Column over Wielerjaar 2020 (en Thomas De Gendt) in De Morgen van maandag 9 november 2020

Wat een mooi wielerjaar

Eind vorige week lag een dik boek in de brievenbus. Ik had het al per pdf gekregen, maar pdf’s halen de sfeer uit verhalende boeken, lezen bovendien lastig op de iPad en alle beloftes ten spijt was ik er nog niet aan toegekomen. Dit weekend, met een half oog op de Vuelta en anderhalf op de stemmentelling in Pennsylvania, ben ik beginnen te lezen in de papieren Solo, het boek over en met Thomas De Gendt.

De auteur is Jonas Heyerick, een van de bezielers van het onvolprezen tijdschrift Bahamontes en de initiatiefnemer achter de Groote Sluitingsprijs, nu al twee jaar op rij een groot succes in de mooiste kleine schouwburg van de wereld, de Gentse Minard. Jammer genoeg viel de derde editie in het water en dus heeft Jonas maar een boek geschreven over Thomas De Gendt.

Zo ging het helemaal niet: hier is het eeuwige verschil tussen correlatie en oorzaak/ gevolg in het spel. Heyerick was een beetje tot zijn eigen verbazing gevraagd door De Gendt om zijn carrière te boek te stellen. Het resultaat is een chronologische opsomming van jaar na jaar na jaar, van ontsnapping naar ontsnapping, of poging daartoe, van miniconflict naar miniconflict, van ergernis naar blijdschap, van euforie naar depressie en terug naar euforie, van verlies naar winst, vintage Thomas De Gendt.

Solo biedt een mooie inkijk in het hoofd van een al bij al mysterieuze atleet die door de ene helft van het peloton ooit weleens is uitgelachen (en enkele uren en kilometers verder bewonderd) en door de andere helft van het peloton wordt gevreesd. Ik ben één keer, in de lente van 2018, bij hem aan huis geweest voor een gesprek. Het werd een interessant gesprek, maar hij antwoordde keurig monotoon en keek mij nooit aan. Ik dacht: die moet mij niet. Dat overkomt mij wel meer en ik heb daar leren mee leven, maar tegelijk groef ik in mijn herinneringen naar momenten waarop ik op deze plek Thomas De Gendt onder de zoden had gestopt.

Niets schoot mij te binnen. Oké, iets spottends over de Belgen in de Tour had hij zich kunnen aantrekken (als hij het al had gelezen) maar ik heb zelf genoeg kilometers met de fiets, alleen en met zere benen, om geen respect te betonen voor wat deze moedige aanvaller al die kilometers vooraan moet verduren.

Omdat ik een boek altijd helemaal lees tot de allerlaatste bladzijden – desnoods sla ik passages die ik (her)ken over – ben ik toch een beetje wijzer geworden. De Gendt doet op de allerlaatste pagina’s aan zelfanalyse: ik ben een autist, contactarm, kan niemand aankijken die ik niet ken, ik kan een Rubik-kubus oplossen in dertig seconden, dat vat het zo ongeveer samen. Hij heeft tientallen algoritmes met draaibewegingen in zijn hoofd geperst, maar basic Frans erbij proppen lukt hem niet. Als iemand Frans tegen hem spreekt, snapt hij hem nog steeds niet, wel wat raar voor iemand die zo vaak alleen op pad is in Frankrijk. Solo door Thomas De Gendt heeft mij gerustgesteld, die ene keer lag het niet aan mij.

Dat het levensverhaal van een vreemde renner verschijnt aan het einde van dat vreemde wielerjaar kan geen toeval zijn. 2020 is zelfs met afstand – de oorlogsjaren niet meegerekend – het vreemdste wielerjaar ooit. Dat het buiten alle verwachtingen ook een mooi wielerjaar werd, is de verdienste van de renners. Geen beroepsgroep in de sport schept zoveel plezier in het uitoefenen van haar vak dat in zijn ruwe essentie teruggaat op het verdragen van pijn.

Professor Daam Van Reeth wees op Twitter op het unieke van het wielerjaar 2020: voor het eerst in de geschiedenis is het tijdsverschil tussen de winnaar en de tweede in de drie grote rondes minder dan een minuut. Het was 59 seconden in de Tour, beslist op de voorlaatste dag; 39 seconden in de Giro, beslist op de laatste dag; en 24 seconden in de Vuelta, beslist op de voorlaatste dag.

Zaterdag was ik bij de laatste pagina’s van Solo aanbeland toen de allerlaatste klim van de Vuelta werd aangevat. De Vuelta wordt normaal gereden onder een loden, late zomerzon, maar nu, in covidjaar 2020, dat beeld van die late herfstzon op die klimmende, haast kruipende renners, als ware het een zomeravondetappe, hoe surreëel.

Richard Carapaz als tweede in de stand zien demarreren op drie kilometer van de allerlaatste aankomst op een col, in de hoop nog driekwart minuut goed te maken op de eerste, Primoz Roglic. Waarna die er al zijn verbetenheid tegenaan gooit en erin slaagt het verlies binnen de perken te houden, dit was weer topsport van de bovenste plank. En dan na de streep, de wederzijdse gelukwensen, later gevolgd door een hoffelijke tweet van de verliezer. Wat een mooi wielerjaar. Tot over 110 dagen voor de Omloop.

Verhaal over de schoenen van Neymar, Ronaldo, Messi en Lukaku in De Morgen van zaterdag 7 nov 2020

Miljoenenspel om de schoenen van de sterren

De drie tenoren van het wereldvoetbal – Messi, Ronaldo en Neymar – spelen voor het eerst op verschillende schoenenmerken. In volle covid-ellende tekende Neymar bij Puma een vorstelijke deal. Zijn taak? Zwarte voetbalschoenen weer hot maken.

De ene is al 35, de andere 33, en zowel Cristiano Ronaldo als Lionel Messi hebben een contract voor het leven bij respectievelijk Nike en Adidas, dus lag de keuze voor de hand. Met het ene oog op de tussentijdse, niet al te fraaie verkoopcijfers – ruim min vijf procent voor de eerste negen maanden – en het andere op de strategische opties, waagde het Noors-Duits-Franse topmanagement van Puma de sprong in het diepe: ‘Let’s go for Neymar.’ Zo is het afgelopen zomer gegaan in het idyllische Herzogenaurach, waar Puma (en ook Adidas) de hoofdzetel heeft.

Braziliës voetballer nummer één zat evenwel bij Nike en had daar een lopend contract. Het zou dus een cent, en meer dan één, kosten om hem los te weken. Begin september waren ze eruit. Het resultaat: de grootste schoenendeal in de geschiedenis van het voetbal.

Niet in de sport. Met zijn 25 miljoen euro staat Neymar op drie, ruim boven NBA-ster Kevin Durant (22 miljoen bij Nike), maar een eindje onder die andere basketbalspeler, LeBron James, die van alle actieve sporters de meest lucratieve deal heeft (27,2 miljoen euro, ook met Nike).

Even voor de goede orde: dat alles verzinkt in het niets bij wat Michael Jordan, die al bijna twintig jaar niet meer speelt, aan zijn schoenendeal met Nike overhoudt: 110 miljoen euro. Jordan speelt in een andere competitie. Onder de vleugels van marktleider Nike heeft hij met Air Jordan zijn eigen sub brand, zoals dat heet. Air Jordan sluit zelf sponsorcontracten af en heeft bijvoorbeeld met Zion Williamson (zwarte Amerikaan) en Luka Don#i# (blanke Sloveen) dé twee supertalenten van de NBA onder contract.

Dat Neymar da Silva Santos Júnior onlangs voor Puma koos, is verwonderlijk en ook weer niet, voor wie de schoenenbusiness volgt. Hij zat sinds zijn dertiende bij Nike. In 2011 had hij nog een contract getekend tot en met 2022 voor een totale waarde van 90 miljoen euro. Daar komt voortijdig een einde aan. De klik tussen het sportmerk Nike en het voetbalmerk NJ (Neymar Júnior) was er op het laatst niet meer.

Schoen met enkelkraag

Alles begint in 2013, wanneer Nike de Mercurial Hypervenom op de markt brengt, een oranje fluo schoen waar Neymar Júnior instant verliefd op wordt. Een jaar later op de World Cup, waar hij met een rugblessure uitvalt, draagt hij de Hypervenom Golden Dreams (in het goud) en nog een jaar later de Liquid Dreams (zilver met fluo roze).

Alles oké, tot Nike besluit om de Mercurial Hypervenom 2 uit te brengen, de eerste schoen met een enkelkraag, bedoeld om meer steun te geven. Neymar krijgt het op de heupen van die kraag en speelt even met een lage voetbalschoen van Air Jordan – ook van Nike, maar niet de schoen waarvoor hij wordt betaald en reclame maakt.

Het wordt nog erger als de Hypervenom 3 op de markt komt en kenners opmerken dat Neymar op een ouder type van Nike voetbalt: de lage en goedkopere Mercurial Vapor omgebouwd tot Hypervenom. Dat is een klassieke ingreep in de schoenenbusiness. Soms worden zelfs schoenen van een merk dat beter zit, vermomd als een ander merk. Vanaf dat moment zit er een serieus haar in de boter tussen de marktleider en de rijzende ster.

Nike wil hem het liefst op de Mercurial Superfly zien. Inmiddels is dat ook de schoen van de oude meester Cristiano Ronaldo, en van de jonge rijzende sterren Kylian Mbappé (PSG) en Jadon Sancho (Borussia Dortmund). Waarop Nike toch overstag gaat en speciaal voor Neymar de blauwe Vapor Written in the Stars op de markt brengt.

Inmiddels zijn we beland bij het WK van 2018, niet zijn beste toernooi. Neymar komt in Rusland alleen in het nieuws met aanstellerij en schwalbes, niet met zijn speciaal ontworpen gele Mercurial Vapor Meu Jogo’s. Mbappé, van zijn kant, wordt wereldkampioen. Toch werkt Nike zich uit de naad voor zijn Braziliaanse prima donna.

Er komen verschillende nieuwe types schoenen op de markt, elk seizoen minstens een, gewoon omdat Neymar midden in het seizoen van persoonlijk logo verandert.

Conclusie: hoewel Nike voor hem pas de nieuwe Phantom GT’s had ontwikkeld – hij was er al mee gespot op training – waren ze in Beaverton niet allemaal rouwig toen ze hoorden dat hij een vrijage met Puma was begonnen.

Die flirt eindigde in september in een relatie, puur en simpel omdat Neymar geen zin had om nog langer tweede of derde viool te spelen bij Nike, niet achter Ronaldo en al helemaal niet achter zijn eigen PSG-ploegmaat Mbappé. Vandaar, zullen de aandachtige lezers opmerken, de geruchten afgelopen zomer dat hij zou terugkeren naar FC Barcelona. Inderdaad, dat speelde mee, maar bij Barça zat toevallig al die enige andere topper op Puma’s, Antoine Griezmann, en hij wil als enige in een topteam hét Puma-billboard zijn.

Toegegeven, het nieuwe Neymar Junior logo made by Puma is alvast gestileerder dan al zijn voorgaande logo’s samen, en zeker dat laatste bij Nike, dat hij overigens zelf door een homie van hem had laten tekenen.

Of de hele Puma-Neymar-deal klopt, valt af te wachten. 25 miljoen euro per jaar is een flinke inspanning en een grote hap uit het marketingbudget van het bedrijf, ook al zag dat zijn omzet in de afgelopen tien jaar verdubbelen. Die omzet bedroeg in 2019 5,5 miljard euro. Zowel Nike als Adidas stegen over hetzelfde decennium meer dan Puma, en zij klokten vorig jaar af op respectievelijk 35,1 en 23,6 miljard euro.

Neymar, the king?

‘The King is Back’ heet de korte clip waarmee Puma en Neymar hun huwelijk aan de wereld kenbaar maakten. Die is grotendeels opgenomen bij Neymar thuis omdat hij lange tijd in quarantaine moest blijven in Brazilië. Gelukkig vonden ze met het thema ‘The King is Back’ een uitweg en zo krijg je van in het begin beelden van andere Puma-grootheden als Pelé, Cruijff, Eusebio en Maradona, niet toevallig ook Puma-legendes.

Neymar hangt in een zetel en vertelt, in het Portugees: “Dit wordt mijn Puma-verhaal. Ik ben opgegroeid kijkend naar video’s van voetballegendes. Zij waren de koningen van het veld, koningen van mijn sport. Hier heb ikzelf van gedroomd en ik wil het op mijn manier doen. Ik wil de nalatenschap van die atleten eren en terugbrengen naar het veld. De koning moet weer regeren op het veld en hele generaties inspireren net zoals ik door hen ben geïnspireerd. Dit wordt mijn Puma-story: The King is Back.”

Alleen dat laatste zinnetje is in het Engels, meteen een van zijn grootste manco’s. Gelukkig is hij onder de grote voetbalsterren geen uitzondering: die spreken allemaal steenkolenengels, op Raheem Sterling van Manchester City na.

De associatie met de grootste voetballers van de jaren 60, 70 en 80 is tricky. Neymar slaagt er voorlopig zelfs niet in om in zijn eigen ploeg de eerste viool te spelen, wat zou hij dan de King worden?

Nog een grotere gok neemt Puma met de schoenen die het via Neymar aan de wereld probeert te slijten. Nadat de grote en kleine sportmerken de hele kleurendoos hebben opgebruikt en daarna nog wat fluo en toeters en bellen hebben geprobeerd, is het voor Puma terug naar de basis. Terug naar Pelé, Cruijff en Maradona, terug naar hun schoenen in de kleur die technisch gezien geen kleur is: zwart.

De desbetreffende Puma-schoen heet de Puma King Platinum en bestaat in zwart, maar ook in wit. Alleen was de originele King Platinum – tot vorig jaar gedragen door Romelu Lukaku – geheel zwart en heeft die in de Neymar-versie een witte streep. Voetbalschoeneninfluencers – jawel, die bestaan ook – hadden al meteen door dat die versie een gepimpte oude King was. Toen ook nog eens bleek dat de Neymar-versie niet klaar was voor productie en dus niet te koop, was het duidelijk: het moet allemaal een bevlieging zijn geweest, het contract voor Neymar en hoe hij daarna in de markt is gezet.

Schoenendeals zijn soms complexe verhalen. Legendarisch bijna is de trammelant die Puma-uithangbord Johan Cruijff maakte omdat Oranje op de World Cup van 1974 met Adidas speelde. Hij weigerde met de drie strepen op zijn shirt in het veld te komen. De KNVB vond er niets beter op dan hem met het shirt nummer 14 met twee strepen in plaats van drie het veld op te sturen.

Op eieren lopen

Vandaag is dat geen item meer, omdat de speler in zijn media-uitingen zijn eigen sponsor mag gebruiken. Toch levert het nog geregeld problemen op. Recente schoenendeals omvatten de schoen, maar meestal ook kledij voor de vrije tijd. De reden is eenvoudig: niemand, behalve dan de fanatici, let op welke schoenen de speler draagt. Die zijn ook haast nooit in beeld. Een reclame-uiting van een topspeler met een schoenenmerk zal altijd ook in de kledij van dat merk zijn. Een bijkomende reden is dat sportmerken meer marge hebben op apparel, zoals kledij in het vakjargon heet, dan in de categorie shoes en dus liefst ook kledij verkopen.

De eenvoudigste setting zonder veel gedoe is die van een speler die een deal heeft met het merk x, waar ook zijn team op speelt en, als hij international is, ook zijn land. Een Duitse international van Bayern München die een deal heeft met Adidas, is goed af, want ook zijn club en de Mannschaft zitten bij Adidas. Kingsley Coman, ook van Bayern, is dan weer minder goed af en moet soms op eieren lopen om geen merk voor het hoofd te stoten. Hij voetbalt op Nike en is ook verplicht om in privésituaties Nike-kledij te dragen. In clubverband is het allemaal Adidas wat de klok slaat, behalve dan aan zijn voeten. Bij Frankrijk mag hij weer zijn vertrouwde Nikes aan.

Schoenendeals omvatten vaak veel meer dan schoenen en dat kan problemen opleveren. Zeker in het geval van Adidas willen die nog weleens meer afdekken dan alleen schoenen en vrije tijdskledij. Zonnebrillen, petten, huidverzorging… Adidas heeft het allemaal.

Dat Romelu Lukaku maar goed uitkijkt voor wie hij tekent. Hij lag tot voor deze zomer onder contract bij Puma en speelde onder meer op de King Platinum, een schoen die nooit een succes was, maar waarin Neymar verondersteld wordt verandering te brengen.

Zwart is voor doelmannen

Romelu Lukaku mag dan wel vaak doeltreffender zijn dan Neymar, als speler uit een kleine markt en spelend voor een team uit de Serie A zal hij nooit hét uithangbord zijn van een schoenenmerk. Lukaku wacht al even op een nieuwe schoenendeal maar lijkt niet gehaast. In mei werd hij voor het eerst gespot in een paar Nike Mercurial. Later ging hij terug naar zijn King Platinum van Puma, maar met de nationale ploeg trainde hij zowel op de Nike Phantom GT als de Nike Mercurial Vapor 360. Het begon bij de voetbalschoenenvolgers pas echt te duizelen toen hij op 3 september ineens in de Adidas Copa 20.1 trainde.

Als Romelu zijn merk heeft gekozen, rest hem nog de kleur. Ooit was het simpel en waren alle voetbalschoenen zwart. De eerste voetbalschoenen in een andere kleur, waren wit (technisch gezien evenmin een kleur). Alan Ball van Everton droeg als eerste witte Hummel-schoenen in de finale van de Charity Shield in 1970. Dat is te zeggen: Ball had zijn oude Adidas-schoenen wit geverfd omdat hij die gesponsorde Hummels niet lekker vond zitten. Nog iets later speelde Charlie George van Arsenal en de nationale ploeg op rode schoenen. Al van in de jaren 70 en 80 werden ook fluo-schoenen aangeboden, maar veel trainers hadden een bloedhekel aan spelers die dachten dat ze moesten opvallen met kleurtjes aan de voeten.

Toen het materiaal van de schoen niet langer exclusief bestond uit leder maar ook uit polyester en polyurethaan, was het hek van de dam en werd de hele kleurendoos geprobeerd. In Brazilië werd tijdens de World Cup geturfd: van de 352 spelers speelden er 12 op zwarte schoenen, haast allen doelmannen; 118 spelers droegen witte, 96 gele en 64 oranje schoenen.

Psychologen hebben er een onderzoeksitem van gemaakt. Zwarte schoenen staan voor bedrijfszekerheid. Wit is synoniem voor talent en klasse, niet altijd de hardste werkers. Spelers met rode schoenen zijn onstuimig, willen opvallen. De blauwgeschoende voetballer is een denker, koel en kalm aan de bal. Bij elk kleur hoort een type voetballer. Als dat allemaal klopt, wil geen enkel team nog een speler in oranje schoenen, want die is impulsief en wisselt uitzonderlijk goede momenten af met blunders.

Tegen IJsland trok Lukaku de Rode Duivels over de streep met Nike Phantom GT’s aan zijn voeten. In het wit. De theorie van de niet al te harde werker en zijn witte schoenen mag in de prullenmand.

EXTRA MATERIAAL IN DE PDF HIERONDER

Column over Pieter Timmers in De Morgen van zaterdag 7 nov 2020

Een 1000cc motor in een Vespa

Gisteren heeft Pieter Timmers zijn laatste wedstrijd gezwommen. Hij deed dat in het anonieme kader van de International Swimming League in Boedapest. Daar verbleef hij zes weken aan een stuk in een soort zwembubbel, waarbij de zwemmers en zwemsters alleen mochten zwemmen, trainen, eten, slapen en hopelijk ook Netflix kijken of gamen.

Zwemmen is sowieso al de meest saaie (en ook traagste) sport die de mens beoefent, maar weken aan een stuk in quarantaine blijven om een paar baantjes boven op een zwarte lijn te zwemmen, is een psychiatrisch experiment in sadomasochisme. Wie dat er voor overheeft in zijn fin de carrière, respect.

Pieter Timmers is/was een toptalent dat veel te laat is ontdekt of niet is ontdekt door een onbestaand detectiesysteem, een model dat geen model is. (Met de nieuwe wind die door het Vlaamse zwemmen waait, komt daar hopelijk verandering in.) België heeft veel zwembaden, maar geen zwemcultuur. Vijftigmeterbaden zijn een uitzondering en vaak worden die nog eens in tweeën opgedeeld. Het grootste deel van de dag ligt het bad vol met joelende/spelende en af en toe zwemmende schoolkinderen aangevuld met drijvers (v/m/ x) die in elke vrijeslagzwemmer een aanslagpleger zien. Pieter Timmers heeft het ook meegemaakt, in Lommel: “Ik trainde zes uur. Als ik zeven uur wilde zwemmen, moest ik ’s ochtends in alle vroegte een uurtje baantjes gaan zwemmen tussen oma’s, met alle geruzie van dien.”

Wie met zes uur trainen per week finales op BK’s zwemt, denkt al snel dat dit het is. Pas op latere leeftijd toen hij in Eindhoven naast de Nederlandse toppers trainde, ging het hem dagen dat ook hij best wel hard kon zwemmen. Aan het einde van de olympiade van Londen kwam hij bij Ronald Gaastra terecht, te laat om alles er uit te halen wat er ooit heeft ingezeten. In Londen in 2012 haalde hij de halve finales en zwom hij de tweede snelste vijftig van het hele toernooi, wat wijst op inhoud en zwemtechniek.

Ooit hebben ze bij hem een maximale zuurstofopname van 83 (milliliter zuurstof per kilogram lichaamsgewicht per minuut) gemeten. Dat is een waarde waarmee je de Tour de France wint, op voorwaarde dat het energiesysteem op de juiste leeftijd met de juiste training is belast. Dat is ook een waarde waarmee je, in combinatie met zijn techniek, ook een 200 meter kan winnen.

Laat ontdekt, te weinig getraind op jonge leeftijd, aanvankelijk weinig geloof in eigen kunnen, geen goede starter, een stijve rug, geen te beste onderwaterfase en keerpunt, maar in zijn prime was Pieter Timmers misschien wel de beste pure zwemmer ter wereld.

De laatbloeier Timmers was een 1000cc motor in een Vespa-carrosserie. Talloze blessures en ziektes – klierkoorts, geklapte longen, longkramp, luchtlekken en later nog een hersenvliesontsteking – en een baby die niet graag sliep hebben hem parten gespeeld. Niks liet uitschijnen dat in Rio op de Olympische Spelen alles in die ene race – talent, vorm, een goeie baan en een beetje geluk – samen zou komen.

Is Timmers een one time wonder? De jury is het daar niet over eens. Neen, omdat hij onmiskenbaar intrinsiek talent had. Ja, omdat hij maar één keer een echte toptijd heeft gezwommen. In Rio zwom hij de race van zijn leven, in de finale nog wel, en tikte aan in 47.8. Dat was mentaal ijzersterk want er was wat heisa aan voorafgegaan toen Timmers zijn eigen kansen op een goeie tijd en daaraan verbonden finaleplaats in de halve finale van de 100 meter vrije slag liet voorgaan op de kansen van de estafetteploeg.

Zijn coach Ronald Gaastra had gezegd dat hij hem een 47.7 waard vond. Ik schreef toen in een overmoedige bui dat als Timmers 47.7 zou zwemmen, ik van Rio naar huis zou zwemmen en niet vliegen. Op een honderdste na ging het bijna mis. Of goed, want België hield er een onverwachte medaille aan over in een koningsnummer.

In Rio verkeerde hij in de vorm van zijn leven. Getuige daarvan de 48.14 in de halve finale, toen de zesde tijd. Acht honderdsten was een normale progressie op de 48.22 die hij een jaar eerder in Kazan op het WK had gezwommen. Van 48.14 naar 47.8 was dan weer een eenmalige uitschieter. Hij had dan wel het intrinsieke talent en ooit moest het er een keer uitkomen, maar een finalist die ineens 34 honderdsten van zijn persoonlijk record afknabbelt, een tijd neerzet waarmee hij op het podium belandt, en daarna zelfs niet meer in de buurt komt, is verdacht. Was Timmers een Chinees of een Rus, aldus een Nederlandse collega, we hadden hem nooit geloofd.

Hij was een Belg, gelukkig maar. Zijn zilver van Rio is het mooiste zilver uit de Belgische olympische geschiedenis.

Verhaal over een boek van een sportende filosoof in De Morgen van zaterdag 7 nov 2020

Ik beweeg, dus ik ben

Ex-atleet en ex-journalist Marc Van den Bossche (60) is als professor filosofie met een passie voor sport en bewegen een bui- tenbeentje onder zijn peers. In zijn dertiende boek, het derde over sport, pleit hij voor lichamelijkheid. ‘Wij zijn níét ons brein.’

Disclaimer: dit verhaal kwam tot stand volgens de methode-Van den Bossche: vroeg opstaan en aan het werk gaan, bij een dip niet gaan eten maar gaan sporten, daarna ben je eens zo fit en zie je klaarder dan ooit. Het was de eerste keer; hopelijk baart oefening kunst.

Marc Van den Bossche is getraind: “Thuis heb ik op de zolder wat toestellen en gewichten. Als ik daar wat op tekeerga, voel ik mij al een stuk beter en kan ik weer aan de slag. De grootste creativiteit ervaar ik door duursport. Een bruisende geest in een bruisend lichaam.”

Filosofen hebben weinig of niks met sport. Dat is de schuld van een anderzijds heel knap filosoof die zei: ‘Ik denk, dus ik ben.’ René Descartes negeerde in de zeventiende eeuw de antieke Griekse filosofen die lijfelijkheid juist wel zagen als onderdeel van de vraag naar geluk, zelfverbetering en het goede leven.

Socrates danste en wandelde, Plato worstelde en Diogenes experimenteerde met een hele resem lichaamspraktijken van blootsvoets wandelen in de sneeuw tot masturberen in het openbaar. Sören Kierkegaard, die in de eerste helft van de negentiende eeuw leefde, hield het kuiser. Hij meende dat de geest optimaal functioneert bij een wandeltempo van 4,5 kilometer per uur. Ook Friedrich Nietzsche wandelde, soms tot acht uur per dag, hoog in de bergen.

Minachting

De hedendaagse filosofen zijn hun Griekse collega’s vergeten. Van den Bossche – ooit hardloper in de letterlijke betekenis, maar nu toch vooral gedreven hobbyfietser – ziet een zeker dedain.

“Ik deed op een behoorlijk niveau aan atletiek, maar ik ben zelf ooit gestopt met competitie omdat een filosoof Sartre moest zijn: op café, met een sigaret en een whisky. Hij moest denken en het lichaam was bijkomstig. Er komt steeds meer belangstelling voor de lichamelijkheid, al is de minachting er nog. Laatst beschreef een collega-filosoof ultralopen als doen alsof de mens nog met de natuur verbonden is. Dat is mijn hele betoog: ons lichaam is de natuur die we zelf zijn – ook dat stuk dat we niet kunnen beheersen en berekenen, het wilde dier in ons.”

Van den Bossches laatste worp is een compilatie van nieuw werk en deels aangepaste oudere columns, en hij plukte ook uit eerder eigen werk. “Ik probeer op een toegankelijke manier als filosoof over sport te schrijven, al zullen kopers van mijn eerste boek Wielrennen (2005) wel hebben opgekeken bij een passage over Heidegger. In de academische wereld wordt dat soort boeken dan weer niet echt ernstig genomen.”

Sport en het goede leven is een hoogst lezenswaardige opeenvolging van hoofdstukken waarin hij de lof zingt van bewegen, sporten, trainen. Op alle mogelijke manieren en met alle technische hulpmiddelen die daarvoor te koop zijn. De auteur bezoekt zelf bijvoorbeeld geregeld een fitnessclub waar hij zijn zielsgenoten raak observeert. Bij zichzelf ontdekte hij een oude waarheid als een koe: als een lichaam beweegt, zet dat processen in gang.

“Een vroegere student van mij, een psychiater, zei me ooit dat de mens in feite een chemisch fabriekje is. Ik vond dat wat provocerend, maar eigenlijk had hij gelijk. Het goeie nieuws nu is dat wij geen willoze toeschouwers zijn van wat zich in dat chemische fabriekje afspeelt. We kunnen er zelf mee aan de slag, door een goeie lichaamszorg. Of door te sporten. Voorál door te sporten.”

Aristoteles wist al dat elke mens een eigen maat had. Dat geldt ook voor bewegen, vindt Van den Bossche. De ene mens kan heel veel beweging nodig hebben, de andere kan volstaan met wandelen of zelfs met een dagelijkse yogasessie. “Wandelen is wel het minimum. Ik denk dat het goed is om ernaar te streven de fysieke inspanning tot onderdeel te maken van het dagelijkse leven. Noem het een persoonlijke lichaamshygiëne, die meteen een andere hygiëne van de geest met zich meebrengt. Ik ben het dus fundamenteel oneens met wat Dick Swaab poneert. Wij zijn niet ons brein. Ons brein is deel van ons lichaam en wij zijn deel van een omgeving en een cultuur en alles beïnvloedt elkaar.”

Snel verslaafd

De passie van Marc Van den Bossche voor sport, die niet-sporters al snel een verslaving vinden, is hem van jongs af aan overkomen. In zijn jonge jaren was hij een redelijk begaafd afstandsloper met een voorliefde voor lang en veel trainen. Toen hij moraalwetenschappen en later filosofie studeerde aan de VUB waar hij nu lesgeeft, gaf hij de sport op. Nog later werd hij atletiekmedewerker bij deze krant en vervolgens cultuurjournalist. En toen ging het mis.

“Ik werkte veel te hard en – en ik dronk ook te veel. Op een avond ben ik met mijn auto tegen een boom gereden. Resultaat: drie weken coma en een verbrijzelde enkel, waardoor ik nooit meer heb kunnen lopen zoals daarvoor. In 2006 heb ik wel nog eens een marathon gelopen, in Kasterlee. Drie dagen lang was ik euforisch. De vierde dag viel ik in een gat. Dus ja, ik ben een mens van extremen. Ik raak makkelijk verslaafd. Tegenwoordig is dat aan bewegen.”

De premisse dat het na je zestigste allemaal snel minder wordt, aanvaardt Marc Van den Bossche niet. Hij schermt met het voorbeeld van Ed Whitlock, de Canadees die alle marathonrecords voor hoogbejaarden op zijn naam heeft staan en die in 2016 op zijn 85ste nog een marathon onder de vier uur liep. Vijf maanden later stierf hij aan de gevolgen van prostaatkanker.

“Ik ben ook een paar keer afgeschreven als sporter. De eerste keer met dat ongeval, de tweede keer toen ik spontaan twee ruggenwervels brak door osteoporose. Ik kon niet meer op een stoel zitten, maar bij een kinesitherapeut heb ik de weldaden van krachttraining ontdekt. Ik lach in mijn boek met fitnessers die zichzelf in de spiegel monsteren, maar ik merk in diezelfde spiegel dat ik rechter loop, met meer zelfvertrouwen en dat mijn spiermassa is toegenomen. Mijn geteisterde wervelkolom houdt zich nu stil tussen beter getunede rugspieren. Dat geeft een beter zelfbeeld.”

De biologie van het ouder worden wil hij niet omkeren, maar als het even kan wordt hij een Belgische Tarahumara. “Bij die indianenstam lopen negentigjarigen nog een marathon. In de bergen. Dat kan natuurlijk alleen als je je hele leven lang hebt bewogen, niet als je al die tijd op je dik gat hebt gezeten.”

Bodyshaming

Terwijl hij dat zegt, gezeten in een Brugse brasserie – de horeca was nog niet gesloten – loopt buiten een hele dikke jogger voorbij. Ons beider reactie is enerzijds bewondering, maar anderzijds verwondering.

“Ik wil niet aan bodyshaming doen en je moet altijd de context zien van hoe iemand geworden is hoe zij of hij is, maar hoe bestaat het dat je het zover laat komen? Sporten is aan zelfzorg doen, zorg dragen voor je eigen lichamelijkheid. Doelen hoeven niet. Presteren ook niet, al vind ik steeds sneller fietsen wel een prettig gevoel. Ik ben het eens met Heather Reid, die in haar boek The Philosophical Athlete schrijft: niet het presteren zelf, maar wel hoe je leeft is belangrijk.”

Enige zelfrelativering is hem niet vreemd als hij het heeft over ‘een razernij gehuld in het sociaal geaccepteerde pak van sportbeoefenaar’. Marc Van den Bossche heeft zichzelf begin dit jaar voor zijn zestigste verjaardag getrakteerd op een nieuwe fiets, een dure Canyon, afgemonteerd met het allerbeste materiaal.

“Ik fiets niet zoals mijn vrouw in een groep. Dat is mij te stresserend, altijd letten op het achterwiel vóór je. Als ik fiets, denk ik na, en dat doe ik het liefste alleen. Als mijn vastgezette enkel niet zo zou opspelen – ik kan mijn tenen niet afrollen – zou lopen mijn voorkeur genieten.

“Stel dat ik tante Kaat zou heten en goede raad mocht geven, dan was het deze: laat alle spiergroepen ruim aan het woord. Eenzijdige belasting is voor niemand goed en al zeker niet als je een jaartje ouder wordt en de gewrichten wat minder kloek worden.”

Marc Van den Bossche,
Sport en het goede leven, een kleine filosofie van de duursport,
Uitgeverij ASP, 188 p., 18,50 euro.

Column over sporters en verkiezingen VS in De Morgen van maandag 2 nov 2020

De Verdeelde Staten

Megan Rapinoe, de beste speelster van de World Cup 2019 en winnares van de Ballon d’Or, zweeft enkele dagen voor de presidentsverkiezingen in haar land tussen angst en hoop. Dat had ik vier jaar geleden al. Na vele, lange omzwervingen in de VS had ik een duidelijk beeld van wie daar allemaal in dat rare land wonen en dat zadelde mij op met het ongemakkelijk voorgevoel dat Donald Trump een goeie kans had om te winnen. Die vrees kwam uit.

Een sportreporter komt soms op plaatsen waar niet iedereen komt. Neem New York. Madison Square Garden, natuurlijk, maar ook in de South Bronx of Lower East Side of de buurt rond Meadowlands Stadium in New Jersey, begin de jaren negentig bleef je daar beter weg.

In Chicago dronk ik ’s middags hondsdure cappuccino op Magnificent Mile en ging om middernacht op de South Side in een achterafzaaltje van een gemeenschapscentrum naar de Midnight Basketbal League kijken, een competitie voor criminelen die via basketbal probeerden op het rechte pad te blijven. Of die ene keer op de West Side dat ik de school van Kevin Garnett had bezocht voor een wedstrijd en dat mijn auto niet meer startte en de straten zich opmaakten voor de traditionele friday night fight tussen twee drugsbendes. Ik kreeg een jumpstart van de lerares automechanica, gelukkig maar.

Voor Lance Armstrong was ik ooit een week op het blauwe eiland Austin in het rode Texas, maar ben daar bij een tocht op de racefiets op het platteland door een redneck van de openbare weg gereden. “You don’t pay tax, you fuckin’ liberal, get off our road.” Op Maui, Hawaï, nodigde een heel aardig en hoogopgeleid koppel mij aan hun tafel uit, stonden erop alles te betalen, waarna ik er achter kwam dat ze mij voor hun streng evangelische geloof wilden winnen.

In Miami sliep en flaneerde ik op South Beach, maar ik hing rond op Calle Ocho, bij de overwegend blanke Cubanen. Of San Antonio, waar ik de slums van latino’s wilde zien. In Arizona heb ik pick-up games gespeeld met Navajo’s die voor het leven een salaris kregen van de staat ter compensatie voor het creperen van hun voorouders, arbeiders in de open uraniummijnen. Werken, nooit van gehoord, maar de pick and roll beheersten ze als geen ander.

In Atlanta ben ik op Summerhill, palend aan het olympisch stadion, gaan ‘wandelen’ voor de repo Het andere Atlanta. Die wijk, de eerste in het zuiden van de VS waar vrije slaven zich mochten vestigen, had toen gemiddeld drie schietpartijen per dag en twee doden.

Wat een land van uitersten, de VS: de ene keer zit je op een bus in San Francisco en spreekt de vertaler van Het verdriet van België je aan want hij meende Nederlands te horen, de andere keer rij je door de akkers rond India-no-place achter Rik Smits aan, de Nederlander van de Indiana Pacers. Hij nam mij mee naar zijn favoriete diner, een achterafplek mét confederatievlag en zonder creditcards, waar zijn vrienden/bikers kwamen eten en drinken. De latere Trump-stemmers, zeg maar.

Bottomline: de Verenigde Staten van Amerika zijn al van lang vóór Trump de Verdeelde Staten. Toch heb ik er deze keer een goed oog in. Als Trump verliest – een blowout is wenselijk – zal dat in niet geringe mate te danken zijn aan de Amerikaanse sportwereld, of althans een deel ervan.

Wat Colin Kaepernick in gang heeft gezet in de NFL en wat LeBron James in de NBA, de vrouwen van de WNBA, Megan Rapinoe en collega’s in het vrouwenvoetbal hebben versterkt, dat gaat nooit meer weg. De Black Lives Matter-beweging mag zichzelf dan af en toe voorbijhollen, ze heeft alvast de Amerikaanse maatschappij veranderd net zoals de gebeurtenissen van ruim een halve eeuw geleden.

De Ali-top van Cleveland, op 9 juni 1967, toen de allergrootste sporters zoals basketbalspelers Bill Russell en Lew Alcindor (later Kareem Abdul-Jabbar) en American footballspeler Jim Brown hun steun kwamen betuigen aan dienstweigeraar Muhammad Ali, was een eerste kentering. Een jaar later werd de Republikein Richard Nixon weliswaar verkozen op het thema veiligheid, maar dat was in een ander Amerika.

Nadat LeBron James zich in 2018 voor het eerst uitsprak over Trump, maande Laura Ingraham van Fox News hem aan: “Shut up and dribble.” James antwoordde: “Ik moet haar bedanken voor dat moment, haar woorden zijn blijven hangen bij zij die nu beseffen dat ze iets meer kunnen zijn.”

Sinds de Nike-clip van september 2018 met de werkloze activist Kaepernick – doe mij een lol en bekijk hem op YouTube – weten geëngageerde sporters dat zelfs de marktleider onbevreesd achter hen staat. Dit zijn niet enkele boze zwarte oproerkraaiers, dit is a good fight, in de woorden van de deze zomer overleden MLK-medestander John Lewis.

Gesprek met Peter Croonen van de Profliga in De Morgen van zaterdag 31 oktober 2020

‘Voetbal zit in perfecte storm’

Voetballen zonder of met beperkt publiek valt financieel heel moeilijk te verteren. Een totale lockdown en geen wedstrijden is wat de clubs het meest vrezen. ‘Dat zou een catastrofe zijn’, zucht Pro League-voorzitter Peter Croonen.

Een zwaar verlieslatende en zwaar gesubsidieerde sector die zijn klanten niet kan bedienen en in het extreme geval ophoudt te produceren en te verkopen, is gedoemd om te verdwijnen. Tenzij het om voetbal gaat, in barre coronatijden onze nationale troost, zeker als de winkelketen genaamd Koers binnenkort met onbepaald verlof is.

“Ik denk dat we binnen de strenge afspraken die we hebben gemaakt niks verkeerds doen door te voetballen”, zegt Peter Croonen (51). “Met publiek leverde soms problemen op, akkoord. Zonder publiek niet en zo bieden we de mensen die aan huis gekluisterd zitten toch nog een beetje vertier. Maar of dat een oplossing is? Neen, ook dit kunnen we niet lang volhouden.”

Hoe houdt de Pro League de ballen in de lucht, in dit geval op het veld?

Peter Croonen: “Via een gedetailleerd protocol, waarbij het ministerieel besluit dat op dat moment van kracht is uitmondt in een lokaal clubprotocol, dat wordt afgetoetst met de burgemeesters, gouverneurs en de minister van Sport. De basis is natuurlijk de testing, waarbij we de regel van zeven hanteren. Bij meer dan zeven besmettingen in de kern mag de club om uitstel vragen.

“Ik vind die zeven een verstandige regel. De UEFA werkt met de regel dat je dertien spelers moet overhouden om toch te voetballen. Dat is sportief veel zwaarder om op te vangen. Wij kunnen in België nauwelijks uitstellen. Als we hele speeldagen op een ander moment moeten plannen, komen we in de problemen. Nu met die Nations League er nog eens bij wordt het echt heel moeilijk om nog een gaatje te vinden. Te veel weekends worden ingenomen door interlandverplichtingen.

“Ik maak mij wel zorgen. Er zijn nogal wat clubs die boven die zeven scoren. In tegenstelling tot de eerste golf zien we dat het virus veel meer verspreid is in de bevolking. Persoonlijk kende ik in de eerste golf nauwelijks iemand die besmet was, nu veel meer.”

Het verlies dat de profclubs lijden wordt geschat op iets tussen 100 miljoen en 150 miljoen euro. Hoe komt u aan dat bedrag?

“Dat is een extrapolatie voor twaalf covidmaanden op basis van de btw-aangiften van de vier maanden vanaf maart tot en met
juni. Dat is een inschatting van het inkomstenverlies. Vooral getroffen zijn alle toeschouwersgebonden inkomsten, zowel ticketing, abonnementen als catering op wedstrijddagen. Voor de ene club is dat meer dan voor de andere. Dat varieert van een kwart van de inkomsten voor kleinere clubs met weinig toeschouwers tot de helft voor clubs met veel business seats.”

U bent ook clubvoorzitter bij Genk, hoe zit het daar?

“Wij hebben bij Genk het grote voordeel dat we een zeer goed jaar achter de rug hebben en dat ons eigen vermogen gaat stijgen
tot boven de 75 miljoen euro. Het verlies aan inkomsten door covid voor Racing Genk alleen ramen wij dit seizoen op meer dan 10 miljoen euro. De creativiteit om dat verlies te drukken is niet oneindig. Sommige diensten draaien op een lager niveau, andere diensten hebben het drukker door dat protocol.

“Veel kosten lopen gewoon door: de groendienst, het stadiononderhoud, de salarissen… De spelers spelen hun wedstrijden en hebben recht op hun contract. In het geval dat niet wordt gespeeld, zoals vanaf maart, zou je in theorie de spelers op technische werkloosheid kunnen zetten, maar dat willen wij niet omwille van de gunstige fiscale en parafiscale regeling waar het voetbal nu al van geniet.

“Zolang we voetballen, zijn we verzekerd van tv-gelden. Niet voetballen betekent de ineenstorting van ons hele kaartenhuisje: mediarechten, commerciële inkomsten, ticketing, alles valt dan weg. Nu nog eens een paar maanden niet spelen? Ik zou niet weten hoe de clubs dat kunnen opvangen.”

Dringt zich geen automatische koppeling op van de salarismassa aan de inkomsten van een club? Met een gemiddeld salaris van 211.000 euro per jaar kan de Belgische profvoetballer inleveren.

“Die koppeling kennen wij niet. Het is iets dat we moeten bekijken voor de toekomst. We kunnen dit nu even aan, maar voor veel clubs mag dit niet veel langer duren. Ik heb gehoord hoe er is gepleit voor een totale lockdown, ook voor voetbal. Dat zouden we maximaal drie speeldagen vol kunnen houden. Duurt het langer, dan krijgen we onze competitie, die nu al later is begonnen en vroeger moet eindigen, niet rond. Minder wedstrijden betekent minder televisierechten. In het vorige tv-contract was dat niet opgenomen. In dit nieuwe contract met Eleven, dat in volle covidcrisis werd afgesloten, wel.”

De rechtenhouders van het vorige contract vragen een terugbetaling van de laatste schijf van 24 miljoen euro. Wat is de stand van zaken?

“We zijn daarover in gesprek. Veel kan ik daar niet over kwijt.”

De UEFA heeft de aanbeveling gedaan voor een compensatie van 16 procent, weet u daarvan?

(denkt na) “Sta mij toe daar niet op te antwoorden. Zoals ik al zei lopen de gesprekken en tot we eruit zijn wil ik daar in de media niks over kwijt.”

Genk doet het misschien goed en nog wel een paar andere clubs, maar geconsolideerd was de situatie van het profvoetbal zelfs zonder corona niet te best.

“Neen. We hebben vorig seizoen samen een verlies van 100 miljoen geleden. Er is in de loop van dit jaar bij onze profclubs voor meer dan 100 miljoen euro eigen vermogen geïnjecteerd om in regel te zijn met de licentievoorwaarden.”

Kijkt het Belgische profvoetbal naar de overheid voor hulp?

“Voorlopig niet. We vragen wel dat de overheid met ons meedenkt hoe we het voetbal achter gesloten deuren kunnen blijven organiseren. We denken dat we daar op een veilige manier in slagen en dat de kans op besmetting in het stadion miniem is. De fans appreciëren dat we toch voetballen, dat bewijzen de kijkcijfers.

“Als we niet meer kunnen spelen, zullen we ons moeten beraden als sector of we ons tot de overheid wenden, vrees ik, alleen al om ons in leven te houden. Ik weet dat die steun in Frankrijk en Nederland wordt besproken, maar ik besef ook dat wij in België door ons fiscaal en parafiscaal stelsel al steun genieten. Ik hoop dat het niet te lang duurt. Ik hou echt mijn hart vast. Ik wil vermijden dat we nog eens moeten aankloppen bij een Belgische overheid die het al zwaar genoeg heeft.”

Weet u van clubs, behalve Anderlecht dan, waar het water tot boven de lippen komt?

“Jazeker. Ik had het al over dat gecumuleerd verlies van 100 miljoen in een niet-coronajaar. Reken daarbij 100 tot 150 miljoen omzetverlies en de transfermarkt die in elkaar is geklapt. De cijfers kleuren bloedrood. Als er al reserves waren, hebben heel veel clubs die dit jaar opgegeten. Gelukkig zijn de eigenaars bereid om te stutten met kapitaal, maar hoelang nog en wat brengt 2021?

“Op de laatste algemene vergadering van de Pro League hebben we gestemd over een aanpassing van de financiële fair play. We staan toe dat covidgerelateerd verlies wordt gecorrigeerd en opgevangen mag worden door kapitaalverhoging, niet door kredieten. Het gaat wel degelijk om verlies uit de covidperiode 2020-2021. Verliezen uit 2019 of eerder tellen niet mee.”

De hervorming van het fiscaal en parafiscaal stelsel van sociale lasten voor profsporters ligt ook weer op tafel. Het profvoetbal zit echt in zwaar weer.

“We zitten in de perfecte storm en als we niet oppassen lijdt die tot een catastrofe. We gaan dat gesprek aan met de nieuwe regering en die hervorming staat in het regeerakkoord. Die hebben nu natuurlijk andere dingen aan hun hoofd.

“Is dat ons geluk? Dat weet ik nog niet. Dat er een correctie moet komen, dat weten we. We hopen dat die het midden houdt tussen een sociale correctie en een topsportgeoriënteerde correctie. Dat enerzijds onze sector meer bijdraagt maar we er anderzijds zorg voor dragen dat we ons voetbal niet uit de markt prijzen in de internationale context waarin wij actief zijn. Er zijn heel wat sectoren met uitzonderingen om die reden en misschien kunnen wij daar ook aanspraak op maken.”

Pleidooi vóór de VAR in De Morgen van zaterdag 31 oktober 2020

Zet de VAR maar niet buitenspel

Drie jaar na de invoering blijft de videoref kop van Jut en niet alleen in België. Daarbij wordt de essentie uit het oog verloren: er is weinig mis met meer rechtvaardigheid door middel van videobeelden, eerder met het voetbal én de reglementen.

Stel dat de VAR, de Video Assistant Referee, al vijftig jaar bestond. Rewind naar 18 november 1973. Nederland-België, minuut 89. De stand is 0-0 en als die zo blijft gaat Nederland naar de World Cup in West-Duitsland. Een ultradefensief België krijgt in die 89ste minuut een vrije trap. Paul Van Himst neemt die buitenkant voet, Jan Verheyen is door de buitenspelval gelopen en scoort. 0-1, België door? Of toch niet?

Herman Kuiphof, de legendarische NOS-commentator: “Hij keurt ‘m af. Wegens buitenspel. En dat lijkt mij ook zeer duidelijk. De scheidsrechter zal zich even vergissen zeg, dat kost je zo de World Cup.”

De scheidsrechter hééft zich vergist, maar wel ten nadele van de Rode Duivels. Niemand van de Belgen liep toen buitenspel. Stel dat de VAR vijftig jaar geleden al bestond, dan had ref Pavel Kazakov er geen vijf seconden over gedaan – de tijd nodig voor een blik op zijn ‘grensrechter’ met de vlag omhoog – maar was hij naar een scherm in het Olympisch Stadion gelopen en had na een minuut of wat palaveren het doelpunt goedgekeurd. Is dat wat critici van de VAR bedoelen met ‘de charme van het spel is weg?’, dat wedstrijden niet langer eindigen op een onrechtvaardige stand door een scheidsrechterlijke dwaling?

Of bedoelen ze dat imperfectie ook mooi kan zijn? Niet het laffe België van Raymond Goethals maar wel het frivole Nederland van Rinus Michels en Johan Cruijff ging naar de World Cup. Waar Nederland de wereld kon verbazen met avontuurlijk, innovatief voetbal. Leve geen VAR!

Autoriteit ondermijnen

Zestien sporten (zie tabel) hebben inmiddels een vorm van videoscheidsrechter geïmplementeerd. Aan de minimalistische kant
van het spectrum staat tennis, dat enkel kijkt of de bal binnen, dan wel buiten is. Daartegenover staan de Amerikaanse sporten die vaak een opeenvolging zijn van standaardsituaties en onderbrekingen. De sport met de hoogste omzet (ruim 13,5 miljard euro voor viereneenhalve maand competitie) is misschien niet toevallig de sport die eerst was met wat ze over de plas ‘instant replay’ noemen.

De NFL (American football) begon in 1986 met die technologie, hield er even mee op vanaf 1992 tot 1998 om in 1999 een nieuw verbeterd systeem in te voeren. Vorig seizoen werden 1,6 wedstrijdsituaties (plays) per wedstrijd herbekeken. In 47 procent van de plays werd de beslissing van de ref herroepen.

Dat hoge percentage (in 1999 was dat maar 29 procent) is het gevolg van het doordacht gebruik van de challenge door de coaches, die twee challenges per wedstrijdhelft hebben en eventueel een derde als de eerste correct is. Ook de scheidsrechters kunnen naar de beelden gaan kijken, maar dat gebeurt veel minder vaak. De hoofdref zal wel consequent via de geluidsinstallatie de eindbeslissing tegelijk aan het stadion en de ploegen meedelen.

In het Europese voetbal wordt niet gecommuniceerd met het publiek en mogen de challenges niet van de coaches of de spelers komen. Al te energiek vragen naar de VAR door het tekenen van een luchtschermpje, levert zelfs een gele kaart op. Het aantal keren dat de VAR kan worden geraadpleegd, of de VAR zelf aan de bel kan trekken bij de scheidsrechter op het veld, is in voetbal in theorie onbeperkt. Het is de exclusieve bevoegdheid van de voetbalscheidsrechterij om de autoriteit van de collega op het veld te ondermijnen (en omgekeerd), en dat gebeurt af en toe met veel enthousiasme.

Niet zelden ontstaat daarbij de indruk dat de video assistent referee er niet is om de scheidsrechter te helpen, maar om terecht te wijzen. En vooral, dat een VAR-beslissing ellendig lang op zich laat wachten. In de NFL met al zijn spitstechnologie gaat het evenwel niet sneller. Een gemiddelde beslissing duurde daar iets meer dan twee minuten.

Andere normen

Op de World Cup in 2012 werd gebruikgemaakt van doellijntechnologie. In de zomer van 2017, een jaar na de eerste officiële wedstrijd (Frankrijk-Italië, vriendschappelijk in juni 2016) voerde België de video assistent referee in. Zoals wel vaker in het conservatieve voetbal, kon deze innovatie op weinig bijval rekenen. De mankerende technologie – uitvallende lijnen, slecht beeldmateriaal, gebrekkige handling van de beelden – hielp ook al niet.

Wat evenmin hielp, zo bleek onmiddellijk bij de vele herhalingen van betwiste fases, was/is de gebrekkige kennis bij de fans, maar ook bij media en analisten, van de reglementen van ’s werelds eerste sport. Met de import van beelden uit buitenlandse competities verbeterde dat er niet op: in de Engelse Premier League gelden andere normen dan in de rest van Europa, in het bijzonder voor de bestraffing van overtredingen. Hoe vaak zegt de analist niet: “Ja maar, in de Premier League is dat nooit een overtreding.”

Het resultaat is verwarring: geen enkele sport laat zoveel ruimte voor geografisch gebonden interpretaties van de reglementen
als het voetbal. Enkele weken geleden trapte Everton-doelman Jordan Pickford Liverpool-verdediger Virgil van Dijk driekwart jaar werkonbekwaam. Van Dijk liep weliswaar buitenspel, maar elke VAR in de wereld had de scheidsrechter op de tegelijk onhandige en zeer brutale overtreding gewezen. Niet in Engeland. Pickford kreeg zelfs geen geel. Ook geen rood, omdat de VAR verkeerd dacht dat het buitenspel de actie had gestopt.

De Engelsen zijn erg koele minnaars van de VAR die ze vorig seizoen voor het eerst toepasten. De statistieken wijzen niet op een opvallende bevoordeling van topteams. Vorig seizoen werden in de Premier League 109 beslissingen van de scheidsrechter omgedraaid. In 27 gevallen werd een doelpunt toegekend, 56 keer werd een doelpunt afgekeurd. 22 strafschoppen werden toegekend en 7 keer werd die herroepen. De VAR heeft een negatief effect op het aantal doelpunten, maar de doelpunten werden wel afgekeurd voor een spelfout: buitenspel, hands of een overtreding die niet was opgemerkt.

De perfecte imperfectie

In elk land zijn voor- en tegenstanders van de VAR. De belangrijkste argumenten pro zijn gekend. Technologie is nu éénmaal de toekomst en de belangen zijn te groot om die niet te gebruiken. Het is een stap naar een correcter resultaat. Niemand verdient te verliezen omwille van één foute beslissing en de prijs die wordt betaald – enkele minuten dat het spel stil ligt – is een kleine vergeleken bij die van een foute uitslag. De technologie evolueert en de kwaliteit van het beeldmateriaal wordt steeds beter.

De belangrijkste kritieken op de VAR zijn ook gekend. De historische momenten van de sport worden geruïneerd omdat ze in de meeste gevallen nog eens (te) grondig worden herbekeken alvorens een oordeel wordt geveld. Sport moet niet perfect zijn: de imperfectie laat een underdog toe te winnen en fouten, ook foute beslissingen, zijn deel van het voetbalspel. En ten slotte: de VAR elimineert misschien controverses, maar creëert nieuwe.

De perfecte imperfectie, het klinkt mooi, maar het argument rammelt. Voetbal en bij uitbreiding elke spelsport drijft op pariteit en competitief evenwicht, in de hand gewerkt door onvoorspelbaarheid. Streven naar onvoorspelbare uitslagen via het gedogen van scheidsrechterlijke dwalingen, is de wereld op zijn kop.

Voetbal heeft vergeleken bij andere teamsporten één groot nadeel: het is het meest oneerlijke spel ter wereld. In geen andere sport heeft een minder goed team meer kans op winst dan in voetbal. Nergens wordt minder gescoord en zijn daardoor scheidsrechterlijke beslissingen in cruciale fases bepalend voor de uitslag. De op één na laagst scorende sport is American football, met 2,9 touchdowns en 1,7 field goals per wedstrijd/per team, zowat het viervoudige van in voetbal. Toch zweert men in de NFL sinds 1999 definitief bij monitoring van alle sleutelfases vanuit het Art McNally GameDay Central in New York.

Het paard van Troje

Voetbal is een van de zwaarste sporten om te scheidsrechteren, reglementair en fysiek. In de NFL staan zeven scheidsrechters op of naast het veld. In voetbal zijn dat er vier, voor een spel dat sneller en veel onvoorspelbaarder verloopt, op een veld dat tien meter langer is dan in American football.

Strafschopovertreding of niet of schwalbe, al dan niet buitenspel en handsbal of geen handsbal zijn de meest voorkomende situaties die moeten worden getrancheerd door de videorefs in het busje, maar waarbij de ref op het veld het laatste woord heeft. Ook dat is anders in de NFL, waar de videorefs in New York beslissen en de gestreepte hoofdscheids op het veld de finale beslissing meedeelt. Zelfs in het veldhockey beslist de videoref en niet de veldscheidsrechter.

VRT- en Play-commentator Filip Joos hield het laatst niet meer. Voor hem is de slinger doorgeslagen van niet eerlijk naar te eerlijk. Joos schreef in een column: “De VAR kadert in de robotisering van het voetbal, de ontmenselijking van de scheidsrechter. Het voetbal heeft zijn paard van Troje binnengehaald.”

Hoe standaardisering van bestraffingen en beoordelingen een vloek kan zijn en hoe een sport te eerlijk kan zijn, moet Joos ons maar eens onder vier ogen uitleggen als het coronavaccin er is. Zijn aanleiding om de VAR neer te sabelen waren discutabele handsfases die hadden geleid tot ridicule strafschoppen. De VAR is evenwel geen superintelligent wezen dat zelf beslissingen neemt. Neen, de VAR wordt bediend door mensen die The Laws of the Game uit hun hoofd (zouden moeten) kennen. Misschien ligt daar wel het kalf gebonden.

Dat reglementenhandboek voor hoe het edele spel moet worden gespeeld, wordt elk jaar geamendeerd door de International Football Association Board. Die IFAB bestaat uit vertegenwoordigers van de zogeheten home nations, de uitvinders van het voetbal: Engeland, Schotland, Wales en Noord-Ierland, die samen 50 procent van de leden leveren. De andere 50 procent leden komen van de FIFA. Vergaderingen gaan altijd door in de vier landen van het Verenigd Koninkrijk of in Zürich. Engeland roert daar de grote trom. De internationale voetbalbond is derhalve de enige wereldbond die niet volledig meester is over de eigen regels.

Die IFAB morrelde de laatste jaren regelmatig aan de regels inzake hands, waardoor geen kat er haar jongen nog in terugvindt. Of doet alsof, want hoezeer de handsregel soms tegen de geest van het spel ingaat, hij is erg eenvoudig. Als de handen/armen van de verdediger een lichaam onnatuurlijk groter maken en de bal komt er tegen, is het hands. Bij een aanvaller is het altijd hands, ook al zijn de handen naast het lichaam. Soms ontbreekt de sportieve logica: het concept onnatuurlijke positie van handen is biomechanische onzin en alvast niet door ervaringsdeskundigen uitgevonden. Dat kan veel beter.

Halve VAR per wedstrijd

De VAR de schuld geven van foute en soms archaïsche reglementen, is het kind met het badwater weggooien. In een fase van enkele weken geleden waarbij ref Nicolas Laforge de bal tegen het lichaam en de handen van Mats Rits correct als een strafschop beoordeelde, werd hij aan het twijfelen gezet door zijn assistent en riep de VAR hem ook totaal overbodig naar het scherm. Laforge bleef gelukkig bij zijn beslissing. Dat was niet de fout van de technologie, maar van de mensen op het veld en achter de schermen.

Een scheidsrechterlijke beslissing, ook na tussenkomst van de VAR, kan altijd worden bediscussieerd. Het concept ‘clear and obvious error’ – duidelijke vergissing van de ref – moet het criterium zijn om fases extra te laten beoordelen. Die beoordeling zal nooit op unanimiteit kunnen rekenen. Een aanvaller die zijn niet-steunbeen laat hangen en daarna mooi neergaat, is een twijfelgeval. Hij moet niet vallen, maar hij kan/mag vallen, want er is contact. De vraag is: wie heeft het contact geïnitieerd, is die val wel echt, enzovoort, met discussie voor gevolg.

Helemaal anders is het met buitenspel. Hoezeer daar ook op wordt getraind, het menselijk oog kan niet altijd de snijlijn tussen twee bewegende spelers én het vertrekmoment van de bal in één oogopslag beoordelen. Dat is de essentie van buitenspel en daarvoor is de VAR een schitterend hulpmiddel. In de Premier League zijn vorig seizoen per saldo 29 doelpunten minder gescoord door reviews van de VAR.

Dat de videoref zoals bij Sadio Mané van Liverpool enkele weken geleden de lijn op een verkeerd lichaamsdeel trekt, en het doelpunt onterecht afkeurt, is ook weer niet de fout van de technologie, maar van de bedieners. De VAR zou geholpen zijn bij een reglementswijziging waarbij de voeten tellen als criterium om de lijn te trekken. Wat dan weer door het ouderenparlement dat over reglementen gaat – de IFAB – moet worden verordonneerd.

Hoe erg is het nu gesteld in België met die VAR als vermeend storend element? Stephanie Forde, operations director van de Belgische profscheidsrechters: “In België valt in minder dan één op de twee wedstrijden een VAR-interventie te noteren. U vindt dat laag?
Dat getal is vrij hoog. De FIFA had aanvankelijk een interventieratio van één interventie op vier wedstrijden voor ogen. Tijdens de speeldag van 17 tot 19 oktober sprongen vooral enkele betwiste fases in Standard-Club Brugge in het oog, maar in zeven van de negen wedstrijden was helemaal geen VAR-interventie.”

De Belgische scheidsrechters presteren niet slecht. In de Premier League wordt 82 procent van de sleutelmomenten juist beoordeeld vóór VAR en 95 procent is correct na VAR. In België is dat respectievelijk 84,62 procent vóór en 98,28 procent na VAR. De kritiek dat de VAR tempo en animo uit de wedstrijd haalt, countert het professional refereeing department van de KBVB met andere cijfers.

Stephanie Forde: “Vervangingen, vrije trappen, inworpen, doeltrappen en hoekschoppen samen onderbreken de wedstrijd gemiddeld een half uur. Een gemiddelde VAR-interventie duurt net geen minuut voor een review op het veld. Moet de ref naar het scherm dan duurt het gemiddeld 1’45. De gemiddelde VAR-onderbreking per wedstrijd duurt één minuut. In die ene minuut hebben we wel 81 foute beslissingen kunnen corrigeren.”

Column over Coleman en doping in De Morgen van zaterdag 31 oktober 2020

Snelste ex-actieve mens

Het beste en belangrijkste sportnieuws van de week is wellicht aan u voorbijgegaan, maar deze rubriek is niet voor niks in het leven geroepen in pre-woke-tijden toen De Morgen nog adverteerde met ‘schopt u een geweten’. Schoppen mag niet meer, maar aan deze basisopdracht wordt op deze plek niet verzaakt.

Het beste nieuws is dat het Internationaal Olympisch Comité de sportbonden heeft gewaarschuwd dat ze niet met de e-sporten moeten aanpappen; de FIFA niet met de verzamelde idioten die professioneel FIFA 20 spelen en dat sport noemen, bijvoorbeeld. E-sport is geen sport.

Het belangrijkste nieuws was de schorsing van de snelste man op aarde. Excuus: de snelste, ex-actieve mens op aarde. Christian Coleman mag twee jaar geen wedstrijden lopen, heeft de Athletics Integrity Unit (AIU) verordonneerd. Coleman zou goud gaan winnen in Tokio, maar dat gaat voorlopig niet door. Tokio niet en Coleman ook niet, zelfs als Tokio 2020 Tokio 2021 wordt. Hij kan wel nog in beroep, maar lijkt weinig kans te maken.

De AIU stipuleerde in zijn vonnis dat het niet is bewezen dat de atleet doping heeft genomen, wel dat hij drie dopingtests heeft gemist in 2019. Technisch gezien zijn dat er vier. In de aanloop naar het WK van Doha, vorig jaar rond deze tijd, wilden ze hem al eens schorsen voor drie gemiste tests. Eén misser telde niet door een procedurefout.

Coleman werd wereldkampioen in Doha en klopte Justin Gatlin, een tweevoudige dopingovertreder. Dan zou je denken: die domoor van een Coleman zal nu toch de regels volgen? Neen. Op 9 december vorig jaar stonden de dopingcontroleurs weer voor zijn deur op het opgegeven uur dat hij thuis hoorde te zijn. Omdat die eerste twee tests nog telden, was dat de derde keer dat hij niet thuis gaf. In juni werd hij preventief geschorst en nu, bijna een jaar later, is er de uitspraak.

Is het erg dat je daarvoor bent geschorst? Ja. Is het terecht dat je daarvoor wordt geschorst? Ja. Hebben ze hem gezocht tot ze prijs hadden? Ja. Is dat een schande? Neen.

Die Coleman is een bedrieger eerste klas en nog eens een leugenaar buiten categorie. Zo beweert hij dat hij die avond kerstinkopen was gaan doen, maar dat hij dat ene uur dat hij had opgegeven toch thuis was. Hij vond toevallig nog het bonnetje van die aankopen en wist zich ook nog te herinneren dat hij Mexicaans eten was gaan afhalen en dan naar Monday Night Football had gekeken, waarna hij weer was vertrokken.

Waarom staat dat hier allemaal en welke boodschap hebben we daaraan? Omdat hij loog. Zijn hele traject die avond is onderzocht en hoewel hij de snelste actieve man op aarde was – tot dan – kon hij binnen zijn tijdsbestek onmogelijk van huis naar de shoppingplaza en terug. Bovendien bleven de controleurs een uur voor zijn deur staan.

De Belgische atletiekcoach Rudi Diels verklaarde deze week: “Het is zoals met corona, de minderheid verziekt het.” Welke minderheid? De sprint in atletiek is collectief rot. Een atletiekvolger tweette de ranglijst van de vijftig snelste tijden op de 100 meter. Tyson Gay, Yohan Blake, Asafa Powell, Nesta Carter, Steve Mullins en nu Christian Coleman: allemaal zijn ze vroeg of laat tegen de dopinglamp gelopen.

Vijfendertig tijden kunnen worden geschrapt of met een sterretje gemarkeerd. De vijftien andere snelste tijden staan op naam van Usain Bolt. Over hem doen in dat verband de gekste verhalen de ronde.

Hij heeft een aantal duidelijke dopingkenmerken, maar hij kan evengoed de natural freak zijn die geheel zuiver 9.58 heeft gelopen. (De theoretische limiet zou op 9.48 liggen.) We zullen het nooit weten, ook al omdat Jamaica in zijn tijd nog geen dopingbeleid had en dopingcontroleurs hem heel moeilijk konden traceren.

Het draagt alvast niet bij tot vertrouwen in al wie 100 meter onder de 10 seconden loopt. Een andere naam in die top vijftig is Maurice Greene, die ooit 9.80 liep en in Sydney goud won. Hij is in een dopingzaak opgedoken als aankoper van dopingproducten, maar kwam weg met de verklaring dat hij die voor anderen had gekocht en dat hij niet wist waarvoor hij had betaald.

Greene werd destijds gecoacht door John Smith, de illustere boze zwarte coach die op UCLA werkte en in 2001 daar opstapte. Hij ging in zee met Emanuel Hudson, een agent die atleten vertegenwoordigde. Hun bedrijf heet HSI, Hudson-Smith International. Hudson is 130 kilo arrogantie schoon aan de haak. Smith heeft minder kilo’s maar evenveel arrogantie. Over HSI doen al bijna een kwarteeuw dopingverhalen de ronde. Maurice Greene zit bij HSI, Christian Coleman ook.

Column Het Mysterie KAA Gent in De Morgen van maandag 26 okt 2020

Het mysterie KAA Gent

Alvast één club is min of meer opgelucht dat er weer zonder publiek wordt gevoetbald en dat is KAA Gent. Stel je voor dat het stadion vanavond ‘Thorup-Thorup-Thorup’ begint te scanderen, gevolgd door wat andere namen en ‘buiten-buiten-buiten’, neen, dat kan die club nu niet hebben.

Jess Thorup was de lieveling van het publiek, de pers, de analisten, de spelers en nog wel wat blinden en slechtzienden. Dat supporters die man in zijn korte broek die hen telkens kwam groeten, op handen droegen, tot daar aan toe, maar van analisten en media had ik iets minder scorebordjournalistiek verwacht. Na een paar maanden vroeg ik een insider: “Die Thorup, aardige man, maar kan hij er wat van?” Antwoord: hij gaat heel goed om met de spelers, maar tactisch is het een beetje “doe maar aan”.

Nog iets later – 1 mei 2019 – verloren Thorup en Gent de bekerfinale tegen KV Mechelen. Tegen een tweedeklasser die weken aan een stuk geen competitie in de benen had, die zijn spelverdeler Onur Kaya moest missen en die nota bene op achterstand kwam. Toch werd het 1-2: nul intensiteit, nul veerkracht, nul tactische aanpassing. In de daaropvolgende play-offs werd Gent ternauwernood vijfde.

In die meimaand van 2019 liggen de kiemen voor de déconfiture van vandaag. Vadis Odjidja was rond met Anderlecht, tot Vincent Kompany kwam en een stokje voor de transfer stak. Jammer voor KAA Gent. Ze liepen blind een doodlopende straat in.

Odjidja is fantastisch aan de bal, inderdaad, maar hij en niemand anders bepaalt de intensiteit en de snelheid van het spel. Bovendien een alibiverdediger en dat op een erg cruciale positie. Al te veel tegengoals vertrokken vorig seizoen over zijn kant. De laksheid van Thorup ten aanzien van Odjidja was dan weer verklaarbaar. De Deen had door dat Odjidja een deel van de club in zijn zak had, helemaal toen de controletoren hem in augustus had bevorderd: een einzelgänger als kapitein, ook dat nog. Gevolg: Odjidja deed/doet zijn goesting.

Vervolgens kwam het seizoen 2019-2020. Gent scoorde de meeste goals, maar kreeg van alle ploegen in play-off 1 – die nooit zou doorgaan – de meeste goals tegen. Het eindigde nipt tweede na twee rampzalige verlieswedstrijden waarin Thorup voetballes kreeg van Cercle en Charleroi. Vooral die laatste 1-4 was ontluisterend: Charleroi bespeelde meesterlijk efficiënt de ruimtes die Gent weggaf, maar vanaf de bank kwam geen reactie.

De coronastop had een ideaal moment kunnen zijn om Jess Thorup te bedanken en een trainer te halen zoals Hein Vanhaezebrouck destijds: een slimme Belg, mét oefenstof en tactisch gepokt en gemazeld in de Jupiler Pro League. De Europese successen verbloemden veel, maar men vergat dat die werden behaald ten koste van ploegen die nóg meer dan Gent in de knoop lagen met zichzelf. In play-off 1 was dat Gent van half maart nooit tweede geëindigd. Thorup bleef en zou vervolgens te laat worden ontslagen. Of te vroeg, na twee speeldagen, dat was communicatief onverdedigbaar.

Door corona vergat men ook de competitie te ontleden. Bijvoorbeeld: waarom wonnen we zo vaak? Antwoord: niet door ons tactisch concept, maar door ons surplus aan talent voorin en door Jonathan David, een jongen met gouden voeten in een jaar waarin alles voor hem meezat. En ook: hoe komt het dat we twintig tegengoals meer hebben dan Club? Omdat het achterin een drama was. Vooral centraal was extra kwaliteit nodig. Alleen Arslanagic kwam. En later een jonge Noor.

In mei kreeg Odjidja een contractverlenging en rekende Gent zich rijk met die tweede plaats en het daaraan gekoppelde Europees voetbal, met kans op de Champions League. Die ging kansloos de mist in, terwijl men even tevoren nog hoog van de toren had geblazen dat ze Europees de best gerangschikte Belgische ploeg waren. Vandaag staat Gent derde. Ondertussen had de top van KAA Gent zich door een krant laten verleiden tot een boottocht-met-champagne op de Leie. De titel luidde: “Club Brugge staat een trapje hoger, maar de rest in België zijn we voorbij”. Hybris wordt altijd afgestraft: KAA Gent staat vandaag dertiende. In een competitie met zestien, wat Gent wilde, zouden ze in degradatiegevaar verkeren.

Na zes vette jaren zit Gent weer op het niveau van maart 2014: kansloos, of zo goed als, voor play-off 1 (met vier). Met spelers die niet langer in de eerste plaats aan het team denken. Met sterspelers, of wat daarvoor moet doorgaan, die roepen dat ze weg willen of redeneren “hoe hou ik hier mijn kop boven water?”. Succes in topsport is cyclisch en voetbal is toeval, maar soms helpt het simpele dingen goed te doen en noodzakelijke beslissingen te nemen op het juiste moment.

Column Coach de Coach over Anderlecht in De Morgen van zaterdag 24 okt 2020

Coach de coach

Gert Vande Broek staat Vincent Kompany bij in zijn coaching van Royal Sporting Club Anderlecht, zo raakte deze week bekend. Een opmerkzame collega legde meteen de link met de komst van Karel Van Eetvelt als CEO naar Neerpede. Van Eetvelt en Vande Broek kennen elkaar van wat we toen nog de KUL mochten noemen.

Het zijn sportkotters van Leuven, net als Anderlecht-voorzitter Wouter Vandenhaute. Gert Vande Broek leek in zijn gat gebeten bij de suggestie dat zijn passage bij Anderlecht meer te maken met lidmaatschap van die alumniclub dan wel met zijn kwaliteiten als coach. Al die academici (de eigenaar is bovendien een apotheker) bij Anderlecht, je schiet er geen ene moer mee op als die elf tussen de lijnen het niet doen, maar het staat ondertussen mooi op LinkedIn.

Van dat selecte gezelschap heeft alleen Vincent Kompany geen hoger diploma. Men heeft ons ooit vanuit Manchester willen laten geloven dat hij een MBA (master of business administration) had gehaald, maar er zijn MBA’s waarvoor je geslaagd bent als je het inschrijfgeld betaalt en er zijn MBA’s die er toe doen. Voor die laatste moet je voorafgaand een universitair diploma hebben behaald en dat heeft hij niet. Is dat van belang om een goede coach of een goede trainer of desnoods een zeer goede voetballer te worden/zijn? In het geheel niet, maar men moet ons niet voor de aap houden.

Kompany is ook zonder academische graad slim en daarom laat hij zich coachen door een ervaren coach. Dat het een volleybalcoach is die hoofdzakelijk met vrouwen heeft gewerkt (waaronder mijn eigen vrouw, ik getuig: best een goede leerschool – grapje), kan vreemd overkomen. Om hier dieper op in te gaan, is een aparte column nodig, maar laten we het hier op houden: als je vrouwen coacht als mannen, kom je er niet. Omgekeerd, coach mannen als vrouwen en de gevolgen zijn evenmin te overzien.

Er zijn nog verschillen. Het verschil tussen voetbal en toeval is de b van bal. Voetbal is een vaak onvoorspelbare aaneenschakeling van onbelangrijke situaties met tussendoor af een toe een hele belangrijke. Volleybal is een sjablonensport van steeds terugkerende voorgeprogrammeerde standaardsituaties, waarbij de tegenstander er niet toe doet, zolang je zelf je spel speelt en alles scoort en minder fouten maakt dan de andere. Het grootste verschil zit hem ten slotte in de kleedkamer. Passanten die het eigen succes boven dat van het team zetten – al helemaal de nationale ploeg die Vande Broek gewend is – zijn in een volleybalploeg op twee vingers te tellen. De passanten in een Belgisch voetbalteam zijn niet op twee, zelfs niet op vier handen te tellen. Een volleybalteam smeden is het belangrijkste doel van een coach. Een voetbalteam smeden is ondergeschikt aan de ontwikkeling van talent: de finaliteit van een voetbalteam is de lucratieve handel in voetballers, mensen.

Het beste voorbeeld is Jérémy Doku, in wie Kompany veel tijd heeft gestoken maar die meteen vertrok bij het eerste bod van een ambitieuze middenmoter uit de kleinste competitie van de G5. Dat is vooral wennen voor Vincent de voetballer, die bovenaan de voedselketen zijn métier uitoefende, maar nu Kompany de trainer-coach is en ergens midden in de voetbaljungle, belaagd van alle kanten, moet zien te overleven.

Kompany analyseerde zelf deze week de manco’s van zijn team. Duurde de wedstrijd maar tachtig minuten, we stonden los op kop, was zijn conclusie. Fout geredeneerd, want hij geeft zelf aan dat het probleem van zijn spelers niet de tijd, maar de instelling is nadat ze op voorsprong zijn gekomen.

De drie hoofdtaken van een trainer-coach in voetbal voorafgaand aan een wedstrijd zijn de juiste spelers selecteren, die spelers op de juiste plaats in het veld zetten en de spelers genoeg opnaaien. Niet te veel zodat het potje niet overkookt en ook niet te weinig om het bobijntje niet te snel te laten aflopen. Als hij dat niet van zichzelf wist, zal Gert Vande Broek, die dat wetenschappelijk heeft onderzocht, het hem wel hebben uitgelegd dat er verschillende leiderschapsstijlen zijn.

Vincent Kompany zegt snoeihard te zijn in de kleedkamer. Niks van gemerkt. Het is wachten op de eerste keer dat hij zijn spelers in het openbaar aanpakt. Vande Broek schrikt er als coach alvast niet voor terug om onder het oog van de camera’s zijn speelsters hun vet te geven. De dag dat Vincent Kompany boos uit zijn dug-out stormt, weet dan dat Vande Broek langs is geweest. Als Kompany een speler bij zijn haren van het veld trekt en er een andere in zet, heeft hij hem zelfs een clipje laten zien van illustere volleybalcollega. Zoek maar op: YouTube, Nikolay Karpol, the howling bear.