Column Remcoeioeioei… in De Morgen van zaterdag 1 oktober 2022

Remcoeioeioei

Al snel nadat hij nog maar pas was komen kijken, had een deel van het verzamelde persheir het al gehad met Remco Evenepoel. Sommigen vonden hem een vervelend baasje, randje of zelfs over het randje van respectloos, lichtjes dikkenek. Andere collega’s in het veld vonden dan weer dat de thuisbasis – meestal bewustzijnsvernauwde ‘nieuwsmanagers’ – te veel meeging in de Remco-mania.

Zo herinner ik mij nog levendig de perstent op het WK tijdrijden van 2019 in Harrogate en de jonge collega die een zucht van opluchting slaakte toen hij merkte dat Rohan Dennis sneller zou zijn dan een toen negentienjarige Belgische ex-voetballer op twee wielen.

“Stel je voor dat hij wint, dan moet ik binnen de vijf minuten een lyrisch stuk maken voor online, zijn ouders opzoeken voor een interview, zijn grootouders bellen en als het even kan ook een fotootje van de hond op de kop tikken en ik weet niet eens of ze een hond hebben. Ik ben aan het ergste ontsnapt.” Die zucht, die opluchting na eerst die wanhoop op zijn jonge gezicht, op slag had hij mijn sympathie.

2019 komt nooit meer terug. De dijkbreuk is compleet. Alles en iedereen in de entourage van Eddy Evenepoel is voorpaginanieuws. Dus, jawel, ook deze rubriek ontsnapt er niet aan en moet het meer in het bijzonder over twee existentiële vraagstukken hebben.

Vraagstuk 1: moet Hij in 2023 naar de Giro of toch maar meteen naar de Tour?

Daar is hij allang uit, al vóór de Vuelta. Evenepoel acht zich klaar voor de Tour. Hem daarvan weerhouden staat bijgevolg gelijk aan zelfmoord. Evenepoel gaat en staat en rijdt waar hij wil. Zo was hij als voetballer, zo is hij als wielrenner. Zijn ploeg en vooral de grote baas, althans op de momenten dat hij geen last heeft van hypo’s, hebben dat inmiddels goed begrepen. Waar Patrick Lefevere eerst stellig was ‘in 2023 Giro, in 2024 Tour’ klonk het even later al anders. “We zullen nog wel zien en dat samen met Remco bespreken.” Na de Vuelta en vooral na het WK luidt het ineens: “Dat is een keuze van Remco.”

Antwoord op vraagstuk 1: het wordt volgend jaar de Tour.

Vraagstuk 2: met welke ploeg moet Hij naar de Tour?Deze week, plots op velonews.com: Ineos toont interesse in Remco Evenepoel. Een dag later stonden de kranten er vol van. Dat nieuws klopt. Meer zelfs, wat de media vooralsnog niet schrijven omdat ze begrijpelijkerwijs hun toegang tot de ploeg en het godenkind niet willen verbranden: Remco Evenepoel toonde zelf interesse in Ineos en nog steeds. Wat hij ook zou hebben beweerd aan de telefoon tegen Lefevere: als het van hem afhing (en als hij geen langdurend contract had), dan zat hij al bij Ineos.

Tom Boonen schetst in zijn column in Het Laatste Nieuws hoe hij met deze move zowat tachtig man (de hele wielerploeg van Lefevere) tegen zich in het harnas jaagt, maar daar trekt Evenepoel zich niks van aan. En zijn vader ook niet, want hij is het die al weken – zelfs toen het nog niet eens zeker was dat zijn zoon de Vuelta zou winnen – de markt verkent.

Het is van Remcooooh in sneltempo naar Remcoeioeioei gegaan bij QuickStep-Alpha Vinyl. Je hoeft maar een paar telefoontjes te doen om spitante details te krijgen over hoe ze in de clan-Evenepoel tegenover de ploeg staan, maar ook hoe de CEO hen steeds meer op de zenuwen werkt.

Evenepoel en zijn pa zijn niet van gisteren. Zij weten hoe het er bij Jumbo aan toegaat, door wie Jonas Vingegaard wordt omringd. Zij weten wie UAE binnenhaalt volgend jaar om Tadej Pogacar te helpen (Adam Yates, Domen Novak en Tim Wellens), en dat naast wie we er al zit. Zij weten hoe nauwgezet die teams hun klassementsrenners, voortaan Evenepoels directe concurrenten, begeleiden en omkaderen met goedbetaalde helpers.

Niks zegt dat ze bij QuickStep-Alpha Vinyl (volgend jaar Soudal-QuickStep) op termijn niet kunnen, maar ze hebben nog veel stappen te zetten. Lefevere weet dat en dringt aan op geduld. Voor 2024 zijn de vooruitzichten voor een grote rondeploeg beter, zei hij recentelijk nog. Kan zijn, maar het eerstvolgend seizoen is wel 2023 en laat dat nu het jaar zijn waarin Remco definitief Eddy wil worden.

QuickStep in de versie ’23 heeft jonge talenten die aardig bergop kunnen, maar alvast één van die gasten heeft eigen ambities en koerst daarom op eigen vraag zelden in een ploeg met Evenepoel. Dat Lefevere bovendien voorlopig geen enkele klimmer/helper van hoog niveau maar wel voor gruwelijk veel geld sprinter Tim Merlier haalde, dat vonden de Evenepoels onbegrijpelijk.

Antwoord op vraagstuk 2: Evenepoel blijft bij Lefevere, voorlopig, omdat hij niet anders kan. We gaan wel een erg boeiend najaar, winter en 2023 tegemoet.

Column over Remco Evenepoel in De Morgen van maandag 26 september 2022

Eindelijk een nieuwe Merckx

De nuanceringen en ‘ja maars’ mogen definitief opgeborgen worden. In één fabuleus jaar heeft Remco Evenepoel definitief alle criticasters de mond gesnoerd. De nieuwe wereldkampioen is de beste renner van het moment.

Een Belgische jongen reed in 2022 op een fiets naar een wolk en wil daar maar niet van af komen. Na demonstraties in Luik- Bastenaken-Luik en de Ronde van Spanje is Remco Evenepoel nu ook wereldkampioen. Op 22 jaar.

Ongezien? Neen.

Er is er nog één die dat ooit heeft geflikt. Dus Sire, landgenoten, laten we niet langer rond de pot draaien. Deze natie heeft bescheidenheid in het DNA, maar we moeten het fenomeen benoemen zoals het hoort: we hebben onze nieuwe Merckx.

Eindelijk.

Met nog twee ronden te gaan reed Remco Evenepoel weg uit een grote kopgroep. Gewoon, op het vlakke, zelfs licht bergaf. Dat heet op kousenvoeten, maar dat was het niet. Hij reed gewoon te hard voor de anderen, vijf kilometer per uur zowat, en dat is geen toevallige historische verwijzing. Rik De Saedeleer zou hebben geroepen: “Ze kunnen niet volgen, Remco.” Karl kirde. José slikte. “Waar zitten we naar te kijken?”

De tijdrijder Evenepoel nam heel even de Kazak Loetsenko mee op zijn bagagedrager, maar vond het bij een stukje bergop welletjes. Het ging niet hard genoeg. Dan maar alleen. Op Twitter verscheen meteen: ‘Eddy is ribbedebie’. Het was een kenner.

Met zo’n onweerstaanbare solo had hij in 2019 voor het eerst de code gekraakt van het profwielrennen. Dat gebeurde in Baskenland. Aanvankelijk gelost, kwam hij miraculeus terug en reed daarna iedereen uit het wiel richting San Sebastián. Negentien was hij toen, de jongste winnaar ooit van een World Tour-wedstrijd. “Ach,” luidde het, “dat was tegen uitgewoonde Tour-renners.”

Dit jaar herhaalde hij die solo, in Luik-Bastenaken-Luik, de zwaarste eendagswedstrijd op planeet Koers. Op La Redoute reed hij weg van een afgetraind peloton specialisten. “Ja maar,” werd opgeworpen, “Pogacar was er niet bij. Díé sjarel had hij vast níét gelost.” Ondertussen won hij naast wat prullaria waar de meeste renners een arm zouden willen voor afstaan, ook de Ronde van de Algarve en die van Noorwegen, en recidiveerde in San Sebastián.

Dat was weer na een solo, nu van veertig kilometer, maar wie keek daar nog van op? Het was tenslotte weer tegen vermoeide Tour- renners en nu na een erg lastige en warme Tour, nietwaar? Zijn definitieve kroning tot nieuwe wielerkoning, -keizer, -admiraal en wat nog allemaal voltrok zich in een Spaanse wielerkathedraal. Van start tot finish controleerde en domineerde hij de Vuelta.

Het Belgische wielrennen, 42 jaar lang smekend en smachtend om een grote rondewinnaar, had zijn heiland gevonden. Weer werd genuanceerd, en toegegeven, ook in deze kolommen: “Dit was de zwakste Vuelta-bezetting in jaren en andere favorieten hadden veel pech.” En was het wel een goed plan van dat snotjong om er nog eens een WK bij onze tegenvoeters tegen aan te gooien? 22 uur vliegen in twee beurten, zou hij dat wel doen?

Het is juist aan zijn jeugdig enthousiasme, zijn jagende hormonen, zijn overdosis adrenaline, zijn nijd en gramschap maar bovenal zijn immense talent te danken dat hij na die zegetocht richting Madrid nog de moed vond om naar Australië door te reizen. Overnight was de jongen Remco een man geworden, een man met een plan. Dat bestond erin om wereldkampioen te worden, en zo in één moeite, in één fabuleus jaar definitief alle monden te snoeren. Hij en niemand anders is de numero uno.

Grote Belgische Rivaliteit

Dat gezeik na Leuven vorig jaar, waar hij (wellicht) al de benen had om wereldkampioen te worden, maar de ploeghiërarchie onwrikbaar vast lag ten faveure van Wout van Aert, dat zat nog diep. Hij toonde zich daar in Brabant niet van zijn meest sociale en empathische kant door dan maar het hele peloton – inclusief zijn kopman – in de vernieling te rijden en zelf doodleuk na een goede 200 kilometer af te stappen. Zoek het maar uit, dacht hij toen.

Eddy Evenepoel, dat is een vinding van de Nederlandse collega Thijs Zonneveld. Er zat bewondering en spot in die naamsverbastering. Die eens zo grote wielernatie België/Belgique, amechtig op zoek naar haar nieuwe wielergod, elke professionele fietsenrijder die een beetje bergop en tegen de klok kon met een onwaarschijnlijke druk opzadelend, dat was ook randje lachwekkend.

Het zoeken is voorbij. In elke klassieker, elke kleine en grote ronde, elke tijdrit, elk kampioenschap, bergop, bergaf, rechtdoor of plat, zullen de komende jaren een of meerdere Belgische renners tot de favorieten behoren en ze zullen vaak winnen. De niet onaardige fall-out van dat alles: we hebben een Grote Belgische Rivaliteit.

De tijden van Rik Van Looy, Eddy Merckx en Roger De Vlaeminck en hun supporting cast zijn terug. Wie daaraan twijfelt, moet de interactie binnen de Belgische ploeg in de minuten na de wedstrijd maar eens terugkijken. Hoe Remco Evenepoel de felicitaties krijgt van alles en iedereen, hoe Yves Lampaert in zijn moerstaal het uitschreeuwt: “Mo vintoh, waziejegie e koereur zeh!”

En dan, het moment aller momenten, en zeg niet dat het in dit feestgewoel van geen belang is, of pretbederverij. Iedereen die een beetje op niveau heeft gesport, herkende dit, de commentatoren hanteerden het wapen van de onjournalistieke black-out. Hoe de nieuwe meester zelf bij zijn meesterhelper – of wat daarvoor moest doorgaan in deze wedstrijd – kwam aankloppen, waarna Wout toch een glimlach produceerde en felicitaties over de lippen kreeg.

Niet hij, met zijn winst in de Omloop en de E3 en zijn mooie groene Tour, maar Remco Evenpoel met Luik, de Vuelta en de regenboogtrui is de beste Belgische renner van het moment.

Column Het Mysterie Mathieu in De Morgen van zaterdag 24 september 2022

Het mysterie Mathieu

In de kansen op een wereldtitel van Remco Evenepoel geloven de kenners niet meer. Te veel gegeven, niet explosief genoeg meer na die focus op tijdrijden en lange klimmen. Zesenzestig koersdagen en 10.581 kilometer, dat hakt er er ongenadig in, niet alleen bij een 22-jarige. Ook al stapt hij af na dertig kilometer, Remco Evenepoel heeft dit seizoen zijn steen al meer dan verlegd.

Winnen kan natuurlijk ook zomaar, want die kleine benadert van alle Belgen het dichtst Eddy Merckx. Neen, niet het palmares, die blasfemie is nergens voor nodig. Wel wat het intrinsieke talent betreft om op alle terreinen – klimmen, tijdrijden, grote en kleine rondes, lastige eendagskoersen – goed uit de voeten te kunnen en te winnen. Hij heeft zelfs een beetje het karakter van Merckx, die zijn drive ook haalde uit selectief gramschap.

Wout van Aert zou het speerpunt moeten worden van de Belgische ploeg, maar hoe goed hij is op zijn 48ste dag op de koersfiets na zijn dubbele shift in de Tour? Een hoogtestage, bij hem vaak de voorspeller van een sterke periode, zat er om sociaal-psychologisch- mentale redenen niet meer in. Begrijpelijk, er is ook een leven naast de fiets.

Tadej Pogacar dan maar? Voor hem geldt wat voor Van Aert geldt. Die derde piek kan nooit zo kwalitatief zijn als voorheen. Dan maar de inderhaast in elkaar gevezen Julian Alaphilippe? Of thuisrijder Michael Matthews? Of een complete outsider?

En dan is er nog Mathieu van der Poel, door zijn vader een twijfelgeval genoemd, maar door veel anderen als favoriet gebrandmerkt want veel kilometers getraind en een rustige aanloop gekend. Hoewel. Nooit eerder heeft Van der Poel meer dagen op de koersfiets gezeten dan die 47 in 2022. Hij behaalde daarmee zeven overwinningen. Ter vergelijking: in 2021 reed hij maar 34 dagen koers op de weg en werd acht keer eerste.

Iedereen herinnert zich natuurlijk Van der Poel uit de Tour de France: eerst anoniem meerijden, dan gelost worden en ten slotte afstappen. “Ik weet niet wat er aan de hand is. Wellicht slecht de hoogtestage verteerd”, was zijn commentaar. Het is achteraf nooit gecommuniceerd of ze inmiddels wel al weten wat er toen scheelde, maar de kans dat het die hoogtestage was, lijkt eerder klein.

Ach, misschien was er wel hoogte in het spel, maar niet al te veel stage. Toen zijn ploeg in de voorbereiding op de Tour een fotootje postte van Mathieu op een downhillparcours in Livigno, op een mountainbike, werden her en der in koersland wat wenkbrauwen gefronst.

Dat alles zorgt ervoor dat Mathieu van der Poel een beetje een mysterie blijft. Hijzelf heeft niet het hart op de tong en zijn team zegt ook nooit meer dan nodig. Dus hebben we er het raden naar hoe hij zich voelt negen maanden ver in het koersjaar 2022. Misschien blijft die rug wel een veel groter probleem dan ze willen toegeven. Misschien zat het tussen de oren, een decompressie na jaren van fiets af en andere fiets op.

Wat overheerst bij Van der Poel? Dat kan de vreugde zijn om dat Vlaamse voorjaar met zijn tweede overwinning in de Ronde van Vlaanderen. Al zal de geboren winnaar zich toch vooral de afgang in de Tour herinneren. Die roze trui de eerste dagen en die ene etappe in Hongarije in de Giro wegen daar niet tegen op. De recente spielereien in België al helemaal niet.

Mathieu van der Poel arriveerde laat in Australië. De combinatie van lang vliegen en veel uurverschil doet rare dingen met een lichaam. Afwachten hoe hij daarop reageert. Zijn concurrenten landden in Sydney met een grote ronde in de benen. Of na een ommetje via Canada, waar twee WorldTour-wedstrijden op een min of meer vergelijkbaar parcours werden gereden en de toppers met elkaar in de clinch gingen.

Van der Poel reed in die periode de Druivenkoers in Overijse (35ste), Stadsprijs Geraardsbergen, Izegem Koers en de Grand Prix de Wallonie. Op de Muur klopte hij zijn broer, en in Izegem Yves Lampaert en drie van zijn eigen ploegmaats onder wie weer zijn broer. Alleen in Namen kwam hij een WK-ganger tegen die op de longlist van de favorieten staat. Op de citadel van Namen, die hij als geen ander kent van de cross, sprintte hij Biniam Girmay uit de wielen.

2022 is een cruciaal seizoen voor Mathieu van der Poel en die 267 kilometer morgen aan de andere kant van de wereld kunnen bepalend zijn voor het verdere verloop van zijn carrière op de weg. Van der Poel is te goed voor een Van Petegem-palmares, het Vlaamse voorjaar en dan niks meer. Welk scenario het morgen ook wordt – winst, nipt verlies of weggereden worden – ze zullen het niet graag horen bij Alpecin-Deceuninck, maar hij en zij zijn aan bezinning toe.

Column Heja Norge in De Morgen van maandag 19 september 2022

Heia Norge

Ik was al tevreden geweest met een tiende plek, en stilletjes hoopte ik op een vijfde. Maar dit had ik nooit durven dromen.” Even tevoren had Tobias Foss zichzelf wakkergeschud. Randje automutilatie was het, die harde kletsen in het gelaat in zijn geval.

Hij zat al zo lang in die hotseat, dat ging niet gebeuren dat hij daar zou blijven, want de toppers kwamen er nog aan. En toch. Eén na één beten ze hun tanden stuk op zijn sterke tweede helft. Een Noorse stoomtrein was langs de kusten van South- Wales gedenderd en had iedereen verpletterd.

Foss ging verder: “Deze trui mogen dragen (alleen bij tijdritten, HV) zal iets heel speciaals zijn en ik zal hem alle eer aandoen.”
En toen sloop de krak in zijn stem en gingen zijn ogen op rood. Hij besefte het: champion of the world, klinkt beter dan het Noorse verdensmester, en dat voor een jongen die er om bekend staat dat hij bescheiden is, supergetalenteerd dat wel. Zoals hij zelf zei: “Ik heb niet altijd evenveel zelfvertrouwen.”

Het meest sprekende beeld was Evenepoel die zijn helm afdeed, zijn communicatie uit zijn oor pietste, vervolgens zijn gezicht afveegde en een slok tot zich nam, alleen wetend dat hij niet de beste is. Net dat moment liet een Belg in de mixed zon de naam Foss vallen als winnaar. Evenepoel kon het niet geloven. Schudde het hoofd: “Hu, Foss?”

Ja Foss. We zouden het moeten afleren om kampioenschappen in verre landen na lange reizen en met vele uren verschil te willen voorspellen. Dat geen Afrikaan of Zuid-Amerikaan zou winnen, oké, maar verder hadden de analisten, kenners en journalisten zich niet mogen wagen. Toch kwam uit een synthese van alle stellige prognoses een podiumstrijd tussen Filippo Ganna en Remco Evenepoel.

Goeie outsiders waren Pogacar, en de Zwitsers met Küng op kop en Bissegger als gevaarlijke klant. Het podium werd Foss uit Noorwegen, Küng uit Zwitserland en Evenepoel uit Schepdaal.

Stefan Küng lijkt de verliezer van de dag. Wie 1,5 seconde per kilometer toegeeft in de laatste tien kilometer heeft ofwel het parcours niet goed verkend, of te veel gegeven in het eerste deel of is gewoon fysiek niet optimaal. Niet vergeten: de biologische klok van een West-Europeaan stond bij het begin van de tijdrit op zeven uur. In de ochtend. Hoe een lichaam daar mee kan omgaan, is erg individueel.

Filippo Ganna is ook een rare kwiet. Kan best zijn dat hij op 8 oktober in Grenchen een werelduurrecord neerzet voor de eeuwigheid, kan best zijn dat hij daar de laatste weken iets te veel mee bezig was, kan ook zijn dat dit helemaal zijn parcours niet was, of dat hij een latere piek plant, maar zoveel toegeven is geen goed signaal.

Over Evenepoel kunnen we kort zijn. Dat brons is onverhoopt, behaald op pure klasse. Hij mist nog tijdritgoud op een WK, maar hij is op dit WK veruit de beste van alle groterondepretendenten. Evenepoels concurrent van ooit in de Tour, Tadej Pogacar, eindigt op bijna veertig seconden. En Pogacar heeft zich wel kunnen voorbereiden op dit WK, terwijl Evenepoel uit een slopende Vuelta komt met een onvermijdelijke decompressie achteraf.

Foss komt uit Noorwegen. Heb er deze zomer weer eens meer dan een maand rondgetoerd en neem het dus van mij aan, zo’n Tobias Foss met dat opgesneden blond-bruine haar, die blauwe ogen, dat gesis in dat Scandinavisch Engels, zo krijg je er honderd in een dozijn in Noorwegen.

Ook dat strakke lijf is Noors, al is dat in het hoge noorden waar ze genetisch gemuteerd of geselecteerd zijn om vet op te slaan, wel even anders. Tobias Foss heeft wat dat betreft geluk. Hij is geboren in de onderste (rijkere) helft van zijn land. Hij komt uit Vingrom. Dat ligt aan het Mjøsameer dat eigenlijk de afgedamde rivier Lågen is. Zegt het u niks? Vingrom is deel van de stad Lillehammer, waar in 1994 de winterspelen zijn doorgegaan.

Noorwegen is het dertiende land dat goud wint op negenentwintig edities van het WK tijdrijden. Heia Norge, hup Noorwegen, eindelijk. In geen enkel ander land wordt buitensporten zo gepromoot als in Noorwegen. Nergens is het beter sporten dan in dat deel van Noorwegen, Lillehammer en omstreken, waar ook nog eens de minste neerslag valt.

Noorwegen behaalde op de laatste twee Olympische Spelen samen 45 medailles voor 5,5 miljoen inwoners. Noorwegen is daarmee het best presterende sportland van de planeet. Het heeft een sportsysteem dat de jeugd zo lang mogelijk laat sporten zonder score, zónder competitie tenzij tegen zichzelf. Na zichzelf, heeft Tobias Foss zich nu ook dat andere Noorse specialisme eigen gemaakt, winnen van de klok.

Column Greatest Of All Time in De Morgen van zaterdag 17 september 2022

Greatest of all time

Tot twee keer toe, in dezelfde maand, in dezelfde sport, hebben we afscheid genomen van de beste aller tijden, van een GOAT. Dat acroniem staat voor greatest of all time. Of Serena Williams de beste speelster aller tijden was en volgens de Amerikanen ook overall (mannen- en vrouwentennis gecombineerd) én de beste atlete over alle sporten heen, daar kan serieus over worden gediscussieerd.

Williams was niet de meest technische speelster, ook niet de meest positieve, en soms fysiek zelfs een aanfluiting voor haar sport. Maar niemand kan ontkennen dat ze als rolmodel boven alles en iedereen uitstak, ook al was dat achterstandsbuurtimago van ‘the girl out of Compton’ zorgvuldig geboetseerd. Haar impact op haar sport was immens en bovendien speelde niemand langer tennis dan zij en won niemand meer wedstrijden en grote toernooien dan zij.

Roger Federer is minder een betwiste GOAT dan Serena Williams, ook al hebben twee spelers – tijdgenoten dan nog – meer grand slams gewonnen. Een vergelijking van getallen zegt veel maar niet alles. Sport, en zeker de absolute topsport, is vaak zoveel meer dan statistiek. Federer is minder succesvol geweest dan Rafael Nadal en Novak Djokovic op de courts. Ernaast heeft hij meer dan het dubbele verdiend. Ook dat gegeven kan onmogelijk het enige criterium zijn, want dan moet Floyd Mayweather de beste topsporter aller tijden zijn.

Het onmeetbare is waar we naar zoeken bij de GOAT: de impact die een atleet heeft gehad op zijn of haar sport. Als je een poll zou houden onder oudere, nog levende tennissers (m/v) en onder generatiegenoten van Federer én onder zijn vrouwelijke collega’s, dan komt Federer er altijd uit als grote voorbeeld. Hij is/was inzake impact en succes gecombineerd de Michael Jordan van het tennis.

Jordan was ook alleen inzake verdiensten de meest succesvolle basketbalspeler aller tijden. Tien basketbalspelers hebben meer titels gewonnen dan hij, waaronder acht – de deze zomer overleden Bill Russell met elf ringen op kop – van de Boston Celtics-dynastie in de jaren zestig. Twijfelt iemand aan Jordan als grootste speler/sporter aller tijden? Misschien fans van een concurrent, of jonkies voor wie de geschiedenis begint met TikTok en Instagram, maar ze dwalen.

Zal iemand Steph Curry, als hij er nog twee wint, op gelijke hoogte zetten van ‘His Royal Airness’? Of nog erger, hem uitroepen tot GOAT van het basketbal? Neen. Een GOAT impliceert een totaalpakket. De beste in cijfers zijn volstaat niet om de grootste te zijn. De grootste excelleert. Of zoals NBA-baas David Stern ooit sprak toen hij Jordan weer eens een prijs overhandigde: “You are the standard by which excellence is measured.”

Wie is de Vitruvius van zijn sport, dat is de inzet van deze discussie. Op de keper beschouwd lijkt die vraag absurd. Omdat, zo wil de boutade, generaties niet te vergelijken zijn. Natuurlijk zijn die te vergelijken. In elke sport die niet leed onder systematisch bedrog (doping in wielrennen en atletiek, technologie in zwemmen) verbeteren de prestaties lineair en worden atleten steeds sterker.

Het lijdt geen twijfel dat de Jordan van 1998 het een kwarteeuw later bijzonder zwaar zou hebben in het veel fysiekere basketbal, ook al zijn de huidige verdedigingsregels in zijn voordeel. Maar als Jordan 25 jaar later was geboren en dus anders was getraind, dan stond hij met datzelfde lijf en diezelfde mentale hardheid ongetwijfeld weer helemaal boven aan zijn voedselketen. Hetzelfde geldt voor Federer.

Het concept GOAT komt juist van iemand die ook niet de meest perfecte stats in zijn sport kan voorleggen. Precies dertig jaar geleden bracht Lonnie Ali, vrouw van Muhammad Ali, de intellectuele eigendomsrechten op haar man onder in de nv GOAT. Ali was de zelfverklaarde grootste bokser aller tijden, maar ook een beetje de Federer van zijn sport: niet de beste qua stats want aan het eind enkele pijnlijke afgangen gekend, maar wel door zijn collega’s beschouwd als de grootste ooit.

Volgende week speelt Federer zijn laatste wedstrijd. In de O2 Arena langs de Theems. In Londen dus, waar hij zijn recordaantal van acht Wimbledon-titels haalde. Het is te hopen dat de tegenstand hem wat laat genieten want voorlopig staat bij zijn laatst gespeelde set een 0-6-verlies, ook op Wimbledon. De Jordan van het tennis verdient een afscheid als de echte Jordan: terwijl zijn team de wedstrijd in Philadelphia kansloos verloor, was zijn laatste act een perfecte vrijworp. De hele hal, die hem jarenlang had gehaat, veerde als één man recht en gaf hem een staande ovatie.

Column Remcoooh (deel 4) in De Morgen van maandag 12 sepember 2022

Remcooooh (deel 4)

De Vuelta is de kleinste van de grote rondes. De Vuelta van 2022 was bovendien niet al te sterk bezet. Onderweg vielen nog eens een paar goede renners weg. Hijzelf bleef gespaard van groot ongeluk en van corona. Helemaal juist, maar dat maakt de rekening van Remco Evenepoel niet. Ook niet van zijn voorbeeldige ploegmaats.

Op je tweeëntwintigste een grote ronde over de streep halen, weze het een kleine grote ronde, is een hele knappe prestatie, en die is meer waard dan een bak bier in het gemeentehuis van Schepdaal. Die bak bier komt uit een interview met Johan De Muynck, 74 inmiddels, maar scherper van tong dan toen hij professioneel met de fiets reed.

De Muynck heeft recht van spreken: hij was de laatste Belgische groterondewinnaar. In 1978 won hij de Giro, in Italië, vóór de Italianen Baronchelli, Moser, Panizza en Saronni. Van die vier zouden Beppe Saronni (1979 en 1983) en Francesco Moser (1984) een Giro winnen. De Muynck zelf had al in 1976 kunnen winnen, maar verloor door een val die Giro met negentien seconden.

De Muynck gebruikte dat beeld van die bak bier op het gemeentehuis om aan te geven dat een viering op zijn plaats is, maar dat men Evenepoel na zijn winst in de Ronde van Spanje ook niet als een nieuwe wielerkoning op een piëdestal moet zetten. Dezelfde teneur las je een dag later in de Mediahuis-kranten die de laatste Belgische winnaars van de drie grote rondes samenbrachten.

Lucien Van Impe won de Tour in 1976, Freddy Maertens won een jaar later in Spanje en Johan De Muynck nog een jaar later in Italië. De sprinter Maertens won 13 van de 21 etappes en hield Miguel María Lasa en Klaus-Peter Thaler achter zich, niet bepaald wereldrenners. Van Impe klopte dan weer de latere Tour-winnaar Joop Zoetemelk en de eeuwige tweede Raymond Poulidor.

Van Impe had de beste quote: “Evenepoel is een groot renner. Afwachten of hij een hele grote wordt.” Dat weten we niet. Wat we wel weten: Evenepoel heeft dit jaar opnieuw een stap gezet in zijn ontwikkeling. Luik-Bastenaken-Luik winnen, tegen een piekend deelnemersveld, is overigens een minstens even opvallende mijlpaal als deze Vuelta tegen een half uitgewoonde tegenstand.

Dat hij de Vuelta over de streep trok, oké, maar ook de manier waarop maakte indruk. Te vroeg in het rood om comfortabel te zijn, maar nooit stress. Aangevallen en tijd gepakt. Tijdrit gewonnen met overmacht. Aangevallen geworden, beetje tijd ingeleverd, maar nooit gepanikeerd. Zich al die tijd zich keurig gedragen, geen kuren verkocht, beschikbaar voor de media.

Toen de concurrentie hem uit zijn lood probeerde te slaan won hij gewoon zelf nog een mooie rit. De laatste lastige etappe heerste hij en keek zijn laatste concurrent bij diens laatste poginkje om weg te rijden recht in de ogen. Enric Mas werd op slag menos.

Of Evenepoel een hele grote wordt, weet niemand. Ook als dit het is, en er komt niks meer, is het al erg mooi. De schavuit uit Schepdaal – jeetje, ze zijn gelukkig met die Urbanus-strips net op tijd opgehouden – is een fenomeen. Op die leeftijd, met zo weinig koersjaren zo’n palmares bij elkaar rijden, het is ongezien.

Egan Bernal was 22 jaar en 196 dagen oud toen hij de Tour won in 2019. Tadej Pogacar was net geen 22 toen hij in 2020 Primoz Roglic in de laatste klimtijdrit naar La Planche des Belles Filles uit het geel reed. Negen renners waren in hun 22ste levensjaar toen ze de Giro wonnen. Acht waren geen 23 toen ze de Tour wonnen, van wie 4 tussen de twee wereldoorlogen.

Geen enkele had het lijstje overwinningen van Evenepoel op die leeftijd, op Pogacar na misschien. Wel nog deze randbemerking meegegeven. Het is met de Vuelta winnen een beetje zoals met de beurs: in het verleden behaalde resultaten zijn geen garantie voor de toekomst. Slechts vier Vuelta-winnaars van de laatste dertig jaar wonnen ook een andere grote ronde. Pogacar en Bernal begonnen hun groterondepalmares met de echte Tour.

Dat het uniek is, een Belg die in 44 jaar voor het eerst weer een grote ronde wint? Het is uniek omdat het ridicuul is. Dit wielerwalhalla waande zich een grote wielernatie met vooral winst in eendagswedstrijden, de meeste dicht bij de deur en op kasseien, maar een beetje normaal sportland had zich moeten hullen in schaamte.

Een beetje normaal sportland zou ook deze overwinning van Evenepoel naar waarde schatten. Dat betekent níét minimaliseren, maar evengoed níét overdrijven. Wij zijn geen normaal sportland en daarom moeten we nu met zijn allen mee in de rooie polonaise. Dat Eddy Evenepoel voorlopig niet in België landt en meteen doorreist naar dat gedevalueerde WK, noemt het gerust een godsgeschenk.

Column Kilowattuurslurpers in De Morgen van zaterdag 10 september 2022

Kilowattuurslurpers

Ooit was L’Équipe een supergoede sportkrant, de beste van de wereld. Toen ze met een dalend lezerspubliek te maken kregen, hebben ze het geweer van schouder veranderd, zeg maar de tering naar de nering gezet. Dat ging erg simpel: geen tering meer, alleen nog hoera-nieuws, de Sporza-formule als het ware.

Het gevolg is dat L’Équipe nog steeds de meest complete sportkrant van de wereld is, maar bij tijd en wijle meesurft op een (tricolore) hype en onveranderlijk zwaar chauvinistisch wordt als een Frans staatsburger in de buurt komt van medailles. In geval van podia zijn het kot en de gazet te klein.

Zo is L’Équipe met de tijd het fanzine geworden van PSG, Paris Saint-Germain, de voetbalclub van MNM, Messi-Neymar-Mbappé. Elke bericht groot of klein over PSG wordt met het nodige tromgeroffel geschreven en voorzien van ronkende titels. Groot was dus de verbazing toen woensdag ineens twee volle pagina’s werden gewijd aan wat inmiddels in de Franse media een eigen leven is gaan leiden als char à voile gate of het zeilwagenschandaal.

We praten u even bij. Vorig weekend vloog PSG met de privéjet van de club naar Nantes, een kleine vierhonderd kilometer van Parijs. Een directeur van de TGV-Intercités had middels een tweet gesuggereerd dat het ook per trein zou kunnen, veel minder verspilling van energie, veel minder vervuilend en amper twee uur kwijt. Een privéwagon en zo, dat was allemaal mogelijk. Twee ook.

Op de persconferentie voorafgaand aan de wedstrijd tegen Juventus deze week kreeg PSG-trainer Christophe Galtier daarover een vraag. Hij dacht even na en sprak toen de inmiddels legendarische woorden: “We hebben bekeken met onze transportmaatschappij of we voortaan kunnen reizen per zeilwagen.”

Kylian Mbappé, die naast hem zat, bescheurde het. De sociale media niet. De politiek ook niet. De repliek van Galtier was even gevat als dom en wereldvreemd, vintage voetbal. Media die zich doorgaans beperken tot een kort verslag en de uitslag ontfermden zich nu over de zaak: als elke burger in dit land moet besparen op energie, waarom het voetbal niet?

Dat is een terechte vraag. Het is niet duidelijk of de burger, laat staan de voetbalfan die niet verder kijkt dan de uitslag van zijn favoriete club, wel beseft welke uitzonderingspositie deze sport zich toe-eigent. Neem nu de voorbije droge periode. Oké, er was geen sproeiverbod voor tuinen, maar boeren moesten zich wel aan allerlei regels onderwerpen. Voetbalclubs niet. Er zijn voorbeelden van clubs die in de ook al zo droge jaren 2019 en 2020, toen er wel een sproeiverbod gold, vrolijk leidingwater sproeiden op hun velden. Onder het motto: de velden moeten worden gesproeid, dat verhindert blessures en de bal gaat sneller rond. Is water duur? Wij hebben geld genoeg.

Deze zomer, toen er een oppompverbod was uitgevaardigd voor niet-bevaarbare waterlopen, is minstens één club betrapt bij het oppompen van water uit een beek naast haar oefencentrum. Sproeien is een obsessie, bij voorkeur voor elke wedstrijd/training, maar een beetje club heeft daarvoor een circulaire regenwaterinstallatie. Als die te klein en dus snel leeg is, gaat de stadskraan open.

Nu is het beginnen te regenen en is die zorg weer van de baan, maar straks wordt het ook weer donkerder en wordt de obsessie om het groene gras nog acuter. Werkt de drainage wel, groeit het gras nog? Gras hoort niet te groeien in de winter, althans niet waar wij wonen, maar wel in een voetbalstadion. Dus staan er hele batterijen lichten op het gras, in de donkerste weken branden die zelfs 24 uur aan een stuk. Dat zijn voor alle duidelijkheid geen ledlichten maar kilowattuurslurpende geel-oranje monsters die de grassprieten moeten wijsmaken dat de zon schijnt.

Omdat lampen alleen vaak geen soelaas bieden wordt ook nog eens de veldverwarming aangezet. Die was origineel bedoeld om eventuele sneeuw en ijs te laten smelten, maar in nogal wat (rijke) clubs staat die in de wintermaanden volle bak te draaien, dag en nacht. Weerom: de grassprieten moeten denken dat het lente is.

Kunstgras zou alvast veel van voorgaande systeemfouten oplossen, maar daar wil het archaïsche voetbal niet aan. Als het op echt gras moet, dan is er maar één oplossing om deze energieverslindende waanzin te stoppen: van voetbal een zomersport maken. Als ze straks kunnen voetballen in Qatar bij vijftig graden moet dat bij ons ook bij die occasionele dertig lukken. Dat is alvast een pak gezelliger. Ook minder energieverslindend, want als het erg koud is gaan in de modernste stadions boven de duurste plaatsen en op de terrassen van de skyboxen de branders aan, kwestie van de vips niet te laten bibberen.

Column Terreur bij de Spelen in De Morgen van maandag 5 september 2022

Terreur bij de Spelen

Vandaag exact vijftig jaar geleden verloor de olympische topsport zijn onschuld. Althans in de maatschappelijke betekenis: als een vreugdevol feest van volkeren en atleten. Afgelopen zomer hielden een aantal bonden in het Olympiapark van München hun Europese kampioenschappen. Dat was geen toeval, maar veel ruchtbaarheid is toen aan die verjaardag internationaal niet gegeven.

München 1972 is dan ook de geschiedenis ingegaan als de Olympische Spelen van de brutale aanslag van Zwarte September op de Israëlische delegatie. Zestien doden vielen er in die 23 dramatische uren: elf gijzelaars en vijf gijzelnemers.

De stad München is begrijpelijkerwijs nog steeds trots op die zestien dagen van sportieve glorie tussen de openingscermonie op 26 augustus en de sluiting op 11 september. Je kan er nog steeds de Olympia-toren bezoeken, een naald van 291 meter hoog, die de hoogste van de beide Duitslanden moest worden.

Dat was buiten de DDR gerekend. Toen Oost-Duitsers, behorend tot de Russische invloedssfeer, lucht kregen van de West-Duitse plannen, planden ze voor hun in aanbouw zijnde tv-toren in Oost-Berlijn een extra hoge pin waardoor die bij 368 meter uitkwam. De DDR-equipe die naar München afreisde werd daarop gewezen door de begeleiders – lees het Stasi-personeel: wij hebben de grootste.

De toren in München bezoeken kost 16,5 euro. Wie gewoon door het oude Olympia-dorp wil wandelen is 17,5 euro kwijt. Hoogtepunt – dieptepunt zo u wil – daarbij is het bezoek aan Connolystrasse 31, waar deze ochtend rond vijf uur vijftig jaar geleden acht Palestijnse terroristen van de Zwarte September de Israëlische appartementen binnenvielen en elf Joodse atleten gijzelden.

Als u meer wil weten over wat daar is gebeurd, kunnen we u niet verwijzen naar VRT Max of Streamz of welke al of niet betalende terugkijkdienst van de Belgische stations. NPO is waar u moet zijn als u zich een geweten wil laten schoppen door de verbluffend uitstekende vierdelige docu Terror at the Games: Munich ’72.

Countdown, Endgame, Terror en Wrath, zo heten de vier afleveringen. Als de terugkijk-tv niet meer lukt, surf dan naar VPRO, dat betrokken was bij het maken van de docu. Maar leg eerst een VPN, anders vangt u vanuit België bot.

Het regende de laatste maanden docu’s over dat dramatische etmaal in en rond München met die dodelijke afloop op de militaire vliegbasis van Fürstenfeldbrück, maar deze serie is wel heel bijzonder en gedetailleerd. Om het even in te korten: meteen na de gijzeling schoten de Palestijnen twee atleten dood die zich verzetten. De andere negen atleten stierven in een desastreus verlopen ‘endgame’ waarbij een terrorist onder meer een handgranaat in de helikopter met de atleten liet ontploffen. De rest moet u zelf ontdekken. Wat daarna gebeurde is minstens even spannend als de gijzeling zelf.

Het unieke van deze docuserie zit hem in de research. Alle mogelijke overlevenden en naasten van overledenen komen aan bod en vertellen hun verhaal. Ook de politici die toen aan de macht waren of later aan de macht zouden komen, zijn gaan zitten met de makers. Zo is de latere Israëlische premier Ehud Barak te zien die monkelend vertelt hoe hij als baas van een speciale missie en zelf verkleed als vrouw, het commando leidde dat in 1973 in Beiroet drie PLO-leiders ging vermoorden. Ten zien in deel vier, Wrath. Wraak dus.

Dat is nog het meest opvallende aan de hele docu: de nauwgezetheid waarmee de ooggetuigen vertellen over wat ze hebben gezien of hebben gedaan. Afgezien van enkele familieleden en vrienden van overleden atleten en trainers valt bijna geen emotie te bekennen bij de geïnterviewden.

De meest opvallende getuigenissen komen van de twee Palestijnse gijzelnemers die nog in leven zijn. Mohammed Safady – Tarzan als bijnaam – beweert dat hij de gijzelaars in de heli heeft doodgeschoten en spijt is hem totaal vreemd. De andere is een toevalstreffer, want tot voor kort nam men aan dat alleen Safady nog in leven was.

Nummer twee – bijnaam Samer – wilde niet met zijn echte naam en gezicht in beeld, bang voor de eeuwigdurende wraak van de Mossad en aanverwanten. Safady verkeert niet meer in een al te beste staat en die kon het geen barst schelen: naam, toenaam, gezicht, alles mocht van hem. Meer zelfs, hij onderhandelde een fee voor exclusiviteit van zijn getuigenis tot 26 augustus. Benieuwd of die opgestoken vinger richting Tel Aviv nog een staartje krijgt.

Lucio Mollica en Bence Máté heten de makers van dit Oscar-materiaal.

Column over RVT Jupiler Pro League in De Morgen van zaterdag 3 september 2022

Rusthuis Jupiler Pro League

Gisteren in de krant, na de thuisnederlaag van Anderlecht tegen Gent: zelfs als de ploeg het laat afweten, blijft Zeno Debast, 18 nog maar, overeind. “Ik probeer gewoon elke match mijn best te doen. We hebben zes goede opties achterin. Elk van hen is in staat om er te spelen.”

Waarna de krant hem voor de voeten gooit dat er straks met Jan Vertonghen een brok kwaliteit en ervaring bij komt. Voetballers, hypocrieter vind je ze niet in de sport. Debast gaat in safe modus. “Een geweldige aanwinst voor Anderlecht, ik ben blij. Ik kijk er nu al naar uit om dagelijks met hem te werken. Jan kan deze groep, en vooral de jongeren, enorm veel bijbrengen met zijn ervaring.”

Tot zover de bullshit.

Zo ging het echt. “Wablief, Vertonghen. Diene ouwe pee? Zijn ze nu helemaal zot geworden daarboven? Het loopt nu zo goed in onze verdediging en ik maak zelfs een kans om mee te gaan naar de World Cup als ik veel kan spelen.

“Doen wij het dan zo slecht? Kijk hier, vijf tegendoelpunten in zes wedstrijden. Het minste van de hele 1A, samen met Antwerp, en die staan daarmee aan de leiding. Nu gaan ze ons een beetje door elkaar klutsen, terwijl ons probleem het middenveld en de aanval is. Die houden geen bal vast of geraken niet tot in de backlijn.”

Voor alle duidelijkheid en speciaal voor de generatie millennials en jonger en uiteraard desgevallend ook voor bestuur en management die met elkaar gemeen hebben dat ze soms moeite hebben om ironie van realiteit te onderscheiden: de Debast-quotes zijn verzonnen. Bovenstaande is alvast een weinig risicovolle gok. En de logica zelf als er ook maar een beetje topsporthart in Debast zit.

Ik ben opgegroeid in de jaren zeventig toen elke Belgische eersteklasser er een erezaak van maakte om uit te pakken met een versleten grootheid, bij voorkeur een buitenlander. De opvallendste naam heb ik altijd Josef Masopust gevonden. Zes jaar nadat hij de finale speelde van de World Cup 1962 in Chili en de openingstreffer scoorde tegen Brazilië, en in datzelfde jaar de Gouden Bal als Europees voetballer van het jaar kreeg, belandde die zowaar bij Crossing Molenbeek, later Schaarbeek.

Dat was augustus 1968. Kolonel Masopust van legerploeg Dukla Praag was toen al 37 en tot op de draad versleten. Al bij al een goede move van Josef, want hij zat net veilig en wel in Brussel toen de Russen een einde maakten aan de Praagse Lente. Voor de TikTokkers: even opzoeken wat dat precies was. Een tip: een soort mini-Oekraïne.

Om een lang verhaal wat in te korten: die grootheden bakten er doorgaans niks van. Onze eersteklassers veranderden gaandeweg het geweer van schouder en de Belgische eerste klasse werd vanaf eind vorige eeuw een opleidingscompetitie. De Belgische jeugdwerking leverde mooie voetballers af en de slinger ging helemaal de andere kant op. Een aantal van onze betere jeugd vertrok zelfs naar het buitenland zonder ooit een wedstrijd te hebben gespeeld in de eerste klasse.

De bekendste zijn Thomas Vermaelen, Toby Alderweireld, Jan Vertonghen en Radja Nainggolan, die recht vanuit de jeugd van Beerschot door het buitenland werden weggehaald. De eerste drie aanvankelijk naar Ajax, om van daaruit aan hun omzwervingen te beginnen, de woelrat van Sint-Anneke naar Piacenza, waarna die ook aan zijn Italiaanse omzwerving begon.

Anno 2022 heeft het rust- en verzorgingstehuis Jupiler Pro League een nieuwe vleugel geopend: alle internationals van de gouden generatie die menen nog aanspraak te kunnen maken op een plekje in de selectie voor de aanstaande World Cup zijn welkom.
Ze krijgen goed te eten, worden goed verzorgd, krijgen een dik pensioen en worden – het allerbelangrijkste – geregeld opgesteld in wedstrijden die er toe doen en dat onder alziend oog van de bondscoach.

Vincent Kompany was de eerste, in 2019 al. Hij was nog maar 33 toen hij – ook op de draad versleten – terugkeerde naar Anderlecht. Het bleek geen succes. Simon Mignolet (31) wel. Bij Club Brugge. Vermaelen keerde ook terug, ook versleten, maar dat was niet erg want hij werd assistent-bondscoach. Vorig jaar was het dan de beurt aan Radja Nainggolan. Die is maar half versleten, heeft dit jaar het geluk dat hij geen Europese midweek moet spelen en heeft geen ambitie meer als international.

Dat ligt anders voor Toby Alderweireld en Jan Vertonghen, die ook een veilig en goedbetaald onderdak in België zochten en vonden in de hoop op speeltijd en een Qatar-selectie. Met die oude mannen kan het vriezen en kan het dooien straks op die bloedhete World Cup, maar als ik van de bondscoach was, ik timmerde alvast naarstig aan een jonge flukse verdediging.

Column Remcooooh (derde keer) in De Morgen van maandag 29 augustus 2022

Remcoooh (derde keer)

Ik ben blij dat ik het heb gezegd, vandaag precies twee weken geleden in De tribune op Radio 1. De andere gast, José De Cauwer, bekender en (nog) meer begaan met zijn reputatie op planeet Koers, hield nog een slag om de arm, maar ik floepte het er aan het eind toch maar gewoon uit: ooit wint Remco Evenepoel een grote ronde. Is het nu niet, dan over tien jaar als hij 32 is.

In de rechtstreekse op de VRT is die slag om de arm van De Cauwer niet langer te merken, maar van een groterondewinst en een favorietenrol voor Evenepoel wil hij niet weten. Het begon afgelopen donderdag naar de Pico del Jano met: waar zitten we hier naar te kijken? Zaterdag, weer bergop en nog steiler dan donderdag, op de Colláu Funcuaya, luidde het al: we kijken naar iets moois, en het zou weleens iets héél moois kunnen worden.

Gisteren volgde dan een belachelijke etappe waar de Spanjaarden (en ook soms Italianen) een patent op hebben: aankomst op Les Praeres de Nava, een lange muur met percentages tot 24 procent. Evenepoel won niet, maar heerste.

De ‘derde keer’ boven deze column slaat niet op het aantal grote rondes dat Evenepoel heeft gereden want dat zijn er maar twee en daarvan heeft hij er vooralsnog geen enkele uitgereden, maar om het met José te zeggen: het zou weleens kunnen dat we naar iets heel moois zitten te kijken. Remcoooh is de derde keer dat een column op deze plek met die titel begint.

Dik een jaar geleden, mei 2021, kreeg ik telefoon vanuit de ploeg. “Wat heb je nu geschreven? Ook de pedalen kwijt? Remco favoriet voor de Giro? Komaan, die jongen heeft nog nooit een serieuze bergrit gereden. Als hij het einde van die Giro haalt, zal ik best tevreden zijn.”

De wijze, inmiddels grijze man kreeg gelijk: Evenepoel was kansloos, reed de Giro niet eens uit. De ploeg had zich vergaloppeerd, de familie had zich vergaloppeerd, Remco zelf had zich vergaloppeerd en de media uiteraard ook. In die volgorde. Er volgde een kater en de conclusie: te oud voor de poppen, te jong voor de liefde.

Misschien zou hij wel nooit een grote ronde winnen, maar was dat dan zo erg? Inmiddels prijken tal van kleine rondes op zijn palmares en drie klassiekers (twee keer San Sebastián en het monument aller monumenten, Luik-Bastenaken-Luik). In het wielrennen geldt evenwel een wet: wie in Luik kan winnen, kan in een grote ronde uitblinken. De hoop bleef.

Inmiddels had zijn ploeg een andere scenario voor hem uitgestippeld: niet de Giro, niet de Tour, maar de Vuelta. In Spanje, aan het eind van het seizoen als alle ronderenners een beetje op hun tandvlees zitten, zou hij het nog eens proberen en zou hij een ploeg rond zich krijgen die hem tot de laatste klim kan dragen.

Een nieuwe domper op de vreugde volgde in de Ronde van Zwitserland: Remco kon niet volgen. Maar zie, aan het eind gloorde toch nog licht: hij won de tijdrit, weliswaar met amper drie seconden op eindwinnaar Geraint Thomas die aan het eind van die tijdrit op safe speelde.

De analisten hadden hun oordeel klaar. “Evenepoel gaat een fantastische carrière uitbouwen, hij wordt hopelijk nog een keer wereldkampioen en olympisch kampioen tijdrijden. Maar de Tour de France en de Ronde van Italië gaat hij nooit winnen.”Evenepoel zal altijd tweede, vierde, vijfde worden. Het zal altijd iets zijn. Evenepoel is jong, of hij heeft een slechte dag. Hij zal een keer op een kwartier, twintig minuten worden gereden. Er zal altijd iemand beter zijn dan hij.”

Was getekend Eddy Planckaert.

Eén voor één is Evenpoel in deze Ronde van Spanje – oké, tegen een aantal collega’s die niet in topvorm verkeren, maar dat is zijn schuld niet – twijfels aan het wegnemen. Kan hij recupereren? Ja. Er is geen reden om aan te nemen dat dit na deze week spectaculair anders zou gaan. Hij zit nog zo fris als een hoentje.

Kan hij steile hellingen aan? Ja. Is hij explosief genoeg om demarrages te beantwoorden? Ja. Kunnen hij en zijn ploeg het gewicht dragen? Voorlopig wel. Kan hij nog zo goed tijdrijden als voorheen? Dat zal dinsdag blijken, maar wie kan hem kloppen?

Zal hij nog een slechte dag hebben? Iedereen heeft weleens een slechte dag in een grote ronde, het komt er alleen op aan het niet te laten zien en de anderen, die ook dag na dag minder worden, geen hoop te geven. Tot nog toe was de wielrenner Remco Evenepoel een open boek: ging het hem af, hij straalde. Was het zwaar, vreesde hij de tegenstand, werd hij een hoopje ellende. Daar is ook aan gewerkt.

Een voorspelling: op 11 september 2022 heeft dit land, 44 jaar na Johan De Muynck in de Giro van 1978, eindelijk weer een groterondewinnaar.