Column Mini-Tank over Lukaku in De Morgen van zaterdag 15 december 2018

Mini-tank

Manchester United stelt zich vragen over het gewicht van Romelu Lukaku. Die had ik van de zomer ook toen ik volgens de officiële spelersdata op de World Cup las dat hij 94 kilo woog. Ik dacht toen: als die niet tussen 105 en 110 weegt, dan weet ik het niet. Ja maar, zei een collega, er hangt weinig vet aan.

Ik argumenteerde tegen de collega: spieren wegen zwaarder dan vet. Dat is onzin natuurlijk: een kilo weegt een kilo. De achterliggende waarheid is dat een gespierd en slank lichaam zwaarder kan wegen dan een dikker en plomper lichaam omdat het soortelijk gewicht van de spier groter is dan van vet. Het is dus anders: een liter spier weegt meer dan een liter vet, dát klopt dan weer wel.

Vet of spieren, dat Lukaku forser en dus zwaarder is geworden de laatste jaren, en vooral sinds zijn transfer naar Manchester United, staat als een paal boven water. De vraag is nu hoe dat komt. Ik heb zo’n idee. In april 2011 had ik een afspraak met Vincent Kompany in zijn woonplaats. Bij de obligate welgemeende knuffel schrok ik: zijn bovenlichaam was een en al spier. Waar heb je dat voor nodig, vroeg ik. Hij antwoordde: “Dit is Engeland, de meest fysieke van alle competities. Sommige trainingen zijn hier oorlogen, erger dan de wedstrijd.”

Op de meeste professionele sites stond Kompany vermeld als 1,91 meter en 84 kilogram, terwijl hij op de weegschaal zeker dicht bij de 100 kilogram uitkomt. Heeft dat hem de das omgedaan? Te veel, te vaak, een te getraind lichaam en de pezen en spieren daardoor overbelast? Of is dit zijn genetisch lot en gaat Lukaku zijn grote broer achterna?

Zowel Kompany als Lukaku is van Congolese origine. West-Afrikaanse topsporters hebben doorgaans meer snelle vezels en meer spiermassa. Wat betekent dat aan de top van de gespierde snelkracht-atleten meer zwarten zitten dan blanken. “White men cán jump and run fast, but móre black men will jump higher and run faster”, weten de Amerikanen.

Ik zit haast niet in het krachthonk, argumenteert Lukaku. Dat kan ik niet geloven. Definieer dan ‘haast niet’, en wat doe je daar dan? Beetje bovenlichaam en meer benen? Dan moeten ze voetballers toch eens wijsmaken dat benen trainen een enorm effect heeft op groeihormoon en dus op de spieraanwas in het lichaam in het algemeen. Bodybuilders weten dat als geen ander.

Lukaku zit nu in een doodlopend straatje waar hij dringend uit moet, maar hoe? Hij moet vermageren en dat kan alleen door gewicht en dus spiermassa te verliezen. Dat kan ook door wat duurtrainingen, maar daar houden spitsen niet van, want dan denken ze snelheid en kracht te verliezen.

In de VS weten ze al langer dat ze moeten opletten met opbulken van hun zwarte sporters. Op sommige posities is dat geen probleem. Een nose tackle in de NFL (American football), die mag vreten en ijzer duwen wat hij wil, zolang hij er maar uitziet als een vervaarlijke rots is het allang goed en is bewegen bijzaak. Power forwards en centers in het basketbal hebben de laatste decennia ook kilo’s bijgewonnen.

In de VS trekken de teams zich ook niets aan van het eten van hun topsporters. Daar wordt niet ontbeten voor een training, daar wordt ook niet samen geluncht, met uitzondering van het honkbal op wedstrijddag als de big macs worden aangesleept. In het voetbal hebben ze de laatste jaren voedingsdeskundigen aangenomen om voor de spelers te koken na een training. Visje, kipje, groentje, beetje koolhydraten, allemaal afgewogen. Ik zag laatst zelfs een videootje van enkele spelers van een eersteklasser die een kookcursus ‘gezond eten bereiden’ kregen.

Allemaal leuk, maar ik onthoud toch vooral van Vincent Kompany dat hij zich bij zijn komst naar Manchester verbaasde over de eetgewoonten. “Na elke training pizza, niet te geloven. Ik heb gelukkig thuis iemand in dienst die voor ons gezond kookt.”

Ik ken de ins en outs niet van het eenmansgezin Romelu, maar het zou mij verwonderen als daar een kokette kokkin of kok zou inwonen om hem gezond te voeden. Misschien dat hij op de club zijn broccoli met kippenwit krijgt, maar thuis met de homeboys en de familie zal er geregeld wat ongezonds ingaan.

Dat Lukaku zelf niet heeft ondervonden dat hij door een fout eet- en trainingsregime nu veel te zwaar staat, kun je hem moeilijk verwijten. Die jongen leeft in een bubbel. Trainen, eten, thuiskomen, spelletje spelen op de PlayStation, iPhone tokkelen, junkfood eten waarvan hij niet beseft dat het junkfood is voor zijn lijf, en heel veel NBA kijken.

Zijn grote voorbeeld onder de wereldtoppers is basketballer LeBron James – een small forward van 2,03 meter en 113 kilogram in
het lijf van een power forward, een tank. Sinds zijn baard kan Romelu, een mini-tank, doorgaan als de kleine broer van ‘King James’. Iemand had hem er moeten op wijzen dat hij eerder Stephen Curry is: 1,91 meter, 90 kilogram, ook een hele goeie basketballer en net iets minder baard.

 

 

Lukaku-mail

Interview Johan Bruyneel in De Morgen van zaterdag 15 december 2018

‘IK KOM TERUG.

IN HET WIELRENNEN.

JA’

Zijn vrouw was al weg toen hij in oktober levenslang werd geschorst. Zijn kinderen hoort of ziet Johan Bruyneel (54) voorlopig niet meer. De ex-ploegleider van Lance Armstrong ging in survivalmodus en haalde in zijn woonplaats Madrid de fiets van stal. ‘Ik kom terug. In het wielrennen, jawel.’

Johan Bruyneel rijdt over de M-40 van het restaurant in La Moraleja richting de wijk Barajas, waar mijn hotel ligt. “Ik ben veranderd”, heeft hij een paar keer gezegd in de afgelopen zes uur dat we zijn leven hebben gefileerd. “Ik weet hoe ik vroeger was: niet altijd de aardigste.”

Ik stel hem gerust. Dat hij altijd respect heeft betoond en dat een discussie op niveau aan hem wel was besteed. Hij glimlacht. Zeven en een half jaar geleden zaten we samen op Sloane Square, waar hij tussen de riches of London resideerde, en ik vroeg hem bij wijze van afsluiter hoe groot de kans was dat de hemel op zijn hoofd zou vallen. Hij antwoordde eerlijk: “Die kans bestaat, maar moeten ze nu echt koeien van tien jaar geleden uit de gracht halen?”

Was het maar bij de hemel gebleven. Inmiddels is ook de grond onder hem weggespoeld. Ooit was Johan Bruyneel de onbetwiste heerser bovenaan de voedselketen van de koers. In 2012 werd hij op non-actief gezet en na de Oprah Winfrey-bekentenissen
eind 2013 van zijn kopman/vriend Lance Armstrong werd hij een outcast in zijn sport. In oktober van dit jaar heeft hij in een zelf aangespannen beroepsprocedure alsnog levenslang gekregen. De grote dopingheks – die hij níét was, voor alle duidelijkheid – moest op de brandstapel.

We rijden Barajas binnen en stoppen aan een verkeerslicht ter hoogte van de Melía Barajas. “Hier in dit hotel sliepen soms renners van ons als ze…”. Ik maak zijn zin af: “…bij Fuentes (de Madrileense dopingdokter, HV) kwamen?” Een inside joke. We lachen. “Serieus, dat hotel waar hij zijn bloedtransfusies deed, dat was hier ook ergens in die buurt, dicht bij de luchthaven. Handig, met renners die van overal kwamen. Maar wij gingen niet bij Fuentes, dat weet jij wel.”

Wat weten we van die onzalige tijd? Veel inmiddels, te beginnen met al die federale onderzoeken van de Amerikaanse belastingen. Nog meer, met dank aan al die gedetailleerde getuigenissen van collega’s van Lance Armstrong. Haast alles, toen ook de last man standing – Lance himself – bij Oprah overstag ging. ‘Did you?”Yes, I did.’

We weten dat Armstrong, naast wie Bruyneel als renner in het peloton had gereden, hem had gevraagd om zijn sportdirecteur te worden. We weten dat Armstrong in 1999 zijn eerste Tour won. Een voormalig kankerpatiënt won de zwaarste sportwedstrijd ter wereld, een wonder was geschied.

We leerden nadien uit publicaties van de Franse sportkrant L’Equipe dat dit gebeurde op epo, het fameuze, toen nog onopspoorbare hormoon dat het bloed van meer zuurstof voorzag. In 2004 al lazen we in L.A. Confidentiel van David Walsh en Pierre Ballester dat er van alles fout was aan Armstrong; naasten hadden getuigd.

We zagen hem zeven Tours op rij winnen, de ene al makkelijker dan de andere, de laatste twee in 2004 en 2005 met de vingers in de neus. En toen stopte de beste ronderenner uit de geschiedenis en kon een hoofdstuk worden afgesloten. Of toch niet, want hij kwam terug in 2009 en iedereen dacht: ai, hybris, als dat maar goed afloopt. Die uitkomst is gekend.

Geen interview, had Johan Bruyneel eerst gezegd. “Ik werk aan een boek.” En toen, out of the blue: “Kom toch maar af, maar ik ga niet alles vertellen. Er moet ook nog wat in mijn boek. Ik heb geen mooi verhaal, maar probeer het positief op te schrijven. Meer vraag ik niet.”

Ik begin met een grapje. Je hebt je vandaag nog niet boos gemaakt op Twitter?

Johan Bruyneel: “Toch wel. Daarnet nog heb ik Antoine Vayer (ex-wielertrainer en consultant van ‘Le Monde’, HV) van antwoord gediend. Ze hebben een video gemaakt van Lance Armstrong en linken daarin het feit dat hij aan zijn broek trekt aan het bestaan van een motortje. Hoe bestaat het? Lance had een tic nerveux en trok inderdaad aan zijn broek, maar wel om dat zeemvel op zijn plaats te houden.

“Lance zegt net als jij dat ik beter niet reageer, maar het is sterker dan mijzelf. Dat is het enige voordeel aan een levenslange schorsing: ik kan zeggen wat ik wil. Wat kunnen ze doen? Mij twee keer levenslang schorsen?”

De Amerikaanse dopinginstantie USADA is ook je favoriete schietschijf.

“Zij wilden de kop van Armstrong en co, en al de rest was bijzaak. Hun reasoned decision waar ze zo graag naar verwijzen, is sensatie en zeker niet objectief. De getuigen is beloofd dat ze geen straf zouden krijgen als ze ons maar aan de galg praatten. Een aantal heeft gezegd hoe het echt ging. Anderen hebben overdreven en sommige getuigenissen zijn verdraaid. Wat mijn zaak betreft, waren de zwaarste beschuldigingen verjaard. In een normale rechtspraak, zeggen mijn advocaten, is er geen zaak, of krijg ik hooguit een lichte straf. Maar sportrechtspraak is anders, en de regels worden geïnterpreteerd à la tête du client.”

De omschrijving ‘most sophisticated doping program’ klopte alvast niet…

“Dat was het ook niet. We deden minder dan onze dichtste concurrenten.” …maar misschien logistiek het beste georganiseerd, door de controlefreak in jou.

“Zo ben ik. Maar wij gingen niet naar Fuentes om bloed te laten invriezen en in een bank te bewaren. Van de zaak-Fuentes is nog niet alles geweten. Ik weet wie bloedzak 22 is (een van de 211 zakken die zijn gevonden bij Fuentes, HV) en ik ken nog een paar andere namen die niet zijn uitgekomen. Als die bekend worden, hebben er toch een paar een groot probleem.”

In de Dauphiné van 2006 vond jij het onbegrijpelijk dat ik niet geloofde dat Armstrong clean was. Na twee flessen wijn zijn we tot een vergelijk gekomen: Lance reed niet op betere brandstof dan de rest.

(lacht) “Dat weet ik niet meer. Zo was het: dezelfde brandstof. Het is simpel: elke kampioen van zijn generatie heeft de middelen gebruikt die voorhanden en niet opspoorbaar waren. Greg LeMond zegt dat hij een fysiologische uitzondering is, ik geloof hem niet. Een VO2max (maximale zuurstofopnamevermogen, red.) van 92, allee zeg. Ik heb een test van hem en die geeft een waarde aan van 75, niet meer.

“Ik ga niet goedpraten wat er is gebeurd, maar wij hebben doping niet uitgevonden en na ons is doping ook niet gestopt. In 2008 kwam er wel een kentering, en vanaf mijn jaren bij Astana gebeurde niets. Ik was daar blij om en had daar niet de minste moeite mee, want de besten blijven de besten, met of zonder doping.

“Het is hypocriet hoe wij zijn verraden door een stel laffe Amerikanen, hoe al het vuil in onze hoek is geveegd. Europeanen zijn toch anders, ze klikken minder snel. Ik heb ook getuigd, maar ik heb meteen gezegd: ik praat over mijzelf en over niemand anders. Het is nog hypocrieter hoe wij zijn behandeld, vooral als je ziet wie er nog rondloopt in dat peloton en een grote mond opzet.

“In 2014 kreeg ik tien jaar en ik ben in beroep gegaan, hopend op strafvermindering. Vorige zomer kreeg ik een aanmaning van het TAS (Arbitragetribunaal voor de Sport, HV) in Zwitserland. Snel 36.000 Zwitserse francs (32.000 euro) overmaken, want het beroep had zo lang aangesleept (vier jaar, HV) dat ze niet meer uit de kosten kwamen. Ik heb niet betaald en dacht toen: in het allerslechtste geval blijft het tien jaar schorsing.

“Mijn advocaat belde: levenslang. Een mokerslag. Ik ben een paar dagen down geweest. Gelukkig was ik toen zwaar aan het trainen, compleet met ketogeen dieet (gericht op vetverbranding, HV), allemaal met het oog op een lange mountainbikewedstrijd die ik met mijn broer zou rijden, de Sierra Norte Bike Challenge, 217 kilometer. Ik heb nog een keer of twee goed getraind en kort daarna arriveerden mijn broer en moeder ook in Madrid. Dat heeft mij geholpen om de zinnen te verzetten. De wedstrijd zelf was zwaar – 4.500 hoogtemeters – maar ik wilde die absoluut uitrijden. Dat heeft mij boven water gehouden.”

In je eigen getuigenis in het 104 pagina’s tellende vonnis, leg jij uit hoe je zelf als renner met doping in aanraking bent gekomen.

“Staat dat daar ook in? Heb jij ze alle 104 gelezen? Moedig. Sorry, ik niet. (bitter lachje) De conclusie levenslang volstond. Ik heb epo zien komen, en hoe. Ineens reden sprinters mij bergop voorbij en liep het halve peloton met frigoboxjes rond. Epo werd de doodnormaalste zaak van de wereld. Of je deed aan epo, of je kwam er niet aan te pas.”

Wat als je niet in beroep was gegaan?

“Dan was het tien jaar gebleven en had ik geen klein fortuin kwijtgespeeld aan advocaten.”

Is dat de reden voor je scheiding?

“Alles kwam bij elkaar. Van vandaag op morgen was ik altijd thuis in plaats van altijd weg. Kort daarna brak ik mijn been met het skiën. Mijn scheenbeen was net onder de knie versplinterd door een torsiebreuk. Ik kon een tijdlang helemaal niks. Ik zag toen hoe mijn vrouw leefde, hoe ze haar gang ging. Enfin, van het een komt het ander. En nu is het oorlog.

“De kinderen zijn na de breuk een jaar bij mij geweest. Mijn vrouw heeft mij altijd verweten dat wij uit Londen zijn vertrokken. Zij was daar graag, ik niet. Bovendien was het te duur en we hadden dit mooie huis in Madrid, waar ik nu nog woon. Zij is nu terug naar Londen en ze heeft de kinderen mee. Ik weet niet van wat ze daar leeft.

“De laatste maand hoor of zie ik mijn kinderen niet. Victoria is 14, zij en ik waren twee handen op één buik, maar nu ben ik de slechte. Via Victoria sprak ik vroeger met Cristian, mijn zoon van 9. Dus nu ook niet meer. Ooit komen ze terug, daar troost ik mij mee.

“Ik heb altijd alles voor mijn kinderen gedaan, maar terugkeren naar Londen vond ik erover. Londen is fiscaal interessant als je, zoals ik destijds, geen Engels inkomen hebt en een niet-gedomicilieerde resident bent. Dat voordeel was weg, maar niet het nadeel: het leven is er enorm duur. Bovendien wilde ik al na een jaar weg uit Londen, maar voor mijn vrouw ben ik gebleven.”

Van de zomer werd mij gesignaleerd dat je failliet was gegaan.

(haalt de schouders op) “Dat faillissement ging om één bedrijf. Ik ben zelfstandige en ben met dingen bezig. Ik kan daar niet te veel over kwijt omdat ik tegelijk in een complexe financiële situatie zit die nog eens wordt bemoeilijkt door een zeer moeilijke scheiding. Niemand hoeft zich zorgen te maken om mij. Het is niet meer zoals vroeger, ik pas iets beter op. Vooral voor mijn ex, die is zeer inhalig. Ze heeft al een zaak aangespannen tegen mij voor een Britse rechtbank, maar die vonnissen zijn hier moeilijk uitvoerbaar.”

Zeg nu eens hoe het echt met je gaat?

“Je zei dat je op sociale media zag dat het goed met mij ging, maar dat is niet de werkelijkheid. Met alles wat ik de laatste zes jaar op mijn kop heb gekregen, is het een wonder dat ik nog rechtsta. Ik heb veel nachten wakker gelegen: gewoon de slaap niet kunnen vatten van het piekeren. Ik ben grijzer geworden en mijn haar is dunner, allemaal van de miserie.

“Steun? Van de familie wel, natuurlijk. Ik train de zoon van mijn zus, die bij de beloften rijdt. Ik mag geen wielrenners trainen, familie uitgezonderd. Vrienden in België hoor ik ook geregeld. België is mij niet vergeten. Anderen uit de wielerwereld? Bijna niemand, zelfs niet de mensen die ik van straat heb geholpen. (Midden in het gesprek krijgt hij berichtjes, onder meer van Bradley Wiggins, HV)

“Bradley verzamelt shirtjes. Ik verzamel fietsen, een dure hobby. Ik heb oude originele fietsen van alle renners die op mij indruk hebben gemaakt en die laat ik restaureren. (toont een foto op de iPhone) Hier, de Faema-fiets van Merckx, perfect nagebouwd door Masi, de originele fietsenbouwer. Ooit komen ze van pas in mijn plannen.”

Vlucht jij in tranen, vrouwen, therapie, wijn?

“Ik drink graag wijn, maar nooit alleen thuis. Vrouwen? (lacht) Even genoeg van, maar ik heb vriendinnen. Tranen? Neen, ik ben een West-Vlaming. Therapie hoef ik ook niet. Of toch wel: met de velo rijden.”

Eens een renner, altijd een renner.

“Door die beenbreuk. Fietsen, zei de chirurg. Fietsen in Madrid is levensgevaarlijk, althans op de weg. Dus werd het mountainbike en dat beviel mij buitengewoon. Ik fiets soms met veel beter getrainde atleten dan ik, maar bergop doe ik met die gasten wat ik wil. Raar vind ik dat.”

Ik hoop dat je je hematocriet niet controleert?

“Neen, echt niet. Ik rijd wel op hartslag en als ik ga fietsen – drie, vier keer per week – dan is dat met een trainingsdoel. Pedaaltred, coördinatie, hart, longen, als je van jongs af aan hebt gekoerst, dan heb je dat en dat hou je. Deze ochtend ben ik met wat weekendrijders op pad geweest. Een beetje traag, maar wel goed gezelschap om wat te babbelen. Morgen ga ik alleen en dan gaat het sneller.”

Geen zin om met Lance Armstrong te gaan rijden in Colorado, of is dat te link? Ze willen daar nog 1,6 miljoen dollar van jou.

“Ik denk wel dat ik de VS binnen geraak. Wat er nog speelt, is een burgerrechtelijke procedure, maar ik heb geen ambitie om dat uit te proberen. Lance heeft gezegd dat hij weleens mijn kant uitkomt. Nu gaat het goed met hem. Hij heeft ook zware problemen gehad. Onderschat niet wat zo’n zaak met een mens en zijn gezin doet. Onder meer die schadevergoeding hing als een zwaard boven zijn hoofd, maar hij heeft in mei kunnen settelen voor 6 miljoen. Nog veel geld, maar geen 100 miljoen meer.”

De eerste keer dat het bij jou is gaan dagen dat de hemel op jullie hoofd zou kunnen vallen, was dat met dat boek L.A. Confidentiel in 2004, van Walsh en Ballester?

“Daar stond al een en ander in: mensen die van alles wisten hadden hun mond voorbijgepraat. Maar de trigger voor alles is de comeback van Lance geweest in 2009. Zonder die comeback zouden wij vandaag niet spreken. En was Lance geen Amerikaan, dan zou er ook niets aan de hand zijn. USADA baseerde zich op een federaal onderzoek in de VS om actieve sporters onder druk te zetten. Wat eigenlijk niet mag.

“Toen Lance over een comeback sprak, heb ik hem gewaarschuwd: alles is veranderd, niks is nog toegelaten, en Alberto Contador rijdt zeer rap omhoog. Ik wist dat hij Contador in 2009 niet aankon. Ik vind zijn derde plaats in die Tour van 2009 nog altijd een hele knappe prestatie.”

In de film The Armstrong Lie zie je hem vloeken als Contador hem klopt in die proloog in Monaco.

“Die film heb ik nooit gezien. Ik heb ook nooit één van die boeken gelezen. Ik weet wat er echt is gebeurd en als ik dan zie hoe het allemaal zo eenzijdig, zonder context wordt voorgesteld, laat maar…

“Ik heb mijn verhaal gedaan bij TAS. Zeer nederig, jawel. Ik had de indruk dat ze mij begrepen. Ik ben in 1999 sportdirecteur geworden. Ik was 34 en wist hoe het peloton rondreed. Ik heb gekozen voor controle en voor de gezondheid. Hematocriet hoger dan 48: niet starten. Tom Danielson kwam in bloedvorm toe voor de Ronde van Catalonië, maar had 48,5. Naar huis, kniepijn was de reden. Ik heb nooit geweten dat bij iemand van ons het hematocriet kunstmatig naar beneden is gehaald. We hebben ook nooit een fuck-up(bedoeld wordt: een dopinggeval, HV) gehad. En dan maar zeveren dat wij op voorhand waren ingelicht… Bullshit.”

Armstrong was een superatleet en dat heeft hij bewezen als age grouper tegen de wereldtop in het triatlon.

“Hoe die nu nog tekeergaat. Op zijn 21ste werd hij al wereldkampioen. Dat was in 1993, hij zonder epo tegen een peloton dat wel op epo reed. Weet je wat zijn en onze sterkte was? Niet onze doping, maar zijn mentaal overwicht. Wat hij deed in koers, grensde aan het onmogelijke.”

Niet dat jullie fraudeerden was het probleem, maar dat jullie zo véél wonnen. En vooral de manier waarop.

“Dat klopt. Wij creëerden een mythe die er helemaal niet was. Lieten wij uitschijnen tegen een plaatselijke journalist dat Armstrong op training zes keer achter elkaar l’Alpe d’Huez naar boven was gereden, dan stond het in alle kranten. In het echt was hij de tweede keer niet eens boven geraakt, zo slecht was hij uit de VS gearriveerd.

“Die speciale tijdritfiets, weet je dat nog, de one million dollar bike? Smaller aan de cranks om beter door de wind te snijden, enfin, een heel verhaal. Wat was de realiteit? Lance was uit vorm naar Murcia gekomen, raakte geen meter vooruit, en al helemaal niet op die fiets. Hij wilde er niet mee rijden. Trek, Nike, Giro, Oakley waren bij dat project betrokken en hadden een hele campagne opgebouwd. Ze waren in alle staten. Dus reden wij gewoon níét met die fiets maar hielden wel het verhaaltje levendig. En iedereen trapte daar in.

“Jan Ullrich zag ons en hij was al geklopt. Soms lachten we daarmee. Aan die overmoed zijn we ten onder gegaan, en door foute inschattingen, zoals de bekentenis van Lance bij Oprah. Blijft hij daar weg, dan is er geen sprake van die spijtoptantenzaak die Floyd Landis tegen hem heeft aangespannen namens de Amerikaanse staat, en die Landis bijna een miljoen dollar heeft opgebracht. Die show bij Oprah is in zijn aangezicht ontploft, dat weet Lance inmiddels ook.”

Je betuigde onlangs je spijt, maar heb je niet vooral spijt dat jullie zijn ontmaskerd?

“We hebben geen spijt over de prestaties. Lance hééft zeven keer de Tour gewonnen. Wat de doping betreft, heb ik spijt dat we deel uitmaakten van die generatie die niet zonder epo kon. Ik kan ook geen spijt hebben over de aanklacht dat ik renners tot doping heb aangezet, want dat heb ik nooit gedaan. Die renners wisten heel goed waar de mosterd werd gehaald. Dave Zabriskie, die nu samen met Landis cannabisolie verkoopt, hing een heel verhaal op over hoe ik hem aan de doping heb gebracht. Welnu, dat is compleet verzonnen. Hij heeft er zelf om gevraagd. De vraag kwam altijd van de renners. Ik zou daar niet over liegen als het anders was.”

Is een genuanceerde erfenis Armstrong-Bruyneel onmogelijk?

“Het is erg dat UCI-voorzitter David Lappartient Bradley Wiggins onder zijn voeten geeft omdat die Armstrong als een icoon ziet.
Nog erger: Christian Prudhomme die zegt dat Armstrong voor hem niet bestaat. Wie denk je dat de Tour commercieel groot heeft gemaakt? Niets tegen Alberto Contador – fantastische coureur en goeie gast – maar hij is ook een Tour kwijt door doping en vandaag is hij ambassadeur van de Tour. Hoe hypocriet is dat?”

Wat brengt de toekomst?

“Lance en ik hebben plannen om iets samen te doen, maar daar kan ik echt niets over kwijt. Ik werk ook aan een boek. Pokerface is de titel. Tegen de Tour moet het er liggen. Ondertitel: ‘De ongemakkelijke waarheid van het profwielrennen’.

“Ik mis de wielersport niet. In 2007 wilde ik er al uit. Ik had wel liever zelf besloten hoe en wanneer ik was gestopt. Maar ooit kom ik terug. In het wielrennen, jawel. Ik zou graag een tiende Tour winnen. In welke hoedanigheid, dat vertel ik pas als het concreet is.

(denkt na en geeft wat geheimen prijs) “Mooi plan, niet, om al die ellende achter mij te laten? Sinds 1999 draai ik mee in een mallemolen en nogmaals, ik heb veel fouten gemaakt, veel mensen afgesnauwd, ben arrogant geweest, maar het is wat het is. Zelf heb ik ook vaak diep gezeten. Ik moet ook verder.”

BIO Johan Bruyneel, de renner

geboren op 23 augustus 1964, in Izegem opgeleid als baanwielrenner, werd prof op de weg tussen 1987 en ’98.

won twee Touretappes in 1993, waaronder toen de snelste ooit

zevende in de Tour van 1993

derde in de Vuelta van 1995

raakte wereldwijd bekend om zijn val in een ravijn in de afdaling van de Cormet de Roselend in de Tour 1996, waar hij zelf meteen uit klauterde

reed voor SEFB, Lotto-SuperClub, ONCE, Rabobank en weer ONCE BIO

De ploeg-leider/ manager:

vanaf 1999 ploegleider van Lance Armstrong bij US Postal (1999-2004), Discovery Channel (2005-’07), Astana (2008-’09) en RadioShack (2009-’12)

Won zeven keer op rij met Armstrong als kopman de Tour leidde ook Alberto Contador naar twee Tourzeges

in oktober 2012 door de Amerikaanse dopinginstanties beschuldigd van het organiseren, faciliteren, aanzetten tot en vervoeren van doping.

in 2014 voor tien jaar verbannen uit de sport, omgezet in oktober 2018 in levenslang

Column over Importtalent in De Morgen van maandag 10 december 2018

Importtalent

Filip Ingebrigtsen (25) uit Noorwegen is in het Nederlandse Tilburg Europees veldloopkampioen geworden. De Ingebrigtsen-broertjes uit Sandness bij Stavanger, die door hun vader worden getraind, zijn fenomenen. Filip is de middelste. Hij was regerend Europees kampioen op de 1.500 meter, maar die titel kon hij deze zomer niet verdedigen omdat hij was gevallen in de halve finale.

Op slag werd zijn oudere broer Henrik (27) de nieuwe favoriet voor de finale. Daarin werd hij geklopt door zijn 17-jarige broer Jakob, die een dag later de 5.000 meter zou winnen. Filip Ingebrigtsen hield gisteren een vloot genaturaliseerde Kenianen en andere Afrikanen af.

Het kan niet anders of het EK veldlopen moet het favoriete sportevent van Theo Francken zijn. Tot gisteren waren de laatste tien edities acht keer gewonnen door Afrikaanse migranten. Ingebrigtsen is een ras-Europeaan, maar toch vooral een ras-loper uit een ras- sportland.

Afrikaanse importvoetballers kennen we al langer. Importlopers zijn een vrij recent verschijnsel en ze verschillen van de voetballers omdat ze zo snel mogelijk van nationaliteit veranderen. Waarvoor overigens begrip, want in hun geboorteland zouden ze er nooit aan te pas komen.

Het EK wordt sinds 1994 gelopen en de eerste twaalf edities zijn door geboren Europeanen gewonnen, waarvan de helft door Sergei Lebid uit Oekraïne. In 2006 in Italië kwam de eerste Afrikaan piepen: Mo Farah won, Somalië boven. Farah was een genaturaliseerde Brit, de enige wereldtopper die ooit op een Europees crosspodium stond. Later zou Farah de olympische titels aan elkaar rijgen als kraaltjes en vandaag loopt hij marathons.

Na Farah was het weer twee keer de beurt aan Lebid, die ook in 2010 nog eens zou winnen. Zijn zegereeks werd onderbroken door een Ethiopische Spanjaard, Alemayehu Bezabeh. In 2011 was het de beurt aan een andere Ethiopiër, Atelaw Bekele, namens België nog wel. 2011 was zijn topjaar en nadien verdween hij in de anonimiteit.

In 2012 won nog eens een bleke Europeaan, de Italiaan Andrea Lalli, opgevolgd door Bezabeh. Daarna won vier jaar op rij een Turkse Keniaan. Op Mo Farah na, zijn de nieuwe Europeanen geen A-Afrikanen, althans wat lopen betreft, zelfs geen B- of C-Afrikanen, maar een genetisch doorslagje van de beter gemotoriseerde versies die in Kenia en Ethiopië zijn gebleven om daar hun lopende boterham te verdienen.

Isaac Kimeli (24) bijvoorbeeld, die voor België gisteren zilver won, is een geboren Keniaan die er op wereldniveau voorlopig niet aan te pas komt. Hij kwam met zijn ouders naar België, niet om te lopen maar voor een beter leven.

Dat geldt ook voor de in Ethiopië geboren Dame Tasama (31 al), die al veertien jaar in België was voorleer hij gisteren voor het eerst in een Belgisch shirt aan de start van een loopwedstrijd stond. Hij eindigde op een kleine minuut van de winnaar, op de 21ste plaats. Tasama werd al in 2017 Belg, maar de Internationale Atletiekfederatie (IAAF) doet er lang over om atleten van nationaliteit te laten veranderen, tenzij je als land kunt lobbyen of – zoals in het verleden – de IAAF-top omkoopt.

Gelukkig zijn wij zijn geen Bahrein aan de Noordzee. Wij kopen geen talent. Bahrein won zijn eerste olympische gouden medaille ooit in juli 2012 in Londen met de Ethiopische Zenebech Tola op de 1.500 meter. Vier jaar won de Keniase Ruth Jebet de 3.000 meter steeplechase. Zij was al op haar zestiende omgepraat/ omgekocht om naar Bahrein te komen nadat ze een loopwedstrijd op school had gewonnen.

Bahrein reisde met 35 atleten af naar de Spelen in Rio. Meer dan de helft van de sporters was genaturaliseerd en kwam uit Ethiopië, Kenia, Marokko, Rusland en Nigeria. Het land heeft in totaal drie medailles behaald in tien Olympische Spelen, alle drie door import- Afrikanen.

Ook Turkije is een land dat actief rekruteert in Afrika. Of in Bulgarije, als ze nood hebben aan gewichtheffers. Een extra voorwaarde om genaturaliseerd te geraken in Turkije is afstand doen van de geboortenaam. Afbleken hoeft nog net niet. Gisteren streed Isaac Kimeli met Aras Kaya en Kaan Kigen Özbilen. Twee donkere jongens, zo donker maken ze die niet in Turkije. Ze komen uit Kenia en heetten ooit Amos Kibitok en Mike Kipruto Kigen.

De Belgische sport koopt geen buitenlanders, maar omarmt migranten die zich in de sport bewijzen en ondersteunt hen in hun ambitie net zoals ze identitaire Vlamingen, Walen of Brusselaars zou steunen. En we noemen ze ook geen Janssens of Dubois. Het is maar een suggestie: de winnaar van het rondje Maximiliaanpark voorrang geven bij het Klein Kasteeltje, is dat geen idee?

 

Importtalent

Column over de Sportprijzen in De Morgen van zaterdag 8 december 2018

Prijzentijd

In Nederland was er heel wat te doen de laatste weken over het Sportgala, waar onder meer de Sportman, Sportvrouw en Sportploeg van het Jaar worden bekroond. Het is, aldus columnist Thijs Zonneveld, appels met peren vergelijken en of ze daar niet beter mee ophielden.

Ik denk dat hij een beetje pissed was dat er opmerkingen kwamen over Tom Dumoulin. Domme opmerkingen, zoals dat die terecht niet de laatste drie had gehaald want dat hij toch niks had gewonnen en zo. Andere kritiek viel te beluisteren over de Sportvrouw van het Jaar. Haar coach was namelijk wel genomineerd (Raemon Sluiter), maar tennisspeelster Kiki Bertens niet. Bepaald vreemd.

Wat die appels en peren betreft, dat klopt helemaal en dat maakt het juist boeiend. In Nederland zelfs extra boeiend omdat de prijzen grotendeels worden toegekend aan de atleten dóór de atleten. Daar doen wij in België niet aan. De hoofdmoot van de stemmen komt bij ons van de sportjournalisten – houders van een sportperskaart is af en toe een betere omschrijving – en die stemmen soms voor iemand uit hun sport of van hun taalrol. Door koppigheid, heilige overtuiging of oogkleppen.

Het Belgisch Sportgala is op 22 december.

Eden Hazard, Koen Naert, Bart Swings. Bij de mannen.

Nina Derwael, Emma Meesseman, Nafi Thiam. Bij de vrouwen.

Zijn de supergenomineerden, in alfabetische volgorde, maar als ik de stemming onder de collega’s een beetje kan peilen, zou dat ook weleens de echte volgorde kunnen zijn. Ik zou dat jammer vinden want ik heb een andere tiercé.

Ik had Bart Swings op één, Victor Campenaerts op twee en Thibaut Courtois op drie. Waarom geen Koen Naert? Omdat ik die andere drie hoger inschat op de mondiale meetlat. Een Europese titel op de marathon is niet niks, het is zelfs heel wat, maar een derde plaats op een WK en een Europese titel, telkens in tijdrijden, dat zijn gewoon betere prestaties. Naert zal nooit derde van de wereld worden op de marathon en dat weet hij als geen ander.

Nog een geluk dat de prestatie van Campenaerts van de week door zijn biotoop wel correct was ingeschat – al was de voorsprong op Yves Lampaert in de Kristallen Fiets niet zo groot. Die wielerwereld heeft zich trouwens van zijn moderne kant getoond door bij de mannen een tijdrijder te bekronen die nog nooit een wegkoers heeft gewonnen en bij de vrouwen met Nicky Degrendele een baanwielrenster die wereldkampioen is geworden in een discipline die bij ons nooit wordt georganiseerd (keirin). Voorwaar hulde.

Het probleem met dat soort verkiezingen is het benchmarken. Sinds onze beroepsgroep in 1999 de winnares van het toernooi van Luxemburg, in de finale tegen een andere Belgische (Dominique Monami), enkele maanden later tot Sportvrouw van het Jaar bombardeerde, heb ik niet al te veel vertrouwen in de benchmark die de collega’s hanteren.

De eerste vraag die we ons moeten stellen: wat is het hoogste podium waarop een sportman kan presteren? Voor alle sporten zijn dat de Olympische Spelen, voor voetbal is dat de worldcup. Aangezien we geen wereldkampioen hebben bij de mannen, is de tweede plaats van Bart Swings in het schaatsen de hoogst aangeschreven prestatie.

Wie wil vergelijken tussen grote en kleine sporten begeeft zich op glad ijs. Voetbal is een grotere sport dan schaatsen, maar in de finale van Swings deden vier werelddelen mee. In de kwartfinale van de worldcup zaten nog twee werelddelen en bij de laatste vier bleven alleen nog Europese landen over.

Brons in een ploegsport kan voor een individuele prijs nooit hoger worden ingeschat dan zilver in een individueel nummer en toch wordt Eden Hazard wellicht Sportman van het Jaar, wat dan weer te maken heeft met de communautaire stemmen. Bovendien heb ik Thibaut Courtois op drie gezet, gevolgd door Kevin De Bruyne en dan pas Eden Hazard. Die nam een halve snipperdag toen we hem het meest nodig hadden, tegen Frankrijk, maar Courtois keepte een heel toernooi op erg hoog niveau.

Bij de vrouwen heb ik de drie wereldkampioenen op één-twee-drie gezet: Nina Derwael (gymnastiek), Emma Plasschaert (zeilen) en Nicky Degrendele (keirin). Eenvoudiger kan toch niet?

Wereld- en Europees kampioene aan de brug Nina Derwael heeft al alle mogelijke prijzen gewonnen, maar dat was een juryprijs van kenners (Trofee voor Sportverdienste), een puur Vlaamse prijs (Sportjuweel) en ook nog de Vlaamse Reus. Voor Sportvrouw van het Jaar moet ze voorbij de chouchou van de Franstalige pers, Nafi Thiam. Het zou een godgeklaagde schande zijn als een wereldkampioene in een van de sterkst bezette en meest mondiale olympische nummers het zou moeten afleggen tegen een Europese kampioene in een van de zwakst bezette atletieknummers van de laatste twintig jaar.

 

 

Prijzentijd

Verhaal over de jeugd in het voetbal in De Morgen van zaterdag 1 december 2018

Alle macht aan de jeugd

Anderlecht trekt voluit de kaart van de jeugd: afgelopen weekend stuurde paars-wit tegen Sint-Truiden een half elftal tieners het veld op. Maar niks is moeilijker dan voorspellen óf en wanneer wie klaar is voor het echt grote werk. Niet elk talent groeit uit tot een kampioen.

Hans Vandeweghe

Jonkies zijn het, snotneuzen die de ballen moeten dragen. Ze mogen met het eerste elftal meetrainen, met de klemtoon op mógen. Als ze te veel praatjes krijgen, of een gevestigde waarde dollen, krijgen ze van een stamoudere een beuk. De Bruyne die Januzaj torpedeert op training tijdens de World Cup, dat werk.

Wie zijn voet zet bij de groten en zich in actie bewijst, kan rekenen op wijde waardering van medespelers, de staf, het bestuur en het publiek. Niet te vergeten in het voetbal, ook het clubmanagement dat zich in de handen wrijft: weer eentje met meerwaarde, weer eentje om te verkopen.

Royal Sporting Club Anderlecht heeft dit weekend een record gevestigd voor een kandidaat-kampioen: vijf tieners in de basis en een zesde ingebracht in de slotfase tegen STVV. De jonkies deden het prima, het waren oudere, ervaren spelers van 29 en 24 die in de fout gingen. Er werd verloren, maar winst had ook gekund.

Onthou de namen: Sebastiaan Bornauw, 19 jaar, Albert Sambi Lokonga, 19, Alexis Saelemaekers, 19, Francis Amuzu, 19, Yari Verschaeren, 17. Werd ingebracht: Jérémy Doku, 16. ‘In Youth We Trust’ was ooit de slogan van Anderlecht, tot het een handelshuis werd voor de import en export van spelers op wie snel winst kon worden gemaakt. Die politiek ging ten koste van de aanwezige talenten. Nicolas Raskin, kapitein van de U17 die afgelopen zomer de halve finale van het EK speelde, verruilde in mei 2017 het grote Anderlecht voor AA Gent, precies omdat hij geen kans zag om zich bij paars-wit in de eerste ploeg te spelen.

Ajax en PSV achterna

Dat wilde het nieuwe Anderlecht niet meer laten gebeuren en toen Marc Coucke er arriveerde, was een van de eerste beleidsdaden het vastleggen van de grootste talenten. Coucke: “We hadden er dertien op het oog. Twaalf hebben getekend. Eliot Matazo is de dertiende en hij ging naar AS Monaco. De tijd zal uitwijzen of dat verstandig was.”

De recente koerswijziging van Anderlecht, vertaald door kersvers sportief directeur Michael Verschueren in zijn eerste persconferentie deze week, is deels te verklaren door opportunisme. Waren er geen tien geblesseerden, dan stonden die zes tieners vorig weekend niet tussen de lijnen. Zo’n opmerking krijgt Hein Vanhaezebrouck op zijn paard.

(blaast) “Zeker vergeten dat ik destijds bij KV Kortrijk al de negentienjarige Sven Kums heb gebracht? En de even oude Cheikhou Kouyaté? Ik hoor dat de trainers van Anderlecht twee talenten per seizoen moeten brengen. Ik ben hier een jaar en heb er al tien of elf gehaald. (lacht) Ik ben hier goed voor vijf jaar.

“Ge-haald, ze zijn mij niet gebracht. Toen ik hier aankwam en naar de beloften ging kijken, deed Saelemaekers niet mee, zat Bornauw op de bank, speelde Sambi ergens hoog op rechts en zat Amuzu ook op de bank. Twee maanden later zaten ze bij mij.”

Anderlecht wil Ajax en PSV achterna, wil ook de talenten langer aan zich binden in de hoop prijzen te winnen, maar doet het historisch beter dan zijn concurrenten als het op doorgroeien van eigen jeugd aankomt. Zowel Club Brugge als Anderlecht lieten de voorbije vijftien jaar dertig talenten uit de eigen jeugd debuteren in het eerste elftal. Bij Anderlecht slaagden er zeven, met Vincent Kompany (nu Manchester City) en Romelu Lukaku (Manchester United) als boegbeelden. Bij Club Brugge drie: van hen is Björn Engels van Reims de bekendste. Ook KRC Genk deed beter dan Club en heeft met Kevin De Bruyne en Thibaut Courtois ook twee sleutelspelers van de Rode Duivels.

“West-Vlamingen hebben wat meer tijd nodig”, beweerde hoofd opleidingen Pascal De Maesschalck van Club Brugge deze zomer. Een iets logischer uitleg zou kunnen zijn dat de speelstijl van Club Brugge – no sweat, no glory – lastiger is voor een jonge speler om in door te breken dan in het paars-witte (zelfverklaarde) champagnevoetbal. Dat was de laatste jaren helemaal weg en tot dit jaar waren Youri Tielemans en Leander Dendoncker van de klas van 2013 de laatste grote namen. Al is Dodi Lukebakio ook aardig op weg na zijn hattrick met Fortuna Düsseldorf tegen Bayern München.

Om het concept ‘jeugd’ en ‘jong’ te bepalen, is het van belang om de ideale leeftijd voor elke sport te kennen. Internationaal zijn er studies over de Olympische Spelen die uitwijzen dat je op je best bent op je 19de in vrouwengymnastiek, het ene uiterste, en 32,6 jaar in het schieten, het andere uiterste. Van de fysieke sporten zijn beachvolleybal en zeilen, sporten waarin ervaring het altijd haalt van de jeugd, uitschieters met gemiddeld dertigplussers.

In het voetbal beperkt men zich vaak tot het gemiddelde van de selecties. Als we er mogen van uitgaan dat op een World Cup de beste spelers per land worden geselecteerd, dan weten we dat Panama de oudste ploeg had met 29,4 jaar gemiddeld. IJsland en Costa Rica kwamen ook aan 29 jaar. België stelde een elftal op van gemiddeld 27 jaar. Frankrijk bleef altijd onder de 25 jaar. Nigeria had dan weer de jongste ploeg met 24,9 jaar gemiddeld.

In de Champions League van dit jaar stelde Ajax het tweede jongste elftal op met 23,8 jaar. Maar Real Madrid zit dan weer al jaren dicht bij de 30 en won de laatste edities. Er is geen correlatie tussen leeftijd en resultaat, dat is duidelijk.

Het onderzoeksinstituut CIES Football Observatory stelt in een van zijn rapporten: “Een performante jeugdacademie is geen garantie op succes. Het is hooguit een bewijs dat de club nadenkt over de toekomst en vooral van belang om het beeld van de club als een instituut te bevestigen.”

Dries Mertens

Anderlecht wil een instituut zijn en stelt het ook net iets mooier voor dan het is. Zo pakken ze straks internationaal uit met de zeven Anderlecht-producten die de kern haalden van de Rode Duivels, nummer één van de FIFA-ranking. Daarbij wordt ook Dries Mertens geteld, die op zijn zestiende door de paars-witte jeugdacademie werd afgeserveerd en naar Gent trok, om vervolgens een odyssee langs Eendracht Aalst en diverse Nederlandse clubs te beginnen. Het was Nederland dat hem erbovenop hielp.

Stijn Indeherberge, twee jaar teamarts van PSV en eerder van KRC Genk, kan de twee landen vergelijken. “In Nederland wordt nog meer gemonitord, zijn nog meer mensen bezig met de opvolging van de beloftevolle jonge spelers, maar de basisfilosofie van Genk en die van PSV verschillen weinig. Wat wij in Nederland wel vóór hebben op België, is dat onze belofteploeg in de Nederlandse tweede klasse meespeelt. Dat komt de intensiteit ten goede.

“Het voetbal is in Nederland ook meer op techniek gestoeld dan in België, dat beeld klopt ook. Als die jonge talenten bij de eerste ploeg komen, verschilt alleen de handelingssnelheid. Fysiek zijn ze zo goed als klaar.

“Nog een verschil met België: bij ons is het normaal dat ze drie dagen per week van 8 tot 5 op de club zijn. Dat wil niet zeggen dat ze altijd twee keer trainen – of toch wel, maar dan een ander soort training, zoals visualisatie, kracht of zelfs yoga. Als je dat in België vraagt, in de namiddag trainen, krijg je gemor. In Nederland is ook nooit een speler te laat.”

Opleiding als alibi

Er zijn uitzonderingen, maar over het algemeen is België een alibi-opleidingsland. In een studie die negen seizoenen omvatte,
vond CIES Football Observatory dat België van alle 31 onderzochte Europese landen op plaats zeven stond in de categorie leeftijd. Gemiddeld waren de voetballers van de Belgische eersteklassers 25,3 jaar oud, maar de spelers die minuten kregen waren gemiddeld 26,3 jaar. Kroatië spande de kroon als jongste competitie met 24,3. Cyprus was dan weer de oudste competitie met 27,5, maar de oudste ploegen vind je doorgaans in Italië.

AS Trencin uit Slowakije was de jongste kampioen ooit in Europa met een gemiddelde leeftijd van 21,7 jaar in 2014. In de winter van 2014 was ene Moses Simon daar geland en hij maakte Trencin mee kampioen. In de winter van 2015 verkaste Simon naar België en hij maakte ook AA Gent kampioen.

In de top tien van jonge Europese kampioenenteams springen er twee in het oog: Ajax Amsterdam in 2012 en PSV Eindhoven in 2014. Van Belgische teams en hun jeugd geen spoor. De Nederlandse kernen zijn gemiddeld niet eens een jaar jonger dan de Belgische. Het grootste verschil is evenwel de stabiliteit van de clubs, het verloop van de spelers: in België tekenen de club trained players
(drie jaar bij de club tussen 15 en 21 jaar) voor amper 6 procent van de gespeelde minuten. In Nederland is dat drie keer meer. Daar worden de speelminuten door 33 procent buitenlanders volgemaakt. In België is dat 64,6 procent.

Fiscaal steuntje

België heeft een heel gunstige belastingregeling voor voetballers en meer in het bijzonder voor jonge spelers. Op een salaris van 14.000 euro bruto per maand (de helft van het gemiddelde in het Belgisch voetbal) moet 6.610 euro bedrijfsvoorheffing worden betaald. Van die 6.610 euro moet een professionele sportclub slechts een vijfde doorstorten. De rest blijft voor de club. Voor spelers ouder dan 26 moet de helft van het teruggestorte bedrag naar de jeugdwerking gaan. Daarmee kunnen ook de lonen van jonge spelers worden betaald, vaak goedkope buitenlanders, door de bijzonder lage instap voor niet-EU-voetballers. In de praktijk is de controle daarop zo goed als onbestaande.

De gemiddelde leeftijd van de Belgische kampioen is met 24,98 jaar de vijfde jongste van heel Europa en die ligt nauwelijks boven die van Nederland: 24,19. Wil dat zeggen dat onze kampioenen rolmodellen zijn in het geven van speelkansen aan jonge spelers? Neen. Dat wil zeggen dat de jonge talenten in Nederland volop kansen krijgen terwijl onze ploegen uiterst geslepen zijn in het samenstellen van een kern die jong genoeg is om van alle voordelen te profiteren en waarmee toch een deftig, stevig en ervaren basiselftal tussen de lijnen kan worden gebracht. De alibi-jeugd kan later worden doorverkocht.

Loopgravenoorlog

In de jeugdopleiding komt het erop aan het talent op het juiste moment te brengen, goed te omkaderen zonder te pamperen, niet te zwaar te belasten. Maar wanneer is een talent klaar voor het grote werk? Gert Verheyen, voormalig trainer van de U19 van de Rode Duivels en nu aan de slag bij KV Oostende: “Bij de U19 hebben wij Bornauw getest. Die presteerde als een 25-jarige, in dat geval moet je niet twijfelen. Ook niet als ze in zware wedstrijden tegen de jeugd van Frankrijk en Spanje bijvoorbeeld het voortouw nemen. Dan weet je: dat zit goed. Dat is het fysieke aspect.

“Vervolgens komt de rest. Let die speler op bij de tactische bespreking, stelt hij vragen, of is hij nog een speelvogel? Dat ze voetbal nog als een spelletje zien, heeft ook voordelen. Die onbevangenheid, daar kun je als coach wel wat mee, maar dat ze hun positiespel niet verwaarlozen en hun verdedigend werk doen, is in het moderne voetbal al even belangrijk.”

Voor Hein Vanhaezebrouck is het een mix van alles. “Ik vraag de testresultaten, bekijk hun loopafstanden en vooral hun meters
aan hoge intensiteit. Als dat oké is, neem ik hen bij de A-kern. Het helpt natuurlijk ook dat ze bij Anderlecht de laatste jaren hebben gekozen voor beloftetrainers die eerder eersteklassers hebben getraind. Emilio Ferrera vorig jaar en Jonas De Rouck dit jaar, samen met René Peeters die al die gasten al jaren volgt: zij weten mij perfect te vertellen of iemand mentaal klaar is om in de eerste ploeg mee te draaien.

“Anderlecht heeft de laatste jaren in de jeugd wel wat eenzijdig gerekruteerd: kleine jongens, snel, dribbelaars die in de bal komen. Geen snelle sterke jongens en al helemaal geen lange sterke voetballers als Kompany en Vanden Borre. Alleen Barcelona kan het met twee lange jongens en allemaal kleintjes.”

 

Jongeren die in het Belgisch voetbal hun streng trekken, hebben bewezen dat ze hun poot kunnen zetten, zoals dat heet. Of dat volstaat om door te groeien, is daarmee nog niet bewezen. De Belgische competitie is de spelversie van een loopgravenoorlog, heel moeilijk en heel fysiek. Buitenlanders schrikken van de intensiteit waarmee duels worden aangegaan en van de tactische discipline, vooral dan op verdedigend vlak. Ook de competitieformule leent zich niet tot veel frivoliteiten in het hoofd van de coach. Met de opdeling in play-offs zijn haast alle wedstrijden na Nieuwjaar belangrijk geworden. Op het moment dat in Nederland de helft van de wedstrijden belangeloos is, en kan worden geëxperimenteerd, wordt in België gebikkeld tot in mei. Het jonge, soms frêle talent in zo’n loopgravenoorlog sturen, is een risico.

“Jeugd brengen in onze competitie is niet evident”, vindt ook Gert Verheyen. “Ik speel nu met Wout Faes (20 jaar, ex-Anderlecht, HV) in de verdediging en die trekt zijn streng tegen de zware jongens, maar ik wacht echt op een moment om Indy Boonen (jeugdspeler van Genk die drie jaar bij Man. United speelde en nu bij KV Oostende, HV) te kunnen brengen. Ik hoop dat we zo snel mogelijk gered zijn en Play-off 2 spelen. Dan kan ik eindelijk aan de talentontwikkeling doen die mijn club voorstaat. Tot dan heb ik punten nodig.”

 

20181201_De-Morgen_p-78_Alle-macht-aan-de-jeugd-all-mail

Column over Vranjes in De Morgen van zaterdag 1 december 2018

Clubcultuur

 

Toekomstige spelers van Anderlecht zouden voortaan op voorhand worden gescreend en bij aankomst in de club worden doordrongen van de clubcultuur. Met andere woorden, ze zouden een uitleg krijgen over de lijntjes, waar die liggen en waarbinnen ze moeten kleuren en bij voorkeur met welke potloden.

De aanleiding voor dat statement van afgelopen woensdag was het gedrag van de Kroaat Ognjen Vranjes, de dure verdediger die deze zomer is gehaald van AEK Athene voor 3,2 miljoen euro, terwijl de site Transfermarkt 2 miljoen al ruim voldoende vond. Vranjes vond er niet beter op het gooien van een molotovcocktail door AEK-hooligans naar de Ajax-fans deze week te verheerlijken op Instagram. De verontwaardiging was groot. Die is ook vreemd. Vranjes is in Griekenland al eens veroordeeld tot een voorwaardelijke acht maanden gevangenisstraf voor het aanmoedigen van supportersgeweld. Ik wist dat niet, maar ik moet dat niet weten, Anderlecht wel.

Bijvoorbeeld dat Vranjes het best kan worden omschreven als een randdebiel op noppen. Bovendien is hij een Bosniër, een Servische Bosniër, die rondloopt met de afbeelding van een veroordeelde oorlogsmisdadiger op zijn arm. Daar is nu ook weer van alles om te doen, maar dat is bijzaak: de Balkan was altijd al een fout wespennest, is dat nog steeds en zal dat in lengte van jaren blijven.

Het beste bewijs is de landkaart van de Republika Srpska die hij… Als u die zin mag afmaken, zegt u ongetwijfeld… altijd op zak heeft… of iets van die orde. Maar neen, hij heeft de landkaart laten tatoeëren, op zijn arm. Het is maar een klein stukje land en hij heeft een brede arm, dus dat lukte net.

Moraal van het verhaal: zo’n gestoorde (veertien keer veranderd van ploeg in elf seizoenen) hebben ze bij Anderlecht binnengehaald en op een voetstuk geplaatst als hun defensieve leider. Behalve een passage in Turkije en het Spaanse Gijon heeft hij altijd in orthodoxe landen gevoetbald, waar Afrikanen – en dat is dat zacht uitgedrukt – niet altijd welkom zijn.

Naast die Bosnische Serviër met fascistische sympathieën heeft Anderlecht een timide zwarte jongen uit Denemarken gezet, die ze voor tweeënhalf keer het bedrag van Vranjes hebben gehaald. En nog wat donkere en blanke kinderen uit eigen kweek voor en naast hem, en dan vragen ze zich af waarom de mayonaise niet pakt.

Zo’n Vranjes-verhaal kwam je weleens tegen in het basketbal van de jaren 80. Ik herinner mij een fenomenale zwarte Amerikaan die bij Damme kwam spelen. De naam ben ik kwijt, maar die avond speelde hij de tegenstander helemaal zoek. Een nieuwe sensatie voor de Belgische basketbalzalen? Niet echt, een paar weken later was het al minder: hij had zijn eerste centen gekregen, eindelijk een dealer gevonden en het zot in zijn kop, waardoor hij het in de VS niet had gemaakt, was terug.

Elke voetbalclub heeft haar verhalen van spelers die met geen tien paarden in toom zijn te houden. Meestal hoor je dan: dat wisten we niet. Jammer, maar helaas, met een beetje meer inspanning had je dat moeten weten. Zo gek als Tottenham moet het ook niet natuurlijk. Die verstopten scouts in het struikgewas om Jan Vertonghen bezig te zien op training, en vooral op de momenten dat
de trainer niet keek. Het rapport zei: werkethiek voorbeeldig, geen tattoos, geen rare kapsels, stabiele relatie met vriendin uit de kunstensector. En o ja, hij kan voetballen maar dat wisten we al. Advies: halen.

Oké, de Premier League, dat is de top van de voedselketen. Die kopen in de betere designerzaken terwijl wij onze spullen/spelers halen in de soldenbakken van de Zeeman. Daar zijn af en toe goede zaakjes te doen, maar ook goedkope spullen keer je best drie keer om. Vranjes en andere beschadigde goederen uit de snelverkoop laat je best liggen.

Nieuwkomers moeten worden doordrongen van de clubcultuur, van de normen en waarden van de club. Het was niet exact in die bewoordingen dat daar van de week werd aan gerefereerd, maar het was iets van die strekking. Lovenswaardig initiatief, voorwaar. Ik zie het zo gebeuren. Moussa Subsahara of Dejan Ikannic die op het trainingscentrum van Neerpede, maar evengoed in Oostakker of Westkapelle of in de Genkse bossen arriveren en die in een bad clubcultuur worden gedompeld.

Moussa, Dejan, dit zijn de waarden van onze club, zo gaan wij met elkaar om, wij zijn één grote familie, wij beledigen niemand, we respecteren onze medemens. We zetten geen nieuwe tattoos zolang we hier zijn – de oude mag je houden. We rijden niet te snel. We passen op voor groupies. We doen het met condoom en we eten altijd en overal met mes en vork. Japanners zijn vrijgesteld (van vork en mes).

We doen ons best, luisteren naar de trainer. Die heet trainer of coach en de voorzitter heet voorzitter. De clubmanager kijken we niet in de ogen want dat loopt slecht af. Als je braaf bent en lang geblesseerd geraakt, zetten we je niet op de ziekenkas. Anders wel. Maar als puntje bij paaltje komt, is onze enige cultuur die van de kamelenmarkt: we hebben je gekocht en we willen je zo snel mogelijk met winst verkopen.

 

Clubcultuur

Column over Sergio Ramos en doping in De Morgen van maandag 26 november 2018

Sergio Wiggins

 

Wild was ik nog niet geworden van de artikelenreeks van Football Leaks die als onthullingen werden gemarket. Dat huidig FIFA- voorzitter Gianni Infantino in 2014 als secretaris-generaal in het prille begin van de Financial Fair Play ging onderhandelen over een boete die had kunnen worden aangevochten, is eerder een daad van good governance, dan van corruptie.

Dat Manchester City in Afrika voetbalscholen heeft, ook dat was niet bepaald wereldschokkend nieuws. Iedereen heeft voetbalscholen, of had ze. Dat makelaars verschillende keren langs de kassa passeren, zijn we daarvoor van onze stoel gevallen? Niet bepaald.

Evenmin van de salarisdetails van Kevin De Bruyne en het geld dat naar zijn ouders ging. Hooguit trek je de wenkbrauwen op voor figuren als een Patrick De Koster – makelaar van KDB – die op het goeie moment aan de rand van een veld stond bij een jeugdwedstrijd. Daardoor werden ze multimiljonair, op de kap van het talent van een ander, zonder zelf ook maar een poging te hebben gedaan om een kiezeltje te verleggen, laat staan een steen. Misprijs die klaplopers.

Neen dus, in dat hele Football Leaks vond ik niks om van achterover te vallen. Tot zaterdag, dan ben ik er toch eens goed voor gaan zitten. Jammer genoeg moest ik in de Vlaamse poot van EIC, het doorgeefluik Football Leaks, flink doorbladeren tot ik de onthulling vond – jawel, eindelijk een onthulling – maar wel op pagina E14, verstopt in het economiekatern. In L’Equipe: pagina 21.

Sergio Ramos is na de UEFA Champions League-finale van 2017 betrapt op dexamethasone, dat is een corticosteroïd dat ontstekingsremmend, dus pijnstillend en euforiserend, werkt. Was het geneeskunde of was het doping? Doet er niet toe, de regels zijn er voor alle sporters. Gebruik van cortico’s is toegestaan als het niet systemisch, maar lokaal wordt toegediend of door middel van zalf. Voor andere gevallen, allergieën bijvoorbeeld, kan altijd een TTN of ‘toestemming uit therapeutische noodzaak’ worden aangevraagd.

Is allemaal niet gebeurd. In elke andere sport had Ramos daarvoor een straf gekregen. Een jaar had gekund. Ramos, kapitein van het meest succesvolle team in Europa, schreef een brief samen met de dokter dat hij was behandeld voor chronische pijn in knie en schouder en de kous was voor de UEFA af. Vreemd genoeg sprak de dokter over twee geneesmiddelen die hij had verward. Hij had namelijk celestone vermeld, nog een ander corticosteroïd. In elke andere sport had men geconcludeerd dat er bedrog mee gemoeid was, niet zo in voetbal.

Waarmee het bewijs is neergelegd bij de ex-voetballer/tegenwoordig analist die zich vorig jaar tegen mij verbaasde over wat er allemaal aan het licht kwam in het wielrennen. Waarop ik antwoordde dat ik de voetballers die cortisonespuiten krijgen voor de wedstrijd de kost niet zou willen geven. En of hij er dan nooit één had gehad. Jawel, zei hij, als het nodig was.

Waarmee ook het bewijs is geleverd dat voetbal altijd vrijuit gaat als het over doping gaat, met het epodossier van Juventus als meest flagrante voorbeeld. Er stond namelijk nog meer in dat artikel: Ramos die vrolijk ging douchen terwijl hij naar de dopingcontrole moest. Mag niet.

Ronaldo die ambetant wordt van een bloedafname, waarna de dokters van Real dan maar zelf bloed afnemen bij hem. Mag niet. De controleurs van de UEFA verzetten zich niet ‘omdat er te veel spanning heerste’. Real klaagde daarna dat de controleurs duidelijk niet gewend waren om met sterren om te gaan. In het wielrennen was die ploeg aan de schandpaal genageld en uitgespuwd.

De ‘vergissing’ van Sergio Ramos en Real Madrid is vele malen erger dan de vermeende misdaden die Bradley Wiggins en Sky hebben begaan in 2012. Dat dossier is ook door een lek naar buiten gekomen, toen door het Russische Fancy Bears, cyberspionnen die voor de Russische geheime dienst opereren. Fancy Bears en Football Leaks hebben trouwens veel gemeen: ze leggen gehackte info neer bij wie ze vermoeden dat die wel een smeuïg verhaal lusten zonder veel duiding en nuance.

Ook in de zaak Real Madrid/Ramos/Ronaldo is er eigenlijk weinig aan de hand. Cortico’s kunnen worden gebruikt, punt uit, en dus ook worden misbruikt. De grijze zone is te grijs en te groot, maar dat is niet de schuld van Real. Wat dit wel aantoont, is hoe de perceptie rond doping verschilt tussen voetbal en wielrennen.

Bradley Wiggins stond met een gerapporteerd en goedgekeurd gebruik van een corticosteroïd voor bewezen allergieën en astmaproblemen op de één van de kranten en werd door een deel van de wielerwereld aan de hoogste boom opgeknoopt. Real Madrid, het Team Sky van het voetbal, komt in een echte dopingstorm terecht, en voetbalwereld en media kijken verveeld de andere kant uit.

 

Sergio Wiggins

Verhaal met Peter Callant van KV Oostende in De Morgen van zaterdag 24 november 2018

‘Ik mis authenticiteit in het voetbal’

Ooit de jongste voorzitter in het volleybal, daarna sportsponsor over het hele land, maar sinds een half jaar eigenaar van een eersteklasser in het ontplofte Belgische voetbal. Peter Callant (52) heeft nog steeds geen spijt. ‘Al denk ik soms: rare wereld.’

“Toen ik KV Oostende overnam van Marc Coucke moest het snel gaan, al heb ik toch een paar weken nagedacht. De eerste reactie was ‘ja, maar’, met de nadruk op ‘maar’. Coucke heeft die ‘maars’ weggenomen. Misschien was er beter nog iets meer tijd over gegaan om beter zicht te krijgen op hoe dat voetbal in elkaar steekt en ook op de rekeningen van KVO, maar dat heeft ook zijn voordelen. Ik heb echt geen 15 of 20 miljoen betaald voor die club. Overigens zou geen enkele Belg dat betalen. Ook niet voor SK Lokeren, zoals ik nu hoor.

“Marc moest van KVO af, hij had Anderlecht. We hebben goed onderhandeld en hij heeft uiteindelijk nog een kapitaalverhoging doorgevoerd van 15 miljoen waardoor KVO schuldenvrij was. Dat laatste was een voorwaarde. Ik kreeg als sportiefste makelaar van het land de kans om een voetbalclub te kopen die mij op het lijf geschreven is. Als die trein passeert, moet je niet aarzelen.

“Over Coucke wordt veel geschreven en gezegd, maar ik doe daar niet aan mee. Natuurlijk heeft hij KV Oostende financieel op een niveau gebracht waar het intrinsiek niet thuishoort, maar dat weet hij zelf. De term ‘Coucke-vet wegsnijden’ komt trouwens van hem. Die investeringen hebben resultaten opgeleverd maar een garantie op succes is dat niet. Vorig jaar haalden ze in het seizoensbegin één op eenentwintig, met de duurste ploeg die KVO ooit heeft gehad.

“Ik heb nog geen moment spijt gehad. Ik zag meteen de opportuniteiten: passie, communicatie, naamsbekendheid, terugverdieneffect, het zit allemaal in ons model. Geen betere hefboom dan voetbal om zaken te doen. Nu helpt het ook dat wij een van de grootste business community’s van de hele eerste klasse hebben en het helpt nog meer dat ongeveer iedereen ook na het vertrek van Marc Coucke is gebleven. We zullen inzake inkomsten zelfs dit seizoen iets hoger uitkomen, vooral te danken aan de verhoogde tv-rechten na vijf volle jaren in eerste klasse.

Veel onderling wantrouwen

“Er wordt soms gezegd dat ik nieuw ben in het voetbal. Als voorzitter wel en dat iedereen je dan aanspreekt met voorzitter en niet met Peter zoals op kantoor, dat vraag ik niet maar dat krijg je er gratis bij. Ik heb wel een paar keer gezegd ‘zeg maar Peter’, maar iedereen zegt voorzitter. Oké dan. Ik heb wel ervaring als sponsor in het voetbal, bij Cercle Brugge en bij KV Oostende, en ik was samen met Marc vroeger nog bestuurder van deze club. Zo helemaal nieuw ben ik dus niet.

“Ik blijf wel afzijdig uit alles wat bond en profliga is, maar dat heeft alleen met mijn tijdsbesteding te maken. anderhalve tot twee dagen op zeven wil ik met het voetbal bezig zijn, de rest met het bedrijf en de privé. Ik ben ook niet zo vaak op Oostende. Oostende komt vaker naar Oostkamp.

“Ik ben nog zoekende. Neem nu de bedrijfscultuur. In mijn bedrijf heb ik geregeld een Callant meets Callant-sessie, intern overleg. Aan het eind zit een blokje ‘vragen aan de CEO’. Ik stel mij daar kwetsbaar op, ik deel dingen, ik probeer verbinding te maken. Ik wil een waardegedreven verzekeringsmakelaar zijn, met een DNA, een bedrijfscultuur en wederzijds vertrouwen.

“In het voetbal merk ik veel onderling wantrouwen. De kracht ligt in de verbinding onder elkaar. Leiderschap begint met waarden en vertrouwen. Met Hugo Broos (technisch directeur, HV) en Gert Verheyen (trainer, HV) heb ik dat. Misschien komt de dag dat ik Gert Verheyen zal moeten ontslaan. Ik hoop eerder dat hij weggeplukt wordt omdat hij te goed is voor ons en dat zal dan ook pijn doen, maar ik zal meteen naar een Gert Verheyen bis op zoek gaan omdat ik het gevoel heb dat ik met hem waarden deel. Ik praat met Gert en Hugo zoals met mijn vrouw: in openheid en in vertrouwen.

“De tevredenheid binnen mijn bedrijf ligt boven de 80 procent. Dat zal ik in het voetbal met al zijn passanten wellicht nooit halen en toch ga ik proberen het met KV Oostende anders te doen en van deze club een mooie club te maken met mooie waarden en mooie mensen. Oké als dat moeilijk is in het voetbal, toch gaan we proberen beter te doen dan de rest.

“Ons DNA is gewijzigd. Wij halen geen sterren meer als Lombaerts of Proto. Wij rekruteren spelers die we kansen willen geven: jonge spelers tussen negentien en vierentwintig jaar in wie we geloven maar ook oudere spelers die we een nieuwe kans willen geven zoals Tom De Sutter.

“Dat in het voetbal de salarissen hoger liggen dan in de verzekeringswereld, daar heb ik op zich geen moeite mee omdat je twee sectoren niet mag vergelijken. Dat er te veel wordt betaald vergeleken met wat voetballers bijbrengen aan de maatschappij en er over het algemeen heel veel geld in voetbal omgaat, daar ben ik het wel mee eens. Alleen gaat KV Oostende dat niet veranderen.

“Wat ik kan doen, is mensen aantrekken van wie ik denk dat ze eerlijk zijn omdat anderen mij daarvan hebben kunnen overtuigen
en omdat ik een goed gevoel bij hen krijg. Wij hebben nu een scoutingcel opgezet, want die had KVO niet, met onder meer René Verheyen en Jos Volders. Ik verwacht dat ze met spelers komen die we minstens vier keer gaan volgen en als iemand neen zegt, gaan we die speler niet halen.

Snel een miljoentje op tafel

“KVO behoort tot de ploegen die één keer in de tien jaar in de problemen kunnen komen en zouden kunnen degraderen. Door ons hoge budget moeten we daar één keer in de twintig jaar kunnen van maken en tegelijk goed aanwerven en vooral ook een eigen vermogen opbouwen, zodat we bij een tegenslag ook meteen kunnen ingrijpen. Er zijn nu naast mij al drie andere aandeelhouders ingestapt en er komen er nog bij. Ook dat is een extra garantie bij een tegenslag. Vroeger legde Marc Coucke snel een miljoentje op tafel. We hebben Coucke opgedeeld in meerdere Coucketjes.

“Gelukkig zijn wij in mijn eerste seizoen gespaard van sportieve zorgen terwijl we een nieuwe ploeg bouwen. KV Oostende speelt van wedstrijd tot wedstrijd beter. We hebben tien transfers gedaan: vijf daarvan presteren, vijf minder. We hopen die vijf ook beter te zien worden.

“Met de stress valt het bij mij wel mee. Er is wel een dimensie aan het supporterschap toegevoegd: de impact van wat er op het veld gebeurt, is zo gigantisch dat je winst of verlies meteen in rekening brengt. Ook na verlies slaap ik goed. Zelfs na die 0-4 tegen Gent ben ik niet uitzonderlijk humeurig. Ik word daar niet vrolijk van, maar ik ga ook niet naar de kleedkamer. Ik kom alleen bij de spelers in overleg met de technische staf en dat is voor de wedstrijd, maar ook niet te vaak.

“Ik laat mij voetbal uitleggen. Tijdens de wedstrijd zit ik naast Hugo in de tribune en zegt hij wat hij ziet. Elke dinsdag zit ik samen met Gert en Hugo en analyseren zij de voorbije wedstrijd. Niet op restaurant, ook niet in Oostende, maar in Oostkamp op kantoor. Ik heb ook een welomlijnd idee van de rol die de voorzitter moet spelen. Spelers vakantie geven? (lacht) Neen, dat zal ik niet doen. Een voorzitter vult zijn functie in zoals hij dat zelf wil.

“Mijn mond is nog niet opengevallen. Ja, er is een bom ontploft en overal hoor ik: we wisten dat toch? Maar wat weten we nu? Ben jij van je stoel gevallen, neen toch? Ik volg het dossier alleen van lezen in de krant. Wij zijn ook geen betrokken partij en ik laat het komen zoals het komt, maar dat de voetbalwereld ziek is, daar moet je mij niet van overtuigen.

“Toen Cercle in 2015 thuis miraculeus in extremis verloor van KV Mechelen met 2-3 nadat het 2-0 had gestaan en het 2-1 wordt door een flagrant niet gefloten buitenspelgoal, was ik sponsor. Ik was toen niet in het stadion maar ik volgde het wel. Ik heb toen een sms’je gestuurd in de 89ste minuut, naar Cercle: proficiat. Echt waar. En nadien keert het nog allemaal. Buitenspel en een strafschop onder meer. Was dat gefikst? Ik durf dat niet zeggen, maar er zijn dingen naar boven gekomen waarvan ik denk: hoe kan je nu zo als mens door het leven gaan?

“Er gaat te veel geld om in het voetbal en vooral bij de makelaars. Zij bepalen waar de speler speelt. Ja, Coucke heeft 3,8 miljoen euro aan Didier Frenay gegeven als commissie. Had hij dat niet gedaan, dan ging Landry Dimata naar een andere club voor minder geld. Frenay was met een erg goedkope Dimata afgekomen en had 30 procent op de doorverkoop bedwongen.

Drie keer cashen

“Dat is een goede deal maar in de contracten die wij met de makelaars hebben afgesloten sinds ik aan het roer zit, staan dat soort clausules niet. Die vergoedingen staan niet in verhouding tot de prestaties die de makelaar levert, punt. Wij betalen ook geen procent meer op het contract van een speler die al weg is bij Oostende. Het is toch niet te geloven dat er makelaars zijn die het normaal vinden om drie keer te cashen op het contract van een speler: bij KVO waar hij al weg is, bij een andere club waar hij naartoe is gegaan en ook al weer weg, en dan nog eens bij een derde club.

“Volledige transparantie inzake transfers en de makelaarsvergoedingen en alles neergelegd bij een licentie of andere commissie, dat is de oplossing. Als land zullen we dan wel een uitzondering zijn en misschien zullen we dan wel eens een speler mislopen omdat de makelaar op een ander meer kan verdienen. Het is dan maar zo.

“Ik ben niet geschrokken. Ik heb vooral meer moeite met de waarden in het voetbal, of het gebrek eraan. Dat de mensen niet altijd eerlijk zijn. Ik mis authenticiteit in het voetbal. Als je met iemand uit het voetbal spreekt, moet je je altijd afvragen: wat bedoelt hij nu, wat heeft hij niet gezegd, die laat het achterste van zijn tong niet zien, ik krijg hier maar een half antwoord. Het wielermilieu is veel echter.

“Heb ik ooit tegen jou gezegd: het is de deal van mijn leven? Dat zou kunnen. Ik zie dat nu niet anders, eerder een beetje genuanceerder. Het is lastig, een voetbalclub in veilige wateren krijgen, maar ik heb geen schrik van lastige dingen. Ik heb drie ironmans uitgelopen, dan ben je fysiek en mentaal een volhouder.”

 

Peter Callant.DM24nov18

Column over vrouwen en schaken in De Morgen van zaterdag 24 november 2018

Herdersmat

Vandaag vindt in Londen de elfde partij plaats tussen de Amerikaanse uitdager Fabiano Caruana (26) en Magnus Carlsen (27) uit Noorwegen. De nummer één en twee op de ranking van de Fédération Internationale d’Échecs (FIDE) spelen om de wereldtitel schaken.

De stand na tien partijen is gelijk. Beide schakers ontsnapten al eens miraculeus aan een achterstand en er staan twaalf partijen gepland, de laatste maandag. Staat het dan nog gelijk, dan spelen ze vier tie breakers snelschaken waarbij de tijd om na te denken gehalveerd wordt. Is het dan nog gelijk, spelen ze nog eens vijf partijtjes blitzschaken en daarna nog een sudden death.

In de marge van dit WK schaken was er weer een en ander te doen rond de positie van de vrouw in het schaken en verschenen verhalen over het hoe en waarom vrouwen in de minst fysieke van de sporten er niet aan te pas komen. Zoals in de echte sport, waar de fysieke, zeg maar fysiologisch-hormonale verschillen tussen man en vrouw de discriminerende factoren zijn.

Geen enkele vrouw haalt de schaak-top honderd. Gelukkig hebben vrouwen zoals in het tennis, waar geen enkele vrouw de top duizend zou halen, ook een eigen klassering en daarin staat een Oekraïense op één en de Chinese Yifan Hou (23) op twee. Die was laatst in Nederland en werd daar geconfronteerd met de uitlating van grootmeester/schrijver Hein Donner, die in 1972 in een krant had gezegd dat vrouwen niet konden schaken. Maar we moesten dat normaal vinden want (citaat) “dat vrouwen ook niet kunnen schilderen of filosoferen en dat er eigenlijk nooit iets door een vrouw gemaakt of bedacht is dat de moeite van het kennismaken waard is”. (einde citaat)

Zijn dochter diende hem in 2015 – erg postuum want de man stierf in 1988 – van repliek op het NK schaken. Haar vader had daar ongetwijfeld bij vermeld dat ze er wel erg lang over had gedaan om te leren schaken, en dan nog niet goed genoeg was om aan dat NK deel te nemen, tenzij om te spreken ‘als dochter van’.

Nu goed. Vrouwen kunnen wel schaken, zei Marian Donner. Vrouwen kunnen zelfs zeer goed schaken, stond onlangs in een opiniestuk in The Guardian. Natuurlijk kunnen vrouwen zeer goed schaken. De meeste vrouwen die kunnen schaken zullen dat beter kunnen dan ik, maar dit stukje gaat niet over wie weet hoe de stukken moeten worden verzet, maar over het alleruiterste uiteinde van de gausscurve met topschakers en daar zitten alleen mannen.

De beste schaakster ooit, de Hongaarse Judith Polgar, stond heel even tiende. Dat was in 2003 en op grond daarvan mocht ze meedoen aan het FIDE-WK-toernooi. Ze werd laatste. Nigel Short, ook een topper, zei onlangs: “Vrouwen hebben geen killerinstinct en kunnen niet parkeren, dat komt door hun genen. Ze moeten zich er maar bij neerleggen dat ze ook niet kunnen schaken.”

Natuurlijk kunnen vrouwen schaken en zelfs goed schaken, zeker ook excellent schaken, maar aan de top niet zo goed als de mannen en waar zou dat nu aan liggen? Is het de biologie? Of is het de sociologie? Is het nature? Of is het nurture? Zijn vrouwen niet hardwired of geprogrammeerd voor schaken zoals Nigel Short concludeerde of komt het omdat vrouwen gewoon met veel minder zijn om te schaken en daardoor minder vertegenwoordigd, zoals de vrouwen willen geloven.

Dat laatste argument is een zwaktebod want het geldt voor alle topsport en wellicht nog het minst voor schaken, dat veel toegankelijker is dan fysieke sporten. In geen enkele andere sport behalve schaken heeft een vrouw ooit de top tien gehaald.

Als het om het niveauverschil tussen mannen en vrouwen gaat, worden wel meer achterhaalde dooddoeners gebruikt. Zo zijn er nog steeds vrouwen die artikels en zelfs boeken schrijven over ‘de mythe van het testosteron’ en dat de sportende vrouw de man zal kloppen, de dag dat ze zich van dat hormonaal complex kan ontdoen. Dat opschrijven is één, en werkt ongetwijfeld therapeutisch, maar dat ook publiceren komt aardig in de buurt van het licht van de zon ontkennen.

Natuurlijk is de vrouw hormonaal anders en dus minder dan de man als het om topsport gaat. Dat is niet te verwonderen, want
sport en daarvan afgeleid topsport is een tijdverdrijf dat de dominante man heeft uitgevonden om zich te amuseren volgens zijn voorgeprogrammeerdheid. Had de vrouw de macht gehad, dan zagen sport en spel er heel anders uit, was de vrouw misschien beter dan de man omdat sport en spel zou focussen op andere kwaliteiten. Welke, kan ik met mijn eng mannelijk brein niet direct verzinnen, maar ze bestaan ongetwijfeld.

De vraag is of analytisch en strategisch denken – en nu komen we weer bij topschaken – misschien ook een typisch mannelijke eigenschap is. Daar lijkt het op en dat heeft echt niks te maken met vermeend biologisch reductionisme maar alles met wetenschap: testosteron speelt een rol in strategische planning, cognitief gedrag, alertheid en geheugen, zeggen studies.

Is dat nu allemaal zo belangrijk? Wel neen, natuurlijk niet. Bovendien zijn er ook dingen die de meeste vrouwen veel beter kunnen dan de meeste mannen, alleen schiet mij nu even niet iets te binnen.

 

Herdersmat

Column Oranjelief in De Morgen van maandag 19 november 2018

Oranjelief

 

Retour sur terre, blokletterde L’Equipe zaterdagochtend.
De Volkskrant was sereen: “Oranje dompelt Kuip in pril geluk … alsof een nieuwe geliefde zich heeft aangediend.”

In het Algemeen Dagblad, in een blokje onderaan links op de één gemoffeld, alsof ze het niet hadden verwacht: “Opwindend Oranje vloert wereldkampioen” en binnenin “Oranje telt weer mee in Europa”.

De Telegraaf, in een blokje bovenaan rechts: “Oranje overklast wereldkampioen”.

Het was geen nieuwe geliefde die zich aandiende vrijdagavond. Het was de grote liefde van je leven, even on hold gezet omdat de geliefde rare dingen had gedaan waar je even niet bij kon, maar die, toen ze in volle glorie aan je verscheen, je weer instant deed smelten.

Na de les fietsherstelling wilde ik volkomen hersenloos bij een stukje oude vlaskaas ‘The Voice for Kids’ bekijken maar in de reclame – reclames van zeven minuten zijn geen blokjes meer maar hele reclamebomen – zapte ik weg en zag tot mijn stomme verbazing dat Nederland speelde en ook nog eens op de NOS. Ooit was er een tijd dat ik dagen op voorhand uitkeek naar een wedstrijd van Oranje en de media er op voorhand op naploos.

Na de World Cup van 2014 was dat weg. De rechten zaten toen ook al lang ergens bij een commerciële zender die je illegaal moest streamen op zo’n kutschermpje en het voetbal was dan ook al lang niet meer om aan te zien. Dus: fuck off Holland. Het verbaasde mij tegelijk hoe Nederland precies in een periode van hoogconjunctuur als kleinste grote sportland er maar niet in slaagde dat mythische voetbalelftal weer aan de praat te krijgen.

Nu moeten we ook niet overdrijven met die Nederlandse dip en die Belgische euforie. De Rode Duivels hebben de laatste vijftig jaar één vierde (1986) en één derde plaats (deze zomer) behaald op de World Cup en vertoeven nu op een wolk. Nederland heeft sinds 1974 drie finales gespeeld en een derde en een vierde plaats behaald. Die laatste finale was in 2010 en de laatste halve finale in 2014, weze het met onhollands voetbal.

In het Grote Geschiedenisboek van het Voetbal is Oranje het beste team dat nooit iets won. Oké, de Europese titel dertig jaar geleden, die wel. Toen met alle geluk waar het hen in de andere grote toernooien op beslissende momenten aan had ontbroken. Maar wel verdiend.

Dus geen ‘The Voice for Kids’, dan maar de huiskamersfeer verknald en Nederland-Frankrijk laten staan, beroepend op de dooddoener “het is wel mijn werk, hoor”. De intensiteit droop van het scherm. Dat liep en dat vlamde, dat combineerde en attaqueerde. Niet de Fransen. Wat dat betreft had De Volkskrant gelijk, het was mak. En Paul Pogba ontbrak, maar het is hoogst twijfelachtig dat hij de zaak had kunnen keren.

Wat overigens opviel, en dat moet Martínez doen knarsetanden, is dat de Fransen fysiek onder lagen bij de Nederlanders. Oranje heeft ook in het verleden al wel eens fysiek gespeeld en moest toen de toevlucht nemen tot hard en soms gemeen spel – dat waren de Khalid Boulahrouz- en Nigel de Jong-jaren – maar deze fysieke slag werd gewonnen op basis van hoge druk, correcte tussenkomsten, snelheid van uitvoering en bijzonder gevarieerd aanvalsspel. Negen fouten tegen veertien voor Frankrijk, één geel tegen vier voor de Fransen, zestig procent balbezit, twaalf shots on target tegenover twee en meer en zuiverder passing.

Omgekeerd, omdat de wedstrijd al was begonnen, moest ik even zoeken naar Kylian Mbappé, de TGV die iedereen altijd het nakijken geeft. Of die wel meedeed. Hij deed mee, maar niet echt. Eerst zeilde die zo’n beetje rechts om Danny Blind er af te lopen – dat had op halve snelheid al tien meter gescheeld op een rak van twintig – maar daar kwam hij niet eens aan toe. Halfweg de tweede helft ging hij meer zwerven, maar kwam daar Matthijs de Ligt (negentien jaar) of Denzel Dumfries tegen.

Nederland toonde hoe je Frankrijk moet aanpakken en al is de ene wedstrijd de andere niet en het ene toernooi ook het andere niet, meerdere voetbalkenners die er veel meer van kennen dan ik menen dat die halve finale op de World Cup in Rusland niet door Frankrijk is gewonnen, maar wel degelijk door België is verloren, precies omdat het is meegegaan in het Franse controlevoetbal.

Dat is wat Nederland nu net niet deed: die gingen er van minuut één vol voor en speelden de Fransen in de tweede helft zelfs helemaal zoek. Stond Hugo Lloris niet als een octopus te keepen, dan was het 5-0 geworden. De 3-0 van Nederland tegen Duitsland half oktober was overdreven. Alles zat toen mee en bij de Duitsers zat alles tegen. 0-3 had ook gekund in die knotsgekke wedstrijd, maar het werd 3-0. Ook de vriendschappelijke interland tegen België (1-1), drie dagen na de euforie tegen Duitsland, was geen echte maatstaf omdat er maar één helft echt werd gevoetbald.

Is mijn oude liefde Oranje terug? Met dat lief weet je nooit. Voor je het weet, loopt ze weer arrogant naast de schoenen en schreeuwt het van de daken hoe mooi en bijzonder ze wel is. Vanavond in Gelsenkirchen volstaat een gelijkspel in en tegen Duitsland. Die hebben nog een eitje te pellen met Die Holländer. Bild kopte zaterdag: Holland macht uns zum Absteiger, Holland maakt ons tot degradant.

Ik tik dit stukje voor de uitslag van Zwitserland-België bekend is. Als België en Nederland doen wat ze minimaal moeten doen – gelijkspelen – krijgen we in juni van volgend jaar mits de loting mee wil de eerste derby der lage landen in twintig jaar die ergens om gaat.

(Naschrift: inmiddels is bekend dat België in Zwitserland is ‘gestruikeld’ dus geen DDLL.)

Oranjelief-mail