Column ‘Ik had met Sinner te doen’ in De Morgen van dinsdag 10 juni 2025

Ik had met Sinner te doen

Tijd voor sport zoals op zondagen uit lang vervlogen tijden. Toen was het studeren met Roland Garros en een paar weken later Queens en Wimbledon op de stille achtergrond, al te vaak geen beste combo, afgelopen weekend was het languit op de sofa tennis kijken.

De finales van Roland Garros zijn dit weekend gewonnen door Coco Gauff bij de vrouwen en Carlos Alcaraz bij de mannen.

Aan de vrouwenfinale – zinderend volgens de VRT-nieuwslezers – was geen hol te beleven. Dat had deels te maken met de wind, maar voor het grootste deel toch met het zwakke presteren van Aryna Sabalenka. Zeventig unforced errors sloeg de Wit-Russische. Op 31 spelletjes. Sabalenka heeft naast één set voor zichzelf zo ongeveer een hele set voor haar tegenstandster gescoord.

Ze is inmiddels op Mykonos om met alcohol en gummibeertjes haar verdriet te verwerken. “Zij heeft niet gewonnen. Ik heb verloren”, had ze nog als commentaar voor ze vertrok uit Parijs. Leuk sfeertje daar onder die vrouwen.

Neen, dan de mannen. Daar corrigeerde in een cruciale fase in de vierde set Jannik Sinner een foutje van de lijnrechter: “Zijn bal was in, mevrouw de scheids, zijn service telt dus.” Collegiale klasse.

Ook bij de mannen lag de foutenlast een stuk hoger dan normaal. Winnaar Alcaraz sloeg 73 ongedwongen fouten, maar dan wel op vijf sets die vijf en een half uur duurden in 58 games en een supertiebreak. De foutenlast stond in rechtstreeks verband met het onwaarschijnlijk hoge niveau. Het was een weerspiegeling van het risico dat beide heren wel moesten nemen om de andere zoek te spelen.

Opvallend aan die finale was dat de winnaar meer (9) fouten sloeg dan de verliezer, maar ook meer (17) winners. Alcaraz scoorde één punt minder over de hele wedstrijd (192-193). Zo dicht lag het bij elkaar.

Episch is te licht uitgedrukt voor het schouwspel dat Sinner en Alcaraz opvoerden. Tempo, snelheid, kracht, zou er ooit harder, dieper, scherper en preciezer op een bal zijn geslagen dan eergisteren aan de Porte d’Auteuil?

Het aantal plottwists moet u zelf maar achterhalen. Op Sofascore kan u elk punt en elke statistiek terugvinden, maar de cruciale fase, de gamechanger, zat aan het einde van de vierde set. Sinner kreeg toen drie wedstrijdballen bij 5-3 op de service van Alcaraz. Die verknoeide hij en ook het uitserveren bij 5-4 lukte niet.

Wat is dat tennis toch een onwaarschijnlijke mindfuck van een spel. Helemaal alleen in gevecht met die rare ondergrond, die bal, dat racket, die aarzelende arm, die twijfel in het hoofd en als je dat allemaal eindelijk onder controle hebt, staat er aan de andere kant van het net iemand die je met plezier zou doodslaan met zijn racket.

Jammer van het eindresultaat. Ik was op de hand van Jannik Sinner. Dat was een gedurfde en erg eenzame stellingname, maar in de beslotenheid van de eigen woonkamer redelijk ongevaarlijk. Op Le court Philippe-Chatrier waren de Sinner-fans alvast in de absolute minderheid.

Die van Alcaraz bouwden het Parijse centercourt om tot een voetbalstadion. Hoewel, als tennishooliganisme begint en eindigt bij het juichen na een gemiste eerste opslag of een opzettelijk late yell, dan weet je dat er nog een verschil is.

In dat sfeertje – ‘Carlos, Carlos, Carlos’ – moest Sinner zien te overleven. Dat deed hij vier sets lang – in de vijfde keek hij voor het eerst naar zijn box – met een onverstoordheid die deed denken aan Ivan Lendl. Die was ook nooit publiekslieveling, wel die van mij.

Sinner was zondag het lelijke eendje dat toevallig in een poel was beland waar zelfs de kikkers hem niet willen. Met zijn rosse krullen, bleke sproeterige huid (hopelijk smeert hij goed) en zijn hoekige tred stak hij af tegen de smooth player en talker die Alcaraz uitstraalt. Mooie ogen, gaaf gezicht, licht getaand en alles aan dat lijf in proportie. Geen tattoos ook, goed zo.

Ik had met Sinner te doen, want waarlijk iedereen gunde het zo veel meer aan Alcaraz. Ook de verder uitstekende commentator van Eurosport – ik gok op oud-speelster Kristie Boogert – kon niet verbergen dat ze een boon had voor de Spanjaard.

De reden voor die vooringenomenheid is niet ver te zoeken: Sinner is vorig jaar in opspraak gekomen voor een positieve plas, waarvoor hij alsnog licht is gestraft. Onterecht, van doping was geen sprake, Sinner had vrijuit moeten gaan.

Sindsdien en voor de rest van zijn carrière levert hij niet alleen een gevecht tegen de bal, het racket, het net, het speloppervlak, de tegenstand en zijn twijfels, maar ook tegen de perceptie. Daarom alleen al: eeuwige sympathie.

Column Pseudoprestaties in De Morgen van zaterdag 7 juni 2025

Pseudoprestaties

Deze week had deze krant een verhaal over steeds extremer wordende ambities op het vlak van duursport en het gevaar daarvan op de gezondheid van de non- tot middelmatig getalenteerden.

Horen we inmiddels niet te weten dat ‘te’ bijna altijd slecht is? En dat met name onze motor baat heeft bij geregelde, afwisselende maar niet al te zware belasting, vooral niet uren aan een stuk?

De schade riskeert dubbel te zijn. Gewrichten zien af en vooral lopers die genetisch voorbestemd zijn of te zwaar en/of technisch slecht lopen zullen op termijn één of meerdere nieuwe knieën of heupen moeten laten steken. Dat euvel is te repareren en hier te lande ook te betalen.

Daarnaast ziet de motor af en in de leidingen die naar die motor lopen – we hebben het over de kransslagaders en het hart – kunnen verkalkingen optreden. Dat staat dan nog los van de hartritmestoornissen die in verschillende vormen voorkomen en die vooral fietsers/wielrenners lijken te treffen.

Wat zeggen de cardiologen er meteen bij? Het is nog altijd ongezonder níét te sporten dan extreem te sporten. De gezondste optie is zoals hiervoor staat: regelmatig sporten met een afwisselende belasting van lijf, leden en motor én – wordt te vaak vergeten – op de voeding letten.

In België hebben recent een aantal ultrasporters de actualiteit gekaapt. Tandarts Karel Sabbe is de bekendste en spreekt het meest tot de verbeelding met zijn verpulverde records op alle continenten en als zeventiende finisher ooit van de Barkley Marathons, de exclusiefste sportwedstrijd ter wereld.

Marathon Woman en wetenschapster Hilde Dosogne liep vorig jaar elke dag een marathon. Wie een keer een marathon liep en daarna nooit meer kan zich dat niet voorstellen. En nog minder bij wat Matthieu Bonne, ook recordhouder in meerdere ultra-lijstjes, recent presteerde: 485 kilometer lopen in 48 uur.

Je kunt dat gekkenwerk van drie gekken noemen, ze deden het toch maar. Of het gezond is? Voor een klein aantal stervelingen zal het hopelijk niet ongezond zijn. De meesten moeten daar niet aan denken en vooral niet aan beginnen.

Devote bewondering hoeft niet. Dat geldt overigens voor alle sportprestaties. Wat al helemaal niet moet/mag en wat we vooral tot in de eeuwigheid moeten bestrijden, is sportprestaties die geen prestaties zijn op een hoop gooien met echte prestaties.

Het zal wel op een koude steen vallen, maar ik lanceer hierbij een oproep richting de media. Gelieve voor eens en voor altijd de strapatsen van de gebroeders Van Impe, Robert en Arno, niet langer in één adem of in één artikel te vernoemen met de prestaties van de drie die hiervoor staan. En ook Average Rob, alias van Robert Van Impe, niet langer in één fotomontage met Dosogne en Bonne af te drukken.

De gebroeders Van Impe zijn geen atleten. Het zijn hypers van pseudoprestaties. YouTube-fenomenen voor hele generaties sedentairen die de kostbare tijd waarin ze zouden kunnen bewegen doorbrengen met naar filmpjes te kijken van influencers die hen laten geloven dat zij buitengewone exploten leveren.

Het enige dat klopt aan Average Rob is dat adjectief average. Hij is een matig getalenteerde hobbysporter en zijn broertje is volstrekt ongetalenteerd. Dat is te zien The Toughest Footrace on Earth, de film over hun deelname aan de Marathon des Sables. Een generatiegenoot van de Van Impes die van zijn redactie een laptop heeft gekregen en daar stukjes mag op tikken concludeerde dat de broers Van Impe bovengemiddeld grote meneren zijn.

Pseudosporters, dat zijn het. Mijn ongetalenteerde buur die op zijn veertigste was beginnen te sporten heeft drie keer na elkaar de Marathon des Sables uitgelopen. Gelopen, niet gewandeld. En dan die Ironman van de YouTube-broers. Arno Van Impe deed er dik vijftien uur over en Robert Van Impe twaalf en een half uur.

Als u zegt ‘doe het hen maar na’, ik weet wat twaalf en een half uur waard is. Ik deed even lang over mijn (enige) Ironman. Als 53-jarige aan schouder, rug en knie geblesseerde ex-volleybalspeler. Blij dat ik het heb gedaan, zelfs een beetje trots, dat wel, maar het stelt als prestatie echt helemaal niks voor.

De broers Van Impe hebben zich nu een nieuw doel gesteld. Ze willen de Olympische Spelen halen. Ik dacht meteen aan de Special Olympics, waar ze bepaald niet kansloos zouden zijn, maar neen, ze willen naar de echte Spelen, die van 2028. “Ik geloof oprecht dat er een discipline is waar we nét goed genoeg in kunnen worden”, zegt Rob.

Onaangepast duursporten is slecht voor het hart, maar was het al bekend dat je er ook hersenverdwazing van kan krijgen?

Column Oppergodin in De Morgen van maandag 2 juni 2025

Oppergodin

Begin vorige week was een en ander te doen over het ‘nieuws’ dat voetbalclubs als AA Gent en Club Brugge info wilden over de lengtes van de ouders van hun jeugdspelers. Eén van die ouders had die vraag onverwijld naar een krant doorgestuurd en daar had men dat als een DDR-praktijk gelabeld.

Dat voetbalclubs een prognose willen over de verwachte lengte van hun speler, dat is de logica zelf. Je wilt geen energie steken in een centrale verdediger of een doelman die 1,75 meter zal worden. In de topsportschool volleybal of basketbal word je ook niet toegelaten als jij en je ouders klein zijn.

Meten is weten, maar dan weet je niet alles. Sportwetenschappers verbazen zich geregeld over de zogeheten outliers, atleten die niet in statistische modellen te vatten zijn.

Als selectie, detectie, meten is weten en prognose over de ontwikkeling ter sprake komt, moet het altijd gaan over Nina Derwael (25 jaar, 1,70 meter). Die heeft dit weekend nog eens twee keer goud behaald. Dat deed ze op een leeftijd die de meeste sportsystemen als te oud zouden kwalificeren.

Dat niet alleen. In de grootste sportlanden zou Derwael misschien niet eens hebben bestaan. In China, maar wellicht ook in de VS of in Rusland zou ze op jonge leeftijd zijn weggeselecteerd.

Derwael is ook in Vlaanderen gemeten, gewikt en gewogen. Ze scoorde op alle parameters hoog, maar was gebuisd op lengteprognose. Voor veel gymmodellen is dat een no go. Inmiddels is het een troef zoals ze als een libel door het zwerk zweeft, maar het is eraan te zien dat ze lang is.

Nog altijd moeten haar begeleiders vooraleer zij aan haar brugoefening kan beginnen die brug helemaal ombouwen opdat ze niet tegen een legger zou aanknallen of haar voeten de grond zouden raken. Derwael is zo’n outlier, niet alleen op vlak van lengte en daar moeten we heel blij om zijn.

Ze behoorde al tot het pantheon van de Belgische vrouwensport, oppergodin naast Nafi Thiam en Justine Henin. Wat ze dit weekend heeft gepresteerd, zet dat nog eens extra in de verf.

Het is compleet zinloos om rankings te maken, maar als de triomf van de wil in rekening wordt genomen, scoort zij het hoogst van de drie. Derwael is al bijna tien jaar een topsportbeest zoals Henin dat enkele gouden jaren is geweest en Thiam dat drie keer twee dagen op de Olympische Spelen tot een kunst heeft verheven.

In 2016 in de aanloop naar Rio zaten we buiten op een bankje bij het topsportinternaat. Journalistieke opa interviewt tiener-turnstertje, als dat maar goed zou komen. Geen speld kreeg je ertussen. Ze ratelde aan één stuk door over haar mooie leven, over haar doelen, over waar ze vandaan kwam en wat ze wilde.

Tussendoor gaf ze collega-gymnast Noah Kuavita een uitbrander omdat hij zijn enkel had verzwikt bij een illegaal partijtje voetbal. “Die heeft wel competitie dit weekend, hoor! Ik probeer het hier een beetje in de gaten te houden.”

Het zondagskind van zestien schrok niet van de vraag of ze wist dat zij internationaal als the next best thing aan de brug werd beschouwd, voorgeprogrammeerd om in Tokio in 2020 te schitteren. “Ik heb dat filmpje op YouTube ook gezien. Het zou kunnen, maar ook niet. We zien wel.”

Het was haar enige korte antwoord van die namiddag. Het vervolg is gekend. In Rio turnde ze de finale van de allround en werd negentiende. Een jaar later won ze haar eerste Europese goud, in 2018 en 2019 was ze de beste van de wereld en nog eens twee jaar later maakte ze alle verwachtingen waar met olympisch goud op de uitgestelde Spelen van Tokio.

Haar grootste prestatie moest ze dan nog leveren. Op 8 september 2023 schoot haar schouder uit de kom en moest ze worden geopereerd. Haar leeftijd, haar lengte, haar blessure, alle parameters wezen op einde carrière, maar Derwael revalideerde en hoe.

Op de Spelen van Parijs, haar derde inmiddels, greep ze net naast het brons. Nog zo’n ideaal moment om er klaar mee te zijn. Niet dus. De outlier in haar begon aan een vierde olympische cyclus, richting Los Angeles 2028.

Zelf is ze de eerste om haar dubbel Europees goud te nuanceren als zijnde ‘het moet nog beter’. Ze is al een paar jaar de underdog, maar met een bewonderenswaardige vastberadenheid om zichzelf opnieuw uit te vinden, klaar om te killen als het kan, zoals op het EK.

Meer dan de prijzen die ze nog pakt is Derwael een voorbeeld van wilskracht, van mind over body. Vrouwen hoeven zich niet beledigd te voelen, het is de enige mogelijke vergelijking: Derwael is de vrouwelijke Robert Van de Walle en dat is het ultieme compliment voor een Belgische atleet.

Column Virtuositeit in De Morgen van zaterdag 31 mei 2025

Virtuositeit

Het item bleef in zijn totaliteit een beetje veel naast de kwestie en toch was het een interessante vraagstelling deze week op Radio 1. Naar aanleiding van de Koningin Elisabethwedstrijd voor viool, waar onze virtuoze Belg Valère Burnon de finale haalde, ging het plots over doping.

Allicht had iemand op de redactie geopperd dat zo’n wedstrijd ook topsport was en de volgende gedachte was natuurlijk dat die musici ongetwijfeld ook aan de pillen zitten. En toen had een baasje op de redactie gezegd: zoek het maar uit of doping in de muziek zou helpen.

Ze hadden een muziekspecialist gebeld en die was formeel. Virtuositeit zit niet in een pilletje of een spuitje. Virtuositeit is deels aangeboren en deels getraind. Discussie gesloten.

Of toch niet helemaal, want de brave man gooide er nog achteraan dat zo’n aangeboren virtuoze musicus misschien baat zou kunnen hebben bij een pilletje om zich wat beter in zijn vel te voelen. En als dat zo zou zijn, dat hij dan dat pilletje vooral moest nemen. En dat dopingcontroles niet nodig waren.

Eerst even iets uitklaren. Alleen sport kan topsport zijn. Dus stop alstublieft met alles wat lastig, zwaar of moeilijk is te herkwalificeren als ‘dit is topsport’. Jawel, sommige zelfverklaarde topsport is ook geen topsport, maar dat is een ander verhaal.

Dat virtuositeit niet gebaat zou zijn bij doping is alvast in de sport een achterhaalde premisse. Die is lang gebruikt door bepaalde sporten om het dopingspook en de daarmee gepaard gaande controles buitenshuis te houden.

Neem nu voetbal. Dertig jaar geleden maakte epo een steile opgang in de klassieke uithoudingssporten. Voetbal is naast een tactisch spel waarbij een goeie techniek en snelheid van pas komen ook een uithoudingssport, maar daar was toen niemand mee bezig.

Tenzij de Franse nationale ploeg, die het WK 1998 won. En Juventus Turijn, dat een aantal Fransen onder wie Zinédine Zidane in dienst had.

De Franse nationale ploeg is ooit collectief gaan lopen op een stage in de Alpen omdat er dopingcontrole was. En bij Juventus zijn documenten gevonden die wezen op epo-toediening. Alleen werden die door een rechter niet in acht genomen, met de uitleg: “Dit is te moeilijk, hier snap ik niets van. Vrijspraak.”

In de sport zijn we er al een tijd achter dat doping ongeveer overal zal helpen, maar uiteraard bij de ene sport meer dan bij de andere. Hoe technischer de sport, des te minder ben je geneigd om te denken aan doping. Fout gedacht. Een geniale versnellende dribbel in het begin van de wedstrijd is één; die kan zonder. Aan het eind van een slopende wedstrijd kan/zal doping helpen.

Idem voor een monsterlijk zwaar pianoconcerto. De moeilijkste noten spelen in het begin zal voor meer pianisten zijn weggelegd dan aan het eind van een Rachmaninov of andere sloopkogels van stukken. Voor die laatste zware passages kan medicatie helpen om de zaak op de rails te houden.

Natuurlijk heeft ook virtuositeit baat bij doping. Als het om het juiste product gaat, dat op het juiste moment wordt toegediend en bij de juiste persoon. Een zenuwpees moet je geen amfetamine geven, misschien wel een bètablokker. Overigens zouden alle musici, voor ze ooit doping overwegen, eerst moeten sporten om hun conditie te onderhouden.

Of doping populair is in de klassiekemuziekwereld, dat moeten insiders maar eens uit de doeken doen. Maar waar een middel is en waar niet wordt gecontroleerd, zal dat middel worden uitgeprobeerd, probaat of niet.

Vorige week raakte bekend dat een groep virtuoze Engelse bergbeklimmers erin was geslaagd om in de amper drie dagen die ze in Nepal verbleven meteen de Everest te beklimmen. In totaal waren ze vijf dagen onderweg. In plaats van een shortski een shortklim als het ware.

Vooraf gingen ze wel langs in Duitsland bij een inspanningsfysioloog die hen leerde het gas xenon te gebruiken. Dat xenon werd gebruikt om de noodzakelijke aanpassing aan de hoogte thuis te kunnen doen. Dat het om ervaren klimmers gaat die deze shortcut hebben genomen en met succes heelhuids naar boven en weer beneden zijn geraakt, heeft veel stof doen opwaaien.

Niet het minst bij het bevoegde ministerie in Nepal en bij de sherpagemeenschap, die meestal voor weken wordt ingehuurd om Europeanen naar boven te begeleiden. Nu kregen ze maar drie dagen werk betaald.

Doping, schreeuwden de klimmers die het traditioneel doen/deden. Ach wat. Die schreeuwers vergaten dat nagenoeg alle klimmers die boven de 8.000 meter willen raken aan de Diamox (een vochtafdrijver) zitten, onder meer en met lichte overdrijving gesteld, om te beletten dat hun hersenen via hun ogen naar buiten komen.

Column Union kampioen in De Morgen van maandag 26 mei 2025

Union kampioen

Er was één hele goede reden om Union Saint-Gilloise de titel niet te gunnen. En er was in ondergeschikte orde één minder goede.

Eerst die minder goede, want die is deels subjectief. Union speelt niet het meest aantrekkelijke voetbal en dat was van in het eerste jaar in 1A het geval. Heel veel kleine foutjes in het middenveld, een trekje hier, een tikje daar, een duwtje op een plek waar dat nog net kon.

Dat was het Felice Mazzu-voetbal waarmee USG in de lente van 2021 promoveerde naar de hoogste klasse. Onder Karel Geraerts en Alexander Blessin werd het verbeterd en onder Sebastien Pocognoli geperfectioneerd waardoor het vier jaar later, na de verrassende promotie, iets minder verrassend de titel pakte.

‘Niet het meest aantrekkelijke voetbal’ is deels subjectief. Iedereen strijdt met de wapens die hij ter beschikking heeft en bij Union is dat wapenarsenaal om veel redenen – zie verder – beperkter dan bij de al of niet zelfverklaarde topploegen in dit land. Dat argument telt dus niet.

De echt goede reden om Union de titel niet te gunnen is het eigenaarschap, maar ook daar kan je veel bedenkingen pro en contra bij formuleren. De titel van Union is de eerste voor een Belgische club met een buitenlandse eigenaar. Alex Muzio en Tony Bloom kochten in 2018 de Belgische tweedeklasser Union. Beiden hadden als hoofdclub de Engelse Premier League-club Brighton & Hove Albion. Beiden beheerden ook het gokbedrijf Starlizard, nog een goede reden om vragen te stellen bij dat eigenaarschap.

Clubliefde

Met dat eigenaarschap is gefoefeld, laat dat duidelijk zijn. Omdat zowel Brighton als Union zich voor de Europa League-competitie van het seizoen 2023/24 plaatsten en de UEFA verbood eigenaar te zijn van meerdere clubs in eenzelfde competitie, werd Muzio medio 2023 meerderheidsaandeelhouder van Union in plaats van Bloom.

Het is ook de eerste titel voor een Belgische club die deel uitmaakt van een MCO-constructie, waarbij MCO staat voor Multiple Club Ownership. Die constructie is erg populair en tegelijk erg omstreden omdat het eigenaar- of aandeelhouderschap van meerdere clubs niets te maken heeft met clubliefde maar alles met de lucratieve handel in spelers.

Die handel is de enige reden dat Bloom en Muzio in Brussel zijn geland en pakweg niet in Arnhem waar ook al jaren een zieltogende club mét een mooi stadion zit/zat. Jazeker, België is een stabiel land en de Jupiler Pro League is een moeilijke competitie. Maar bovenal zijn de voorwaarden om hier aan mensenhandel te doen bij de beste in Europa.

Voor jonge voetballers zijn er allerlei fiscale en parafiscale voordelen en niet-EU-buitenlanders kunnen hier zonder een echte salarisdrempel worden gehaald en doorverkocht, desgevallend afgeserveerd en op straat gezet. Union draaide in 2024 67,8 miljoen omzet, 35 miljoen kwam van spelersverkoop.

Buitenlanders het recht ontzeggen om aan mensenhandel te doen, dé hoofdactiviteit van de Belgische topclubs, zou natuurlijk hypocriet zijn. Bijgevolg verwelkomen we de titel van Union met open armen. Niet het minst omdat die kleine club na drie seizoenen lang alle zogeheten topclubs de ogen te hebben uitgestoken met een uitgekiend personeelsbeleid, hen gisteren definitief een neus heeft gezet.

De titel voor Union is een blamage voor het hele Belgische voetbal, maar toch in de eerste plaats voor buur Anderlecht dat dubbel zoveel omzet draait en niet in een bouwval voetbalt maar in een echt stadion. De titel voor Union is in één moeite ook een blamage voor Racing Genk, KAA Gent, Standard en Antwerp, die ooit één of meerdere keren zelf kampioen werden en vervolgens tientallen miljoenen van de Champions League opstreken en daar uiteindelijk niet beter van werden. Het wordt interessant om volgen wat Union met die minstens 40 miljoen euro zal aanvangen.

Twee gokkers

De titel voor Union is toch vooral een blamage voor Club Brugge en de zelfverklaarde genieën die deze club leiden, voorzitter Bart Verhaeghe voorop. Voetbal mag dan competitief evenwicht ingebakken hebben, hoe bestaat het dat je over veertig wedstrijden wordt geklopt door een club met honderd (100!) miljoen euro minder omzet?

Door een club met 84 man personeel terwijl je er zelf 200 hebt lopen. Door een club die vier trainers had in vier jaar. Door een club die vorig jaar een crowdlending aanging om vooraf de belastingen te kunnen betalen en zo korting te krijgen. Door een club die qua salarissen in de middenmoot zit en met een loonkost/omzet-ratio van minder dan 50 procent.

Als je dat alles bij elkaar optelt, moeten alle grote Belgische clubs concluderen dat ze te kakken zijn gezet door twee gokkers en dat is geen prettige vaststelling.

Column KDB en Pep in De Morgen van zaterdag 24 mei 2025

KDB en Pep

Filip Joos denkt dat Pep Guardiola niet echt van Kevin De Bruyne (meer) houdt. Ik denk dat Filip Joos dat verkeerd ziet. We zullen daar geen ruzie over maken, Filip en ik. Wij zijn van agree to disagree, zeg maar van de oude stempel.

Daar is een goede reden voor, dat hij dat anders ziet dan ik. Joos is de romanticus onder de voetbalkenners. Romantici hebben de grootste moeite om zich in te leven in analytische grote geesten als Guardiola, De Bruyne en (op lichtjaren volgend) kleinere analytische geesten zoals ondergetekende.

De nuances die Joos aanbracht over hun wederzijdse verstandhouding na de wedstrijd van afgelopen dinsdag tegen Bournemouth waren aanleiding voor een achterafsite om ‘Guardiola compleet afgemaakt na afscheid De Bruyne’ te koppen. Ocharme, die clickbaitverslaving toch.

Zeker wel, dat het ooit heeft gestoven tussen Pep en Kevin, dat die laatste meer dan één keer met een nijdige rode kop tussen zijn schouders van de Etihad Campus thuis zal zijn gekomen na een training of een wedstrijd waarin hij dingen moest doen die hem niet zinden.

Verder waren die twee gewoon twee handen op één buik, met meer goede kilometers samen dan slechte. Dat moet wel. Anders was het woelwater van Baarle-Drongen nooit negen seizoenen in Manchester gebleven. Het waren er tien, om correct te zijn, maar de Spanjaard kwam pas in zijn tweede seizoen bij The Citizens.

Bij de eerste namen die Guardiola op het wedstrijdblad zette, zat altijd een fitte De Bruyne. Hij was de metronoom, de deeltjesversneller van het grote City. Al die slopende, lange seizoenen het delicaatste stukje in de kernreactor, het middenveld van Guardiola.

Hij was ook het processortje dat af en toe mocht vastlopen, want evenveel keer als hij vastliep zorgde hij voor een atoomsplijting die geen ander ooit in gang had gekregen. De Bruynes grote sterkte was zijn fysieke en technische overmacht in combinatie met zijn vista, waardoor hij lijnen zag waarin hij ballen verstuurde die bij ontvangst van een opperste genialiteit bleken te zijn. De beste Belgische voetballer ooit, geen twijfel mogelijk.

Af en toe liep hij vast, ook bij de nationale ploeg. Geen Rode Duivel leed meer balverlies of leverde meer ballen in bij de tegenstander dan De Bruyne. Geen Rode Duivel creëerde ook meer. Tegenover elke drie mislukte openingen stond één geniale die uitmondde in een kans. Bij het beste City was dat ook vaak een doelpunt, vaker alvast dan bij de Rode Duivels

Dat de liefde tussen De Bruyne en Guardiola zal zijn bekoeld de dag dat de voetballer De Bruyne doorhad dat zijn diensten in de toekomst niet meer gewenst waren in het Etihad, dat is des mensen. Het is zijn goed recht om geen zin te hebben in het olifantenkerkhof, maar De Bruyne is analytisch en vooral zelfkritisch. Hij weet als geen ander dat hij zijn bevoorrechte plaats aan de top van de voedselketen kwijt is. Zijn vista heeft hij nog, zijn techniek ook, het is de fysiek die hem steeds vaker in de steek laat.

Dat heeft hij zelf benadrukt toen hij zijn hamstrings als een natte, uitgerafelde keukenhanddoek omschreef. Niemand herstelt helemaal van dat soort spierletsels. Altijd blijft wel iets hangen en opspelen.

Het gedrag van Guardiola bij die afscheidswedstrijd was helemaal niet raar. Het was het gedrag van een voetbaltrainer en alle voetbaltrainers huldigen hetzelfde basisprincipe: eerst ik, dan de spelers. Want spelers, zoals Trond Sollied ooit eens uitlegde nadat we twee flessen wijn hadden gedronken met twee, zijn niet te vertrouwen: vandaag zijn het je beste vrienden en morgen je ergste vijanden.

Guardiola is geen extraverte romanticus maar een analytische introvert. Die neigt naar extreem logisch redeneren, gedetailleerde analyse en een voorkeur voor interne reflectie. Analytische introverten werken graag zelfstandig, zijn detailgericht en kunnen worstelen met sociale omgevingen die veel interactie of druk met zich meebrengen.

Ja, introverte mensen kunnen goed samenwerken met andere introverte mensen. Introverte mensen delen vaak vergelijkbare voorkeuren voor rustige omgevingen, diepgaande gesprekken en gericht werk, waardoor een comfortabele en productieve omgeving voor elkaar ontstaat.

Ze kunnen ook elkaars luistervaardigheid waarderen en het vermogen om sociale afleiding te vermijden, wat waardevol kan zijn op de werkplek. Het zal misschien even duren voor De Bruyne dat doorheeft en dan nog zullen ze niet in elkaars armen vallen. Nergens voor nodig, als je maar weet wat je aan elkaar hebt/had.

Column Mindset in De Morgen van maandag 19 mei 2025

Mindset

Weer eens spannend tot de laatste speeldag. Al weken zitten de voetballiefhebbers op het puntje van hun stoel en nog weten ze niet wie de landstitel zal pakken: Club Brugge voor de zoveelste keer of Union voor de eerste keer, althans in het naoorlogse voetbal?

Zouden ze bij de Pro League nog geen spijt hebben dat ze de play-offs hebben afgeschaft? Voor wie dat is ontgaan, dat zou na volgend seizoen moeten gebeuren. 2025-’26 is dan de laatste competitie met play-offs, de beste uitvinding ooit in het Belgische voetbal.

De gestelde lichamen van het profvoetbal hebben nog even om die onzalige beslissing terug te draaien. Dat zal niet gebeuren. De ambitie om minder nationale competitiewedstrijden te spelen dan de veertig van vandaag was begrijpelijk. Maar een inkrimping van de belasting op Belgisch niveau had anders gekund, met een kleinere 1A bijvoorbeeld.

Met het afschaffen van de play-offs hebben de clubs kleur bekend. Het publiek vermaak bieden is niet hun eerste betrachting. Spelers goedkoop halen en duur verkopen is hun eerste en enige bekommernis. Om de clubs meer ademruimte te geven om in Europa te schitteren moest een aan de perfectie grenzende competitieformule sneuvelen. ‘Schitteren’ moet u lezen als hun spelerswaar in Europa uitstallen. Hoe jammer toch.

Union en Club Brugge eindigen volgende week de jaargang 2024-’25 in eigen stadion. Union krijgt het leeggeknepen Gent op bezoek. Stel je even voor dat uitgerekend Gent Union afstopt en daardoor de aartsrivaal in Vlaanderen de titel bezorgt, hoe gek zou dat zijn? Geen enkele Gentenaar die daar zou van schrikken overigens.

Club mag dan weer thuis tegen Antwerp aan de slag. Ook die hunkeren naar het einde en zijn een vogel voor de kat. Toch is het volgende week in het Dudenpark te doen, waar een mentaal ijzersterk Union aan de slag is.

In de voorgaande jaren lieten ze het telkens liggen in die eindfase, maar nu hebben ze een mindset waarmee je kampioen kunt spelen. Ze wonnen halfweg de play-offs in Brugge op mentaliteit, kracht en agressiviteit, en om dat in Jan Breydel voor elkaar te krijgen moet je echt van goeden huize zijn.

Zaterdag in Antwerpen waren ze scherper dan ooit en lieten zich niet meeslepen in de festiviteiten voor Toby Alderweireld. Met hun focus is voorlopig niks mis en dat is toch opmerkelijk voor een club die jaar na jaar zijn beste spelers en succescoaches ziet vertrekken. Toch slagen ze er telkens weer in die ziel en zaligheid te behouden en die unieke sfeer in dat prachtige Dudenpark te bestendigen.

Er was natuurlijk wel wat aan te merken op die voorlaatste speeldag. Zowel Union als Club kwam op bezoek bij respectievelijk Antwerp en Anderlecht te gemakkelijk op voorsprong. Hun tegenstanders hadden evenveel of misschien wel meer aandacht voor het afscheid van hun gepensioneerde Rode Duivels dan voor de wedstrijd.

Zowel Antwerp als Anderlecht had niks meer te winnen of te verliezen. Antwerp-Union is geen beladen wedstrijd en was dat ook zaterdag niet. De eerste bekommernis was het feest ter ere van het afscheid van Alderweireld en de afbraak van de veelbesproken tribune 2. Die afbraak is niet zo belangrijk. Wat in de plaats komt, en hoe Paul Gheysens dat gaat betalen, is dat wel.

Alderweireld kwam er bij Antwerp pas in aan de 86ste minuut, toen het kalf al was verdronken. Kort daarna werd het zelfs 0-4. Niemand die erom gaf, om die vierde tegengoal. Jan Vertonghen daarentegen startte tegen Club, toch verrassend. Hij was al een paar keer ingevallen, maar Vertonghen zetten blijft niet erg slim als je weet dat Club een reactieploeg is die razendsnel aan de overkant komt.

Als je ook weet dat Vertonghen nooit razendsnel is geweest en dat begrijpelijkerwijze al helemaal niet meer is na zijn blessure, tja… Bij het eerste doelpunt kon hij geen gelijke tred houden met de bal en ook niet met Romeo Vermant in zijn rug. Met alle respect, maar hadden ze hem niet beter zijn gouden horloge gegeven bij de aftrap en hem dan in de eretribune gezet?

Het tweede doelpunt, daar kon hij niks aan doen, maar hij beging de penaltyfout die tot de 0-3 leidde. Het belang van Vertonghen voor het Belgische voetbal, in de eerste plaats de Rode Duivels, mag niet worden onderschat. Zijn belang voor de competitie Jupiler Pro League mag dan weer niet worden overschat.

Opmerkelijk dat noch de commentatoren, noch de analisten daarop doorgingen. Wesley Sonck bleef diplomatisch. “Hij loste het een paar keer goed op.” Jawel, maar twee keer niet en twee keer was het binnen.

Column Voetbalwet in De Morgen van zaterdag 17 mei 2025

Voetbalwet

De Brugse Hunnen hebben hun onzalige plan laten varen om het Anderlechtse inreisverbod aan te vechten bij de Raad van State, dat op aanraden van hun meester Tafelspringer. Die heeft na het lezen van deze rubriek wellicht twee keer nagedacht: nog eens een mediatieke nederlaag, neen, beter niet.

De verzamelde Brugse supportersclubs schreven wel een brief waarin ze zegden nog steeds “ten zeerste verbolgen” te zijn over de beslissing van de Anderlechtse burgemeester. Kijk eens aan. Een week geleden sloegen ze na de bekerwinst nog Marokkanen in elkaar. Dat was in hun staat van opperste geluk en nu, diep ongelukkig, schrijven ze een brief. Wie durft nu nog te zeggen dat de mensheid er niet op vooruit gaat?

Er is nog wel wat nodig om die vooruitgang in en rond het voetbal te bestendigen, maar daar wordt werk van gemaakt. Zegt men. Zo zaten Lorin Parys, CEO van de Pro League, en Bernard Quintin, minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, deze week samen. Na het racistische geweld in de marge van de bekerfinale zal de voetbalwet worden aangepast.

Noch Parys, noch Quintin is te vertrouwen. Parys is een ex-politicus met een job in de privé, wiens handen en voeten gebonden zijn en die zijn woorden moet wikken. Parys zal nooit tegen het voetbalbestel ingaan en het voetbalbestel nooit tegen de hooligans.

Quintin lijkt oprechter, maar die is van MR en zijn grote baas is voorzitter van voetbalclub Francs Borains. Dat is dan weer de club die bij gebrek aan eigen vermogen volgend jaar in de tweede klasse begint met een puntenaftrek, een gevolg van het Football First-plan van Parys. Dat is heel slecht gevallen en zoals we inmiddels weten valt op een nijdige Georges-Louis Bouchez geen peil te trekken.

De voetbalwet wordt strenger, maar hoe vaak hebben we dat al gehoord? De boetes voor ‘uitspattingen’ worden verhoogd. Alleen al het woordgebruik wijst niet onmiddellijk op urgentie. Er komt een centrale databank met alle stadionverboden, wat ook al een paar keer op tafel lag. Ten slotte zou vingerafdrukscan of gezichtsherkenning worden gebruikt bij het binnenkomen van het stadion. Minister Quintin vond nog dat de profclubs meer werk moeten maken van de identificatie van onruststokers op de tribune. Blijven dromen, mijnheer de minister.

De clubs verbergen zich achter hun stewards, die zich verbergen achter beperkte controlemogelijkheden. De realiteit is dat de clubs en al helemaal hun fans-met-een-hesje genaamd stewards geen zin hebben om in te gaan tegen hun harde kern. De clubs omdat die trouwe harde kern voor de sfeer zorgt in een stadion en ze die als abonnee niet kwijt willen. De stewards omdat ze geen blauw oog of erger willen riskeren na een te doortastende controle.

Zou Quintin de problematiek kennen van het dopinggebruik in het wielrennen van de jaren negentig? Het wielerbestel dacht toen ook dat ze het beter zelf konden controleren en indijken. Daar kwam niks van in huis. Pas toen van bovenaf beperkingen werden opgelegd en politionele controles werden opgevoerd, werd doping het marginale fenomeen dat het vandaag is.

Voor de problematiek van het hooliganisme en die kleine horden hersenlozen die de rest van het voetbalpubliek gijzelen is er niet eens een internationale instantie zoals het Wereldantidopingagentschap nodig. Gewoon op nationaal vlak enkele maatregelen opleggen, afdwingbaar maken met flink hogere boetes en de kous is af.

Een eerste stap zou kunnen zijn om tijdelijk geen uitsupporters meer toe te laten. Dat heeft geen enkele club graag. Niet de bezoekende clubs, maar ook niet de meeste thuisclubs die nu al hun stadions niet vol krijgen. In tweede instantie kijk je dan hoe de ordehandhaving verloopt zonder uitfans en wat de normale politiebezetting is bij een wedstrijd met alleen maar thuis- en neutrale fans.

Als dat een beetje loopt, probeer je opnieuw via de huidige combiregeling uitfans toe te laten voor wie dat wil. De meerkosten voor de politie (inzet van paarden, waterkanonnen en bottinekes met schilden) factureer je door aan de bewuste clubs.

Minister Quintin liet deze week dat ballonnetje van doorfacturering ook al op. Het voetbalbestel zat snel op het paard. Beveiliging is een overheidsopdracht en wij zijn al een van de zwaarst belaste landen ter wereld, luidt dan het populistische argument. Klopt, behalve voor het voetbal. Dat krijgt voor zijn zakenmodel van mensenhandel jaarlijks voor ongeveer 200 miljoen euro lastenverlagingen en belastingvoordelen. Een extra factuurtje van 11 miljoen kunnen ze probleemloos onder elkaar verdelen.

Column Märchenkönig in De Morgen van maandag 12 mei 2025

Märchenkönig

Vincent Kompany is trainer geworden zonder theoretische bagage, zonder praktijkervaring, zonder didactische achtergrond. Meestal mislukt dat.

Dat zinnetje stond drie jaar geleden in een column op deze eigenste plek. Wat stond er nog…

… Kompany had nul ervaring. Hij had het Guardiola-systeem in de vingers en in het hoofd en hij had de tactische oefeningen de laatste seizoenen meticuleus genoteerd. En voor wat hij was vergeten, kon hij Pep nog wel eens bellen als dat moest. Voor Anderlecht en al zijn problemen woog deze Vincent Kompany te licht.

Of nog… De vragen die toen zijn gesteld, gelden vandaag nog steeds. Is deze nieuwbakken trainer/coach wel genoeg teacher om een onervaren ploeg te smeden van enerzijds jongeren uit de eigen kweek en anderzijds huurlingen? Zijn speelstijl was alvast te hoog gegrepen. De grootste fout die een beginnend trainer kan maken, is een spel willen spelen dat zijn spelers niet aankunnen.

Verder werd ook nog de vergelijking gemaakt – zondigen tegen de willen-lopen-alvorens-te-leren-gaan-theorie – dat zijn grote voorbeeld Pep Guardiola bijvoorbeeld eerst coach was van Barcelona B toen hij de A-ploeg overnam. En als uitsmijter werd zijn verhuis naar Burnley gekwalificeerd als de tweede vergissing (na Anderlecht dus) in zijn jonge carrière. Als dat maar goed zou komen.

Het kwam goed, en hoe. Burnley speelde The Championship op een hoopje met gedurfd aanvallend voetbal en dat in een bastion van schoppers en lopers. Daarna ging het mis, maar eigenlijk ook niet. De promotie naar de Premier League werd gevolgd door een onmiddellijke afstraffing en degradatie, maar daar stond wel 35 miljoen euro aan parachutegeld tegenover. En wat gebeurde er dit seizoen? Burnley gaat weer op naar de Premier League. Kompany’s eenjarige passage heeft dus wat losgemaakt.

Zelfde verhaal in Bayern, waar hij geen jonge kleedkamer vond zoals in Anderlecht, of B- en C-voetballers zoals in Burnley, maar één en al scepticisme. Bij spelers, bestuur voor wie hij de zevende keuze was, bij de media die de keuze niet begrepen en finaal ook bij het publiek. Kompany zette daartegenover een meer dan halfvol glas.

Bayern viel al snel als een blok voor Kompany en goot dit weekend meer dan een half glas bier over zijn hoofd. Onze media wilden aanvankelijk elke twijfel en elke zucht van een analist die anders wilde zijn nog wel eens uitvergroten. Wie anderzijds naar Bayern-aanhangers met hersenen luisterde en wie de reacties van de spelers monitorde, kon niet anders dan vaststellen dat Vince the Prince de nieuwe Koning van Beieren is. Lang niet zo gek als Ludwig II, maar evengoed een Märchenkönig, een sprookjeskoning.

De grote verdienste en de grote groei van de trainer Kompany is dat hij het zogezegd verwaande sterrenensemble van de Rekordmeister mee heeft gekregen in zijn verhaal. In de tien jaar na Pep Guardiola, die in 2016 de club verliet, versleet FC Hollywood maar liefst zeven trainers.

Deze zou wel eens langer kunnen blijven aan de Säbener Strasse en in de Allianz Arena dan zijn leermeester, maar wellicht niet zo lang als die zes seizoenen die Ottmar Hitzfeld tussen 1998 en 2004 uitzong. Daarvoor is Koning Kompany te groot, te goed, te ambitieus. Manchester City of een andere grootheid van het Engelse voetbal, daar ligt zijn lotsbestemming. Hoewel, is FC Barcelona hem als achterkleinzoon van het Cruijffiaans gedachtegoed niet nog meer op het lijf geschreven?

Wat er ook van zij, de trainer Kompany zal nooit meer zonder werk zitten. Hij heeft voor zichzelf een naam gemaakt, meer nog met de manier waarop Bayern zich in de Champions League presenteerde en er vol voor ging, dan met die zoveelste titel in de Bundesliga. Kompany staat voor een positief verhaal en wie ook maar vijf minuten de kans had om met de man te praten, zal dat beamen.

Het was een voorrecht om sportjournalist te zijn geweest in een tijdperk waarin je met inspirerende figuren als Kompany ook nog gewoon kon afspreken.

Een interview in Hamburg? “Kom maar af. Wel een nadeel: ik ben gekwetst. Maar ook een voordeel: ik heb tijd.” Veel later, afgeklopt na een bezoek samen met bondscoach Georges Leekens aan zijn captain in Manchester: “Wil je naar Manchester komen voor een interview? Oké, tof. Regel het maar mijn personal assistant.”

Wat volgde was bij high tea een lang en tof gesprek over het voetbal en het leven, je kon het geen interview noemen, op een locatie met standing door hem uitgezocht. Elk woord goed gekozen, elk woord bruikbaar. Goede antwoorden, diepe inzichten. Toen al, als voetballer. Nu ook als voetbaltrainer. Een nieuwe topcoach is geboren.

Column Raad van State in De Morgen van zaterdag 10 mei 2025

Raad van State

De kansen dat meester Walter een mediagenieke rechtszaak wint zijn doorgaans veel kleiner dan dat hij ze verliest. Dat hij dus zijn trackrecord alle eer aandoet, daar moet de weldenkende burger op hopen. (Een ideetje voor na de schijnwerpers van het voetbal, meester: er is een nieuwe paus…)

Eerst even wat context voor wie een hele week onder een steen heeft gezeten. Voor en vooral na de bekerfinale kwam het tot rellen met racistische Club Brugge-supporters (al te vaak een pleonasme), die ‘toevallig’ in Molenbeek waren uitgestapt na de terechte overwinning tegen Anderlecht.

Je zou denken – althans zo werkt dat bij de meeste clubs – dat de fans na zo’n overwinning op de aartsrivaal vol van glorie zijn en met hun geluk geen blijf weten. En vervolgens, helemaal uitgeraasd, voldaan en gelukkig terug naar hun huizen wederkeren om daar de triomf na te vieren.

Niet bij de harde kern van Club Brugge, die al enkele decennia onverdroten werkt aan een wel erg bedenkelijke reputatie. Deze krant heeft het eerder deze week netjes opgelijst, te beginnen met het incident naar aanleiding van Club-Galatasaray van 2002. Incident? Het was puur racisme en het was een poging tot moord.

Ik stond daar op ‘de Platse’ met een Turkse collega van het blad Fanatic, een wederdienst nadat die mij enkele jaren eerder bij de Istanbulse derby tegen Fenerbahçe wegwijs had gemaakt. Voor onze ogen werd die Nederlandse auto met Turkse fans aangevallen.

Ik heb gezien hoe werd geprobeerd om de auto in brand te steken, wat gelukkig niet lukte. Ik heb het gejoel gehoord van de omstanders bij elke deuk, elke glasbreuk, elke por die de inzittenden kregen met stokken met nagels op tot ze bloedend uit hun auto kwamen.

Ik heb de schrik gezien in de ogen van die drie in de auto, bang om gelyncht te worden, en hoe gelukkig ze waren om in een ambulance te worden afgevoerd. Terzijde, ook de ambulance werd aangevallen en raakte maar met moeite weg.

Sindsdien heeft Club van alle Belgische topclubs het meest indrukwekkende (lees: trieste) palmares op vlak van racisme. Wat zondag gebeurde, was niet het werk van enkelingen die voetbal misbruikten om keet te schoppen, de klassieke dooddoener. De raid op moslims in Molenbeek vond plaats aan het eind van hetzelfde seizoen dat begon met een massale Kühnen-groet (een nazigroet) van Club-fans in Luik.

Niet elke Club-fan is een racist – ik kan het weten want ik heb Club-fans onder mijn naaste kennissen – maar de concentratie racisten is nergens groter dan op de Brugse tribunes. Wie dat niet wil inzien, heeft last van negationisme.

Zeer zeker is ook niet elke Club-fan een randdebiel, maar…

Neem nu die Kühnen-groet, gebracht als reactie op een Luikse actie tegen racisme. Het kon niet duidelijker als statement, maar de supportersgroep in kwestie herschreef de geschiedenis. “Het gaat niet om een variant op de nazigroet, maar wel om een teken van nationalisme. Wij distantiëren ons van elke vorm van racisme, neonazisme en antisemitisme. Diversiteit leeft al jaar en dag binnen onze groep en binnen onze club.”

De media drukten die verklaring zomaar af. De club Club slaakte een zucht van verlichting want de North Fanatics ontbonden zichzelf. Oh ja? Niet dus.

Hoeveel van die ‘fans’ zijn geïdentificeerd en voor hoelang die uit de voetbalstadions zijn verbannen, dat moeten ze in Westkapelle en bij de Brugse politie maar eens uitleggen. Een groot deel van de bezoekende tribune van augustus op Sclessin heeft ongetwijfeld vorig zondag ook in Molenbeek huisgehouden. De Anderlechtse burgemeester Fabrice Cumps heeft daarom besloten om op zondag 18 mei geen Club-supporters toe te laten op zijn grondgebied en bij de belangrijke uitwedstrijd. De logica zelf.

Onbegrijpelijk dat de Pro League, Club, de Brugse burgemeester en zelfs de minister van Justitie het er niet mee eens zijn om twee weken na die racistische raid in Molenbeek voor één keer geen bezoekende fans toe te laten. In Nederland is dat bij de klassiekers tussen de Feyenoord en Ajax al sinds 2009 de regel. Standard-Charleroi en omgekeerd? Idem dit seizoen.

De grootste fanclub van Club Brugge heeft meester Walter onder de arm genomen om, als ze in de gemeente Anderlecht niet van mening veranderen, bij de Raad van State de maatregel aan te vechten.

Het is te hopen dat Cumps voet bij stuk houdt en dat de blauw-zwarte negationisten die zaak verliezen. En in één moeite de titel. Puur sportief verdient Club het kampioenschap. Maar voetbal is al lang geen pure sport meer. Wat zou het een opsteker zijn als het meest keurige en diverse publiek, dat van Union, een titel mag vieren.