Column over Nations League in De Morgen van zaterdag 8 sep 2018

Nations League

Waarom ik niet warm ben geworden van die maand in Rusland, tijdens de voorbije worldcup, is niet helemaal duidelijk. Tenslotte was de derde plaats van de Rode Duivels historisch, althans binnen de context voetbal. Het kan aan het logies hebben gelegen. Misschien lag het aan het land. Wellicht ook aan de journalistiek die daar moest worden bedreven.

Speler 1 dient zich aan op de persconferentie. Krijgt vragen. Antwoord: meu. Speler 2 komt. Krijgt vragen: meu. Dan komt de coach. Krijgt twee keer zoveel vragen en antwoordt: meu, meu. Dat alles nadat de pers welkom was om de intrede op het oefenveld en de opwarming vijftien minuten lang te volgen. Vervolgens houden de mooie jongens van de tv stand-ups en zeggen: meu, meu, meu.

Misschien was dit een beetje een lange intro om u mee te delen dat ik het heb geprobeerd, maar dat het weer niet is gelukt: warm worden. Deze keer van de Nations League, die helemaal nergens om gaat, toch niet als je België bent. Tenzij we ons niet gewoon kunnen plaatsen voor het EK van 2020, dát zou pas een verhaal zijn.

Let nu goed op, want het wordt een beetje ingewikkeld. Er worden de volgende maanden twee Europese competities door elkaar gespeeld: die Nations League en vanaf de nieuwe lente beginnen ook de kwalificaties voor het EK 2020. Daar doen 55 landen aan mee, net als aan de Nations League.

De Nations League heeft de 55 onderverdeeld in zeer goede voetballanden (divisie A), goede, minder goede en slechte (divisie D). Alleen de twaalf landen uit divisie A (waaronder België) kunnen de Nations League winnen. De rest doet mee om te promoveren of te zakken. Zo zakken de vier slechtste van divisie A naar B en de vier beste van B gaan volgend jaar naar A.

O ja, ook dat nog: elke divisie is onderverdeeld in vier groepen. België speelt in zijn groep twee keer (uit en thuis) tegen IJsland en Zwitserland. De winnaars van de vier groepen van divisie A spelen in juni van volgend jaar in een final four om de eindwinst en die levert niks op, behalve geld voor de bond (en dus voor de spelers).

Met die groepsfase zijn we al klaar in november van dit jaar en in maart van 2019 gaat alweer de kwalificatie voor het EK van start en die duurt tot maart 2020. Nu wordt het helemaal ingewikkeld: twintig landen kunnen zich hiervoor plaatsen en wie daar niet is in gelukt en toch goed zijn best heeft gedaan in de Nations League (dat is wat kort door de bocht, op Wikipedia vindt u de hele uitleg) mag nog eens een gooi doen naar de resterende vier EK-tickets in de Nations League play-offs, die in maart 2020 worden gespeeld.

“Wij willen de Nations League winnen”, zei recordinternational Jan Vertonghen van de week. Dat is de meu waar ik het over had. Eigenlijk had hij willen zeggen: “Zijn ze gek geworden, nóg een toernooi met inzet erbij, worden we al niet genoeg belast?” En nog: “Als we niet oppassen en we winnen te veel, mogen we nog eens in juni opdraven voor een stage en die final four, waar we niet eens het beleg op onze boterham mee verdienen.”

De Nations League is een amechtige poging van de Europese voetbalbond UEFA om grip te krijgen op een serie vriendschappelijke landenwedstrijden waar ze tot nog toe zelf niet beter van werd. Mooi meegenomen: de Nations League is een tegenzet tegen de FIFA, die vindt dat één WK elke vier jaar niet volstaat en denkt aan formules voor meer mondiaal interlandvoetbal, waar zij beter van worden. Niet onbelangrijk misschien, van de Nations League worden de voetballers niet beter.

Gezapige oefenpartijtjes tussen twee landen die afspraken maken over hoeveel spelers ze zullen wisselen (en soms hoeveel goals er mogen vallen) zijn nu vervangen door wedstrijden met inzet, weze het dan voor kruimels. Coaches zullen die willen winnen omdat ze daarop worden afgerekend, en daarom zullen coaches ook niet onvoorbereid aan de start willen komen. Dat kon je donderdag al zien bij Duitsland-Frankrijk: saai, gesloten voetbal. Löw mag niet meer en Deschamps wil nooit meer verliezen in een wedstrijd met inzet. Dus: 0-0.

Neem nu de Rode Duivels. Behalve vier keer tegen Zwitserland en IJsland deze herfst in die Nations League spelen ze ook nog
eens vriendschappelijk tegen Nederland in oktober. En omdat Roberto Martínez graag nog eens een troepenschouw hield voor die levensbelangrijke maar bepaald onzinnige Nations League, die dinsdag voor de Rode Duivels van start gaat met IJsland-België, werd gisteren vriendschappelijk gevoetbald in Schotland. Verliezen was geen optie. En zo houdt het nooit op.

 

 

Nations League

Interview Robert Martínez in De Morgen van vrijdag 7 sep 2018

 

‘Wij willen geen one time wonder zijn’

Een aardige man, die er ook nog wat van kan. Dat is bondscoach Roberto Martínez meer dan ooit, ook na het succes van de worldcup, ook na de zeldzame kritische vragen aan het eind van een slopende interviewdag.

Zelfs de Japanners waren geland op de mediadag die er geen was. Het was een concentratie van allerlei interviewaanvragen op zijn verzoek. De korte pijn als het ware, zoals je naar het ziekenhuis gaat voor een resem onderzoeken, de ene na de andere, zo kwam Roberto Martínez (45) die vrijdag naar het oefencentrum in Tubeke.

De Japanners, die wilden alles weten over die laatste dramatische seconden van België-Japan. Over the fourteen seconds that shocked Japan, aldus hun journalist: opgezet door Courtois en De Bruyne, voortgezet door Meunier, afgewerkt door Lukaku en Chadli. Het doelpunt dat de worldcup voor België verder zou bepalen, is de officiële lezing.

De officieuze is: in geen honderd jaar valt die kaars van Jan Vertonghen nog eens over het hoofd van Eiji Kawashima binnen. Dat was bij een desastreuze 0-2 en bij verlies was België in de achtste finales gesneuveld, waarmee het slechter had gedaan dan in Brazilië vier jaar eerder.

Roberto Martínez: “Het doelpunt van Jan was een onmogelijke goal, maar het tweede doelpunt van de Japanner, van Takashi Inui, was dat evenzeer. Dat wij een bal op de paal hadden, dat wij als enige ploeg sinds 1966 een 0-2-achterstand hebben opgehaald, dat wij dat deden met twee wisselspelers die scoorden, dat we ons derde doelpunt scoorden met dank aan het hele team, te beginnen bij een aanvallende doelman die weet wat onze kwaliteiten zijn, dát is voor mij België-Japan. Ja, we hadden wat geluk nodig om te winnen. En dan nog?”

Tegen Brazilië had u weer het geluk aan uw kant. Dat het geen 1-0 stond na vijf minuten met die bal op de paal.

(blaast en schudt het hoofd) “Zij hadden geluk dat het geen 3-0 voor ons stond na een halfuur. Wij hadden meer kans op die 3-0 toen het al 2-0 stond voor ons. Dat ze 25 keer op doel schoten en wij 11? Met statistieken kun je alles bewijzen. Sergio Busquets had vorig jaar 6 assists: 6 keer de bal naar Messi, die er dan 6 dribbelde en scoorde. Dat kun jij ook.

“Wij hadden in de halve finale meer balbezit tegen Frankrijk nadat ze hadden gescoord, omdat zij dat toestonden. Dat de Brazilianen acht keer tussen de palen schoten en wij maar drie keer, neen, dat zegt mij ook niks. Je moet shots on target differentiëren: was het een echt open shot of lagen er zes man tussen de bal en het doel?”

Agree to disagree, dan maar. Alle credits wel: jullie zijn het geluk gaan zoeken en hebben het gevonden.

“Juist. Maar zo gelukkig was het ook weer niet: iedereen reageerde volgens plan en het plan werkte.” Wat ging er dan mis met het plan in de halve finale tegen Frankrijk?

“Er ging niks mis. Dit was typisch voetbal, waarin de ploeg die het eerste scoort de wedstrijd ook gewoon wint. Ik heb de wedstrijd nadien vier keer teruggezien en ik blijf bij dat standpunt. Recent heb ik niet meer gekeken. Ik kijk alleen functioneel. Die vier keer was om de wedstrijd tegen Engeland voor te bereiden. Wat ik heb gezien? Dat we het eerste kwartier de Fransen achteruit drongen, dat ze heel veel respect hadden voor ons en dat we twee kansen hadden om zelf te scoren.”

Frankrijk was de enige ploeg die zijn spel heeft kunnen opdringen aan de Rode Duivels.

“Ook daar ben ik het niet mee eens. Het waren twee ploegen met gelijkaardige kwaliteiten en dan hangt het van details af. Iedereen heeft gedaan wat hij kon en alles verliep volgens plan. Wat ze wel goed hebben gedaan, de Fransen, was vechten om de wedstrijd dood te maken. Die grinta hadden ze nog op overschot van hun verloren finale tegen Portugal op het EK in 2016.”

Bepaald impressionant was de verbetenheid waarmee uw ploeg die bronzen medaille ging halen.

“Ik denk dat we in maart de basis hebben gelegd voor de goesting en de frisheid die aan het eind van het toernooi overbleven. We hebben onze zwaarst belaste spelers rust gegeven en we hebben de voorbereiding op het WK hier in Tubeke gehouden. Iedereen kon elke avond na het werk naar huis. In Rusland hebben we de families geregeld ingevlogen zodat ze nooit langer dan negen dagen zonder hun vrouw of kinderen waren. Dat, en het besef dat ze toch iets unieks konden presteren: beter doen dan de vierde plaats van 1986. Ik heb geen peptalk moeten houden, het kwam vanzelf.”

De perceptie die u achtervolgde vanuit Engeland was deze: aardige man, speelt leuk voetbal, jullie zullen veel goals zien, jammer genoeg ook aan de verkeerde kant.

“Weet je, na zeven jaar in de Premier League en 260 wedstrijden ben je wel gewoon dat er van alles over jou verschijnt. Ik voel geen behoefte om daar tegenin te gaan, omdat het niks uithaalt en omdat ik dit vak niet doe om mij te bewijzen. Ik ben niet egocentrisch: het enige wat ik wil, is talent binnen een juist teamkader laten renderen. De dag dat ze in voetbal zeggen hoe goed je wel bent, is het wachten op de dag dat je hoort dat je er niks van kunt. En omgekeerd.”

Volgde u de media tijdens het WK?

“Als het om de inhoud ging, werd mij weleens wat voorgehouden. Stefan (Van Loock, perschef en bij het interview aanwezig, HVDW) was de beste perschef van het WK.”

Wij zijn een land van twijfelaars, maar neem ons dat eens kwalijk na al die jaren van belabberde sportresultaten.

“Dat van die twijfel had ik al meegekregen en heb ik snel ondervonden: we gingen in Griekenland winnen, maar de eerste vraag ging over die ene slechte speelhelft. En in Bosnië wonnen we ook, met 3-4, maar ging het vooral over drie goals die we tegen hadden gekregen.

“Aan deze generatie en haar talent mag niet worden getwijfeld. Wie dat nu nog doet, heeft een probleem. Jullie van de media hebben de keuze: believers worden in waar we mee bezig zijn – en zo de volgende generatie inspireren voor grootse prestaties – of blijven doemdenken dat het slechtste nog moet komen.”

Is uw leven veranderd, nu u zo succesvol was op het wereldtoneel?

“Er zijn wat meer mensen die mij herkennen op straat en die mij komen feliciteren, vooral dan met de wedstrijd tegen Brazilië. Wij waren dé ploeg van de neutrale kijker. Wie geen team meer had op het WK koos voor België. De worldcup is 3 miljard kijkers, 7,5 miljard interacties op sociale media en 500 miljoen huishoudens die ons hebben zien winnen van Brazilië. Dat is wat en wat mij het meest pleziert, is dat mensen kozen voor ons omdat we moedig en aanvallend speelden.”

Waarom blijft u in België?

“Omdat ik mij heb geëngageerd om te blijven. Geïnteresseerden moeten zich nu wenden tot de voetbalbond. Waarom ik niet bij voorbaat neen zeg tegen een aanbieding? Dat is niet aan de orde, maar ik weet wel dit: als ik drie wedstrijden verlies, lig ik misschien buiten.”

U hebt meer krediet dan drie missers.

“Dat is goed om te horen.” (lacht)

Uw grootste verwezenlijkingen waren, niet in volgorde van belang, geen lekken, geen woord over Nainggolan, noch over het samenspel tussen De Bruyne en Hazard en we zijn verder geraakt dan de kwartfinale.

“Dat vind ik een hele mooie samenvatting, maar dat is ook de realiteit. Kleur, religie, opinie over hoe voetbal wordt gespeeld, we hebben het allemaal in één ploeg met één doel kunnen onderbrengen en we hebben gepresteerd. Of ik een betere coach ben dan een trainer? Ik ben soms meer coach, soms meer trainer, soms meer tacticus. Ik denk dat een moderne voetbaltrainer alles een beetje moet kunnen toepassen naargelang de gelegenheid.”

U hebt de voetballers-nv’s in een joint venture kunnen laten functioneren.

“Dat is een andere manier om het te stellen. Veel landen op de worldcup waren geen teams, dat kon je zo zien. Wij wel en dat hebben we toch te danken aan de aanpak van de spelers. Ik blijf erbij dat het geografisch voordeel van België, die compactheid, een rol heeft gespeeld. De rust bij de spelers, die telkens naar huis konden, was enorm.

“Wat die nv’tjes betreft, ik heb dat zien komen. Tien jaar geleden, toen ik begon te coachen, had een speler een zaakwaarnemer. Nu draaien er rond die toppers minimaal zes man. Dat betekent zes ongelukkigen als de speler niet mag spelen en vermenigvuldig dat nog eens met de families. Het pleit echt voor onze spelers dat ze altijd het hogere doel, de ploeg, hebben vooropgesteld.”

Er wacht u nog een mooie uitdaging: zorgen dat Romelu Lukaku ophoudt met zijn aandachtzoekerij.

“Neen, daar ga ik niet in mee. Het enige wat Romelu hiermee bewijst, is zijn authenticiteit. Hij is triest dat we niet hebben gewonnen, laat hem maar zeggen dat hij misschien over twee jaar stopt met de nationale ploeg. Het maakt niet uit of hij dat meent of misschien wat anders bedoelt – ik vermoed het wel, maar ik weet het niet zeker. Ik wil hem zo betrokken zien geraken bij de nationale ploeg dat hij ook nog na 2020 blijft.

“Romelu moet scoren en scoort hij niet, dan ziet men hem als lui. Dat klopt niet. Neem dat derde doelpunt tegen Japan: hij trekt twee keer de verdediger weg en de tweede keer laat hij ook nog eens de bal door. Hij heeft geen bal geraakt, maar hij was bepalend.”

U hebt in één toernooi de hele perceptie rond de Rode Duivels omgegooid: een traditioneel saai team werd een van de spannendste en mooiste ploegen.

“Of ik daarmee een gamechanger ben, moet nog blijken. We kunnen het niet bij deze ene prestatie laten en vanavond vriendschappelijk verliezen van Schotland en gelijkspelen voor de Nations League tegen IJsland. De lat ligt hoger dan ooit, we moeten daarmee aan de slag en we kunnen ons niet veroorloven een one time wonder te zijn.

“Er is nog meer nodig om het tot mijn erfenis te maken. We hebben nu een prestatiecultuur in het voetbal en we weten wat winnen is. Het bestendigen van die win-cultuur en op grote toernooien aanwezig zijn is het voornaamste doel.”

Tot slot: het was brons met een gouden randje, maar de viering was overdone. Typisch voor de kleindenkende Belgische sportcultuur, niet gewend om een prijsje te pakken.

“Ik zou deze opmerking snappen als er iets kunstmatigs aan die viering was, zoals Barcelona en Real Madrid, die elkaar willen overtreffen in het op de been brengen van mensen. Dit was echt. Je had op onze bus moeten staan en je had de gezichten moeten

zien van die kinderen die langs de weg stonden, hoe ze opkeken naar Thibaut, Eden, Kevin en al die anderen. Die blijdschap was oprecht.

“Dit was de viering van een ploeg die 0-2 achterstaat en in de laatste minuut een heel veld overloopt en met een halve ploeg in de box verschijnt om de 3-2 te maken. Dezelfde ploeg die na een halfuur met 2-0 voorstaat en Brazilië verslaat. Wat de mensen vooral hebben willen vieren, is de manier waarop we ons door dat toernooi hebben geknokt. Als je niet eens de beste prestatie ooit op een worldcup met het koningshuis en daarna met de fans mag vieren, wanneer dan wel?”

De eerste wedstrijd thuis is op 12 oktober tegen Zwitserland voor de Nations League. Loopt het daar niet naar wens…

“… dan wordt er gefloten. Niet erg. Als dat alleen in België zou zijn, zou ik mij zorgen maken. Maar dat heb je overal, zelfs in Bernabéu voor Real Madrid. Dat is voetbal.”

Bent u na bijna twee jaar al een beetje meer Belg?

(lacht) “Ik voel mij al Belg hoor. Ik woon hier en ik heb zo’n kaartje. Geen identiteitskaart, neen, maar ik mag hier belastingen betalen en dan ben je automatisch aanvaard.”

 

DE UITVERKORENE

Chris Van Puyvelde is technisch directeur van de Koninklijke Belgische Voetbalbond en de eerste baas van Roberto Martínez. Hij is lovend over de bondscoach.

Al in maart van dit jaar sprak Van Puyvelde de gevleugelde woorden “we zouden Martínez moeten kunnen verlengen” en werd daarvoor gekapitteld in de media omdat het leek alsof hij voor zijn beurt sprak.

Enkele maanden later was het zover. Nog voor de voorbereiding van de worldcup van start ging, tekende Martínez bij tot 2020. Van Puyvelde was een blij man en werd tijdens het WK nog blijer, al was er die ene wedstrijd waarbij de grond onder zijn voeten leek weg te zakken. “Tegen Japan heb ik bij 0-2 een kwartier lang al ons werk van de voorbije twee jaar zien passeren en vroeg ik mij af of het dan echt allemaal voor niks was geweest. En toen kwam de kentering, met de gelijkmakers en de derde goal.”

“We hadden na Marc Wilmots een profiel opgesteld, Mehdi Bayat, Bart Verhaeghe en ik, en daar stonden een aantal dingen in waar we niet wilden van afwijken. Uiteraard moest de nieuwe bondscoach tactisch van wanten weten, dat spreekt vanzelf. Al iets minder logisch was dat we ook verwachtten dat hij zich integreerde in het Belgisch voetbal, dus dat hij hier kwam wonen en ons voetbal leerde kennen. En nóg minder logisch was onze eis om zich ook te integreren in de bondswerking.

“Martínez heeft meer gegeven dan we hem hebben gevraagd. Hij is wekelijks op onze velden te zien, opende zelfs een nieuw veldje bij een provincialer, gaat praten als we hem dat vragen en is bij elke vergadering met trainers als het enigszins kan. Vraag aan het personeel van de bond hoe goed hij hen kent en omgekeerd. Hij kent iedereen bij naam en is echt geïnteresseerd in onze werking.

“Ook tijdens de worldcup heeft hij de staf optimaal aangestuurd. Ik kan niet zeggen of hij een betere coach, dan wel een betere trainer of betere tacticus is. Hij is van alles en hij is bezeten van het voetbal. Praat met hem over tactiek en je oren tuiten. Hij heeft ook oefenstof te koop, weet met verschillende karakters om te gaan en heeft een heel gedurfde visie op voetbal.”

20180907_De-Morgen_p-22-23-mail

Column Hofleverancier uit Slowakije in De Morgen van zaterdag 1 sep 2018

De hofleverancier uit Slowakije

Een Engelse voetballer die in Engeland niet aan de bak kwam, en ook niet in Nederland, en die hartproblemen heeft (gehad), is door Royal Sporting Coucke Anderlecht in de Slowaakse solden op de kop getikt voor 400.000 euro. Toegegeven, kort door de bocht en een beetje onrespectvol voor de speler in kwestie, maar met de aangehaalde feiten is niks mis.

Waar is de tijd dat Emmanuel Sanon, de sensatie van het WK 1974, nadien lekker voor Beerschot kwam voetballen en dat twee van de beste spelers van het beste voetballand van de jaren 70 gewoon in België speelden?

Voor de jongere collega’s: de Haïtiaan Sanon scoorde op dat WK tegen Argentinië en tegen Italië, waarmee hij het legendarisch record van Dino Zoff van 1.142 minuten zonder tegengoal aan flarden schoot. En die Nederlandse dubbele vicewereldkampioenen heetten Arie Haan en Rob Rensenbrink, respectievelijk tussen 1975 en 1983 en tussen 1969 en 1980 te bewonderen in België bij Anderlecht en Standard (Haan) of Club Brugge en Anderlecht (Rensenbrink).

Waar die tijd is? Die tijd is voorbij. Voor eeuwig en altijd. En al langer dan vandaag. Toen hadden sommige clubs maximaal drie buitenlanders in hun basiself staan, vandaag nog gemiddeld drie Belgen.

Gisteren sloot de transfermarkt in België voor inkomende spelers en van de week hebben Belgische clubs nog snel inkopen gedaan. Behalve de overgang van Timothy Derijck van Zulte Waregem naar KAA Gent, betrof het bijna onveranderlijk buitenlanders die instroomden of die binnen België van club veranderden.

Even wat namen: Leon Bailey, Moses Simon, Haris Hajradinovic, Wesley Moraes, Ibrahim Rabiu, Kingsley Madu, Aliko Bala, Samuel Kalu, Rangelo Janga, James Lawrence en Philip Azango. En dan een quizvraag: wat hebben deze spelers gemeen?

Neen, niet dat ze zwart zijn, want Hajradinovic was een hele bleke (ook als speler, maar dat is een ander verhaal) en Lawrence is een Engelsman met rasecht eiland-DNA. Ook niet hun nationaliteit. Juist: de club van herkomst, AS Trencin. Een subtopper in Slowakije met als eigenaar de Nederlander Tscheu la Ling, een sierlijke winger bij Ajax en Oranje in de jaren 80.

De eerste die van Trencin overkwam, was meteen de beste: Leon Bailey, het egootje uit Jamaica, dat van Racing Genk naar Bayer Leverkusen verhuisde voor 13,5 miljoen euro. Hij was de duurste van alle Trencinners maar heeft het meest opgebracht want hij werd gekocht voor tien keer minder. Bailey kwam officieel pas in augustus 2015 in Genk aan, maar eind 2014 was het al duidelijk dat hij die richting uit zou komen. Hij was daar eerder al gepasseerd maar kon niet blijven omdat hij te jong was. In het dossier-Bailey zijn de grenzen van het wettelijke opgezocht en/of opgerekt, laten we het daarop houden.

Begin 2015 landde ook ene Moses Simon in Gent. Om juist te zijn in Spanje, waar Gent op trainingskamp was en hij op het veldje van La Nucia vriend en vijand verbaasde met zijn kwiekheid en passeerbewegingen. Hij zou mee Gent kampioen maken. Simon was niet zo duur als Bailey, maar bracht ook niet zoveel op. Gent had voor Simon in 2015 10 miljoen en meer kunnen krijgen, maar wilde het dubbele. Ze hebben hem deze zomer verkocht voor minder dan de helft. Timing is everything in voetbal: voor de goal én op de kamelenmarkt.

Wesley Moraes van Club Brugge is een Braziliaan, maar komt ook uit Slowakije vandaan. Die moet nog opbrengen en dat zou weleens meer kunnen zijn dan Bailey als hij nog wat vorderingen maakt. Al bij al zullen Belgische clubs tussen januari 2015 en augustus 2018, dat is drieënhalf seizoen, een heel Trencin-elftal hebben getransfereerd.

De hofleverancier uit Slowakije heeft een geprefereerde afnemer: de Koninklijke Atletiek Associatie uit Gent. Azango is de zesde Trencin-speler die in Gent neerstrijkt. Voor de eerste vijf Trencin-spelers heeft Gent 4,15 miljoen neergeteld, als we de kranten en de site Transfermarkt mogen geloven. Die vijf, van wie twee miskleunen, zijn al allemaal weer weg en hebben volgens dezelfde bronnen bij de verkoop 17,1 miljoen opgebracht.

Dat is het Trencin-model ten voeten uit: goedkoop of gratis halen, opleiden en doorverkopen. En dat is ook het Belgisch model: niet al te duur halen en zo duur mogelijk doorverkopen, waarbij Trencin en uiteraard nog wat figuren in de coulissen een stukje van de koek krijgen. Maar van de kleine lettertjes over wie meeprofiteert van transfers mogen wij doorgaans het fijne niet weten.

Ik begrijp de Belgische clubs niet. Als je ziet welke spelers ze zelf gaan halen voor gruwelijk veel geld en soms moeten afserveren met verlies, is het vrij duidelijk dat de meeste clubs niet al te best zijn uitgerust om talent op te sporen, en laat dat een understatement zijn. Trencin heeft dat netwerk blijkbaar wel.

Tip aan de Belgische clubs: stop met spelers van Trencin te kopen, maar haal er de hele scoutingstaf en wat van hun opleiders weg. Waarom niet de hele club kopen? Een duurdere investering dan een speler, maar wel een die lang rendeert. Tel uit je geld: een handvol kraaltjes voor de lokale Afrikaanse voetbalvoorzitter en je bent zelf eigenaar van het nieuwe zwarte goud, zonder tussenpersoon of Slowaaks tussenstation.

 

 

20180901_De-Morgen_p-18-19-2-mail

Column over indicatieve tabel in De Morgen van maandag 28 augustus 2018

Pappen, nathouden, aanmodderen

Weet u wie nu ongelooflijk baalt na zaterdag? Laurent Denis. Hij heet een topadvocaat te zijn, maar hij kon niet beletten dat Christophe Diedhiou van Moeskroen eind juli vier speeldagen schorsing aan zijn broek kreeg voor een rode kaart. Bij die zitting lag de veelbesproken indicatieve tabel ook al op tafel. Geen Waalse haan die er toen naar kraaide.

Jammer voor Moeskroen en Diedhiou, maar Laurent Denis was vergeten te checken of die was goedgekeurd van Oostende tot Virton en van Doornik tot Maasmechelen en of daarbij de juiste werkwijze was gevolgd. Hij pleitte geen procedure, maar de inhoud en wie doet dat nu nog? Hij pleitte klassiek: dat het allemaal zo niet was bedoeld en dat het veel erger leek dan het wel was en dat zijn cliënt een engel was op en naast het veld en veel blablabla.

Hij haalde zijn slag niet thuis. De strafmaat, weet u wel: zo’n overtreding, zo’n straf, geen willekeur meer.

Bij Standard waren ze slimmer. Daar hadden ze geen zin om Mehdi Carcela te missen. Hij was nu net terug in het nest en het was nog wel zo’n brave jongen en die schorsing van drie speeldagen volgens de nieuwe tabel was overdreven. Standard wist dat er procedureel iets te rapen viel. Onder meer omdat hun voorzitter als enige de tabel niet had goedgekeurd per mail, zoals half augustus was gevraagd door de nieuwe Profliga-voorzitter Marc Coucke. Wat overigens niets te betekenen had, want er bestaat geen vetorecht in de Profliga.

Eigenlijk was die tabel er wel, goedgekeurd en al, en verschenen in Sportleven. Dat heeft Didier Detollenaere van de geschillencommissie hoger beroep voor het profvoetbal niet belet zijn rechterlijke almacht te laten spreken – en ook een beetje zijn buikgevoel: hij blies het boeltje op. Aanslagplegers gingen vrijuit. Dat was niet in het belang van het voetbal, nog minder in het belang van eerlijke rechtspraak in het voetbal, maar wie geeft daar nu nog om?

Uitkomst: voorlopig kunnen de geschillencommissies nog recht spreken zoals ze dat in het verleden hebben gedaan, arbitrair. En op het veld: twee psychopaten – de ene met twee benen vooruit en de andere weeral met een slag in het aangezicht – speelden gisteren vrolijk voetbal tegen elkaar en veertig kilometer verder zat Vadis Odjidja in de tribune zijn straf uit omdat hij vorige week twee keer op een voet van een Eupenaar had gestaan.

Terug naar hoe het begon. In januari van dit jaar besloten de profclubs dat het gedaan moest zijn met die strafbepalingen à la tête du client. Voortaan zou het gaan zoals met verkeersovertredingen: voor elke overtreding een vast tarief. Een werkgroep werd geformeerd: daarin onder meer de CEO van de voetbalbond, Pierre François (de directeur van de profliga) en ook Johan Timmermans en Joseph Allijns, voorzitters van KV Mechelen en KV Kortrijk.

De CEO werd ontslagen, Timmermans stapte uit de werkgroep na de degradatie van zijn KV Mechelen, Allijns zagen ze niet meer maar wel in Rusland bij de Rode Duivels, en zo kwam al het werk op de nek van Pierre François terecht. Hij finaliseerde het voorstel en zorgde ervoor dat het in Sportleven verscheen.

Toen op 13 augustus bleek dat de algemene vergadering van de Profliga nog haar goedkeuring niet had gegeven, stuurde Marc Coucke die bewuste mail rond, die door elke voorzitter werd goedgekeurd, behalve door Bruno Venanzi van Standard.

De conclusie van deze vaudeville kan alleen maar zijn dat het Belgisch voetbal er in prestaties misschien op vooruitgaat, maar dat het management is blijven steken in de vorige eeuw: eeuwige amateurs, schreef ooit een collega. Toch is er meer aan de hand, want hier spelen andere achtergronden dan een puur procedurele kwestie.

Met Detollenaere manifesteert zich het vleesgeworden Napoleon-complex. De man houdt niet van indicatieve tabellen omdat die zijn rechterlijke macht (lees: willekeur) beperken en heeft het hele zootje dan maar kort door de bocht onreglementair verklaard. De andere Napoleons van de voetbalbond zijn Marc Coucke en Bart Verhaeghe, maar die hebben met uitzondering van de mail van Coucke ook geen poot uitgestoken om de klus te klaren zoals het hoorde.

De enige actie die Bart Verhaeghe heeft ondernomen in de drukke zomer, waarin hij op de worldcup voetbal goud won in de discipline ‘opvallen voor bobo’s’, was Pierre François kapittelen dat hij zich niet mocht bemoeien met de disciplinaire commissies.

Zou Pierre François, de enige die deze zomer zijn werk heeft gedaan, het nu eindelijk hebben begrepen dat de Napoleons hem eruit willen? En zouden de andere clubs het hebben begrepen dat het Belgisch voetbal volgens de topclubs gewoon het best wordt beheerd zoals in het verleden: pappen, nathouden en aanmodderen?

Column over Maarten van der Weijden in De Morgen van zaterdag 25 augustus 2018

Martelaar van Nederland

 

Maarten van der Weijden is de Nederlander die 200 kilometer door Friesland ging zwemmen en tot 163 kilometer is geraakt. Onderweg heeft hij 3,5 miljoen euro opgehaald. Voor de Vlamingen: dat is een derde van De Warmste Week. Met één actie, door één man.

Ik ken Maarten van der Weijden uit mijn vorig leven in Nederland. In januari 2008 had ik het voorrecht bij het trainingskamp van de Nederlandse nationale zwemploeg aanwezig te zijn. Dat was op Isla Margarita, een eiland voor de kust van Venezuela. We zaten daar voor een 50-meterbad annex een mooi hotel, dat voornamelijk bevolkt was door vrouwen die kwamen voor borstvergrotingen en niet voor het olympisch bad.

Soms stond je in de lift met een pas geopereerde, ondersteund door haar man en paracetamol of zwaarder, en dan zag je het onevenwicht, want wie ineens een te grote vergroting wil, kan niet allebei de borsten samen laten doen. Ik vertel maar wat de zwemmers mij vertelden. Die hadden gezien hoe mijn ogen uit de kassen rolden. Ik kreeg meteen een crash course ‘hoe valse borsten herkennen’ want die kregen zij geregeld in handen. Andere generatie, ik hield het daar op.

Dat wilde ik even kwijt, maar nu gaat het weer over Maarten van der Weijden. Die was daar ook, als jongeman met de ambitie olympisch kampioen te worden op de 10 kilometer openwaterzwemmen. Hij was daar samen met zijn trainer – de illustere Marcel Wouda, zelf wereldkampioen en olympisch gemedailleerde – en met een Belg als trainingsmaat, Tom Vangeneugden. Die zwom ook bij PSV in Eindhoven, had ambities op de 1.500 meter en moest veel kilometers maken.

Het verhaal van Maarten was gekend. Als tiener leukemie overwonnen en daarna was geen berg hoog genoeg om hem tegen te houden. Hij werd later dat jaar olympisch kampioen met een waanzinnige finish. Dat leverde legendarische beelden op die nog op YouTube te vinden zijn en let vooral op cocommentator Pieter van den Hoogenband, die zijn ploegmaat en vriend naar de overwinning schreeuwt.

Ik heb op Isla M. Maarten van der Weijden de basis zien leggen voor zijn prestatie. Op een dag kwamen we zo rond een uur of halfelf bij het bad aan voor de ochtendsessie van de zwemploeg en toen lag Van der Weijden al een uurtje in het water te weken. Hij ging door tot één uur. Die middag deed hij nog wat en die avond ook. Ik kan er 5 kilometer naast zitten, maar ik geloof dat hij toen een trainingsdag van 30 kilometer had. Dat vonden wij met zijn allen toen buitengewoon en dat was het ook.

Laat er geen misverstand over bestaan, alleen maar respect en bewondering voor Maarten van der Weijden, toen in Venezuela, later in Beijing en op een dag na nog eens tien jaar later toen hij in Friesland meer dood dan levend uit het water werd gehaald. Dat was afgelopen maandag, in het plaatsje Burdaard, net voor Dokkum. De elfde stad in de Elfstedentocht haalde hij net niet.

Van der Weijden weet wat extreem lang zwemmen is. In 2017 deed hij in Amsterdam een poging het wereldrecord 24 uur zwemmen te breken. Hij kwam uit op 99,5 kilometer, het record bleef staan op 102 kilometer. Met zijn sportieve prestatie haalde hij toen 8.500 euro op ten behoeve van kankeronderzoek. In 2017 deed hij ook nog eens een dubbele Kanaal-oversteek in 19 uur en 4 minuten en begin dit jaar lukte het hem toch: 102,8 kilometer zwemmen in één dag in een 25-meterbad.

In De Volkskrant verscheen na zijn Elfstedenzwemtocht een brief met een pleidooi om hem maar alvast sportman van het jaar te maken. Respect ja, bewondering ja, verwondering nog meer, maar sportman van het jaar? Zijn ze daar echt de weg kwijt boven en onder de Moerdijk?

Dat ze in de beste krant van Nederland die brief überhaupt afdrukten, is al vreemd. Net als het collectieve hoera van de media. Waar was die kritische geest van de Nederlandse journalistiek? Stelde niemand zich dan vragen bij het waanzinnige van Van der Weijdens helletocht?

Dit was geen sport; dit was een kei van een sportman en een groot kampioen die de chemische, hormonale en biologische grenzen van zijn lichaam heeft afgetast en ruim overschreden. Maarten, martelaar van Nederland, die helemaal doorweekt, alle vocht-, zout- en andere balansen in zijn lichaam verstoord, als een halve dode uit het water werd gevist en op een vlot gelegd, was de negatie van sport. Het is te hopen dat het geen navolging krijgt en dat hij zelf als eerste met die waanzin ophoudt.

Jawel, het is dus dubbel: je vindt hem compleet geschift en tegelijk wil je hem proficiat wensen.

 

DM-COL-Maarten-mail

Verhaal over Patro Eisden Maasmechelen in De Morgen van zaterdag 26 aug 2018

Patro Eisden, waar het voetbal altijd verliest

The sky was the limit voor Patro Eisden. Maar het werd een degradatie naar tweede amateurklasse en de afgrond voor de traditieclub uit Eisden. Eigenaar Wayne Woo wil Patro nu snel verkopen aan andere louche figuren. Maar dat is buiten de opstand van het lokale voetbalvolk gerekend.

De uitschakeling vorig weekend in de vierde ronde van de Beker van België van Patro Eisden Maasmechelen bij KSK Heist was een nagelbijter. Het stond gelijk na negentig (0-0) en na honderdtwintig minuten (1-1). En toen moesten strafschoppen het verschil maken: Patro verloor.

Laten we hem Peter noemen, de fan die erbij was en niet met zijn echte naam, zelfs niet de voornaam, in de krant wil. Hij denkt dat het eerlijk verliep. “Ik had niet de indruk dat er iets is geregeld door de spelers, maar ik begrijp uw vraag. Met deze club weet je het nooit.”

Patro Eisden Maasmechelen, in 1942 gesticht door kapelaan Vanschoenbeek voor de jeugd van de mijnwerkerscité als Patro Eisden, zit in zwaar weer. Vorige week nog werd Patro-voorzitter Wayne Woo uit Hongkong door de Kamer van Koophandel in Tongeren verplicht zijn club uit handen te geven. Ongezien in het Belgisch voetbal.

Allemaal Chinezen en Grieken

Drie tijdelijke bewindvoerders werden aangesteld om een maand lang het beheer van de club te voeren. Ze verkregen het recht de boekhouding van de vzw van de laatste drie jaar in te zien, met een dwangsom van 10.000 euro per dag als Woo die verplichting niet nakomt. Hun taak is ook in het kader van de witwaswet de identiteit van de huidige leden van de vzw en van de overnemers vast te stellen. En in dezelfde moeite door ook eens een balans te voorschijn te toveren, want daar is al twee jaar geen sprake van.

Woo was niet bereikbaar – Woo is nooit bereikbaar, dat is de realiteit – om te checken of hij in beroep gaat, maar bronnen binnen de club gewagen van ‘grote verslagenheid.’ “Onze voorzitter wil alleen maar de club verkopen en afscheid nemen nadat hij honderdduizenden euro’s heeft geïnvesteerd en daar krijgt hij stank voor dank voor terug.”

Volgens Woo gaat het om wel 2 miljoen euro inbreng, maar nu wil hij van de club af. Eerst op 6 augustus en ook nog eens vorige zaterdag wilde hij de overdracht van de vzw bevestigen middels een algemene vergadering van de Maaslandse vzw, inmiddels gestoffeerd met onbekende leden, allemaal met Chinese en Griekse namen. Dat laatste heeft allicht meegespeeld in het ondubbelzinnige rechtbankvonnis. Net zoals de overnemer ineens een zakenpartner van Woo bleek te zijn met een al even onduidelijke achtergrond. Tegenstanders van Woo konden telkens de algemene vergadering tegenhouden.

Dubieus is de rode draad in dit dossier. Het kan als masterclass dienen voor alle managers van het Belgisch voetbal: hoe leid ik mijn club (niet) binnen de kortste keren naar de vernieling door in zee te gaan met schimmige buitenlanders die de hemel beloven? Maar ook voor de voetbalbond: hoe kijken we beter toe op wat er in de lagere regionen gebeurt?

De vaudeville rond Patro begint op 28 november 2016 als de toenmalige voorzitter Robert Stevens aankondigt dat de verlieslatende club een overnemer heeft gevonden. De Chinezen-hype in het voetbal is dan al een beetje over, maar Patro Eisden Maasmechelen heeft er toch nog eentje op de kop getikt: Wayne Woo, uit Hongkong, 37 jaar. Hij is eigenaar van een Brits-Chinese investeringsgroep GSDP en richt drie nieuwe bedrijven op: Pat, Eisd en Maas, drie holdings, drie keer op de Maagdeneilanden.

Op 3 december 2016 schrijft Stijn Meuris in zijn column in Het Belang van Limburg: “Wie weet weet Wayne Woo wel wat en hoe, maar enige argwaan blijft gerechtvaardigd.”

Die krant was al snel met de eerste achtergrondverhalen over Woo en houdt tot op vandaag bij de traditieclub de vinger goed aan de pols. Het Belang vlooide uit dat men op het chique Hongkong-adres van een van zijn naamkaartjes van Woo of zijn bedrijf nooit heeft gehoord. Evenmin in Londen: postbusadressen bij de vleet, dat wel. Zijn spoor leidt wel naar Nederland en naar de VS, waar hij een windmolenpark ging bouwen, maar overal herinneren ze zich Woo vooral als iemand die kwam, beloofde en verdween.

Het hele dossier krijgt een geloofwaardig sausje als wordt bekendgemaakt dat een eerbare lokale held zich mee engageert. Robert Stevens heeft hulp gezocht bij zijn neef Patrick, de ex-olympische sprinter, in de eerste plaats om de onderhandelingen in Londen te kunnen voeren. Stevens, perfect Engelstalig en thuis in Londen en in zakendoen, maakt indruk op Woo en krijgt meteen de aanbieding om als CEO de club te runnen en de overgang van vzw naar nv in goede banen te leiden.

Fast forward naar de lente van 2017: exit Patrick Stevens. Geconfronteerd met zijn korte passage houdt de sporter en tegenwoordig ondernemer zich op de vlakte: “De manier van werken van mijnheer Woo en zijn partners was niet de mijne. Ik geef toe dat ik mij ook heb laten inpakken door hun praatjes over promoveren naar 1B (de vroegere tweede klasse, red.) en een jeugdacademie uitbouwen. Zodra ik doorhad waar het hen om te doen was, heb ik mijn conclusies getrokken.”

In de omgeving van Stevens kan worden vernomen dat hij zich al in zijn eerste weken op kantoor verbaasde over de manier van zakendoen. “Rekeningen werden heel laat of bij voorkeur niet betaald en Patrick kreeg het als lokale bekendheid weleens op zijn boterham: ‘Hé Patrick, wanneer gaat Patro zijn factuur betalen?’ Dat kon hij niet hebben.”

Over waar het de Chinese connectie echt om te doen was, wil Patrick Stevens na lang aandringen nog iets kwijt: “Ik denk dat sport draait om je best doen en voetbal om winnen met de beste spelers. Als er door de voorzitter wordt gezegd wie moet spelen en als die half zo goed zijn als wie er op het veld staat, wil ik daar niks mee te maken hebben.”

 

Patrick Stevens heeft dit jaar nog een poging gedaan om met een Nederlandse investeerder Patro Eisden Maasmechelen over te nemen nadat bekend raakte dat Woo geneigd was de degradant te verkopen. Woo reageerde niet eens op het bod. Hij had al een overnemer.

Wat is het businessmodel?

Van in het begin was er binnen de club weerstand tegen het project-Woo. Met name de jeugdafdeling keek argwanend naar de Chinees en een andere voorname Maasmechelaar, Jan Kohlbacher, voorzitter van de jeugdafdeling, stemde in november 2016 meteen tegen de overname van de vzw door Woo. Kohlbacher: “Onbegrip was mijn deel. Dat is nu wel anders, maar tot vandaag zijn er nog steeds mensen die geloven in de goede bedoelingen van Woo.”

Hoewel, overname… Eigenlijk heeft Woo de club haast gratis gekregen. Waar hij eerst met de ontslagnemende voorzitter Robert Stevens mondeling 400.000 euro had afgesproken, een bedrag dat Woo ook op een derdenrekening had gestort en dat moest dienen ter compensatie van wat Stevens er jarenlang in had geïnvesteerd, wilde Woo uiteindelijk nog slechts 100.000 euro betalen. In acht schijven. Robert Stevens kreeg snel de eerste 12.500 uitbetaald. Het werd meteen de laatste schijf. Stevens is gedegouteerd, maar heeft geen zin in procederen tegen een buitenlander.

Nadat Patrick Stevens was opgestapt, kwamen twee van Woos acolieten duidelijker op de voorgrond: Tony Dullers en Steve Davies. De eerste als algemeen manager en de tweede, die ook weleens Stephen heet, als sportief directeur, maar beiden zijn bekend
in België als derderangsmakelaars. Berucht is een juistere omschrijving. In 2014 ging de derdeklasser (nu herdoopt tot eerste amateurklasse, red.) C.S. Visé failliet door hun toedoen, zoals ooit in Sport/Voetbalmagazine viel te lezen.

Meteen liet Davies allerlei Engelse voetballers overkomen. Dullers huurde een huis in Maasmechelen en ineens woonden daar
vier Afrikanen in die nooit een minuut voor Patro zouden spelen. Was de club een vehikel geworden om spelers goedkoop in te kopen en met winst te verkopen? Het draait niet om spelershandel, zeggen betrokkenen. “Ze hebben altijd laten uitschijnen dat hun businessmodel bestond in winst maken op spelers, maar met de spelers die zij hebben gehaald, kun je onmogelijk winst maken.”

Even lijkt ook Terry Fenwick op weg naar de mijnploeg om er trainer te worden. De laatste job van de Engelse ex-international was als trainer van… C.S. Visé. In laatste instantie stelt Woo toch een andere Limburgse grootheid aan. Met de komst van Guido Brepoels, ooit de magiër van eersteklasser STVV, wint hij heel wat stemmen. Maar ook Brepoels krijgt geen vrij spel. Hij krijgt briefjes aangereikt met wie zeker moet spelen en als het hem te gortig wordt omdat de spelers in kwestie gewoon niet goed genoeg zijn, wordt hij in maart 2017 teruggezet naar de jeugd.

Enter: Danny Boffin, de ex-Anderlecht-speler die zoals algemeen bekend financieel aan de grond zit, en die wel zal luisteren. Boffin luistert, meer zelfs, om de morrende fans gerust te stellen, schrijft hij op Facebook dat hij en niemand anders de ploegopstelling bepaalt. In februari van dit jaar wordt hij ontslagen. De ploeg stond laatste in de eerste amateurklasse, de vroegere derde klasse.

Re-enter in februari: Guido Brepoels. Patro blijft laatste en zakt. Re-exit in april: Guido Brepoels, die ook nog eens beschuldigd wordt van racisme omdat hij twee Engelsen niet wil opstellen. Die zaak komt in oktober voor de arbeidsrechtbank. Enter: Stijn Stijnen, een andere Limburgse grootheid nog steeds wanhopig op zoek naar de geloofwaardigheid die hij als speler bij Club Brugge compleet kwijtraakte toen hij via de sociale media een concurrent-doelman liet bezwadderen. Hij is nu de dienstdoende trainer.

Witwaspraktijken

Inmiddels speelt zich binnen de club een klein relletje af dat ongekende proporties zal aannemen: het voltallige jeugdbestuur geeft in maart van dit jaar aan ontslag te willen nemen. De aanleiding is een eis van Woo dat de jeugdafdeling een achterstal van 36.000 euro bij de btw moet betalen. Patro heeft op dat moment al veel schuldeisers, niet het minst bij spelers die een zaak hebben lopen bij de vakbond Sporta.

Woo ziet de jeugdafdeling als een kaskoe, want die heeft van het gemeentebestuur verkregen dat er een subsidie van 900.000 euro haar kant uitkomt voor de bouw van een nieuw jeugdcomplex. Woo, die inmiddels begrijpt dat hij die subsidie niet zelf kan cashen omdat de gemeente een aparte vzw wil voor de jeugd, eist in ruil voor het gebruik van de naam en de clubkleuren niet 36.000, maar 125.000 euro, iets wat jeugdvoorzitter Jan Kohlbacher in Het Belang omschreef als Chinese wiskunde.

Op 30 april stopt het jeugdbestuur van Patro de werking en iets later wordt door zes andere clubs uit Maasmechelen de vzw Jeugdvoetbal Maasmechelen opgericht. Tot zover niks aan de hand voor Woo, die twee uitnodigingen van de gemeente om uitleg te verschaffen naast zich neerlegt.

Op 3 juli valt een bommetje: het gemeentebestuur van Maasmechelen beslist dat de huurder van het gemeentelijk stadion de nieuwe vzw Jeugdvoetbal wordt, weliswaar met de verplichting om er ook de eerste ploeg van Patro Eisden te laten spelen.

Nieuwe onderhandelingen worden aangevat, nu over de gebruikersovereenkomst. De vzw Jeugdvoetbal beslist dat Patro het stadion mag bespelen, maar vraagt, nu er geruchten opduiken van verkoop en het onduidelijk is hoeveel schulden de club heeft, één jaar huur vooruit te betalen. Woo lijkt van plan daar op in te gaan, maar de banken die de nieuwe vzw adviseren, wijzen op het vreemde bestuur van de vzw Patro Eisden: twee personen en drie vennootschappen op de Maagdeneilanden.

Waarop Jeugdvoetbal Maasmechelen vraagt wie de UBO, ultimate benificial owner of uiteindelijke begunstigde is achter de club.
Woo geeft niet thuis. De kennismaking met de overnemer die Woo inmiddels heeft gevonden, blijkt ook al een sof: Derrick Devenport zowaar. De man heet ook soms Devonport en is een zakenpartner van Woo. Hij dient zich aan samen met Woo, maar het hoge woord wordt gevoerd door de onvermijdelijke spelersmakelaar Steve Davies. Devenport is eigenaar van een Brits leasingbedrijf en gaat voor de overname in zee met ene Imtiaz Mukhtar. Beiden hebben inmiddels in Londen een Patro Eisden Ltd opgericht.

Halve zolen

Ondertussen toont vzw Jeugdvoetbal wel haar goede wil en laat de vzw Patro – het eerste team met Stijn Stijnen als trainer – wel het stadion bespelen voor een symbolische 1 euro. Waarom geen echte huur wordt gevraagd? Koen Albregts, secretaris van de vzw Jeugdvoetbal: “Wij willen geen geld aanvaarden van onduidelijke oorsprong om niet betrokken te geraken in witwaspraktijken. Daarom willen we ook weten wie de UBO’s zijn van die drie vennootschappen.”

Een zootje, dat is Patro, maar toch blijven buitenlandse ‘investeerders’ zich interesseren in het regionale merk. Toen Wayne Woo instapte, leek de ambitie om als enige Maaslandse club door te groeien naar een hoger niveau nog enigszins legitiem.

Maar alle handelingen van de Chinees en zijn volgelingen gingen in tegen die ambitie om te promoveren. Heel wat van de spelers die de sportief directeur haalde, bleken halve zolen te zijn die móésten spelen. Werden ze een tijdje uitgeleend, naar Central FC in Trinidad en Tobago of naar Inter Odessa in Oekraïne, bij hun terugkeer op het Eisdense nest stonden ze per direct in de ploeg.

Heel vreemd allemaal, net als het lijdzaam toezien hoe ze vorig seizoen troosteloos laatste eindigden waardoor de club is gezakt naar de tweede amateurklasse, wat vroeger vierde klasse heette. Nog steeds blijven buitenlanders geïnteresseerd in Patro Eisden Maasmechelen. Toch niet alleen omdat de club ooit ‘het kleine Anderlecht’ heette en in paars-wit speelt?

“Sponsoring is nul, de spelerswaarde is nul en toeschouwers komen er nauwelijks”, zegt iemand die nauw bij de club is betrokken. “Het draait om matchfixing en gokken, niet meer of niet minder,” zegt een andere Eisdenaar die ook anoniem wil blijven. “Hoeveel rode kaarten en strafschoppen Patro in de eerste seizoenshelft niet tegen heeft gehad, dat was abnormaal. Soms zag je ons aftrappen en werd de bal meteen buitengekegeld. Dat was fixing op handicap: wanneer valt de eerste inworp?”

Op 5 mei verscheen in Het Belang een verhaal over hoe de hele wereld vorig seizoen in de eerste amateurklasse kon gokken op wedstrijden van Patro Eisden Maasmechelen, via Aziatische websites. Danny Boffin, net ontslagen als trainer, wordt daarin gequoot: “Het viel me op dat een van de Engelse bankzitters in het eerste half uur al enkele keren naar binnen was gelopen. Hij moest naar het toilet, maar ik geloofde dat niet en heb de ploegafgevaardigde naar binnen gestuurd. Die vond de speler in onze kleedkamer terwijl hij druk bezig was met zijn gsm.”

Een betrokkene: “Hier is een goksyndicaat aan het werk en de baas is niet Woo of die Davies of Dullers. De baas is die Derrick Devenport. Hij houdt zich op de achtergrond, maar hij zit er altijd bij. Hij beslist alles. Nu stroman Woo weggaat, want dat lijkt wel definitief, blijven dezelfde lui aan de touwtjes trekken.”

Tenzij… Jan Kohlbacher hoopt dat de verplichting om duidelijkheid te scheppen over wie achter alle constructies zit en waar het geld vandaan komt, de club weer in lokale handen zal brengen. Bewezen fraude vanwege de oude en nieuwe eigenaars zou een oplossing kunnen zijn. “Wij hebben niks tegen de eerste ploeg, verre van, maar we willen duidelijkheid over wie de club in handen krijgt. Een lokale verankering van Patro Eisden is de beste oplossing. Er zijn weer mensen bereid om daar geld voor op tafel te leggen – op voorwaarde dat de schulden niet te groot zijn.”

 

DM-Patro Eisden-mail

Column over Antwerp-Club Brugge in De Morgen van maandag 20 aug 2018

The Great Bald

Nog maar in juni heb ik een pleidooi gehouden tegen de voetbalcollega’s bij het WK om vooral niet naar het stadion te gaan als je een verhaal wil schrijven over de wedstrijd, op voorwaarde dan wel dat je niet afhankelijk bent van de quotes.

Alleen maar voordelen om er niet te zijn, pleitte ik toen, zoals beter zicht op de wedstrijd, betere close-ups en je kan terugkijken. Aan de rust krijg je analyses van vaklui die er meer van kennen, al zat ik gisteren niet echt te wachten op het Amsterdams gewauwel van Dennis van Wijk.

Ik dwaalde. Er ís een nadeel: als de wedstrijd niet om aan te zien is, zal je in het stadion geeuwen, hooguit eens knikkebollen, maar nooit in slaap vallen. Gisteren heb ik minuut 47 tot 63 gemist want in slaap gevallen naast de iPad.

Ik wil best geloven dat de Antwerp-supporters dat een heel goede wedstrijd vonden. Behalve dat die niet veel gewend zijn na amper een jaartje op het hoogste niveau, kan je niet om de naakte vaststelling heen dat Antwerp een ploeg is van lopers, dravers, bikkelaars en af en toe schoppers, geen voetballers.

Althans geen voetballers die met de opdracht van lekker voetballen in de wei zijn gestuurd. Voor het spel en de esthetiek is The Great Old vooralsnog geen aanwinst voor de eerste klasse, echt niet. The Great Bald, ook bekend als Jelle Van Damme en gisteren nog eens in de basis, lijkt weggelopen uit een van die Russische milities die in de Krim lelijk hebben huisgehouden.

Van de week zei Antwerp-manager Luciano D’Onofrio dat hij Laszlo Bölöni zo snel mogelijk een contractverlenging wil aanbieden. Doe dat nu maar niet, beste Luciano, want dit Roemeens potjesstamp loopt niet goed af.

Club was erg gehandicapt en probeerde toch zijn voetbal te spelen: ook bikkelen, maar ook vooruit denken en aanvallen. Dat duo Hans Vanaken-Ruud Vormer is echt van goudwaarde en het pleit voor het Club-bestuur dat ze de meerwaarde op die gasten niet hebben gecasht door hen te verkopen aan een of andere rare club met toevallig veel meer geld.

Club probeerde tenminste nog vanuit balbezit te voetballen, Antwerp niet. Dat brak af, holde naar de overkant, en probeerde daar bikkelend iets in elkaar te flansen dat leek op een doelpoging. 42 procent balbezit in eigen huis tegen een niet eens dominant Club is ronduit beschamend. Zeven keer naar doel trappen waarvan twee keer tussen de palen is dat ook.

Er zijn maar twee statistieken waarin Antwerp de Bruggelingen klopte: in gele kaarten (3 tegen 0) en in overtredingen (24 tegen 16). Antwerp had al halfweg de eerste helft met tien kunnen staan, had ref Lardot de wilde tackle van Jelle Van Damme op Ruud Vormer op zijn merites beoordeeld: bedoeld om te intimideren, maar vooral gevaarlijk voor de gezondheid van Vormer.

Vorig jaar speelde Club diezelfde wedstrijd nog in extremis gelijk, nadat het 2-0 had achtergestaan: dat punt was een hoeksteentje voor de latere titel. Dit seizoen gaf Club zelf twee van de drie punten uit handen en dat mag letterlijk worden genomen, want keeper Letica liet een makkelijke bal vallen en Haroun tikte binnen.

Nu wordt wel heel snel geconcludeerd dat Club in hetzelfde schuitje zit als vorig jaar: een vliegenvanger als sluitstuk. Bij Gent loopt evenwel een landgenoot van Letica rond en die laat ook af en toe een bal uit zijn handen vallen waarvan je denkt, is dit nu nodig
en is dit niet echt gevaarlijk? Blijkbaar is dat eigen aan de Kroatische keeperschool heb ik mij laten vertellen. Het kan ook gewoon onhandigheid zijn, maar als Letica veel meer doelpunten verhindert dan dat hij er weggeeft, zoals Lovre Kalinic bij Gent, dan kunnen ze in Jan Breydel op hun beide oren slapen.

Dat doen ze vooralsnog niet want de situatie is na vier speeldagen net even iets anders dan vorig jaar rond deze tijd. Toen stoomde Club als een pletwals over iedereen en lieten de gedoodverfde concurrenten veel punten liggen. Aan het eind van de rit viel alles weer in de juiste plooi. Het enige wat je eind augustus kon vermoeden dat zich daadwerkelijk voltrok in mei, was de titel van Club.

Volgende week is het Club-Anderlecht: paars-wit komt met een bonus van twee punten voorsprong en dat kunnen er vijf worden als ze net als in de play-offs in Brugge komen winnen. Er zijn nog 36 wedstrijden te gaan, maar ik kan de titels al dromen: “Club met het mes op de keel”.

 

The Great Bald

Column over de sportprestaties van de zomer van 2018 (tris) in De Morgen van zaterdag 18 augustus 2018

Vlaanderen boven

Echt slim was het niet van sportminister Muyters om uitgerekend Koen Naert zo enthousiast te feliciteren met zijn Europese marathontitel. Naert is dan wel geboren in Roeselare, woont in Moerbrugge bij Oostkamp bij Brugge en spreekt West-Vlaams als geen ander, technisch gezien is hij een atleet van Franstalig België.

Daar blijf je beter af, zo is gebleken, of hoon is je deel. In het zuiden en zeker in het midden van het land werd er in één moeite op gewezen dat negen van de tien top achtplaatsen op het EK atletiek behaald zijn door atleten aangesloten bij de Franstalige vleugel van de atletiekbond.

Waarna Sport Vlaanderen afgelopen week een uitgebreid communiqué afscheidde, zowaar op een feestdag, om ons duidelijk te maken dat de Vlaamse sport er sneller op vooruit gaat dan de Franstalige.

Te veel communautariseren is nergens voor nodig, maar de waarheid heeft haar recht. Als de Belgische sport dit jaar records boekt, en in drie jaar tijd tien plaatsen heeft gewonnen in de Europese rangschikking (van 31 in 2015 naar 21 vandaag) is dat in de eerste plaats te danken aan de Vlaamse sport. De Franstaligen gaan ook vooruit maar veel minder hard. Ook het nationale niveau (Rode Duivels en andere gemengde ploegen, HV) gaat erop vooruit. Iedereen gaat vooruit, maar de motor van de topsport in België is meer dan ooit Vlaanderen.

Waar vier jaar geleden de Franstaligen op de topsportindex 150 punten lager scoorden dan de Vlamingen – het kleinste verschil deze eeuw – is het verschil nu opgelopen tot meer dan 500 punten. Daartegenover staat dan weer het atletiek met zes medailles op het EK atletiek in Berlijn, waarvan maar één behaald door een rasechte, Nederlands sprekende Vlaming, die bovendien niet door Vlaanderen wordt ondersteund.

Eerst even nog iets over dat EK. U ging natuurlijk helemaal mee in de hype, aangezwengeld door de openbare omroep die de EK-tsunami omdoopte in Europese Olympische Spelen – ook dat nog -, maar men mag de realiteit niet uit het oog verliezen. Van alle sporten staat het Europees kampioenschap in atletiek het verst af van het mondiale niveau. Zowel voor de sprint- als voor de afstandsnummers geldt dat het EK een soort C-WK is, terwijl de Europese kampioenschappen in veel sporten een B-WK of beter zijn. Tokio 2020 zal duidelijkheid verschaffen over welke prestatie van 2018 we al te euforisch waren.

Vijf van die Europese atletiekmedailles zijn behaald door iemand die geld krijgt van Franstalig België. Twijfelgeval, als het gaat om pluimen op de hoed steken, is de 4×400. Dat is die ploeg met de drie Borlées, drie jongens die zoals hun pa amper een woord over de taalgrens spreken, maar dat heeft Sport Vlaanderen alvast niet belet om de 4×400 als een nationaal project vol te blijven ondersteunen, zelfs toen de Franstaligen het gezeur van pa Borlée moe waren. Zonder Vlaanderen waren de Borlées misschien al gestopt.

En dan het geval Koen Naert: na 2014 niet langer goed genoeg bevonden voor een topsportcontract bij Atletiek Vlaanderen – en dus niet bij Bloso of Sport Vlaanderen, zoals her en der is verschenen. ADEPS, de Franstalige tegenhanger van Sport Vlaanderen, heeft hem onder de vleugels genomen als lid van een Franstalige club.

Sport Vlaanderen heeft 53 lopende topsportcontracten. ADEPS heeft er 59 en niet genoeg atleten van niveau om die in te vullen. 59 topsportcontracten is het equivalent van elke dag een kubieke meter water uitgieten over een klein perkje bloemen. Dat kost veel water en de meeste bloemen worden er echt niet beter van. Laat Koen Naert een uitzondering zijn op die regel.

Het Vlaams sportbeleid daagt de atleten uit door rondom hen de juiste voorwaarden te creëren om topsportprestaties te leveren. Wie dan die kans met beide handen grijpt, en presteert, verdient een vast contract. Het enige manco aan dat beleid is dat atleten soms te radicaal worden afgerekend op prestaties en dat limieten voorgaan op het oog van de meester. Die terreur van de objectivering kwam er ooit op vraag van het Rekenhof, maar wordt nu vooral gebruikt om de minister uit de wind te zetten.

Ideaal zou zijn om te ondersteunen op basis van ingeschatte potentie. Soms voel je aan je ellebogen wie het gaat maken en soms herken je bij de eerste oogopslag wie serieel zal falen. En soms zit je ernaast en glipt er een Koen Naert door. Dat zijn kleine hickups in het systeem, maar daarom is het hele systeem nog niet fout.

 

Vlaanderen boven

Verhaal over en met Bart Swings en Jelle Spruyt in De Morgen van zaterdag 18 aug 2018

‘Wij willen winnen’

Schaatser/skeelerer Bart Swings en coach Jelle Spruyt blaken ook na hun olympisch hoogtepunt nog van ambitie

 

Kleine sportlanden zijn kort van memorie. Dé prestatie van 2018 werd op de Winterspelen geleverd. De Morgen zocht Bart Swings op in Noorwegen waar hij alweer op het ijs stond. Donderdag zoekt hij de titel op het EK skeeleren in Oostende.

“Tig keren in Hamar geweest, maar nooit in de zomer, ik wil een verslag.” Ik heb mijn Nederlandse schaatscollega verbaasd met een fotootje van zonnende vrouwen, spelende kinderen,… zuiderse taferelen aan het Mjøsameer, een paar honderd meter van de Vikingskipet, de sporthal die een landmark werd tijdens de Olympische winterspelen van Lillehammer in 1994.

Hamar is een mythische plek. Hier onder het dak van het omgekeerde Vikingschip werd historie geschreven en niet alleen in positieve betekenis. In Hamar brak de doping epo door in brede olympische kringen en werden wonderbaarlijke prestaties geleverd door atleten die daarna meteen stopten of nooit meer een deuk in een pakje boter zouden rijden.

Bijna een kwarteeuw later, op een bloedhete zondagnamiddag in augustus – ook Noorwegen kreunde onder een hete zomer – was het een af- en aanrijden van locals die hun kinderen kwamen halen die binnen rondjes hadden gedraaid bij net boven de nul graden.

De niet-Noren, gekomen met campers of caravans, waren Nederlanders op bedevaart. De daaropvolgende nacht hebben ze illegaal overnacht op de parking om een dag later vijf euro te betalen om in de hal naar hun schaatsgod te kijken: Team LottoNL-Jumbo, met Sven Kramer, was in Hamar in die twee weken dat er ijs lag.

Net als Bart Swings en zijn coach Jelle Spruyt, maar die waren er samen met de Noorse nationale ploeg waar ze deel van uitmaken. Toen ik contact zocht om eventueel naar Stavanger te komen, maar het werd Hamar, wilde ik Jelle ook aan tafel omdat hij belangrijk was in het olympisch zilver. Of was dat verkeerd geredeneerd?

Jelle Spruyt: (lachend) “We doen wat we moeten doen om hard te schaatsen. Ik zal nu in de gazet komen, maar daar doe ik het niet voor.”

Bart: “2014-2015, mijn eerste seizoen na de Spelen van Sotsji, was het enige seizoen zonder Jelle en het was mijn slechtste. Dat lag niet aan de groep, maar wel aan een combinatie van technische veranderingen, andere fysieke trainingen en uiteindelijk ging dat ook mentaal doorwegen. Ik heb het belang van een vertrouwde omgeving onderschat.”

Jelle: “Ik ken Bart als geen ander. Hij was net tien geworden. Ik skeelerde in dezelfde club en Annie Lambrechts was onze trainster. Toen die stopte, ben ik de jeugd gaan trainen en inmiddels werken wij zestien jaar samen.”

Bart: “Jelle en zijn broer Ferre enerzijds, mijn broer en ik anderzijds, wij vormden een groepje en ja, ik mag dan wel voor ingenieur studeren en rationeel en analytisch denken, ik ben ook gevoelig voor het familiale. Ik heb onderschat hoe belangrijk het is om je goed te voelen in een groep. Ik ben vaak weg en dan is het goed om een stukje familie bij je te hebben. Vroeger was dat mijn broer, nu is Jelle dat.”

Jelle: “We kunnen het erg goed vinden met de Noren die ons twee jaar geleden hebben gevraagd of we geen zin hadden om samen te trainen. We doen rustig ons ding en ze betrekken ons overal bij. We hadden ook naar Japan gekund om daar te trainen, want die vraag lag er ook. We hebben het overwogen, maar die jetlags er nog eens bij nemen, dat leek niet ideaal.”

Kwaliteit staat voorop

Bart: “Ik denk niet dat we het ooit al beter voor mekaar hebben gehad. We hebben alles wat we willen en de sfeer onder elkaar is prima. Noren zijn toch een beetje de Belgen van Scandinavië, iets gereserveerder. In Pyeongchang waren zij blij voor mij en ik was uiteraard ook blij voor hen met hun vier mooie mannenmedailles die ze pakten. We gingen echt als een team ook samen eten, terwijl vier van de vijf mannen in het team ook voor de 1.500 meter gaan, ook mijn afstand.”

Jelle: “De afstanden in het lange baanschaatsen hebben alvast dit voordeel: het is haast altijd de beste die wint en je rijdt tegen elkaar, maar dan ook weer niet, want je moet het uiteindelijk toch alleen doen in een soort tijdrit. Het is ook niet dat we nu grote geheimen leren van de Noren. Overal in de wereld, van Japan over Rusland tot Nederland en Noorwegen, wordt er een beetje volgens hetzelfde stramien getraind: drie dagen op het ijs, een dag niet op het ijs, dan weer twee dagen schaatsen en vervolgens de zevende dag rust nemen. Krachttraining doen zij, bijvoorbeeld, in de late namiddag voorafgaand aan de rustdag. Terwijl wij geneigd waren om dat voorafgaand aan de schaatstraining te doen, zoals in andere sporten.”

Bart: “Het klopt dat wij dit anders zagen, ook al omdat ik de idee had dat ik vaker op het ijs moest dan die anderen om mijn technische achterstand in te halen. Niet dus, we merkten dat ik na een rustdag frisser op het ijs stond en technisch beter schaatste.”

Jelle: “De kwaliteit van de schaatsslag staat voorop, dat is toch de Nederlandse school die iedereen is gaan imiteren.”

Bart: “Ik heb wel een ander fysiek profiel dan de klassieke schaatser, dat zie je aan de tests. Ik recupereer veel sneller, wat dan weer een voordeel is voor de massastart (waar Swings zijn zilver op behaalde, HV). Dat is aangaan, inhouden, meespringen, zelf aanvallen, en proberen tussendoor te recupereren.”

Jelle: “Andersom zie ik dat zijn skeeleren heeft geleden onder het vele schaatsen. Hij beweegt zich minder vlot in het peloton, maakt minder makkelijk snelheid dan vroeger.”

Bart: “Ik blijf wel skeeleren, maar het moet passen in het programma. Toen ze mij vroegen waarom ik niet zou meedoen aan het EK in Oostende, dacht ik: wie heeft dat nu weer lopen te verkondigen, ik doe wél mee. Bleek dat Jelle te zijn. Die zag het niet zitten om na de Spelen, het WK skeeleren ook nog eens een EK te rijden. Uiteindelijk hebben we een compromis: ik rijd alleen de marathon en dat is dan ook weer een goede voorbereiding op de marathon van Berlijn die daags voor de lopersmarathon wordt gereden. Of ik die al een paar keer heb gewonnen? Vijf keer…”

Jelle: “…op rij. Het is het grootste event in onze sport. Wij kiezen er toch voor om dat te blijven doen, met de skeelertechniek. De Noren skeeleren ook in de zomer, maar dat doen ze met de schaatsslag. Wij niet, omdat we willen winnen.”

Jelle: “Onlangs heb ik hem voor het eerst horen zeggen dat hij in Pyeongchang goud had kunnen pakken. Dat vond ik ook al tijdens die wedstrijd. Het was een unieke kans.”

Bart: “Ik had moeten winnen, of ik had kúnnen winnen. Dat wist ik niet meteen na de race. Nadien heb ik de race ook maar één keer op eigen houtje teruggezien en geanalyseerd. Natuurlijk zie ik wat ik had moeten doen: die laatste bocht niet aan 95 procent rijden, maar aan 110, met het risico op een misslag. Dan was mijn snelheid hoog genoeg geweest om de Koreaan Lee te kloppen.”

Jelle: “Zo dicht was hij nog nooit bij Lee. Ik dacht dat hij naast hem zou komen. Bart is een echte coureur, veel meer dan de andere schaatsers en zeker de jongens van de lange baan. Daarom blijft die massastart voor hem de snelste weg naar succes, omdat het skeeleren op ijs is. Dat betekent niet dat we die afstanden laten schieten, helemaal niet zelfs, want als we nu ergens minder tevreden over waren in Pyeongchang, dan wel die afstanden. Dat had beter gekund.”

Aanhoudende drukte

Bart: “Ik heb nog maar zelden een doel niet gehaald. Ik ben er ook van overtuigd dat ik op een dag een medaille kan pakken op een afstand, de 1.500 of de 5.000 meter. Dat wordt ook het doel voor Beijing 2022.”

Jelle: “Ik was er redelijk gerust in, ook tijdens de massastart. Het is niet zo erg als shorttrack, maar de massastart blijft altijd een beetje een loterij waarin Bart wel vaak de juiste beslissingen neemt omdat hij de wedstrijd goed leest.”

Bart: “Het was vooral bijzonder omdat het kwam na acht dagen rust, waarin je kon nadenken over wat er op die afstanden niet goed was gegaan en wat beter moest. Toen zijn we samen ook heel rustig gebleven, erg gefocust en dat komt toch omdat we elkaar vertrouwen. Tja, die medaille. Na de Spelen dacht ik dat het één, twee, hooguit drie weken druk zou zijn, maar die drukte is gebleven.”

Jelle: “Iedereen wil op de foto met Bart in zijn pak.”

Bart: “Het slokt je op: de huidige sponsors tevreden houden, nieuwe sponsors proberen te vinden, vergaderen, trainen, skeeleren en tussenin nog studeren. Ik ben vorige week nog gaan onderhandelen met de assistent over mijn project in mijn vijfde jaar. Moeilijk uit te leggen: iets met schakelingen.”

Jelle: “Daar moet hij nu door. Studeren kan op afstand, aan die projecten werken niet. Daar heb je het labo voor nodig en moet je op de server van de universiteit kunnen inloggen. Ik heb hem al uren weten verslijten omwille van een overvolle wifi. Anderzijds kan je ook niet vragen dat ze hem dat diploma zomaar geven.”

Bart: “Ik wil er wel iets voor moeten doen. Al vind ik examens afleggen toch makkelijker. Dat is twee weken hard studeren, dan examen en je bent klaar.”

Jelle: “Ze doen het maximale, de universiteit en de bonden. We mogen echt niet klagen, dus het kan eigenlijk niet beter dan nu. Ook de steun vanuit het BOIC en Sport Vlaanderen is optimaal. Deze middag is nog maar net de kinesist naar huis vertrokken omdat hij met de Borlées meegaat. Vroeger kon er geen kinesist af.”

Bart: “Commercieel heeft dat olympisch zilver nog niet al te veel opgeleverd, maar dat hoeft ook niet. Ik praat nu met een mogelijk nieuwe commerciële partner. Veel sponsors betekent meer geld, maar ook veel meer beschikbaarheid van mijn kant en dat kan ik er niet nog eens bij nemen.”

Jelle: “Wat ik heb geleerd van de Noren? Hun topsportcultuur. Het is bekend dat wij die niet altijd hebben in België. Ik zag dat ook in het olympisch dorp, waar Belgen arriveerden aan wie je zo zag dat die niet de juiste attitude hadden. Als je in Noorwegen in die olympische ploeg komt, dan word je automatisch in de juiste attitude gedwongen. Wij werken andersom: we selecteren, we zien dat ze slecht presteren en we nemen geld af. Misschien moeten we investeren in het doorgeven van een topsportcultuur.”

Bart: “De bondscoach van de Noren die zo succesvol was, is het beste voorbeeld. Hij heeft gescoord met schaatsen en is nu doorgeschoven naar een andere functie in hun olympisch sportprogramma Olympiatoppen.”

Jelle: “Die gaat onder meer de roeiers begeleiden, een sport waar hij zelf niet uit komt, maar hij krijgt tijd om zich in te werken.”

Bart: “Wij hebben nu die structuur in België en die kennis om in het schaatsen mee te draaien. Het zou zonde zijn dit verloren te laten gaan.”

Jelle: “Ik ben aan het praten met het BOIC over een continuering van die topsportstructuur in het schaatsen en bij uitbreiding de wintersport. Sport Vlaanderen is voor ondersteuning blijkbaar gebonden aan resultaten. Er is talent dat de stap wil zetten en Bart heeft getoond dat de combinatie van skeeleren en schaatsen perfect kan. Tot voor kort mocht je van de skeelerbond geen WK of EK rijden als je ook schaatste. Als je Bart Swings heet, mocht dat wel, want hij won de medailles. Dat is nu veranderd met onze nieuwe schaatsvoorzitter Corné Lepoeter (schoonzoon van Hans van Kasteren, bekend van het veldrijden , HV), Die heeft toenadering gezocht tot de skeelerbond en ze gaan samenwerken.”

Bart: “We hebben een groot nieuw talent in het skeeleren: Jason Suttels. Hij is wereldkampioen geworden bij de juniores en zet binnenkort zijn eerste stappen op het ijs. Ik heb met die jongen getraind en die heeft alles om het te maken.”

 

Het EK skeeleren  in Oostende duurt tot donderdag 23 augustus. Die dag staat de marathon op het programma en die wordt op de weg gereden. Het is de enige race waarin Bart Swings in eigen land te zien is.

Columns over Belgische sportprestaties in De Morgen van zaterdag 11 en maandag 13 augustus 2018

Goednieuwsshow bij de Belgen

De Morgen – zaterdag 11 Aug. 2018

 

Kimberly Buys vindt dat ze tot de grootsten van België behoort omdat ze Europees brons heeft behaald op de 50 meter vlinderslag. In onze krant stond “bij de grootsten” tout court en dat was verslikken in de koffie. In hoeverre proxy bias heeft gespeeld – hoe kleiner de delegatie journalisten, des te nabijer bij de atleet en des te subjectiever het oordeel – is niet duidelijk, maar met een bronsje op de 50 vlinder is ze er lang nog niet.

“Er zijn”, in zwemtaal betekent dat haar topsportcontract behouden. Top acht van Europa in een olympisch nummer is dan zo’n beetje de norm. Ten eerste is 50 vlinder geen olympisch nummer en ten tweede is er vaak een reden waarom de 50 beter lukt dan de 100: voor de 100 is een ander energiesysteem nodig en als dat niet meer trainbaar is, kun je wel nog de hele korte afstanden aan. Op haar 29ste zou dat niet onlogisch zijn.

Zwemmen heeft het overigens als enige sport heel slecht gedaan in Glasgow, waar voor het eerst een aantal sporten hun Europese kampioenschappen op dezelfde plek hielden. Dat deden ze om de media – lees: vooral de televisie – ter wille te zijn. Eén productie, één perscentrum, één trip, minder personeel, meer aandacht, er zaten alleen maar voordelen aan.

Niet het minst voor de aanwezige Belgische media, die elke dag wel een hoera konden laten weerklinken: wéér een medaille, nóg eens goud, ai net een medaille gemist, goed gedaan… Het was me daar een goednieuwsshow in Glasgow. In Berlijn op het EK atletiek was het traditioneel ook feest. Bashir Abdi die zilver wint op de 10.000 meter, oké, netjes gedaan, maar straks op het wereldpodium lopen de Kenianen en Ethiopiërs hem op één ronde. Nafi Thiam, dat was schrikken. Geen Europees record in zicht en lange tijd zelfs geen goud.

Dé Belgische sportprestatie van deze zomer is niet geleverd in Glasgow of Berlijn, maar in Aarhus in Denemarken, waar geen enkel medium iemand naartoe stuurde en waar dus heel weinig over werd bericht. Waar Evi Van Acker niet in slaagde, lukte Emma Plasschaert bij haar eerste deelname: wereldkampioen worden in de sterk bezette laser radial-klasse.

Plasschaert zou sportvrouw van het jaar moeten worden met haar EK-brons en WK-goud, maar te vrezen valt dat de stemformulieren van de Franstalige collega’s de komende tien jaar zijn voorgedrukt met de naam van Nafi Thiam op één. Zoals ook Bart Swings met zijn olympisch zilver sportman van het jaar zou moeten worden, maar de voetbaljournalisten en de Franstaligen zullen massaal op Eden Hazard stemmen.

Maar nu de hamvraag: zijn we zo goed als we wel denken dat we zijn? Dat verdient een genuanceerd antwoord. We zijn niet zo goed als we denken dat we zijn, maar we zijn ook lang niet meer zo slecht als we ooit waren. De laatste keer tellen zaten we in het sportjaar 2018 aan negentien medailles. Als de 4×400 mannen en vrouwen hun niveau halen, kunnen we na dit weekend aan 20, misschien 21 zitten.

Worden in deze rekening meegenomen: alléén de medailles in de olympische disciplines. De zilveren scratchmedaille van Jolien D’hoore telt niet mee omdat het geen olympisch nummer is. Idem voor het zilver van Kenny De Ketele in de puntenkoers en het brons van Kimberly Buys. Is dat discriminatie? Neen, dat is realisme en zo doet iedereen het. Sportlanden klein en groot concentreren hun talent op de olympische disciplines omdat de Olympische Spelen het summum zijn. De rest zijn B-nummers.

Negentien medailles en in dit weekend misschien 20 of 21 is in een even jaar, pal in het midden van de olympische cyclus, een record voor België. Nooit hebben we beter gescoord. Onze vorige beste prestatie in een identiek jaar dateert al van 1994, toen we twaalf medailles wonnen.

Ook dat moet weer worden genuanceerd: in 1994 waren er 843 olympische disciplines in 26 sporten. Voor Tokio zijn er 1.073 in 33 sporten, dat betekent bijna 30 procent meer medaillekansen. Nog een bemerking: het EK baanwielrennen is pas in 2010 voor het eerst georganiseerd en het EK wegwielrennen pas in 2016. Tot overmaat van ramp worden die EK’s nu elk jaar gehouden.

Vergeleken met 25 jaar geleden zijn er de helft meer WK’s en EK’s. Er is met andere woorden een inflatie aan kampioenschappen en medailles, en dus is het niet meer dan normaal dat ook wij meer medailles winnen. Dat heeft gevolgen voor de waarde van de medailles.

Het goud voor Victor Campenaerts in het tijdrijden is mooi meegenomen, maar als de echte tijdrijders volgende maand op het WK in Oostenrijk verschijnen, zal hij zijn hotseat snel moeten afstaan. Bondscoach baanwielrennen Peter Pieters toonde zich dan weer tevreden omdat in alle olympische disciplines een topachtplaats is gehaald. Wat Pieters er niet bij zei: de meeste landen stuurden niet hun eerste keus. De resultaten van het WK baanwielrennen eerder dit jaar zijn veel relevanter. Daar haalde België één ‘olympische’ medaille: het schitterende goud in de keirin van Nicky Degrendele.

Resultaten behaald in het verleden zijn geen garantie voor de toekomst, maar daar trekt de gymnastiek zich niks van aan. Nina Derwael is met haar twee individuele medailles de uitschieter in Glasgow. Het onbegrip voor de beslissing van de bondscoach om de teamfinale te laten schieten, getuigt van weinig topsportkennis. Topsport is prioriteiten stellen en met een WK in Doha dat er nog aankomt eind oktober hebben de coaches Yves Kieffer en Marjorie Heuls hun prioriteiten op orde: het mondiale niveau is de referentie.

Ook daar kunnen nog medailles worden behaald, net als op het WK hockey voor mannen, het WK wielrennen en het WK judo. 2018 wordt het misschien het jaar waarin we de meeste medailles haalden in olympische disciplines. Soms is dat een voorteken voor het betere grote werk op de Spelen. Soms ook niet.

HANS VANDEWEGHE

Copyright © 2018 De Persgroep Publishing. Alle rechten voorbehouden

Copyright © 2018 Belga. Alle rechten voorbehouden

 

2018, een recordjaar

Hoog tijd dat de sportinstanties in dit land hun subsidielat op mondiaal niveau leggen. Top zestien op wereldkampioenschappen is een vele betere graadmeter dan top acht op de Europese kampioenschappen.

Ooit waren Europese kampioenschappen vierjaarlijks, maar tegenwoordig is er op elke hoek van de straat en elke week wel een EK. Er komen daarnaast absurde leukigheden bij zoals gemengde teams. Wat achter het waanidee zit dat elke sport een beetje korfbal moet zijn, is een behoorlijk raadsel. In de atletiek zijn ze nu ook al om en in Tokio wordt zowaar een gemengde 4×400 gelopen, net zoals er een gemengde 4×100 wordt gezwommen.

Let op, daar komt alleen maar ellende van en niet het minst voor de vrouwensport, die nu al bedreigd wordt door de juridische aanval op de testosterondrempels van hyperandrogene vrouwen. Mijn goede raad aan de medemannen in de sport: niet mee bemoeien, dat de vrouwen het zelf maar uitzoeken, want anders hebben wij het weer gedaan.

Laat voorgaande oprispingen uw pret als fan van de Belgische sporters niet bederven. Hou er wel rekening mee dat de ene Europese medaille meer waard is dan de andere. Zo mag u zich niet blind staren op de wielermedailles die de voorbije week zijn gehaald, met uitzondering misschien van de ploegkoers.

Pakweg dat brons van onze gemengde – jawel – triatlonploeg is veel opmerkelijker en meer dan een voetnoot waard. Triatleten zijn van de hardste werkers in de sport en zo’n aflossingswedstrijd geeft hun de exposure die ze verdienen. Bovendien heeft België, lees Vlaanderen, een goede topsportwerking op vlak van triatlon en twee medailles in olympische disciplines is de duw in de rug die ze al lang verdienen.

Nog meer hartverwarmend sportnieuws viel gisterenochtend te rapen met Koen Naert, die Europees kampioen in de marathon werd. Oké, Europa telt niet mee als het om afstandslopen gaat. Point taken, maar dit is een ander verhaal. Dit is in de eerste plaats het succes van nog zo’n hele harde werker, die eindelijk wordt beloond met een mooie tijd, gelopen in een wedstrijd waarin het om de eerste drie plaatsen ging.

In die moeilijke wedstrijdsetting, zonder hazen, wint hij dan ook nog eens afgetekend goud in een persoonlijk record (2u09:51), dat ook het kampioenschapsrecord is. U leest het goed: nooit heeft een atleet op een EK sneller de marathon gelopen dan Koen Naert uit Moerbrugge.

Hij is het type atleet dat bijblijft als je daar na het gesprek bent vertrokken en het verhaal is uitgeschreven (De Morgen van 7 april 2017 voor wie het interesseert). Naert woont in een dorp naast het mijne en ik zie hem regelmatig langs het kanaal zijn kilometers malen. Hij is in de eerste plaats een begenadigd loper, die nu de psychologische barrière van 2u10 heeft geslecht, maar hij is daarnaast ook een goed mens.

Op 22 maart 2016 was hij onderweg naar Leuven toen hij op de radio van de aanslagen in Zaventem en Maalbeek hoorde. Hij had verlof zonder wedde als gespecialiseerd verpleger in het brandwondencentrum van Neder-Over-Heembeek, maar belde zijn collega op en vroeg een badge klaar te leggen. Kom maar helpen, had die gezegd, je hebt de kennis en die kunnen we gebruiken. En zo lag Naert niet voor een deugddoende osteopathische behandeling op een tafel, maar stond hij zelf 24 uur lang recht op zijn meest waardevolle instrumenten, zijn benen. Omdat de slachtoffers van Zaventem en Maalbeek voorgingen op zijn sport.

Wat zaterdag in deze rubriek nog in de voorwaardelijke wijs stond – 2018 kan het beste Belgische sportjaar ooit worden op vlak van medailleoogst – is na dit bijzonder sportweekend een feit. In 2018 zitten we voorlopig aan 23 ‘olympische’ medailles, met nog enkele wereldkampioenschappen op komst. Dat is tien medailles meer dan in een gelijkaardig sportjaar tussen de Olympische Spelen en drie meer dan in het recordjaar 1995, toen we negentien olympische medailles wonnen.

Van die negentien kwamen er dat jaar acht alleen al door het judo. In de telling van 2018 heeft judo twee stuks bijgedragen. Van die negentien in 1995 kwamen er ook zes van het zwemmen, van Brigitte Becue, Fred Deburghgraeve en Stefaan Maene. Bijdrage voor 2018 van het zwemmen: nul (olympische) medailles, nul Belgische records, één persoonlijk record.

Cijfers zeggen niet alles en verdienen altijd weer die nuancering: sinds 1995 zijn de medaillekansen met 30 procent gestegen omdat er 30 procent meer olympische disciplines zijn. Reken daar nog eens de inflatie aan kampioenschappen bij en dan is die 23 al minder exceptioneel. Wel bijzonder is dan weer de verscheidenheid aan sporten: de 23 stuks werden gewonnen in 8 verschillende sporten.

De onnavolgbare loper Pieter-Jan Hannes wilde dat ik de column van afgelopen zaterdag herzag en dé prestatie van afgelopen week niet langer toeschreef aan de wereldkampioene zeilen Emma Plasschaert, maar aan Koen Naert. Liever niet. Vergelijken is ten eerste niet altijd mogelijk en bovendien heeft afgelopen weekend, nog meer dan de marathon, de 4×400 verbaasd.

Hoe die Jonathan Sacoor in de derde 400 de pas gekroonde Europese kampioen Matthew Hudson-Smith opving en afhield toen die hem voorbij wilde, en vervolgens gewoon losliep, dat was fenomenaal voor een 18-jarige.

Wat daarna gebeurde, was zelfs exceptioneel: Kevin Borlée die middels een 43.91-tussentijd (dat is een mooie 44’er waard) een Spanjaard die zeven meter voor hem liep inhaalde, ter plaatse liet en zich op de borst kloppend naar goud snelde.

 

Column 11 en 13 aug 2018-mail