Interview Johan Museeuw in De Morgen van 4 april 2015

‘Ik snap die mannen in de wagen niet meer’

Vlaanderens beste klassieke renner van de laatste veertig jaar fietste de voorbije week met zijn leerlingen, fileerde de koers in de kranten en netwerkt morgen voor Proximus. Maar waarom zit Johan Museeuw (49) niet in een ploegauto of bij de VRT? ‘Ik zou meer kunnen betekenen in de koers.’

Een waanzinnige opeenstapeling van wielerwedstrijden op onze kleine kluit: de heilige week voor de katholieken is ook de heilige week voor de Vlaamse wielerliefhebbers en al helemaal de week van Johan Museeuw. Hier, tussen Meerbeke (vroeger) en Roubaix heeft hij zijn grootste triomfen behaald. Elke steen wist hij te liggen, van elke bocht kende hij de draai, om elke hoek wist hij hoe de wind stond. Dit was Johan Museeuwland. No country for weak men, zoals de voorbije weken weer eens is gebleken.

“Met die wind in Gent-Wevelgem zaten we aan de limiet”, zegt Johan Museeuw. “Als Gert Steegmans, met zijn fiets toch om en nabij de honderd kilo, van de weg wordt geblazen, dan weet je het wel. Maar dan: neutraliseren. Oké. In De Moeren? Waar moet je met die tweehonderd wielrenners en hun fietsen naartoe? Rustig verder rijden naar Wevelgem is een optie, maar die wind blijft.

“Alles is terug te voeren op hoe men met de wielrenners omgaat: de gezondheid is geen bekommernis. Wij hadden destijds niks te zeggen en vandaag hebben ze nog niks te zeggen. Een deel daarvan is onze schuld, dat zeg ik er meteen bij: onze generatie heeft zo veel fouten gemaakt dat renners vandaag nog steeds geen poot hebben om op te staan.”

Het is toch niet omdat jullie naast de pot hebben gepist, dat renners moeten verongelukken? Jij lag naast Fabio Casartelli op 18 juli 1995.

Johan Museeuw: “In de afdaling van de Portet-d’Aspet in de Tour, ik lag in zijn bloed. Ik ben opgestaan, heb helemaal alleen de rit uitgereden, ben buiten tijd aangekomen maar opgevist. Het eerste wat je vraagt aan de arrivée: hoe is het met Fabio? ‘Fabio is dood’, antwoordt men dan. Oké. We hadden nog een week Tour en ik durfde niet meer naar beneden. Na een week rij je weer als daarvoor.

“Wat ik bedoel met onze generatie, is dat er door onze schuld een no needle policy is gekomen, méér controles dan ooit binnen en buiten de koers, en daar kan men verder niks op tegen hebben. Maar al het andere is níét veranderd. De Tour duurt nog altijd 23 dagen en als ze genoeg geld krijgen van start- en aankomstplaatsen, dan leggen ze met plezier een etappe van 250 kilometer in. Mét vijf cols? Daar vegen ze hun charel aan. Maar de mannen van de Tour zijn wel de eerste om te eisen dat het clean moet zijn.

“Er zou een parcourskeuring moeten komen voor elke koers van niveau door een ex-renner. Die herkent onmiddellijk de gevaarlijke punten: te lang, te zwaar, een vluchtheuvel die verkeerd ligt: dat ziet een buitenstaander niet. De wielerbonden kunnen dat ook niet: als ik zie welke parcoursen die soms goedkeuren.

“Het is niet normaal hoe vaak er gevallen wordt. Of ze kunnen niet meer sturen, of het parcours is gevaarlijker geworden, of er scheelt iets met het materiaal. Hoge velgen en een andere zitpositie ten opzichte van de trapas maken dat de fiets anders loopt. Die stuurt direct weg, is veel nerveuzer. Ik zie nu ook pistiers vallen, en als er één ras is dat heeft leren sturen, dan wel de mannen die van de baan komen.

“Anderzijds rijden ze hun eerste koersmaand in de Emiraten. Honderd kilometer rechtdoor, draaien rond een kasteel en honderd kilometer terug. Mooi weer, mooie wegen, soms wat zijwind. Vervolgens komen ze bij ons terecht op die smalle, modderige wegen en het contrast is groot. Er zijn te veel renners die ook veel beter in conditie zijn en die allemaal denken dat ze kunnen winnen. Fabian Cancellara schat dat er vijftig renners te veel meerijden, waaronder veel cowboys, en dat zou wel eens kunnen.”

Die van ons denken ook dat ze kunnen winnen, maar ze winnen haast nooit. Koersen jouw opvolgers niet een beetje dom?

“Ik mag zeggen dat ik als renner superintelligent was – ik heb het nu over mijzelf als renner – want ik zag koers, ik durfde te pokeren, ik durfde risico te nemen.

“Ik heb vaak tegen mijn ploeg gezegd: nog niet, nog niet, wachten om op kop te rijden. Ik zie dat niet meer en ik snap bijvoorbeeld ook niet waarom Etixx-Quickstep zonder de kopmannen van in het begin van de koers initiatief neemt. Als die ploeg met al die sterke renners nu eens zou durven te pokeren, dan zijn ze niet met drie, maar met zés mee.

“Wat daar gebeurde in de Omloop Het Nieuwsblad was een dieptepunt, maar het was geen alleenstaand geval. Stijn Vandenbergh die achter Niki Terpstra rijdt, Tom Boonen die op een brug niet weg geraakt van Ian Stannard die uiteindelijk drie Etixx-Quicksteppers klopt. In Gent-Wevelgem reed Zdenek Stybar plat waarop Vandenbergh demarreerde en zijn oortje uit trok.

“Hoe ik dat zie? Of ik zie het onmiddellijk of ik zie het als ik de koers op maandag herbekijk. Nu ja, dit probleem is niet zo moeilijk te duiden: Vandenbergh, Stybar en Terpstra zijn einde contract.”

Onze Vlaamse renners groeien van bij de nieuwelingen op met kasseien en korte hellingen, maar ze worden geklopt door iemand die op een wielerbaan gedurende een baanronde op kop 700 watt en meer stampt.

“Geraint Thomas? Je zag wel in Harelbeke dat hij 700 watt kon duwen. Hij ging even links rijden en ze waren al uit het wiel. Eerst reed hij nog een meter van de kant, wat niet slim was van hem, want zo konden ze nog wat in zijn wiel blijven. Als je op kop gaat, moet je met zijwind helemaal op de zijkant gaan rijden.

“Greg Van Avermaet is een renner naar mijn hart, maar tijdens één koers denk ik vijftien keer: Greg, wat doe je nu? Sep Vanmarcke heeft hetzelfde probleem. Is dat faalangst? Geen koersintelligentie? Zijn ze té sterk? Dat zou ook kunnen, maar je krachten moet je opsparen voor de finale. Wat Jürgen Roelandts deed in Gent-Wevelgem, was jezelf in de vernieling rijden om een uur op televisie te komen.

“Ik snap ook die mannen in de wagen niet. Die komen dan naast zo’n Roelandts rijden die bezig is met zelfmoord te plegen en krijgen bijna een orgasme, terwijl ik denk: dom, dit leidt nergens toe. Soms denk ik dat ze in de auto’s nog niet beseffen dat de tijd van de epo voorbij is. Ik zie nog steeds dat mensen op kop rijden van wie men ook nog verwacht dat ze de finale moeten rijden. Dat gaat dus niet meer: het is het één of het ander.”

Ben jij van: in onze tijd was het beter?

“Het is vrij duidelijk dat onze tijd niet meer terugkomt en maar goed ook. Ik reed een voorjaar van Gent-Gent tot en met Luik- Bastenaken-Luik, als het een beetje meezat. Om te recupereren, hadden wij middelen ter beschikking die niet meer kunnen. Nogmaals: goed zo. Maar ik vind het wel jammer dat bij zo veel renners na Parijs-Roubaix het vat af is. Met een beetje minder zware wedstrijden zouden de renners langer meegaan in het voorjaar.

“Er zou natuurlijk ook iets aan de kalender moeten veranderen. Wij hebben hier al onze mooie koersen in twaalf dagen: Dwars door Vlaanderen, E3 Harelbeke, Gent-Wevelgem, voor wie wil de Driedaagse De Panne, en morgen de Ronde van Vlaanderen. Een maand geleden hadden we al eens de Omloop Het Nieuwsblad, waarvan je je kan afvragen of die op dat tijdstip niet in een verkeerd land wordt gereden, maar dan is het wel echt een koers van niks.

“Wat de teamdiscipline betreft: mij hebben ze nooit moeten zeggen wat er moest gebeuren, ook Patrick Lefevere niet. Ik nam zelf de beslissingen, maar er was een hiërarchie. Wat in Gent-Gent met Etixx-Quickstep is gebeurd, dat zou met Patrick in de auto niet waar zijn geweest.

“Nu, een goeie Boonen besliste ook zelf wanneer het tijd was om te gaan. Alleen is Tom niet meer dezelfde als in 2012 en vroeger. Ook dat herken ik: je beseft niet dat je minder bent, want je denkt dat je met ervaring het verschil kunt maken. Niet dus, en er is ook niemand die je zegt dat je minder bent.”

Jij begeleidt nu je renners van de wielerscholen waar je les geeft. Doe je dat op buikgevoel?

“Veel op buikgevoel, ja, omdat je je moet aanpassen aan hoe de atleet zich voelt. Ik weet natuurlijk wat ik al die jaren heb gedaan: ik heb destijds toch met iemand als Aldo Sassi (de overleden meester-trainer; HV) gewerkt. Al mijn trainingen heb ik genoteerd en dat hebben ze bij de huiszoeking in 2003 gelukkig niet meegenomen. (lacht) Ik schreef ook op wanneer ik goed was, en als je dan terugkijkt naar wat je hebt gedaan op training, leer je daar veel uit.

“Uiteraard is er veel veranderd. Ik reed aan 90 omwentelingen, nu trainen we soms aan 120. De vermogensmeting is ingeburgerd en die heb ik nog net meegemaakt. Die hoge trapfrequentie moet je dan weer ondersteunen door stabiliteitstraining, heb ik geleerd. Het is niet dat ik geen basis heb, maar een verkorte trainerscursus voor ex-wielrenners zou welkom zijn en die zou ik graag volgen.”

Je geeft drie halve dagen per week les. Wat doe je nog?

“Ik ben nu bezig met een Strava-parcours af te punten voor Esso dat zich daarin wil profileren. Een groot project, dat wordt gecoördineerd vanuit Londen. Dat heb ik dinsdag samen met mijn leerlingen afgereden, met de GoPro en de gps.

“Ik heb gewerkt voor Flanders Classics, maar nu werk ik voor Proximus Cycling Challenge die de hoofdsponsor van Flanders Classics is. En ik heb de Museeuw Cycling Academy in samenwerking met Kortweg Cycling Travel. Ik fiets met gasten rond Mojácar in Spanje en één avond hou ik een praatje en dan mogen ze alles vragen: over koers, doping en seks.

“Ik kijk vooral wat op mij afkomt. Is dat minder, dan rijd ik veel met de fiets. Is dat veel zoals nu en is het vooral veel met de fiets rijden, dan ben ik dubbel gelukkig. Je hebt een schoon leven, zeggen ze soms. Ja, maar dat heb ik wel zelf afgedwongen. Achttien jaar heb ik alles eraan gedaan om zo veel mogelijk koersen te winnen. Alles moest wijken, ook mijn huwelijk.”

Je hebt de eerste jaren na je carrière niet veel geschenken gekregen.

“Nee, maar ik heb mij herpakt na vijf moeilijke jaren. Het begin was zwaar. Ik ben ook overal en door iedereen afgeschoten. Je komt buiten en je vraagt je af: hoe kijken ze nu naar mij? Pas als je door die fase bent, kun je weer functioneren.

“Bij mij kwam dan ook het besef dat ik niet langer meer wilde liegen. Ik was niet de laatste die tegen de lamp vloog, uiteindelijk bleek ik één van de eersten en zeker niet de enige en ging ik op in de massa. .

“De aflevering van Kroost met Niels Albert van de week was heel herkenbaar. Zelfmoord zat er ook bij mij nooit in, maar met jezelf overhoop liggen, dat wel. Dat duurt tot je aanvaardt wat er is gebeurd, wat je fout hebt gedaan. Op een dag komt het besef dat mensen jou de rug hebben toegekeerd – soms je beste vrienden – omdat hen dat goed uitkwam.”

Je ziet koers, je analyseert duidelijk. Waarom ben jij geen ploegleider?

“Ik heb vorig jaar een aanbod gehad van BMC om tactisch adviseur te worden voor de voorjaarskoersen. Allan Peiper stond daar honderd procent achter, maar Jim Ochowicz (mede-eigenaar van de ploeg; HV) heeft dat tegengehouden. Waarom? Mijn verleden, denk ik.

“Dat is jammer, maar ik moet daar mee leven. Dus zit ik nu voor de televisie en krijg ik hartzeer van al de stommiteiten die ik zie gebeuren. Als ik met die gasten zou kunnen werken in de aanloop naar ‘mijn’ koersen, dan zou je iets anders zien. Ik vind het ook zonde dat Gilbert en Van Avermaet niet samen rijden in de Ronde van Vlaanderen. Gilbert is gemáákt voor de Ronde. Stel je voor dat een ploeg als BMC met een mooi tactisch plan met twee speerpunten aan de start komt. Je kunt haast niet verliezen.”

En bij Lefevere?

“Daar zal ik nooit terechtkunnen. Het waarom daarvan laat ik in het midden. Ik heb mij natuurlijk deze week weer niet populair gemaakt met mijn analyse van wat er fout is gegaan in die ploeg, maar ik zeg het zoals ik het zie.

“Weet je wat ze zullen zeggen achter mijn rug: ‘Ja, Johan is op zijn kop gevallen’. Dat klopt, ik heb ooit dat motorongeval gehad en daar een tijdje een letsel aan overgehouden en ik was twee jaar niet mijzelf, maar dat is echt wel voorbij.

“Ik zie dingen gebeuren waarvan ik denk: dit is niet normaal. Tom Boonen, die vorig jaar in Parijs-Roubaix op 80 kilometer van de meet begint te koersen. Hoe komt dat, denk je? Simpel: omdat hij druk voelt vanuit de eigen ploeg.

“Patrick leest dit niet graag en ik had hem aan de telefoon verwacht, maar ik heb mij wel voorgenomen om mij niet meer in te houden, ook als het ten koste van iets of iemand is. Ik schiet daar niks mee op. Ik zeg wat ik zie en ik kan alleen maar hopen dat men niet rancuneus is, zoals ik ook niet rancuneus ben. (fijntjes) Anders had ik hier niet met jou gezeten.”

Analist bij de televisie zou ook kunnen, al doet Eddy Planckaert dat goed.

“Heel goed, met de nodige humor ook. Ik was analist, in 2003, naast Karl Vannieuwkerke. Toen kwam die huiszoeking en werd ik van het scherm gehaald. Sindsdien ben ik blijkbaar niet meer gewenst. Ik heb het vermoeden dat ik als renner wel eens iemand van de VRT onheus heb aangepakt en dat dit zich nu nog wreekt. Laten we zeggen dat ik weet dat dit de reden is. (lacht)

“Ja, ik zou meer kunnen betekenen in de koers. Daar sta ik soms wel eens bij stil, in het bijzonder in deze periode als ik al die dommigheden zie gebeuren. Anderzijds heb ik mij vijf jaar geleden voorgenomen gelukkig te zijn en alleen nog dingen te doen omdat ik ze graag doe en ook om een beetje de kosten te dekken.

“Neen, eigenlijk moet ik niet meer werken, ondanks die veroordeling, ondanks die scheiding. Véronique en ik kunnen het nog goed met elkaar vinden en met mijn kinderen gaat dat ook prima. Ik denk dat ik het goed heb geregeld, met respect voor Véronique die alles voor mij heeft opgeofferd. Een renner moet gepamperd worden en dat heeft zij gedaan. Zie je die twee daar zitten? (Twee jonge vrouwen van wie Museeuw de renner-vriend kent, eten in hetzelfde restaurant als wij; HV) Die moeten hier niet zitten, die moeten bij hun coureur zijn om hem in de watten te leggen.

Heb je spijt dat je twintig jaar geleden moest koersen en niet vandaag, nu het simpeler is?

“Ik kan van niks spijt hebben. Ik was de beste in mijn koersen, met alles wat wij ter beschikking hadden, en ik zou ook de beste geweest zijn zonder.

“Dat geldt evengoed voor Armstrong. We hebben allebei gekoerst in een periode dat het zonder niet kon. Punt uit. Ik ben daar heel eerlijk in. Ik herinner mij een Tour de France waar ik op en top voorbereid was en clean startte, maar ik kwam er niet aan te pas. Gasten als Claudio Chiappucci en Massimo Ghirotto reden ons naar huis waar en wanneer ze maar wilden.

“Renners voelen of iemand boven zijn kunnen presteert. Bjarne Riis was zo iemand van wie ik dacht: normaal kan die dat niet. Riis is als renner ver gegaan, maar achteraf ben ik wel een fan geworden van de sportdirecteur Riis. Klasse hoe die dat aanpakte en jammer dat hij nu weg is.”

Jij bent in de perceptie nooit herleid tot een dopingfabriek op twee wielen, zoals jouw generatiegenoot Lance Armstrong wel is overkomen.

“Wat met Armstrong is gebeurd, is een regelrechte schande. Dat weet iedereen die op een fiets heeft gereden. Hij zegt dat hij hetzelfde zou doen als hij in de situatie van 1995 zou terechtkomen, maar vandaag dan weer niet meer.

“Ik kan dat alleen maar beamen. Als je wordt weggereden door iemand die een wondermiddel heeft en die niet beter is dan jou, dan is de stap snel gezet. Ik ben blij dat het er vandaag anders aan toegaat. Een jonge gast die in onze tijd in het peloton kwam, reed zich stikkapot en eindigde nergens. Vandaag kunnen ze inpikken en zelfs winnen. Heel goed is dat.”

Ik heb nog één kopbreken: hoe vol zat jij toen je wereldkampioen werd in Lugano in 1996 op een parcours dat het jouwe niet was?

“Niet vol, helemaal niet zelfs. Ik had destijds 43,5 hematocriet en nu heb ik nog 45. Ik kon nooit veel bijspuiten, want voor ik het wist zat ik aan 50.

“Dat was ook de aanpak met mij: miniem, want ik had heel weinig nodig. Voor de Ronde en Parijs-Roubaix twee streepjes Diprophos op vrijdag en dat was alles. (aarzelt) Ik ga daar vandaag echt niet meer om liegen. Achteraf beschouwd had ik zelfs nooit de indruk dat die corticosteroïden echt werkten. Het zal wel meer het placebo-effect geweest zijn dan wat anders. Epo was een ander verhaal: dat voelde je werken.”

Wie wint zondag in Oudenaarde en de week erna in Roubaix?

“Geraint Thomas rijdt de finale van de Ronde van Vlaanderen en is favoriet, maar ik zie Zdenek Stybar ook dicht eindigen. Als ik ploegleider was, maakte ik van Stybar de enige absolute kopman, maar dat zal wel niet gebeuren. Dus zien we er wellicht weer vijf van dezelfde ploeg voor eigen rekening rijden.

“Ik denk dat Patrick Lefevere weet dat hij een probleem heeft in zijn ploeg. Na de Omloop kregen ze een mail: ze waren geselecteerd, maar ze moesten zich aan de tactische consignes houden. Of ze dat wilden bevestigen dat ze het daar mee eens waren. Per mail, nog wel. Er zal natuurlijk geen enkele ‘neen’ geantwoord hebben, maar in hun binnenste…

“Bradley Wiggins zal de ronde rijden, maar hem verwacht ik voor Parijs-Roubaix en ik hoop dat hij wint. De meervoudige olympisch kampioen en de meeste Britse medailles ooit, wereldkampioen, Tourwinnaar, wil onze koers, míjn koers winnen? Hijzelf wordt er niet beter van en toch wil hij in Roubaix de eerste zijn. Dat is een hele eer voor ons.”

Museeuw

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s