Column over Wout en Mathieu (na Gent-Wev) in De Morgen van maandag 12 oktober 2020

We hebben een rivaliteit

Het zal ongetwijfeld te maken hebben met die veertig min of meer normale jaren voorafgaand aan 2020, en misschien dat de jongere lezer daar anders tegenaan kijkt, maar dit sportjaar wil ik snel vergeten. Nog zo een en ik geef er de brui aan.

Wie verzint nu een Gent-Wevelgem in herfstkleuren, samenvallend met Parijs-Tours, een bergrit in de Giro en ergens een Superprestige veldrijden, was dat niet in Gieten? Tegelijk nog wel met tennis op Roland Garros, wat een treurnis. Roland Garros hoort gespeeld te worden onder een mooie late lentezon, met heel af en toe een bui, maar niet onder een dichtschuivend dak bij twaalf graden.

Zaterdag won een Poolse dochter van een roeier haar eerste proftoernooi ooit, meteen een grand slam. Zondag was het Rafael Nadal tegen Novak Djokovic. ‘Djoko’ droeg lange mouwen, Nadal een horloge van 1 miljoen dollar. Daar knap ik ook op af.

Voetbal dan maar? Helaas. Deze treurnis-met-bal-op-gras kan echt niet boeien. Niet de competitie, niet het Europees voetbal wat al is gepasseerd en wat nog moet komen en al helemaal niet het interlandvoetbal, het is één grote schone schijn die wordt opgehouden. Die oefeninterland tegen Ivoorkust deze week, kan iemand daar het nut van uitleggen? Idem voor de Nations League overigens. Zou er echt een topland geïnteresseerd zijn in dat onding? Ik heb medelijden met collega’s die daarover pagina’s vol moeten schrijven. Dit is de rechte weg naar een burn-out. Kan iemand ook uitleggen waarom de ene sportkrant in Vlaanderen het onding tegen Ivoorkust best wel oké vond en de andere niet? Zou dat met de commerciële deals rond de Rode Duivels te maken hebben?

Net toen najaars- of nacarrièreblues ongenadig hard wilde toeslaan, was er de finale van Gent-Wevelgem. Hoop doet leven. Heerlijke koers gezien, weeral. Wielrennen is de enige sport die beter is geworden van corona, zo lijkt het wel. Dat beeld van de nummers acht en negen in de uitslag, de beste sprinters op papier van de kopgroep tot op enkele kilometer van de meet, maar kansloos want te veel kruit verschoten. En dan die interviews. Dames en heren, ouderen en jongeren, sire, we hebben weer een rivaliteit in het cyclisme gelijkwaardig aan die tussen Rik Van Looy en Eddy Merckx destijds. Met dat verschil dat wij er veel langer van kunnen genieten want Rik was twaalf jaar ouder dan Merckx, die al na een jaar veel te sterk was voor Van Looy.

De rivaliteit tussen Wout van Aert en Mathieu van der Poel moet niet ten top worden gedreven, maar ze is geen verzinsel. Ze bestaat. Hoogst uitzonderlijk: ze is voor één keer niet uitgelokt door de media. Wel integendeel, in alle commentaren tijdens de dolle zomer van Van Aert bleef het respect voor Van der Poel groot. Terecht werd af en toe gewezen op de stappen die Van Aert had gezet en hoe zijn eeuwige rivaal Van der Poel daar zou naar kijken. Meer tweedracht is niet gezaaid. Van der Poel prees onlangs nog zijn concurrent als een van de beste renners van de wereld en hij gaf ridderlijk toe dat Van Aert dingen kon die hij niet kon.

Beetje vreemd hoe Wout van Aert na Gent-Wevelgem sprak. Hij zei iets in de trant van “ik vind het laag om zo te koersen” en “er was er een die liever wilde dat ik verloor dan dat hij won”. Harde woorden en als Van Aert het wedstrijdverslag zal terugkijken, spreekt hij wellicht anders. Van der Poel heeft veel geïnvesteerd in deze wedstrijd, meer zelfs dan Van Aert tot de finale begon. Dat hij vervolgens een paar keer een gat dichtreed op een groepje waarbij ook Van Aert zat, was zijn verdomde plicht. Alleen deed Van der Poel dat niet met de fluksheid die we van hem zagen in de finales van 2019 en kon hij niet reageren toen de vier wegreden.

Deze Van der Poel is niet de Van der Poel van 2019 en was gisteren net iets minder dan Van Aert, iets wat hij ootmoedig toegaf, maar Van Aert heeft ongelijk als hij beweert dat Van der Poel continu op zijn wiel heeft gereden. Hier schieten we niks mee op, jongens. Deze rivaliteit die in het veld is begonnen en die altijd keurig is gebleven – hoewel rond de WK’s in Bieles en Valkenburg heel even haat en nijd de bovenhand dreigden te nemen – kan een heel vervelend oorlogje worden.

Een Belg in Nederlandse loondienst die de beste Nederlander in Belgische loondienst laf koersgedrag verwijt, dat is heftig. Wout van Aert rijdt in het Oranje op wielen, Jumbo-Visma. Mathieu van der Poel, die woont in België en ‘Belgisch-Vlaams-Kempens’ spreekt, rijdt in de tricolore Nederlandse trui. Voor wie moeten wij Belgen nu partij kiezen: voor de Belgen van Alpecin-Fenix met een Nederlandse kopman, of voor de Hollanders van Jumbo-Visma met een Belgische kopman?

Interview Lotte Kopecky in De Morgen van zaterdag 19 oktober 2020

‘Veel vrouwen kunnen hard rijden, maar niet sturen’

Rit in de Giro, Belgische wegtitel, transfer naar een buitenlandse ploeg: Lotte Kopecky (24) heeft haar visitekaartje afgegeven in het mondiale wielrennen. ‘Er is niks erger dan een hele ploeg die zich voor jou uit de naad rijdt, waarna jij het verkloot.’

Eind oktober 2006. Het gezin Kopecky heeft de grote oversteek gemaakt van Schelle naar het Zilvermeer in Mol, waar Seppe, de oudste van drie kinderen, moet crossen bij de min-14-jarigen. Kleine zus Lotte, op haar eerste stalen Minerva-fietsje, start die 22ste ook. Seppe wordt vijfde na winnaar Laurens Sweeck, nu een subtopper bij de profs, Lotte wint bij de elfjarigen. De eerste kampioenentrui, die van de provincie Antwerpen, in een lange rij is binnen. Een dag later staat ze voor het eerst in de krant: een uitslag en een kort berichtje met haar naam in de titel. Op de gezamenlijke Antwerpse kampioenenfoto van 2006 staat bij de 13-jarige jongens een timide baasje, hij heet Wout van Aert.

Lotte Kopecky van Steeds Vooraan Kontich, provinciaal kampioen bij de elfjarigen, herinner je je dat nog?

“Jawel. Ik reed graag cross. Voor wie denkt dat het een echte overwinning was: je rijdt tot en met de nieuwelingen samen met de jongens. Meestal werden we eraf gereden. Ik was dus niet de eerste in die wedstrijd, maar het eerste van twee elfjarige meisjes dat over de streep kwam. Samen met de jongens rijden en trainen, ik heb niks anders geweten. Op de topsportschool trainde ik ook vaak alleen met jongens en nu nog rij ik soms wedstrijden bij de junioren. Laatst nog in Landskouter, Jolien D’Hoore reed ook mee.

“Vóór die wedstrijd hoorde ik jongens zich hardop afvragen wat ik daar te zoeken had, dat ze mij eens gingen laten zien wat koersen was… Winnen van die junioren kunnen we niet, maar we kunnen ze wel af en toe pijn doen. Je hebt er altijd die het raar vinden dat ze ons dat toestaan, maar voor ons is het een prima training. We moeten toch een indruk hebben nagelaten, want nadien kreeg ik allemaal vriendschapsverzoekjes.”

Wielrennen was niet je eerste en ook niet meteen je grote liefde.

“Neen, en dat is misschien maar goed ook. Sporten, bewegen, dat zat er bij ons thuis wel in. Ik heb eerst gevoetbald, als spits bij FC Schelle. En ik heb basketbal gespeeld. Toen mijn broer ging koersen, had ik daar niet zo veel mee. Eigenlijk fietste ik niet graag, maar ik dacht: waarom niet, laten we dat eens proberen.

“Ik heb nooit druk ondervonden van thuis. Mijn vader vond dat we moesten koersen als we dat plezant vonden. Waren we gelost, dan was dat zo. Als we maar ons best hadden gedaan en ons hadden geamuseerd. Volgende keer beter.

“Mijn vader heeft mij er onlangs nog aan herinnerd hoe ik hem toen al zei dat het toch mooi zou zijn als je wereldkampioen zou kunnen worden en de Olympische Spelen halen. In 2016 mocht ik naar de Spelen voor de tijd- en de wegrit en in 2017 werd ik samen met Jolien wereldkampioen. Volgend jaar gaan we naar de Spelen met een serieuze medaillekans. Dat had ik nooit durven dromen.”

Het is dinsdag, daags voor de Brabantse Pijl. Alleen losrijden staat die dag op het programma voor Lotte Kopecky, die thuis ontvangt, beschermd door een labrador, twee zwarte katten en een mondmasker.

Lotte Kopecky: “Wij worden twee keer getest vóór een grote wedstrijd en één keer voor een UCI-wedstrijd. Ik heb sinds augustus al wat wissertjes in mijn neus gehad. Ik weet van geen positieve testen bij de vrouwen. Bij de mannen ook niet, dat klopt, maar over de hele Tour de France geen enkele positieve test, geloof jij dat? Ik denk dat ze de test grondig of minder grondig kunnen doen, diep of minder diep. Ik heb die wisser al vooraan in de neus gehad, maar ze hebben hem ook al zo diep gestopt dat het een halve dag later nog pijn deed aan mijn sinussen.”

Was die lockdown in maart een beproeving?

“Ik vond het eerst erg vervelend. Al die mooie klassiekers die wegvielen. Daarna zag ik ook de voordelen: ik kon na jaren van koersen in de winter op de piste en in de zomer op de weg eindelijk eens rust nemen. Pas op, ik kan erg goed niks doen en als ik begin te kijken naar een serie, kan ik ook goed bingewatchen.

Zo heb ik alles van La casa de papel nog eens helemaal bekeken. Intussen zag ik collega’s hun training op Strava posten: die had 150 kilometer getraind, en die 160 kilometer. Ik dacht: doe maar. Willen jullie in augustus vliegen, mooi zo, ik wil in oktober vliegen.”

Je woont samen met je trainer Kieran De Fauw. Helpt dat?

“Dat ik privé rust heb gevonden, klopt. Ik voel mij momenteel goed in mijn vel, ik ben zelfverzekerder dan vroeger en ik ben gelukkig in die relatie. Dat zal allemaal wel zijn gevolgen hebben gehad voor mijn prestaties.

“Het grootste voordeel is dat ik mijn inbreng heb in wat ik doe. Ik ben zelf ook Trainer B wielrennen. Ik ken er wel iets van en ik doe niet om het even wat. Het is niet dat we ruzies hebben over hoe ik moet trainen. Wel soms een discussie: waarom vier uur met die blokjes uitgerekend nu, bijvoorbeeld. We scheiden dat: dan gaan we als atleet en trainer een uurtje zitten en spreken we alles door.

“Na de topsportschool heb ik mijzelf getraind. Ik werd vijfde in de Ronde van Vlaanderen en Jolien en ik werden wereldkampioen ploegenkoers. Ik dacht: waarom zou ik een trainer nodig hebben? Natuurijk heb ik toen fouten gemaakt. Vroeger was mijn devies: hoe meer, hoe beter. Nu train ik kwalitatiever en krijgen we van alle kanten wetenschappelijke input.”

Jij bent een product van de topsportschool. Heb je daar wat aan gehad?

“Jawel. Voor mij was dat het ideale traject. Baanwielrennen vind ik sowieso de beste opleiding. Het is de meest eerlijke discipline op de fiets, je traint heel gericht en je leert sturen. Dat komt van pas op de weg. Volgend jaar wil de UCI de pistemeetings in de zomer plannen en niet langer in de winter. Dat wordt vervelend voor wie ook op de weg wil rijden, maar ik wil het toch blijven combineren. Ik hou van de wielerbaan. Laatst hadden we nog een minimeeting in Aigle in Zwitserland, tussen het BK en de klassiekers, maar ik vond dat niet erg. Ik had er behoefte aan om weer wat beensnelheid te kweken en twee weken na Parijs-Roubaix hebben we alweer een EK baanwielrennen.

“Vijf jaar heb ik op de topsportschool gezet, waarvan vier jaar op internaat op de Blaarmeersen in Gent. Wij kregen nog les op een andere locatie, maar nu volgen ze les naast het internaat en honderd meter verder ligt de wielerbaan. Ideaal? (lacht) Misschien, maar wij hadden tenminste nog wat vrijheid. Het traject tussen de school en wielerbaan, dat vulden we zelf in. Zo konden we toch Gent een beetje ontdekken. De stad bedoel ik, de winkelstraten, niet de Overpoort. Die ken ik alleen van horen zeggen.”

Is dit het jaar van de doorbraak?

“Dat had 2017 moeten zijn, met die vijfde plaats in de Ronde van Vlaanderen en die wereldtitel, maar toen raakte ik geblesseerd: eerst een scheur in de hamstring en een jaar later een gebroken elleboog na een val. Ik heb het gevoel dat ik twee jaar ben verloren. Mentaal was dat een zware periode. Iedereen bestempelt je als het grote talent en hoewel je redelijke uitslagen rijdt, zit daar geen enkele uitschieter tussen. Dit seizoen heb ik een stap gezet. Ik ben ook vier kilo lichter dan vorig jaar, waardoor ik beter klim. Meer moet er voorlopig niet af: ik heb body nodig voor de piste.”

Op die topsportschool liep jij niet over van zelfvertrouwen. Je was zelfs heel introvert. Is dat veranderd?

“Het moet geleden zijn van de Chiro dat ik de luidruchtigste was. Op de topsportschool in Gent heb ik het eerste jaar geen tien woorden gezegd. Ik heb die behoefte niet meer om op te vallen. Ik weet wat ik wil en hoe minder mensen daar staan op te kijken, hoe comfortabeler ik mij daar bij voel.

“Op zich heb ik er geen probleem mee dat jij hier nu bent, maar ik voel mij wel ambetant als mensen te veel op mij letten. Als ik ga winkelen, heb ik de indruk dat ze in mijn kar kijken en zich afvragen ‘mag die dat wel eten?’. Stel dat ik Wout van Aert zou zijn, hoe erg moet dat niet zijn?

“Ik ga zo anoniem mogelijk naar de supermarkt. Geen koerskleren, geen logo’s van Lotto-Soudal. Anderzijds vind ik het plezant als mensen mij aanspreken en feliciteren. Ook als ik ga meerijden met de A-groep van wielertoeristen van Wippelgem, zal ik proberen op te gaan in de groep. Ik zeg weleens iets onderweg, ja, maar toch vooral als die naast mij eerst begint. En als de mannen vooraan echt beginnen te koersen, los ik.”

Hoe zit het nu voor volgend jaar? Mogen we schrijven dat je bij CCC-Liv gaat rijden?

“Het is van gisteren getekend.”

Vandaar die Porsche voor je deur.
(kijkt verbaasd)

Dat is een grapje.

“Ach zo. Neen hoor. Ik ga er wel iets op vooruit, maar nu ook niet heel veel. Ik kom wel in een betere ploeg. Marianne Vos vertrekt bij CCC en gaat naar Jumbo-Visma. Of ik de nieuwe Vos word? Haar palmares zal ik niet evenaren, maar ik word wel hun kopvrouw. Dat is een hele verantwoordelijkheid: niks erger dan een hele ploeg die zich de naad uit het lijf rijdt, waarna jij het verkloot. Daar kan je een slecht gevoel aan overhouden.

“Daarom was ik zo blij met die Belgische titel en vooral die rit in de Giro Rosa. Twee dagen eerder was ik nog net ingehaald door Marianne Vos terwijl ik dacht dat ik ging winnen. De dag dat ik won, was mijn laatste kans op ritwinst en dan gebeurt het toch nog. Het is een goed moment om weg te gaan bij Lotto-Soudal. Emotioneel heb ik niks met hun structuur van volgend jaar. Het hele management en de omkadering verandert, dat maakt het een stuk makkelijker om hen achter te laten.”

Wat kun jij goed en wat kun jij niet goed?

“Als ik ergens móét zitten in een wedstrijd, zal ik daar zitten. Dat heb ik wel voor. En ik kan goed sturen. Heel veel vrouwen kunnen heel hard met de fiets rijden, maar kunnen niet sturen of niet in een peloton rijden. Dat is trouwens ook een probleem in de ploegenkoers, een relatief nieuwe discipline voor vrouwen. Wat ik daar soms zie aan fouten, om bang van te worden.”

Mag ik zelf invullen wat jij niet goed kunt? Jij weet niet wat er allemaal in je motor zit.

“Ik voel mij zelfverzekerder dan ooit. Dit jaar ga ik naar koersen als Gent-Wevelgem (nu zondag, red.) en de Ronde van Vlaanderen met de idee: ik zit in de beste vorm ooit, ik kan winnen en als er wordt aangevallen op veertig kilometer van het einde, moet ik gewoon meekoersen. Dat is al heel wat voor mij. Alleen: ik zal nooit op voorhand zeggen dat ik ga winnen.”

De Nederlandse vrouwen zijn de beste, waarom zij en niet jij?

“Dat weet ik niet. Ik denk dat de onderlinge concurrentie in die brede top hen sterker heeft gemaakt. Ik kom nu in een buitenlandse ploeg terecht en ik hoop bij te leren en te zien wat ik nog mis. Ik heb Marianne Vos wel al eens geklopt. Anna van der Breggen is een ander type en die ken ik niet goed. Annemiek van Vleuten ken ik beter. Zij heeft mij twee jaar geleden gevraagd of ik bij haar in de ploeg wilde komen en sindsdien sturen we wel eens een berichtje.

“Toen ik die rit in de Giro Rosa won, was zij even daarvoor gevallen, en had ze haar pols gebroken. Daarna heb ik haar een berichtje gestuurd om haar spoedig herstel te wensen. Waarop zij antwoordde: ‘klote voor mij, maar jouw overwinning maakte de etappe toch een stukje mooier’. Na het BK stuurde ze dat ze had gekeken, dat ik de sterkste was en dat ik op de Tiegemberg vroeger had moeten demarreren.”

Waarom heeft vrouwenwielrennen de reputatie saai te zijn?

“Vind je dat? Er zijn toch al hele mooie topkoersen geweest? Oké, er is een verschil tussen de topkoersen en de koersen in België en zeker bij de jeugd. Het klopt dat die vaak saai zijn. Er zijn in België gewoon te weinig goede wielrensters, in elke categorie, van de jeugd tot de profs, om wedstrijd te maken. Nederland heeft tien-twintig toprensters, dus er wordt gekoerst. In België steken we er met twee bovenuit. Als je met diezelfde twee van in het begin koers maakt, ben je steeds met dezelfde vooraan. Dus wordt afgewacht en wordt pas aan het eind gekoerst. De vraag is dan waarom er zo weinig goede wielrensters zijn. Het klopt dat bij ons heel veel met de koersfiets wordt gereden, ook door meisjes en vrouwen. Volgens mij fietsen de meesten wel graag, maar zien ze niet graag af. Het is het enige wat ik kan bedenken.”

Het BK was een illustratie van je theorie: jij en Jolien D’Hoore rijden samen 50 kilometer voorop. Jij wint uiteindelijk een spannende sprint.

“Zij is de sterkere sprintster op papier, zij moet normaal altijd winnen, maar na een lastige koers kan ik ook sprinten. Mijn overwinning in de Giro Rosa was er ook één na een lastige etappe en met een finish op kasseitjes en licht bergop. Ideaal voor mij. Het BK was ook zwaar en daardoor kom ik in de sprint nog uit de verf.”

Jullie trainen samen om een olympische medaille te winnen in Tokio in de ploegenkoers. Werd er onderweg veel gepraat?

“Een keer of twee. (lacht) De eerste keer zei ze: ge gaat toch niet van achter mijn gat demarreren? En toen ik van achter haar gat was gedemarreerd, zei ze: rij nu maar op kop de Tiegem naar boven, anders rijd ik niet meer mee. Waarop ik antwoordde: er zitten er vier van mijn ploeg achter ons, als jij niet meer rijdt, komen zij terug. Waarna ze toch is gaan rijden.”

En verloor in de sprint. In de kranten verscheen: de wissel van de wacht. Geneer je je daarbij?

“Generen is een groot woord. Ik weet dat Jolien er veel waarde aan hecht dat ze beste is. Als zij zich daar beter bij voelt, mag zij gerust de leading lady zijn. Als wij een ploegkoers rijden en de pers wil ons spreken, dan zeg ik altijd: doe maar, Jolien. Zij vindt dat leuk en ik ben op mijn gemak.

“Met de uitslag van het BK van vorig jaar had ze meer moeite. Toen waren we een tijdje echt niet al te beste maatjes. Dat kwam omdat onze ploeg in dat BK reageerde op alles wat zij deed. Ten slotte won Jesse Vandenbulcke van Doltcini-Van Eyck, wat voor geen van beiden goed was. Ze was heel gefrustreerd. Dat heeft op onze relatie als ploegenkoerskoppel gewogen.

“Ik denk dat het dit jaar zuiverder was. Het was een eerlijke strijd en ik heb gewonnen, het had evengoed andersom kunnen zijn. Toen we elkaar in Aigle terugzagen, hebben we het niet meer over het BK gehad, neen. We hebben heel normaal gedaan tegen elkaar. We hebben elkaar nodig op de Spelen. Als we dat niet beseffen, zijn we allebei dom.”

Column Brugse Fata Morgana in De Morgen van zaterdag 10 oktober 2020

Brugse fata morgana

Die BeNeLeague, dat is zoiets als het stadion van Club of Uplace, dat duurt nog wel even voor het er komt. Of het komt er nooit.

Zo eindigde maandag deze column. Neen, ik had geen voorkennis van wat de Raad van State woensdag zou verordonneren met betrekking tot de Brugse stadionplannen. Ik volg in dit dossier mijn buikgevoel als burger. Wat ook helpt, is met iemand bellen die iets afweet van ruimtelijke ordening en hoe bouwplannen van die omvang worden beoordeeld. Daarom staat hier sinds 2006 dat die Brugse stadionplannen één grote fata morgana zijn.

Alles is terug te voeren op een systeemfout: twee eersteklassers in een uit de kluiten gewassen dorp met water rond. Volgens het (achterhaald) Belgisch-Europees competitiesysteem hebben beide teams evenveel bestaansrecht op die Brugse zakdoek. Toevallig is dat vandaag in eerste klasse. Niemand weet wat het morgen wordt, althans niet met Cercle. De vereniging was al een paar keer terminaal, maar staat telkens uit de doden op, de laatste keer met buitenlandse steun.

Dat steekt de Belgische eigenaars van Club en andere ‘Belgische’ eersteklassers de ogen uit, maar dat zelfverklaard superieur Belgisch eigenaarschap is pure hypocrisie. Club speelt het nu alsof het meer inzit met het Belgisch voetbal dan Cercle. Onzin. De finaliteit van alle clubs in de Jupiler Pro League – in Belgische dan wel in buitenlandse handen – is in de eerste plaats winst maken met de inkoop/verkoop en import/export van menselijke voetbalwaar. En als Bart Verhaeghe dat voetbal moe is en winst wil slaan uit een verkoop van zijn FCB en de meest biedende woont in Chakamaka, wie denkt u dat de eigenaar wordt? (Idem voor Gent, Antwerp, Mechelen, Luik en Anderlecht overigens.)

Het is wat het is, Brugge heeft twee eersteklassers: één topclub en een andere die het nu even iets beter stelt, maar al decennia tussen hangen en wurgen overleeft. Jawel Cercle, het is niet anders. Dat als gevolg daarvan een stadje als Brugge ook maar durft te overwegen om de in Vlaanderen schaarse open ruimte op te offeren voor twee nieuwe voetbalstadions, elk voor gemiddeld één wedstrijd per week, houdt het midden tussen arrogantie en wereldvreemdheid, vermengd met een serieuze scheut domheid en opportunisme.

De Raad van State schreef dat niet letterlijk in het arrest, maar je kunt het wel tussen de regels lezen. Het arrest spreekt zich overigens niet uit over de stadionplannen van Club Brugge, hoewel die onrechtstreeks de dupe zijn. De Raad van State zegt letterlijk: met
de (herbestemmings)plannen die voorliggen wordt in Brugge te veel openbare ruimte opgeofferd voor voetbal. De cijfers: van 21 hectare (Jan Breydelsite) voor profvoetbal wordt dat op twee locaties 71 hectare. En in Sint-Andries een bestaand stadion van 29.000 toeschouwers (met plannen voor een nieuw stadion van 40.000 in een woonwijk) én aan de Blankenbergse Steenweg een ‘gezellig familiaal stadion’ van 15.000 toeschouwers (in landbouwgebied) valt niet te verantwoorden.

Niet het bestaan van Cercle, maar de fata morgana van de ontdubbeling van de Brugse stadioninfrastructuur is de oorsprong van alle ellende. Die valt samen met de blijde intrede in Brugge van Bart Verhaeghe, die nooit een boodschap had aan Cercle, voor hem een blok aan het been. De historisch vreedzame coëxistentie tussen de twee clubs ontaardde daardoor in een scheiding van tafel en bed onder één dak.

Verhaeghe wilde af van Cercle. Zag hij onderweg van de E40 naar Jan Breydel een weide, hij droomde meteen van een stadion, aanvankelijk zelfs in combinatie met een gigantisch shoppingcenter en maar liefst 9.000 parkeerplaatsen. Keer op keer werden die plannen afgeschoten, want niet in lijn met de ruimtelijke ordening. Hij hield het op boycot en rechtsonzekerheid, hetzelfde riedeltje hanteerde hij voor het afkeuren van zijn Vilvoordse Uplace, later Noplace.

Na twaalf jaar ter plaatse trappelen, trad in 2018 in Brugge een nieuw stadsbestuur aan en die wilden in een vlaag van nooit gezien politiek opportunisme de volgende gemeenteraadsverkiezingen veiligstellen. Tegen 2024 een nieuw stadion voor Club én Cercle en de politieke buit was binnen. Niet dus.

Cercle hoopt nu op een andere locatie, maar daar stelt zich hetzelfde probleem met de Raad van State: twee voetbalstadions in Brugge spoort niet met ruimtelijke ordening gericht op het maximaal vrijwaren van open ruimte. Tenzij Club vertrekt uit Brugge, lijken Cercle en Club veroordeeld tot het samengebruik van één Brugs stadion. Gebouwd op maat van wat stad en omgeving kunnen dragen, een compromis tussen de wensen van het grote Club Brugge en het kleine Cercletje.

Column over Club Brugge en de BeNeLeague in De Morgen van maandag 5 oktober 2020

Club Brugge en de BeNeLeague

Bijzonder interessant interview zaterdag gelezen met Bart Verhaeghe en Vincent Mannaert, respectievelijk de voorzitter en de algemeen manager of directeur, enfin, de operationele baas van Club Brugge. Het interview is de bevestiging van een lang gekoesterd vermoeden: deze heren hebben het voetbal uitgevonden. Pas op met geïnterviewden die spontaan melden “laat ons vooral niet arrogant zijn”. Los daarvan: in het interview staan waarheden. Evengoed enkele kort-door-de-bochtredeneringen toevallig omdat die Club Brugge vandaag goed uitkomen. Dat heet opportunisme. Zoals bekend is dat een belangrijk wapen in het voetbal, ook wel eens toeval met een bal genoemd.

Niemand kan Club Brugge verwijten dat ze staan waar ze staan. Niemand mag Club Brugge met de nek aankijken omdat ze goed hebben gewerkt. Dat is de verdienste van bovenvermelde tandem. De putsch van Jean-Luc Dehaene en Michel D’Hooghe om in 2012 zowat de hele club gratis aan Verhaeghe te schenken na diens belofte om voor een nieuwe stadion te zorgen, is goed uitgedraaid. (Voor de volledigheid: er is 15 miljoen betaald door Verhaeghe, waarvan 14 werkingskapitaal, maar de activa van de club overstegen ruimschoots die som.) Zelfs zonder dat nieuwe stadion, zeilde Club op dat elan onweerstaanbaar naar de top van het Belgisch voetbal.

De marstabel van Verhaeghe die zichzelf in de daaropvolgende jaren profileerde binnen de voetbalbond en zich even de godfather van het Belgisch voetbal waande, is in Brugge perfect uitgevoerd door Mannaert. Voor wie selectief leest, de som van alles wat hiervoor staat, de plussen en de minnen opgeteld, is een grote plus, een acht op tien: Club Brugge is met afstand de meest geliefde én meest gehate én beste geleide club van het land.

Dat Club heeft het evenwel gehad met voetballand België, althans met het hardleerse deel dat volgens hen niet mee wil. Die willen ze overboord. Club is de wegbereider van de Beneliga. Als die er komt – met de nadruk op áls – zal die voor de verkoop naar het buitenland ongetwijfeld BeNeLeague heten. Nu nog een koper vinden en liefst meer dan één.

Club wil tegen Ajax en PSV voetballen en ook tegen nog zes andere Belgische clubs. De G7 zeg maar. Dat zijn de G5 – Club, Anderlecht, Gent, Standard en Genk – aangevuld met Antwerp en Charleroi. Aan de andere Belgische eersteklassers heeft Club geen boodschap meer. Jammer, en een beetje onterecht, die desolidarisering.

Het bijna levend organisme competitie is een raar ding. Het woord is afgeleid van het Latijn compet#ti#, wat ‘mededinging’ betekent, en op zijn beurt een origine vindt in het werkwoord competere wat dan weer ‘gemeenschappelijk streven naar’ betekent. In de etymologie van het begrip ligt dus een vorm van solidariteit besloten. Competitie is elkaar de duvel aandoen en aan het eind wint iemand, maar tegelijk is het iets dat je samen doet en waarbij solidaire afspraken gelden. Volgens Club – zij staan met die mening niet alleen maar durven er wel voor uitkomen – komen veel andere clubs in België hun afspraken niet na. Erger zelfs, de clubs die het niet goed doen (volgens Club) vragen geld aan de clubs die het wel goed doen (zoals Club).

Die redenering gaat voorbij aan een realiteit. Geldtransfers om economische ongelijkheid te nivelleren, tot een competitief evenwicht en als gevolg daarvan een aantrekkelijker product te komen, zijn cruciaal in het succes van de meest winstgevende (Noord- Amerikaanse) competities van deze planeet, maar niet in Europa, niet in België en al helemaal niet in Brugge.

Ongelijkheid onder voetbalclubs is volgens de heren van Brugge bijna altijd het gevolg van goed of slecht beheer. Dat is onzin.
Als slecht beheer cruciaal zou zijn, dan waren Club (erg lang geleden), Gent (lang geleden) en Anderlecht (recent) al eens failliet verklaard, bestonden Antwerp en KV Mechelen niet meer. Omgekeerd zouden de zuinige neringdoeners van Westerlo, Zulte Waregem en KV Kortrijk tot de vaste waarden aan de top behoren. Niets daarvan, in ons voetbal zijn de historische fanbase en vooral de geografische ligging cruciaal.

Volgens Mannaert verzandt Club Brugge door de schuld van de slecht beheerde clubs in een economisch zwakke omgeving. Daardoor mist het de internationale trein en kan het niet meer concurreren met de rivalen, ook internationaal. Conclusie: Club heeft geen zin meer in solidariteit met de concurrenten in België en ziet alle heil in de BeNeLeague. Ze zijn daarbij iets vergeten: die BeNeLeague, dat is zoiets als het stadion van Club of Uplace, dat duurt nog wel even voor het er komt of het komt er nooit.

Column over Eden Hazard in De Morgen van zaterdag 3 oktober 2020

Stress is het niet

Aan het eind van de eerste week dat mijn kleindochter voor het eerst naar de kleuterklas ging, belde ik – op dwingend advies van mijn vrouw, zelf was ik daar niet opgekomen – om te vragen hoe ze het had gesteld. Het antwoord was: heel goed, ze heeft goed meegedaan. Wij blij, weer een nazaat die de juiste weg was ingeslagen.

Ik moest aan de kleuterklas denken toen ik deze week op Twitter een artikel zag op de site van een andere krant dan deze. Het ging over Eden Hazard die bij Real Madrid was gaan trainen, een niet geheel ongewone tijdbesteding in zijn geval, niet in de laatste plaats omwille van de 23 miljoen euro die ze hem jaarlijks toeschuiven. De titel boven het bericht was ronduit euforisch: hij doet goed mee met de groep. Daarmee moesten we het doen. Er stond niet bij of hij had geweend bij het naar binnen gaan, ook niet of hij zijn koekje had opgegeten in de pauze en zijn yoghurtje helemaal had uitgeslurpt.

Hij Doet Goed Mee Met De Groep. Daar mogen we met zijn allen blij om zijn, niet? Ik bedoel: het is niet omdat je 115 miljoen hebt gekost en 23 miljoen verdient dat je automatisch ook goed meedoet met de groep. Het een is echt het ander niet in het topvoetbal, en al helemaal niet in het geval van Eden Hazard die in dat hele jaar dat hij nu voor Real Madrid heeft gespeeld nauwelijks een deuk in een pakje boter heeft getrapt. De keren dat het wel gebeurde, zat hij daarna weer weken op de bank met een blessure. Was het niet de enkel, dan wel een spier of iets anders. Pas hersteld van de enkel, speelde begin deze week alweer een spier op.

De fysieke toestand van Eden Hazard baart de mensheid ook ver buiten België zorgen, zoveel is duidelijk. Volgens Real Madrid zit het allemaal tussen de oren. Hazard zou last hebben van stress. Voor de slimme die al eens iets heeft horen waaien (stressfractuur en zo): neen, dat is een totaal ander verhaal. Een stressfractuur is lokale stress in de letterlijke betekenis van het woord, spanning van mechanische aard. Bijvoorbeeld door met te kleine of scheve schoenen te spelen, te veel te trainen, te vaak te lopen. Die schoenen daar gelaten, zijn de andere twee potentiële oorzaken niet van toepassing op Hazard.

De stress waar ze zich in Madrid grote zorgen om maken is van psychologische aard. Zelfs Lieven Vandenhaute van Radio 1 was er niet gerust in en hij had er deze week in Nieuwe feiten een item over. Hij belde met een sportarts die vooral in het wielrennen actief is. Of het stress kan zijn, vroeg Lieven. Ja, antwoordde de sportarts, dat kan het wel zijn. Maar ook niet. Hij had Hazard nog nooit van dichtbij gezien, gaf hij grif toe, maar het is niet uitzonderlijk.

Ter verschoning voor wat volgt: ik ben ook niet de grootste kenner van Eden Hazard en ik ben evenmin sportarts, nog minder psycholoog of psychiater. Maar na wat ik over die jongen heb gelezen – een prima half-geautoriseerde biografie van Frank Van de Winkel onder meer – en wat ik van hem heb gezien op het laatste EK en WK waar ik telkens het uitzonderlijke voorrecht had om de eerste tien minuten van de pre-pre-opwarming van de echte training bij te wonen en het blablabla-presspoint achteraf, lijkt stress mij zowat het laatste wat hem is, kán en ooit zál overkomen.

Lieven gooide het dan maar over een andere boeg. Of het wat anders kon zijn? Of een belabberde fysieke conditie de reden kon zijn? Ook bij die insteek moest de dokter passen en puur hypothetisch antwoorden. Dat was in dit specifieke geval nergens voor nodig. Het onderliggend probleem van Hazard zit bij hem niet tussen de oren, maar hangt ergens rond zijn broeksriem en het weegt een kilo of vijf of zelfs meer.

Topsport is de big bang of bodytypes. Een topsportlichaam hoort te beantwoorden aan de specifieke wetten van een sport: zwemmers horen slank en lang en breed van boven te zijn, basketbalspelers mogen iets forsers zijn naarmate ze langer zijn, afstandslopers moet je door een sleutelgat kunnen trekken zonder dat ze daar iets van voelen, turnsters hebben bij voorkeur een vetpercentage in de min – dat is, voor alle duidelijkheid, een hyperbool.

Voetballers krijg je in alle maten en passen doorgaans in veel verschillende mallen, maar de mal voor Eden Hazard zoals die bij Real in de zomer van 2019 met een overdaad aan buikvet kwam aanwaaien, die hadden ze niet in Madrid. Het was belachelijk hoe hij daar arriveerde, het is beschamend voor Hazard en Real dat ze daar een jaar later nog niets aan hebben verholpen. Doe hem vijf kilo aftrainen, de belasting zal verminderen, de conditie verbeteren en de blessures zullen vanzelf verdwijnen.

Column over WK, Van Aert, Alaphil, Roglic edm… in De Morgen van maandag 28 sep 2020

Belgisch chauvinisme

Julian Alaphilippe van het Belgische Deceuninck-QuickStep was de beste van het hele WK-peloton. Zo heeft het scenario waar de hele Belgische pers op hoopte, pagina’s over vol schreef, minuten over vol praatte en nachten van wakker lag, zich voltrokken. Min of meer toch: een ‘Belg’ is wereldkampioen, jammer genoeg een met een Frans paspoort. Dus werd de Marseillaise gespeeld en niet de Brabançonne. Het is een detail. Het was een schone koers met een schone winnaar en zoals de meeste winnaars de laatste tijd huilde hij achteraf.

Ja, beste lezers, luisteraars en kijkers, we waren vergeten dat nog andere wereldburgers best uit de voeten kunnen op twee wielen. Mij was het nog niet onmiddellijk opgevallen, het waren enkele Nederlandse twitteraars die mij op het spoor zetten van wat zij het Belgisch chauvinisme in het wielrennen noemen. “Als een Belg ook maar een kleine kans maakt op winst, gaat het op Sporza alleen nog maar over die ene Belg”, dat was de teneur.

Een beetje gênant was het zeer zeker. Veel was terug te voeren op die uit de context gehaalde en tig keer herhaalde quote van Wout van Aert nadat die uit zijn kot was gelokt met de vraag: “Ben jij favoriet voor het WK?” Met zijn gekende droogheid repliceerde hij dat er niet veel koersen meer zijn waarvoor hij geen favoriet is. Van Aert een beetje kennende, bedoelde hij daar allicht mee dat iedereen in België (en in de eerste plaats de media) van hem verwachten dat hij overal wint waar hij start.

Van Aert zelf is te veel heer en te nuchter om zichzelf overal en altijd als favoriet naar voren te schuiven. Het had gekund, Wout van Aert wereldkampioen, maar het profiel van de cruciale klim leende zich toch eerder voor jumpers à la Valverde (tien jaar jonger), Fuglsang (die te ver zat), Alaphilippe (die dus wel) of Roglic en Pogacar, als die laatste twee in vorm zijn. Tadej Pogacar probeerde de weg te effenen voor Primoz Roglic en dunde zo het peloton uit. Dat Roglic vervolgens bleef zitten en alleen nog kon volgen, sprak boekdelen.

Toen hij vervolgens maar twee keer twintig meter op kop reed bij zijn beurten in de achtervolging op Alaphilippe werd dat in de Sporza- studio net niet als hoogverraad gekwalificeerd. Een guillotine werd ter plekke opgetuigd, maar het was Van Aert zelf die de doodstraf voor zijn Sloveense ploegmaat afwendde met de melding dat iedereen op de limiet zat.

We moeten een beetje ernstig blijven: men mag ervan denken wat men wil, een WK wordt gereden met landenploegen en niet met merkenploegen.

Sommige landen nemen dat heel serieus. Als wij het normaal vinden dat we deze keer als één man voor een Belg in dienstverband bij het Nederlandse Jumbo-Visma rijden, is het dan niet een beetje klein om te beginnen zeuren over Roglic en waarom die het gat op Alaphilippe niet meer dichtreed? Eddy Planckaert, oldskool koers, vond het niks minder dan een schande. Bram Tankink geloofde dan weer de verklaring van Van Aert: “Wij kunnen dat hier nu zeggen (dat Roglic een sleper is), maar als Wout het anders ziet, wil ik hem wel geloven.”

Kijk de beelden terug en zie hoe Alaphilippe op die laatste helling achterom kijkt, ziet dat Van Aert pijn lijdt en hem los uit het wiel rijdt. Bekijk daarna de laatste tien of wat kilometers. Hoe hij die vijf op tweehonderd meter houdt: pure, onversneden klasse, zonder meer.

Oké, als het niet aan die lamzak van een Roglic lag dat Van Aert niet kon terugkeren, dan moest het de schuld zijn van de motoren die vóór Alaphilippe uit reden. Plausibel. Deze week publiceerde hoogleraar Bert Blocken zijn studie over drafting achter motoren en daaruit bleek dat een vooroprijdende motor zelfs op vijftig meter 1,6 seconde per kilometer voordeel oplevert. Je kunt daar moord en brand over schreeuwen, of je kunt het zien als een kleine aanmoedigingspremie voor de moedige ontsnapper, helemaal als die achterna wordt gezeten door vijf van de beste renners in de wereld en in zijn eentje probeert voorop te blijven.

Waar blijkbaar niemand een verkeerd woord over kwijt wilde, was de tactiek van de Belgen. Was het nu echt aan ‘ons’ om de laatste twee ronden op kop te rijden? Had dat niet anders, slimmer gekund? Bijvoorbeeld de Italianen in eigen achtertuin verplichten te werken, idem voor de Fransen en de Nederlanders. Neen, wij moesten zo nodig met zes hemelsblauwen de laatste vijftig kilometer op kop rijden en de koers hard maken.

Van Aert sprong op het wiel van elke vlieg die hem wilde passeren, behalve die ene laatste vlieg. Als we daar een beetje zuiniger op de watts waren geweest, dan had Van Aert Poggio-gewijs in de slipstream van Alaphilippe gezeten, had Tiesj Benoot misschien die laatste klim overleefd en had hij het gat op Alaphilippe mee kunnen dichtrijden. Of niet.

Interview Allan Peiper in De Morgen van zaterdag 26 september 2020

Deze rusteloze ziel heeft nog één heel mooie kans gekregen’

Haast iedereen in de Tour de France – behalve Jumbo-Visma, maar het is hun vergeven – was blij met de winst voor ploegleider Allan Peiper (60). The nicest Aussie in the peloton vecht een verwoede strijd uit tegen kanker. ‘Ik zei tegen de dokter: geef me die uitslagen maar ná de Tour.’

“In de dertien jaar dat ik ben gestopt met wielrennen, ben ik voortdurend op zoek geweest naar mijzelf. Het was een zoektocht om vrede te sluiten met mijn verleden en om te weten te komen wie ik ben. Ik zat twee keer in India, twee keer in de VS. Jarenlang heb ik ’s ochtends vroeg gemediteerd. Ik heb veel gelezen en hulp gezocht om een beter inzicht te krijgen in mijzelf en in de geesten die ik meezeul en die elke dag hun schaduw over mijn leven werpen.’ Aldus schreef Allan Peiper in zijn in 2005 verschenen (en nooit vertaalde) uitstekende biografie, A Peiper’s Tale.

Vijftien jaar later, na vele omzwervingen, sportieve hoogtes en laagtes en soms persoonlijke dieptepunten, wil hij alleen nog vooruitkijken. Dat is niet vanzelfsprekend: “Ik heb kanker en die gaat niet meer weg. De Tour winnen is als balsem op die wonde: this is the crowning glory of my career.

“Die Tour-winst is nog niet helemaal doorgedrongen. Er is wel die enorme voldoening dat ik eindelijk de rol heb kunnen spelen die mij het beste ligt: de architect zijn van het succes. Ons eerste objectief was top vijf, met een droom voor het podium. Op de eerste rustdag hebben we bijgesteld: we gaan voor het podium. Op de tweede rustdag heb ik gezegd: we gaan voor geel.”

En twee dagen later verliest Tadej Pogacar zeventien seconden op de Col de la Loze.

Allan Peiper: “Daar was ik het hart van in. In die rit naar de Col de la Loze kwam hij een energiedrank halen en dan een gel en dan nog een cola. Als je dat allemaal vraagt, net voor de laatste klim… geen goed teken. We hebben ook zelf fouten gemaakt. Ik had mijn intuïtie moeten volgen en van het originele plan afstappen: het was juist onze bedoeling om op die col tijd te winnen door David de la Cruz op kop te zetten. Alleen reed hij daar iets te hard bergop. Hij ranselde alle concurrenten eraf, maar zijn eigen kopman zat ook in het rood. En één keer in het rood, geraak je daar nog moeilijk uit.

“Op zijn kamer heb ik Tadej gevraagd of David hem pijn had gedaan. Hij gaf toe: ik ben een beetje te diep moeten gaan. Hij had toen een mindere dag, eigenlijk zelfs twee mindere dagen, maar die eerste rit na de rustdag viel dat niet op. Een dag na de Col de la Loze kwam zijn soigneur zeggen dat hij weer superbenen had gevoeld.”

Iñigo San Millán, de sportfysioloog die hem begeleidt, zei op Eurosport dat zijn recuperatievermogen zijn grote sterkte is.

“Dat heeft hij van nature en dat is ook fenomenaal op die leeftijd. We hebben wel iets geleerd wat we moeten meenemen in de toekomst: Pogacar is iemand die een rustdag slecht verteert. Hij moet dat systeem in gang blijven houden. Een uurtje op de fiets en eventjes doortrekken volstaat niet.”

Waar hebt u het verschil gemaakt?

“Met hoe we de tijdrit hebben aangepakt. Het eerste wat ik heb gedaan na de lockdown, was met de auto naar La Planche des Belles Filles rijden. Onderweg vroeg ik mij wel nog af wat ik daar ging doen. Ik heb het parcours twee keer gereden met de auto, en één keer met de fiets. Gewoon om andere ideeën te krijgen over die klim en hoe in te delen. Toen wist ik: goed dat ik hier ben.

“Daar heb ik de optie genomen om met een juniorenverzet te rijden. Dus zijn we teruggekeerd met Pogacar naar La Planche voor simulaties van die tijdrit. Inclusief vijf, zes keer de fietswissel. Eerst duurde die veertien seconden, op het laatst nog zeven. In de namiddag hebben we de volledige rit in wedstrijdmodus gereden. Toen reed Pogacar tien seconden trager dan het Strava-record van Romain Bardet, fietswissel inbegrepen en na de eerste dertig kilometer volle bak. Dus dat zat goed.

“Voorin hadden we geen 52-39, maar een 50-36, bijna een compact. Achterin hadden we een 14-29. Ik wilde geen te grote sprongen tussen de kroontjes. Tussen de 18 en de 25 versprong het telkens maar een tandje. Toen ik in de wedstrijd achter hem reed met de auto, zag ik dat zijn kettinglijn perfect was. En hij kon schakelen, een tandje meer of minder, zonder dat hij ineens zes omwentelingen meer of minder moest draaien.”

Dat oponthoud in de waaieretappe waar jullie veel tijd verliezen…

“… dat was dom, maar achteraf bleek het een geluk bij een ongeluk. Op het moment zelf was ik kwaad. Ik ben op de bus gestapt, ze waren heel stil. Ik zei: (schakelt naar zijn Australisch accent) Tell me the fuck how we can miss the first fucking group with fifty riders in it? How the fuck does this happen?

“Eén per één hebben ze hun versie gegeven, met de staart tussen de benen. Dat was louterend. Ze hebben daarna hun rug gerecht. Het geluk bij het ongeluk was dat we door die achterstand altijd in de schaduw konden blijven rijden van Jumbo-Visma. Was dat niet gebeurd, dan zaten we te vroeg in het geel en hadden ze ons kunnen kapotmaken.

“Alleen na de Col de la Loze zat ik diep, maar een dag later ben ik die bus opgestapt en heb ik de mannen toegesproken: dit is niet onoverbrugbaar, we kunnen het nog doen. Die rit, de achttiende, ging over de Montée des Glières en die gravelwegen. Jumbo-Visma liet daar Wout van Aert terugkomen om te sprinten voor de derde plaats en zo vier seconden bonificatie weg te halen voor de neus van Pogacar, terwijl Tom Dumoulin in die sprint opzettelijk in zijn weg reed. Toen ik dat zag, wist ik: ze hebben schrik van ons.

“Uiteindelijk moet ik ook eerlijk zijn: bij de beslissende tijdrit had Pogacar een superdag en Roglic een slechte. Heeft hij een normale dag, dan wordt het een secondespel.”

Ik ken u als goed mens, als motivator, maar niet als tacticus.

“Ik denk niet dat ik een slimme wielrenner was. Alvast niet slim genoeg om heel veel te winnen. Als ploegleider… Onze tactiek was simpel: mee vooraan blijven met Pogacar, al de rest interesseerde ons niet. We hebben niet alleen maar gevolgd; niet Roglic en zijn ploeg hebben de andere concurrenten uitgeschakeld, wel de aanvallen van Pogacar.

“Ik heb één bijzondere eigenschap die van pas komt: ik zie eerder dan anderen wat de uitkomst kan zijn. Alleen heb ik het soms moeilijk om uit te leggen hoe we daar moeten geraken. In de meeting voor de Tour heb ik erop gehamerd dat we een unieke kans hadden. Hoe verder we in de Tour waren, hoe meer ze er bij ons van overtuigd geraakten. Op de laatste rustdag heb ik hen een spiegel voorgehouden: dit is een unieke kans om het allergrootste te winnen.

“Als je denkt dat je het allemaal weet, en van niets of niemand input nodig hebt, ga je op je gezicht. Ik luisterde ook naar anderen, zelfs buiten de ploeg. Zo wilde ik bijvoorbeeld elke dag de preview van Johan Bruyneel horen, of de podcast van Lance Armstrong en George Hincapie. Gewoon om het vanuit andere perspectieven te bekijken.

“Ik heb mij tijdens deze Tour wel meermaals moeten verantwoorden voor onze tactiek. Bijvoorbeeld waarom we geen man mee hadden in de ontsnappingen. Dat konden de teameigenaars in Dubai niet begrijpen. Die belden dan naar Mauro Gianetti, onze CEO, en die belde naar Matxin Joxean, onze teammanager, en zo kwam het tot bij mij. Mijn orders waren: niet mee in de ontsnappingen. Fabio Aru en Davide Formolo uitgevallen, Marco Marcato met een blaasontsteking en David de la Cruz met een barstje in zijn heiligbeen, dan moet je niet te veel meer willen als ploeg.

“Ik heb al eens op die manier gewonnen. Dit is pas mijn tweede grote ronde die ik als eerste ploegleider mag doen en de tweede die ik win. Twee op twee dus. (lacht) Met Garmin zat ik in de auto achter Ryder Hesjedal toen die in 2012 de Giro won. We hadden de sprinter Tyler Farrar mee, maar die mocht niet sprinten van mij. Dat was hetzelfde scenario: vooral goed uitkienen wat we doen en niet doen. Ik heb op de eerste rustdag van deze Tour die Giro van 2012 nog eens opgerakeld, om hen te tonen dat ik dat pad al eens had bewandeld. We can bring it off again, heb ik gezegd, maar we moeten vooral geen onnodige dingen doen: geen ontsnappingen, geen sprints.”

Wel vreemd dat u dat werk de voorbije jaren juist niet hebt mogen doen, onder meer bij BMC waar Jim Ochowicz u uit de Tour hield. Dat zat u hoog.

“Misschien deed ik mijn werk als organisator en sportdirecteur achter de schermen zo goed, dat ze mij vooral in die functie zagen, maar ik kan niet ontkennen dat dit mij heeft gekwetst. Ik wist dat ik veel meer in mijn mars had dan de hele logistiek van een ploeg regelen die dan naar de Tour vertrekt zonder dat ik daar ter plaatse een rol kan spelen.

“Jim is mij zondag komen feliciteren en heeft mij omhelsd. Hij weet wat het is om als ploegleider de Tour te winnen van die keer met Cadel Evans. Er is geen oud zeer tussen ons, we bellen nog regelmatig. Greg Van Avermaet is ook langsgekomen. Ik stond een interview te doen toen hij passeerde en mij een knuffel gaf. Geen woorden, tien seconden vastpakken en hij reed weg. Meer hoeft niet.”

U bent erg geliefd in het peloton.

(krop in de keel) “Ja, ik heb wel heel veel berichtjes gekregen, van Philippe Gilbert, Peter Van Petegem, Johan Museeuw, renners met wie ik heb gewerkt, maar ook bijvoorbeeld van alle ploegleiders van Deceuninck-QuickStep. Zelfs van Patrick Lefevere. Nooit eerder heb ik van hem een sms gekregen, en nu wel. Dat stel ik erg op prijs.”

José De Cauwer werd erg emotioneel zaterdag na de rit toen hij over u begon.

“Serieus? Ach José. Die kent mij door en door. Hij was twee jaar mijn ploegleider bij Tulip, waar ik the highs and the lows heb meegemaakt. Bij de dieptepunten is hij een hele goeie motivator. Hij kan doordringen tot de mensen. Ik herinner mij dat ik het helemaal niet meer zag zitten en toen zei hij: kruip morgen op die fiets en je moet niks. Rij je twintig kilometer en stap je af, mij goed. Rij je de hele wedstrijd, mij goed. Maar kruip op die fiets. Ik won toen bijna nog.

“Mijn Tourwinst zal José wel hebben herinnerd aan 1989, toen hij tegen alle verwachtingen in met Greg LeMond de Tour won. Ook in de laatste tijdrit.”

Was u niet verrast dat ze u naar de Tour stuurden? Een jaar eerder kon u door de chemo bij de start in Brussel nauwelijks een paar uur bij de ploeg doorbrengen.

“Toen zat ik het diepst, dat klopt. Neil Stephens zou aanvankelijk de Tour doen dit jaar, maar ineens ging hij niet. Ik werd de eerste ploegleider en ik mocht alles uitstippelen. Misschien omdat ze mij vorig jaar hadden zien werken in de klassiekers, toen we Gent- Wevelgem wonnen met Alex Kristoff, die ook in de Ronde van Vlaanderen mee voorin streed. Ik bereid die wedstrijden nauwgezet tactisch voor op powerpoint en wellicht beviel hen dat.

“Ik had er veel zin in, maar ik zat ook met twijfels: heb ik de uithouding voor de Tour? Ik heb begin dit jaar de Tour Down Under gedaan in Australië, met schrik. Zijn mijn ogen en mijn reflexen nog goed genoeg om in het peloton van volgauto’s te rijden? Dat ging goed. Normaal had ik daarna Parijs-Nice gedaan, al iets zwaarder, maar onze ploeg startte daar niet vanwege corona, dus de eerste keer dat ik weer aan het stuur zat, was in de Tour de l’Ain en de Dauphiné.

“In Nice voor de Tourstart was ik bezorgd dat ik niet genoeg energie zou hebben voor drie weken. Gelukkig had ik de toestemming om zelf met de fiets te rijden, iets wat normaal niet kan voor een ploegleider. Die zou maar eens moeten vallen als hij zijn ritje maakt. Ik heb nood aan die beweging. Om de andere ochtend reed ik om zeven uur een uurtje op de fiets. Elke avond een kwartiertje yoga. Elke dag mijn meditatie. Dat heeft mij geholpen de balans te vinden.”

Is de rusteloze ziel in Allan Peiper – de witte Aboriginal – eindelijk thuisgekomen van zijn walkabout? Met andere woorden een beetje tot rust gekomen?

“Na alles wat ik heb meegemaakt en die ziekte die ik nu onder de leden heb: dit is de kroon op het werk, in mijn wielercarrière en in mijn leven. Misschien beleef ik dit nooit meer. Ik ga niet de pessimist uithangen, maar men is duidelijk geweest met mij: die kanker gaat bij mij nooit meer weg. Ze kunnen hem proberen te controleren, dat is het.

“Ik heb net vóór de Tour een scan en een test ondergaan, maar ik krijg de resultaten pas over twee weken. Dat heb ik die dokter speciaal gevraagd: laat mij eerst de Tour doen, dit kan ik er niet nog eens bij hebben.

“Ik weet dat een normaal mens dat onmiddellijk wil weten, slecht of goed, maar ik weet wel ongeveer hoe het nu gaat met mij. De bloedtest in mei wees al op verhoogde waarden, het is afwachten of zich dat heeft doorgezet. En dat ik er goed uitzie, dat ik mij goed voel en dat ik weer een goede conditie heb, daar trekt die prostaatkanker zich niks van aan. Het is alleen te hopen dat er niet weer uitzaaiingen zijn.

“Natuurlijk wil ik blijven leven en de dingen doen zoals ik ze graag doe. Zo’n Tour winnen op die manier, na een jaar waarin ik grotendeels uitgeteld was door chemo, die voldoening is niet te schatten. (aarzelt) Ik ben realistisch genoeg om te beseffen dat de rusteloze ziel, zoals jij zegt, nog één hele mooie kans heeft gekregen. Ik ben daar heel erg dankbaar voor.”

De niet-begeleide minderjarige migrant-gelukzoeker in u die naar België kwam, heeft een hele weg afgelegd.

“Zaterdagavond na de tijdrit op La Planche des Belles Filles ben ik op mijn hurken gaan zitten tegen een auto en iheel hard beginnen huilen. Er zijn heel veel momenten uit mijn leven voorbijgekomen. De lange weg die ik heb afgelegd van jong rennertje om het te schoppen tot Tourwinnaar als ploegleider…

(denkt na) “Een niet-begeleide minderjarige migrant? Ja, dat was ik, maar in een ander tijdperk dan. Ik was zeventien en ik zie mij nog arriveren in België. Ik heb honger geleden, tot ik werd opgevangen door de Planckaerts. Daarna was het proberen te overleven en een plaats veroveren in het Vlaamse wielermilieu. Elk jaar kreeg ik een fiets van Walter. Het is te zeggen, ik moest er voor betalen, ook voor de tubes, maar tegen een hele goede prijs.

“Zo was Walter. Later is hij nog mijn ploegleider geweest bij Panasonic. Een keiharde hoor, zowel voor mij als voor Eddy. De zondagochtend van de laatste rit heb ik Walter gebeld. Uit dankbaarheid. Hij was tenslotte mijn mentor. ‘Ah Peipere, hoewest jongene, proficiat.’ Typisch Walter, niet te veel emoties, maar wel oprecht.”

Dan hebben we nog één heikel themaatje aan te snijden. Uw ploeg heeft heel wat oud-renners en staf van Saunier- Duval overgenomen, een team met een dopingverleden.

“Dat heb ik ook gelezen in allerhande commentaren en columns. Ik heb ook gelezen dat ik highly regarded ben in het peloton en dat ook onze hoofdarts Jeroen Swart in hoog aanzien staat in de antidoping-community. Verder heb ik niks gemerkt van illegale handelingen of wat dan ook. Ik denk dat we over vijf of tien jaar nog altijd de Tour zullen hebben gewonnen.”

Wat doet u nu nog?

“De BinckBank Tour vanaf maandag. Daarna de klassiekers in en rond België. Pogacar rijdt de Waalse klassiekers, dan rust en vervolgens de Ronde van Vlaanderen. Het WK dit weekend zal ik op tv volgen. Benieuwd hoe de Slovenen voor de dag komen.”

Ze moeten de wedstrijd niet maken en ze kunnen voor elkaar iets doen, Pogacar kan misschien Roglic wereldkampioen maken.

“Hun relatie is alvast bijzonder. Het is echt niet gespeeld zoals ze elkaar in de wedstrijd gingen opzoeken of ook na de tijdrit. Het wederzijds respect is groot. Ik denk ook dat ze een kans maken, maar veel zal afhangen met welke state of mind ze naar Imola zijn gereisd. De decompressie zal wel totaal zijn geweest, bij allebei.”

Hoe ziet uw toekomst als ploegleider eruit?

“Ik ben einde contract. Ik heb al van voor de Tour een contractvoorstel liggen voor nog een jaar aan dezelfde voorwaarden. Ik had gehoopt op een verbeterd contract, maar dat zit er blijkbaar niet in. Hun argument: we hebben je tijdens corona doorbetaald en ook tijdens je chemo. Als ik iets anders had, zouden ze niet moeilijk doen, dat zegt genoeg. Non-negotiable, te nemen of te laten dat voorstel dus.

“Ik heb nog niet getekend en inmiddels heb ik de Tour gewonnen. Neen, ik denk niet dat ze het voorstel zullen aanpassen, normaal deel ik ook niet mee in het prijzengeld van de Tour en over een premie heeft ook nog niemand iets gezegd. Dus…”

… bent u de slechtst betaalde ploegleider die de Tour wint sinds José De Cauwer.

(lacht) “Zoiets ja.”

Column Wetteloosheid over voetbal met publiek in tijden van corona in De Morgen van zaterdag 26 sep 2020

Wetteloosheid

Partita zero of wedstrijd nul, zo hebben de Italianen in maart van dit jaar de Champions League-wedstrijd tussen Atalanta Bergamo en Valencia gelabeld. Die werd in Milaan gespeeld in San Siro op 19 februari. Twee dagen later zou de eerste positieve Covid-19-test worden bevestigd in Italië. Op 26 maart telden ze in Bergamo de duizendste dode.

Wat daarna volgde, behoort inmiddels tot het collectief geheugen van elke Italiaan en elke wereldburger. Elke wereldburger? Neen, er is een klein deel dat zich niks aantrekt van burgerzin. Die vind je overal, jammer genoeg in grote concentraties in bepaalde vakken van voetbaltribunes waar het geheugen nooit verder draagt dan negentig minuten.

Die biologische bom in Milaan, met in het stadion 40.000 Bergamasken onder wie enkele superverspreiders, zette een ander land meteen in brand. 2.500 Valencia-fans ondernamen de reis en een deel van hen vloog daags na de wedstrijd terug, enkelen drager van een lading virus. Vervolgens was Spanje aan de beurt.

Een tweede voetbalwedstrijd gelieerd aan een uitbraak van corona is Liverpool-Atlético. Die werd gespeeld op 11 maart, een tijdstip waarop heel wat alarmsignalen op rood stonden. De coach van Liverpool, Jürgen Klopp, vond de wedstrijd laten doorgaan een criminele beslissing. Er zaten 52.000 fans op Anfield, van wie 3.000 Madrilenen.

Volgens een studie steeg het aantal besmettingen en ziekenhuisopnames in de week na de wedstrijd exponentieel. Een erg voorzichtige schatting op basis van contactopsporing kon 41 extra doden rechtstreeks in verband brengen met die wedstrijd. Op dezelfde elfde maart was voetbal met fans in Frankrijk al verboden, omdat afstand houden in een stadion onmogelijk was. Dat belette de PSG-fans niet om met duizenden een volksfeest te organiseren tijdens PSG-Borussia Dortmund. Er werd luid gezonden en gebruld en om elkaars nek gehangen. Er is geen studie bekend over de gevolgen van die wedstrijd.

Je kan niet alle voetbalfans over dezelfde kam scheren, maar voetbal heeft wel dit als nadeel: het maakt niet het beste los in de mens. Zelfs de uiterst beschaafde en evenwichtige medemens verliest minimaal twintig IQ-punten als die fan is en zijn team speelt. Voetbal met publiek – in bubbels, op afstand, of hoe ook – is onverantwoord in precaire tijden waarin social distancing de beste garantie is voor niet te veel virusverspreiding. Vragen om niet te juichen, niet te schreeuwen, niet te dansen en niet te zingen staat haaks op het DNA van de holenmens die hij/zij wordt als het favoriete team in de 93ste minuut de winnende goal scoort.

Er is natuurlijk iets meer loos dan een niet te controleren dwangneurose. Wat de Genk-fans vorig weekend uitvraten, dicht op elkaar zonder mondmasker staan zingen en juichen, is een opgestoken middenvinger naar clubbestuur en overheid. De straf – de helft minder fans in het stadion – is een lachertje.

De problematiek corona en voetbal is een beetje ingewikkelder dan wedstrijden met veel, weinig of zonder publiek. Elk stadion heeft een vak waar wetteloosheid de regel is, waar de ‘flikken’ zich niet vertonen, waar zwarte kledij het uniform is, waar de eigen regels gelden die nooit de regels van het algemeen belang zijn. De overheid en de clubs hebben daar geen antwoord op, ze zijn er zelfs bang van.

Donderdag speelde Willem II uit Tilburg voor het eerst in een eeuwigheid nog eens Europees. Zonder publiek zoals de UEFA het wilde. Er was toestemming voor vijfhonderd fans om zich te verzamelen op een plein om naar een groot scherm te kijken. Er kwamen er meer dan duizend op af. Ze stonden op elkaar gepakt, brulden en zongen en geen één droeg een mondmasker.

De kritiek was oorverdovend. “Zo gaat het niet lukken om corona eronder te houden.” “Mes in rug van zorgpersoneel.”

Het antwoord van burgemeester Theo Weterings gaf aan waar het probleem zich situeert: bij de wetteloosheid van een deel van het voetbalpubliek. “Als je het niet toestaat, loop je het risico dat supporters zich op verschillende plekken in de stad manifesteren. Het was een bewuste keuze.” Al bij al een verbijsterende vaststelling, dat je asociaal wangedrag concentreert om het te controleren, waarna je niet optreedt als het uit de hand loopt omdat de ellende anders niet te overzien is.

De burgemeester vroeg zich ook af of er binnen de maatschappelijke spelregels die er nu zijn überhaupt een vorm van betaald voetbal mogelijk is. Dat is een heel terechte vraag. Natuurlijk niet, maar geen politicus die het gezegd wil hebben. En hij besloot met “het was een waardeloze avond”. Willem II verloor met 4-0, dus waardeloos was het zeker, waardenloos nog meer.

Column over de Tour in De Morgen van maandag 21 sep 2020

Pog-Star, Poga-Tsaar…

Er zijn vast nog wel namen te bedenken, maar meer dan welke Sloveen ook, de grote winnaar van de voorbije drie weken is het wielrennen.

Wat. Een. Tour!

Een mooi parcours, alleen maar mooie ritten, mooie winnaars, geen enkele renner positief – niet op corona en niet op de rest – én suspens tot de voorlaatste dag. Na bijna alleen maar edities in de laatste decennia waarin één ploeg het hele peloton aan een leiband had, leek het Nederlandse Jumbo-Visma een vervolg te breien aan vijf verstikkende Sky-Ineos-jaren. Controle, rekenen, sterke ploeg, af en toe een rit winnen maar niet te fanatiek, weinig fouten maken, nogmaals controle.

Daar is niets mis mee, maar een sport in de verdrukking, en dat is het wielrennen in dit rare sportjaar, is gebaat bij onvoorspelbaarheid, sensatie en spektakel. De zet van de Tour-directie om de voorlaatste rit een (klim)tijdrit te programmeren, was geniaal. Dat het finaal fout afliep voor de ploeg die de controletoren in handen had, is jammer voor die ploeg, maar ook een beetje een zegen voor de sport.

Wat. Een. Beeld!

Primoz Roglic rijdt bergop en heeft een gele reuzekauwgumbol boven op zijn hoofd geplakt. Aan zijn volle tijdrithelm lag het niet, dat hij heeft verloren – al reed Pogacar wél met een helm met gaten – nooit eerder is een beeld van een helm zo sprekend geweest als zaterdag op La Planche des Belles Filles. Die rode kop, die wanhopige ogen, die benen die naar het juiste verzet zochten en dan die lullige helm.

De tijdrit duurde net geen uur, het laatste half uur moet voor Roglic een helletocht zijn geweest. Ik zou wel eens willen weten hoe ze hem vanuit de volgauto de boodschap hebben overgemaakt dat hij misschien iets harder moest gaan trappen.

Het besef dat hij al op het vlakke tijd aan het verliezen is en dat de laatste zes steile kilometers nog moeten komen. De wetenschap dat Pogacar in dat onderdeel intrinsiek sterker is, wat hij heeft bewezen in het Sloveens kampioenschap tijdrijden in juli. De naakte waarheid dat hij in deze Tour zonder die val en lekke band van Pogacar in die waaieretappe nooit in het geel zou staan. Daar rijd je dan tegen de flanken van die kutberg op en het loopt voor geen meter, dan overvalt je acuut het oplichtersyndroom: vandaag is de dag dat ik door de mand val en iedereen zal zien dat ik niet zo goed ben als ze allemaal wel denken.

Die benen van Roglic konden onmogelijk slecht zijn. Tussen de aankomst boven op de Col de la Loze, waar hij Pogacar bijna twintig seconden extra aan zijn broek had gesmeerd, en de tijdrit zaten twee volle dagen waarin de ploeg niet vol aan de bak moest en hij rustig over berg en dal naar de aankomst kon freewheelen. Tenzij Primoz Roglic alsnog morgen of overmorgen met een virus of bacterie uitvalt, kunnen we er van uitgaan dat hij in het zicht van zijn grootste triomf mentaal is ingestort.

“De pas 21-jarige Pogacar”, die vandaag 22 wordt voor alle duidelijkheid, heeft de Tour gewonnen, dat is geheel zijn verdienste. Maar Roglic heeft hem zaterdag evenveel verloren. Pogacar heeft ontzettend sterk gereden, maar op een Roglic in normale doen pakt hij nooit 1:56. Beste bewijs: Roglic reed 25 seconden trager dan Wout van Aert en scoorde pas de elfde klimtijd. Overigens gonst het van de verdachtmakingen, of wat had u gedacht in wielerland. Poga-Star klom tegen 6,5 watt per kilogram. De Fransen, die weer eens niet in het eigen toneelstuk voorkwamen, en ook heel wat slechte verliezers onder de Nederlanders, geloven niet dat hij zuiver rijdt. Vreemd dat dat zo maar wordt geponeerd. Voor deze ultrakorte etappe, met een klim van 16-17 minuten (althans voor de eerste 26 renners) zijn dat normale waarden.

Waar is het nog fout gegaan bij Jumbo-Visma? Ze hadden het zo goed voor elkaar, het ploegenspel had tot in de perfectie gerendeerd. Niet alleen waren er de ritoverwinningen, maar er was de controle. Misschien was die te groot, misschien is te defensief gekoerst, misschien hadden ze Tom Dumoulin langer bij de zaak moeten houden om bergop de eenmansploeg Pogacar onder druk te zetten, misschien dit, misschien dat,… het is praat na de vaak.

Ik wil mij aansluiten bij José De Cauwer: wat jammer voor Jumbo-Visma, maar hoe fantastisch is dit voor ploegleider Allan Peiper? Vorig jaar, na een hele zware chemo – het stond in de krant, dus ik verklap niets – moesten ze hem naar de Tour-start in Brussel brengen en kon hij amper een paar uur bij zijn ploeg blijven. Toen ik hem een paar dagen voor de Tour opbelde, zei hij: “Hi mate, ben bijna in Nice. Ik ga de hele Tour doen. Ik heb elke rit voorbereid. Ik heb er zin in.”

Column over Wout vanAert in De Morgen van zaterdag 19 september 2020

Indurain, laag octaan

Wout van Aert is voor de Belgische pers de revelatie van deze Tour. Dat is Belgische navelstaarderij van de eerste orde. Tadej Pogacar komt daarvoor eerder in aanmerking. Van Aert is absolute wereldklasse, daar niet van. Dat stond hier al vijf jaar geleden en dat heeft hij vorig jaar bevestigd met zijn exploten in de Strade Bianche (ook in 2018), de E3 Prijs, de Dauphiné en de Tour.

Altijd vooraan rijden in superlastige wedstrijden, tijdritten en lastige sprints winnen en bergop bij de beteren. Niet vergeten, het waren de renners van Jumbo-Visma zelf die hem vorig jaar al in de Tour-ploeg praatten. Het riedeltje dat hij dankzij zijn gruwelijke val in die Tour-tijdrit zo goed is geworden, is pure speculatie. Dat corona in zijn voordeel speelde, staat wel als een paal boven water.

Voor een goed gestructureerde ploeg als Jumbo-Visma met trainers/wetenschappers die hun renners tot op de laatste watt en gram sturen (en zo hoort het ook) kwam de coronapauze als een zegen. Van het huis Van Aert dat vorig jaar gedeeltelijk was afgebrand, dienden alleen nog de funderingen. Training per training werd muur per muur, verdieping per verdieping heropgebouwd, tot het dak erop stond. Bij de oplevering begin augustus bleek huize Van Aert ineens een verdieping meer te hebben.

Tegelijk onderging hij een transformatie: hij trainde meer dan ooit, gerichter dan ooit, en hij vermagerde. Niet zienderogen, maar honderd, tweehonderd gram per week. Ze keken zelfs om zijn metabolisme te verbeteren met deuterium-arm water. Voor u (samen met de Fransen) in een kramp schiet, ook deuterium-arm water is water en dus geen doping. Behalve een prijskaartje (zie het internet voor prijzen en meer uitleg) hangt er verder niks aan vast. Ik zou het ook niet thuis proberen.

En zo ging Wout van Aert van 81 naar 77 kilogram bij de start van de Tour. Hoeveel hij nu precies weegt, daar hebben we het raden naar. Gewicht kun je niet schatten op het zicht. Hij lijkt meer dan vier kilogram afgevallen, maar dat valt te verklaren door enerzijds minder vet en anderzijds meer spieren. Het soortelijk gewicht van spieren is hoger dan vet, vandaar de niet onbelangrijke mededeling aan iedereen die wil vermageren: van sporten alleen val je niet af, de kans bestaat zelfs dat je zal bijkomen. Minder calorie-input is de boodschap.

Vandaag behoort Van Aert intrinsiek bij de favorieten voor de tijdrit met aankomst op de Planche des Belles Filles. En morgen op de Elysese velden ook. Ik gun het hem en zijn ploeg, maar het is te hopen dat hij alvast vandaag niet wint, anders krijg je weer dat gezeur dat hij naar een ploeg moet die met hem op Tour-winst mikt.

Zelfs een kenner als Johan Bruyneel denkt dat hij op een dag voor Tour-winst moet gaan. Bruyneel heeft nooit eerder iemand zo goed zien bergop rijden en sprinten als Van Aert, of het moest Bernard Hinault zijn. Ik ken er nog een die dat kon: Eddy Merckx, en die heeft elf grote rondes gewonnen. Hinault overigens tien.

Met alle respect voor de grote kampioenen en begrip voor de mores van hun tijd, dat waren echt wel andere tijden. In de jaren zestig, zeventig en tachtig was het gebruik van anabolen (in de voorbereiding) en corticosteroïden (in de wedstrijd) gemeengoed. Bij het begin van de jaren negentig kwam dan epo.

De vergelijking met Hinault is overigens een beetje bij de haren getrokken. Hinault woog 62 kilogram. Is Van Aert dan een nieuwe Miguel Indurain? Die is ook veel afgevallen om de Tour te winnen, van 85 naar 78 kilogram, wat nog een kilo meer is dan Van Aert nu. Laten we er geen doekjes om winden: Indurain was de eerste Tour-winnaar op hoge octaanbenzine, zoals Lance Armstrong dat ooit mooi uitdrukte, full blown op epo. Van Aert is een Indurain op laag octaan.

In de epo- en bloedtransfusieperiode (1991-2005) waren de Tour-winnaars beduidend zwaarder dan daarna. Sinds 2006, als de bloedcontroles frequenter worden en het biologisch paspoort zijn intrede doet, is geen enkele Tour-winnaar nog boven de 70 kilogram uitgekomen. Of het zou Geraint Thomas moeten zijn met zijn 71 kilo, maar van hem en zijn Sky’s weten we dat ze aan de laatste klim met twee kilo minder vocht wilden beginnen.

Van Aert is als atleet nu al geoptimaliseerd door vier, vijf kilo in de min te gaan. Nog eens van 77 kilogram naar 71 laten afvallen
is onverantwoord. Deze Van Aert zal zich tevreden moeten stellen met alles behalve een grote ronde winnen. Of hij zou Fransman moeten worden, dan maken ze zo een Tour op zijn maat: niet te veel en niet te steil bergop en veel tijdritkilometers.