Column Christophe Galtier in De Morgen van zaterdag 9 december 2023

Christophe Galtier

Deze man komt volgende week in Frankrijk in het oogje van een stormpje en omdat hij een brutale keikop is met nogal wat vijanden, dreigt het een flinke storm te worden.

Galtier is een voetbaltrainer die werkte voor de grootste Franse clubs en het meeste succes had bij OGC Nice. Nadat hij met Nice in het seizoen 2021-22 PSG had geklopt, tekende hij bij die laatste club een contract tot de zomer van 2024. Na één seizoen met tegenvallende resultaten met een team waar de klad in zat, stapte hij afgelopen zomer in ‘onderling overleg’ ook op in Parijs.

De storm waar Galtier in terecht zal komen, gaat terug op zijn periode in Nice. Zijn voormalige sportdirecteur bij Nice, ene Julien Fournier, heeft hem in een onderzoek van de plaatselijke recherche beschuldigd van discriminatie, racisme, bodyshaming en islamofobie.

Galtier deed dat onmiddellijk af als onzin, maar de politie van Nice – volgens Galtier niet gehinderd door revanchegevoelens ten gevolge van zijn destijdse vlucht naar Parijs – heeft zonder dat er een klacht was zelf een onderzoek geopend. Op 30 juni werd hij samen met zijn zoon opgepakt, opgesloten, en voorgeleid voor ondervraging. Galtier moet op 15 december, volgende week vrijdag dus, verschijnen voor de rechtbank in Nice.

Concreet wordt hem aangewreven dat hij zijn bekommernis om het grote contingent zwarte spelers en moslims in zijn ploeg in Nice op een discriminerende manier zou hebben geuit. Volgens Fournier zou hij ooit hebben gezegd: “Julien, je hebt het nog altijd niet begrepen. Ik wil geen noirs of Arabes meer.”

Een huisbaas die dat zegt, kan worden veroordeeld voor racisme of discriminatie. Een werkgever idem. Een potentiële schoonvader die dat tegen zijn dochter zegt, is al lastiger te kapittelen. Wat met de voetbaltrainer die zoiets zegt?

Wat nog in de aanklacht staat: Galtier zou bij een tactische bespreking in de rust van de wedstrijd van Nice tegen Saint-Etienne de twee bezoekende centrale verdedigers hebben aangeduid als ‘les deux King Kongs’. En later zou hij hebben gezegd dat hij geen problemen heeft met moslims in het algemeen maar wel met Algerijnen in het bijzonder omdat die te fanatiek hun geloof belijden. “Te extreem,” was zijn commentaar.

Het mag duidelijk zijn dat Galtier niet de meest fijnbesnaarde medeburger is. Langs de woke-meetlat gelegd zal hij alvast niet slagen en dreigt zelfs cancelling. Maar is hij een racist als hij een flink uit de kluiten gewassen verdediger King Kong noemt? Als dat een zwarte verdediger is, heeft hij de schijn tegen. Bij het AA Gent van vorig jaar is de blanke Bruno Godeau ooit omschreven als een bonenstaak en zijn zwarte collega-verdediger Michael Ngadeu als een rots. Geen haan die er naar kraaide. Een rots is geen King Kong, geen aap. Als we er mogen vanuit gaan dat Galtier niet uit café ’t Hemelrijk kwam, is de connotatie met een aap op zijn minst ongelukkig.

De aanklacht wordt een beetje problematisch omdat ze zich op het terrein van de trainer begeeft en diens prerogatief om zijn selectie samen te stellen naar eigen goeddunken. Als Galtier verkiest om zo weinig mogelijk zwarten en moslims in de kern op te nemen, is daar volgens hem een goede reden toe: de ramadan. Niet eten en drinken tijdens inspanningen, staat als een tang op een varken als het op presteren aankomt. Dat is geen islamofobie, maar trainingsleer.

De laatste jaren (en de komende jaren) is de ramadan geleidelijk verschoven van de zomer naar de lente en toevallig is dat de periode waarin de prijzen worden uitgedeeld. In dat verband is er ook een getuigenis ten laste van een zwarte moslim die door Galtier is gevraagd om zijn vasten uit te stellen. En dat ook deed, wat overigens mag volgens de Koran.

Terloops, beste voetbalfans, begin maar al de moslims in jullie team te tellen. De ramadan van 2024 begint in België op zaterdag 9 maart en eindigt op maandag 8 april. Daarin vallen de laatste twee speeldagen van de reguliere competitie, de voorbereiding op de play offs en de eerste twee speeldagen van de play offs.

Voor de volgende jaren is het van hetzelfde, met de vastenmaand die telkens een week eerder begint. Tussendoor gaan de betere Afrikanen ook nog eens Africa Cup spelen.

Ten faveure van Galtier zullen ook twee getuigen worden gehoord. Zowel Burak Yilmaz, zijn spits bij Lille gedurende vier seizoenen en moslim, en zijn zwarte collega-trainer Antoine Kombouaré kiezen de kant van Galtier. Ten slotte zal Galtier zelf komen getuigen. Hij moet daarvoor even verstek geven bij zijn club, de Qatarese landskampioen Al-Duhail. Benieuwd hoe hij het daar aanpakt: de laatste vier speeldagen van de Qatar Stars League vallen pal in de ramadan van 2024.

Column Decathlon in De Morgen van maandag 4 december 2023

Decathlon

Het was schrikken toen AG2R La Mondiale-Citroën hun automerk als co-sponsor moest laten gaan. En dan die vervanger: Decathlon, zelfs meteen hoofdsponsor. Vanaf volgend jaar hebben we het over Decathlon-AG2R.

Het budget van de Franse ploeg van teammanager Vincent Lavenu gaat van 23 naar 26 miljoen euro. Dat is middenklasse. Overigens, even tussendoor iets over die Lavenu, een krokodil van het oude wielrennen van de jaren negentig. Uit getuigenissen rond de Festina-affaire is destijds gebleken dat een groot deel van de producten die soigneur Willy Voet in zijn auto had toen hij werd tegengehouden aan de grens, ook bestemd waren voor enkele Franse teams, waaronder de toenmalige Casino-ploeg van Lavenu.

Omdat Voet ten tijde van zijn proces zedelijk zweeg om niet ook nog eens als trafikant/dealer te moeten terechtstaan, is Lavenu voor zover geweten zelfs nooit op het matje geroepen, ook niet door de Franse pers die bekend waren met de feiten. Een overlever als geen ander.

Nu opnieuw, door met Decathlon een erg mooie sponsor binnen te halen. Die keten van goed en goedkoop vrijetijds-, sport- en kampeermateriaal is een wereldspeler. 1.751 winkels in 69 landen, 15 miljard euro omzet, 105.000 werknemers.

Van alle wielersponsors doen alleen Ineos en Intermarché beter inzake omzet, al hebben landen als de Emiraten (UAE), Bahrein (Bahrein-Victorious) en Kazachstan (Astana) ongetwijfeld een groter BBP. Decathlon is als sportretailer wel de absolute nummer één in zijn categorie en dat kan geen enkele andere wielersponsor beweren.

Decathlon ziet het groot en wil de ploeg ook laten rijden op hun fietsen. Neen, niet lachen, het zullen niet de Sinterklaas- of eerstecommuniefietsjes van BTwin zijn. Evenmin een late upgrade van de fiets waarmee Jaan Kirsipuu begin de jaren 2000 een Tour de France-etappe won. Wel de high-endmachines genaamd Van Rysel.

Die naam is een apart marketingverhaal. Van Rysel is bedoeld om de topfietsen ingang te laten vinden in fietsgekke regio’s, te beginnen met Frankrijk, maar ook België, Nederland en zelfs Groot-Brittannië. Rysel verwijst naar Rijsel, de originele Vlaamse naam van Lille, waar de sportgigant zijn hoofdzetel heeft.

Toen deze zomer doorsijpelde dat de BMC bij AG2R als fietsmerk zou worden vervangen door Decathlon, maakte het peloton zich vrolijk en waren ze bij AG2R ongerust. Dat was nergens voor nodig. Van Rysel is een prima wegfiets zo blijkt, en niet alleen uit de eerste verhalen van de renners. Ook Leon van Bon was enthousiast.

Oud-renner Van Bon test wel eens meer fietsen voor het Nederlandse blad Fiets en was na een snelle rit met een Maastrichts semi-profpeloton helemaal verkocht. En te bedenken dat hij niet eens reed met de iets lichtere pro-versie die is voorbehouden voor de ploeg.

Voor de kenners: de Van Rysel RCR voor de World Tour wordt afgemonteerd met Shimano Dura Ace di2. Die publieksversie van Van Bon had een veertig gram zwaarder kader en de SRAM Force eTap AXS 2×12-speed. Hij bolde als een trein, aldus de krachtpatser en voormalig sprinter Van Bon. De prijs is de moeite waard van het vermelden: 4.799 euro.

Volgens kenners houdt de gelikte Van Rysel het midden tussen een topfiets van Canyon en één van Specialized en dat is een erg mooi midden. Verwondering over zoveel kwaliteit voor zo weinig geld? Racefietsen zijn sinds corona buitensporig duur geworden. De winstmarges, ook van de toeleveranciers, bedragen soms het tienvoud van die in een gelijkaardige sector als de automobielindustrie.

Sommige merken, met name de Amerikaanse, adverteren met een carbonproductielijn in eigen land. Alsof het carbon dat ze in Taiwan gebruiken zou verschillen van dat in de VS. Alsof een Amerikaanse fabriek beter carbon zou assembleren dan één in Taiwan. Alsof een gigant van 15 miljard als Decathlon geen betere voorwaarden kan bedingen bij de toeleveranciers dan BMC, dat maar 84 miljoen omzet draait.

Een racefiets is in principe een erg simpele fiets: er is het kader en er is de afmontering, de groep (versnellingen en remmen), het zadel en de zadelpen, de headset (tegenwoordig cockpit genoemd) en uiteraard de wielen. Van Rysel levert de fiets standaard ook nog eens met uitstekende wielen.

Waarom hier die gratis publiciteit voor Decathlon? Omdat koersfietsen en afgeleiden als mountainbikes en gravelbikes momenteel het dubbele kosten van wat ze waard zijn. Als het klopt dat de helft goedkopere Van Rysel de vergelijking kan doorstaan met een high-end van een prestigieus merk, hebben we hier te maken met een gamechanger van formaat. Met hopelijk als gevolg dat alle betere sportfietsen een stuk goedkoper worden.

Column Pep en Co in De Morgen van zaterdag 2 december 2023

Pep en Co

Van voetbaltrainers verwacht je veel, soms te veel. Trainers moeten de sfeer in de ploeg houden, iedereen tevreden stellen, de juiste tactiek bedenken, de juiste baasjes gebruiken en uiteraard veel winnen. Daarnaast moeten ze bestuur, management en supporters naar de mond praten of althans niet tegen zich in het harnas jagen.

Vervolgens krijgen ze te maken met de media, die, als ze de trainers niet van hun voetstuk willen halen, toch minstens het verlangen koesteren hen zo veel mogelijk op de zenuwen te werken. Althans, zo ervaren sommigen dat. Neem nu Hein Vanhaezebrouck. (Voor wie er een strategie in ziet, het is puur toeval dat hij hier in twee opeenvolgende columns opduikt.) Als door een horzel gestoken zo reageerde hij vorig weekend na het gelijkspel van zijn AA Gent thuis tegen Union, toen een journalist een vraag stelde over Gift Orban.

De vraag was logisch en terecht, ze niet stellen was een journalistiek manco. Waarom Orban zo laat inbrengen? Onderhuids: waarom Orban niet meer en beter gebruiken? Achterliggend: is dit niet een beetje kapitaalsvernietiging?

Het antwoord was een beetje naast de kwestie: “Journalisten moeten geen vragen stellen over tactiek want ze kennen er veel minder van dan trainers.” Waarmee hij eigenlijk bedoelde dat journalisten geen vragen mogen stellen die verder gaan dan “vond u het een goede, dan wel minder goede wedstrijd, ref, VAR?” en daardoor meteen de essentie van het journalistieke functioneren in vraag stelde.

Dat lijkt een beetje vreemd, maar dat is het niet. De journalist die de vraag stelde heeft veel kilometers en kan echt wel een voetbaltactiek op zijn verdienste beoordelen, maar dat was het niet dat de ergernis opwekte. Het zit namelijk zo. Die journalist, dat is bekend, heeft een rechtstreekse lijn met de voorzitter en dus vermoedde de trainer allicht dat hij een niet uitgesproken bestuurlijke bekommernis eventjes in de openbaarheid gooide.

Die bekommernis draait om de gehanteerde tactiek en de baasjes die daarbij worden opgesteld. En of tactiek (hoog storen) en baasjes (nauwelijks Orban gebruiken) wel de belangen van de club dienen, zoals bij de eerste zes eindigen en play-off 1 halen. De buitenwereld mag dan vinden dat Gent van het beste voetbal speelt dat in België te zien is, de binnenwereld van de KAA Gent Arena ziet dat enigszins anders. Dat aanvoelen is een erfenis van vorig seizoen.

Vandaar een vreemde uithaal die nergens voor nodig was. Gent staat derde. Vooralsnog.

Ergens een kilometer of zeshonderd in vogelvlucht naar het noordwesten werkt een andere Belgische trainer. Ook hij is heilig overtuigd van zijn gelijk, houdt vast aan zijn systeem en werd/wordt daar af en toe voor vervloekt. Vincent Kompany is de naam, ‘Vinnie’ voor de vrienden, en daar behoren voorlopig ook de media nog toe. De looplijnen verschillen, maar goed uitvoetballen, verzorgd opbouwen, hoog druk zetten: Kompany en Vanhaezebrouck zijn in dezelfde toverdrank gevallen. Klonen van Pep en co..

De persconferenties van Kompany verlopen wel gemoedelijker, voorlopig nog. De pers blijft ook voorzichtig na zijn succesverhaal in de Championship. Met handen en voeten – as I said earlier – blijft ‘Vinnie’ uitleggen wat hij wil zien en hoe het komt dat wij het niet zien en hij wel en wat het moet worden. Om telkens bij dezelfde conclusie uit te komen: we geven zelf de goals weg.

Burnley doet het merkelijk slechter dan Gent. Het staat laatste met vier punten, evenveel als Everton, dat er tien is kwijtgespeeld door inbreuken tegen de financiële fair play, en eentje minder dan Sheffield United. Maar aangezien er drie zakken uit de Premier League kijken ze daar best ook naar Luton, dat al negen punten heeft.

Voorzichtig wordt geopperd dat Burnley en Kompany misschien een plan B moeten overwegen. Het blok staat al lager, als je de commentatoren mag geloven. Misschien moet het nog een beetje lager, misschien moet wat minder worden gejaagd, wat slimmer worden verdedigd. Dat is ook wat in Gent nu leeft. Misschien de aanvallers minder als gekken naar elke bal laten jagen, maar de tegenstander lager opvangen en zo ruimte creëren voor die drie supersnelle spitsen, zou dat eens niet te overwegen zijn?

Allemaal Pep? Vergeet het. Pep Guardiola werkt in een driesterrenrestaurant met de beste ingrediënten die hij zelf kan uitkiezen bij de topleveranciers. Kompany en Vanhaezebrouck halen hun gerief bij de grootwarenhuizen. Dat is wat minder, maar verder is daar niks mis mee. Het is wat het is en daarom is er ook niks mis met je tactiek te laten afhangen van je spelersmateriaal.

Column (Data)scouting in De Morgen van 27 november 2023

(Data)scouting

De aanleiding voor dit stukje is wat Hein Vanhaezebrouck afgelopen vrijdag zei, in de aanloop naar de topper tegen Union in zijn razend interessante persconferentie, die achttien minuten duurde en dat ondanks vragen van slechts twee en een halve journalist, maar wat dat laatste betreft kan ik mij vergissen.

Eerst even dit, voor u zou denken dat Hein – in de media met de voornaam aangeduid, in navolging van Michael (Jordan), Elvis (Presley) en (koning) Filip – hier in de zeik wordt genomen, quod non. De regel is: Hein (Vanhaezebrouck) heeft altijd gelijk, zelfs als hij geen gelijk heeft.

Vrijdag poneerde hij twee stellingen.

Ten eerste: we zijn beter gewapend dan vorig jaar om Union partij te geven, de intensiteit die Union toen aan de dag legde konden wij niet matchen.

En als nagedachte, je zou het met wat slechte wil ook een natrap kunnen noemen naar de bij Gent vertrokken hoofdscout: het belang van scouting wordt fel overdreven, slechts 20 procent van de spelerstransfers komt uit de scouting, het merendeel wordt aangeboden door derden.

Vooral dat laatste toen hij het had over Mohamed Amoura, die bij Union speelt maar evengoed bij Gent had kunnen zitten, bood stof tot nadenken.

“Amoura is aangeleverd door een externe persoon, zoals het bij de meeste transfers gebeurt. De media denken dat de scouting een groot aandeel heeft in de aankopen, maar dat is maximaal 20 procent. Dat is bij Union niet anders”

En toen had hij kunnen zwijgen, maar hij ging door en had het plots over de huizenmarkt. Dat huizen vooral worden verkocht door makelaars, dat kopers die huizen niet zomaar tegenkomen en dan besluiten: dat huis koop ik.

Als er nu één aankoop is die kan en moet worden geobjectiveerd met data over staat, ligging, isolatie, ruimte, en waarbij die data de verkooppraatjes van de makelaar moeten overstijgen of minstens relativeren, dan wel een huis. Dat geldt evengoed voor de aanschaf van een voetballer.

Geen enkele reden om aan voetbalscouting en de nieuwe dada datascouting te twijfelen. Grofweg zijn er drie soorten spelers: die van wie je denkt dat je ziet wat ze kunnen en tot wat dit kan leiden als het goed wordt aangepakt, die van wie je vermoedt dat het niks wordt en ten slotte die van wie je het niet weet. In alle drie kun je je gruwelijk vergissen.

Voor categorie één kunnen data helpen om een onderliggende zwakte te vinden en te remediëren. Voor categorie twee en drie zijn data onmisbaar om een goede kijk te krijgen op de potentie van de speler. Kan hij lopen, kan hij passen, hoe snel gaat het en ten slotte: staat er een hoofd op waar iets in zit? Dat laatste is moeilijk in data onder te brengen, daar kan dan weer gewone scouting bij helpen.

Er zijn omgekeerd meer dan genoeg redenen om aan de verkooppraatjes van de makelarij te twijfelen. Om te beginnen is er het businessmodel van de makelaar: de omloopsnelheid van zijn spelers bepaalt de inkomsten van speler en makelaar, maar in vele gevallen ook die van de betrokken clubs en clubmanagers, en zelfs af en toe de trainer die de speler binnenhaalt.

Om dan nog te zwijgen van de packagedeals rond een goede speler in wiens zog een halve zool wordt meegestuurd. Dat dit businessmodel van de ‘externe persoon’ nog steeds voor 80 procent van de transfers verantwoordelijk is, geeft juist aan hoe ziek het voetbal is.

Overigens heeft Vanhaezebrouck zijn redenering over het ondergeschikte belang van datascouting zelf eerder al onderuitgehaald. Die onthulling daarover kwam niet van hem maar van Ismaël Kandouss, de centrale verdediger die op zijn vraag van Union naar Gent is gekomen.

Toen ze vorig jaar tegen elkaar speelden, had Vanhaezebrouck zijn aanvallers de opdracht gegeven Kandouss aan de bal te laten en druk te zetten op de anderen. Tot hij merkte dat hij zich had vergist en Kandouss rustig bleef en zowaar crosspasses trapte. Vanhaezebrouck gebruikte dat als argument om Kandouss te overhalen naar Gent te komen. Het pakte, Kandouss ruilde Union voor Gent (en een beter loon, zal ook hebben geholpen) maar het blijft natuurlijk een voorbeeld van slechte/geen scouting of datascouting als de houten klaas uit je analyse een vaardige passer blijkt te zijn.

En wat die eerste opmerking betreft, dat ze qua intensiteit bij Gent beter gewapend waren dit jaar, met die 1-1 van gisteren kan je alle kanten uit. In de eerste helft was die intensiteit er wel, in een groot deel van de tweede dan weer niet. Bottomline: het was beter en dus heeft Hein (geen on)gelijk.

Column Wat Is Topsport? in De Morgen van zaterdag 25 november 2023

Wat is topsport?

De opschudding die de column van vorige week over de Gentse zesdaagse veroorzaakte, heeft mij maar laat bereikt. En nog wel door een ex-renner en een ex-renner/ploegdirecteur die beleefd lieten weten dat ze het niet met mij eens waren.

Toen ik in ons extensief app-verkeer mijn redenering uitlegde, luidde een finale repliek: “Jaja, ik begrijp wel wat je bedoelt. Ik ben akkoord dat het een circus is, maar optreden met 60 kilometer per uur blijft lastig.” En de andere: “Ik snap je volledig (de column) maar ik kon het niet laten passeren.”

De eerste reactie kwam van een ex-renner/ploegdirecteur: “Hé maat, goede column in DM.” En deze week nog een andere ex-renner tegen het lijf gelopen en die zei: “Het verbaast mij dat mensen die zesdaagse zo serieus nemen, maar dat heb ik ook met dat zondagse uurtje modderrijden.”

Om de stelling even te herhalen: de zesdaagse heeft evenveel met de topsport baanwielrennen als circus met gymnastiek, niets tot weinig dus.

Om dat goed uit te leggen, moeten we even terug naar de basis.

Ten eerste: wat is sport? Sport is elke fysieke activiteit of inspanning die een gevolg heeft op hart- en bloedvaten en die wordt beoefend volgens afgesproken regels, in een vorm van competitie tegen een tijd, een score of anderen.

Wat is bijgevolg geen sport? E-sport, denksport, hengelen, darten, snookeren en biljarten. Dat zijn moeilijke bezigheden, maar de fysieke component ontbreekt. Je kunt het ook omkeren: sporten waarin bètablokkers helpen zijn geen sporten. Inderdaad: ook niet alle olympische sporten (neem schieten of curling) doorstaan die toets. Golf is een twijfelgeval.

Wat de zesdaagserenners presteren is sport, dat staat als een paal boven water. Zoals die ene ex-renner/ploegdirecteur in zijn repliek zei: “Ik ben ooit twee keer gekoppeld aan een goeie pistier met de bedoeling dat we zouden winnen en ik ben twee keer choco gereden. Nooit gewonnen. Een zesdaagse is van het zwaarste dat ik ooit heb gedaan.”

Klopt ongetwijfeld. Wat die gasten presteren in de ploegkoersen op een te korte baan die er bovendien niet te best bij ligt verdient bewondering. Maar de vraag is hier niet of het sport is en of het lastig is en of we ze al of niet mogen/moeten bewonderen. De vraag is: kunnen we de zesdaagse catalogiseren als topsport? Het antwoord blijft: neen.

Om een sport als topsport te beschouwen zijn er extra criteria nodig. Om te beginnen: wordt deze sport genoeg beoefend? Genoeg als in ‘voldoende vaak’, door voldoende atleten van voldoende niveau en op voldoende plaatsen in de wereld. Een tweede criterium: zit er een internationale component aan, in de vorm van een EK, WK en bij voorkeur een olympische discipline.

Twee keer is het antwoord neen. Dat geldt zelfs voor veldrijden en dat heeft wel een EK en WK, stel je voor. Dat geldt ook voor afstandszwemmer Matthieu Bonne en ultraloper Karel Sabbe. Jammer maar helaas, wel topprestaties maar geen topsport, want te marginaal en niet voldoende representatief. Jawel, zoals de zesdaagsen.

Daarvan zijn er nog twee echte in de hele wereld: Gent en Rotterdam. Een sport die twaalf dagen per jaar wordt georganiseerd en her en der nog als een halve week bestaat, is dood maar beseft het nog niet. Een event dat bovendien alleen in een kleine regio wordt georganiseerd die niet de best mogelijke atleten aan de start krijgt (check de einduitslag), die niet representatief is voor het mondiale en olympische niveau (check de einduitslag), heeft misschien wel bestaansrecht als spektakel, maar dat maakt het nog geen topsport.

Helemaal mee eens dat dit een reductionistische visie is op sport en topsport. Het is niet anders. Deze insteek wordt ook gehanteerd door alle sportmodellen van de wereld om de vraag te beantwoorden welke sporten/disciplines worden ondersteund en welke niet.

In dat verband zijn er nogal wat die een zesdaagse verwarren met de onmiskenbare topsport baanwielrennen. Een denkfout. Het beste bewijs in de voorbije zesdaagse was Lasse Norman Hansen. Hij is op de wielerbaan in de uithoudingsonderdelen de beste renner van de laatste tien jaar met 22 medailles, waarvan 7 gouden en 2 olympische titels. In Gent werd hij voorlaatste op 35 ronden en dat lag echt niet alleen aan zijn koppelmaat Jonas Rickaert, die na zijn rustperiode na een zwaar seizoen als een pannenkoek rondreed.

Hansen zou wel gek zijn om al eind november als een opgefokt duracellkonijn op een gevaarlijke baan als Gent rond te tollen. Volgend jaar in Parijs zal hij er op die gladde, glooiende 250 meterbaan wel staan, op welk onderdeel dan ook.

Column 1,7 Promille in De Morgen van maandag 20 november 2023

1,7 Promille

De zomer van 2024 is een van die lange hete sportzomers die eens in de vier jaar het leven van sportvolgers (en hun entourage) compleet overhoop haalt en soms ook het leven van enkele sporters. Laten we toch vooral hopen op dat laatste en wel in positieve betekenis.

De Rode Duivels kunnen Europees kampioen worden, Remco Evenepoel kan de Tour winnen en ten slotte kan de Belgische olympische ploeg met een nooit geziene oogst aan medailles uit Parijs terugreizen.

Of niet: geen Europees kampioen, geen Tour-winst en in plaats van tien of meer, slechts zes of minder medailles. Alles kan, alles mag, niets moet, we zijn tenslotte Belgen. Hoewel. Een knalprestatie op de Spelen van Parijs zou van pas komen om de olympische topsport de kickstart te geven waarmee ze nog jaren verder kan.

Deze inleidende topsportoverpeinzingen bereiken u vanuit het Turkse Belek, een vakantieoord zo verstoken van stijl en klasse, dat als ik de Middellandse Zee was, ik er nooit aan land zou willen komen. Maar bon, dat doet hier niet echt ter zake. In de Gloria Sports Arena in Belek blaast het Belgian Olympic Team nu al een paar jaar verzamelen, meer in het bijzonder sinds 2019.

Club La Santa op het Canarische eiland Lanzarote ligt sinds het aantreden van de Duitser Olav Spahl als directeur topsport niet meer in de bovenste schuif. Dat wordt vooral betreurd door de entourage van de atleten die zich het ontbijt, lunch en diner in restaurant Atlantico herinneren. En uiteraard ook de ellenlange conversaties in de Pool Bar en niet te vergeten de afsluitende barbecue op het strand.

Het dient gezegd, de atleten zijn beter af in Belek, en om de atleten draait het. Toch? Op deze stage zijn evenwel meer randfiguren dan atleten. Van de gedoodverfde medaillekandidaten geeft alleen zeilster Emma Plasschaert present. Geen Thiam, geen Kopecky of andere renners, geen Casse, geen Derwael, geen Belgian Cats, noch Red Lions. De Red Panthers zijn wel present.

Misschien moeten we daar blij om zijn. Dat atleten in deze cruciale maanden hun trainingsgewoontes niet willen onderbreken om even vier uur heen en vier uur terug te vliegen naar de olympische jamboree wijst op toegenomen professionalisme.

Er is op korte tijd heel veel veranderd in het Belgisch topsportlandschap. De eerste preolympische stages op Lanzarote (1991 had de primeur) waren vooral veredelde Chiro-kampen. Gezelligheid en erbij zijn primeerde. De tweede editie was veruit de meest memorabele. Lanzarote 1995 staat nog steeds te boek als een halve orgie en naarmate de hoofdrolspelers van het sporttoneel verdwijnen, worden de verhalen aangedikt.

In dat verband vroeg ik mij af tijdens de lange wandeling van het atletenhotel naar het pershotel — in de regen, jawel ook hier regen — iets af. Stel dat ze Jean-Marie Dedecker — Belgiës meest succesvolle bondscoach — naar deze stage zouden beamen, zou hij dan schrikken? Meer begeleiding dan atleten, sponsors bij de vleet, stylisten van het kledingmerk Caroline Biss, socialemediaspecialisten bij bosjes, (para)medici zoveel je wil en sportpsychologen van elke taalrol.

Jawel, tijden zijn veranderd maar toch ook weer niet zoveel en wat brengt het allemaal op? In Atlanta 1996 won België zes medailles op een totaal van 842 te verdienen eremetaal, of 0,71 procent. In Tokio in 2021 was dat zeven op 1080 of 0,65 procent. De hoeraverhalen ten spijt leert deze eenvoudige rekensom dat we er in die kwarteeuw na Atlanta niet op zijn vooruitgegaan.

Hoewel de topsport in dit landsdeel er nooit beter voor stond, bestaat de kans dat dit zich niet vertaalt in Parijs in een hoger aantal medailles. Dat wordt nog een dingetje om dat aan de publieke opinie verkocht te krijgen.

Zaterdag mocht de minister van sport van de Fédération Wallonië-Bruxelles uitleggen hoe hij zijn topsport wil laten aansluiten bij hoe Vlaanderen het aanpakt. Dat lukt nooit, door de cultuurverschillen, maar dat is een aparte column waard. In dat verband sprak de timing van het kabinet Weyts boekdelen: uitgerekend afgelopen vrijdag maakten die bekend dat de topsport in Vlaanderen weer meer geld krijgt. Het totale budget zou nu 30 miljoen bedragen voor het olympisch jaar 2024 en de jaren daarna.

Vandaag arriveert Vlaams sportminister Ben Weyts in Belek om toelichting te geven bij die genereuze geste. Die moet de atleten uit dit landsdeel in de ratrace naar de olympische podia de duw in de rug geven. Waarvoor dank. Een substantiële verhoging van het topsportbudget is op zijn plaats. Ten slotte: dertig miljoen voor de hele Vlaamse topsport, dat is 1,7 promille van alle Vlaamse subsidies die in 2022 zijn uitgedeeld. Daar kan/mag/moet nog wat bij.

Column Gentse Zesdaagse in De Morgen van zaterdag 18 november 2023

Gentse Zesdaagse

Mijn vader zaliger was correspondent voor een aantal Franstalige kranten. Dat omvatte verslagen van La Gantoise en Racing de Gand, van een occasionele atletiekmeeting, maar ook de Six Jours de Gand.

Pa stonk als hij naar de zesdaagse was geweest. Juister: het hele huis stonk als ik de volgende ochtend opstond. Naar rook, van sigaretten, sigaren, van alles door elkaar en hij rookte en dronk niet. Mij leek die zesdaagse een café waar ook aan sport werd gedaan. Dat was van een afstand bekeken en op hele jonge leeftijd. Ik zat er niet ver naast.

Niettemin lag op een ochtend naast mijn hoofdeinde een heel mooi cadeau. Pa had op de zesdaagse zijn stoute schoenen aangetrokken en was naar het hokje van het illustere duo Merckx-Sercu gestapt met de vraag om een foto te signeren. Ergens moet ik die nog hebben, ik kan mij niet inbeelden dat ik die ooit zou hebben weggegooid. “Voor Hans”, zo stond het er, en daaronder de krabbel van Eddy de Grote.

Gisteren had ik op de zesdaagse kunnen zitten, vip, uitgenodigd door een vriend. Ik kon niet. Andere verplichtingen. Ik schreef dit stukje vanop het vliegtuig naar eerst Istanbul en daarna Antalya, alwaar we een bus onder onze kont hebben gekregen die ons naar Belek bracht, het oord waar de Belgische olympische ploeg nu al een paar jaar verzamelt met het oog op de Spelen.

Jawel, u las het goed, Eddy Merckx heeft nog zesdaagsen gereden, samen met de (op de wielerbaan) nog grotere Patrick Sercu, die in tegenstelling tot Merckx wel ooit olympisch goud heeft gewonnen. In de jaren vijftig reden en wonnen klassieke renners als Rik Van Looy, Rik Van Steenbergen en Fred De Bruyne in Gent. De jaren zestig, zeventig en tachtig waren de jaren van Sercu, maar wie toen ook allemaal de revue passeerde en won: Merckx, Van Looy, Jempi Monseré, Roger De Vlaeminck, samen hebben die zowat alle wielerwedstrijden van hun tijd gewonnen en meer dan één keer. En toen was het afgelopen.

De zesdaagse van Gent werd vanaf de jaren tachtig gewonnen door B- en C-renners als Etienne De Wilde, Stan Tourné, Danny Clark en Don Allen. In de jaren negentig werd het er niet beter op. Geen enkele winnaar van een zesdaagse kwam aan de enkels van hun illustere voorgangers, met uitzondering van die passage van Mark Cavendish en Bradley Wiggins in 2016.

Deze week las ik een verhaal over en met Iljo Keisse. Iljo verdient respect voor hoe hij zichzelf heeft heruitgevonden als renner, maar wie hem de titel van keizer van de Gentse zesdaagse geeft, moet zijn historisch kompas laten nakijken. Iljo heeft zijn best gedaan, het Gentse publiek vermaakt, zeven keer gewonnen, maar de keizer van Gent blijft Patrick Sercu en niemand anders. Sercu (11 keer gewonnen in Gent op 88 keer winst in zesdaagsen) heeft op de weg ook nooit een klassieker gewonnen maar wel 6 ritten in de Tour en 13 in de Giro.

Nadat Keisse op last van Patrick Lefevere van de weg een prioriteit had gemaakt, ging het nog sneller bergaf met de kwaliteit op de baan. De koning van de Gentse zesdaagse werd plots Kenny De Ketele. Het is maar hoe je het bekijkt, dat koningschap, maar De Ketele heeft zijn hele leven voor (Top)Sport Vlaanderen gereden. Tot zijn 36ste in een opleidingsploeg, dat was niet uit vrije wil maar omdat geen enkele andere wielerploeg hem ooit is komen halen zoals wel Keisse, Jasper De Buyst en recent Robbe Ghys en Fabio Van den Bossche.

De zesdaagse is in 2015 omschreven als een dinosaurus, met uitsterven bedreigd. In dat jaar bleef Gent samen met Berlijn, Kopenhagen, Bremen en Rotterdam als enige over op de zesdaagsenkalender. Vandaag zijn dat nog Gent en Rotterdam. De al uitgestorven dino’s hebben met de moderne DNA-technieken een betere kans op een doorstart dan de uitstervende zesdaagsen.

Wie zich amuseert op de Gentse zesdaagse, be my guest, maar maak niet de fout te denken dat het over topsport gaat. De Gentse zesdaagse is in de eerste plaats een hospitality-happening, de Gentse Winterfeesten mét studenten. Zodoende is het vooral een kaskoe voor organisator Golazo.

Zoals gymnastiek zich verhoudt tot circus, zo verhoudt baanwielrennen zich tot de zesdaagse. Die voegt niks toe aan de topsport baanwielrennen, wel integendeel. Dat bleek nog op de laatste twee Olympische Spelen die ploegkoers op het programma hadden. De keizers en koningen van die Gentse hobbelpiste van 166 meter kwamen zowel in Peking in 2008 als in Tokio in 2021 op een echte olympische baan van 250 meter tekort om die ene laatste ronde te nemen. Ghys-Van Den Bossche volgende zomer in Parijs, dat zou het kunnen worden, de eerste ploegkoersmedaille in twintig jaar.

Column De Liefhebber in De Morgen van maandag 13 november 2023

De Liefhebber

Gisteren heeft Wout van Aert een gran fondo gereden in Colombia. De uitslag is niet bekend en die doet er ook niet toe. Een goede gok: hij is vooraan geëindigd.

Een gran fondo, dat is een wielerwedstrijd voor wielertoeristen. Veel wielertoeristen. Vooraan in de gran fondo’s rijden de toeristen die zich prof wanen. Of profs die net toerist zijn geworden en niet willen afkicken van de fiets. De rest van het gigantische peloton bestaat uit meestal goed getrainde wielertoeristen die proberen in een groepje terecht te komen dat ongeveer hun snelheid rijdt.

Vervolgens proberen ze daar zo min mogelijk op kop te rijden en dus zo weinig mogelijk watt te investeren. Naïeve kloten zoals ondergetekende die zich (in gruppetto 37) niet willen laten kennen en hun deel van het kopwerk wel doen, uit schrik om op de sociale media als profiteur te worden weggezet, worden dan bij het begin van de allereerste helling uit de wielen gereden.

Mijn eerste gran fondo was meteen ook mijn laatste. De Granfondo Eddy Merckx, dat was ik deze grootheid verplicht, heb ik één keer gereden op mijn toenmalige Merckx. Die wedstrijd startte in Hoei. Klein probleem, hij arriveerde ook in Hoei en na een kilometer of tweehonderd moest je nog eens die plaatselijke Muur naar boven.

Die is zo steil — en dat is dan weer een voordeel voor het eindgemiddelde — dat de Garmin denkt dat je stilstaat en vanzelf stopt met registreren, terwijl je je waarachtig wel naar boven sleurt aan een weergaloze 4,5 kilometer per uur.

Enfin, afgezien daarvan is fietsen in zo’n gran-fondomierennest gewoon niet plezant. Altijd opletten voor een gek voor, achter of naast die denkt dat hij alleen onderweg is (nooit een zij, die rijden ook hard maar beschaafd). Altijd ook opletten voor een uitgewoonde die tussen het kader hangend koste wat het kost wil blijven volgen. En ook altijd opletten voor de plotse hindernis die in het begin nog wel wordt aangegeven, maar niet langer naarmate de kilometers zich opstapelen en alertheid en altruïsme verminderen.

Daar zal Wout van Aert geen last van hebben gehad. Je kan er gif op innemen dat hij die wedstrijd vooraan heeft gereden, ver van de gekmakende menigte op twee wielen, beschermd voor en achter hem. Maar wat we ons nu moeten afvragen met zijn allen — hij moet just niks en hij mag just alles, maar wij vragen we het ons toch af — wat deed Wout van Aert in godsnaam op dat moment van het jaar bij een wielertoeristentocht in Colombia?

Wat zal het zijn, een jetlag van acht uur? Dat alleen al overbruggen en daarna ter plekke een beetje rondrijden op wegen die hij niet kent. Dan die verplichte nummers zoals in maatpak met vlinderdas een dansje moeten placeren met een rosse van daarachter (zie de gespecialiseerde sites). En gisteren die gran fondo. Vervolgens terugvliegen na een dag of acht, dus als je die jetlag hebt verteerd, je een tweede op je nek halen.

Trainingstechnisch slaat dit nergens op. La Tebaida, waar de start is van El Giro de Rigo, ligt op 1.200 meter hoogte. De rit zelf is 140 kilometer over — zo staat het op de site — “difficult terrain with longer, steeper hills”. Nu is de laatste jaren wel meer veranderd inzake trainingsopbouw, maar lange, steile hellingen op hoogte, in november, dat is vreemd.

November is de maand dat Wout van Aert na een periode van relatieve rust zonder veel stress weer de fiets moet ontdekken, naast een veelvoud van andere trainingen zoals stabilisatie, beetje indoor, beetje gravel, beetje cross, gewoon bezig zijn, die motor op gang houden. Bij voorkeur op vlak terrein, de beentjes laten draaien en op gezette tijden wat achter de brommer en geleidelijk aan enkele prikkels in het bos, met het oog op de cross.

Er is maar één hele goede reden voor Wout van Aert om tegen alle wetten, regels en logica in naar Colombia te vliegen en die is niet dat hij daarvoor goed betaald kreeg. Wout van Aert gebruikt zijn fiets om zijn wereld te ontdekken. Op de doodsaaie Sierra Nevada waar alle wegen naar boven leiden, bekende hij ooit: “Zie ik een wegje waar ik nog niet in ben gereden, dan kan ik er niet aan weerstaan om af te slaan, offroad of niet, met welke fiets dan ook.”

Wout van Aert is een liefhebber in de puurste betekenis van het woord. Hij fietst gewoon graag, liefst op onbekende wegen, in streken waar hij nog nooit was. Graag doen wat je doet, blij zijn met wat je al hebt, het is het recept voor een lange en gelukkige carrière. En als hij volgend jaar die twee klassiekers wint die hij nog nooit heeft gewonnen, dan weten we hoe dat komt: allen naar Colombia!

Column Kortzichtigheid in De Morgen van 10 november 2023

Kortzichtigheid

Als u soms de onweerstaanbare behoefte heeft om voorbij de holheid van de voetballerij te kijken, dan is dit een tip: surf naar football-observatory.com en abonneer u als de wiedeweerga op hun gratis newsletter. Ze beloven ‘exclusive weekly and monthly data analysis’ over het wereldvoetbal en daar is niks van gelogen.

Natuurlijk is het aan u om door het bos de bomen te zien staan. Zo hadden ze laatst een post met een overzicht van de beste jonge (onder 23 jaar) dribbelaars wereldwijd. Dat was gebaseerd op de cijfers van het databedrijf Wyscout, dat bij alle clubs bekend is.

Antonio Nusa van Club stond daarin op één met een gemiddelde van bijna elf dribbels over negentig minuten. Nuance: Nusa dribbelt in de pintjesliga, niet in een van de vijf grote voetballanden. De hoogste gerangschikte jonge dribbelaar uit die G5 is overigens Lamine Yamal van Barcelona op plaats zeven.

Vorige maand hield football-observatory.com ook een bevraging onder de profvoetbalclubs, de fans en de spelers. Zo werden we iets wijzer met betrekking tot wat de voetballerij zelf als urgente problemen bestempelt.

Op vier kwam daar ‘corruptie’ uit met 53,5 procent. Vervolgens met 58,5 procent ‘clubs in handen van staten’ – denk daarbij aan Man City en PSG. Iets urgenter nog was racisme en het urgentst met 62 procent was het witwassen van geld.

Vanuit het oogpunt van het spelersgedrag stond dan weer de schwalbe op één, gevolgd door tijdrekken, klagen en agressie. Inzake transfers was de grootste doorn in het oog de commissie aan de makelaar, gevolgd door fraude bij transfers, de inflatie in transferprijzen en de internationale mensenhandel met minderjarigen.

De antwoorden en dus de prioriteiten die uit het rapport naar voren komen, laten vermoeden dat vooral de clubmanagers die bevraging hebben ingevuld. Dat meer dan zes op de tien respondenten zich zo storen aan de witwasserij wil zeggen dat ze ermee te maken hebben of hadden of – in het slechtste geval – ertegen moeten optornen.

Heel opvallend waren de resultaten in het deelgebied ‘economische issues’.

Op de vraag waartegen duidelijk actie zou moeten komen, was nog geen 30 procent ervan overtuigd dat de dominantie van de Engelse Premier League aan banden moest worden gelegd. Veertig procent vond dan weer wel dat de financiële verschillen tussen de competities een probleem zijn en iets meer (ook slechts 43 procent) vond dat de financiële verschillen binnen een en dezelfde competitie moesten worden aangepakt. Ook de inflatie van de spelerslonen was maar voor minder dan de helft van de respondenten een probleem.

In het domein ‘integriteit’ kwam weer witwassen als eerste eruit, gevolgd door corruptie, matchfixing en als laatste schuldgraad van de clubs. Slechts in vier op de tien antwoorden waren die schulden een probleem. Deze bevraging had dus gerust de titel ‘Kortzichtigheid in het voetbal in cijfers’ kunnen voeren.

Als nu één probleem echt urgent is en met stip op één zou moeten staan in het hedendaagse voetbal, dan wel de inflatie in lonen en transferprijzen. Die twee fenomenen zijn wellicht verantwoordelijk voor de allergrootste ellende in het voetbal – zoals onder meer dat witwassen en die duistere makelaars – maar de meerderheid steekt liever zijn kop in het zand, het Belgisch voetbal op kop.

Deze week raakte het nieuws bekend dat een van de op papier best geleide clubs van het land, de enige met een nieuw stadion nog wel, 19 miljoen euro schuld heeft moeten rapporteren. Dat was KAA Gent. Het bedrag was even iets te hoog om het aan covid en de overheidsingrepen in de parafiscaliteit van de spelerslonen te wijten. De schulden werden evenwel contextualiseerd: ‘We hebben haast niks verkocht, en in België draait geen enkele club break-even zonder uitgaande transfers.’

Afgezien van die aberratie (mensenhandel als sluitpost) valt toch vooral op dat de financiële ratrace in ’s lands voetbal stilaan voor drama’s zorgt. De laatste vijf jaar stegen de televisierechten in België jaarlijks met 5 procent, de commerciële inkomsten met 8 procent en ticketing daalde met 10 procent.

In die periode steeg het aantal contractspelers bij de eersteklasseclubs van 900 naar 1.300. De salarismassa steeg voor alle profclubs samen in dit land met 70 procent. Resultaat: de Belgische profclubs, nog steeds zwaar gesubsidieerd via kortingen op belastingen en sociale lasten, maakten in het eerste seizoen na covid 156 miljoen euro schulden, 16 miljoen euro meer dan tijdens covid. En geen mens die daar iets van durft te zeggen.

Column Golden Balls in De Morgen van maandag 6 november 2023

Golden Balls

Sportdocumentaires over topsporters, topteams of topsport zijn al te vaak unisono lofbetuigingen, streng geregisseerd en geredigeerd, met als doel een product in de markt te zetten.

Er zijn een paar uitzonderingen. Sunderland ‘Til I Die, over het wel en wee van een voetbalclub, was van een zelden geziene rauwheid en echtheid. O.J.: Made in America uit 2016 was ook allesbehalve een lofdicht op de weliswaar vrijgesproken voor moord (op zijn vrouw), maar burgerlijk wel aansprakelijk gestelde en later voor andere wandaden tot 33 jaar veroordeelde ex-footballspeler Simpson.

Het decor van O.J. was de Verenigde Staten, met zijn grote en vooral kleine kantjes. Dat was ook het geval bij Bill Russell: Legend (ook op Netflix), een aanrader, over de zwarte activist en recordbrekend basketbalkampioen.

De sportdocu aller sportdocu’s is natuurlijk The Last Dance over het seizoen 1997-1998 van de Chicago Bulls, het laatste van Michael Jordan in Chicago. Zelfs de hoofdrolspeler moest herhaaldelijk door het stof als onmogelijke mens.

Wat al die documentaires, van O.J. tot MJ, gemeen hadden, was dat ze het ecosysteem van de rich and famous als een soort extra laagje aanboden, maar in wezen ging het nog altijd om de sport. Na het bingen van Beckham op Netflix blijf je als sportliefhebber op je honger zitten. Voetbal is hier een alibi om nog maar eens datzelfde product in de markt te zetten.

Deze docuserie volgt Beckhams steile opgang van jeugdspeler van bescheiden komaf tot wereldwijde voetbalster. Een historisch doelpunt in 1996 – een trap vanop de eigen helft – zet David op het spoor naar roem en Victoria Adams, Posh van de Spice Girls.

Na de worldcup van 1998, waar hij wordt uitgesloten voor natrappen en Engeland wordt uitgeschakeld – door het gehate Argentinië nog wel -, gaat Beckham door een depressie, krijgt doodsbedreigingen maar trekt zich op aan het vaderschap.

Als de spanning tussen hem en trainer Sir Alex Ferguson te groot wordt en de club hem aan Barcelona wil verkopen, kiest hij voor Real Madrid. In de laatste van vier afleveringen overlopen David en Victoria nog eens zijn traject langs Real Madrid, LA Galaxy, AC Milan en uiteindelijk Paris Saint-Germain. Ze filosoferen over het leven, wat het is geweest, en wat het nu is…

De docu scoort goed op IMDb. 8,3 nog wel. David Beckham was tenslotte de Prins Harry van het Engelse voetbal. Deze docuserie is dan ook een beetje een bewegende tabloid, maar dan met het echtpaar als eindredacteurs. Eén enkel keertje mag het pittig, zoals wanneer Beckham de plebejische afkomst van zijn vrouw in vraag stelt. “Working class? Jij? Met welke auto werd jij naar school gebracht? Een Rolls- Royce! Right. (lachje)”

En dan is er nog die mooie relativerende gastrol van Sir Alex Ferguson, die vindt dat Beckham door Victoria nooit de absolute top heeft gehaald.

Beckham is een docu over Beckham, maar ook mét de nv Beckham. Dat merk je aan de onderwerpen die zijn vermeden. Die veelbesproken ene affaire in Madrid komt aan bod, maar wat met al die andere uitschuivers? Wat met zijn voorlopig mislukte campagne om ridder te worden in de hoop als Sir David door het leven te kunnen? En hoe zit dat met Victoria die haar realityshow in de VS in rook zag opgaan en van wie het modemerk het slecht doet? Ten slotte: als het hen zo voor de wind gaat, waarom dan die 150 miljoen dollar van dat foute Qatar aanvaarden voor het ‘ambassadeurschap’ van het WK en waarom geen woord over de rel die dat veroorzaakte?

Beckham is zo’n clever opgetuigde hagiografie dat je op den duur gaat geloven dat hij ooit de beste van de wereld was. Neen dus. Hij hád een formidabele traptechniek. En hij ís kampioen geworden in vier verschillende landen, finaal telkens met bescheiden bijdrages, tenzij in enkele van de zes Premier League-titels met Man United.

Opvallend toch dat in die jaren een aantal van zijn collega’s van Man U individuele prijzen wonnen, maar hij nooit door zijn medespelers voor PFA Player of the Year is gekozen en evenmin voor de Premier League Player of the Season. Ook nooit voor de Ballon d’Or of voor de FIFA World Player of the Year. In zijn beste seizoen (98-99) werd hij wel UEFA Club Footballer of the Year.

‘Goldenballs’, zoals Victoria hem omdoopte, is niet meer de blaaskaak die het bij Madrid als sandwichmannetje van Adidas in zijn hoofd haalde om het nummer 23 van Nike-god Michael Jordan te plagiëren, maar hij is nog steeds in de eerste plaats marketeer van zichzelf en zijn ego. Beckham is goed en glad gemaakt, maar wie Beckham een goede sportdocu vindt, heeft nog wat huiswerk.