kwijt. Voor wie het interesseert: ik stem al even niet (meer), behalve dan voor het Sportjuweel.

De Gouden Schoen wordt uitgereikt in Middelkerke, in het nieuwe casino. De burgemeester aldaar wil zijn gemeente op de kaart zetten met sport en heeft daar wielrennen en voetbal voor nodig. Bepaald vreemd, want als er nu één jarenlang heeft afgegeven op de Belgische monoculturen van koers en voetbal, dan wel Jean-Marie Dedecker.

De Gouden Schoen is een misbaksel. Correctie, niet de Gouden Schoen zelf, maar de stemprocedure. Die is zo achterhaald als maar kan. Voetballers over twee verschillende seizoenshelften beoordelen in twee aparte stemrondes, staat haaks op de realiteit van het Belgisch voetbal. In dit land heeft die ‘sport’ als ultiem doel slim inkopen en zo snel mogelijk verkopen van voetbaltalent.

De beste voetballer van de eerste stemronde – voor deze editie de tweede helft van het seizoen 2024-25 – is meestal zo goed dat hij daarna voor veel geld aan het buitenland wordt verkocht. De beste van de eerste stemronde was ongetwijfeld Ardon Jashari, een Zwitser van Albanese afkomst. In juni werd hij zowel Talent als Profvoetballer van het jaar, prijzen die door die andere populaire krant worden gehost.

Na dat eerste jaar bij Club Brugge verhuisde Jashari voor 36 miljoen euro naar AC Milan. Een perfecte illustratie van België als transitland of Belgisch voetbal als springplank. Een ideetje voor de genieën achter de Gouden Schoen: het Gouden Oog als bijprijsje in het leven roepen. Uit te reiken aan de clubscout die het talent heeft gevonden waar de grootste meerwaarde op wordt gerealiseerd.

De laatste drie winnaars van de Gouden Schoen waren spelers voor wie België een eindstation is. Hans Vanaken won de Profvoetballer van het jaar de laatste keer in 2019. Sindsdien wonnen spelers die ofwel onmiddellijk werden doorverkocht of hoogstens een jaar later zoals Paul Onuachu. De Nigeriaan is de laatste vijf jaar de enige die de twee prijzen won.

Het is geen toeval dat Vanaken ‘maar’ twee keer Profvoetballer van het jaar werd, een prijs die een heel seizoen overspant. Dat hij drie Gouden Schoenen won en zijn laatste vorig jaar, is het gevolg van zijn onmiskenbaar talent als regulator en versneller van Club Brugge, maar is de laatste jaren in niet geringe mate ook te danken aan zijn beslissing om bij Club te blijven.

Of moeten we het hebben over het BK veldrijden? De tweede en grootste smaakmaker van dat BK gaat niet naar het WK over twee weken. Hij wil zijn wegseizoen voorbereiden om daarin van grote hulp te zijn voor zijn kopman die wel het WK zal rijden. Bijgedachte: de Belg Emiel Verstrynge moet straks in Hulst niet met opzet in de weg rijden van zijn Nederlandse ploegbaas Mathieu van der Poel.

Een aanrader uit het voorbije sportweekend, op voorwaarde dat je toegang hebt tot Eurosport: het terugkijken van de achtervolging mannen in het biatlon van laatstleden zaterdag. Biatlon staat altijd garant voor winterpret. Een sport van supermannen en -vrouwen die niet zeuren over ijs, sneeuw of regen, die zich door berg en dal jagen, af en toe (vier keer zaterdag) liggend en staand een weg vooruit moeten schieten en altijd spanning gegarandeerd.

En ja, er doet een Belg aan mee. Meer dan één, maar Thierry Langer uit Malmédy is de beste. Zaterdag schoot hij het best van alle biatleten – één missertje maar op twintig schoten – en flirtte eventjes met de top tien. Skiën is niet zijn beste onderdeel en daarom eindigde hij uiteindelijk pas 28ste.

De verrassende winnaar was de Italiaan Tommaso Giacomel. In een bloedstollende race in het biatlonwalhalla Oberhof kwam hij vanuit het niets aan de leiding door een perfecte laatste schietronde en stond die niet meer af. Bij aankomst wees hij naar de hemel als eerbetoon aan zijn Noorse trainingsmaat en goede vriend Sivert Guttorm Bakken die op 23 december niet meer wakker werd. Thuisatleet Giacomel tegen de Noor Johan-Olav Bot, dat wordt iets om naar uit te kijken, straks op de Winterspelen in Cortina. Alleen voor fijnproevers.

Column Wintersport in De Morgen van zaterdag 10 januari 2026

Wintersport

Bij drie Winterspelen was ik geaccrediteerd en verder ben ik ook drie keer naar een skistation gereisd voor een apart verhaal.

Kranjska Gora, begin 1994: op bezoek bij het Bosnische skiteam, voor de oorlog gevluchte jonkies van zeventien die op afdankertjes van de Slovenen trainden.

Val d’Isère, eind 1994: interview met olympisch kampioen Tommy Moe.

Kitzbühel, 2010: interview en repo met Jerke Van den Bogaert bij de wereldbeker. Een dag eerder had ik zijn training bijgewoond. Net als bij alle voorgaande bezoeken aan wintersporten was mij iets opgevallen: alle wintersporten zijn een vorm van glijden op ijs.

Soms lees je ‘op ijs en sneeuw’, zoals in het Olympisch Handvest, maar dat van die sneeuw is onzin. Sneeuw wordt ijs als je er vaak genoeg over gaat en als de sneeuw geen ijs is, steekt men een handje toe en wordt ijs gemaakt.

Van den Bogaert had mij bezworen dat ik, hoewel ook op ski’s, vooral aan de uiterste rand van de piste moest blijven. Geen denken aan om zelf wat bochtjes te trekken op hun parcours, dat eruitzag als een spiegel. Skipistes worden met water besproeid en hun ski’s waren in tegenstelling tot die van mij messcherp geslepen.

Gelukkig had ik nog de beelden op het netvlies van mijn Nederlandse collega, die zich in Salt Lake in 2002 op de slalompiste net iets te ver van de rand had gewaagd, begon te schuiven en met zijn hele hebben en houden – het was een fotograaf – enkele tellen later beneden tegen het houtwerk knalde. Bij de terugreis aan het eind van de Spelen werd hij het vliegtuig ingerold.

Deze ietwat lange intro om u er eens en voor altijd op te wijzen dat alle wintersporten en afgeleide disciplines te maken hebben met glijden op een extreem glad oppervlak. Hoewel de nieuwste nieuwlichterij ski-mountaineering daar misschien een uitzondering op is, blijft het een raadsel hoe veldrijden daarin zou passen.

Vorige week was het crosscircus te gast aan de randen van een ondergesneeuwd Zilvermeer. Nou ja, ondergesneeuwd… een centimeter of drie, meer was het niet. Dat leverde feeërieke beelden op en verleidde de S(up)porza-commentator met dienst tot een beschouwing: “Als dit geen reclame is voor veldrijden als olympische sport, dan weet ik het ook niet.”

Twee dagen later was er cross in Zonhoven en ook daar lag een sneeuwtapijtje. En weer schoot de propaganda door het dak: “Stuur de tapes van die twee wedstrijden maar naar Zwitserland, naar het Internationaal Olympisch Comité. Dan zullen ze wel overtuigd zijn.”

O ja? In Mol kwam de winnaar als een bevroren zombie over de meet. Hij huilde het uit – in foetushouding gezeten op de grond in de tent, aldus de media die erbij waren – toen zijn tenen, vingers en de rest weer tot leven werden gewekt eens het bloed naar die bevroren uiteinden werd gestuwd.

Dat was Mathieu van der Poel, de op één na beste renner van de wereld volgens nogal wat waarnemers. Toen hij een keertje dreigde te schuiven in een linke bocht zat net een andere topper (te dicht) op zijn wiel. Die remde, met als resultaat: een val en een breukje in de enkel. Dat was Wout van Aert.

In Zonhoven twee dagen later knalde de ene na de andere vrouw tegen dek. Bij de gewaarschuwde en – excuus, maar het is niet anders – beter sturende mannen was dat minder. Toch maakte een andere Belgische topper dan Van Aert op een ijsplek een smak die heel slecht had kunnen aflopen. Dat was Thibau Nys.

Dit weekend is het Belgische kampioenschap in Beringen. Wellicht op een besneeuwde kunstberg, een oude mijnterril. Ook dat is trouwens iets wat de outdoorsporten op de Winterspelen gemeen hebben: er zijn altijd bergen, er is altijd niveauverschil mee gemoeid.

Op S(up)porza viel deze week te lezen dat Beringen de geknipte olympische sollicitatie zou zijn voor deze sport. Nys vond die olympische droom geforceerd en betwijfelde of de sport beter zou worden van een (wellicht eenmalig) olympisch optreden. Slimme jongen, de kleine Nys.

Als de crossen van Mol, Zonhoven en Beringen iets bewijzen, dan wel dat veldrijden niet thuishoort op de Spelen. Er is niet alleen het parochiale aspect – veel Belgen die meerijden en altijd Nederlanders die winnen – en de gedeeltelijke desinteresse van de toppers, tenzij rond eindejaar.

Na Mol en Zonhoven komt daar de objectieve vaststelling bij dat ijs en sneeuw ongeschikt zijn om op te fietsen. Voor het BK in Beringen hebben ze er wat op gevonden. Ze gaan hellingen schrappen, sneeuw wegscheppen en ijs wegbranden, dus alles weghalen wat van een sport een wintersport maakt.

Column Sportjaar 2026 in De Morgen van zaterdag 27 december 2025

Sportjaar 2026

Door de in alle betekenissen steeds engere Belgische bril bekeken, wat kunnen wij verwachten op de grote afspraken van 2026?

Van 6 tot en met 22 februari lopen de Olympische Winterspelen. In de vorige editie van Peking 2022 won Bart Swings na zijn zilver van 2018 het eerste wintergoud sinds 1948 en overschaduwde daarmee het brons van shorttrackster Hanne Desmet. De stand van zaken is erg eenvoudig: Swings is net op tijd weer in vorm, maar wordt in Milaan wel 35 jaar.

Indien niet stokoud is dat gewoon oud: een latente blessure, minder goede en meer slechte dagen dan voorheen. De killer in Swings zal op het goede moment moeten opstaan. Wat Desmet betreft: shorttrack is topsport, laat daar geen twijfel over bestaan, maar tegelijk is het een gigantische loterij waarin de beste zelden wint, wel de gelukkigste. Het wordt duimen.

Een week later komen de wielrenners naar Gent voor de Omloop. Lang geen wereldkoers meer, maar wel zo opgeklopt door onze media en het Belgische begin van wat zich aankondigt als een mooi wielerjaar 2026.

Als u het nog niet voelt, surf dan naar S(up)porza en neem het wielerjaaroverzicht tot u. Mooie compilatie, met de nadruk op de heldendaden van de Belgen. Nou ja, heldendaden… Veel ritten zonder de bijbehorende eindklasseringen, nul monumenten en amper 3 van de 36 WorldTour-wedstrijden gewonnen: Jordi Meeus in de Copenhagen Sprint (ooit al van gehoord?) en Arnaud De Lie in de Renewi Tour en de Bretagne Classic.

Aan de andere kant van het firmament staat Tadej Pogacar. Drie monumenten op acht WorldTour-overwinningen. Dat hadden er tien kunnen zijn met die rare Amstel, dom verloren van Mattias Skjelmose, en de GP Montréal, weggegeven aan Brandon McNulty. Merckxiaans, er is geen andere woord voor.

Mathieu van der Poel – gevloek in de Kempense kerk stijgt nu op – heeft drie WorldTour-zeges, waarvan twee monumenten. Zijn totaal in die vijf grote klassiekers staat op acht, Pogacar zit aan tien. Benieuwd wat die twee nog uit hun mouw schudden de volgende jaren, maar de eerste tekenen van mentale sleet dienen zich aan.

Biedt dat opties voor de Belgische speerpunten Wout van Aert en Remco Evenepoel? (Tim Merlier heeft zestien overwinningen, maar behalve etappes niks in de WorldTour.) Van Aert: 13 overwinningen in 2021 waaronder zijn enige monument; 9 in 2022; 5 in 2023 en 2024; 2 in 2025. Zet dat uit in een grafiekje en iedereen ziet dat er een probleem is.

Van Aert moet just niks, maar een beetje meer winnen zou van pas komen. Al was het maar om zijn populariteit en salaris te wettigen. Papier is geduldig, maar op papier heeft Van Aert 51 overwinningen op de weg, Merlier 66. De Belgische nummer één van het moment is Evenepoel met 67.

Evenepoels beste jaar was 2023 met 13 overwinningen, daarna volgden 2024 met 9 en 2025 met 8. Veel goede redenen (ongevallen) en minder goede (zadel imaginair gezakt), maar in 2026 moet een kentering volgen.

Die teamwissel is riskant. Concurrentie is Evenepoels ding niet en intern al helemaal niet. Met Florian Lipowitz, Lorenzo Finn en Giulio Pellizzari heeft Red Bull-Bora-Hansgrohe meer talent lopen dan ooit tevoren. En dan is er nog de grote Primoz Roglic. Erg benieuwd. Zowel voor Van Aert als Evenepoel wordt 2026 een scharnierjaar: meelopen of meedoen, dat is de kwestie.

Voorts is er deze zomer de wereldbeker voetbal. De vorige werd een sof van formaat, uitgeschakeld in de groepsfase, en met een beetje meer geluk was dat anders gelopen. Naast het WK 2026 staan alleen vraagtekens.

Kunnen Thibaut Courtois, Kevin De Bruyne en Romelu Lukaku het nog eens opbrengen om een talentrijke selectie vooruit te jagen? Of haken zij vroegtijdig af door hun blessures en staan nieuwe namen op, een beetje zoals veertig jaar geleden, ook toen aan de andere kant van de oceaan?

Tot slot eindigen we met leestips. De pas verschenen biografie van Pogacar (Unstoppable, Andy McGrath) begint veelbelovend met anekdotes die nieuwe inzichten bieden in ’s mans onverstoorbaarheid. Wie achtergrond wil bij de commercialisering van topsport sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw: Fast Tracks and Dark Deals van Michael Payne. Een pain in the ass, die Payne, niet het minst voor Jacques Rogge destijds, maar wel een Mitspieler.

En het boek van het jaar: De beweegreden van Eline Lievens en Wim Derave. Twee professoren van de UGent, die ons zonder te beleren in mensentaal uitleggen hoe bewegen ons lot is en de enige manier om kwaliteitsvol te (over)leven.

Column Heldenverering in De Morgen van maandag 22 december 2025

Heldenverering

Elk nadeel heeft zijn voordeel. Geen enkele van de vier weekendkranten heeft zaterdag mijn brievenbus bereikt en zo kwam het dat ik digitaal in een katern belandde van een krant waarvan ik normaal alleen de sportpagina’s tot mij neem. In dat katern een interview met ex-wielrenner Leif Hoste. Goed dat zijn naam ergens boven aan de pagina stond of ik had hem niet herkend.

Lang verhaal kort: hij is nu zes maanden nuchter, maar dronk tot voor kort drie flessen wodka per dag. Thuis in zijn eentje. Hoste is een van die sporters die de terugkeer naar het echte leven niet te best hebben verteerd. Het leverde hem “minstens tien opnames op een spoedafdeling” op.

Hoste is een tragisch figuur. Was nooit de slimste als wielrenner, ook nooit een winnaar, vaak net niet (drie keer tweede in de Ronde van Vlaanderen) en aan het eind van zijn carrière nog eens achtervolgd door een dopingveroordeling. Zijn biologisch paspoort schoot inzake misbruik/gebruik van epo alle kanten op.

Daar hing een boete aan vast van 150.000 euro, te betalen aan de UCI, maar die werd hem kwijtgescholden door een Gentse rechter die in weerwil van alle wetenschap vond dat het biologische paspoort geen hard bewijs was voor doping. Vreemd, maar al bij al een geluk bij een ongeluk voor de arme Hoste.

Naast het interview stond een duidend stukje over topsporters die met mentale problemen kampen na hun carrière. Vier op de tien nog wel, zo zou uit een bevraging van 239 topsporters zijn gebleken. Die kwamen voornamelijk uit twee landen, België en Australië. Honderdvijftig van hen waren Belgen. Twee bemerkingen. Aan de representativiteit van dat staal mangelt het een beetje. En de definitie ‘topsporter’ is blijkbaar niet altijd en overal dezelfde.

In de meeste landen met een goedwerkend sportmodel ben je pas topsporter als je de potentie hebt om bij de beste acht van de wereld te behoren. In ons toevalmodel zijn we daar een beetje coulanter in. De top zestien van de wereld van ver in zicht hebben is ook al goed in Vlaanderen voor een salaris. In Franstalig België ben je soms al topsporter als je van een kampioenschap zelfstandig de weg terug naar huis vindt.

Dat onderzoek naar het mentale welbevinden tijdens de nacarrière van sporters, het zegt het zelf, focust op wat na de carrière zou moeten gebeuren. Er staat: “Het einde van een topsportcarrière voelt vaak als vallen van een klif. Een atleet verliest niet alleen zijn sport, maar ook een deel van wie hij is buiten de sport.”

Het resultaat van die bevraging is een initiatief dat aan de KU Leuven wordt opgestart: More than Sport, een digitaal begeleidingsprogramma voor ex-sporters. More than sport is een beetje more of the same. Sport Vlaanderen heeft al zo’n nazorgtraject en ook het BOIC beweert er een te hebben, maar dat lijkt meer op windowdressing.

Zouden we niet beter focussen op hoe we met die sporters omgaan als ze komen piepen en daarna tijdens hun al of niet succesvolle bestorming van de wereldtop?

In dat verband wil ik graag altijd weer de in 2022 overleden voormalige Bloso-baas Carla Galle in een onbewaakt moment citeren: “We leggen veel te vroeg te veel eieren onder die atleten hun gat. En als die eieren weg zijn, weten ze van geen hout pijlen meer te maken en zitten ze op de blaren.”

Wisselslagzwemster Galle trainde twee keer per dag en haalde twee masterdiploma’s tijdens haar zwemcarrière die haar op de Olympische Spelen van Mexico bracht. “Ik ben één keer geïnterviewd door de televisie (een memorabel interview, dat wel, HV) en af en toe stond ik in de krant op de Aalsterse pagina’s. Vandaag denken onze atleten dat ze top zijn als ze veel volgers op sociale media hebben. En als ze er goed uitzien, moeten ze niet eens presteren om in de gazet te komen.”

Hoste verwoordt het ook mooi. “Wij waren voor veel mensen heiligen. Vooral hier in West-Vlaanderen zijn wielrenners helden.” Denk in dat verband maar aan het tragische levenseinde van Frank Vandenbroucke.

De Belgische media met hun sportobsessie hebben een verpletterende verantwoordelijkheid in die heldenverering. Het is ondoenbaar om in Europa nog een nationaal krantenlandschap te vinden waar de nummer 156 in een discipline maar een scheet moet laten om een hele pagina te krijgen.

Haast nergens anders wordt meer over sport geschreven, terwijl we niet bepaald een groot sportland zijn. Onze sportverslaggeving is te omstandig, niet selectief genoeg, te weinig kritisch, te opgeklopt, te veel navelstaarderij en supporterspraat. Niet te verwonderen dat af en toe zo’n zelfverklaarde topsporter van die piëdestal valt.

Column Broos en Brys in De Morgen van zaterdag 20 december 2025

Broos en Brys

Halfweg deze week had Hugo Broos het dan toch begrepen. Hij excuseerde zich middels een persconferentie en een af te lezen A4’tje voor zijn ongelukkige woordkeuze. Hugo wil geen racist worden genoemd.

Hij zei: “Ik heb met mensen van kleur gespeeld, hen gecoacht en met hen gewerkt in Nigeria en Kameroen, en nu al vier jaar in Zuid-Afrika.” Die ‘mensen van kleur’, tja, niet duidelijk of dat wel goed is begrepen want in Zuid-Afrika wijst dat doorgaans op een gemengde raciale afkomst, een beetje Europees, een beetje Aziatisch en een beetje Afrikaans.

Niet elke donkere huid is een swartmens in Zuid-Afrika, maar ze hebben er wel allemaal lange tenen, langer dan in de rest van Afrika. De blanke Afrikaners hebben de langste, maar die mogen van Donald Trump gratis naar de VS.

Nog Broos: “Je kunt hen allemaal vragen wat voor man ik ben. Misschien zullen sommigen zeggen dat ik een slechte coach ben, anderen dat ik een goede coach ben, of dat ik koppig ben, maar niemand zal mij een racist noemen.”

Doen we ook niet. Of hij een goede coach is, dat laten we in het midden. Minstens een beetje onhandig. Zijn uitval was randje dom, volgens hem te wijten aan een taalprobleem. De les: als je na bijna veertig jaar in dat vak, waarvan meer dan tien jaar in het buitenland, nog steeds steenkolenengels spreekt, waag je dan niet verder dan voetbaltaal.

Dus niet grappig willen zijn en zeggen: “Nu is hij zwart en hij zal wit zijn als hij hier buitenkomt.” Maar wel: “Hij zal hier bleek buitenkomen als ik met hem klaar ben.” Of zoiets.

Opvallend aan zijn excuses was dat die geen betrekking hadden op de manager van de speler die hij wilde berispen. Die had hij aangeduid als “dat kleine vrouwtje”. Gevoelige zielen en de Unia’s van deze wereld zullen daar zowel bodyshaming als seksisme in zien. Broos mag dan al of niet schuldbesef voorwenden, hij vindt zichzelf en vooral zijn omgeving het voornaamste slachtoffer van deze rel.

Hij besloot: “Het ergste is dat mijn familie – mijn vrouw, mijn kinderen en mijn kleinkinderen – hier ook van hebben afgezien.” Let op, dit is lang niet afgelopen. We zullen het snel weten hoe groot het krediet van Broos is. Maandag speelt hij met zijn Zuid-Afrika tegen Angola en op tweede kerstdag tegen Egypte.

Het is weer de tijd van het jaar: de Afrika Cup. Altijd vreemd hoe belangrijk dat toernooi wordt gemaakt. Zowel sportief als economisch heeft het geen waarde. Wat de Afrika Cup toevoegt aan het wereldvoetbal, naast een opstoot van nationalisme, zijn grappige verhalen.

In november, toen nog voor de WK-kwalificatie, beschuldigde de bondscoach van Nigeria, ene Éric Chelle, de Congolese bank ervan voodoo te hebben gebruikt. Een staflid had tijdens de strafschoppenreeks gezwaaid met water. Met goed gevolg, want Nigeria verloor die wedstrijd tegen Congo en kan nu niet naar het WK.

Chelle is een Malinees die zijn hele carrière in de Franse divisies speelde en nadien coach en manager werd in Frankrijk. Pas in 2022 keerde hij terug naar Afrika voor een job als coach. Dat hij aanstoot neemt aan een zwaaiend flesje water en het bijpassende bijgeloof is zo ridicuul als dat bijgeloof zelf.

Wie wat voodoo had kunnen gebruiken, is Marc Brys, tot voor kort bondscoach van Kameroen. De minzame ex-politieman zal de Afrika Cup niet halen. De wereldbeker van volgend jaar ook niet en dat heeft hem nu definitief de kop gekost. Die lag al een paar keer op het kapblok, maar telkens als de beul wilde toeslaan, ontsnapte Brys op miraculeuze wijze.

Het was van bij het begin een rare situatie waarin hij was beland. Brys had een arbeidscontract met de regering, meer in het bijzonder met het ministerie van Sport. Brys had geen contract met de Kameroense voetbalbond, waar ex-topspits Samuel Eto’o de plak zwaait. Hij had eerst wel een relatie, dan een slechte, later een steeds slechtere en op den duur helemaal geen relatie meer met de egotripper Eto’o.

Die probeerde de voorbije jaren als bondsvoorzitter zijn hem opgedrongen bondscoach en diens nationale ploeg te boycotten. Je zou kunnen besluiten dat Brys een slachtoffer is, en Eto’o een zot, maar Brys is in deze ook een beetje Broos, niet helemaal op de hoogte van hoe het wel moest.

De zeggenschap over een nationale ploeg ligt onveranderd bij de nationale bond. Meer zelfs, als een nationale overheid ingrijpt in een sportbond, weze het in voetbal dan wel in een olympisch comité, dan heeft zowel de wereldvoetbalbond FIFA als het Internationaal Olympisch Comité het recht de betrokken bond en ploegen te schorsen. Brys was een illegale Europeaan in Afrika.