Column over Sporting Lokeren in De Morgen van zaterdag 26 januari 2018

Het relict Lokeren

FC Luik werd in 1896 de eerste kampioen en in hun zog hebben zestien verschillende voetbalclubs in meer dan honderd jaar Belgisch voetbal een landstitel behaald. Elf verschillende voetbalclubs speelden kampioen na de Tweede Wereldoorlog, zes de laatste kwarteeuw en vijf deze eeuw.

KSC Lokeren Oost-Vlaanderen nooit. In de lijst met bekerwinnaars staat Lokeren wel met twee recente overwinningen, die iedereen buiten Lokeren al lang is vergeten: 2012 en 2014. Twee keer met een flauwe 1-0, tegen KV Kortrijk en tegen Zulte-Waregem.

Lokeren was begin de jaren 80 dé club van Oost-Vlaanderen, een frivole hemelbestormer waar goed voetbal te zien was: de drie L’en voorin waren van het beste dat België had te bieden. Lato-Larsen-Lubanski speelden twee seizoenen samen en vermaakten het publiek overal waar ze kwamen. Lokeren haalde in die tijd ook Arnór Gudjohnsen weg uit IJsland, Bouke Hoogenboom – een Amsterdamse grote mond – stond in doel, de sierlijke, valse trage Raymond Mommens op het middenveld naast kilometervreter- regulator René Verheyen en laten we er de sympathieke Eddy Snelders ook maar bij nemen, dát Lokeren was een heerlijke ploeg.

1980-1982 was zowat de topperiode toen steevast de kop van de klassering werd aangevallen en ook Europees enkele goede resultaten werden neergezet. Dichter dan een tweede plek in het seizoen 1980-1981 kwamen ze evenwel nooit en ook dat was nog veraf, want Anderlecht eindigde dat jaar met een straat voorsprong eerste. Neen, dan deed eeuwige Waaslandse rivaal SK Beveren het een stuk beter met die titels in 1978 en 1984, óók met goed voetbal en vooral met veel meer Belgen in de ploeg.

Lokeren was al van in die jaren 80 in de eerste plaats een doorgangshuis voor buitenlands talent. In 2003 werd Lokeren nog eens derde. Na 2010 leek het er zelfs even op dat de club toe was aan een heropleving met twee bekerzeges en drie keer deelname aan play-off 1. Het bleek de zwanenzang.

Vandaag vecht Sporting Lokeren tegen de degradatie en wat zo erg is: niemand – behalve dan die paar duizend Lokeren-fans – zou het erg vinden als deze club, met deze voorzitter, met deze reputatie, met dat stadion, met deze trainer, zou zakken. Jammer voor die fans, de spelers, jammer voor het olijke duo Olli en Steve vooral, maar geen mens buiten Groot-Lokeren zal een traan laten om Sporting.

Glen De Boeck is er nu komen aanwaaien met zijn trackrecord van onmogelijke opdrachten tot een goed einde brengen én (bij zijn collega’s) de reputatie van arrogante zak. De redding van Lokeren zou een mirakel zijn, de degradatie evenwel de logica en de emanatie van een economische realiteit.

Als de eigenaar-voorzitter met zijn rollator moet worden binnengerold, waar ben je dan mee bezig? Roger Lambrecht is 87, zou van zijn oude dag moeten genieten, maar woelend in zijn bed speelt hij ’s nachts de wedstrijden opnieuw en overdag zoekt hij naar een overnemer. De hele eerste klasse B is al aan de man gebracht en zit bij al of niet schimmige buitenlanders, maar voor Sporting Lokeren vindt Lambrecht geen koper. Een blik op de verkorte jaarrekening zal waarschijnlijk volstaan om af te haken.

Het sterfhuis Lokeren is niks meer waard en niet alleen daarom is het ronduit verbazingwekkend hoe Lambrecht door een deel van
de media nog steeds op een voetstuk wordt geplaatst. Hij heeft geen enkele verdienste aan de successen uit het verleden en heeft tegelijk zowat alle schuld aan de ellende waarin de club vandaag zit. Oké, hij werd in 1994 voorzitter en na drie jaar tweede klasse haalde hij Lokeren als kampioen terug naar eerste. De vicekampioen in tweede klasse dat jaar mocht ook promoveren. Dat was KRC Genk, en die hebben het met drie landstitels en een vierde op komst heel wat beter gedaan. Wat presteerde Lambrecht in die 25 jaar? Hij haalde en ontsloeg 25 trainers.

Wat is niet fout aan Sporting Lokeren? Lokeren en Lambrecht zijn de oude voetbalcultuur. Zijn financieringstrucs hebben mee het Belgisch voetbal verziekt. Zelfs wie ooit de inhoud van het befaamde zwarte koffertje heeft meegekregen, is het eens met die analyse. Ik heb het koffertje bij toeval ooit zien staan, geopend, dus ik weet waarover ik spreek.

Van de scheepsladingen Afrikanen die de laatste jaren over het Belgisch voetbal zijn uitgestort en waarvan sommigen in de illegaliteit verdwenen, was één op de twee boten bestemd voor Lokeren en hun toenmalige sportief manager/mensenhandelaar/passeur Willy Verhoost. Dit Sporting Lokeren – als er geen overnemer wordt gevonden – is een relict uit het verleden, klaar voor bijzetting in het museum van de industriële voetbalarcheologie.

 

het relict lokeren

Interview Shane McLeod (hockey Red Lions) in De Morgen van 19 januari 2019

‘Neen, dikke nekken overleven niet bij ons’

Hoe een hockeyende kiwi naar Europa kwam, als bij toeval in België belandde, er zijn vrouw leerde kennen en er de knapste prestatie van alle Belgische bondscoaches ooit neerzette. Shane McLeod begint vanmiddag met zijn wereldkampioenen aan de nieuwe Pro League.

Soft-spoken. Als één Engelse omschrijving bij Shane McLeod (49) past, dan wel deze. “Je zult er een goede gesprekspartner aan hebben”, had 199-voudig international Loïck Luypaert voorspeld. “Geen woord hoger dan het andere, maar hij weet ons altijd weer te raken”, zei Arthur Van Doren, de beste speler van de wereld en van het voorbije WK.

De man die gaat zitten in de Beerschot Tennis en Hockey Club, nadat hij zelf de lattes is gaan halen en heeft betaald – “please by my guest” – is every inch de gentleman die ze hadden beschreven. Voor een goed gesprek en de obligate fotosessie gaf hij zelfs zijn lunch op. Het is wennen aan de pas verworven status van wereldkampioen en team van het jaar, niet alleen voor deze globetrotter.

Shane McLeod: “Het zat eraan te komen, die grote prijs, na al die verloren finales, maar toen ik hoorde dat we op het balkon van het Brusselse stadhuis moesten verschijnen hield ik mijn hart vast. Was dat niet wat overmoedig? Het blijft tenslotte hockey en wat als daar hoop en al twintig man met een vlagje hadden gestaan?”

No worries mate. Ze waren met duizenden, een bomvolle Grote Markt zong, danste en juichte hen toe, en toen wist McLeod het zeker. “We hebben iets speciaals gepresteerd voor dit land.”

Zeg dat wel. De eerste Belgische bondscoach die wereldkampioen wordt, en daarvoor moesten we u nog wel helemaal vanuit Nieuw- Zeeland halen.

Shane McLeod: “Wel, het was eerder toeval dat ik hier belandde. Ik speelde hockey in Nieuw-Zeeland voor de nationale ploeg en zoals de meeste mensen down-under gaat dat isolement aan de andere kant van de wereld tegensteken. Dus willen wij zien wat er boven de evenaar te beleven valt.

“Ik ging in Frankrijk spelen en kwam uiteindelijk na een paar jaar naar België. Ik werd verliefd op het land en op mijn vrouw, toevallig net op het moment dat ik terugkeerde om daar te gaan coachen. Mijn vrouw, toen mijn vriendin, is mij achterna gereisd en ik ben er nog zes jaar gebleven om onder meer de Nieuw-Zeelandse ploeg te coachen. Na twee Olympische Spelen zijn we dan terug naar België gekomen. Een goeie plek.”

O ja? Ik heb het weerbericht voor Hamilton (NZ) gedownload: 28 graden, verspreide bewolking en dat de hele week. Tegen het weekend geen wolken.

“Exactly. (lacht) Dat is dan het enige, het is daar nu zomer. Maar begin februari spelen we met de Red Lions in Australië en Nieuw- Zeeland, en dan blijf ik om familie te bezoeken. Niet lang, hooguit tien dagen, heb ik mijn vrouw beloofd. Ze is zwanger van ons derde kind en ze is uitgerekend voor begin maart. Straks heb ik drie kleine kinderen thuis en een jonge vrouw als cardioloog in opleiding in een ziekenhuis, dat wordt aanpoten. Nu weet je waarom ik zo grijs ben geworden.”

Niet door het coachen?

“Ook. Maar dit is een heel volwassen selectie en het coachen op zich is niet stresserend. Het meest vervelende aan mijn job zijn de telefoontjes elke keer weer als ik een selectie moet maken. ‘Jij bent erbij’, dat valt nog mee om te melden. Een jongen opbellen nadat die zich heeft dubbelgeplooid en hem koudweg meedelen dat ik hem thuis laat, dát haat ik als de pest. Als ik dat aan iemand anders zou kunnen overlaten, direct, maar dat zou niet eerlijk zijn.”

Ik ken kiwi’s als hard.

“Yeah, well. Als het gaat om pijn verbijten misschien, dat zit in onze sportcultuur die teruggaat op de waarden van het rugby. De ‘she’ll be right, mate’-mentaliteit, die herken ik bij mijzelf ook. Waar je niet van doodgaat, daar word je sterker van, dat geloof ik ook.

“Dat rugby is een zegen en een vloek, voor hockey dan. Het zijn beide Commonwealth-sporten, maar rugby staat onbedreigd op één. In 1976 waren wij met het hockey olympisch kampioen en die droom jagen we nu nog steeds na. Jammer genoeg gaan de beste atleten naar het rugby. Wie te klein en te licht is – zoals ik – zoekt een andere uitweg.”

Rugby en hockey hebben één ding alvast gemeen: een compromisloos hoog tempo.

“Dat is in hockey vooral iets van de laatste jaren. De Australiërs zijn daarmee begonnen, gewoon door meer en beter te trainen. Iedereen is gevolgd. Onze spelers hebben nooit meer in de powerzaal gezeten en lopen vaker dan ooit, naast hun veldtraining. Het voordeel in onze sport is dat wij tijdens de wedstrijd kunnen wisselen, waardoor het tempo hoog blijft.”

Klopt het dat u live in de wedstrijd de intensiteit van de inspanningen monitort en daarop besluit te wisselen?

“We krijgen voortdurend de sprintsnelheid, de afstand en de daaraan gekoppelde hartslag binnen via de gps die de spelers dragen. Wisselen doen we als we zien dat iemand lang in het rood blijft en geen snelheid meer kan maken. Maar om eerlijk te zijn, het is niet de computer die wisselt. Meestal hebben we dat met het blote oog al gezien of geeft de speler het zelf aan.

“Ik denk niet dat veel sporten zich zo opnieuw hebben uitgevonden als hockey. Daarom was het ook belangrijk dat wij met België die extra stap konden zetten met ons programma. Dat betekende nog meer trainen en vooral heel veel samen trainen, iets wat veel andere landen niet doen.”

Uw Red Lions zijn onze All Blacks, een team met een missie: streven naar excellentie, met behoud van waarden.

“Bedankt, dat is een mooie vergelijking. De All Blacks hebben een cultuur ontwikkeld die erop gericht is om de atleet tegelijk met de mens achter de atleet beter te maken. Dat proberen wij ook: wij stimuleren onze spelers naast al dat trainen om toch te studeren en een diploma te halen.”

Better people make better Lions is een van uw mantra’s, maar dat hebt u…

“… gehaald bij de All Blacks, dat klopt. Toen ik naar Nieuw-Zeeland terugkeerde en in 2007 coach werd van de nationale mannenploeg, de Black Sticks, kreeg ik een mentor toegewezen en dat was Graham Henry. Dé Graham Henry, jawel, de man die de All Blacks hun grandeur van weleer teruggaf en de basis legde voor de dominantie van vandaag. We hadden allebei een achtergrond als leraar en dat creëerde een band.

“Onze filosofie over het team en hoe het individu daartoe moet bijdragen, dat spoorde meteen. Het verschil tussen hockey hier en rugby in Nieuw-Zeeland is dat ik hier te maken heb met mannen van een zogeheten keurige achtergrond, meestal goed opgevoed. In het rugby bij ons krijg je al eens ruwe types binnen, talenten, diamanten zelfs, maar je moet ze eerst breken voor ze je volgen. Dat probleem heb ik niet. Onze ploeg is zoals de crèche waar mijn dochter zit: thuis is ze in haar eentje niet te controleren, maar in de crèche gaat ze rustig op de mat zitten als iedereen gaat zitten. Ze blijft binnen de grenzen van het team. Verbazingwekkend.”

No dickheads, zei Henry. Geen dikke nekken toegelaten.

“Neen, klopt. Die hebben we niet. (aarzelt) Ze zouden niet overleven. Ik ken spelers die in het team hadden kunnen zitten, maar die ik om die reden niet heb geselecteerd. Omdat ze zichzelf boven het team zouden plaatsen en dat kan niet.”

Nadat ik Arthur Van Doren, de Messi van het hockey, had gesproken, bedankte die mij voor de moeite om tot hem te komen.

“Zie je, dat hoor ik graag. Als nieuwe talenten bij het team komen en ze zien hoe ook de beste speler van de wereld nederig is, creëert dat een cultuur. Ik wil met de Red Lions een legacy nalaten: dit zijn onze normen en waarden, hier staan we voor. Leave the jersey in a better place is ook een mantra van de All Blacks.

“Na de worldcup kwamen de spelers mij vinden om te overleggen over de individuele prijzen die waren gewonnen – daar was geld aan verbonden – en wat ze daarmee wilden doen. Ik zei: zeg het maar. Dat geld hebben ze in een collectieve pot gestopt, te gebruiken voor en door het team. Als ze straks in Melbourne twee dagen extra willen blijven rondhangen zal dat uit die pot worden betaald. De geldprijs van Van Doren als beste speler – toch 60.000 euro – is ook in die pot gegaan.”

De psycholoog die er al jaren bij was hebt u de wacht aangezegd.

“De hoofdpsycholoog van een ploeg moet de coach zijn. Bij de Red Lions was een situatie gegroeid dat de communicatie tussen coach en spelers via de psycholoog verliep. Ik heb daar redelijk abrupt afscheid van genomen en het is goed uitgepakt. Meer zelfs, ik denk dat het een van de redenen is geweest voor ons succes.”

U hebt ook de nationale vrouwenploeg gecoacht. Wilt u vergelijken?

“Vrouwen en mannen willen allebei presteren, maar om verschillende redenen. Vrouwen doen het voor de coach, voor hun fans of voor hun moeders en vaders. Mannen spelen meer voor zichzelf, voor het prestige.

“In de coaching zijn er kleine accentverschillen. Vrouwen krijgen iets meer instructies, ze willen die ook, ze vragen erom. Als ik mannen zou coachen zoals vrouwen worden die gek van mij. Omgekeerd zou het ook niet werken.

“Communicatief moet je goed opletten. Zeg in een groep dat je niet tevreden bent over iemand zonder die bij naam te noemen en alle mannen denken: oké, dit gaat over iemand anders. De vrouwen zullen denken: oeioei, nu heeft hij het over mij.

“De notie ‘team’ is bij vrouwen nog sterker ontwikkeld dan bij mannen. De kracht van het team, daar draait het om, en die wordt mee bepaald door de macht die de coach krijgt van het team. In Nieuw-Zeeland noemen ze dat met een Maori-woord de mana.”

Is elke Nieuw-Zeelander, zelfs van Schotse afkomst zoals uzelf, een halve Maori?

“Nieuw-Zeeland is een heel bijzonder land met een aparte inheemse cultuur die wij moeten koesteren. De Maori’s hebben voor ondefinieerbare begrippen mooie woorden. Mana bijvoorbeeld, dat kun je haast niet vertalen. En mooie symbolen natuurlijk, de haka kent iedereen. Het brengt het team in hogere sferen. Neen, een Belgische haka is onbespreekbaar, dat hoort bij mijn land.

“Whanau(spreek uit: váanau, HVDW) is nog zo’n begrip bij ons. Het staat voor familie, maar in de brede betekenis. De whanau is een groep mensen op wie je steeds terugvalt, in goede en slechte tijden. Ooit selecteerde ik bij de Black Sticks een jong talent van de eilanden. In het hotel had hij zijn hele whanau op zijn kamer uitgenodigd. Op het bed had hij zijn uitrusting van de nationale ploeg gelegd, als een soort relict, om aan zijn naasten te tonen. Deel zijn van dat team, van die cultuur: op slag was zijn leven veranderd.”

De Red Lions zijn alsnog team van het jaar geworden nadat de stemming was heropend. Dat had ook gemoeten voor coach van het jaar. Dat had u moeten zijn.

“Eerst en vooral dit: ik ben op het juiste moment gekomen. Deze ploeg was al heel erg goed gecoacht door twee Nederlandse bondscoaches. De spelers hadden veel ervaring en er kwam talent bij. Het programma dat we draaien is top: er is geld en er zijn mogelijkheden om te doen wat we willen. We hebben een internationale topstaf met onder meer een Zuid-Afrikaan en een Nederlander.

“Bottomline: ik ben maar een radertje in het geheel. De coach van het jaar moet een Belg zijn, vind ik persoonlijk. Neen, Roberto Martínez is ook geen Belg, dat klopt. Ik was al heel blij dat onze ploeg die prijs heeft gewonnen, dus mocht ik toch even dat podium op. Willen ze mij die prijs eind 2019 geven, dan zal ik die blij aanvaarden, want dat zal betekenen dat we het goed hebben gedaan op het EK in eigen land in augustus.”

 

shane mcleod

Column De Onzindokter in De Morgen van zaterdag 19 januari 2019

Onzindokter

Bijna zes jaar geleden kwam de Rotselaarse huisarts Chris Mertens in opspraak nadat was uitgelekt dat tegen hem onderzoek werd gevoerd. Mertens was De Ozondokter, voorpaginanieuws in alle media: hij zou renners hebben gedopeerd. Al snel werd het: hij hád renners gedopeerd en het Belgische wielrennen had zijn nieuwe grote dopingzaak. Twee jaar later wisten we meer.

Uit het verhoor van de dokter bleek dat het ging om bagatellen en – veel erger – dat de onderzoekers bijzonder weinig afwisten van doping. Ze verweten de dokter onder meer dat hij ijzerspuiten had voorgeschreven aan een renner en dat hij daarmee de wet had overtreden. Dat was meer dan één keer onzin, maar wie spreekt de arm der wet op dat moment tegen?

In het verhoor was maar één passage bijzonder interessant: die waarbij hij per mail een renner aanraadde om corticoïden te spuiten zo dicht mogelijk bij een wedstrijd. Die renner had een medisch probleem, maar je zou kunnen verwachten dat cortico’s sneller worden toegediend, precies om tegen de wedstrijd dat medisch probleem te hebben verholpen.

Dit leek grijze zone en over de tinten kan worden gediscussieerd: onder voorwendsel van een medisch probleem gebruikmaken van het euforiserend effect van cortico’s. Daar vielen de flikken niet over want daarvoor moest je al iets van doping kennen. Ik stond in dubio: ik wist van het medisch probleem, dus wat als? Wat als alles te goeder trouw was gebeurd, als er geen poging was tot bedrog, als er wel medische noodzaak was tot spuiten dicht bij de wedstrijd? Dat was toegelaten met een attest en dat had de renner. Ik hield het verhaal achter. Te veel twijfel, te veel potentiële nevenschade.

Later kregen ook collega’s dat verhoor te zien. Ook zij verkozen niet te publiceren, met een andere ‘wat als?’ in het achterhoofd.
Wat als ze wel zouden schrijven en de renner deed hen in de ban? Geen onterechte vrees. Ik heb twee jaar geleden (in 2017) één lovenswaardige poging ondernomen om die renner te spreken, maar dat is niet gelukt. Ik denk nog steeds dat het te maken heeft met deze zaak.

Ondertussen waren journalisten die niet verkozen te schrijven over de Belg en de grijze zone wel streng voor andere renners die ze toch nooit te spreken zouden krijgen. Zoals voor Bradley Wiggins en zijn corticobehandeling tegen allergie – gestaafd door een sluitend medisch attest. Of Chris Froome, ‘betrapt’ op een te grote hoeveelheid van een astmamiddel waarvan nooit terdege is bepaald hoe groot die hoeveelheid nu wel mag zijn, maar wel is bewezen dat het niet helpt als je geen astma hebt. Twee door de media opgeblazen non-events.

In mei 2015 moesten de renners uit het grote dopingdossier van de ozondokter voor het dopingtribunaal van de wielerbond verschijnen. Ze werden één na één vrijgesproken. Van ozondokter tot onzindokter. Op deze plek verscheen toen:

…Politie en gerecht zijn internationaal een troef in de dopingbestrijding, helaas niet in België. Ook hier weer heeft de berg een muis gebaard. Dat die dokter eens goed op de vingers wordt getikt, geen probleem. Dat zijn patiënten/klanten even worden bijgepraat, evenmin. Maar géén zaak hebben en er dan tóch een zaak van maken: dat is dom. De onderzoeksrechter heeft onnodig veel overheidsgeld verprutst…

Dat was mei 2015. Een normaal denkend mens redeneert dan als volgt: als gespecialiseerde rechters – doorgaans strenge beoordelaars met veel dopingkilometers – geen graten zien in de behandelingen die de renners hebben gekregen én overwegende dat de dopingreglementen strenger zijn dan het strafwetboek, lijkt het logisch dat ook de dokter vrijuit gaat.

Niet in dit land. Hoe dat precies zit met mensenrechten laat ik aan anderen over, maar in sportgerelateerde zaken is het duidelijk: wereldvreemde rechters bestaan. Ooit was er een die een duidelijk geval van mensenhandel en identiteitsfraude met Nigeriaanse voetballers onbestraft liet. Van de week was het andersom: een andere heeft gemeend zes maanden voorwaardelijk te moeten geven aan dokter Mertens en een boete van 1.200 euro.

Dat betekent een strafblad voor de dokter, maar omdat hij in 2013 al op weg was naar de brandstapel anderzijds evengoed een vrijspraak. Misschien gaat Mertens wel in beroep om echt vrijspraak te krijgen. Die is hem gegund. Mertens heeft zijn straf al ruimschoots uitgezeten door publiekelijk spitsroeden te moeten lopen.

De meeste zwaar gemediatiseerde ‘sportschandalen’ volgen hetzelfde scenario: lek, bom, sisser. Het zou de media sieren als ze wat terughoudender zouden zijn met kwalificaties als schandaal, zaak, bom en affaire. In negen van de tien gevallen, ook in ‘de zaak- Mertens’, was de vlag veel te groot voor de lading.

Dat hebben de hockeyers van de week nog ondervonden. ‘Red Lions gokten illegaal op eigen wedstrijden!’ Zo stond het in de kop. Voorlopig neen dus. En indien ja, so what? Ze hebben verdorie alles gewonnen. Geld inzetten omdat je zeker bent dat je wereldkampioen zult worden, dat zou zo on-Belgisch blufferig zijn dat ik het onmogelijk kan afkeuren.

de onzindokter

Dubbelinterview Leko-Gjergja in De Morgen van 12 januari 2019

‘Ik ben meer een vulkaan dan hij’

Niet zeker of ze hun kunstje in 2019 overdoen, maar de trainers van het jaar waren alvast Ivan Leko (kampioen met Club Brugge) en Dario Gjergja (voor de zevende keer kampioen met BC Oostende). Wij brachten ze in primeur samen voor een gespek over cultuur, coachen, en operatie Schone Handen. ‘Zeg dat ik een slechte trainer ben, maar raak niet aan mij als mens.’

Een uur rijden in Kroatië of twintig Belgische kilometers over de E40 en de A10 volstaat voor een kloof tussen twee landgenoten: twee verschillend gepercipieerde types – de ene een gentleman, de ander een beest – in twee verschillende sporten – het simpele voetbal tegenover het complexe basketbal.

Dario Gjergja: “Wij zijn druk met onze clubs, we komen niet bij elkaar over de vloer, maar ik ben al eens een training van Ivan gaan bekijken. Tomislav Rogic (keepertrainer bij Club Brugge, HV) ken ik beter. Hij komt uit Zadar, net als ik.”

Ivan Leko: “Ik kom uit Split, beiden hebben we dus het Dalmatische temperament. Of dat verschilt van Zagreb? Jawel.” Gjergja: “Zagreb is like (trekt een saai gezicht), we are more emotional.”

De voertaal voor dit gesprek is Engels, maar Ivan Leko, u spreekt behoorlijk Nederlands.

Ivan Leko: “Hoewel, na elk interview in het Nederlands vragen mijn dochters om Engels te praten. Ze lachen om mijn accent. In 2009 volgde ik lessen Nederlands. Mijn accent is uiteraard nog niet verdwenen, maar mensen appreciëren het dat je het probeert. Ik spreek het niet goed en als ik emotioneel word, nog minder.”

Dario Gjergja: “Wat dat betreft, schiet ik schromelijk tekort. Nederlands is moeilijk. Ik versta veel, maar spreken is een ander verhaal. Ik ben ook in België begonnen bij Charleroi en de taal van het basketbal blijft toch vooral Engels. Ik heb ook les gehad. In het begin hou je je gedachten er wel bij, maar toen ik zat te denken aan hoe moest worden verdedigd op een pick and roll en niet langer aan de vervoeging van het werkwoord ‘hebben’, zag ik het hopeloze ervan in.”

Waarom bent u Belg geworden?

Gjergja: “Voor mij is dit mijn land, al zal ik mijn roots natuurlijk nooit verloochenen. Alles wat ik heb bereikt, heb ik te danken aan België. In Kroatië zou ik als 33 jaar jonge coach nooit dezelfde kansen hebben gekregen als toen bij Charleroi in de club van Eric Somme.”

Leko: “Die dubbele nationaliteit heb ik van 2008. Ik blijf een Kroaat, die in zijn tweede land woont. Als we zeggen ‘we gaan naar huis’, dan is dat Split.”

Gjergja: “Home is voor mij Oostende. Mijn dochter – heb je gezien dat ze mee is gekomen met mij? – zei van de zomer in Zadar: ‘Ik wil naar huis.’ Ik wist niet goed wat ze bedoelde: Zagreb waar we ook een appartement hebben, of Oostende? Geen twijfel: het was Oostende.”

Leko: “De kinderen zullen in België blijven. Wat we later zullen doen, is echt de vraag. Ik wil na het voetbal wel eens vissen aan de Dalmatische kust, in de warmte, met een glas wijn nadien. Maar de kinderen zullen hier blijven en straks ook de kleinkinderen. Dat wordt lastig.”

Gjergja: “Het wordt kiezen tussen vissen en opa spelen.”

Uw dochter is inderdaad meegekomen, heeft dat een reden?

Gjergja: “Natuurlijk. Anders zou ze thuis voor de computer zitten. Kinderen hebben structuur nodig, zo niet worden ze lui. Het probleem is de opvoeding en wat ze op televisie te zien krijgen: Temptation Island…” (blaast)

Jullie spelers zijn maar enkele jaren ouder dan jullie kinderen. Kunnen jullie die bereiken met een verhaal over structuur?

Leko: “De meeste wel. Ik zeg wat ik voel en de spelers weten dat ik het meen.”

Gjergja: “Echte topspelers vragen om coaching. Ze hebben graag trainers die het zelf hebben meegemaakt, zoals Ivan.

“Ik heb zelf nooit op hoog niveau gespeeld, dat compenseer ik door minder met het hoofd, maar op gevoel te coachen. Een speler die niet werkt, zal bij mij nooit slagen. Hard werken blijft de basis.”

Leko: “De jongeren van vandaag denken daar wel eens anders over. Hoewel, ik heb meer succes met jonge gasten dan met gevestigde waarden. Die willen hun limieten niet meer vinden. Jonge gasten wel, die spelen zonder complexen, willen succes. Oké, de dag dat ze mij Luka Modric of Lionel Messi geven, geen probleem hoor, laat maar komen.”

Hoe komt het dat Kroatië met zijn vier miljoen inwoners op wereldvlak zo uitblinkt in balsporten: voetbal, basketbal, volleybal maar ook waterpolo tot en met handbal?

Leko: “Misschien zijn we te lui om iets zonder bal te doen?” (lacht)

Gjergja: “Dat zit in onze cultuur.”
Leko: “Geef liefde aan de bal, want die bal geeft je alles. Hoe liever jij de bal ziet, des te meer je ervan terug zult krijgen.”

Ik was kort na de oorlog (1991-’95) bij basketbalclub Cibona Zagreb op bezoek en daar trainde de jeugd ’s ochtends vóór school en ’s namiddags na school.

Gjergja: “That is the system. Zo werkt het, zo ontwikkel je talent, maar die moeten het ook willen. In ex-Joegoslavië, waar nog veel armoede heerst, is sport een middel om te slagen. In rijkere landen zoals België hebben jongeren het veel makkelijker.”

Leko: “In Kroatië wordt nog op straat gespeeld. Zoveel je wil. Die gasten leren op jonge leeftijd hoe ze moeten overleven, hoe ze moeten winnen.”

Gjergja: “Wij hebben allemaal gesport op straat. Je moest goed zijn op straat om een kans te krijgen bij een club.”

Leko: “Daarbij kwam in ons land nog de oorlog. Neem bijvoorbeeld Luka Modric (winnaar van de Gouden Bal, HV); hij groeide op in de oorlog. Dat kun je vergelijken met Braziliaanse spelers die opgroeien in de favela’s. Die wil om te winnen is veel groter.”

Kevin De Bruyne en Eden Hazard kwamen anders niks tekort en zijn er ook geraakt.

Leko: “Dat zijn uitzonderingen. Je zult meer topspelers vinden met een moeilijke thuissituatie.”

Gjergja: “Zij zaten al jong op internaten bij hun clubs: daar kregen ze structuur in hun leven en ze moesten vechten tegen concurrenten.”

Jullie coachingstijl verschilt: Ivan lijkt rustiger.

Gjergja: “Ik ben iets meer een vulkaan dan Ivan, maar voor de rest is onze stijl behoorlijk vergelijkbaar. Ivan is ook emotioneel en net als ik vindt hij dat spelers zich ten volle moeten geven.”

Leko: “De sporten verschillen ook. Ik zou ook graag time-outs krijgen in het voetbal. De enige time-out die wij hebben, is de rust. Als je daar zou bij zijn, dan zou je ook schrikken. In basketbal gebeuren de time-outs onder het oog van de camera en is er een microfoon in de buurt.”

Gjergja: “Er zit een showgehalte aan wat ik doe. Het is spelen met emoties. Tegen Bologna stonden we op 77-76 met nog 21 seconden te gaan. Time-out van hen. Ik zei tegen mijn jongens: we maken meteen een fout, zodat wij na hun vrijworpen weer aan zet zijn voor een laatste aanval. Ik zag dat ze er geen zin in hadden. Logisch ook, maar ik wilde hen meekrijgen in mijn echte bedoeling. ‘Let’s go fuckers’, zei ik plots, we will defend this. Ze sprongen meteen recht als leeuwen. We hebben de fout niet gemaakt en onze voorsprong verdedigd. Met succes.”

Wat kunnen voetbaltrainers leren uit het basketbal? Verdedigen op standaardsituaties alvast.

Leko: “Daar zit wat in, zeker wat het uitblokken betreft, maar het veld is te groot om het met basketbaltactiek te redden. Basketbal heeft misschien vijfentwintig tactische plays, wij in het voetbal drie en dat is soms al te veel. Handbal heeft meer gelijkenissen, ook zij werken met linies.”

Is België een eindstation voor jullie? Maar heel weinig coaches stromen door vanuit dit land.

Leko: “Het is niet verboden te dromen. In het basketbal zal de top de NBA zijn, in het voetbal een Europese topcompetitie. Wie weet.”

Gjergja: “Je kunt niet van de lagere school meteen naar de universiteit. Ik ben vooral realist en ik wil geen stappen overslaan. België heeft ook het voordeel van de zekerheid. Griekenland zou misschien kunnen, maar ben ik dan zeker van een correcte behandeling? Ik denk ook aan mijn gezin dat hier heel gelukkig is. Zolang we met BC Oostende op papier grotere ploegen kloppen, zie ik hier mogelijkheden.”

Voetbal is een spel van geluk, basketbal is dat veel minder.

Leko: “Dat klopt. Door de weinige goals kun je in voetbal makkelijker verrassen. Eén wedstrijd winnen of verliezen door geluk, dat kan, maar op langere termijn zal er wel een verschil zijn tussen ploegen die gewoon hun ding doen en de ploegen die er echt voor gaan. Geluk kun je afdwingen.”

Gjergja: “BC Oostende en Club Brugge hebben niet altijd de beste spelers op papier: ze werden kampioen door de quality of production. Het geheel en hoe dat wordt gesmeed, de ploeg dus, dat is het belangrijkste. Wij hebben geen Messi die het voor ons oplost.”

Hebben wij een scheidsrechtersprobleem in België?

Gjergja: “Meer in het basketbal dan in het voetbal. Scheidsrechters in het voetbal zijn professionals, in het basketbal zijn het hobbyisten. Terwijl dat spel voor mij mijn job is. Basketbal is ook ingewikkelder. Het begint al bij de verschillende sets basketbalregels: de NCAA, de NBA, het Europese basketbal… Ik moet nieuwe Amerikaanse spelers uitleggen dat zij geen time-out mogen aanvragen, alleen ik mag dat. Of de loopfouten die hier worden gefloten maar in de VS worden geduld. In voetbal gelden dezelfde regels, overal ter wereld.”

Leko: “Iedereen maakt fouten. Ook een scheidsrechter. Maar over die fouten spreek ik niet. In één wedstrijd vorig jaar had ik mijn twijfels.”

Gjergja: “Juist, iedereen maakt fouten. Ook de ref, maar geef dat dan toe, in plaats van meteen te dreigen mij een technische fout te geven of mij uit de zaal te zetten.”

Leko heeft de reputatie van gentleman, maar tussen u en de refs, Gjergja, gaat het wel eens vaker mis. Zeven keer kampioen op rij en nog nooit coach van het jaar, heeft dat daarmee te maken?

Gjergja (haalt schouders op): “Weet ik niet. Is ook niet belangrijk. Ik denk en leef basketbal meer dan de helft van een dag. Een wedstrijd verliezen, geen probleem. Maar als een scheidsrechter met opzet niet fluit, is dat een ander verhaal. Mijn non-verbale reacties zijn blijkbaar het probleem. Scheidsrechters komen naar Oostende met een vooroordeel, dat is het probleem. (bits) Maar kom eens achter mijn bank zitten en oordeel niet over mij vanwaar jij ook zit in de zaal. Laatst hebben ze mij gevraagd om een workshop te geven: communicatie met de scheidsrechters. Vreemd toch, hè?”

Leko: “Heb ik de reputatie van gentleman? Kan zijn. Ik doe het er niet om. Ik ben wie ik ben.”

Respect is vaak het sleutelbegrip in sport, voor trainers en spelers. Ivan, voelt u een gebrek aan respect door die contractverlenging die uitblijft?

Leko: “Op die persconferentie zei ik gewoon dat ik het ‘raar’ vond. Niks meer en dan nog nadat ik dezelfde vraag drie keer had gekregen. Toen werd het ineens het grote verhaal. Dat is het niet. Bij een grote club als Club Brugge moet je leren je ego aan de kant te zetten. Een groot ego kan een groot probleem zijn.”

Gjergja: “Media willen sensatie. Toen het scorebord uitviel tijdens een uitwedstrijd, kwamen ze mij vragen wat ik daarvan vond, zeker dat ik zou gaan afgeven op alles en nog wat. ‘Kan overal gebeuren’, zei ik. Ze bleven maar doorgaan: ja maar, je staat aan de leiding, ja maar, wat als je moet herspelen? ‘Hallo? Dat zou niet eerlijk zijn’, heb ik toen gezegd. We stonden veertien punten voor. Ik moet nadenken over wat ik zeg.”

Leko: “Journalisten zoeken naar het negatieve. Ik haalde even tien punten op dertig in de competitie en daar werd op doorgegaan. We hadden het ook kunnen hebben over de meerwaarde die op spelers is gecreëerd, over onze Champions League. Ik kijk naar het positieve.”

Dit gesprek was gepland voor half oktober, maar toen kon u niet omdat u werd opgepakt in het onderzoek naar malafide praktijken in het voetbal. U had op voorhand gezegd dat u niet kon en wilde uitweiden over wat er is gebeurd, maar we doen toch een poging.

Leko: “Het was een dramatisch moment in mijn leven. Ik zal het nooit vergeten: om zes uur uit je bed worden gehaald en voor de ogen van je kinderen weggevoerd worden door de politie. Dat heeft mij veranderd, maar ik heb het aanvaard. De Le-ko van nu is beter, sterker dan die van toen. Elke ervaring kun je gebruiken om beter te worden.”

Gjergja: “Je gezicht overal ter wereld in de krant zien, tot in de VS toe, dat komt wel aan. Ik heb het in het nieuws gezien en in de kranten, maar ik wist: dat komt wel goed met hem.”

Leko: “Ik blijf boos om wat ze mij hebben aangedaan. Onschuldig tot het tegendeel is bewezen, neen hoor. Omdat ik trainer was van Club Brugge, was ik bij voorbaat schuldig zonder enig bewijs. Niets. Nul.”

Sta ons toe de uitkomst van het onderzoek af te wachten voor we over schuld en onschuld oordelen. Dit is geen klein dossier.

Leko (blik op oneindig): “Oké, ik begrijp je. Maar ik word een voetnoot in dit dossier, let maar op. Ik ben en ik was volledig eerlijk. Op elke voorpagina ter wereld die over het Belgisch voetbalschandaal berichtte, stond maar één kop: die van mij.

“Iedereen die mij persoonlijk kent, gelooft mij. Ik vind het belangrijker dat mensen aan mij terugdenken als een goed persoon dan als een goede voetbalcoach. (met trillende stem) Zeg mij dat ik een slechte trainer ben, maar raak niet aan mij als mens.”

leko-gjergja-mail

Column over Anderlecht (weeral) en Fred Rutten in De Morgen van 9 januari 2019

De peoplemanager

Het zegt niks dat Fred Rutten (56) tweede, of derde, of vierde, dan wel vijfde keus was voor Anderlecht. Alsof maar één mens afkomstig uit deze windstreken en in het bezit van een trainersdiploma geschikt zou zijn om die dertig of meer contractspelers van paars-wit aan het voetballen te krijgen. Alsof die spelers eerste keus zijn.

Over Fred Rutten zijn al veel verhalen verschenen in de landelijke media. Hij komt uit het oosten, las ik, een tukker. Dat klopt niet. Hij heeft bij Twente gevoetbald, maar dat maakt je nog geen tukker. Rutten is geboren ‘op’ Alverna. Wij zouden zeggen ‘in’ Alverna, want Alverna is geen eiland. Wel een redelijk gesloten kerkdorp in de buurt van Nijmegen – op een hoogte gelegen, vandaar ‘op’ – genoemd naar La Verna, de berg waarop Franciscus van Assisi het licht zag. Eigenlijk is Alverna deel van Wijchen, maar dat willen de locals niet geweten hebben. Tot zover deze les sociale geografie.

Dus: schrik niet als Rutten niet veel van zeg is en gesloten lijkt. Weet dan: alles is wat het lijkt. Een befaamde Alvernase spreuk luidt: je kunt de jongen uit Alverna halen, maar Alverna niet uit de jongen. Rutten verliet Alverna toen hij al 15 was, onmiskenbaar beïnvloed/ getekend voor het leven. Hij trok als voetballer naar Enschede, ook al niet bepaald een wereldstad, en al evenmin een plek waar
hoog van de toren wordt geblazen. In Enschede, zo dachten de Hollanders lang, spreken ze niet alleen raar, ze lopen er ook allemaal godganse dagen met hun handen in de broekzakken. Boerenwerkvolk, om op neer te kijken. Met die on-Hollandse levensloop past hij erg goed in België. Hij wordt ongetwijfeld de minst grootsprakerige noorderbuur die hier ooit is gepasseerd.

Geen palmares

Ook dat zegt natuurlijk niks over zijn kunnen. Wat de fans van paars-wit willen weten, is of hij dat overbetaald en doodgepamperd zootje van hen weer aan het voetballen krijgt. Liefst nog wel op heel korte termijn. Analist Youri Mulder zag het wel zitten met Rutten bij Anderlecht. Anderen gaven hem ook het voordeel van de twijfel. Eén probleem: hij heeft geen palmares, een Hollands bekertje niet te na gesproken.

Maar! Fred Rutten is wel een echte peoplemanager. In de clubs waar hij was gepasseerd, spraken de spelers nog steeds vol lof over hem. Een zachtmoedige man, die ook hard kon zijn, die ook tegen het bestuur in kon gaan. Feyenoord, Schalke 04, Twente, allemaal waren ze vol lof. Alleen – klein detail – bleef hij nergens lang.

Hoe clubs spelers rekruteren, is bekend: hoe groter de potentiële meerwaarde, hoe interessanter. Hoe ze dat met trainers doen, is minder bekend.

Zo zou ik als voorzitter denken:

1. mijn trainer moet veel winnen en weinig verliezen en daarom;

2. moet mijn trainer de spelerscapaciteiten goed kunnen inschatten

3. moet mijn trainer de spelers op hun juiste positie kunnen zetten

4. moet mijn trainer voor al die spelers samen – dat heet de ploeg – een juiste tactiek verzinnen en als het even kan ook een reservetactiek. (Geen drie spelsystemen want drie is al te lastig voor voetballers, zoals u kunt lezen in het Zeno-dubbelinterview Leko- Gjergja.)

5. moet mijn trainer de tegenstander goed kunnen inschatten en diens sterke punten neutraliseren zonder dat onze sterke punten eronder lijden

6. moet mijn trainer spelers technisch, tactisch en fysiek beter maken

7. moet mijn trainer voor alles wat hiervoor staat de juiste oefeningen kunnen bedenken

8. moet mijn trainer desgevallend een speler een schouderklopje geven zonder hem overdreven te pamperen

9. moet mijn trainer een pint/glas wijn met mij kunnen nuttigen

10. moet mijn trainer, ook al veegt hij er zijn voeten aan, mij alvast de indruk geven dat mijn input wordt gewaardeerd.

Van Fred Rutten weten we niet of hij dat allemaal kan. Wel dat hij een goede peoplemanager is, maar nergens iets over goede oefenstof. Evenmin over trainingen waarbij dertig man continu bezig zijn op een klein veld en zich de pleuris trainen terwijl ze toch lol hebben en bijleren, nog steeds de essentie van training geven.

Waar ergens in het grote trainersboek staat geschreven dat je een peoplemanager moet zijn? Ja oké, een voetbalbondscoach, die wel, maar we hebben het over clubtrainers, echte coaching, niet over verkapte bezigheidstherapie.

Trainers moeten niet zachtaardig zijn. Wantrouw de trainer die naar de gezondheid van de hamster of schoonmoeder van de linksback vraagt. Trainers horen te denken als Hein Vanhaezebrouck, die ik ooit vroeg:

U bent ook niet de trainer die eieren legt onder spelers die dat nodig hebben?

Hij antwoordde: “Neen, wat heeft dat voor zin? Hoor je dan bij een topclub thuis? Bemoederen doen we wel, als het nodig is.” Vanhaezebrouck had/heeft onwaarschijnlijke oefenstof maar was/is geen peoplemanager. Hij heeft het dus niet gered. Weer niet. Weer hebben de spelers voortijdig afgehaakt. Te weinig bemoederd, te weinig schouderklopjes.

De laatste die zijn paars-witte rijk bouwde op schouderklopjes en bemoederen was John van den Brom. Benieuwd welke haptonoom straks komt barbecueën en dansen op de middenstip. En vooral of dat wat oplevert.

Column over Anderlecht in De Morgen van 24 december 2018

Het ongeluk over jezelf afroepen

(beter laat dan nooit en nog actueel)

 

Wat het nieuwe bestuur van Royal Sporting Club Anderlecht vorig weekend heeft beoogd met het ontslag van Hein Vanhaezebrouck, is helemaal uitgekomen: een schokeffect, een turnaround. In en tegen Moeskroen gaven ze niet langer door onkans en een beetje onkunde de punten weg aan het eind van een felbevochten wedstrijd, neen, ze legden meteen in het begin van de wedstrijd alle onkunde op tafel.

Na vijftien minuten stond het al 2-0. Kansloos. Oké, onkans was ook nu weer in het spel want die bom bij 2-0 mag die Marko Bakic nog honderd keer proberen, dat lukt hem nooit meer. Anderlecht op weg naar een eerste seizoenseinde zonder play-off 1? Het zou zomaar kunnen, zou José De Cauwer zeggen als hij voetbalanalist was, wat ook zomaar zou kunnen als je ziet wie tegenwoordig allemaal een mening mag hebben over voetbal, maar dat is voor een andere keer.

Misschien toch nog even: wat heeft die Mo Messoudi ooit gepresteerd om ineens als analist te worden opgevoerd? Een betere analist dan een voetballer, dat wel. Ik heb die laatst met Beerschot Wilrijk bij Gent zien voetballen, of wat daarvoor moest doorgaan. Misschien een goede raad: als Karl of Frank je nog eens vraagt, zeg neen en ga bijtrainen.

Over tot de orde van de dag: ik heb te doen met Anderlecht. Ik heb zeker te doen met Hein Vanhaezebrouck. Meer zelfs, ik heb ook te doen met Marc Coucke. En ook wel een beetje met Michael Verschueren, die in een van zijn eerste weken als sportieve baas meteen al de neus van Pinokkio kreeg opgezet. Op donderdag: “Wij hebben het volste vertrouwen in Hein. Hein is onze trainer en dat zal hij blijven.” Op zondag, een communiqué: “Anderlecht neemt afscheid van Hein Vanhaezebrouck.”

Begin dit jaar schreef ik in een column dat Anderlecht een uitgewoonde, bouwvallige belle époque-villa was waarover een beslissing moest vallen: slopen of renoveren. De vergelijking met die villa was niet helemaal juist. Anderlecht was eerder zo’n Brussels voormalig sterrenrestaurant, vergane glorie, toiletten die blijven lopen, putjes die stinken, maar nog steeds die intrinsieke klasse, al zou het meer dan één euro kosten om de zaak weer op de rails te krijgen.

De gevel kreeg een facelift, de keuken werd vernieuwd, het menu ook, er kwam een nieuwe topkok, maar die kreeg verkeerde en goedkope ingrediënten om mee te koken. Waarop tot overmaat van ramp de kok door de plankenvloer zakte.

Nu slaan ze ons rond de oren met zinnen als “we zitten in de hoek waar de klappen vallen”. Of nog: “Als het tegen zit, zit het tegen.” En ten slotte: “We zullen de kelk tot de bodem moeten ledigen.” Murphy voetbalt tegenwoordig wel mee als paars-wit in de buurt is, dat is overduidelijk, maar eigenlijk is maar één spreekwoord op zijn plaats: het ongeluk over jezelf afroepen.

Dat is wat Marc Coucke heeft gedaan. In plaats van een zachte transitie is hij met de grove borstel door de club gegaan, niet beseffend dat een voetbalclub in sportief opzicht geen bedrijf is als een ander, met werknemers die je van de ene op de andere dag met targets kunt opzadelen. Het sportief weefsel van een club is teer, en dat mag wel wat harder, maar je moet er rekening mee houden.

De dag dat ik hoorde dat de dokter die door hem was binnengehaald erover dacht om Pronokal aan zijn te dikke keeper voor te schrijven, dacht ik: misschien loopt dit slecht af. Toen daarop de voedingsdeskundige moest vertrekken, wist ik: dit loopt zeker slecht af. Later vertrok ongeveer iedereen die er iets van kon.

Het probleem met slechte beslissingen is dat de ene de andere uitlokt. Pär Zetterberg naast Hein op de bank zetten: dom. Hein ontslaan: erg dom. Frank Arnesen binnenhalen: superdom. Ook een journeyman, maar gespecialiseerd in bestuurskamers. Gooien ze aan de ene kant de huismakelaar op straat – terecht, al hielp het dat die in bak moest gaan zitten -, halen ze langs de voordeur een man binnen met banden met al even louche makelaars.

Marc Coucke, een jaar geleden nog de onverdroten zeekapitein van KVO die uitgekeken was op de Noordzee en klaar was om de oceanen te bevaren, is vandaag de Roland Duchâtelet van Merelbeke, Brussel en wijde omstreken. Zijn personeel is hem beu en zijn klanten willen zijn spullen niet meer. Was RSC Anderlecht een gewoon bedrijf in zijn portefeuille, hij verkocht het. Een voetbalclub is geen gewoon bedrijf en Coucke is ook geen gewone ondernemer. De concurrentie is gewaarschuwd. Een aandeel dat bodemt, kan alleen maar stijgen.

Interview Arthur Van Doren in De Morgen van zaterdag 22 december 2018

‘In hockey laat je je niet vallen om een penalty te krijgen’

‘Uno spelen, dat is een hit bij ons.’ Arthur Van Doren (24) over de hechte band tussen de Red Lions, zijn toekomst en het verschil tussen hockey en voetbal. ‘Morgen ga ik mijn auto halen, een Evoque. Ik had een zwarte gevraagd, ik zie wel wat ze mij geven.’

Als Arthur Van Doren – wereldkampioen en beste speler van de voorbije World Cup, bijgenaamd King Arthur – op ’t Zuid in Antwerpen Kolonel Coffee betreedt, vallen de diensters in katzwijm, grijpen de klanten naar hun iPhones voor selfies en vragen ze handtekeningen op hun intieme delen. Wat een wereldtitel allemaal doet.

Het had gekund, maar Van Doren is geen voetballer. Anderhalf uur heeft de Messi van het hockey afgelopen woensdag zijn uitleg gedaan aan een tafeltje bij het raam. Geen mens keek op, geen passant staarde hem aan en niemand die ook maar aanstalten maakte voor een selfie.

De diensters hadden hem herkend. “Hij komt hier vaker.” Het leven is niks veranderd voor Arthur Van Doren, het 24-jarige zondagskind uit Brasschaat. Misschien is zijn eeuwige glimlach nog breder geworden. En zijn stem is tijdelijk hees.

“Sorry voor die stem hoor. Te veel gefeest, te weinig geslapen, ik wil dit zo intens mogelijk beleven. Gisteren waren Loïck Luypaert, Thomas Briels, Sebastien Dockier en ik op de kerstmarkt en toen we café Den Engel binnenstapten, stond een lange tafel spontaan recht en begon te applaudisseren. Dat zal ook wel voorbijgaan.”

Niet als jullie blijven om goud meedoen en af en toe winnen. Je stond toch op dat balkon dinsdag?

Arthur Van Doren: “Ja, daar kan ik nog steeds niet bij. Dat was niet een groepje supporters zoals op de luchthaven, hoewel we het daar al druk vonden, maar een hele Grote Markt vol met fans die daar speciaal voor ons stonden. Wij hockeyers zijn dat niet gewend. Wat een rollercoaster hebben wij meegemaakt.”

Helemaal onverwacht was die titel niet na vier verloren finales, waaronder de olympische, toch?

“Neen. Wereldkampioen worden was ons doel, maar we hebben nooit stilgestaan bij wat dat kon teweegbrengen. Het toernooi verliep ook voor ons raar. Tussen die eerste twee wedstrijden zaten zes dagen. Je kunt maar zoveel trainen en kaarten, je wilt toch vooral hockeyen en winnen. In het begin liep het ook nog niet zoals we het wilden, maar wij zijn echt gegroeid in het toernooi. In de finale waren we op ons best.”

Kaarten? Ik dacht eerder Netflix kijken.

“Dat hangt van speler tot speler af. Ik heb Peaky Blinders nog eens bekeken, maar kaarten met de groep is toch gezelliger. Vooral Uno is een hit bij ons, zeker als de verliezer opdrachten krijgt. Dertig minuten in de lift gaan zitten, is het meest vervelende. Of ‘opdienen’, de winnaar bedienen. Het leukste is ‘koffie halen’. Als je hebt gewonnen en je zegt nog maar ‘wat heb ik zin in koffie’, dan moet de verliezer koffie halen voor jou. Je niks aantrekken van je opdracht is geen optie in dat team van ons.”

Dat lijkt melig maar wie in een team heeft gefunctioneerd, herkent dat. Het smeedt een band.

“Wij zijn een hecht team. Iedereen die erbij komt, past zich aan. Oudere spelers zullen de jongeren terechtwijzen als die iets doen wat wij niet gewend zijn of niet past. (neemt de fotograaf bij de schouder) ‘Hé maat, dat doen we niet meer, hè?’

“Soms vraagt men mij hoe dat zit met Franstaligen en Nederlandstaligen in onze ploeg. Dat is echt geen issue. Je hebt natuurlijk wel een betere band met de ene dan met de andere, maar iedereen spreekt elkaars taal. Bijna alle Franstaligen spreken perfect Nederlands.

“Onze normale voertaal is Engels omdat de coach Nieuw-Zeelander is, maar op het veld maken we afspraken over hoe we elkaar coachen. Best wel handig. In het Nederlands tegen Fransen, maar in het Frans tegen Nederland en natuurlijk geen Engels tegen landen die Engels begrijpen.”

Waar is jullie psycholoog gebleven?

“Die hebben we niet meer. Shane McLeod, onze coach, neemt dat voor zijn rekening. Een heel inspirerende man. Elk toernooi heeft hij wel iets aparts in petto. Nu ook weer: hij had de zes voornaamste landen voor de wereldtitel in een pokerspel rond de tafel gezet en elke keer paste hij dat aan. Echt heel apart. Hij is Nieuw-Zeelander en coacht ons in de stijl van de All Blacks: proud to wear the shirt. Mijlpalen als vijftig of honderd interlands passeren niet zomaar, dat zijn gelegenheden om de speler en het team te eren.

“Shane is meer coach. Onze veldtrainer is een Nederlander, Michel van den Heuvel. Dat is de man van de oefenstof en van het brullen. Shane zal nooit zijn stem verheffen, echt nooit. Hoewel, één keer hadden we iets gedaan wat hen echt niet beviel – neen, ik zeg niet wat – en toen heeft hij even iets duidelijker gesproken dan anders. Niet luider, gewoon de woorden meer benadrukt. Wij nadien tegen hem: ‘Shane, volgende keer zo hard niet meer roepen.’ Daar kan hij dan even goed om lachen.”

Hard werken creëert een team. Zo hebben jullie de kloof met de wereldtop gedicht.

“Dat klopt. Zo hard zelfs dat de Duitsers en de Nederlanders met wie ik samenspeel in de Nederlandse hoofdklasse bij Bloemendaal vonden dat we overdreven. ‘Jullie gaan overtraind op dat WK toekomen.’ Wij trainen standaard drie keer per week met de nationale ploeg en de laatste voorbereidingsweken zelfs vier keer, van maandag tot donderdagnamiddag. Daarna reed ik naar Bloemendaal en trainde ik daar donderdagavond met de club en op vrijdag ook. Op zaterdag was er wedstrijd. Bij de club vonden ze dat niet leuk, maar ik had dat besproken toen ik mijn contract tekende: het programma van de nationale ploeg ging voor.

“Dat we dan ook nog Duitsland en Nederland inpakten op dit WK deed extra deugd. Er was bij Nederland wel commentaar op onze speelstijl. Laf hockey en zo. Zij deden niks meer dan wij. Onzin, ik heb die speler daarop aangesproken. Op hockey.nl verscheen een artikel dat we mentaal te zwak waren voor een grote prijs. Idem in Australië: gebrek aan leiderschap, daarom winnen ze geen finales. Ze hebben ons onderschat. Dat heeft ons geprikkeld.”

Jullie hebben anders een goeie leider in jullie keeper.

“Vincent Vanasch is een fenomeen, echt waar. Toen we ons, voordat duidelijk werd dat er een voetfout was gemaakt, wereldkampioen waanden en dat aan het vieren waren, stapte Vanasch naar de bank en vroeg er om water. Toen hij terugkeerde, zei hij: ‘Scoren en ik pak de volgende.’ Ik keek toen recht in zijn ogen en ik zag het meteen: wij worden wereldkampioen.

“Vincent Vanasch is de meest professionele hockeyer die ik ken – een machine – en ook een schitterende, bescheiden gast. Die doet en laat er alles voor. Hij zou als kine een mooie praktijk kunnen uitbouwen, maar offert alles op voor zijn sport.”

Als we Arthur Van Doren spreken, is hij net terug van een begrafenisplechtigheid. Tijdens het WK overleed de vader van ploegmaat Simon Gougnard.

Hoe feesten jullie terwijl een ploegmaat aan zijn pas overleden vader denkt?

“We waren deze ochtend bij de begrafenis. Die euforie zit nog in ons en dan dat contrast, dat verdriet bij die familie, heel heftig. De vader van Simon Gougnard was erg ziek en hij overleed in de nacht voor onze halve finale tegen Engeland. Wij wisten niet dat hij was overleden. Simon heeft dat geheimgehouden voor ons. Hij heeft de hele nacht wakker gelegen en vertelde het ons pas bij de meeting voor de wedstrijd. Hij in tranen, wij in tranen.

“Maar dan die wedstrijd. Wat Simon daar heeft gepresteerd, onwaarschijnlijk. En dan scoort hij ook nog eens de belangrijke tweede goal die Engeland knock-out slaat. Ik krijg er nog kippenvel van. Hij scoort, staat daar alleen, kijkt naar de hemel en als hij terug naar beneden kijkt, staat iedereen rond hem, maar echt de hele ploeg. Ik ben bijna zeker dat dit ons dichter bij elkaar heeft gebracht. We waren gelinkt.”

Jullie zijn sterren, de besten van de wereld, maar er zit niks blasé aan. En dat terwijl jullie sport wel dat imago heeft. Dat contrast is zo bijzonder.

“Wij zijn doodnormale mensen. Wij spelen voor ons plezier. Oké, jij zegt mij nu dat het gemiddelde salaris in de Belgische voetbalcompetitie 350.000 euro is. Eigenlijk wilde ik dat niet weten, maar het stoort mij ook niet want ik wil hockey niet vergelijken met voetbal.

“De bedragen in hockey zijn natuurlijk niet vergelijkbaar. De beste West-Europese hockeyer kan misschien iets meer dan 100.000 euro verdienen als hij ook in India gaat spelen. Ik heb het best goed en naast mijn sticksponsor Osaka heb ik onlangs ook een contract getekend met Land Rover en Red Bull. Morgen ga ik mijn auto halen, een Evoque. Ik had een zwarte gevraagd, ik zie wel wat ze mij geven.

“Waarom zou ik klagen? Ik heb een fantastische jeugd gehad, ik ben 24 en reis nu al bijna tien jaar de wereld rond om samen met mijn vrienden te doen wat ik het liefste doe: hockey spelen. Ik kijk nu al uit naar de nieuwe Pro League, die in januari begint.”

Studies schieten er wel bij in met zo’n programma.

“Ja, sommige jongens hebben toch een heel mooi diploma. Ik ben ooit begonnen aan handelswetenschappen, maar ik ben ermee gestopt in het jaar van de Spelen. Mijn vader heeft een betonbedrijf en daar heb ik al wat gewerkt. Vangnet? (lacht) Dat zeg ik niet met zoveel woorden. Misschien begin ik een studie in Amsterdam.”

Waarom woon jij in Amsterdam terwijl je in Den Haag hockeyt?

“Ik woon onder De Pijp (trendy oude volksbuurt in Amsterdam-Zuid, HV). Fantastisch wonen. Oké, op een slechte dag rij je ook langer dan een uur naar Den Haag, maar het bevalt mij daar heel erg. En Amsterdammers vinden het leuk om hun stad te tonen aan wie er zich voor interesseert. Neen, zoals het er nu voorstaat, blijf ik daar nog een tijdje. Ik wil kampioen worden in de sterkste competitie ter wereld.

“Nu primeert de nationale ploeg nog even, maar als de competitie weer begint, zullen de Belgen die in de hoofdklasse spelen best wel wat steken onder water geven, daar kun je van op aan. Maar de Nederlandse sporter kan daarmee om. Die hardheid onder elkaar kan ik waarderen. ‘Verwacht je iets anders van mij? Neen, dan nu uwen claxon dicht.’

“Toen onze bar in ons hotel sloot, de nacht na de finale, zijn we naar het hotel van de Nederlanders getrokken en hebben we daar nog wat doorgevierd. Dat kan hoor, wij kennen die jongens allemaal en we hebben respect voor elkaar. Toen de mensen die gingen ontbijten vroegen waarom wij al in de bar zaten, dachten we: misschien is het tijd om naar huis te gaan.”

Hoe word je hockeyer?

“Door te gaan hockeyen. Ik deed alles: tennissen, voetballen, pingpongen. Mijn vader heeft heel kort gehockeyd, mijn oom deed het bij Dragons in Brasschaat waar ik ben opgegroeid. Pa en ma zijn zelfstandige, pa met een betonbedrijf en mijn mama is schoonheidsspecialiste.

“Ik was een redelijke tennisser. Toen ik 14 was, had ik net mijn B-klassering en moest ik kiezen. Het werd hockey omdat ik dat het liefste deed en ook het beste kon, maar eigenlijk liggen alle sporten mij waarin oog-handcoördinatie een grote rol speelt. Ik was 15 en stond in de eerste ploeg van Dragons. Twee jaar later zat ik bij de nationale ploeg.”

Hoe word je de beste hockeyer ter wereld en dan nog als verdediger?

“Je mag hockey niet te veel vergelijken met voetbal. De opbouw van het spel lijkt op het eerste gezicht op elkaar, maar in hockey heb je als verdediger veel meer invloed op het spel dan in het voetbal. Het begint bij de onmogelijkheid van de doelman om de bal uit te trappen. De centrale verdedigers bepalen het tempo van de wedstrijd en van mijn vijftiende heb ik daar gespeeld. De lange harde inspeelpass is mijn specialiteit, daar kan ik echt van genieten.”

Je werd bewierookt in de kranten. Hier, lees mee: ‘De slimste hockeymens ter wereld’. En nog uit de Volkskrant: ‘De man met een magneet in de hockeystick’.

“Ach zo. Die heb ik niet gezien. (leest aandachtig en een gelukzalige glimlach verschijnt) Mooi als ze dat over jou zeggen, maar ik overdrijf echt niet als ik zeg dat ik maar zo goed ben als de ploeg waarin ik speel. Als ze met mijn diepe ballen niks aanvangen voorin, dan kan ik niet opvallen. Ik speel met de beste spelers van de wereld en daardoor kan ik ook uitblinken.

“Die magneet in mijn stick, dat is een metafoor, voor alle duidelijkheid. Het mooiste compliment dat ze mij hebben gegeven, is: jij hebt die wedstrijd al gezien en nu speel je die voor de tweede keer. Ik kan het ook niet helpen dat mijn spel zo lijkt. Ik zie vaak wat er moet gebeuren en waar de gaten zijn, hoe we het kunnen oplossen.”

Jullie spreken over normen en waarden in het hockey. Leg nog eens uit wat dat inhoudt.

“Dankbaarheid. Omdat het land ons heeft gesteund. Wij proberen dat ook terug te geven. Jij vraagt een interview, ik ben daar blij om. Wij zijn echt normale mensen. Ik hoor ook wel dat wij een elitesport zouden beoefenen, maar daar is niks van aan. Ik ga daar zelfs niet meer tegenin.

“In hockey draait alles om onderling respect. Zo’n finale tegen Nederland is best wel intens, bikkelen tot het eind, maar altijd in respect. Bij ons zul je nooit een tik tegen je schouder krijgen en neergaan alsof ze je net hebben onthoofd. Er zal ook nooit een speler zich laten vallen in de hoop een penalty te krijgen.”

Worden de Red Lions vanavond verkozen tot team van het jaar?

“Laten we dat hopen. Wel mooi dat de stemming is heropend. Het zou prachtig zijn. Maar als het niet zo is, dan zijn we niet minder blij.”

 

Interview Arthur Van Doren

Column Sport zonder matennaaiers in De Morgen van zaterdag 22 december 2018

Sport zonder matennaaiers

Er is een filmpje dat u móét zien. Zoek op Steven Adams en Mason Plumlee, het gaat om basketbal: de Oklahoma City Thunder staan bij de Denver Nuggets met nog enkele minuten te spelen op zes punten achterstand als Steven Adams vrij naar de ring kan.

Mason Plumlee van de thuisploeg ziet dat en springt. Adams houdt in, waardoor Plumlee voor niks in de lucht hangt. In het zwerk kantelt zijn lichaam en hij landt vervaarlijk ondersteboven op de gebukte Adams. Die zou zich niks van Plumlee kunnen aantrekken, dunken en een fout meekrijgen. Maar neen, hij houdt in, dunkt niet en probeert Plumlees val te breken en hem te behoeden voor een potentieel ernstige blessure.

Was Adams een voetballer geweest, hij had meer dan waarschijnlijk gedunkt en zich dan pas (misschien) iets aangetrokken van de tegenstander die dreigt op zijn hoofd terecht te komen. Of misschien had hij gedunkt en vervolgens geprobeerd om bij het neerkomen even zijn voet in een teer deel van Plumlee te zetten. Of had hij al het voorgaande gedaan, waarna hij zich zou laten vallen voor dood en om een rode kaart vragen.

Na veertig jaar in dit vak blijft de vraag mij fascineren: waarom is van alle sporten voetbal tegelijk de meest amorele en immorele sport? Waar matennaaien, mensen verkopen en tegenstanders verwonden tot de dagelijkse gang van zaken behoren. Waar men de handen vol heeft met zwart geld, witwaspraktijken, omkoping en matchfixing.

Waarom haalt voetbal het slechtste in de mens naar boven, zowel op als naast het veld? Het is een raadsel. Het heeft met geld te maken, zegt de ethicus. In de NBA – zie dat filmpje – bedraagt het gemiddelde salaris dit seizoen 6,5 miljoen euro. Vriend Adams zit daar dik boven met ruim 21 miljoen euro, Plumlee zit net niet aan 11,5 miljoen euro en daarmee zijn zij beiden naar NBA-maatstaven meelopers.

Geld haalt zelden het beste naar boven in de mensen, maar het is niet dé factor of een sport al dan niet immoreel is. Voetbal is de sport die zich halfweg de 19de eeuw van het zedenverwilderende en verruwde rugby heeft afgescheurd. Honderdvijftig jaar later is rugby het toonbeeld van sportiviteit, met duidelijke regels en met een topscheidsrechter die zich heeft geout als getrouwde homo.

Recent hebben we nog zo’n keurige – niet pejoratief bedoeld – sport leren kennen. Lezers en collega’s vonden dat ik al te enthousiast reageerde op de wereldtitel van de Red Lions en maanden mij aan om dat ‘vreselijke all white hockey’ toch maar eens goed af te branden.

Sorry, maar ik heb het hele voorbije WK met verbazing en bewondering naar dat hockey gekeken, onder meer naar de etiquette tussen de lijnen. Eén keer heb ik een speler een wegwerpgebaar zien maken. Het ging om veel, om een wereldtitel, maar op overtredingen volgden meestal excuses en heel zelden gemor. Een duwtje te veel en de ref, die alles keurig uitlegde aan het publiek, trad prompt op.

Ik kan hockey onmogelijk een foute sport vinden om die ene simpele en simplistische reden dat het de sport is van de witte middenklasse, het spijt mij zeer. Ik heb niks tegen de witte middenklasse, en al helemaal niet zoals ze zich gedraagt op de hockeyvelden. Ik kan onmogelijk tegen een sport zijn met een nationale ploeg van onderbetaalde vedetten zonder vedetteallures, samengesteld in perfecte symbiose tussen de gemeenschappen en die ook nog eens goud winnen.

De mores van een sport maken deel uit van de algemene cultuur van een sport en hebben niks te maken met afkomst, religie of ras, maar met stijl of gebrek aan stijl. Had ik nog jonge kinderen, dan schreef ik hen met veel plezier in bij die keurige, desnoods volledig witte hockeyclub. Maar nooit ofte nimmer in zo’n opgenaaide voetbalclub.

Hockey verdient het niet om als ondemocratisch en elitair te worden bestempeld. Voor een tiende van de investering van een aspirant- wielrennertje en evenveel lidgeld als in een voetbalclub, kan een kind gaan hockeyen. In de rijkenstolp Brasschaat zal het lastig zijn om de minder gegoede kinderen te bereiken, maar in Gent wenkt een interessant sociaal experiment.

La Gantoise, ooit een elitaire club waar nog steeds een mondje Frans wordt geparleed, is recent verhuisd naar de Watersportbaan. Naast La Gantoise, gescheiden door een oude arm van de Leie, ligt de sociale volkswijk Eiland Malem (waar ik ben opgegroeid). Malem en hockey zijn twee totaal verschillende werelden, gescheiden door tien meter water maar verbonden door een brug. Het zou La Gantoise sieren om over het water te rekruteren bij de allochtone gemeenschap van Malem. Alle kleuren kunnen hockeyen, ze moeten elkaar alleen vinden.

 

Sport zonder matennaaiers

Column de keerzijde van de Medailles in De Morgen van zaterdag 22 december 2018

De keerzijde van de medaille(s)

Philippe Muyters is aan zijn laatste maanden toe als Vlaams minister van Sport. Hij heeft zijn best gedaan: tien jaar lang zorgde hij voor continuïteit – een unicum op sport – en hij liep niet in de weg zoals sommige voorgangers. (Vervelend, maar hem alsnog vergeven, waren die ergerlijke foto’s met medaillewinnaars.)

Muyters verzette zich niet tegen een efficiëntere besteding van de overheidsmiddelen voor topsport, saneerde het bondenlandschap en liet Bloso/Sport Vlaanderen toe bepaalde sporten op de subsidieladder te korten. Waar hij tekort schoot, was in het op peil houden van de financiering van topsport, maar daarvoor zat hij bij de verkeerde partij (N-VA) en in de verkeerde regering.

Aanvankelijk vond men her en der nog wel een miljoentje extra, maar de voorbije jaren bleven de budgetten dezelfde of gingen niet noemenswaardig omhoog. Meer topatleten die prijzen pakken, betekent minder geld voor betere atleten. Betere atleten zouden op papier ook meer eigen sponsoring moeten kunnen genereren, maar dat gaat slechts ten dele op. Ze lopen niet dik, de atleten die het zonder veel overheidssteun kunnen. Voetballers, tennissers en wielrenners hebben doorgaans wel een privéstructuur die hen (over)betaalt. Voor tijdrijder Victor Campenaerts springt de wielermarkt in – al is de Nationale Loterij natuurlijk ook overheidsgeld – maar heel wat andere sporten worden door de sponsormarkt niet opgepikt en hebben de overheid nodig.

Zelfs het hockey. Die hebben mooie sponsors zoals Belfius (overheidsbank, dat wel), Audi, Jupiler, Candriam, Auping en nog andere, maar die zullen nooit opbrengen wat de overheden de nationale hockey-topsportwerking toestoppen.

Voor de Franstalige sportadministratie Adeps is dat 700.000 euro en enkele tewerkstellingscontracten, het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) geeft 650.000 euro, BeGold (geld van de gemeenschappen, het BOIC en de Nationale Loterij voor talentontwikkeling) stopt 450.000 euro toe en Sport Vlaanderen is de grootste hockeysponsor met 1,2 miljoen euro en zes halftijdse tewerkstellingscontracten.

Hockey en alle andere sporten die een stap hebben gezet, hebben voortaan meer geld nodig willen ze hun nieuw verworven status en niveau behouden. Concreet: gymnastiek waagde de sprong naar de wereldtop, is daarin geslaagd, maar om Nina Derwael en de rest van die topsportvlieger in de lucht te houden, is meer geld nodig.

Idem voor de nationale ploegen in teamsporten, die tot voor een paar jaar verwaarloosbare prestaties leverden maar nu op het ene na het andere kampioenschap om de prijzen spelen. Prima presteren staat gelijk aan het draaien van dure programma’s met EK’s, WK’s, Olympische Spelen en navenante voorbereidingen.

Jammer dat de verkiezingen in een preolympisch jaar vallen. Een nieuwe Vlaamse regering zou perfect een verdubbeling van het topsportbudget kunnen inschrijven als doelstelling. Ze zou het nog niet eens voelen in de begroting want twee keer peanuts blijven peanuts.

Het is een even demagogische als flagrante vergelijking, maar zit het met de subsidiëring niet serieus scheef als de Vlaamse cultuursector tig keer meer krijgt dan de Vlaamse topsport. Hoeveel keer tig? Welnu, in 2014 werd de cultuursector 5 procent gekort en dat kwam overeen met 33 miljoen euro. De 5 procent die cultuur moest inleveren en waarvoor moord en brand werd geschreeuwd, is anderhalve keer het totale Vlaamse topsportbudget.

Alleen al De Munt, één (federale) instelling met bezoekers die gerust een meervoud kunnen betalen voor hun vermaak, krijgt de helft meer subsidiegeld dan de hele Vlaamse topsport. Geen enkele opera- of balletvoorstelling komt in de buurt van wat de prestatie van de Belgian Cats op het recente WK basketbal bij de bevolking heeft losgemaakt, evenmin als het gaat om wat de Cats hebben verwezenlijkt voor de emancipatie van de (sportende) vrouw.

Alle gekheid, het kot zou te klein zijn als we aan het geld van de culturo’s zitten en dat aan de sportdombo’s uitdelen. Dat was om ze in de elitaire tempels in de gordijnen te jagen, dus om te lachen. De Belgische topsport kan het geld beter zoeken waar dat te vinden is: bij het voetbal bijvoorbeeld. Die krijgen 130 miljoen euro korting op hun belastingen en sociale lasten per jaar en dat om hun voetballend personeel gemiddeld 350.000 euro salaris te betalen.

Belast en hef lasten zoals op elke andere werkende Belg en geef wat je uitspaart in het voetbal aan de topsport, die het nodig heeft. Niet om buitensporige salarissen te betalen, maar gewoon om de werking te garanderen en een leefloon uit te keren.

Supersportjaar 2018

Supersportjaar 2018 in De Morgen van zaterdag 22 december 2018

(alleen tekst, voor graphics ea. info, onderin zit PDF)

Supersportjaar 2018

Met 29 ‘olympische’ medailles heeft België nooit beter gepresteerd dan in 2018. Zowel de Vlaamse, Franstalige als nationale topsport piekt. Een trendbreuk, of toch een beetje met dank aan de inflatie van kampioenschappen?

De Red Lions – inmiddels weet iedereen om welke sport het gaat en wie die gasten zijn – zijn in Bhubaneshwar in India wereldkampioen geworden. België sluit het memorabele sportjaar 2018 af met een nooit gezien aantal van 29 medailles in sporten of disciplines die in Tokio 2020 op het olympisch programma staan. In de sportstatistiek zijn olympische events de norm, een afbakening die misschien afbreuk doet aan mooie medailles in andere grote sporten maar internationaal is aanvaard.

De Belgische sportprestaties hebben een vlucht genomen. Vier jaar geleden behaalden we in een gelijkaardig sportjaar (2014) maar vijf podiumplaatsen, een dieptepunt, net als 2011 en 1989. In 2018 werden weliswaar opvallend veel kampioenschappen georganiseerd, maar dit is niet de enige verklaring voor de stijging. Wellicht is ook een doelgerichte subsidiepolitiek in combinatie met een buitengewoon getalenteerde generatie mee verantwoordelijk.

Neem daarbij in overweging dat kleine getallen grote schommelingen kunnen vertonen en je krijgt het verschil tussen 5 en 29. De 5 podia in 2014 werden gepuurd uit 42 topachtplaatsen. De 29 van 2018 uit 55 topachtplaatsen. Dat is uitzonderlijk efficiënt want een normale verhouding medailles/topachtplaatsen is één op drie. De toekomst zal uitwijzen of 2018 een toevalstreffer was, dan wel dat de sportwoestijn België stilaan vruchtbare sportgrond wordt.

Wellicht is het wat van alles. De stijging lijkt alvast structureel: sinds 2015 presteert de Belgische sport jaar na jaar beter. De topsportindex (zie grafiek), die rekening houdt met topachtplaatsen en aan elke prestatie een gewogen score meegeeft, staat op een nooit gezien hoogtepunt van 1.252 indexpunten. Vier jaar geleden stond die op 657, ongeveer de helft.

Uit analyse van die index blijkt dat de Belgische stijging vooral op rekening komt van de Vlaamse sport en de nationale ploegen. Alleen de Vlaamse index is van 300 indexpunten eind 2012 gestegen naar 714 vandaag. Reken daarbij de nationale teams, die in de index voor de helft over Vlaanderen en de Franstalige gemeenschap zijn verdeeld, en Vlaanderen verdubbelt van 430 eind 2014 naar 860 vandaag.

Ook de Franstalige sport steeg in die voorbije vier jaar van 226 naar 321, maar heeft die stijging bijna alleen te danken aan de punten afkomstig van de nationale ploegen. In Vlaanderen leeft al langer de ergernis dat de Franstalige gemeenschap te vrijblijvend subsidieert, al spreekt marathonloper Koen Naert, die er onderdak vond en Europees kampioen werd, dat wellicht tegen.

Het Vlaamse overwicht blijkt ook uit de negentien ‘olympische’ medailles die zijn behaald. Franstalige atleten haalden vijf medailles en de nationale ploegen ook vijf.

Mannenmedailles halen de bovenhand: 16 tegenover 12 vrouwenmedailles en 1 gemengd team (triatlon). Kleur en kwaliteit van de medailles zijn ook belangrijk met het oog op Tokio 2020. Medailles op wereldkampioenschappen bieden meer kans op olympisch succes dan plakken van Europese kampioenschappen. Acht van de 29 medailles zijn mondiaal behaald. Twee daarvan, de Rode Duivels en schaatser Bart Swings, komen niet in aanmerking voor de Zomerspelen. Van de resterende zes vallen de drie wereldtitels op die zijn behaald door vrouwen.

Toch zijn de mannenmedailles zoals het goud van hockeyers en het brons van Victor Campenaerts misschien iets meer een garantie op een olympische prijs dan de wereldtitels van Nicky Degrendele en Emma Plasschaert, die een beetje uit de lucht kwamen vallen. Gouden gymnaste Nina Derwael is wel een certitude voor Tokio 2020.

Niet beter dan 1995

In alle euforie moeten we een slag om de arm houden. 1995 blijft het beste sportjaar ooit met negentien medailles. Van alle 29 medailles van 2018 waren er maar achttien ‘olympisch’ in 1995. Swings zijn massastart, de triatlonmedailles, de Europese wielermedailles…: of de kampioenschappen bestonden nog niet, of de disciplines stonden niet op het olympisch programma.

In 1996 waren 843 medailles te verdienen op de Spelen. Over anderhalf jaar in Tokio zijn dat er 1.073, een stijging van 27 procent. Om even goed te doen als de zes medailles van Atlanta in 1996, hadden we in Rio minimaal zeven medailles moeten halen en moeten we in Tokio op acht uitkomen. Rekening houdend met bnp en bevolking, zou België op Olympische Spelen altijd de tien stuks moeten overstijgen.

Anderzijds scoorde België in 1995 vooral goed op de judokampioenschappen: acht van de negentien medailles kwamen van de bende van Dedecker. Een jaar later zouden ze vier van de zes olympische medailles mee naar huis nemen. In de breedte is Belgium er wel op vooruitgegaan. Het aantal topsporters dat de limiet haalde om met een salaris te worden ondersteund, is in vier jaar tijd verdrievoudigd.

We zijn ook geen land meer van veel uitblinkers in één sport met her en der een supertalent in een andere sport, aangevuld door meelopers zoals twintig jaar geleden. Judo pakt nog wel af en toe medailles, maar is niet meer de grote slokop. De verschillende wielerdisciplines apart genomen, zijn de 29 medailles van 2018 behaald in twaalf verschillende sporten.

Supersportjaar 2018