Column over Australian Open in De Morgen van maandag 29 januari 24

Australian Open

Jannik Sinner heeft de Australian Open gewonnen. Jannik wie? Sinner, een Italiaan. Enfin, een Zuid-Tiroler, dus eerste taal Duits, dus een pseudo-Italiaan met dank aan Mussolini. De typische naam Sinner was tot voor kort bekend van de skibrillen en -helmen – geen familie – en nu dus van het tennis. Sinner klopte eerst Novak Djokovic, de nummer één van de wereld en gisteren Daniil Medvedev.

Wie? Daniil Medvedev, niets te maken met Poetins stropop Dimitri Medvedev, maar ook een Rus.

Een Rus, hoe kan dat? Een Rus in de topsport is een vreemde eend in de bijt sinds de oorlog tegen Oekraïne. Wimbledon heeft het kort na het begin van de oorlog geflikt om de (Wit-)Russen te weren, maar verloor tijdelijk zijn status als puntentoernooi. In 2023 haalden ze bakzeil en Medvedev speelde er de halve finale.

De tenniswereld heeft zoals andere sporten nooit gevraagd dat de landgenoten van de agressors zich zouden distantiëren van hun machthebbers. Daniil heeft ook nooit de behoefte gevoeld om een statement te maken. In onvermoede tijden, meer in het bijzonder na zijn winst op de US Open in september 2021, werd hij nog door Poetin op het schild gehesen als een ware kampioen en een echte Rus.

Het klopt helemaal dat Medvedev, die net als Sinner in Monte Carlo woont en een compleet Franse entourage heeft, daar niets kan aan doen. Toch bleef het erg ongemakkelijk om zaterdag bij de vrouwen een Wit-Russische (Sabalenka) te zien spelen en winnen en gisteren een Rus te zien verliezen. Winst had evengoed gekund, nadat die 2-0 in sets voorstond. Na wedstrijden met (Wit-)Russen volgen steevast persconferenties waar voor journalisten nu al bijna twee jaar de regel “don’t mention the war” geldt (of je komt er niet meer in).

Daniil Medvedev komt niet uit het niets. In februari 2022, uitgerekend de maand waarin Poetin Oekraïne binnenviel, werd hij de 27ste man en de derde Rus (na Kafelnikov en Safin in 1999-2000) in de historie van het professionele tennis die de eerste plaats van de ATP-ranglijst bereikte. Sinds 2004 hadden alleen Roger Federer, Rafael Nadal, Novak Djokovic en Andy Murray op die plek gestaan.

Sinner komt een beetje uit het niets. Hij staat op vier sinds vorig jaar. Ooit was hij als jeugdskiër een talent. “Zijn gevoel voor balans en zijn beweeglijkheid heeft hij aan dat skiverleden te danken.” Zo stond ergens te lezen. Geloof niet alle onzin, aub.

Die Jannik Sinner heeft eerder deze week Djokovic geklopt en dat werd algemeen geduid als het einde van een era. Met Nadal (37) in de lappenmand, Federer gestopt en Djokovic onderweg naar zijn 37ste verjaardag, is dat geen al te rare voorspelling.

Het mannentennis komt uit een ongeziene periode van hoogconjunctuur met epische duels tussen de drie groten. Alcaraz (2), Sinner (4), Zverev (6), Tsitsipas (7) en Rune (8) tikken ook een aardig balletje weg én – niet onbelangrijk – hebben een x-factor, maar ze zijn verre van de magneten die hun voorgangers waren. In die top tien staan ook illustere figuren als Andrej Roeblev (5), Hubert Hurkacz (9), Alex de Minaur (10) en ook dus Daniil Medvedev (3).

Hij is de meest stabiele tennisser na de grote drie, maar zijn x-factor is nul. Zijn metronoomtennis is af en toe geniaal maar inspireert niet. Medvedev straalt ook geen topsport uit. Opvallend, toen hij in militaire dienst moest, werd hij afgekeurd voor gezondheidsproblemen.

Hij is 1m98 dat wel, en geen gram vet, maar hoegenaamd geen atleet als Alexander Zverev, die hij na een 0-2 achterstand vrijdag in de halve finale in de drie daaropvolgende volgende sets genadeloos afslachtte. Ook meer een sater dan een godheid met die luizige plukjes haar die maar geen baard willen worden en die kaalplekken die schreeuwen om een pet. Medvedev ziet eruit alsof hij tennis alleen kent van elke dag twintig uur op de PlayStation te spelen.

Dat is schijn, een soort asportieve mimicry die de tegenstander op een dwaalspoor brengt. Er schuilt wel degelijk een atleet onder die vermomming. Zijn onwaarschijnlijke mentale sterkte alleen kan niet volstaan om dat niveau te halen, al horen daar soms spelletjes bij om de tegenstand uit zijn concentratie te halen. Jannik Sinner bleef er alvast stoïcijns kalm bij toen de Rus na het verlies van de derde set plots weer eens naar de kleedkamer moest.

Welke kant het ook uitgaat met de huidige top tien, het mannentennis staat zonder de grote drie voor een tocht door de woestijn. Sinner en Alcaraz hebben de grootste kansen om de nieuwe Djokovic en Nadal te worden. Een nieuwe Federer is voorlopig niet in zicht.

Column De Olympiaatjes in De Morgen van 27 januari 24

De Olympiaatjes

Je hoort al eens wat als je thuiswerkt. Zoals het radiojournaal dat de gewonnen halve finale in het dubbelspel van Elise Mertens in prime een item waard vond. Die behaalde ze met de Taiwanese Hsieh Su-wei, nummer 710 op de wereldranglijst. Alleen al die details, de klassering en de nationaliteit van de dubbelpartner zouden moeten volstaan om dat tenniszaktoerisme de journalistieke plek te geven die het verdient, bij de bagatellen en de bijverdiensten.

Nog iets later, wéér een bagatel van een item, wéér op de radio, waarvoor deze keer olympisch kampioene hoogspringen Tia Hellebaut uit bed werd gebeld. Ze wilden haar gedacht over Clarisse Agbegnenou. Ooit over gehoord? Natuurlijk niet, en dat is onterecht. Agbegnenou is de regerende olympisch kampioene in de koninginnenklasse van het vrouwenjudo, de klasse tot 63 kilogram. Ze won al 2 keer olympisch goud en 1 keer zilver, was 6 keer wereld- en een keer of 4 Europees kampioene.

Ze hadden bij de radio Hellebaut nodig om duiding te geven bij het verzoek dat Agbegnenou bij de Franse president Emmanuel Macron had neergelegd, toen die deze week in het topsportinstuuut INSEP langs was gegaan. De judoka had gevraagd of hij er niet kon voor zorgen dat haar kind bij haar kan zijn in het olympische dorp tijdens de Spelen.

Haar verzuchting viel in de Franse gespecialiseerde media als L’Équipe niet terug te lezen. Online, pakweg op de site Francs-Jeux, was het ook niet te vinden. Een search op Google leverde maar enkele Franse hits op.

“Wat vindt u ervan”, vroeg Voor de dag aan Hellebaut, “is dat geen goed idee, dat mama’s hun kindjes mogen meenemen in het olympische dorp?” Ons Tia, altijd al de nuchterheid zelve, zei dat ze haar kinderen ook graag zag en nog steeds ziet en dat ze die in Londen tijdens haar Spelen ook geregeld wilde knuffelen. Ze had daarvoor voorzieningen getroffen buiten het olympische dorp. Ze vond het derhalve geen goed idee om kinderen ín het olympische dorp te halen. Stel je voor, zei ze nog, zo’n stel bleirende kinderen die andere atleten wakker houden, je moet er niet aan denken.

Wanneer precies is niet zo duidelijk, maar ooit is Agbegnenou een keer te veel op haar hoofd gevallen bij dat judoën van haar. Wat ze precies wil, is evenmin duidelijk. Alvast een voorkeursbehandeling. Een eigen olympische suite met verzorgingsboudoir in het al zo krappe olympische dorp? Voor papa, kindje, oma’s en opa’s een accreditatie? Of een kindercrèche binnen dat dorp: de Olympiaatjes, met vers bereide fruit- en groentepapjes op maat van alle gewesten en de klok rond opvang en afhaal voor moeders en vaders die hun kinderen te zeer missen. Of, minder bekende optie, die zich op de kroost willen afreageren na het missen van een medaille.

Het is een dingetje van de laatste jaren, vrouwelijke atleten en hun kinderen. De Franse voetbalster Amel Majri reisde vorig jaar met haar kind van één jaar naar de World Cup in Australië. En in Tokio in 2021 kregen twee olympische atletes de toestemming om hun baby mee te nemen naar het hermetisch afgesloten Japan om borstvoeding te geven, zij het buiten het dorp.

Mannelijke atleten en hun kinderen is makkelijker. De allerrijksten hebben hun nanny mee naar de grote afspraken, zoals tennisser Roger Federer destijds. Soms dubbelt de nanny als vrouw. Neem nu wielrenner Wout van Aert. Zijn Sarah sleurde hun kleine Georges overal mee. Nadat vorige zomer kleine Jerome aan het gezin werd toegevoegd, zorgden de wielerorganisatoren voor een uitbreiding van de mixed zone.

Topsportsters die ervoor kiezen om tijdens hun carrière zwanger te worden en een kind op de wereld te zetten, om dan tot de vaststelling te komen dat er zich een logistiek probleem aandient, vroeger was het antwoord: keuzes maken hoort bij topsport, eigen schuld dikke bult. Dat antwoord mag niet meer.

Agbegnenou is verslaafd aan haar kind, dat zei ze zelf vorig jaar. De president zal haar vraag toch niet hebben zien aankomen. Wellicht dacht hij: Eh bien Clarisse, on ne peut avoir le beurre et l’argent du beurre. Vrij vertaald als ‘het is het een of het is het ander’. Dat was in haar specifiek geval niet eens een onbeleefd antwoord.

Volgens de gespecialiseerde pers leeft ze in opperste harmonie samen met de vader van het kind, die haar nog eens de beste moeder van de wereld vindt. Ze heeft een vaste baan bij het Franse leger en hoewel ze geen klauwen vol geld verdient als judoka moet ze zich met privésponsors als P&G en Le Coq Sportif een appartementje op loopafstand van het olympische dorp kunnen veroorloven.

Column Rivalen in De Morgen van maandag 22 januari 2024

Rivalen

‘Nog één keer, maar dan in de zon en op hardere ondergrond, minder technisch, sneller, meer pure power en uithouding en vooral een hogere trapfrequentie, meer wegwielrennen dan mountainbiken. Misschien dat het dan wel lukt om hem te volgen. En zo niet, wel ja, er is dat hogere doel.”

Was dat de mindset van Wout van Aert? De voorbije maanden was hij dag na dag, week na week, zij het in modder, gras of zand, naar huis gereden door de jongen/man/rivaal die hem nu al meer dan twaalf jaar vaker klopt dan omgekeerd. De eerste keer was in oktober 2011 in Bosduin, een wijk van Kalmthout. Ook toen moest de pas zeventien geworden Lillenaar de duimen leggen voor de vier maanden jongere Nederlander uit Kapellen.

In het wielerwalhalla moet je cross niet groter maken dan wat het is, een uurtje circus, maar daar zal Van Aert geen boodschap aan hebben gehad. Winter na winter heeft hij zijn prestaties en overwinningen in het veldrijden als basis en referentie gebruikt voor een voorseizoen in de Vlaamse klassiekers.

Dat hinken op twee gedachten heeft hem geen windeieren gelegd. De E3 twee keer, de Omloop, Gent-Wevelgem, de Amstel Gold Race, de Strade Bianche en niet te vergeten Milaan-Sanremo, dat is een voorjaarspalmares van de allerbesten.

En toch. Eeuwige rivaal Mathieu van der Poel won de Omloop nog nooit, maar wel de Brabantse Pijl. In de B-wedstrijden zijn ze elkaars gelijke, maar in het grote werk is hij Van Aert ontstegen. Neem nu die ene statistiek die de ogen uitsteekt: één monument tegenover vier voor Van der Poel, waarvan drie in Van Aerts droomkoersen, dat ligt zwaar op de maag.

De analyse van die verliesmomenten was snel gemaakt. Met het team was niks mis, het was kopman Van Aert die in de beslissende fase met de toppers voorin telkens moest afhaken. Daarom veranderde het geweer van schouder in deze winter van 2023-’24. Het werd een winter van een voltijdse wegrenner: extensieve duurtrainingen, geregeld op, net boven of net onder de drempel, afgewisseld met intensieve blokjes die steeds langer worden.

De prestaties van Van Aert in het veld deze winter verdienen deze context om ze te kunnen plaatsen. De vraag is of Van Aert dat ook zo ziet, of hij diep vanbinnen de cross niet blijft zien als de finale plaatsbeschrijving van zijn body, de referentie voor wat moet komen. Een minuut of meer aan de koersbroek krijgen van je rivaal, het lukt net iets minder makkelijk om dat een plaats te geven als je met de modderspatten in je gezicht een microfoon onder je neus krijgt geduwd die je vraagt om uit te leggen waarom je het niet erg vindt dat je zoek wordt gereden. En na het Nederlands mag dat nog eens in het Engels.

Als je vervolgens een dag later het ongeluk hebt om een van de twee sportkranten op de verkeerde pagina open te slaan, staat daar dat je een pakje slaag hebt gekregen. Dat kan niet anders dan zijn binnengekomen bij de nijdigaard/binnenvetter die onder de schil van de minzame familieman Van Aert huist.

Gisteren in Benidorm won Van Aert, maar of hij daar nu blijer en vooral wijzer van is geworden? Blijer wel, maar niks wijzer. Zo overtuigend was die overwinning niet. Van der Poel verloor door dubbele pech, maar imponeerde als nooit tevoren. Hij is in de vorm van zijn leven, zoveel is duidelijk. Om die stap te zetten was een denkomslag nodig, het besef dat het de hoogste tijd werd om er alles aan te doen om het allerbeste uit dat begenadigde lichaam te halen.

De stomme val op de Spelen van Tokio in de zomer van 2021 wordt vaak als trigger aangehaald, maar het was vooral in 2022 dat het besef groeide. Wie hem zijn gedeeltelijke verhuis naar Spanje heeft aangepraat, verdient alle credits. Wonen en trainen in en vooral rond Moreira heeft de kwaliteit en de kwantiteit van zijn trainingen de hoogte ingejaagd. De smalle basis van het supertalent werd een brede fond.

Gedaan met de nonchalance, het ego van de winnaar nam de overhand. Dat ego werd vorig jaar ruimschoots gevoed met mooie triomfen in superklassiekers en die ene fenomenale raid op het wereldkampioenschap in Glasgow.

De hamvraag is nu of Van der Poel en zijn entourage alles onder controle hebben, weten waar hij staat, wat er nog bij kan? Als er nog iets bij kan, en dit zijn nieuwe basisniveau is, o wee de tegenstand in alle wedstrijden voor de komende vier maanden. Alleen, Van der Poel zou Van der Poel niet zijn als er niet nog ergens een kinkje in de kabel zal komen. Gisteren was daar het perfecte voorbeeld van.

Column Pijn IS fijn in De Morgen van zaterdag 20 januari 2024

Pijn IS fijn

De voorbije mediaweek werd beheerst door lange tenen en angsthazenjournalistiek, soms een combinatie van de twee.

Zoals: de vrouwen en de gelijkegenderclubs die over (ex?-)sportjournalist Tom Coninx struikelden toen die zei dat hij zich in Italië als man niet te veel moet aantrekken van huiselijke taken en andere testosteron-onderdrukkende besognes. Dat alles uitgesproken met een sardonisch lachje, hem kennende. O jee, het kot was te klein.

Zoals ook: de ontelbare waarschuwingen afkomstig van de angsthaasjes van de radio en de tv over de drie centimeter of iets meer sneeuw die ons Vlaamse land naar de Noordkaap zou beamen. Het dient gezegd, ongeveer alle media deden mee, één site had het zelfs over een sneeuwbom. Deze krant had een omfloerste omschrijving voor het fenomeen angsthazerij: risicoaversie.

Terwijl de boodschap eigenlijk heel simpel is: schijt u in uw broek omdat u a. niet kunt rijden, b. geen winterbanden heeft, c. geen 4×4 heeft, of a, b en c samen, blijf thuis en loop of rijd de rest van de maatschappij niet in de weg.

Zoals nog: de ongewilde spin-off van het pas gestarte realityprogramma Kamp Waes, seizoen twee. Seizoen één solliciteerde nog naar de verbastering Kamp Dwaas, omdat de meeste deelnemers compleet onvoorbereid en dus ongeschikt waren om hun lijf, leden en geest aan brutale spelletjes van de elitetroep van het Belgische leger te onderwerpen.

Bij de deelnemers aan seizoen twee zitten op het eerste gezicht maar een tweetal loco’s, u mag ze zelf zoeken. Youssef Challouki lijkt ook op het tweede gezicht daar niet bij te horen, al had hij in zijn voorbereiding wel meer aandacht kunnen besteden aan kaartlezen.

Voor hen die uit de lucht vallen, Challouki is een sporter. Een kickbokser, meer in het bijzonder, en een goeie. Het wordt nu al uitkijken naar de milling, het militaire spelletje waarbij twee mensen elkaar zo vaak en zo hard mogelijk proberen te raken gedurende één minuut. Op voorwaarde dat hij daar geraakt, want Youssef – nu komt het – is geblesseerd aan Kamp Waes begonnen, dus toch een beetje Kamp Dwaas in zijn geval. Hij heeft een verrekte gewrichtsband in de knie.

In aflevering één moesten de deelnemers de Bergham Run afwerken: acht kilometer en onder de vijftig minuten binnenkomen. Lopen aan geen tien per uur is normaal een eitje, maar niet met een rugzak van twintig kilogram. Op twee na finishten ze allemaal binnen tijd.

Onderweg kreeg Youssef last. Of het nu die gewrichtsband was of wat anders, hij had pijn. De camera was bij hem en capteerde dat beklijvende moment. Eerst zei hij “het begint pijn te doen” en daarna met een ook al sardonisch lachje “pijn is fijn met een p”.

In Nederland heb ik destijds de spreuk pijn is fijn/ bloed is goed/ jeuk is leuk/zweet is wreed weleens gehoord van een zwemmer die tot het gaatje ging en daar wat mooie medailles aan overhield. Een andere grapte dan weer: jeuk is leuk/pijn is fijn/spastisch is fantastisch. Die won beduidend minder.

Pijn is fijn met een p, daar ging het dus over maandag en nog een beetje dinsdag. De VRT NWS-site ging erop door in de rubriek Technologie en Wetenschap en ook in de avondactua op Radio 1 was het een item.

De teneur was: pijn is fijn met een p, klopt dat? Domme vraag. Natuurlijk klopt dat niet. Niemand heeft graag pijn. Alle pijn is vervelend. Maar soms is pijn nodig, soms ook niet. Soms moet je pijn verbijten om je lichaam te pushen. Soms push je het lichaam beter niet en moet je pijn als een ernstig signaal zien. Einde discussie.

Er werd een professor bijgehaald van een pijncentrum. Hij stoorde zich aan het als fijn bestempelen van pijn want dat was nu eens euh… niet fijn voor mensen met chronische pijn. Waarna hij besloot met: “Ik zou het waarderen als mensen iets voorzichtiger zijn met zulke uitspraken.”

Man, man, man. Zegt niemand op zo’n redactie: “Gasten, overdrijven we niet een beetje?” Niemand die vragen stelt bij het voorlezen van de zoveelste Huppeldepup-zegt-in-onze-app-reactie? Niemand die weet dat ‘pijn is fijn met een p’ maar een boutade is, niks meer waard dan ‘koriander is fijn’ (terwijl er zijn die van koriander moeten kotsen)?

Pijn ís fijn. Of kan fijn zijn. Niet overal, niet altijd, niet voor iedereen, maar als je in sport iets wilt bereiken, of als je je lichaam een beetje wilt wapenen, zul je je toch af en toe moeten inspannen en daarbij door een pijngrens(je) moeten. Dat is wat Youssef bedoelde. Wie daar geen zin in heeft, hoeft zich niet geschoffeerd te voelen. Risicoavers thuisblijven, mond houden en niet reageren in de VRT-app is de boodschap.

Column Europese Kampioenschappen in De Morgen van 15 januari 2024

Europese Kampioenschappen

Ooit, in een niet zo heel ver verleden, viel in de eerste weken van de januarimaand weinig te beleven op sportief vlak. Van Belgische triomfen was al helemaal geen sprake, of het moest het BK modderrijden/ploeteren zijn. Dat had en heeft nog steeds het niet te versmaden voordeel dat alleen maar Belgen kunnen winnen. Altijd feest zonder die ‘Ollanders’, zoals gisteren in Meulebeke.

Zaterdag opende de VRT zijn journaal met de gouden en bronzen medaille van de Belgische kunstschaatsters Loena Hendrickx en Nina Pinzarrone op het EK. Het laatavondjournaal werd dan weer opgehangen aan de stunt van baanwielrenster Lotte Kopecky, die in twee opeenvolgende nummers Europees goud won en de twee bronzen medailles van broer en zus Desmet in het shorttrack.

Is er sprake van een trendbreuk? Zijn wij een topsportland geworden?

Het antwoord is meerlagig. Eerst deze heel positieve vaststelling: de Belgische topsport is erop vooruitgegaan, vooral met dank aan de Vlaamse topsport. De resultaten zijn deze eeuw onmiskenbaar beter dan de vorige en ze komen vooral op het conto van vrouwen. Dat laatste is dan weer te verklaren door de grotere progressiemarge in de vrouwensport, het gevolg van een historische achterstand en het mindere aanbod aan atleten.

Het is wat het is: België gaat erop vooruit. Hoewel, er blijft nog steeds de lichtjes ongemakkelijke vaststelling dat de zes medailles van Atlanta in 1996 minstens evenveel waard waren als de zeven van Tokio in 2021. Hoezo? Welnu, in die 25 jaar zijn een kwart meer olympische medailles te winnen.

Omdat de resultaten beter zijn, wil men nog wel eens het bredere plaatje uit het oog verliezen en van elke prijs een wereldwonder maken. Neem nu het EK baanwielrennen en het EK kunstschaatsen. Die worden elk jaar georganiseerd. Jaarlijkse EK’s worden op de internationale waardenschaal lager ingeschat dan tweejaarlijkse Europese kampioenschappen (atletiek, zwemmen) of vierjaarlijkse (voetbal). EK’s zijn de norm niet meer.

En er is nog iets waardoor je het best een slag om de arm houdt. Een EK in een olympisch jaar is doorgaans niet al te sterk bezet en de toppers die er wel zijn, pieken niet voor de volle honderd procent. Dat doet niets af aan de prestatie van Lotte Kopecky zaterdagavond. Die reed daar in haar wereldkampioenentrui in twee opeenvolgende wedstrijden het hele veld choco.

Niet om de pretbederver uit te hangen, maar er is nog een dingetje. België is zesde geëindigd op dat EK en won zes medailles. Nederland pakte er ook zes. Alleen de bronzen van Fabio Van den Bossche in het omnium en de zilveren medaille in de ploegkoers zijn behaald op olympische nummers. De Nederlandse medailles komen op één na allemaal uit olympische nummers. In het jaar van de Spelen kan dat een klein teken aan de wand zijn omdat sportlanden die zichzelf serieus nemen juist zwaar inzetten op olympische nummers.

Over naar die twee medailles van het kunstschaatsen. Het journaal ermee openen, ach, als in deze tijden van wereldellende (Gaza, Jemen, Oekraïne) het dorp België iets heeft om blij van te worden, waarom ook niet?

Het was wel verheugend dat de VRT-reporter die de weg naar Litouwen had gevonden ook de vraag stelde die moest gesteld worden: wat Loena, als de Russinnen hier wel waren geweest? Nog verheugender was het antwoord van Loena Hendrickx: “Dan stond ik niet op het podium, maar toch ga ik van deze gouden medaille heel hard genieten.” Goudeerlijke taal.

Hoe dat dan zit met het WK van maart in Japan, in Saitama, dezelfde hal waar de Belgian Cats hun olympische medaillekansen vergooiden? Hendrickx is al een keer tweede en derde van de wereld geweest (ook zonder Russinnen) maar is ook daar realistisch: “Goud? Alleen als de Japanse Sakamato valt en ik perfect schaats.”

Ondanks al die medailles blijft België een topsportwoestijn waar men de prioriteiten niet altijd op een rijtje heeft. Wat hebben Bart Swings en collega-langebaanschaatsers, de shorttrackers en de kunstschaatsters gemeen? Dat ze ofwel helemaal niet (Swings), of met veel moeite (alle anderen) in eigen land terechtkunnen om hun beroep uit te oefenen waar ze zo goed in zijn.

Zou er ergens een ander land zijn dat zo goed en vaak scoort in om het even welke sport zonder aangepaste topsportinfrastructuur? De baanwielrenners hebben hun tweede wielerbaan gekregen waar ze zo om smeekten. Terecht. In Zolder is vast nog plaats voor een topsportijshal. Die zal een cent kosten en ze zal niets opbrengen, maar dat geldt ook voor alle wielerbanen en alle vijftigmeterzwembaden.

Column Teflon Dave in De Morgen van zaterdag 13 januari 2024

Teflon Dave

‘United is een club gebouwd op de fundamenten gelegd door Sir Matt (Busby), Sir Bobby (Charlton) and Sir Alex (Ferguson) en er is meer nodig dan een titel van ridder, een zak geld en besmeurd sportsucces om tussen die voetbalgiganten te staan.”

Dat was de teneur eerder deze week in The Times naar aanleiding van hét internationale voetbalnieuwsfeit van deze winter: de verkoop door de Glazer-familie van een kwart van de aandelen en de uitbesteding van het sportieve beleid van Manchester United aan Jim Ratcliffe van Ineos. Het citaat sloeg maar ten dele (de zak geld) op Ratcliffe en Ineos. In essentie ging het hele opiniestuk over de bijdrage die Sir David Brailsford, sports director van Ineos, zou kunnen leveren aan de heropstanding van Manchester United.

Meteen twee bemerkingen. Over welke heropstanding hebben ze het? Sportief kan daar wat bij, dat klopt. Zakelijk ook, maar minder. Als het sportief wat beter zal gaan, volgt dat één op één. Dit seizoen zaten ze al in de Champions League, maar werden in een allesbehalve onoverkomelijke poule met Bayern, Kopenhagen en Galatasaray laatste.

De Engelse pers sprak van een schande, want ze haalden niet eens het vangnet van de Europa League, maar dat is commerciële onzin. Het grote geld van Champions League was binnen, in de terugronde kunnen ze zich concentreren om van die achtste plaats een vierde of vijfde te maken.

Het lopende boekjaar zal door die Champions League wellicht weer winst opleveren na een klein verlies voor 2022-’23. Man United speelde tien jaar geleden voor het laatst kampioen, maar moet met een omzet van 753 miljoen euro nauwelijks onderdoen voor de buur Manchester City, dat in de voorbije tien jaar zes keer kampioen werd.

Ook een bemerking: de lof voor Sir Alex is kortzichtig. Die liet de negentienjarige Paul Pogba in 2012 voor 1,8 miljoen euro (gratis dus) vertrekken naar Juventus zonder een terugkoopsom af te spreken. Vier jaar later wilden ze Pogba bij United terug, ook op aanraden van raadgever Ferguson: die transfer kostte hen 105 miljoen.

Pogba bakte er niet veel van. Hij vertrok in juli 2022. Naar Juventus. Gratis. In een minder krankzinnige economische omgeving zou zo’n verkoop/aankoopbeleid een heel management de kop kosten, maar Ferguson wordt nog elke wedstrijd toegejuicht in het Theatre of Dreams.

Met andere woorden, ze kunnen bij Manchester United wel wat gezond sportverstand gebruiken. De vraag is evenwel of Brailsford de juiste persoon op de juiste plaats is. De Engelse tabloids zijn ronduit negatief, de broadsheets erg kritisch. En alle Engelse pundits vinden dat zij dat veel beter zouden kunnen.

Dat een club sportief wordt aangestuurd door een minderheidsaandeelhouder zonder veel verstand van ‘the game’ is volgens aloude Engelse voetbalwijsheden sheer and utter nonsense. Dat die minderheidsaandeelhouder in de handen ligt van een man die zijn sportieve sporen heeft verdiend in het door het voetbalpubliek zo gehate posh cycling is godslastering.

Het dossier Man United is om al die redenen uitermate boeiend om te volgen. Nu komt het erop aan de juiste baasjes in het veld te krijgen en die te laten luisteren naar de juiste ploegbaas.

Als dat lukt, is de recordkampioen die de voorbije jaren vooral de subtop bespeelde een paar seizoenen verwijderd van een nieuwe titel in de Premier League, zoveel is zeker. Of Brailsford met zijn kennis van sportfysiologie en zijn MBA (master of business administration) maar nul ervaring in de handel in voetballende mensen dit proces in goede banen kan leiden, dat is de inzet van deze machtswissel.

Bij OGC Nice, een andere voetbalclub in het Ineos-imperium naast Lausanne Sports, mislukte Brailsford alvast. Ter vergoelijking: bij Manchester staat hij ongeveer boven aan de voedselketen, Nice stond niet eens halfweg.

Man United lijkt alvast meer op Team Sky, later Ineos Grenadiers. Acht kilometer is het, over de A635, van het National Training Centre, waar hij de eerste Britse wielersuccessen uittekende, naar Old Trafford.

Brailsford hield een titel van Knight Bachelor over aan de 6 Tour-overwinningen, 8 gouden olympische medailles en 59 wereldtitels, die werden behaald in zijn periode als performance director van Team Sky en British Cycling. Zijn bijnaam Teflon Dave was dan weer het gevolg van een nooit helemaal opgehelderd dopingschandaal waarbij hij handig de dans ontsprong. Nog een geluk dat die Pogba daar al weg was toen hij (bij Juventus) werd betrapt op doping. Het ging om testosteron, hetzelfde middel dat destijds bij Team Sky onder zijn bewind door de teamdokter werd aangekocht.

Column Caster Semenya in De Morgen van 6 januari 2024

Caster Semenya

Ze lagen netjes klaar, opgelijst met de kerstvakantie in het vooruitzicht. In print: Le Fric van Alex Duff over de familie Amaury, eigenaars van L’Équipe en de Tour de France. Expected Goals van Rory Smith over de datarevolutie in het voetbal. En nog een stel boeken, zoals het hier niet ter zake doende Thermomix-kookboek voor de TM6 en Winnen met aandelen van Roland Van der Elst.

Dan op de e-reader: Unfit and Improper Persons van Kieran Maguire, over rare typen in het (vooral Engelse) voetbal. Binary, biologie over de genderproblematiek, van Zachary Elliott. Power Players over voetbal in propaganda, oorlog en revolutie van Ronny Blaschke. Ten slotte Caster Semenyas The Race to Be Myself, verschenen eind 2023.

Alleen dat laatste is verslonden en staat nu vol digitale aantekeningen. Het is niet goed geschreven, of het moet slecht vertaald zijn, dat kan ook, maar het personage en de problematiek die ze nu al haast vijftien jaar veroorzaakt blijven hoogst interessant. En dus ook het boek.

Voor selectieve lezers van wie de haren rechtkomen als het over geslacht en gender gaat, deze disclaimer als geruststelling: Caster Semenya is biologisch gezien misschien geen vrouw die alle hokjes van het vrouw-zijn kan aankruisen (dat zegt ze zelf) maar ze is geboren als een vrouw, identificeert zich nu al dertig jaar als een vrouw en zal altijd een vrouw blijven.

Na lezing van de argumenten en in tegenstelling tot wat op 4 mei 2019 in deze column verscheen (dat heet voortschrijdend inzicht): de sportinstanties zijn hun boekje te buiten gegaan toen ze Semenya verboden met haar natuurlijke hormoonhuishouding aan topsport te doen. Dat is ook zowat de samenvatting van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vorig jaar in juli.

Semenya zegt van zichzelf dat ze de beste 800 meterloopster in de geschiedenis van de atletiek is. Dat is, net als enkele andere stellingen in haar boek, voor discussie vatbaar. Ze heeft drie wereldtitels op haar conto en twee gouden medailles op de Olympische Spelen. Anderzijds is ze pas de vierde performer aller tijden op die afstand en zit ze nog een seconde boven het (dopingverdachte) wereldrecord van Jarmila Kratochvilova dat nu al veertig jaar op de tabellen staat.

Wat is dan het probleem? Welnu, Semenya loopt als een man en ziet er eerder uit als de standaardman (zegt ze zelf, dus geen shaming).

Semenya is een vrouw met DSD 46, XY om precies te zijn. Haar geslachtsontwikkeling is op een gegeven ogenblik van het standaardpad afgeweken, waardoor ze is geboren met een vagina maar niet met een baarmoeder of eierstokken en wel met testes die nooit zijn afgedaald. Gevolg: ze produceert meer testosteron dan de gemiddelde vrouw, maar nog steeds minder dan de gemiddelde man (of trans vrouw, om en passant een steen in een andere kikkerpoel te gooien).

Om een lang verhaal kort te schetsen: ze is sinds haar doorbraak op de internationale scène in 2009 meermaals vernederd door medici die om de haverklap in opdracht van World Athletics (toen nog IAAF) en van de Zuid-Afrikaanse atletiekbond haar geslachtskenmerken de visu moesten testen. En al die tijd bleef deze mevrouw presteren, bleef ze zelfs waardig.

Behalve dan misschien die ene keer, zo blijkt nu uit haar boek, toen ze (haar woorden) met een dildo op haar toestapten, wellicht voor een echografie. Ze dreigde het dokterskabinet te verbouwen, dokter en personeel incluis. Weg dildo. Ze heeft ook een tijdlang haar hormoonproductie moeten onderdrukken, langer dan gezond, waardoor ze depressief werd.

Haar levensverhaal is nogal activistisch opgeschreven en dat maakt het net iets minder verteerbaar, maar haar ergernis valt dan weer perfect te begrijpen. In essentie heeft ze overschot van gelijk als ze aanklaagt dat ze schandalig onheus is behandeld. En met haar nog andere vrouwen, van wie er een aantal op aanraden van de artsen hun inwendige testikels hebben laten weghalen, waarna ze voor geen meter meer presteerden.

Semenya beweert ook dat World Athletics racistisch is met de testosterondrempel omdat DSD 46, XY vaker voorkomt bij Afrikaanse (zwarte) vrouwen dan bij witte/blanke. Hierin geeft de wetenschap haar dan weer gelijk, maar even verder slaat ze de bal mis als ze beweert dat testosteron geen factor is in het verschil tussen man en vrouw. Dat is het wel, maar de vraag is of je kunt bepalen als sportbond op basis van hormonale waarden waar het vrouw-zijn eindigt en waar het man-zijn begint. Neen dus.

Column Bernard Tapie in De Morgen van 30 december 2023

Bernard Tapie

De serie riep herinneringen op. Het was 1988 en de baas had een uitnodiging gekregen voor een persconferentie bij Donnay, de fabrikant van tennisrackets. Dat merk deed het niet goed, slecht zelfs, na het afhaken van zijn ster Björn Borg, maar er diende zich een nieuw elan aan. Er was een Franse investeerder gevonden die ook al in de koers actief was.

Bernard Tapie zou eind dat jaar afhaken als eigenaar van de wielerploeg La Vie Claire, maar dat wisten we toen nog niet. De naam Tapie stond voor flamboyant, maar ook voor succes, vooral na zijn twee Tour-overwinningen met Bernard Hinault en Greg LeMond. Die laatste overwinning in 1986 had hij trouwens zelf geregisseerd. Toen Hinault dreigde zijn eerdere belofte te breken dat LeMond als betere van de twee de Tour mocht winnen, greep Tapie in. Marketing, zou hij later uitleggen, gevraagd naar zijn beweegredenen om de Franse Tour niet aan de Franse chouchou te laten. “Greg was een jonge Amerikaan die voor mij deuren kon openen.”

Dat alles behoorde tot de parate kennis van een sportjournalist in die dagen en Tapie die naar Couvin kwam, dat was het sein voor allen daarheen. Zelfs voor de Walen ligt Couvin in een uithoek van België, maar het loonde de moeite want Tapie zou tegelijk een wereldster aan zijn nieuw verworven speeltje toevoegen. Andre Agassi tekende daar een contract met Donnay en Tapie, en daar mochten wij bij zijn. Meer zelfs, we kregen allemaal een racket en ik kreeg als extraatje de denim short waarmee Agassi toen speelde.

Dat ging zo. Tapie sprak met alle journalisten. Je kon het geen interview noemen, hij ratelde aan één stuk door, keek ons één voor één aan en liet ons geloven dat hij er was voor ons. Ik stelde een vraag en hij antwoordde niet eens. Ik stelde een tweede vraag en weer geen antwoord, wel een monsterende blik en een wedervraag: “Dis, mon pote, t’es joueur de tennis, toi?” Ik schrok en zei: “Non, je joue au volley.” Tapie, tegen zijn assistenten: “Donne-lui le short d’Andre, qu’il se taise.” Hij lachte.

Echt gebeurd, en zo werd ik eigenaar van de iconische Nike-short in afgebleekte jeansstof. Een jaar later droeg ik die op Roland Garros. Als journalist. Eén keer en nooit meer, een hele dag werd ik achternagezeten door handtekeningenjagers.

Van Donnay en tennis en Agassi is nergens sprake in de zevendelige serie Tapie. Evenmin van La Vie Claire en Hinault en Lemond. Uiteraard wel van Olympique de Marseille, waarmee hij verschillende keren Frans kampioen werd en in 1993 zelfs de eerste editie van de Champions League won.

L’affaire VA-OM, de omkoping van Valenciennes door Marseille, dat met de Champions League-finale in het achterhoofd zonder veel energie te verspelen Frans kampioen wilde worden, hoeveel pagina’s hebben we daar niet mee moeten vullen? Evenals over de rol van Tapie, zijn sportdirecteur Jean-Pierre Bernès, maar ook over zijn trainer Raymond Goethals, die dat trucje (een tegenstander omkopen om niet voluit te gaan) al eens had toegepast in het seizoen 1981-’82 toen Standard tegen Waterschei moest en enkele dagen later een Europese bekerfinale had. Goethals zit in de serie, uitstekend gespeeld door de Belgische acteur Philippe Résimont, maar zijn rol in dat onzalige verhaal blijft onderbelicht.

De laatste aflevering is de beste. Hoe de procureur Tapie klemrijdt, hoe Tapie beseft dat hij is klemgereden, dat hem een straf boven het hoofd hangt, hoe hij naar de gevangenis moet en daar wordt toegejuicht. Sterke televisie zonder meer.

Hij kreeg twee jaar, waarvan één voorwaardelijk. Uiteindelijk is hij na geen zes maanden te hebben gezeten in juni 1996 vrijgekomen met een enkelband. In 2009 zou de procureur verklaren dat die gevangenisstraf te zwaar was voor het omkopen van voetballers. “Was hij Tapie niet, dan had hij nooit moeten zitten. Ze hebben hem gepakt om andere redenen.”

De serie Tapie is een aanrader. De hoofdrolspeler Laurent Lafitte ís Tapie. Hij laat de kijker achter met gemengde gevoelens. Soms is Tapie een held, dan weer een ordinaire oplichter, om weer een held te worden. Aan het eind voel je medelijden met de megalomaan. De eindsequens is geniaal. Gemonteerd op echte beelden van Tapie, waardoor je ziet dat de serie dicht bij de waarheid is gebleven, zingt Michel Polnareff ‘Love Me, Please Love Me’. Die suggestie – alles wat Tapie deed, goed en fout, deed hij omdat hij geliefd wilde zijn – kan weleens kloppen. Tapie stierf in 2021 op 78-jarige leeftijd.

Column Scheidsrechters in De Morgen van dinsdag 26 december 2023

Scheidsrechters

Zomaar een spelfase. Je meent dat het (doel)punt of de bal voor jou is, maar de scheidsrechters beslissen in je nadeel. Je probeert het eerst beleefd. Geen respons. Dan wat luider. Weer geen respons. Of toch, je wordt weggewuifd en de hand gaat naar de zak waar de kaarten zitten. Er wordt gedreigd.

Stadium drie dient zich aan. Je wordt nijdig. De scheidsrechter staart je aan met een air van “ik ben hier de baas” en straks zie jij één kaart, twee kaarten (volleybal) of krijg je een technische fout (basketbal). Dat is het kantelmoment. Tijd voor stadium vier: de ref laten weten wat je van hem/haar denkt.

Je stapt naar de scheidsrechter en zegt, zo rustig mogelijk: “Je weet toch waarom jij dat onnozel pakje aan hebt en ik niet?” De meeste refs zullen geen antwoord geven, dus kom je zelf snel met de oplossing: “Omdat jij een kieken bent, te lomp om te … (vul in de sport). Het is niet omdat je het voor jezelf hebt verkloot in deze sport, dat je dat ook voor ons/mij moet verkloten.”

Dat lucht op, maar het gevolg laat zich raden: een kaart, twee kaarten (volleybal) of een technische fout (basketbal). Een paar keer ervaringsdeskundige geweest, jawel. Heeft een mens daar spijt van? Het maatschappelijk correcte antwoord is ‘ja’, maar eigenlijk is het ‘neen’. Beledigingen in het heetst van de strijd zijn collateral damage.

Soms waren de refs in mijn tijd, in mijn sport (volleybal) ook echt domoren die in die sport voor niets anders konden dienen. Verzwarend element voor enkelen: thuis hadden ze niets te zeggen en daar hielden ze een totaal misplaatste machtswellust aan over. De ergsten waren mislukte militairen.

Die deden het voor een paar honderd frank per wedstrijd, of misschien iets meer, plus kilometervergoeding. De Belgische scheidsrechters in het topvoetbal kunnen tot 10.000 euro per maand (bij)verdienen, bruto weliswaar. Soms is het minder, maar de meesten hebben een vast salaris of ook nog eens een andere baan waarvoor ze worden betaald.

Die 10.000 per maand is een fractie van het gemiddelde salaris van een profvoetballer in België, maar meer dan geld genoeg voor vleesgeworden zwaktebod. Voor die bedragen mag je wat terug vragen. Zoals een reglement van naald tot draad kennen. Of zich de moeite getroosten een situatie goed in te schatten.

Telkens iets meer dan 6.000 euro kostten de vier scheidsrechters (4.500 euro samen) en de drie VAR-mensen (1.500 euro samen) die de wedstrijden KV Mechelen-Club Brugge en Anderlecht-Genk vakkundig de nek hebben omgewrongen. (De vermeende trekfout van Mechele op Cuypers bij Club-Gent is multi-interpreteerbaar en geen grove blunder.)

Sommigen gaan vrijuit: de assistenten langs de lijn en de vierde ref in Mechelen en Anderlecht treft geen schuld en misschien één enkele keer de hoofdref ook niet. Die op Anderlecht afgelopen zaterdag — Nathan Verboomen — en de twee VAR-ploegen hebben wel boter op het hoofd. Bij Anderlecht- Genk was het zelfs een Boterberg (heeft u ‘em?).

Op KV Mechelen keken de drie van de VAR niet verder dan de actie om te zien of Thiago buitenspel stond. Dertig meter verder stond een Mechelaar die het buitenspel ophief. Niet gezien. Dat valt niet uit te leggen.

Het wérd uitgelegd. Als een foute interpretatie van een spelsituatie, een menselijke fout, dus geen reden om te herspelen. Bijzonder vervelend was dat de VAR-ref ene Kevin Van Damme was, dezelfde die vorig seizoen de elleboogstoot van Buchanan op Orban bij Club-Gent niet herbekeek. Hij werd daarvoor geuit als een Club-supporter, maar op Mechelen flikte hij zijn favoriete club. Ongeschikt voor de taak, zoveel is duidelijk.

Op Anderlecht zaterdag liepen een viertal spelers te vroeg in, waaronder Sor, die de slecht getrapte strafschop van Heynen alsnog binnentrapte. Waarop de beelden werden herbekeken, door de drie van de VAR en door Verboomen. Dat geen enkele van die vier zou hebben gezien dat bijvoorbeeld Verschaeren en in zijn zog nog twee Anderlecht-spelers ook te vroeg waren ingelopen, is te gek voor woorden.

Of, nog erger, geen van de vier kende het reglement dat stipuleert dat een strafschop moet worden overgenomen als spelers van de twee ploegen te vroeg in komen lopen. Je kan allerlei redenen aanhalen waarom het telkens weer fout loopt, zoals de manke technologie of het te dure scheidsrechtersdepartement. Of ‘oplossingen’ aanreiken zoals het openbaar maken van de communicatie. Of suggereren dat ze het opzettelijk doen, precies om de betere technologie af te dwingen. Vooralsnog lijkt alles te wijzen op een personeelsprobleem: ze kunnen het niet.

Column Bosman II/III in De Morgen van zaterdag 23 december 2023

Bosman II/III

Drie jaar lang was ik in de raad van bestuur van het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité de buur van Jan Peeters en Frans Meulemans, de mannen van de voetbalbond, zoals onze voorzitter Jacques Rogge hen omschreef. Plezante, erudiete, gestudeerde mannen; de ene was rechter en de andere advocaat.

Zelfs in discussies nooit lichtgeraakt, tenzij… Tenzij het over ene Jean-Marc Bosman ging. Dat was de voetballer van FC Luik die de toenmalige lijfeigenschap in het voetbal juridisch had aangevallen. Elke nieuwe uitspraak in Bosmans voordeel, en wat gejen van mijn kant, volstond om Meulemans de gordijnen in te jagen. “Bosman zal nog zó groot zijn als we klaar zijn met hem”, reageerde hij en toonde een centimeter tussen duim en wijsvinger.

Uiteindelijk kreeg Bosman gelijk na een vijf jaar durende lijdensweg en een rechtsgang of vier. Spelers die einde contract waren, konden gaan, staan en een contract tekenen waar ze wilden. Zo stond het in het gelijknamige Arrest-Bosman. Om de arrogante UEFA te straffen – vertrouwde EU-commissaris voor Mededinging Karel Van Miert mij later toe – maakte het Europees Hof meteen ook een eind aan de beperkingen op het vrije verkeer van EU-sporters.

De voorbije week zou een Bosman-arrest II zijn geveld. Zegt men. Dat klopt niet helemaal. Bosman II is voorbehouden voor later, als de betaalde transfer helemaal wordt afgeschaft. Juridisch is dat een binnenkopper, maar het is vooralsnog wachten op iemand die de tijd en de goesting vindt om eraan te beginnen en die zich vooral niet in de laatste rechte lijn laat omkopen/praten door het voetbalbestel.

De uitspraak van het Europees Hof over de Super League, en of de monopolistische en arrogante UEFA de initiatiefnemers mocht straffen (neen dus), kan wel de aanzet zijn voor een aardverschuiving in de wijze waarop sportcompetities worden georganiseerd en wie het eigenaarschap daarvan mag opeisen. Tot vandaag zit dat eigenaarschap in Europa bij de sportbonden. Niet bij de acteurs (de sporters) of de deelnemers (de clubs). Die monopoliepositie, dat eigenaarschap, wettigen de bonden door te wijzen op hun sociale functie. Zij zijn er niet alleen voor de top, maar ook voor de basis. Zeggen ze.

Dat zijn drogredenen. Klassieke sportbonden zijn misschien zelfs beter af zonder topcompetities. Dat zijn puur economische modellen en die zoeken net zoals water altijd een weg naar de zee. In dit geval de Grote Oceaan van het Grote Geld. Het stichtende voorbeeld is het Amerikaanse model van een gesloten superliga, herverdelend tot in het extreme, met het oog op het creëren van een zo spannend en dus aantrekkelijk mogelijk product.

Het ownership zit in de VS bij een joint venture tussen de teameigenaars, verenigd in de liga (NBA, NFL…) en de spelers, verenigd in een vakbond. Zo’n Amerikaanse liga zou in het voetbal veel oplossen: gedaan met de sportieve onzekerheid die leidt tot economische onzekerheid, gedaan met bodemloze financiële putten, gedaan met de betaalde transfer en uiteindelijk ook gedaan met de stammenoorlogen in betonrotte stadions. Leve het consumentisme in veilige, volle en moderne amusementstempels.

Neen, die Super League naar Amerikaans model is niet voor meteen. De dreiging van een afscheurcompetitie gaat evenwel nooit meer weg. De krachten komen uit een hoek vanwaaruit je ze niet zou verwachten. De oorspronkelijke drivers achter die beweging zijn uiteraard de topclubs buiten Engeland. Die willen ook het grote geld van hun concurrenten uit de Premier League, die meer verdienen aan de buitenlandse tv-rechten (2 miljard euro) dan de vier andere grote competities samen (1,3 miljard).

De tegenstanders zijn uiteraard de UEFA, die haar kaskoe (de Champions League) bedreigd ziet, en de Premier League zelf, die alles liever bij het oude houdt. De UEFA en de Premier League leveren een achterhoedegevecht dat ze op termijn moeten verliezen. De Super League heeft erg machtige medestanders met veel diepere zakken. In de eerste plaats de investeringsbank JPMorgan Chase en op de achtergrond de schier bodemloze schatkisten van het Midden-Oosten. Samen kunnen die sommen beloven waarvoor elke club en, meer nog, elke speler zal zwichten.

Dit arrest werd uitgelegd als een slag in het gezicht van de UEFA én de FIFA. Fout. De FIFA ondermijnt al jaren de UEFA, die financieel groter is dan de wereldbond. Over de voorbije vier jaar draaide de Europese bond 10 miljard euro meer omzet dan de wereldbond. Daarom heeft de FIFA nog maar pas een uitgebreider WK voor clubs op poten gezet voor 2025. Reken maar dat de FIFA erg blij is met deze uitspraak, die de almacht van de Europese bond bij de rijkste clubs op de helling zet.