Column Gouden Oog in De Morgen van maandag 12 januari 2026

Gouden Oog

Wat is er van de sport dezer dagen en waar moet deze rubriek een mening over hebben? Toch niet de Gouden Schoen die gisterenavond in besloten gezelschap werd uitgereikt? Zo besloten dat het niet eens meer op televisie komt maar wordt gestreamd via de website van HLN.

Het is wat met die sportprijzen. De twee wielertrofeeën zijn hun gala kwijt en worden overhandigd via achterafbezoekjes. De Sportman/vrouw van het jaar wordt in een zaaltje langs de A12 uitgereikt, al lang niet meer op tv en de meest prestigieuze voetbalprijs is zijn televisie-exposure kwijt. Voor wie het interesseert: ik stem al even niet (meer), behalve dan voor het Sportjuweel.

De Gouden Schoen wordt uitgereikt in Middelkerke, in het nieuwe casino. De burgemeester aldaar wil zijn gemeente op de kaart zetten met sport en heeft daar wielrennen en voetbal voor nodig. Bepaald vreemd, want als er nu één jarenlang heeft afgegeven op de Belgische monoculturen van koers en voetbal, dan wel Jean-Marie Dedecker.

De Gouden Schoen is een misbaksel. Correctie, niet de Gouden Schoen zelf, maar de stemprocedure. Die is zo achterhaald als maar kan. Voetballers over twee verschillende seizoenshelften beoordelen in twee aparte stemrondes, staat haaks op de realiteit van het Belgisch voetbal. In dit land heeft die ‘sport’ als ultiem doel slim inkopen en zo snel mogelijk verkopen van voetbaltalent.

De beste voetballer van de eerste stemronde – voor deze editie de tweede helft van het seizoen 2024-25 – is meestal zo goed dat hij daarna voor veel geld aan het buitenland wordt verkocht. De beste van de eerste stemronde was ongetwijfeld Ardon Jashari, een Zwitser van Albanese afkomst. In juni werd hij zowel Talent als Profvoetballer van het jaar, prijzen die door die andere populaire krant worden gehost.

Na dat eerste jaar bij Club Brugge verhuisde Jashari voor 36 miljoen euro naar AC Milan. Een perfecte illustratie van België als transitland of Belgisch voetbal als springplank. Een ideetje voor de genieën achter de Gouden Schoen: het Gouden Oog als bijprijsje in het leven roepen. Uit te reiken aan de clubscout die het talent heeft gevonden waar de grootste meerwaarde op wordt gerealiseerd.

De laatste drie winnaars van de Gouden Schoen waren spelers voor wie België een eindstation is. Hans Vanaken won de Profvoetballer van het jaar de laatste keer in 2019. Sindsdien wonnen spelers die ofwel onmiddellijk werden doorverkocht of hoogstens een jaar later zoals Paul Onuachu. De Nigeriaan is de laatste vijf jaar de enige die de twee prijzen won.

Het is geen toeval dat Vanaken ‘maar’ twee keer Profvoetballer van het jaar werd, een prijs die een heel seizoen overspant. Dat hij drie Gouden Schoenen won en zijn laatste vorig jaar, is het gevolg van zijn onmiskenbaar talent als regulator en versneller van Club Brugge, maar is de laatste jaren in niet geringe mate ook te danken aan zijn beslissing om bij Club te blijven.

Of moeten we het hebben over het BK veldrijden? De tweede en grootste smaakmaker van dat BK gaat niet naar het WK over twee weken. Hij wil zijn wegseizoen voorbereiden om daarin van grote hulp te zijn voor zijn kopman die wel het WK zal rijden. Bijgedachte: de Belg Emiel Verstrynge moet straks in Hulst niet met opzet in de weg rijden van zijn Nederlandse ploegbaas Mathieu van der Poel.

Een aanrader uit het voorbije sportweekend, op voorwaarde dat je toegang hebt tot Eurosport: het terugkijken van de achtervolging mannen in het biatlon van laatstleden zaterdag. Biatlon staat altijd garant voor winterpret. Een sport van supermannen en -vrouwen die niet zeuren over ijs, sneeuw of regen, die zich door berg en dal jagen, af en toe (vier keer zaterdag) liggend en staand een weg vooruit moeten schieten en altijd spanning gegarandeerd.

En ja, er doet een Belg aan mee. Meer dan één, maar Thierry Langer uit Malmédy is de beste. Zaterdag schoot hij het best van alle biatleten – één missertje maar op twintig schoten – en flirtte eventjes met de top tien. Skiën is niet zijn beste onderdeel en daarom eindigde hij uiteindelijk pas 28ste.

De verrassende winnaar was de Italiaan Tommaso Giacomel. In een bloedstollende race in het biatlonwalhalla Oberhof kwam hij vanuit het niets aan de leiding door een perfecte laatste schietronde en stond die niet meer af. Bij aankomst wees hij naar de hemel als eerbetoon aan zijn Noorse trainingsmaat en goede vriend Sivert Guttorm Bakken die op 23 december niet meer wakker werd. Thuisatleet Giacomel tegen de Noor Johan-Olav Bot, dat wordt iets om naar uit te kijken, straks op de Winterspelen in Cortina. Alleen voor fijnproevers.

Column Wintersport in De Morgen van zaterdag 10 januari 2026

Wintersport

Bij drie Winterspelen was ik geaccrediteerd en verder ben ik ook drie keer naar een skistation gereisd voor een apart verhaal.

Kranjska Gora, begin 1994: op bezoek bij het Bosnische skiteam, voor de oorlog gevluchte jonkies van zeventien die op afdankertjes van de Slovenen trainden.

Val d’Isère, eind 1994: interview met olympisch kampioen Tommy Moe.

Kitzbühel, 2010: interview en repo met Jerke Van den Bogaert bij de wereldbeker. Een dag eerder had ik zijn training bijgewoond. Net als bij alle voorgaande bezoeken aan wintersporten was mij iets opgevallen: alle wintersporten zijn een vorm van glijden op ijs.

Soms lees je ‘op ijs en sneeuw’, zoals in het Olympisch Handvest, maar dat van die sneeuw is onzin. Sneeuw wordt ijs als je er vaak genoeg over gaat en als de sneeuw geen ijs is, steekt men een handje toe en wordt ijs gemaakt.

Van den Bogaert had mij bezworen dat ik, hoewel ook op ski’s, vooral aan de uiterste rand van de piste moest blijven. Geen denken aan om zelf wat bochtjes te trekken op hun parcours, dat eruitzag als een spiegel. Skipistes worden met water besproeid en hun ski’s waren in tegenstelling tot die van mij messcherp geslepen.

Gelukkig had ik nog de beelden op het netvlies van mijn Nederlandse collega, die zich in Salt Lake in 2002 op de slalompiste net iets te ver van de rand had gewaagd, begon te schuiven en met zijn hele hebben en houden – het was een fotograaf – enkele tellen later beneden tegen het houtwerk knalde. Bij de terugreis aan het eind van de Spelen werd hij het vliegtuig ingerold.

Deze ietwat lange intro om u er eens en voor altijd op te wijzen dat alle wintersporten en afgeleide disciplines te maken hebben met glijden op een extreem glad oppervlak. Hoewel de nieuwste nieuwlichterij ski-mountaineering daar misschien een uitzondering op is, blijft het een raadsel hoe veldrijden daarin zou passen.

Vorige week was het crosscircus te gast aan de randen van een ondergesneeuwd Zilvermeer. Nou ja, ondergesneeuwd… een centimeter of drie, meer was het niet. Dat leverde feeërieke beelden op en verleidde de S(up)porza-commentator met dienst tot een beschouwing: “Als dit geen reclame is voor veldrijden als olympische sport, dan weet ik het ook niet.”

Twee dagen later was er cross in Zonhoven en ook daar lag een sneeuwtapijtje. En weer schoot de propaganda door het dak: “Stuur de tapes van die twee wedstrijden maar naar Zwitserland, naar het Internationaal Olympisch Comité. Dan zullen ze wel overtuigd zijn.”

O ja? In Mol kwam de winnaar als een bevroren zombie over de meet. Hij huilde het uit – in foetushouding gezeten op de grond in de tent, aldus de media die erbij waren – toen zijn tenen, vingers en de rest weer tot leven werden gewekt eens het bloed naar die bevroren uiteinden werd gestuwd.

Dat was Mathieu van der Poel, de op één na beste renner van de wereld volgens nogal wat waarnemers. Toen hij een keertje dreigde te schuiven in een linke bocht zat net een andere topper (te dicht) op zijn wiel. Die remde, met als resultaat: een val en een breukje in de enkel. Dat was Wout van Aert.

In Zonhoven twee dagen later knalde de ene na de andere vrouw tegen dek. Bij de gewaarschuwde en – excuus, maar het is niet anders – beter sturende mannen was dat minder. Toch maakte een andere Belgische topper dan Van Aert op een ijsplek een smak die heel slecht had kunnen aflopen. Dat was Thibau Nys.

Dit weekend is het Belgische kampioenschap in Beringen. Wellicht op een besneeuwde kunstberg, een oude mijnterril. Ook dat is trouwens iets wat de outdoorsporten op de Winterspelen gemeen hebben: er zijn altijd bergen, er is altijd niveauverschil mee gemoeid.

Op S(up)porza viel deze week te lezen dat Beringen de geknipte olympische sollicitatie zou zijn voor deze sport. Nys vond die olympische droom geforceerd en betwijfelde of de sport beter zou worden van een (wellicht eenmalig) olympisch optreden. Slimme jongen, de kleine Nys.

Als de crossen van Mol, Zonhoven en Beringen iets bewijzen, dan wel dat veldrijden niet thuishoort op de Spelen. Er is niet alleen het parochiale aspect – veel Belgen die meerijden en altijd Nederlanders die winnen – en de gedeeltelijke desinteresse van de toppers, tenzij rond eindejaar.

Na Mol en Zonhoven komt daar de objectieve vaststelling bij dat ijs en sneeuw ongeschikt zijn om op te fietsen. Voor het BK in Beringen hebben ze er wat op gevonden. Ze gaan hellingen schrappen, sneeuw wegscheppen en ijs wegbranden, dus alles weghalen wat van een sport een wintersport maakt.

Column Sportjaar 2026 in De Morgen van zaterdag 27 december 2025

Sportjaar 2026

Door de in alle betekenissen steeds engere Belgische bril bekeken, wat kunnen wij verwachten op de grote afspraken van 2026?

Van 6 tot en met 22 februari lopen de Olympische Winterspelen. In de vorige editie van Peking 2022 won Bart Swings na zijn zilver van 2018 het eerste wintergoud sinds 1948 en overschaduwde daarmee het brons van shorttrackster Hanne Desmet. De stand van zaken is erg eenvoudig: Swings is net op tijd weer in vorm, maar wordt in Milaan wel 35 jaar.

Indien niet stokoud is dat gewoon oud: een latente blessure, minder goede en meer slechte dagen dan voorheen. De killer in Swings zal op het goede moment moeten opstaan. Wat Desmet betreft: shorttrack is topsport, laat daar geen twijfel over bestaan, maar tegelijk is het een gigantische loterij waarin de beste zelden wint, wel de gelukkigste. Het wordt duimen.

Een week later komen de wielrenners naar Gent voor de Omloop. Lang geen wereldkoers meer, maar wel zo opgeklopt door onze media en het Belgische begin van wat zich aankondigt als een mooi wielerjaar 2026.

Als u het nog niet voelt, surf dan naar S(up)porza en neem het wielerjaaroverzicht tot u. Mooie compilatie, met de nadruk op de heldendaden van de Belgen. Nou ja, heldendaden… Veel ritten zonder de bijbehorende eindklasseringen, nul monumenten en amper 3 van de 36 WorldTour-wedstrijden gewonnen: Jordi Meeus in de Copenhagen Sprint (ooit al van gehoord?) en Arnaud De Lie in de Renewi Tour en de Bretagne Classic.

Aan de andere kant van het firmament staat Tadej Pogacar. Drie monumenten op acht WorldTour-overwinningen. Dat hadden er tien kunnen zijn met die rare Amstel, dom verloren van Mattias Skjelmose, en de GP Montréal, weggegeven aan Brandon McNulty. Merckxiaans, er is geen andere woord voor.

Mathieu van der Poel – gevloek in de Kempense kerk stijgt nu op – heeft drie WorldTour-zeges, waarvan twee monumenten. Zijn totaal in die vijf grote klassiekers staat op acht, Pogacar zit aan tien. Benieuwd wat die twee nog uit hun mouw schudden de volgende jaren, maar de eerste tekenen van mentale sleet dienen zich aan.

Biedt dat opties voor de Belgische speerpunten Wout van Aert en Remco Evenepoel? (Tim Merlier heeft zestien overwinningen, maar behalve etappes niks in de WorldTour.) Van Aert: 13 overwinningen in 2021 waaronder zijn enige monument; 9 in 2022; 5 in 2023 en 2024; 2 in 2025. Zet dat uit in een grafiekje en iedereen ziet dat er een probleem is.

Van Aert moet just niks, maar een beetje meer winnen zou van pas komen. Al was het maar om zijn populariteit en salaris te wettigen. Papier is geduldig, maar op papier heeft Van Aert 51 overwinningen op de weg, Merlier 66. De Belgische nummer één van het moment is Evenepoel met 67.

Evenepoels beste jaar was 2023 met 13 overwinningen, daarna volgden 2024 met 9 en 2025 met 8. Veel goede redenen (ongevallen) en minder goede (zadel imaginair gezakt), maar in 2026 moet een kentering volgen.

Die teamwissel is riskant. Concurrentie is Evenepoels ding niet en intern al helemaal niet. Met Florian Lipowitz, Lorenzo Finn en Giulio Pellizzari heeft Red Bull-Bora-Hansgrohe meer talent lopen dan ooit tevoren. En dan is er nog de grote Primoz Roglic. Erg benieuwd. Zowel voor Van Aert als Evenepoel wordt 2026 een scharnierjaar: meelopen of meedoen, dat is de kwestie.

Voorts is er deze zomer de wereldbeker voetbal. De vorige werd een sof van formaat, uitgeschakeld in de groepsfase, en met een beetje meer geluk was dat anders gelopen. Naast het WK 2026 staan alleen vraagtekens.

Kunnen Thibaut Courtois, Kevin De Bruyne en Romelu Lukaku het nog eens opbrengen om een talentrijke selectie vooruit te jagen? Of haken zij vroegtijdig af door hun blessures en staan nieuwe namen op, een beetje zoals veertig jaar geleden, ook toen aan de andere kant van de oceaan?

Tot slot eindigen we met leestips. De pas verschenen biografie van Pogacar (Unstoppable, Andy McGrath) begint veelbelovend met anekdotes die nieuwe inzichten bieden in ’s mans onverstoorbaarheid. Wie achtergrond wil bij de commercialisering van topsport sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw: Fast Tracks and Dark Deals van Michael Payne. Een pain in the ass, die Payne, niet het minst voor Jacques Rogge destijds, maar wel een Mitspieler.

En het boek van het jaar: De beweegreden van Eline Lievens en Wim Derave. Twee professoren van de UGent, die ons zonder te beleren in mensentaal uitleggen hoe bewegen ons lot is en de enige manier om kwaliteitsvol te (over)leven.

Column Heldenverering in De Morgen van maandag 22 december 2025

Heldenverering

Elk nadeel heeft zijn voordeel. Geen enkele van de vier weekendkranten heeft zaterdag mijn brievenbus bereikt en zo kwam het dat ik digitaal in een katern belandde van een krant waarvan ik normaal alleen de sportpagina’s tot mij neem. In dat katern een interview met ex-wielrenner Leif Hoste. Goed dat zijn naam ergens boven aan de pagina stond of ik had hem niet herkend.

Lang verhaal kort: hij is nu zes maanden nuchter, maar dronk tot voor kort drie flessen wodka per dag. Thuis in zijn eentje. Hoste is een van die sporters die de terugkeer naar het echte leven niet te best hebben verteerd. Het leverde hem “minstens tien opnames op een spoedafdeling” op.

Hoste is een tragisch figuur. Was nooit de slimste als wielrenner, ook nooit een winnaar, vaak net niet (drie keer tweede in de Ronde van Vlaanderen) en aan het eind van zijn carrière nog eens achtervolgd door een dopingveroordeling. Zijn biologisch paspoort schoot inzake misbruik/gebruik van epo alle kanten op.

Daar hing een boete aan vast van 150.000 euro, te betalen aan de UCI, maar die werd hem kwijtgescholden door een Gentse rechter die in weerwil van alle wetenschap vond dat het biologische paspoort geen hard bewijs was voor doping. Vreemd, maar al bij al een geluk bij een ongeluk voor de arme Hoste.

Naast het interview stond een duidend stukje over topsporters die met mentale problemen kampen na hun carrière. Vier op de tien nog wel, zo zou uit een bevraging van 239 topsporters zijn gebleken. Die kwamen voornamelijk uit twee landen, België en Australië. Honderdvijftig van hen waren Belgen. Twee bemerkingen. Aan de representativiteit van dat staal mangelt het een beetje. En de definitie ‘topsporter’ is blijkbaar niet altijd en overal dezelfde.

In de meeste landen met een goedwerkend sportmodel ben je pas topsporter als je de potentie hebt om bij de beste acht van de wereld te behoren. In ons toevalmodel zijn we daar een beetje coulanter in. De top zestien van de wereld van ver in zicht hebben is ook al goed in Vlaanderen voor een salaris. In Franstalig België ben je soms al topsporter als je van een kampioenschap zelfstandig de weg terug naar huis vindt.

Dat onderzoek naar het mentale welbevinden tijdens de nacarrière van sporters, het zegt het zelf, focust op wat na de carrière zou moeten gebeuren. Er staat: “Het einde van een topsportcarrière voelt vaak als vallen van een klif. Een atleet verliest niet alleen zijn sport, maar ook een deel van wie hij is buiten de sport.”

Het resultaat van die bevraging is een initiatief dat aan de KU Leuven wordt opgestart: More than Sport, een digitaal begeleidingsprogramma voor ex-sporters. More than sport is een beetje more of the same. Sport Vlaanderen heeft al zo’n nazorgtraject en ook het BOIC beweert er een te hebben, maar dat lijkt meer op windowdressing.

Zouden we niet beter focussen op hoe we met die sporters omgaan als ze komen piepen en daarna tijdens hun al of niet succesvolle bestorming van de wereldtop?

In dat verband wil ik graag altijd weer de in 2022 overleden voormalige Bloso-baas Carla Galle in een onbewaakt moment citeren: “We leggen veel te vroeg te veel eieren onder die atleten hun gat. En als die eieren weg zijn, weten ze van geen hout pijlen meer te maken en zitten ze op de blaren.”

Wisselslagzwemster Galle trainde twee keer per dag en haalde twee masterdiploma’s tijdens haar zwemcarrière die haar op de Olympische Spelen van Mexico bracht. “Ik ben één keer geïnterviewd door de televisie (een memorabel interview, dat wel, HV) en af en toe stond ik in de krant op de Aalsterse pagina’s. Vandaag denken onze atleten dat ze top zijn als ze veel volgers op sociale media hebben. En als ze er goed uitzien, moeten ze niet eens presteren om in de gazet te komen.”

Hoste verwoordt het ook mooi. “Wij waren voor veel mensen heiligen. Vooral hier in West-Vlaanderen zijn wielrenners helden.” Denk in dat verband maar aan het tragische levenseinde van Frank Vandenbroucke.

De Belgische media met hun sportobsessie hebben een verpletterende verantwoordelijkheid in die heldenverering. Het is ondoenbaar om in Europa nog een nationaal krantenlandschap te vinden waar de nummer 156 in een discipline maar een scheet moet laten om een hele pagina te krijgen.

Haast nergens anders wordt meer over sport geschreven, terwijl we niet bepaald een groot sportland zijn. Onze sportverslaggeving is te omstandig, niet selectief genoeg, te weinig kritisch, te opgeklopt, te veel navelstaarderij en supporterspraat. Niet te verwonderen dat af en toe zo’n zelfverklaarde topsporter van die piëdestal valt.

Column Broos en Brys in De Morgen van zaterdag 20 december 2025

Broos en Brys

Halfweg deze week had Hugo Broos het dan toch begrepen. Hij excuseerde zich middels een persconferentie en een af te lezen A4’tje voor zijn ongelukkige woordkeuze. Hugo wil geen racist worden genoemd.

Hij zei: “Ik heb met mensen van kleur gespeeld, hen gecoacht en met hen gewerkt in Nigeria en Kameroen, en nu al vier jaar in Zuid-Afrika.” Die ‘mensen van kleur’, tja, niet duidelijk of dat wel goed is begrepen want in Zuid-Afrika wijst dat doorgaans op een gemengde raciale afkomst, een beetje Europees, een beetje Aziatisch en een beetje Afrikaans.

Niet elke donkere huid is een swartmens in Zuid-Afrika, maar ze hebben er wel allemaal lange tenen, langer dan in de rest van Afrika. De blanke Afrikaners hebben de langste, maar die mogen van Donald Trump gratis naar de VS.

Nog Broos: “Je kunt hen allemaal vragen wat voor man ik ben. Misschien zullen sommigen zeggen dat ik een slechte coach ben, anderen dat ik een goede coach ben, of dat ik koppig ben, maar niemand zal mij een racist noemen.”

Doen we ook niet. Of hij een goede coach is, dat laten we in het midden. Minstens een beetje onhandig. Zijn uitval was randje dom, volgens hem te wijten aan een taalprobleem. De les: als je na bijna veertig jaar in dat vak, waarvan meer dan tien jaar in het buitenland, nog steeds steenkolenengels spreekt, waag je dan niet verder dan voetbaltaal.

Dus niet grappig willen zijn en zeggen: “Nu is hij zwart en hij zal wit zijn als hij hier buitenkomt.” Maar wel: “Hij zal hier bleek buitenkomen als ik met hem klaar ben.” Of zoiets.

Opvallend aan zijn excuses was dat die geen betrekking hadden op de manager van de speler die hij wilde berispen. Die had hij aangeduid als “dat kleine vrouwtje”. Gevoelige zielen en de Unia’s van deze wereld zullen daar zowel bodyshaming als seksisme in zien. Broos mag dan al of niet schuldbesef voorwenden, hij vindt zichzelf en vooral zijn omgeving het voornaamste slachtoffer van deze rel.

Hij besloot: “Het ergste is dat mijn familie – mijn vrouw, mijn kinderen en mijn kleinkinderen – hier ook van hebben afgezien.” Let op, dit is lang niet afgelopen. We zullen het snel weten hoe groot het krediet van Broos is. Maandag speelt hij met zijn Zuid-Afrika tegen Angola en op tweede kerstdag tegen Egypte.

Het is weer de tijd van het jaar: de Afrika Cup. Altijd vreemd hoe belangrijk dat toernooi wordt gemaakt. Zowel sportief als economisch heeft het geen waarde. Wat de Afrika Cup toevoegt aan het wereldvoetbal, naast een opstoot van nationalisme, zijn grappige verhalen.

In november, toen nog voor de WK-kwalificatie, beschuldigde de bondscoach van Nigeria, ene Éric Chelle, de Congolese bank ervan voodoo te hebben gebruikt. Een staflid had tijdens de strafschoppenreeks gezwaaid met water. Met goed gevolg, want Nigeria verloor die wedstrijd tegen Congo en kan nu niet naar het WK.

Chelle is een Malinees die zijn hele carrière in de Franse divisies speelde en nadien coach en manager werd in Frankrijk. Pas in 2022 keerde hij terug naar Afrika voor een job als coach. Dat hij aanstoot neemt aan een zwaaiend flesje water en het bijpassende bijgeloof is zo ridicuul als dat bijgeloof zelf.

Wie wat voodoo had kunnen gebruiken, is Marc Brys, tot voor kort bondscoach van Kameroen. De minzame ex-politieman zal de Afrika Cup niet halen. De wereldbeker van volgend jaar ook niet en dat heeft hem nu definitief de kop gekost. Die lag al een paar keer op het kapblok, maar telkens als de beul wilde toeslaan, ontsnapte Brys op miraculeuze wijze.

Het was van bij het begin een rare situatie waarin hij was beland. Brys had een arbeidscontract met de regering, meer in het bijzonder met het ministerie van Sport. Brys had geen contract met de Kameroense voetbalbond, waar ex-topspits Samuel Eto’o de plak zwaait. Hij had eerst wel een relatie, dan een slechte, later een steeds slechtere en op den duur helemaal geen relatie meer met de egotripper Eto’o.

Die probeerde de voorbije jaren als bondsvoorzitter zijn hem opgedrongen bondscoach en diens nationale ploeg te boycotten. Je zou kunnen besluiten dat Brys een slachtoffer is, en Eto’o een zot, maar Brys is in deze ook een beetje Broos, niet helemaal op de hoogte van hoe het wel moest.

De zeggenschap over een nationale ploeg ligt onveranderd bij de nationale bond. Meer zelfs, als een nationale overheid ingrijpt in een sportbond, weze het in voetbal dan wel in een olympisch comité, dan heeft zowel de wereldvoetbalbond FIFA als het Internationaal Olympisch Comité het recht de betrokken bond en ploegen te schorsen. Brys was een illegale Europeaan in Afrika.

Column Glijdende waaghalzerij in De Morgen van maandag 15 december 2025

Glijdende waaghalzerij

De Amerikaanse Lindsey Vonn is gisteren vierde geworden in de super-G in Sankt Moritz. Eergisteren werd ze tweede in de afdaling en vrijdag zelfs eerste, ook in de afdaling. Als u de sportpagina’s niet geregeld leest, zal u dat niet veel zeggen, alle begrip daarvoor.

Zou het helpen om erbij te vermelden dat ze al 41 is?

Ook niet? Leeftijd zit tussen de oren, dat is een beetje waar, en in het skiën vind je wel vaker gevorderde dertigers die met spuug, plakband en enkele vijzen meer dan eens terug in elkaar zijn gezet. Hoewel, vrijdag klopte ze een Duitse van 22 die haar dochter had kunnen zijn.

Bovendien was ze vorig jaar al eens tweede geworden aan het eind het seizoen 2024-’25 in haar thuisland. Dat was tussen de plooien van het sportnieuws blijven hangen. Ze is sinds haar triomf in Sankt Moritz wel de oudste skiër, mannen en vrouwen door elkaar, die ooit een wereldbeker heeft gewonnen.

Het was haar 83ste overwinning. Als ze er nog vier kan winnen, wat lastig wordt maar niet onmogelijk, is ze de slalomlegende Ingemar Stenmark voorbij. Aan de 104 van haar landgenote Mikaela Shiffrin raakt ze nooit meer, dat staat vast.

Aan Vonn heb ik al eens een column gewijd, weliswaar niet in deze propere gazet en waar dan wel, dat doet er nu niet toe. Dat ging toen zo, we schrijven december 2012:

“Vonn is regerend olympisch kampioene op de afdaling en een van de vijf skiesters (inmiddels zijn dat er zes) uit de geschiedenis van die sport die in alle vijf de onderdelen ooit een wedstrijd wonnen. Ze vindt zichzelf zo goed dat ze nu met de mannen wil meedoen. Eerst een keertje om te proberen, in Lake Louise bijvoorbeeld, waar ze al negen keer tegen haar seksegenoten heeft gewonnen. Dat begon te vervelen, en daarom wilde ze op 24 november bij de mannen starten.

“De internationale skifederatie FIS heeft dat geweigerd. Was ik de FIS, ik had haar laten starten. Meteen op de Lauberhorn in Wengen: 4,5 kilometer lang, in de Haneggschuss 160 kilometer per uur. De zwaarste afdaling ter wereld, waar de sterkste mannen total loss beneden komen.

“Ooit verloor Gernot Reinstadler bij de aankomst in Wengen na een val van vermoeidheid een been en bloedde hij ter plekke dood. Vonn had wel anders gepiept in Wengen. De organisatie heeft haar voorgesteld om in Lake Louise als voorskiester te starten. Benieuwd of ze dat aanvaardt.”

Dat heeft ze toen niet gedaan, met Vonn is het alles of niks. Daar kan Tiger Woods, haar lief tussen 2013 en 2015, over meespreken. Toen de seksverslaafde golfer weer eens met een ander was gezien, was het definitief voorbij, dit even terzijde.

2012 was het laatste van haar sportieve superjaren. Nadien ging het minder, hoewel ze er op de Spelen van Peyongchang in 2018 nog een bronsje kon uitpersen op de afdaling. Een jaar later stopte ze met helse kniepijnen. Ze dacht dat die wel zouden overgaan eenmaal gestopt, helaas. In april 2024 liet ze zich een halve nieuwe knie steken. Een groot succes, weg pijn, weer kunnen trainen, weer goesting in skiën en geen jaar later stond ze op het podium in Sun Valley.

Orthopeden zullen van mening verschillen over de vraag of het verstandig is om met een nieuwe knie recreatief te skiën, laat staan op het hoogste competitieve niveau. De reacties zijn interessant. De ene zegt dat het perfect mogelijk is, want hij skiet zelf en heeft een hele nieuwe knie. De andere zegt dat het gekkenwerk is en verwijst naar complicaties bij een val en een nieuwe breuk rond de prothese.

Het voordeel van Vonn is dat het maar om een halve nieuwe knie gaat en dat er nog wel wat revisie mogelijk is (heb ik mij laten vertellen). Voor de geïnteresseerden: de operatie werd uitgevoerd met de MAKO-robotarm van het bekende Stryker, aldus Wikipedia, een geavanceerde robotassistentietechnologie die orthopedische chirurgen helpt bij het plaatsen van knie- en heupprotheses met extreme precisie, gebaseerd op een 3D-model van de anatomie van de patiënt.

Het voordeel van Vonn is ook dat ze geen slalom of reuzenslalom skiet, want daar is de druk op het gewricht vele malen groter. Olympisch kampioen Tommy Moe zei het ooit anders: “Downhill is niet echt skiën. Het is glijdende waaghalzerij. Hij (of zij) die wint is wie zoveel mogelijk ratio kan uitschakelen.”

Ik hoop van harte dat ze genoeg ratio kan opzijzetten over anderhalve maand in Cortina om een tweede gouden medaille te halen en dat ze haar belofte van 2018 kan waarmaken. Toen sprak ze tegen CNN: “Als het Witte Huis mij vraagt om te komen, ga ik niet. Ik hou van het Amerikaanse volk, niet van deze president.” Dat was dezelfde als nu.

Column Medelijden in De Morgen van zaterdag 13 december 2025

Medelijden

Ik had met een aantal mensen te doen deze week. In volgorde van oplopend medelijden:

– Met Sam Baro, de eigenaar-voorzitter van KAA Gent, slechts een heel klein beetje. Hij is afdoende gewaarschuwd voor de (afwezigheid van) mores in het voetbal. Onder andere door mijzelf. Dat ging zo.

“Sam, weet jij wel in welke wereld je terechtkomt? Geen immoreler en amoreler sportmilieu dan het voetbal.”

Antwoord Sam: “Ik denk dat ik het weet, maar ik ga het anders doen.”

Repliek: “Ik denk dat je het onderschat. Of je bent slecht en daarom ga je in het voetbal, of je gaat in het voetbal en wordt slecht.”

Baro leert snel. Hij verloor zijn trainer aan Club Brugge en deed daarop hetzelfde: een trainer ergens anders weghalen. In overleg, zegt hij, en dat klopt, maar ‘overleg’ is hier evengoed synoniem voor ‘gepast smartengeld’.

In ondergeschikte orde is er een vorm van empathie voor de fans van KAA Gent die al meer dan tien jaar geen boegbeelden hadden zien vertrekken naar Club. Niet treuren, Buffalo’s. Denk terug aan die andere ‘Joego’, de Servische doelman Bojan Jorgacevic, in 2011 het laatste grote verlies aan de aartsvijand.

Alleen was dat was geen verlies want Jorgacevic had één rotslechte knie, waardoor hij maar aan één kant snel naar de grond kon. Gent regelde een beperkte medische screening en loosde hem maar wat graag. Die knie, Club kwam daar snel achter.

– Meer empathie is er voor Nicky Hayen, de ontslagen trainer van Club Brugge. Hayen mag zich behoorlijk bedrogen voelen. Deze zomer werd een halve basisploeg verkocht. Hij kreeg de opdracht in de kwekerij in Westkapelle een nieuwe generatie plofkippen klaar te stomen voor de internationale verkoop. Tegelijk moest hij goed presteren in Europa en de competitie domineren.

Hij zag ook hoe zijn vorig jaar terecht fel geroemde as Mignolet-Onyedika-Vanaken-Jutglà aan renovatie toe was. De eerste ligt steeds vaker in de lappenmand, de laatste werd verkocht en Raphael Onyedika spaart zich om top te zijn in de topwedstrijden met het oog op die aankomende transfer.

Twee kleine toespelingen op de onervarenheid van zijn kern volstonden om de boter te hebben gegeten bij het Club-bestuur, dat hem nooit voor vol heeft aangezien maar hem in 2024 onder druk van de tribunes een contract gaf.

Wat die tribunes betreft, het is bekend dat het gemiddelde IQ van voetbalsupporters erg laag scoort. Dat bewezen nog maar eens de reacties op het ontslag van Hayen. “Madou buiten, Rigaux buiten…” Onzin.

– Daarom: de grootste empathie is deze week voor Dévy Rigaux, de sportief directeur die spitsroeden moest lopen op de persconferentie. Neen, zijn optreden was niet bepaald sterk. De club had hem wat beter kunnen coachen.

‘Ze’ hadden het gevoel dat het op was. ‘Ze’ waren niet over één nacht ijs gegaan. Zijn opmerking dat ‘ze’ in eer en geweten hadden gehandeld met Hayen en met KAA Gent had een hoog Comical Ali-gehalte. “Ivan Leko stond erop om zelf contact te nemen met Gent.” Grappig.

Slotsom: het zetbaasje Rigaux wordt er nu door een meerderheid van Club-fans van verdacht de geliefde FCB-trainer te hebben vermoord. Compleet onterecht.

Rigaux is bij Club ooit begonnen als vertaler Spaans, vervolgens door Georges Leekens omwille van zijn aaibaarheid teammanager gemaakt. Nadat eigenaar-voorzitter Bart Verhaeghe zijn eigengereide CEO Vincent Mannaert de deur had gewezen, nam hij zelf de touwtjes terug in handen.

Verhaeghe wil absolute macht, maar komt er niet voor uit. In de picture lopen wil hij ook niet, bang als hij is van zijn tribunes. Rigaux kreeg de superpromotie tot sportief directeur, voor wat het waard was. Bob Madou kreeg dan weer het ook al holle acroniem CEO voor zijn naam. En beiden een dik salaris.

Zoals alle echte beleidsbeslissingen kwam het bevel om Hayen te dumpen direct van de Brugse capo dei capi, de almachtige Verhaeghe zelf. De toorn des volks was voor de trouwe soldaten Madou en Rigaux. Je salaris waarmaken, heet dat.

Het marsorder om Leko weg te halen bij Gent was niet geheel onverwacht gezien Verhaeghes reputatie van meest gehate mens in het Belgische voetbal. Niet alleen stoorde hij zich eraan dat met het ter ziele gaan van het contract tussen DAZN en de Pro League de andere clubs de twijfelachtige rol van Club Brugge (lees: Verhaeghe) bij het in 2022 voortrekken van voorganger Eleven weer hadden opgerakeld.

KAA Gent ging nog verder. Die dachten zo nodig mee te moeten werken aan het terugdraaien van de competitiehervorming naar achttien clubs zonder play-offs. Alleen maar goede redenen voor een strafexpeditie richting Gent en een vingerwijzing voor de rest van het Belgische voetbal.

Column Fossiel(en) in De Morgen van maandag 8 december 2025

Fossiel(en)

De laatste keer dat ik Formule 1 keek – vóór gisterennamiddag – was in 2021. Ook toen was het de laatste race, ook toen was het in Abu Dhabi, ook toen gehypet tot in het oneindige. Met open mond zitten kijken die middag, vooral naar de uitkomst waar ik helemaal niets van snapte.

Een sportieve schande, niet meer of niet minder, dat was de wereldtitel die Max Verstappen cadeau kreeg en Lewis Hamilton werd ontnomen. Gewoon omdat een ander zijn auto tegen een muur parkeert, de ene nieuwe banden kon gaan halen en de andere niet en nog wat rare reglementen werden bovengehaald.

Vier jaar en onderwijl heel wat gesprekken met F1-kenners: zo lang heeft het geduurd om een beetje op te schuiven in de richting van die kenners en hun argumentering. Met de nadruk op een beetje. Die luidt dat Formule 1 geen sport is van sportmannen tegen elkaar, maar van een hele vloot hypertechneuten en superspecialisten die het baasje in de auto aansturen als in een computerspel. PlayStation met echte mensen dus.

Die luidde ook dat Max Verstappen geen gewone echte mens is, maar wellicht de beste rijder sinds Ayrton Senna. Je las zelfs ergens dat hij de Messi van de F1 zou zijn. Welaan. Gisteren zat Messi-op-wielen na een kansloze achterstand Lando Norris op de hielen maar haalde het finaal niet. Dat hij alsnog zo dicht zat, had weeral te maken met een technicaliteit.

Enkele races geleden was de bodemplaat van de McLaren-rijders (Norris en Piastri) 0,12 millimeter te veel afgesleten. Jeetje, 0,12 millimeter, is dat erg? Ja, het was erg. Daarvoor werden ze gediskwalificeerd. Niet te geloven, die ‘sport’. Gelukkig werd deze keer wel een soort sportieve logica gerespecteerd en werd Norris wereldkampioen.

Zaterdag zitten kijken en zondag ook. Tijdverlies, dat was het.

Fout ook. De F1 is in alle opzichten fossiel. Racen met auto’s op fossiele brandstoffen is niet meer van deze tijd. De Formule 1 strooit ons zand in de ogen als ze beweert tegen 2030 klimaatneutraal te willen zijn. Dat lukt nooit, tenzij ze de verplichting invoeren om met elektrische auto’s te rijden. Er is geen objectieve reden te bedenken om dat niet te doen, behalve die ene dan.

Niemand die de kip met de gouden eieren durft te slachten. De meeste fans komen naar het circuit, soms al dagen van tevoren, precies om die brullende motoren te horen. Het blijft van de gekke dat dit vandaag nog wordt aanvaard, dat de armlastige Franstalige Gemeenschap bovendien tien miljoen of meer sponsort en de jaarlijkse verliezen dekt om in een Belgisch natuurgebied te komen racen.

Nu we het toch over fossiel(en) hebben… Dichter bij huis ging het deze week over de lokale passie motorcross. In Voor de dag viel te beluisteren hoe een N-VA-politicus de rechtszekerheid van nieuwe motorcrosscircuits wil garanderen. In Vlaanderen zijn die in de verdrukking, zo wist motorcrosskampioen Stefan Everts ons te melden. De situatie voor motorcrosscircuits in Nederland zou beter zijn dankzij een groot aantal aangesloten circuits.

Misschien heeft dat hiermee te maken: Nederland heeft zeventig procent meer inwoners dan België en slechts tien procent meer landoppervlakte waar al die Nederlanders moeten op wonen. Toch is er meer open ruimte. Planmatig beheer van ruimte en wonen gericht op verdichting heeft zo zijn voordelen.

In Vlaanderen heeft iedereen sinds de Tweede Wereldoorlog ongeveer mogen bouwen waar hij/zij wilde en daardoor wonen wij zo’n beetje overal. Dat die Vlaming geen motorcrosscircuit lust in zijn achtertuin, is de logica zelf.

Wie daar wat van vindt en wie al die klagers nimby’s vindt, moet het maar eens uitproberen. Eén keer per jaar op twee kilometer van mijn huis stelt een boer een weekend lang een akker open voor een provinciale motorcross. Zit de wind slecht, en nog wel met een heel bos ertussen, dan moet je die namiddag niet in de tuin zitten.

Vijftig jaar geleden had België drie Formule 1- circuits. Toen het oude Francorchamps te gevaarlijk werd, verhuisde het F1-circus in 1972 voor twee edities naar Nijvel/Nivelles. Daarnaast had je ook nog Zolder dat van 1975 tot 1984 organiseerde. Vandaag is er alleen nog het hypergesubsidieerde Francorchamps en ook dat is op termijn ten dode opgeschreven.

De Belgische motorcrossers moeten dus niet klagen. Naast enkele occasionele kleine lokale circuits zijn er nog vier grote speeltuinen: Lommel, Balen, Genk en Nismes volstaan. Politici die bedoelen met ‘rechtszekerheid voor motorcross’ dat de omwonenden geen klacht mogen indienen als ze ergens van plan zijn om elk weekend hels lawaai te komen maken, zijn van het padje af.

Column Imagogeld in De Morgen van zaterdag 6 december 2025

Imagogeld

Eerder deze week is de top van de best verdienende vrouwelijke sporters bekendgemaakt. Vroeger leidde het zakenblad Forbes de dans in dat soort berichten en klasseringen, tegenwoordig moet je daarvoor bij de gespecialiseerde site Sportico zijn. Alle bedragen die volgen zijn in dollar, zo gaat dat in de mondiale topsport.

Sinds Anna Koernikova zijn waarnemers van de topsportindustrie een beetje argwanend als ze lijstjes van vrouwelijke topverdieners onder ogen krijgen. De Russische (tegenwoordig Amerikaanse) Koernikova stond jarenlang bovenaan als best betaalde vrouwelijke atleet, met geregeld 10 miljoen dollar aan sponsorinkomsten. Dat was een beetje een raadsel, maar eigenlijk ook weer niet.

Die 10 miljoen dollar – élk jaar – oversteeg ruimschoots haar totale prijzengeld dat ze verdiende op het WTA-circuit. Over haar hele carrière heeft ze ‘amper’ 4 miljoen bij elkaar getikt met het spelletje tennis. Koernikova werd betaald omwille van haar looks, niet haar prestaties. Hoe is het anders te verklaren dat ze vijf jaar de best betaalde vrouwelijke sporter van de wereld was, zonder ook maar één WTA-toernooi, laat staan een grand slam te winnen.

In 2025 is het opnieuw een tennisspeelster die de ranking aanvoert. Een zwarte, maar ook daar moeten we niet verbaasd over zijn. Topsporter is ook bij de vrouwen het inclusiefste beroep ter wereld, althans wat huidskleur betreft. Serena Williams stond jarenlang op nummer één. Zij was tegelijk vaak de echte sportieve nummer één, met uitzondering dan van de jaren dat Kim Clijsters en Justine Henin de beste maar niet de best betaalde speelsters ter wereld waren.

Coco Gauff heeft dit jaar 31 miljoen dollar verdiend. Ze klopte Aryna Sabalenka (30 miljoen) en Iga Swiatek (23 miljoen) op het podium van de grootverdieners, twee speelsters die op de sportieve eindranking boven haar staan. De logica achter die non-logica is simpel: geografie. Amerikaanse atleten harken vergeleken bij niet-Amerikanen altijd een veelvoud aan extrasportieve inkomsten bij elkaar. New Balance, Rolex, Bose, Baker Tilly, Fanatics, Head en UPS, het is geen verkeerd rijtje dat Gauff ondersteunt ten belope van 23 miljoen per jaar.

Heel opvallend aan de topverdieners bij de vrouwen is het belang van die niet-sportieve inkomsten. Zeventig procent van de inkomsten van de top vijftien bij de vrouwen wordt buiten het speelveld verdiend. Imagogeld is alles in de vrouwentopsport. Bij de mannen is dat het omgekeerde: 72 procent van de inkomsten van de vijftien best betaalde atleten halen zij uit hun sportieve arbeid.

In de top bij de vrouwen staan zelfs drie atleten die sportief nauwelijks het zout op de aardappelen verdienen, maar wel de miljoenen aanslepen.

Eileen Gu, nummer vier in de ranking, is een Chinees-Amerikaanse die 2025 afsloot met 23 miljoen dollar inkomsten; 99,9 procent daarvan is sponsoring. Als u haar niet kent, ze neemt over een maand deel in Cortina aan de Winterspelen in het freestyleskiën en wel namens China, waar ze razend populair is. Venus Williams, inmiddels 45 en kampend met een auto-immuunziekte, speelde in 2025 vier enkelpartijtjes en verloor er drie. Niettemin: 10 miljoen bijgeschreven op de rekening.

Hebt u een dochter – dochtertje, want vroeg beginnen is de boodschap – en wilt u een rustige oude dag: tennis, tennis, tennis. Tien van de vijftien best betaalde vrouwelijke sporters komen uit het tennis. Golf, twee speelsters, is een goeie B-optie. Verder staat er één gymnast tussen (Simone Biles), Gu (reeds vermeld) en ten slotte basketbalspeler Caitlin Clark.

Zij is een fenomeen. Aanbeden door de MAGA-achterban van Donald Trump, gehaat door nogal wat zwarte collega’s. Haar bijnaam is, niet geheel terecht, dan ook MAGA Barbie. Ze miste dan wel door blessure de laatste drie maanden van het seizoen, maar is meer dan ooit de blanke hoop in de zwarte dagen van de vrouwencompetitie WNBA.

Die WNBA – de W staat voor woke, aldus de Republikeinen – werkt samen met groepen zoals Planned Parenthood en GLSEN, een lgbtq+-jeugdorganisatie. Na de moord op George Floyd in 2020 droegen de speelsters opwarmingsshirts met ‘Black Lives Matter’ en wedstrijdshirts met de naam van Breonna Taylor, een slachtoffer van politiegeweld.

En nu is er Clark, zo blank als wit kan zijn. Voor haar prestaties op het veld wordt ze niet al te best vergoed: slechts 100.000 dollar als tweedejaars. Naast het veld daarentegen: 16 miljoen aan commerciële deals, meer dan al haar andere basketbalcollega’s samen.

Column Ongelijk speelveld in De Morgen van maandag 1 december 2025

Ongelijk speelveld

Vorige week lag in de Premier League een belangrijk voorstel ter stemming. De bedoeling was het financiële speelveld te effenen. Financiële regels bestaan al langer.

De Fransen waren in 2006 eerst met hun financiële controle van het voetbal. Dat was eerder gericht op het vroegtijdig stoppen van te gekke uitgaven en de faillissementen die daar het gevolg van waren.

De eerste echte aanzet kwam van de UEFA en dat heette de Financial Fair Play (FFP). Ook hier was de bedoeling in de eerste plaats het vermijden van de negatieve publiciteit door plots failliete topclubs. Een eerlijke herverdeling van middelen was niet aan de orde. De Engelsen hadden ook hun rekening gemaakt en stelden vast dat de clubs bijna 4 miljard euro schulden hadden. Ze volgden snel en hun eigen versie van de financiële regels heette de Profit and Sustainability Rules (PSR).

Inmiddels was de UEFA na Covid-19 overgegaan naar een nieuwe set regels: de UEFA Financial Sustainability Regulations (FSR). Een niet eens nieuw principe in de FSR was de Squad Cost Ratio. Simpel gesteld: wat mag een team kosten in verhouding tot de omzet. Dat principe hadden ook de Engelsen aanvaard en zij legden dat op 85 procent van de totale omzet, die vaak door allerlei trucs werd opgepompt.

Clubs die in Europa wilden aantreden, moesten zich evenwel aan de 70 procent van de UEFA houden. Geen van die regels, ook niet de Squad Cost Ratio, had de intentie om het competitief evenwicht te bevorderen. Wat ter stemming lag vorige week in Engeland had dat wel. Lang niet zoals in de Amerika, waar echt wordt herverdeeld, maar toch min of meer een stap in de richting van het afvlakken van een in toenemende mate financieel ongelijk speelveld.

Het had een revolutie kunnen betekenen, de aanvaarding van een financiële verankering, officieel Top to Bottom Anchoring (TBA). Hoe moest dat werken? Het voorstel bestond erin dat de maximale uitgaven van een club in de Premier League zouden worden beperkt tot ongeveer vijf keer wat het twintigste gerangschikte team in de Premier League aan televisie- en prijzengeld zou ontvangen. Voor dit seizoen zou dat budgetplafond net geen 700 miljoen euro bedragen.

Lang verhaal kort: de financiële verankering werd weggestemd, door de topclubs. De Squad Cost Ratio ligt nog steeds op 85 procent maar wordt nu berekend op alle voetbalgerelateerde inkomsten. Daarbij ook de transferinkomsten, want we hebben het over de enige industrie die ongehinderd mensen mag verkopen.

Noem mij gek, desnoods geobsedeerd, maar daar zat ik aan te denken toen ik zaterdag Bayern – St. Pauli volgde vanop de rollen. Ik ergerde mij blauw aan de commentator, vooral dan omdat hij de 1-1 die aan het bittere einde nog op het bord stond moedig en net niet verdiend noemde.

Het werd nog 3-1. 1-1 was niks minder dan een sportieve schande geweest. In geen enkele ploegsport kan je met zo weinig aanvallende intenties aanspraak maken op zo’n resultaat. Voetbal mag dan juist populair zijn omwille van die onvoorspelbaarheid door extreem lage scores, wat is er in godsnaam mis met sportieve eerlijkheid? Moeten we er gewoon niet voor zorgen dat er meer kan worden gescoord in dat spel?

FC St. Pauli, pff. Hoe zij in München kwamen voetballen, dat was antivoetbal tot de tiende macht. Hun trainer, Alexander Blessin, kennen we nog van bij KV Oostende en Union. Blessin stond volgens de overlevering voor aanvallend en intens voetbal.

Aanvallen was niet aan St. Pauli besteed. Dat intense, dat kennen we van Union. Overal en altijd in duel, met een verbetenheid die grenst aan het fanatieke en het reglementaire. Tikje op de kuit hier, duwtje in de rug daar, gaan liggen voor dood, iedereen op en rond het veld op de zenuwen werken.

Inmiddels aanbeland in de cooldown, was het moment waarop ik aan dat financiële speelveld moest denken. De commentator had gelijk: het moedige St. Pauli, voorlaatste en acht duels verloren, had wel degelijk het recht om zo te voetballen.

Dat recht ontleent het aan de in het voetbal ingebakken ongelijkheid. De kleine club van Hamburg heeft vorig seizoen een omzet van 100 miljoen euro gedraaid. Bayern München klokte af op net geen 1 miljard euro. Die ongelijkheid onder Europese topcompetities en binnen alle nationale competities neemt jaar na jaar toe. De topclubs – dat bewezen ze in Engeland – vinden het mooi zo. Welaan, dan moeten ze het parkeren van een hele vloot bussen door de bezoekende kleine club en het puntenverlies na een non-wedstrijd er maar bij nemen.