Column De Fusie in De Morgen van zaterdag 30 september 2023

De fusie

Kernfusie is in de natuurkunde het samensmelten van atoomkernen, waarbij een zwaardere atoomkern met een hoger atoomnummer (en dus een ander chemisch element) wordt gevormd.

Kernfusies hebben al wel eens tot ongecontroleerde ontploffingen geleid, maar zijn evengoed onderdeel van de (goede, nou ja) werking van een kernbom.

Getroffen door een atoombom, zo voelt het wielrennen de hangende fusie tussen Soudal-QuickStep en Jumbo-Visma aan. Maar wat als hiermee, weliswaar laat getimed, de keiharde economische logica wordt gevolgd?

Het wielrennen is ontegensprekelijk met de neus op de feiten gedrukt als armlastige sport waar de echt grote internationale bedrijven, met uitzondering van Ineos, liever uit wegblijven. Te complex, te veel kosten, te weinig inkomsten, te oud publiek, onoverzichtelijk, als straatsport in de verdrukking, zowel qua veiligheid als logistiek, en ook nog eens met een discutabel trackrecord inzake gezondheid, zoals recent nog eens bleek.

Met als gevolg dat de ploeg die dit jaar alle grote rondes heeft gewonnen met drie verschillende renners (de grand tour slam is een nieuwe mijlpaal in het cyclisme) er moeilijk in slaagt om een nieuwe hoofdsponsor te vinden. En daarom gemakshalve de piste exploreert van samengaan met een van de grootste concurrenten, die toevallig wel een mooie sponsor heeft.

Armoede in het kwadraat, je kunt het niet anders benoemen. Nog een geluk dat ‘de koers’ in bepaalde Europese regio’s zoals Vlaanderen een passie is, anders was deze sport al lang verbannen naar het sportieve rariteitenkabinet. Om aan te geven hoe (on)belangrijk dat wielrennen in internationaal opzicht is, de Franse sportkrant L’Équipe (organisator van de Tour de France) heeft tot gisteren (pas op zondag 1 oktober, late toevoeging) nog met geen woord gerept over de aanstaande fusie. Alsof in het voetbal Manchester City en PSG gesprekken zouden voeren om samen te gaan en L’Équipe daar niks van zegt.

Inmiddels heerst grote onrust in het wielerpeloton. Waar het nieuws dat zondagavond eerst op Wielerflits verscheen nog kon worden afgedaan als een kwakkel of voorbarig, lijkt alles erop te wijzen dat de rook afkomstig is van een flink vuur. De internationale wielerunie UCI heeft zo goed als bevestigd dat ze op de hoogte is. Bij de ploegen, althans in de Belgische atoomkern, is gecommuniceerd dat er niet veel te melden valt, maar dat er te gepasten tijde meer nieuws volgt.

Om te weten wat en wie achter die plannen zit, zou het goed zijn om te weten hoe dit nieuws is gelekt. Uit de meegeleverde details kon je afleiden dat het niet zomaar een toevallig aan de tapkast opgevangen hintje was. De tactiek was: gooi de atoombom en we zien wel wat overblijft en wie rechtstaat.

Patrick Lefevere kunnen we uitsluiten. Zijn reactie na Anderlecht-Club was ongemakkelijk en evasief. Zijn rol in deze fusiesoap is van in het begin overschat. Als minderheidsaandeelhouder ondergaat hij, zoveel is nu zeker, en misschien gaat hij finaal zelfs ten onder.

Algemeen directeur Richard Plugge van Jumbo-Visma lijkt ook niet het type om via Wielerflits de kaarten op tafel te gooien. Het lek komt dan eerder van ontevredenen binnen Jumbo-Visma.

Maar wat als dit uit de hoek en uit de koker van Soudal-QuickStep-hoofdaandeelhouder Zdenek Bakala zelf komt? Hij heeft met Bessel Kok alvast een Nederlandse raadgever die de weg naar de media kent.

Iedereen gaat er nu gemakshalve van uit dat Jumbo-Visma de dans leidt, dat zij bij de fusie de betaalstructuur worden waaronder de nieuwe ploeg zal functioneren. Maar de urgentie is bij Jumbo-Visma, dat via de hoofdsponsor Jumbo in erg vieze papieren zit.

Het is daar alle hens aan dek en cash sparen sinds topman Frits van Eerd van de eigenaarsfamilie even in de gevangenis heeft gezeten. Straks moet hij samen met een handlanger verschijnen op beschuldiging van witwassen en dat is nog wat anders dan een discussietje met de belastingen, laat dat duidelijk zijn. Jumbo mag dan wel een contract hebben voor 2024, het is lang niet zeker dat het daaraan kan en wil voldoen. Vandaar de haast.

Enter Bakala. Die zou, aldus een betrouwbare bron, uitgekeken zijn op Lefevere en hoe die zijn ploeg leidt, maar – als dat klopt, is het verrassend – lang nog niet op het wielrennen. Dat de fusiegesprekken hebben plaatsgevonden in Wenen heeft alles te maken met de man die deze paringsdans leidt, en dat is onmiskenbaar Bakala.

Column Ajax in De Morgen van maandag 25 september 2023

Ajax

Het managen van een voetbalclub wordt soms voorgesteld als een heel complexe zaak. De achterliggende reden daarvoor is dat het management het riante salaris wil verantwoorden en dat doen ze juist door hun functioneren uit te leggen als een mix van hersenchirurgie en het naar Mars sturen van een bemande raket.

Dat het management in het voetbal zoveel verdient, heeft maar één reden: de exorbitante salarissen van het lagere personeel. Sport is samen met af en toe drugshandel de enige sector waarin de ondergeschikten meer kunnen verdienen dan de bazen.

Het managen van een voetbalclub is helemaal niet zo complex. Het vereist wel koelbloedigheid, kunnen omgaan met tegenslag, niet gaan dromen bij meeval en omdat voetbal en toeval maar één letter verschillen (de b van bal) die paar dingen die je juist kan doen toch vooral zo juist mogelijk doen.

In de eerste plaats: de gepaste mensen op de gepaste plek zetten. De typische voetbalvoorzitter mag een voetbalonkundige narcist zijn met een Napoleon-complex, zolang een voetbalclub maar een goede CEO vindt en laat doen. Waarna die zich op zijn beurt laat omringen met een goede sportief directeur en die twee de trainer aanstellen die past bij de club.

Als ze vervolgens met zijn allen een spelersgroep samenstellen die past bij het spel van de club, dan zijn ze al een heel eind en is het alleen nog aan de spelers om de ballen aan de ene kant weg en aan de andere kant erin te schoppen.

Zo simpel kan voetbal zijn en toch zie je dat sommige clubs er niet in slagen een hoogconjunctuur langer dan één, twee, hooguit drie jaar aan te houden. Als je achteraf gaat analyseren, zie je haast altijd dat de neerwaartse spiraal begon met slecht management en verkeerd personeelsbeleid.

Neem nu Ajax Amsterdam. Gisteren stond de eerste Klassieker van het seizoen op het programma: Ajax-Feyenoord. De recordkampioen staat dertiende in de Eredivisie en volgt al op tien punten van leider PSV. Oké, er zijn nog maar vijf wedstrijden gespeeld in een competitie van 34 en er is de wedstrijd van gisteren die nog moet worden afgewerkt, maar daarin staat het na een uur 0-3.

Dat was ook de reden dat die niet helemaal is uitgespeeld. De klassieker werd tot drie keer toe stilgelegd door de scheidsrechter en bij de tweede regen vuurpijlen vond die het welletjes. Een absoluut dieptepunt van een laagconjunctuur die nu al een jaar aanhoudt. Ajax is zo’n club waarvan je weet dat als ze het goed voor elkaar hebben, ze het altijd weer gaan verknoeien.

In het seizoen 18-19 werd Ajax landskampioen. Een jaar later was er geen kampioen, maar Ajax stond aan de leiding toen door corona de competitie werd stopgezet. De twee daaropvolgende seizoenen werden ze ook kampioen.

Toen vertrok Erik ten Hag naar Manchester United en in zijn plaats kwam Alfred Schreuder. Die kennen we nog van in Brugge en van die wist je: neen, dat wordt het niet. Halfweg moest hij eruit en werd Johnny Heitinga zijn opvolger. Als speler was het al op het randje, maar als trainer had hij geen uitstraling die bij Ajax past. Die kon het ook niet worden.

Inmiddels was daar in het laatste kampioenenjaar iets gebeurd: Marc Overmars was op het kopieerapparaat gaan zitten, dan nog met zijn broek op de knieën, had per ongeluk op de kopieerknop gedrukt en die kopie was als bij toeval bij een werkneemster terechtgekomen. Of het was met de iPhone, maar alvast een erg ongelukkige samenloop van omstandigheden. Overmars weg dus.

En dan gebeurde het: Ajax moest op zoek naar een manager sportzaken, een chief sports officer (CSO). Ze kwamen uit bij Maurits Hendriks, een hockeycoach die apparatsjik werd en twee Olympische Spelen chef de mission was.

Na vele decennia in de sportjournalistiek ontwikkel je ongewild een blaaskaakradar. Als Maurits Hendriks in beeld komt slaat die meteen tilt. Doe een search op zijn naam en je komt bij het persbericht dat Ajax bij zijn aanstelling uitstuurde. Kijk naar die zelfgenoegzaamheid op dat gezicht en je ziet genoeg.

Hendriks zocht een opvolger voor voetbaldier Marc Overmars en vond die in de Duitse datagoeroe Sven Mislintat. Beiden maakten zich in geen tijd bij Ajax onmogelijk met management newspeak als ‘aan de voorkant handelen’ en uiteraard met begeleidende powerpointpresentaties.

Inmiddels heeft Mislintat maandag geprobeerd om Maurice Steijn, de nieuwe coach sinds dit seizoen, te ontslaan omdat hij niet de juiste spelers opstelt. Dat lukte niet, want een dag later stond Mislintat zelf op non-actief nadat hij een transfer liet regelen door een makelaar die aandelen had in het databedrijf van Mislintat.

Succession meets Game of Thrones, dat is Ajax dezer dagen.

Column Hard voor het hart in De Morgen van zaterdag 23 september 2023

Hard voor het hart

Op zondag 11 augustus 2013 werd in Maldegem het Belgisch kampioenschap tijdrijden voor juniores gereden. Op één eindigde Igor Decraene. Hij zou een goeie maand later ook wereldkampioen tijdrijden worden in Firenze. Het filmpje van de viering in het hotel van de Belgische ploeg staat nog steeds op mijn iPhone. Zijn dramatische dood een jaar later was een ijskoude douche.

Op twee, op bijna een minuut: Nathan Van Hooydonck. Brons was toen voor Brent Luyckx. Groot talent, in 2015 maakte hij deel uit van het continentale team van Leopard en daarna meldt wielerdatabase ProCyclingStats niks meer. Je vindt hem vandaag terug als medeoprichter van het sportvoedingsmerk 4Gold, vooral bekend van die andere medeoprichter, Mathieu van der Poel.

Luyckx werd ziek in 2015. Ziekte van Crohn. Zware operatie ondergaan in 2017, even was het tricky, maar er toch bovenop gekomen. Altijd bevriend gebleven met zijn generatiegenoot Van der Poel en samen in business gegaan.

Drie grote motoren van een talentrijke lichting. Alle drie hebben ze de dood in de ogen gekeken. Eén is er in gebleven. Twee hebben het gehaald maar zijn voor het leven getekend. Geen enkele van dat podium van Maldegem kan of mag nog competitief fietsen, wat is dat wielrennen soms onrechtvaardig.

Van Hooydonck liet deze week weten dat hij blij is dat hij er nog is na zijn hartstilstand en zijn auto-ongeval en de coma die daarop volgde, dat hij en zijn vriendin uitkijken naar de geboorte van hun kind, dat wat hem is overkomen al bij al een geluk is bij een ongeluk.

Dat gevoel mag je hem niet afnemen, maar wat als na een maandje rust zijn ex-collega’s vertrekken om via lange trainingen in de milde zon van Andalusië de basis te leggen voor weer een fenomenaal seizoen, hoe zal dat nooit-meer-koersen dan binnenkomen?

Was hij maar een voetballer geweest, stond in nogal wat kranten, dan zou hij met zijn onderhuidse defibrillator of icd wel nog aan topsport mogen doen. Dat zeggen ook slimme mensen die daar veertien jaar of zelfs langer voor naar school zijn geweest. Hoe durf ik dan (geen veertien jaar naar school geweest en dus geen cardioloog) te betwijfelen of het wel verstandig is om de medische grenzen zo op te rekken?

Het is Anthony Van Loo ten volle gegund dat hij nog tien jaar na zijn eerste hartritmestoornissen is kunnen blijven voetballen, maar twee keer in elkaar zakken op een voetbalveld en dan maar hopen dat de icd het werk doet waarvoor hij is ontworpen en ingeplant (ja dus, in zijn geval), à la bonheur. Om nog niet te spreken van de impact op de omgeving als iemand voor dood neervalt om enkele seconden later letterlijk uit de doden op te staan door dat stel interne startkabels en batterij. Het resultaat was toch telkens weer een beetje meer littekenweefsel, waarna hem op zijn dertigste werd aangeraden om te stoppen met intensief sporten.

Bij elk bericht over een hartprobleem in het wielrennen is de reactie drieledig. Ten eerste: neen, niet opnieuw. Ten tweede: er zal wel weer iets worden gesuggereerd in verband met doping. Ten derde: als dat maar goed afloopt.

De vragen stapelen zich op. Wat met die hartscreening, hebben ze bij dat superprofessionele Jumbo-Visma dan niks gemerkt? De screening vindt niet alle potentieel gevaarlijke harten, simpel.

Zou het iets te maken kunnen hebben met corona, die welig tierde in de Tour of Britain? Wie weet, een stille hartspierontsteking in combinatie met een ritmestoornis kan hartfalen veroorzaken.

En heeft Van Hooydonck dan zelf nooit iets gemerkt? Wielrennen is nu eenmaal de zwaarste sport die de mens zichzelf vrijwillig aandoet, tot en met het zwart voor de ogen. Gevaarlijke signalen worden dan wel vaker genegeerd en daar zagen we deze week nog een voorbeeld van met Stefan Küng, die bloedend en met een hersenschudding weer op de fiets stapte.

Of ligt het aan al die trainingen al of niet op hoogte, heel vaak op de anaerobe drempel, met die verzuringen (acidose) en die zuurstofschuld (hypoxie), die de grenzen van het menselijke hart aftasten?

Het onderzoeken waard, maar dan nog blijft het een mysterie waarom lopers van de middenafstand (die even belastende trainingen afwerken; lees de Ingebrigtsens er maar op na) niet die problemen hebben. Heeft de gehoekte houding op de fiets er dan iets mee te maken? Of de duur van de inspanning? Of een combinatie van al het voorgaande?

Allemaal vragen waarop een antwoord moet komen. Er is nu veel te doen rond veiligheid in het wielrennen. Terecht. Doorgedreven onderzoek naar de effecten van intensief wielrennen op het hart behoort ook tot veilig wielrennen.

Column 50 jaar DoCoLab in De Morgen van maandag 18 september 2023

Vijftig jaar DoCoLab

De aanleiding voor dit stukje is het congres dat vanaf vandaag tot woensdag wordt georganiseerd voor de vijftigste verjaardag van het DoCoLab Gent. Ik mag daarbij zijn. Meer zelfs, ik mag een woordje spreken op de academische zitting. Titel: The press as Mitspieler. Een hele eer? Ja, maar voor de volledigheid: ik ben een late invaller voor sprekers die niet konden komen. Niet getreurd, ik zal als een naar relevantie hunkerende tafelspringer mijn tijd goed gebruiken.

Ik ken het DoCoLab, nog voor het zo heette en zelfs voor het een erkend lab was. Ik ken het van in 1972 toen ik in de Gentse Wispelbergstraat in de voormalige meisjesschool naar de nieuw opgerichte humaniora trok. De buurt van het Casinoplein, onze hang- out voor en na school, werd gedomineerd door een donker gebouw. Zo zou een Noord-Koreaanse martelgevangenis er kunnen uitzien.

Af en toe meenden we achter de muren gekrijs, geschreeuw, gejank en gehinnik te horen. Dat kon kloppen, want in de faculteit voor diergeneeskunde werden dieren behandeld. Heel af en toe moesten wij het Casinoplein ontruimen omdat een cameraploeg zich wilde opstellen bij de bankjes waar wij relaties smeedden voor het leven, of toch voor die ene week.

Vervolgens haalde de tv een grote, kalende man uit het Noord-Koreaans prison. Hij droeg een witte kiel en keek nors. Het net verschenen Het boek der kampen van Ludo Van Eck hadden we uitgebreid bestudeerd in de klas en wij vroegen ons af of die man in de witte kiel niet de onvindbare Dr. Mengele kon zijn.

Neen, ik leerde hem later kennen als de farmacoloog professor Michiel Debackere. Dat was in 1977 toen ik als beginnend krantenmedewerker mee mocht naar datzelfde Casinoplein, alwaar Mengele/Debackere uitleg kwam geven over die 24 Vlaamse renners die bij een en dezelfde wedstrijd op pemoline (merknaam Stimul) waren betrapt.

De grote Eddy Merckx, op de terugweg, was daar ook bij. Later zou Debackere mij toevertrouwen dat de chemicus-broer van Eddy zijn universitaire thesis over pemoline had geschreven. “Ge laht doa mee, mijnheer Vandeweeeehe, maar dat is eihentlik niet om te lahhen.” Mengele was van de Westhoek.

Is toen mijn interesse in doping ontstaan? Ik zou het niet weten, maar nadien kwam dat fenomeen altijd weer op mijn journalistiek pad en werd het een beetje een USP (uniek verkoopargument). Ik kreeg in 1986 toegang tot de grote dopingjager Manfred Donike en na een minitest met drie vragen mocht ik hem interviewen.

Donike werd een kennis. Hij vertrouwde mij en hij gebruikte mij, en omgekeerd. Ik voor informatie. Hij om aan zijn vrouw te melden dat hij met mij ging eten terwijl dat met zijn medewerkster-vriendin was. Ik kreeg in ruil het dossier over discuswerper Erik de Bruin, in wiens plasje tot drie illegale stoffen waren gevonden, en stond meteen op de journalistieke kaart in mijn professioneel adoptieland Nederland.

Donike had een kop waar hij koffie uit dronk. Daar stond op: I never make mistakes. Daaronder, iets kleiner geschreven: once I thought I did, but I was wrong. Ik heb die uitspraak ooit op een T-shirt laten drukken, maar op straffe van scheiding ben ik er nooit verder mee geraakt dan mijn oprit.

Nog jaren later vroeg de internationale wielerunie UCI mij om een brochure te maken over haar strijd tegen doping. Dat was in volle epo-periode. Ik kreeg inzage in haar bevindingen en zag hoe groot het probleem was. Ik zag ook hoe zwaar de sport was voor het hart en kreeg te horen (maar mocht het niet schrijven) dat epo, aldus een cardioloog destijds, wellicht hartbeschermend werkte en dus zeker niet verantwoordelijk was voor de hartdoden van de jaren tachtig. Doping was/is niet altijd een kwestie van zwart of wit, maar ook van veel grijs.

Ik zocht de hoofdrolspelers op. Francesco Conconi in Ferrara, geïnterviewd. Een hypocriete bedrieger die naar een opsporingsmethode voor epo zocht maar tegelijk de hele Italiaanse top van het spul voorzag. Dottore Michele Ferrari, thuis geïnterviewd. Een doodeerlijke, getormenteerde man, althans tegen mij.

Nog later hebben we in deze krant de sms’jes van Johan Museeuw geopenbaard. De zaak-Rutger Beke is hier in primeur verschenen, net als de positieve plas van Thomas Van der Plaetsen. Telkens met de nodige omzichtigheid, met respect en context, maar zelden zo begrepen. Het zij zo.

Bovenal zullen mij de gesprekken bijblijven met dokter Eric Rijckaert, de Festina-arts. In de laatste jaren van zijn leven hielp ik hem met het schrijven van zijn boek. In ruil kreeg ik totale inzage in zijn dopingmethode, tot en met een print van wie, wanneer, wat in de Tour van 1998 moest gebruiken. “Ik heb fouten gemaakt. Probeer te begrijpen waarom,” zei hij, “en oordeel niet in zwart en wit.”

Column Het Plan in De Morgen van zaterdag 16 september 2023

Het Plan

Als alles een beetje normaal verloopt, wint Sepp Kuss morgen zijn eerste en misschien enige grote ronde. Misschien enige, omdat hij niet het type is om over een week in de service course in Den Bosch op tafel te komen kloppen voor een upgrade in salaris en statuut.

Grote kans dat het dus bij die ene Vuelta blijft en hij de volgende jaren weer op kop sleurt voor kopmannen die op papier betere waarden laten optekenen en die in de tactiek hoger worden ingeschaald.

De lat lag al hoog met twee Tour-zeges op rij, vervolgens die drie grote rondes in één jaar, en nu ligt ze onmogelijk hoog: drie grote rondes winnen met drie verschillende renners en in een grote ronde een heel podium bezetten. De kans dat dit ooit wordt geëvenaard, is haast onbestaand.

Hoe zou het nog fout kunnen gaan voor Kuss? Een val vandaag in wat een verraderlijke etappe heet te zijn. Of in de val lopen van een grandioos masterplan om het triumviraat van Team Jumbo- Visma te onttronen, afgelopen nacht beraamd door de Spaanse entente van UAE, Bahrain Victorious en Movistar? Met kopmannen die op vier minuten volgen is meer nodig om die Nederlands-Sloveens- Deens-Amerikaanse machine te stoppen.

Vóór mij ligt Het plan, geschreven door de Nederlandse collega Nando Boers. Drie jaar lang heeft hij achter de schermen mogen meelopen met Jumbo-Visma. In normale tijden een cadeau in het niet erg toegankelijke wielrennen, maar toen Boers en ik in februari 2020 samen aan de Teide zaten waren net twee hotels op Tenerife gesloten omwille van een nieuw Chinees virus. Uitgerekend in de journalistiek moeilijkste jaren, met minimale toegang en tot op vandaag mondkapjes en afstand houden, is Boers erin geslaagd om een hoogst interessant en voor het archaïsche, gesloten wielrennen zeer revelerend boek af te leveren. Het plan verscheen deze zomer net voor de Tour bij uitgever Ambo/Anthos.

Het is met zijn 366 pagina’s een aanrader voor eenieder die geïnteresseerd is in topsport, dat hoeft niet eens wielrennen te zijn. Ook voor wie wil weten hoe je een hecht team moet bouwen en wat nodig is om resultaat te halen. Het zou Vlamingen ook kunnen helpen om de hype te doorprikken rond een Oscar voor Beste Kostuum, ook bekend als bollentrui.

Het boek verdient een vertaling. In het Deens ligt het er al, Engels is work in progress en zo mogelijk moet het ook in het Frans. Al was het maar om het aan ex-renner Jérôme Pineau te schenken, waarna hij hopelijk die onzin als “bij TJV doen ze aan mechanische doping” achterwege zou laten. Niet dus, maar ze hebben het daar anderzijds wel verdomd goed voor elkaar.

De timing is toch opvallend. Toen Pa(trick) Evenepoel uit zijn krammen schoot tegen La Dernière Heure en zei dat de ploeg Soudal- QuickStep in alle opzichten nog stappen zou moeten zetten om zijn zoon optimaal aan de start van de Tour de France te krijgen, en dat het bijgevolg helemaal niet zeker was dat hij daar volgend jaar zou rijden, was Het plan net verschenen.

Het is haast ondenkbaar dat hij het niet heeft gelezen. En niet is geschrokken van de methodische wijze waarop TJV jaar na jaar aan succes heeft gebouwd, met als doel het beste groterondeteam van de wereld te worden. De selectie, de voeding, de training, de wetenschap, de fietstests, de mentale begeleiding, de tactiek; je vermoedt wel dat het allemaal meer en meer speelt in het moderne wielrennen, maar niet tot in die details.

Natuurlijk blijft het aan het eind nog altijd een strijd van man tegen man en wint vaak de sterkste, maar een team is soms sterker. Tadej Pogacar was de sterkste, hun zwarte beest, en dus lokten ze hem als team in de val in de Tour van 2022 in de rit over de Galibier naar de Col du Granon. Ze reden hem in de dagen ervoor en de dag zelf in de vernieling. (Dat moet Remco Evenpoel bekend voorkomen.) De hele voorbereiding van dat moment, de tactiek, het inschatten van de mindset van Pogacar (voorspeld door Wout van Aert), dat wordt allemaal uitgelegd.

Dus wat zou er in godsnaam nog fout kunnen gaan vandaag? Dat staat in het boek, maar je moet het een beetje van tussen de regels halen. De einzelgänger Primoz Roglic, over wie het team zich soms zorgen maakt – “dan is hij weer onbereikbaar en reageert hij alleen met een vuistje op een app” – die alsnog besluit dat hij de Vuelta wil winnen en een bommetje gooit.

Eergisteren zei hij nog: ik heb zo mijn eigen idee over onze tactiek. Jumbo-Visma is een sterk team en het geheel is sterker dan de op zich al erg sterke delen. Roglic is daarin de onzekere en Jonas Vingegaard de stabiele factor. Sepp Kuss moet dus hopen dat de Deen de baas kan blijven van het drietal.

Column Remcooo..och in De Morgen van maandag 11 september 2023

Remcooo…och

Zo zal het afgelopen vrijdag vroege namiddag zijn gegaan in het HQ van TJV…

– Halfweg de Aubisque. “Kijk eens, ze doen wat ze moeten doen die van ons, de koers hard maken. Bij een paar zullen de benen nu al vol gaan lopen.”

– Even later. “Ho maar, zelfs Remco vindt het een beetje hard gegaan. Wacht effe… Hé boys, Remco lijkt te moeten lossen. Jawel, zijn hele ploeg rijdt bij hem.”

– Consigne vanuit de volgauto: “Confirmed. Remco dropped. Full gas now.”

Een korte samenvatting van de feedback vanuit Jumbo-Visma. Dat hij het lastig zou krijgen na die eerste week en in de Pyreneeën, dat hadden we verwacht, daar hadden we zelfs op gerekend, hem uitputten was ook onze tactiek. Maar dat hij al na vijftien kilometer in een loper als de Aubisque moest lossen, neen, dat hadden we nooit kunnen vermoeden. We hebben dan maar meteen geprobeerd de Vuelta op slot te gooien.

We weten niet wat vrijdag is gebeurd. Dat was de teneur onder de Belgische volgers na de rit van zaterdag waarin Remco Evenepoel — een citaat, ronduit gênant — “als de feniks van Schepdaal uit zijn as herrees”. Nog gênanter: de lofzangen na de solo van zaterdag.

Uiteraard weten we wat vrijdag is gebeurd met Evenepoel. Congé gepakt op een fout moment, zeg maar. Vrijdag was de rit die andere toppers, lees Team Jumbo Visma, hadden aangestipt om hem te testen. Dan neem je geen snipperdag, dan verbijt je ook die mindere benen, zet je een pokerface op en reken je op een heropstanding later in de rit. Maar je haakt niet af. Nooit.

Zaterdag was dan weer het omgekeerde van vrijdag. Na hun raid naar de Tourmalet namen de toppers een snipperdag. Maar Evenepoel wilde zijn verloren eer herwinnen en ging solo. Hoe de toppers lieten begaan, dat was pas beschamend.

De grote Evenepoel, de bimbo d’oro van het Belgisch cyclisme, ontmand in rit dertien, mocht zijn showtje opvoeren en geen grote uit het klassement die hem daarbij een strobreed in de weg legde. Zelfs Cian Uijtdebroeks liet deze getormenteerde ziel zijn pleziertje.

Hij kreeg een bijna uitgefietste zelden-winnaar mee en liet die op een paar kilometer van de finish achter. Acht minuten later kwam de rest binnen, en wat dan nog? Ergens viel de naam Floyd Landis en diens exploot van in de Tour van 2006 toen hij in rit zeventien werd weggereden.

De vergelijking houdt geen steek. Landis tankte die avond na zijn inzinking — tien minuten verloren op La Toussuire — een vers zakje bloed, waarin een beetje exogeen testosteron zat, zo bleek later. Hij wiste in rit achttien haast alle achterstand uit om op de voorlaatste dag in een tijdrit het geel te veroveren. Dat droeg hij in Parijs, maar speelde hij later weer kwijt na een positieve dopingtest.

Dat zal Evenepoel niet overkomen. Hij zal het rood niet terugnemen en hij zal ook niet worden betrapt, hand in het vuur daarvoor. De vraag blijft: wat is vrijdag gebeurd met Remco Evenepoel?

Het antwoord ligt voor de hand: bij Evenepoel beginnen zijn benen tussen zijn oren. Vrijdag kon je nog twijfelen aan de these van mentale breakdown, na zaterdag niet meer. Je verliest geen half uur de ene dag om de andere dag met acht minuten voorop te winnen, weze het dan tegen een mededogend peloton dat hem op veilige afstand volgde tegen niet eens 5 watt per kilogram bergop.

Bij alles wat hiervoor staat en wat hierna nog komt, toch even deze disclaimer: Remco Evenepoel behoort tot de beste drie Belgische renners van de laatste veertig jaar. Zijn palmares is ongeëvenaard: kleine rondes en (voorlopig) één grote, zware klassiekers, wereldtitels en er komt nog wat aan. Dat zou moeten volstaan, maar niet voor hem: de uiteindelijke missie is het winnen van de Tour de France.

De déconfiture in deze Vuelta doet zijn entourage nog meer dan voorheen twijfelen over de haalbaarheid van dat project tegen deze generatie van Vingegaard, Pogacar, Kuss, Roglic, Ayuso en al wie er nog aankomt.

Tour-winnaars zijn mannen die van een slechte dag een mindere dag maken en die doorslikken. Een slechte dag wordt bij Evenepoel vooralsnog een complete collaps. Zo win je geen grote ronde, althans geen editie waarin heel wat favorieten dag na dag op het scherpst van de snee rijden. Dat was niet het geval in de Vuelta vorig jaar, en die won hij wel.

Naast de twijfel — “kan ik het wel tegen de wereldtop?” — waar Evenepoel nu van wakker ligt, blijft ook de ploeg Soudal-QuickStep met die ene grote vraag zitten. Is het wel verstandig om een groterondeploeg te bouwen en daarmee alle eieren in het mandje te leggen van een allrounder die alles kan winnen, behalve die ene koers die hem obsedeert?

Column Rugby World Cup in De Morgen van zaterdag 9 september 2023

Rugby World Cup

In welke soms brutale contactsport staan atleten van 148 kilogram op hetzelfde veld als spelers van 70 kilogram? Of reuzen van 2,08 meter samen met ukkies van 1,65 meter? In welke sport loopt dat meestal goed af, omdat de tegenstanders elkaar respecteren, en gaat ook niemand gratuit liggen alsof overreden door een bulldozer? En in welke sport wordt dat spektakel in het veld passioneel beleefd door fans van de twee teams die in dezelfde vakken zitten zonder de behoefte om elkander de hersens in te slaan?

Rugby.

Voetbal en rugby zijn halfweg de negentiende eeuw uit elkaar gegroeid en dat had (onder meer) te maken met hacking (neerhalen) en tripping (pootje lap). In het te ruwe rugby mocht dat nog, de sissy’s van het soccer wilden dat niet meer. Honderdzestig jaar later is neertrekken en pootje lappen uit het rugby verbannen.

In het voetbal is het vandaag tot ware kunst verheven om op het juiste moment iemand neer te trekken of een pootje te lappen en vooral om daarmee weg te komen. Nog een stapje verder in de evolutie van de voetbalmores is theatraal neergaan en zo een strafschop versieren of iemand een kaart aannaaien, een rode bij voorkeur.

Nog één om het af te leren: in welke contactsport wordt het ergerlijke gezeur tegen de scheidsrechter niet geduld?

Gisteren is de Rugby World Cup 2023 begonnen in Frankrijk. De RWC wordt nog maar voor de tiende keer georganiseerd en de eerste negen edities zijn door vier verschillende landen gewonnen: Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika (elk 3), Australië (2) en Engeland (1). De openingswedstrijd hebben we achter de rug, die was gisteren om 21.15 uur en zette thuisland Frankrijk tegenover Nieuw-Zeeland.

Nieuw-Zeeland is het grootste van alle kleine sportlanden in de wereld. In Tokio twintig olympische medailles voor 5,2 miljoen mensen, ga er maar aan staan. In het rugby is het de maat der dingen. Nooit heeft een kleiner sportland een grotere sport beheerst. De All Blacks, de Nieuw-Zeelandse rugbyselectie die een kruising is tussen FC Barcelona en een tankbrigade, zijn een nationaal symbool, een nationale trots, met een geschiedenis van meer dan honderd jaar.

Alleen zit de klad er een beetje in en de voortekenen zijn niet bepaald gunstig. Telkens als de All Blacks in West-Europa landen, brengen ze normaal een bezoek aan de begraafplaats Nine Elms aan de Helleketelweg in Poperinge. Daar, plot III in rij D, graf nummer 8, ligt sergeant Dave Gallaher, gestorven op 4 oktober 1917 op 44-jarige leeftijd aan verwondingen opgelopen bij de derde slag om Ieper, beter bekend als de slag om Passendale.

Kiwi’s met een rugbyhart – zijn er anderen? – die België aandoen brengen een bezoek aan Gallaher, de eerste captain van de eerste nationale rugbyselectie die onder de naam All Blacks naar Engeland reisde, daar iedereen leerde hoe rugby moest worden gespeeld en de reputatie van het meest dominante team ooit in de wereldsport vestigde.

Omdat hun uitvalsbasis voor dit WK Lyon is, zijn ze deze week niet verder geraakt dan de begraafplaats en het memoriaal van Longueval in de Somme, waar 1.205 Nieuw-Zeelandse soldaten begraven liggen. Tussen de graven werd de traditionele haka opgevoerd. Thuis, aan de andere kant van de wereld, zijn ze er alvast niet gerust op en niet alleen omwille van het doorbreken van de Nine Elms-traditie.

Sportief liep het dit jaar niet zoals het zou moeten. Alle wedstrijden ter voorbereiding werden wel gewonnen, behalve de laatste eind augustus. Op Twickenham, in Engeland, kregen de kiwi’s een 7-35-bolwassing van de Springboks, de Zuid-Afrikaanse selectie. Het was de zwaarste nederlaag sinds 1928 en ze staat symbool voor een groter probleem.

Het modelland Nieuw-Zeeland is sinds 15 juni van dit jaar officieel in recessie. Het moreel van de modale kiwi staat historisch laag. De Nieuw-Zeelandse rugbybond heeft op de economische situatie geanticipeerd door in zee te gaan met Ineos, 12,5 procent van de marketingrechten te verkopen aan Silver Lake (mede-eigenaar van City Football Group) en ook een contract aan te gaan met Altrad, wereldleider in industriële diensten.

De auteur van Black Gold, een boek over de uitverkoop van de All Blacks, noemt de marketingafdeling van de Nieuw-Zeelandse bond de grootste vijand van de All Blacks. Als de All Blacks geen wereldkampioen worden, doe dan maar de Springboks. Zuid-Afrika is de regerende wereldkampioen van Japan 2019. Het spel van de ‘Bokke’ is niet zo spectaculair als dat van de All Blacks, maar ze hebben sinds 2018 met Siya Kolisi een zwarte captain. Kolisi is een Xhosa, geboren in een township.

Nelson Mandela kijkt toe en ziet dat het goed is, althans op het rugbyveld.

Column Bright Stars in De Morgen van maandag 4 september 2023

Bright Stars

Samuel Sooleymon is de hoofdpersoon van het boek dat ik op reis las. De schrijver is John Grisham. Ik beken, het moet niet te moeilijk zijn tijdens de vakantie. Was ook mee: het handboek Geopolitical Economy of Sports. Dat heeft erbij ingeboet.

Het boek heet Sooley en gaat over een Zuid-Soedanese jongen die met een selectie van getalenteerde basketbalspelers naar de VS mag. Hij is ternauwernood bij de selectie gehaald omdat een andere jongen uit zijn dorp geblesseerd afhaakt en wordt in de VS na een redelijk toernooi opgevist door een universiteit. Die heeft medelijden met hem omdat tijdens zijn VS-trip de helft van zijn gezin is uitgemoord door een rebellenleger en de helft die niet is uitgemoord in een vluchtelingenkamp in Oeganda is terechtgekomen.

Op North Carolina Central in het basketbalwalhalla Durham wordt hij in geen tijd de sensatie van het college basketbal. Driepunters, drives, blockshots, rebounds, clutch plays, hij doet het allemaal. (Ter herinnering, het is een roman, hoewel North Carolina Central wel bestaat en het redelijk trots was te figureren in een boek van een van de best verkochte schrijvers van het moment.) Next voor Sooley: de NBA natuurlijk.

Hij wordt gedraft door de Pistons uit Detroit, die hem meteen traden naar de Washington Wizards, waarmee Sooley heel blij is want dat is relatief dicht bij Durham, althans dichter dan Detroit. Zo blij is hij dat hij zijn moeder en de broers en zussen die het hebben gehaald (vader en één zus zijn vermoord) uit dat kamp zal kunnen helpen, dat hij voor één keer mee gaat feesten.

Het gezelschap besluit er een tripje naar een rapfestival op de Bahamas aan vast te hangen. Daar gaat het fout. Sooley neemt een pilletje aan van een mooie jongedame en dan nog eentje en nog eentje, en gaat samen met haar naar zijn kamer. Vervolgens gaat bij hem het licht uit en nooit meer aan. Sooley is dood. Er wordt een fonds opgericht om zijn familie toch naar de VS te halen, wat ook gebeurt, en hij krijgt een standbeeld aan de universiteit. Einde verhaal.

Aan dat boek moest ik denken toen ik zaterdag de uitslagen van het WK basketbal checkte. Jawel, de tweede sport in de wereld houdt momenteel een WK met de finale volgend weekend, maar daar leest of hoort u in dit land haast niks over, omdat wij in onze koers- en voetbalnavelstaarderij het bredere sportplaatje uit het oog zijn verloren.

Zuid-Soedan heeft zaterdag gewonnen van Angola en werd zo het hoogst gerangschikte Afrikaanse land op het WK, wat automatische kwalificatie betekende voor de Spelen. Dat is een aardverschuiving op het donkere continent. In Afrika was de hiërarchie jarenlang Angola op één, tot Tunesië er een keer kwam tussenfietsen en de laatste twee Olympische Spelen was Nigeria de Afrikaanse vertegenwoordiger.

Zuid-Soedan had zelfs de laatste zestien van het WK kunnen halen. Het verloor nipt van Puerto Rico in de eerste wedstrijd, maar klopte daarna de Filipijnen en China om vervolgens kansloos te verliezen van Servië. Daardoor haalde het niet de laatste zestien, maar door Angola te kloppen in de plaatsingswedstrijd eindigde het op de zeventiende plaats als hoogste Afrikaans land.

Zuid-Soedan bestaat pas sinds 2011 en is het gevolg van decennialange burgeroorlogen en moordpartijen. Zuid-Soedan was niet op de Spelen van Londen 2012, en stuurde respectievelijk twee en drie atleten naar die van Rio en Tokio. Tot nog toe haalden ze nul medailles, al is er wel een geboren Zuid-Soedanees olympisch kampioen. Tweevoudig wereldkampioen Mutaz Barshim won het hoogspringen in Tokio, maar komt uit voor Qatar.

Volgend jaar zullen ze met minstens vijftien in de openingsceremonie lopen en ze zullen opvallen. De basketballers van Zuid-Soedan zijn haast allemaal Dinka’s, een stam behorend tot de Nijl-volkeren, die van de langste mensen ter wereld op aarde zet. Bright Stars heet hun team, maar Dunkin’ Dinkas had natuurlijk ook gekund.

Basketbal is er een nationale sport sinds Manute Bol met zijn 2,31 meter een bezienswaardigheid werd in de NBA van de jaren tachtig en negentig. Later deed Luol Deng het niet onaardig. De aankomende sensatie van de ploeg is de zestienjarige Khaman Maluach. Hij speelt voor de NBA Academy in Afrika, meet voorlopig 2,18 meter en zal zich in 2025 voor de NBA-draft aanbieden.

In Parijs 2024, of beter in Lille want daar gaan de voorrondes door, wordt Zuid-Soedan de Afrikaanse vertegenwoordiger, al kan het nog dat een tweede Afrikaans land zich plaatst via een olympisch kwalificatietoernooi. Wie tickets heeft voor het baskettoernooi in Lille moet nu heel hard hopen op een wedstrijd van Zuid-Soedan.

Column Koppelbazerij in De Morgen van zaterdag 2 september 2023

Koppelbazerij

Er is vreugde in voetballand omwille van, zoals dat heet, de Europese successen: vijf op vijf Belgische clubs die zich wisten te kwalificeren voor de eindronde van de Europese competities. Dat klinkt mooi, maar tegelijk een beetje naïef. Twee jaar geleden heeft de Europese voetbalbond UEFA plotsklaps een derde Europese beker (terug) in het leven geroepen. Ineens ging het van 80 ploegen in twee Europese bekers naar 96 in drie Europese bekers.

De Conference League, zo heet die derde Europese beker. Die is op maat van landen als België – te oud en te groot voor de poppen, te jong en te klein voor de liefde van de Champions League – en dat blijkt ook weer dit jaar met maar liefst drie Belgische clubs in de Europese kneusjesbeker.

Die obsessie om Europees te spelen, ooit zal eens iemand die ballon moeten doorprikken met een studie over de investeringen die nodig zijn om op meerdere fronten actief te zijn en de kosten die daar tegenover staan. Dat geldt niet voor Antwerp en in mindere mate ook niet voor Union, die in de eerste twee Europese competities aantreden.

Voor clubs in de Conference League zijn investeringen in een grotere kern (drie, vier, vijf man extra) lastig af te dekken door meerinkomsten. Het stadionbezoek valt meestal tegen omdat de tegenstanders niet aanspreken en de spelers extra premies onderhandelen. Zo blijft de vaststelling dat Europees voetbal vooral de ijdelheid streelt van clubbesturen, trainers en ook wel een beetje de media, die zich verzekerd weten van minstens drie extra trips over de grens.

Nu, er is natuurlijk zoiets als de Europese coëfficiënt en daarin doet België het niet slecht. Vorig seizoen was België het vijfde best presterende land in het Europese voetbal. Waar dat ineens vandaan kwam, geen mens die het kan uitleggen. Het laat de kritiek op de correctie van de overheid op de (para)fiscale voordelen van het voetbal alvast erg hol klinken. In het jaar dat de Belgische clubs dat schijntje moesten opleggen, stegen ze van plaats achttien (2021-’22) naar plaats vijf op de coëfficientenranking. Omdat die over de duur van vijf jaar wordt berekend, staat België nu op plaats acht.

Die vijf op vijf is opmerkelijk omdat maar vijf landen erin zijn geslaagd al hun inschrijvingen naar de eindrondes te loodsen. Dat zijn Engeland, Italië, Duitsland en Frankrijk samen met België, dat het vijfde grote voetballand (Spanje) zijn achtste vertegenwoordiger afpakte toen Club het haalde van Osasuna.

Overigens ligt die puntentelling voor de coëfficiëntenlijst zwaar onder vuur van de grote voetballanden. Zij willen dat presteren in de Champions League extra wordt beloond. Het is een beetje raar dat straks een eventuele Champions League-overwinning van Antwerp in Barcelona evenveel punten waard is als een overwinning van Club bij Lugano in de Conference League.

Over die Europese successen ging het gisteren in de media en zal het vandaag nog gaan, en ook het vernieuwde Extra Time zal zich wentelen in deze genoegzaamheid. Dat Extra Time is een maand na de start van de competitie wakker geworden. Mogen we dat een lichtelijke vorm van journalistieke luiheid noemen?

Het programma heeft nu een spelverdeler die geen presentator wil worden genoemd. Dat wordt erg spannend in aflevering één: of een aap met een hoedje erin slaagt om geen aap te zijn. Het is te hopen dat de spelverdeler, die onnavolgbaar was als spits, ook een bal in de diepte stuurt naar zichzelf en zich afvraagt waarom niemand in het Belgische voetbal valt over een transfer van 25 miljoen euro en 5 miljoen eventuele bonussen.

De duurste inkomende transfer in de geschiedenis van het Belgische voetbal kwam op naam van promovendus RWDM. Hoe de negentienjarige Ernest Nuamah geen minuut in Molenbeek zal voetballen omdat hij meteen wordt doorverhuurd aan Olympique Lyonnais is je reinste koppelbazerij.

Lyon, dat met John Textor dezelfde eigenaar heeft als RWDM, heeft financiële zorgen en is onderhevig aan strenge Franse financial fair play-regels. Nuamah kopen op de Franse rekening, dat mocht niet. Textor heeft dan maar de club uit Molenbeek als omweg gebruikt en leent de speler uit aan zijn hoofdclub.

Voor wie er nog mocht aan twijfelen wat de finaliteit is van het Belgische voetbal en waarom zoveel buitenlanders interesse hebben in onze clubs: dat is uitzendarbeid, koppelbazerij en mensenhandel, rijkelijk gesubsidieerd met fiscale en parafiscale voordelen. En geen haan – niet de Pro League, niet de voetbalbond, niet de overheid – die ernaar kraait.

Column De Lage Landen in De Morgen van maandag 28 augustus 2023

De Lage Landen

Het zou een voorbode kunnen zijn voor de uitkomst van de Vuelta, of niet, maar we kunnen er niet omheen dat deze zomer de Belgen — op Lotte Kopecky na — het al te vaak hebben moeten afleggen tegen de Nederlanders.

Vers in het geheugen ligt natuurlijk de wereldtitel van Mathieu van der Poel, ten koste van Wout van Aert. Later op dat Super WK reden de Nederlanders Jan-Willem van Schip en Yoeri Havik de Belgen Robbe Ghys en Lindsay De Vylder zoek in de laatste fase van de ploegkoers. Resultaat: goud voor Nederland, vierde plek voor België.

De voorbije dagen stonden in het hockey de nationale elftallen van Nederland en België drie keer tegenover elkaar. Twee keer bij de vrouwen, één keer bij de mannen. Nederland-België werd 3-0. Eindafrekening: Nederland dubbel goud, België een zilveren en een bronzen medaille.

Confrontaties tussen de twee buurlanden leiden niet zelden tot wat animo. Meestal begint het met de Nederlanders die wat zeggen, want die zeggen altijd wat, waarop de Belgen overdreven reageren.

Of dat de insteek was van die eerste voorzet is niet helemaal duidelijk, maar het komt uiteindelijk er wel op neer dat Nederland met een psychologische voorsprong de strijd ingaat. In dit geval was dat de finale van het EK, nadat ze eerder al in de groepsfase België met 2-0 wandelen hadden gestuurd.

Eergisteren verscheen op de site van de Koninklijke Nederlandse hockeybond twee minuten na affluiten in de vrouwenfinale al een verslag. Nederland had overtuigend gewonnen met 3-1 en in de inleiding stond volgende zin: “Oranje schoot als een raket uit de startblokken en kwam binnen vijf minuten voor te staan met 2-0 tegen de Belgen, die hun spierballentaal van de afgelopen week niet in daden wisten om te zetten.”

Er was nooit sprake van spierballentaal aan onze kant, wel van onnozele opmerkingen zoals “Alle Hollanders zijn arrogant”, aldus Alix Gerniers. Nu hebben die Nederlandse vrouwen wel een air over zich en over een tiental jaar kunnen ze allemaal figureren in de remake van Gooische Vrouwen, maar misschien is Alix Gerniers, upper class Vlaamse Ardennen, de laatste die daar iets moet van zeggen.

Zelfbewustzijn wordt vaak verward met arrogantie. Overigens hadden die vrouwen niets gezegd, maar was het de coach Paul van Ass die de Belgen uit hun kot had gelokt met de melding dat ze te veel aan verdedigen denken. Dat is overigens een verwijt dat over seksen heen wel eens meer vanuit Nederland richting Belgisch hockey wordt gemaakt: te afwachtend, te zeer rekenend op de penalty corners.

Om een lang verhaal kort te maken: de Panthers liepen blind in de val. Te veel ruimte weggegeven en drie keer op het zwaard gelopen. Het was opvallend hoe vanuit Belgische hoek zowel het verlies van de mannen als van de vrouwen werd uitgelegd als verdedigende fouten, terwijl Nederland het had over de drang naar voren waardoor de tegenstander fouten maakt. Het is maar hoe je het bekijkt.

Nederlanders zijn doorgaans heel erg oké. Ik ben ervaringsdeskundige na er twaalf jaar te hebben gewerkt. Het waren de beste, meest productieve en inspirerende jaren van mijn professioneel leven en dat had te maken met de Nederlandse sportomgeving.

Eén ding heb ik snel geleerd: in Nederland moet je ‘je poot zetten’, opkomen voor jezelf, uitkomen voor je mening. Bij mij was dat op mijn eerste buitenlandse opdracht in Helsinki bij het EK atletiek gaan eten in een Russisch restaurant (zouden we nu niet meer doen) en de fles rode wijn terugsturen.

Dat maakte indruk, want tot ik hen er op wees dat ze kurk aan het drinken waren, had geen van de Nederlandse collega’s iets door. Die Hollanders toch… Om de haters voor te zijn, ik heb er ook wel aan journalistiek gedaan en ik mocht acht jaar lang mee leiding geven aan een mooie redactie van een mooi sportblad in de mooie Nederlandse sport.

Nederland is het grootste kleine sportland ter wereld: vier (weliswaar verloren) WK-finales voetbal en in Tokio 36 olympische medailles. Het merendeel daarvan behaald door atleten die het niet breder hebben dan die van ons, niet noodzakelijk beter getraind en meer getalenteerd, maar wel met meer ambitie, niet bang om zichzelf uit te dagen en het onmogelijke te proberen.

Zoals Van Schip en Havik in die WK-ploegkoers uit haast verloren positie hun goud pakten. Daarom schaamde ik mij dood als Belg toen Robbe Ghys zei dat hij liever vierde was dan met Hollanders op het podium te staan. Ik dacht: Robbe, zoek op…Netherlands at the Olympics…lees, tel de medailles en hou je mond.