Verhaal over een boek van een sportende filosoof in De Morgen van zaterdag 7 nov 2020

Ik beweeg, dus ik ben

Ex-atleet en ex-journalist Marc Van den Bossche (60) is als professor filosofie met een passie voor sport en bewegen een bui- tenbeentje onder zijn peers. In zijn dertiende boek, het derde over sport, pleit hij voor lichamelijkheid. ‘Wij zijn níét ons brein.’

Disclaimer: dit verhaal kwam tot stand volgens de methode-Van den Bossche: vroeg opstaan en aan het werk gaan, bij een dip niet gaan eten maar gaan sporten, daarna ben je eens zo fit en zie je klaarder dan ooit. Het was de eerste keer; hopelijk baart oefening kunst.

Marc Van den Bossche is getraind: “Thuis heb ik op de zolder wat toestellen en gewichten. Als ik daar wat op tekeerga, voel ik mij al een stuk beter en kan ik weer aan de slag. De grootste creativiteit ervaar ik door duursport. Een bruisende geest in een bruisend lichaam.”

Filosofen hebben weinig of niks met sport. Dat is de schuld van een anderzijds heel knap filosoof die zei: ‘Ik denk, dus ik ben.’ René Descartes negeerde in de zeventiende eeuw de antieke Griekse filosofen die lijfelijkheid juist wel zagen als onderdeel van de vraag naar geluk, zelfverbetering en het goede leven.

Socrates danste en wandelde, Plato worstelde en Diogenes experimenteerde met een hele resem lichaamspraktijken van blootsvoets wandelen in de sneeuw tot masturberen in het openbaar. Sören Kierkegaard, die in de eerste helft van de negentiende eeuw leefde, hield het kuiser. Hij meende dat de geest optimaal functioneert bij een wandeltempo van 4,5 kilometer per uur. Ook Friedrich Nietzsche wandelde, soms tot acht uur per dag, hoog in de bergen.

Minachting

De hedendaagse filosofen zijn hun Griekse collega’s vergeten. Van den Bossche – ooit hardloper in de letterlijke betekenis, maar nu toch vooral gedreven hobbyfietser – ziet een zeker dedain.

“Ik deed op een behoorlijk niveau aan atletiek, maar ik ben zelf ooit gestopt met competitie omdat een filosoof Sartre moest zijn: op café, met een sigaret en een whisky. Hij moest denken en het lichaam was bijkomstig. Er komt steeds meer belangstelling voor de lichamelijkheid, al is de minachting er nog. Laatst beschreef een collega-filosoof ultralopen als doen alsof de mens nog met de natuur verbonden is. Dat is mijn hele betoog: ons lichaam is de natuur die we zelf zijn – ook dat stuk dat we niet kunnen beheersen en berekenen, het wilde dier in ons.”

Van den Bossches laatste worp is een compilatie van nieuw werk en deels aangepaste oudere columns, en hij plukte ook uit eerder eigen werk. “Ik probeer op een toegankelijke manier als filosoof over sport te schrijven, al zullen kopers van mijn eerste boek Wielrennen (2005) wel hebben opgekeken bij een passage over Heidegger. In de academische wereld wordt dat soort boeken dan weer niet echt ernstig genomen.”

Sport en het goede leven is een hoogst lezenswaardige opeenvolging van hoofdstukken waarin hij de lof zingt van bewegen, sporten, trainen. Op alle mogelijke manieren en met alle technische hulpmiddelen die daarvoor te koop zijn. De auteur bezoekt zelf bijvoorbeeld geregeld een fitnessclub waar hij zijn zielsgenoten raak observeert. Bij zichzelf ontdekte hij een oude waarheid als een koe: als een lichaam beweegt, zet dat processen in gang.

“Een vroegere student van mij, een psychiater, zei me ooit dat de mens in feite een chemisch fabriekje is. Ik vond dat wat provocerend, maar eigenlijk had hij gelijk. Het goeie nieuws nu is dat wij geen willoze toeschouwers zijn van wat zich in dat chemische fabriekje afspeelt. We kunnen er zelf mee aan de slag, door een goeie lichaamszorg. Of door te sporten. Voorál door te sporten.”

Aristoteles wist al dat elke mens een eigen maat had. Dat geldt ook voor bewegen, vindt Van den Bossche. De ene mens kan heel veel beweging nodig hebben, de andere kan volstaan met wandelen of zelfs met een dagelijkse yogasessie. “Wandelen is wel het minimum. Ik denk dat het goed is om ernaar te streven de fysieke inspanning tot onderdeel te maken van het dagelijkse leven. Noem het een persoonlijke lichaamshygiëne, die meteen een andere hygiëne van de geest met zich meebrengt. Ik ben het dus fundamenteel oneens met wat Dick Swaab poneert. Wij zijn niet ons brein. Ons brein is deel van ons lichaam en wij zijn deel van een omgeving en een cultuur en alles beïnvloedt elkaar.”

Snel verslaafd

De passie van Marc Van den Bossche voor sport, die niet-sporters al snel een verslaving vinden, is hem van jongs af aan overkomen. In zijn jonge jaren was hij een redelijk begaafd afstandsloper met een voorliefde voor lang en veel trainen. Toen hij moraalwetenschappen en later filosofie studeerde aan de VUB waar hij nu lesgeeft, gaf hij de sport op. Nog later werd hij atletiekmedewerker bij deze krant en vervolgens cultuurjournalist. En toen ging het mis.

“Ik werkte veel te hard en – en ik dronk ook te veel. Op een avond ben ik met mijn auto tegen een boom gereden. Resultaat: drie weken coma en een verbrijzelde enkel, waardoor ik nooit meer heb kunnen lopen zoals daarvoor. In 2006 heb ik wel nog eens een marathon gelopen, in Kasterlee. Drie dagen lang was ik euforisch. De vierde dag viel ik in een gat. Dus ja, ik ben een mens van extremen. Ik raak makkelijk verslaafd. Tegenwoordig is dat aan bewegen.”

De premisse dat het na je zestigste allemaal snel minder wordt, aanvaardt Marc Van den Bossche niet. Hij schermt met het voorbeeld van Ed Whitlock, de Canadees die alle marathonrecords voor hoogbejaarden op zijn naam heeft staan en die in 2016 op zijn 85ste nog een marathon onder de vier uur liep. Vijf maanden later stierf hij aan de gevolgen van prostaatkanker.

“Ik ben ook een paar keer afgeschreven als sporter. De eerste keer met dat ongeval, de tweede keer toen ik spontaan twee ruggenwervels brak door osteoporose. Ik kon niet meer op een stoel zitten, maar bij een kinesitherapeut heb ik de weldaden van krachttraining ontdekt. Ik lach in mijn boek met fitnessers die zichzelf in de spiegel monsteren, maar ik merk in diezelfde spiegel dat ik rechter loop, met meer zelfvertrouwen en dat mijn spiermassa is toegenomen. Mijn geteisterde wervelkolom houdt zich nu stil tussen beter getunede rugspieren. Dat geeft een beter zelfbeeld.”

De biologie van het ouder worden wil hij niet omkeren, maar als het even kan wordt hij een Belgische Tarahumara. “Bij die indianenstam lopen negentigjarigen nog een marathon. In de bergen. Dat kan natuurlijk alleen als je je hele leven lang hebt bewogen, niet als je al die tijd op je dik gat hebt gezeten.”

Bodyshaming

Terwijl hij dat zegt, gezeten in een Brugse brasserie – de horeca was nog niet gesloten – loopt buiten een hele dikke jogger voorbij. Ons beider reactie is enerzijds bewondering, maar anderzijds verwondering.

“Ik wil niet aan bodyshaming doen en je moet altijd de context zien van hoe iemand geworden is hoe zij of hij is, maar hoe bestaat het dat je het zover laat komen? Sporten is aan zelfzorg doen, zorg dragen voor je eigen lichamelijkheid. Doelen hoeven niet. Presteren ook niet, al vind ik steeds sneller fietsen wel een prettig gevoel. Ik ben het eens met Heather Reid, die in haar boek The Philosophical Athlete schrijft: niet het presteren zelf, maar wel hoe je leeft is belangrijk.”

Enige zelfrelativering is hem niet vreemd als hij het heeft over ‘een razernij gehuld in het sociaal geaccepteerde pak van sportbeoefenaar’. Marc Van den Bossche heeft zichzelf begin dit jaar voor zijn zestigste verjaardag getrakteerd op een nieuwe fiets, een dure Canyon, afgemonteerd met het allerbeste materiaal.

“Ik fiets niet zoals mijn vrouw in een groep. Dat is mij te stresserend, altijd letten op het achterwiel vóór je. Als ik fiets, denk ik na, en dat doe ik het liefste alleen. Als mijn vastgezette enkel niet zo zou opspelen – ik kan mijn tenen niet afrollen – zou lopen mijn voorkeur genieten.

“Stel dat ik tante Kaat zou heten en goede raad mocht geven, dan was het deze: laat alle spiergroepen ruim aan het woord. Eenzijdige belasting is voor niemand goed en al zeker niet als je een jaartje ouder wordt en de gewrichten wat minder kloek worden.”

Marc Van den Bossche,
Sport en het goede leven, een kleine filosofie van de duursport,
Uitgeverij ASP, 188 p., 18,50 euro.

Column over sporters en verkiezingen VS in De Morgen van maandag 2 nov 2020

De Verdeelde Staten

Megan Rapinoe, de beste speelster van de World Cup 2019 en winnares van de Ballon d’Or, zweeft enkele dagen voor de presidentsverkiezingen in haar land tussen angst en hoop. Dat had ik vier jaar geleden al. Na vele, lange omzwervingen in de VS had ik een duidelijk beeld van wie daar allemaal in dat rare land wonen en dat zadelde mij op met het ongemakkelijk voorgevoel dat Donald Trump een goeie kans had om te winnen. Die vrees kwam uit.

Een sportreporter komt soms op plaatsen waar niet iedereen komt. Neem New York. Madison Square Garden, natuurlijk, maar ook in de South Bronx of Lower East Side of de buurt rond Meadowlands Stadium in New Jersey, begin de jaren negentig bleef je daar beter weg.

In Chicago dronk ik ’s middags hondsdure cappuccino op Magnificent Mile en ging om middernacht op de South Side in een achterafzaaltje van een gemeenschapscentrum naar de Midnight Basketbal League kijken, een competitie voor criminelen die via basketbal probeerden op het rechte pad te blijven. Of die ene keer op de West Side dat ik de school van Kevin Garnett had bezocht voor een wedstrijd en dat mijn auto niet meer startte en de straten zich opmaakten voor de traditionele friday night fight tussen twee drugsbendes. Ik kreeg een jumpstart van de lerares automechanica, gelukkig maar.

Voor Lance Armstrong was ik ooit een week op het blauwe eiland Austin in het rode Texas, maar ben daar bij een tocht op de racefiets op het platteland door een redneck van de openbare weg gereden. “You don’t pay tax, you fuckin’ liberal, get off our road.” Op Maui, Hawaï, nodigde een heel aardig en hoogopgeleid koppel mij aan hun tafel uit, stonden erop alles te betalen, waarna ik er achter kwam dat ze mij voor hun streng evangelische geloof wilden winnen.

In Miami sliep en flaneerde ik op South Beach, maar ik hing rond op Calle Ocho, bij de overwegend blanke Cubanen. Of San Antonio, waar ik de slums van latino’s wilde zien. In Arizona heb ik pick-up games gespeeld met Navajo’s die voor het leven een salaris kregen van de staat ter compensatie voor het creperen van hun voorouders, arbeiders in de open uraniummijnen. Werken, nooit van gehoord, maar de pick and roll beheersten ze als geen ander.

In Atlanta ben ik op Summerhill, palend aan het olympisch stadion, gaan ‘wandelen’ voor de repo Het andere Atlanta. Die wijk, de eerste in het zuiden van de VS waar vrije slaven zich mochten vestigen, had toen gemiddeld drie schietpartijen per dag en twee doden.

Wat een land van uitersten, de VS: de ene keer zit je op een bus in San Francisco en spreekt de vertaler van Het verdriet van België je aan want hij meende Nederlands te horen, de andere keer rij je door de akkers rond India-no-place achter Rik Smits aan, de Nederlander van de Indiana Pacers. Hij nam mij mee naar zijn favoriete diner, een achterafplek mét confederatievlag en zonder creditcards, waar zijn vrienden/bikers kwamen eten en drinken. De latere Trump-stemmers, zeg maar.

Bottomline: de Verenigde Staten van Amerika zijn al van lang vóór Trump de Verdeelde Staten. Toch heb ik er deze keer een goed oog in. Als Trump verliest – een blowout is wenselijk – zal dat in niet geringe mate te danken zijn aan de Amerikaanse sportwereld, of althans een deel ervan.

Wat Colin Kaepernick in gang heeft gezet in de NFL en wat LeBron James in de NBA, de vrouwen van de WNBA, Megan Rapinoe en collega’s in het vrouwenvoetbal hebben versterkt, dat gaat nooit meer weg. De Black Lives Matter-beweging mag zichzelf dan af en toe voorbijhollen, ze heeft alvast de Amerikaanse maatschappij veranderd net zoals de gebeurtenissen van ruim een halve eeuw geleden.

De Ali-top van Cleveland, op 9 juni 1967, toen de allergrootste sporters zoals basketbalspelers Bill Russell en Lew Alcindor (later Kareem Abdul-Jabbar) en American footballspeler Jim Brown hun steun kwamen betuigen aan dienstweigeraar Muhammad Ali, was een eerste kentering. Een jaar later werd de Republikein Richard Nixon weliswaar verkozen op het thema veiligheid, maar dat was in een ander Amerika.

Nadat LeBron James zich in 2018 voor het eerst uitsprak over Trump, maande Laura Ingraham van Fox News hem aan: “Shut up and dribble.” James antwoordde: “Ik moet haar bedanken voor dat moment, haar woorden zijn blijven hangen bij zij die nu beseffen dat ze iets meer kunnen zijn.”

Sinds de Nike-clip van september 2018 met de werkloze activist Kaepernick – doe mij een lol en bekijk hem op YouTube – weten geëngageerde sporters dat zelfs de marktleider onbevreesd achter hen staat. Dit zijn niet enkele boze zwarte oproerkraaiers, dit is a good fight, in de woorden van de deze zomer overleden MLK-medestander John Lewis.

Gesprek met Peter Croonen van de Profliga in De Morgen van zaterdag 31 oktober 2020

‘Voetbal zit in perfecte storm’

Voetballen zonder of met beperkt publiek valt financieel heel moeilijk te verteren. Een totale lockdown en geen wedstrijden is wat de clubs het meest vrezen. ‘Dat zou een catastrofe zijn’, zucht Pro League-voorzitter Peter Croonen.

Een zwaar verlieslatende en zwaar gesubsidieerde sector die zijn klanten niet kan bedienen en in het extreme geval ophoudt te produceren en te verkopen, is gedoemd om te verdwijnen. Tenzij het om voetbal gaat, in barre coronatijden onze nationale troost, zeker als de winkelketen genaamd Koers binnenkort met onbepaald verlof is.

“Ik denk dat we binnen de strenge afspraken die we hebben gemaakt niks verkeerds doen door te voetballen”, zegt Peter Croonen (51). “Met publiek leverde soms problemen op, akkoord. Zonder publiek niet en zo bieden we de mensen die aan huis gekluisterd zitten toch nog een beetje vertier. Maar of dat een oplossing is? Neen, ook dit kunnen we niet lang volhouden.”

Hoe houdt de Pro League de ballen in de lucht, in dit geval op het veld?

Peter Croonen: “Via een gedetailleerd protocol, waarbij het ministerieel besluit dat op dat moment van kracht is uitmondt in een lokaal clubprotocol, dat wordt afgetoetst met de burgemeesters, gouverneurs en de minister van Sport. De basis is natuurlijk de testing, waarbij we de regel van zeven hanteren. Bij meer dan zeven besmettingen in de kern mag de club om uitstel vragen.

“Ik vind die zeven een verstandige regel. De UEFA werkt met de regel dat je dertien spelers moet overhouden om toch te voetballen. Dat is sportief veel zwaarder om op te vangen. Wij kunnen in België nauwelijks uitstellen. Als we hele speeldagen op een ander moment moeten plannen, komen we in de problemen. Nu met die Nations League er nog eens bij wordt het echt heel moeilijk om nog een gaatje te vinden. Te veel weekends worden ingenomen door interlandverplichtingen.

“Ik maak mij wel zorgen. Er zijn nogal wat clubs die boven die zeven scoren. In tegenstelling tot de eerste golf zien we dat het virus veel meer verspreid is in de bevolking. Persoonlijk kende ik in de eerste golf nauwelijks iemand die besmet was, nu veel meer.”

Het verlies dat de profclubs lijden wordt geschat op iets tussen 100 miljoen en 150 miljoen euro. Hoe komt u aan dat bedrag?

“Dat is een extrapolatie voor twaalf covidmaanden op basis van de btw-aangiften van de vier maanden vanaf maart tot en met
juni. Dat is een inschatting van het inkomstenverlies. Vooral getroffen zijn alle toeschouwersgebonden inkomsten, zowel ticketing, abonnementen als catering op wedstrijddagen. Voor de ene club is dat meer dan voor de andere. Dat varieert van een kwart van de inkomsten voor kleinere clubs met weinig toeschouwers tot de helft voor clubs met veel business seats.”

U bent ook clubvoorzitter bij Genk, hoe zit het daar?

“Wij hebben bij Genk het grote voordeel dat we een zeer goed jaar achter de rug hebben en dat ons eigen vermogen gaat stijgen
tot boven de 75 miljoen euro. Het verlies aan inkomsten door covid voor Racing Genk alleen ramen wij dit seizoen op meer dan 10 miljoen euro. De creativiteit om dat verlies te drukken is niet oneindig. Sommige diensten draaien op een lager niveau, andere diensten hebben het drukker door dat protocol.

“Veel kosten lopen gewoon door: de groendienst, het stadiononderhoud, de salarissen… De spelers spelen hun wedstrijden en hebben recht op hun contract. In het geval dat niet wordt gespeeld, zoals vanaf maart, zou je in theorie de spelers op technische werkloosheid kunnen zetten, maar dat willen wij niet omwille van de gunstige fiscale en parafiscale regeling waar het voetbal nu al van geniet.

“Zolang we voetballen, zijn we verzekerd van tv-gelden. Niet voetballen betekent de ineenstorting van ons hele kaartenhuisje: mediarechten, commerciële inkomsten, ticketing, alles valt dan weg. Nu nog eens een paar maanden niet spelen? Ik zou niet weten hoe de clubs dat kunnen opvangen.”

Dringt zich geen automatische koppeling op van de salarismassa aan de inkomsten van een club? Met een gemiddeld salaris van 211.000 euro per jaar kan de Belgische profvoetballer inleveren.

“Die koppeling kennen wij niet. Het is iets dat we moeten bekijken voor de toekomst. We kunnen dit nu even aan, maar voor veel clubs mag dit niet veel langer duren. Ik heb gehoord hoe er is gepleit voor een totale lockdown, ook voor voetbal. Dat zouden we maximaal drie speeldagen vol kunnen houden. Duurt het langer, dan krijgen we onze competitie, die nu al later is begonnen en vroeger moet eindigen, niet rond. Minder wedstrijden betekent minder televisierechten. In het vorige tv-contract was dat niet opgenomen. In dit nieuwe contract met Eleven, dat in volle covidcrisis werd afgesloten, wel.”

De rechtenhouders van het vorige contract vragen een terugbetaling van de laatste schijf van 24 miljoen euro. Wat is de stand van zaken?

“We zijn daarover in gesprek. Veel kan ik daar niet over kwijt.”

De UEFA heeft de aanbeveling gedaan voor een compensatie van 16 procent, weet u daarvan?

(denkt na) “Sta mij toe daar niet op te antwoorden. Zoals ik al zei lopen de gesprekken en tot we eruit zijn wil ik daar in de media niks over kwijt.”

Genk doet het misschien goed en nog wel een paar andere clubs, maar geconsolideerd was de situatie van het profvoetbal zelfs zonder corona niet te best.

“Neen. We hebben vorig seizoen samen een verlies van 100 miljoen geleden. Er is in de loop van dit jaar bij onze profclubs voor meer dan 100 miljoen euro eigen vermogen geïnjecteerd om in regel te zijn met de licentievoorwaarden.”

Kijkt het Belgische profvoetbal naar de overheid voor hulp?

“Voorlopig niet. We vragen wel dat de overheid met ons meedenkt hoe we het voetbal achter gesloten deuren kunnen blijven organiseren. We denken dat we daar op een veilige manier in slagen en dat de kans op besmetting in het stadion miniem is. De fans appreciëren dat we toch voetballen, dat bewijzen de kijkcijfers.

“Als we niet meer kunnen spelen, zullen we ons moeten beraden als sector of we ons tot de overheid wenden, vrees ik, alleen al om ons in leven te houden. Ik weet dat die steun in Frankrijk en Nederland wordt besproken, maar ik besef ook dat wij in België door ons fiscaal en parafiscaal stelsel al steun genieten. Ik hoop dat het niet te lang duurt. Ik hou echt mijn hart vast. Ik wil vermijden dat we nog eens moeten aankloppen bij een Belgische overheid die het al zwaar genoeg heeft.”

Weet u van clubs, behalve Anderlecht dan, waar het water tot boven de lippen komt?

“Jazeker. Ik had het al over dat gecumuleerd verlies van 100 miljoen in een niet-coronajaar. Reken daarbij 100 tot 150 miljoen omzetverlies en de transfermarkt die in elkaar is geklapt. De cijfers kleuren bloedrood. Als er al reserves waren, hebben heel veel clubs die dit jaar opgegeten. Gelukkig zijn de eigenaars bereid om te stutten met kapitaal, maar hoelang nog en wat brengt 2021?

“Op de laatste algemene vergadering van de Pro League hebben we gestemd over een aanpassing van de financiële fair play. We staan toe dat covidgerelateerd verlies wordt gecorrigeerd en opgevangen mag worden door kapitaalverhoging, niet door kredieten. Het gaat wel degelijk om verlies uit de covidperiode 2020-2021. Verliezen uit 2019 of eerder tellen niet mee.”

De hervorming van het fiscaal en parafiscaal stelsel van sociale lasten voor profsporters ligt ook weer op tafel. Het profvoetbal zit echt in zwaar weer.

“We zitten in de perfecte storm en als we niet oppassen lijdt die tot een catastrofe. We gaan dat gesprek aan met de nieuwe regering en die hervorming staat in het regeerakkoord. Die hebben nu natuurlijk andere dingen aan hun hoofd.

“Is dat ons geluk? Dat weet ik nog niet. Dat er een correctie moet komen, dat weten we. We hopen dat die het midden houdt tussen een sociale correctie en een topsportgeoriënteerde correctie. Dat enerzijds onze sector meer bijdraagt maar we er anderzijds zorg voor dragen dat we ons voetbal niet uit de markt prijzen in de internationale context waarin wij actief zijn. Er zijn heel wat sectoren met uitzonderingen om die reden en misschien kunnen wij daar ook aanspraak op maken.”

Pleidooi vóór de VAR in De Morgen van zaterdag 31 oktober 2020

Zet de VAR maar niet buitenspel

Drie jaar na de invoering blijft de videoref kop van Jut en niet alleen in België. Daarbij wordt de essentie uit het oog verloren: er is weinig mis met meer rechtvaardigheid door middel van videobeelden, eerder met het voetbal én de reglementen.

Stel dat de VAR, de Video Assistant Referee, al vijftig jaar bestond. Rewind naar 18 november 1973. Nederland-België, minuut 89. De stand is 0-0 en als die zo blijft gaat Nederland naar de World Cup in West-Duitsland. Een ultradefensief België krijgt in die 89ste minuut een vrije trap. Paul Van Himst neemt die buitenkant voet, Jan Verheyen is door de buitenspelval gelopen en scoort. 0-1, België door? Of toch niet?

Herman Kuiphof, de legendarische NOS-commentator: “Hij keurt ‘m af. Wegens buitenspel. En dat lijkt mij ook zeer duidelijk. De scheidsrechter zal zich even vergissen zeg, dat kost je zo de World Cup.”

De scheidsrechter hééft zich vergist, maar wel ten nadele van de Rode Duivels. Niemand van de Belgen liep toen buitenspel. Stel dat de VAR vijftig jaar geleden al bestond, dan had ref Pavel Kazakov er geen vijf seconden over gedaan – de tijd nodig voor een blik op zijn ‘grensrechter’ met de vlag omhoog – maar was hij naar een scherm in het Olympisch Stadion gelopen en had na een minuut of wat palaveren het doelpunt goedgekeurd. Is dat wat critici van de VAR bedoelen met ‘de charme van het spel is weg?’, dat wedstrijden niet langer eindigen op een onrechtvaardige stand door een scheidsrechterlijke dwaling?

Of bedoelen ze dat imperfectie ook mooi kan zijn? Niet het laffe België van Raymond Goethals maar wel het frivole Nederland van Rinus Michels en Johan Cruijff ging naar de World Cup. Waar Nederland de wereld kon verbazen met avontuurlijk, innovatief voetbal. Leve geen VAR!

Autoriteit ondermijnen

Zestien sporten (zie tabel) hebben inmiddels een vorm van videoscheidsrechter geïmplementeerd. Aan de minimalistische kant
van het spectrum staat tennis, dat enkel kijkt of de bal binnen, dan wel buiten is. Daartegenover staan de Amerikaanse sporten die vaak een opeenvolging zijn van standaardsituaties en onderbrekingen. De sport met de hoogste omzet (ruim 13,5 miljard euro voor viereneenhalve maand competitie) is misschien niet toevallig de sport die eerst was met wat ze over de plas ‘instant replay’ noemen.

De NFL (American football) begon in 1986 met die technologie, hield er even mee op vanaf 1992 tot 1998 om in 1999 een nieuw verbeterd systeem in te voeren. Vorig seizoen werden 1,6 wedstrijdsituaties (plays) per wedstrijd herbekeken. In 47 procent van de plays werd de beslissing van de ref herroepen.

Dat hoge percentage (in 1999 was dat maar 29 procent) is het gevolg van het doordacht gebruik van de challenge door de coaches, die twee challenges per wedstrijdhelft hebben en eventueel een derde als de eerste correct is. Ook de scheidsrechters kunnen naar de beelden gaan kijken, maar dat gebeurt veel minder vaak. De hoofdref zal wel consequent via de geluidsinstallatie de eindbeslissing tegelijk aan het stadion en de ploegen meedelen.

In het Europese voetbal wordt niet gecommuniceerd met het publiek en mogen de challenges niet van de coaches of de spelers komen. Al te energiek vragen naar de VAR door het tekenen van een luchtschermpje, levert zelfs een gele kaart op. Het aantal keren dat de VAR kan worden geraadpleegd, of de VAR zelf aan de bel kan trekken bij de scheidsrechter op het veld, is in voetbal in theorie onbeperkt. Het is de exclusieve bevoegdheid van de voetbalscheidsrechterij om de autoriteit van de collega op het veld te ondermijnen (en omgekeerd), en dat gebeurt af en toe met veel enthousiasme.

Niet zelden ontstaat daarbij de indruk dat de video assistent referee er niet is om de scheidsrechter te helpen, maar om terecht te wijzen. En vooral, dat een VAR-beslissing ellendig lang op zich laat wachten. In de NFL met al zijn spitstechnologie gaat het evenwel niet sneller. Een gemiddelde beslissing duurde daar iets meer dan twee minuten.

Andere normen

Op de World Cup in 2012 werd gebruikgemaakt van doellijntechnologie. In de zomer van 2017, een jaar na de eerste officiële wedstrijd (Frankrijk-Italië, vriendschappelijk in juni 2016) voerde België de video assistent referee in. Zoals wel vaker in het conservatieve voetbal, kon deze innovatie op weinig bijval rekenen. De mankerende technologie – uitvallende lijnen, slecht beeldmateriaal, gebrekkige handling van de beelden – hielp ook al niet.

Wat evenmin hielp, zo bleek onmiddellijk bij de vele herhalingen van betwiste fases, was/is de gebrekkige kennis bij de fans, maar ook bij media en analisten, van de reglementen van ’s werelds eerste sport. Met de import van beelden uit buitenlandse competities verbeterde dat er niet op: in de Engelse Premier League gelden andere normen dan in de rest van Europa, in het bijzonder voor de bestraffing van overtredingen. Hoe vaak zegt de analist niet: “Ja maar, in de Premier League is dat nooit een overtreding.”

Het resultaat is verwarring: geen enkele sport laat zoveel ruimte voor geografisch gebonden interpretaties van de reglementen
als het voetbal. Enkele weken geleden trapte Everton-doelman Jordan Pickford Liverpool-verdediger Virgil van Dijk driekwart jaar werkonbekwaam. Van Dijk liep weliswaar buitenspel, maar elke VAR in de wereld had de scheidsrechter op de tegelijk onhandige en zeer brutale overtreding gewezen. Niet in Engeland. Pickford kreeg zelfs geen geel. Ook geen rood, omdat de VAR verkeerd dacht dat het buitenspel de actie had gestopt.

De Engelsen zijn erg koele minnaars van de VAR die ze vorig seizoen voor het eerst toepasten. De statistieken wijzen niet op een opvallende bevoordeling van topteams. Vorig seizoen werden in de Premier League 109 beslissingen van de scheidsrechter omgedraaid. In 27 gevallen werd een doelpunt toegekend, 56 keer werd een doelpunt afgekeurd. 22 strafschoppen werden toegekend en 7 keer werd die herroepen. De VAR heeft een negatief effect op het aantal doelpunten, maar de doelpunten werden wel afgekeurd voor een spelfout: buitenspel, hands of een overtreding die niet was opgemerkt.

De perfecte imperfectie

In elk land zijn voor- en tegenstanders van de VAR. De belangrijkste argumenten pro zijn gekend. Technologie is nu éénmaal de toekomst en de belangen zijn te groot om die niet te gebruiken. Het is een stap naar een correcter resultaat. Niemand verdient te verliezen omwille van één foute beslissing en de prijs die wordt betaald – enkele minuten dat het spel stil ligt – is een kleine vergeleken bij die van een foute uitslag. De technologie evolueert en de kwaliteit van het beeldmateriaal wordt steeds beter.

De belangrijkste kritieken op de VAR zijn ook gekend. De historische momenten van de sport worden geruïneerd omdat ze in de meeste gevallen nog eens (te) grondig worden herbekeken alvorens een oordeel wordt geveld. Sport moet niet perfect zijn: de imperfectie laat een underdog toe te winnen en fouten, ook foute beslissingen, zijn deel van het voetbalspel. En ten slotte: de VAR elimineert misschien controverses, maar creëert nieuwe.

De perfecte imperfectie, het klinkt mooi, maar het argument rammelt. Voetbal en bij uitbreiding elke spelsport drijft op pariteit en competitief evenwicht, in de hand gewerkt door onvoorspelbaarheid. Streven naar onvoorspelbare uitslagen via het gedogen van scheidsrechterlijke dwalingen, is de wereld op zijn kop.

Voetbal heeft vergeleken bij andere teamsporten één groot nadeel: het is het meest oneerlijke spel ter wereld. In geen andere sport heeft een minder goed team meer kans op winst dan in voetbal. Nergens wordt minder gescoord en zijn daardoor scheidsrechterlijke beslissingen in cruciale fases bepalend voor de uitslag. De op één na laagst scorende sport is American football, met 2,9 touchdowns en 1,7 field goals per wedstrijd/per team, zowat het viervoudige van in voetbal. Toch zweert men in de NFL sinds 1999 definitief bij monitoring van alle sleutelfases vanuit het Art McNally GameDay Central in New York.

Het paard van Troje

Voetbal is een van de zwaarste sporten om te scheidsrechteren, reglementair en fysiek. In de NFL staan zeven scheidsrechters op of naast het veld. In voetbal zijn dat er vier, voor een spel dat sneller en veel onvoorspelbaarder verloopt, op een veld dat tien meter langer is dan in American football.

Strafschopovertreding of niet of schwalbe, al dan niet buitenspel en handsbal of geen handsbal zijn de meest voorkomende situaties die moeten worden getrancheerd door de videorefs in het busje, maar waarbij de ref op het veld het laatste woord heeft. Ook dat is anders in de NFL, waar de videorefs in New York beslissen en de gestreepte hoofdscheids op het veld de finale beslissing meedeelt. Zelfs in het veldhockey beslist de videoref en niet de veldscheidsrechter.

VRT- en Play-commentator Filip Joos hield het laatst niet meer. Voor hem is de slinger doorgeslagen van niet eerlijk naar te eerlijk. Joos schreef in een column: “De VAR kadert in de robotisering van het voetbal, de ontmenselijking van de scheidsrechter. Het voetbal heeft zijn paard van Troje binnengehaald.”

Hoe standaardisering van bestraffingen en beoordelingen een vloek kan zijn en hoe een sport te eerlijk kan zijn, moet Joos ons maar eens onder vier ogen uitleggen als het coronavaccin er is. Zijn aanleiding om de VAR neer te sabelen waren discutabele handsfases die hadden geleid tot ridicule strafschoppen. De VAR is evenwel geen superintelligent wezen dat zelf beslissingen neemt. Neen, de VAR wordt bediend door mensen die The Laws of the Game uit hun hoofd (zouden moeten) kennen. Misschien ligt daar wel het kalf gebonden.

Dat reglementenhandboek voor hoe het edele spel moet worden gespeeld, wordt elk jaar geamendeerd door de International Football Association Board. Die IFAB bestaat uit vertegenwoordigers van de zogeheten home nations, de uitvinders van het voetbal: Engeland, Schotland, Wales en Noord-Ierland, die samen 50 procent van de leden leveren. De andere 50 procent leden komen van de FIFA. Vergaderingen gaan altijd door in de vier landen van het Verenigd Koninkrijk of in Zürich. Engeland roert daar de grote trom. De internationale voetbalbond is derhalve de enige wereldbond die niet volledig meester is over de eigen regels.

Die IFAB morrelde de laatste jaren regelmatig aan de regels inzake hands, waardoor geen kat er haar jongen nog in terugvindt. Of doet alsof, want hoezeer de handsregel soms tegen de geest van het spel ingaat, hij is erg eenvoudig. Als de handen/armen van de verdediger een lichaam onnatuurlijk groter maken en de bal komt er tegen, is het hands. Bij een aanvaller is het altijd hands, ook al zijn de handen naast het lichaam. Soms ontbreekt de sportieve logica: het concept onnatuurlijke positie van handen is biomechanische onzin en alvast niet door ervaringsdeskundigen uitgevonden. Dat kan veel beter.

Halve VAR per wedstrijd

De VAR de schuld geven van foute en soms archaïsche reglementen, is het kind met het badwater weggooien. In een fase van enkele weken geleden waarbij ref Nicolas Laforge de bal tegen het lichaam en de handen van Mats Rits correct als een strafschop beoordeelde, werd hij aan het twijfelen gezet door zijn assistent en riep de VAR hem ook totaal overbodig naar het scherm. Laforge bleef gelukkig bij zijn beslissing. Dat was niet de fout van de technologie, maar van de mensen op het veld en achter de schermen.

Een scheidsrechterlijke beslissing, ook na tussenkomst van de VAR, kan altijd worden bediscussieerd. Het concept ‘clear and obvious error’ – duidelijke vergissing van de ref – moet het criterium zijn om fases extra te laten beoordelen. Die beoordeling zal nooit op unanimiteit kunnen rekenen. Een aanvaller die zijn niet-steunbeen laat hangen en daarna mooi neergaat, is een twijfelgeval. Hij moet niet vallen, maar hij kan/mag vallen, want er is contact. De vraag is: wie heeft het contact geïnitieerd, is die val wel echt, enzovoort, met discussie voor gevolg.

Helemaal anders is het met buitenspel. Hoezeer daar ook op wordt getraind, het menselijk oog kan niet altijd de snijlijn tussen twee bewegende spelers én het vertrekmoment van de bal in één oogopslag beoordelen. Dat is de essentie van buitenspel en daarvoor is de VAR een schitterend hulpmiddel. In de Premier League zijn vorig seizoen per saldo 29 doelpunten minder gescoord door reviews van de VAR.

Dat de videoref zoals bij Sadio Mané van Liverpool enkele weken geleden de lijn op een verkeerd lichaamsdeel trekt, en het doelpunt onterecht afkeurt, is ook weer niet de fout van de technologie, maar van de bedieners. De VAR zou geholpen zijn bij een reglementswijziging waarbij de voeten tellen als criterium om de lijn te trekken. Wat dan weer door het ouderenparlement dat over reglementen gaat – de IFAB – moet worden verordonneerd.

Hoe erg is het nu gesteld in België met die VAR als vermeend storend element? Stephanie Forde, operations director van de Belgische profscheidsrechters: “In België valt in minder dan één op de twee wedstrijden een VAR-interventie te noteren. U vindt dat laag?
Dat getal is vrij hoog. De FIFA had aanvankelijk een interventieratio van één interventie op vier wedstrijden voor ogen. Tijdens de speeldag van 17 tot 19 oktober sprongen vooral enkele betwiste fases in Standard-Club Brugge in het oog, maar in zeven van de negen wedstrijden was helemaal geen VAR-interventie.”

De Belgische scheidsrechters presteren niet slecht. In de Premier League wordt 82 procent van de sleutelmomenten juist beoordeeld vóór VAR en 95 procent is correct na VAR. In België is dat respectievelijk 84,62 procent vóór en 98,28 procent na VAR. De kritiek dat de VAR tempo en animo uit de wedstrijd haalt, countert het professional refereeing department van de KBVB met andere cijfers.

Stephanie Forde: “Vervangingen, vrije trappen, inworpen, doeltrappen en hoekschoppen samen onderbreken de wedstrijd gemiddeld een half uur. Een gemiddelde VAR-interventie duurt net geen minuut voor een review op het veld. Moet de ref naar het scherm dan duurt het gemiddeld 1’45. De gemiddelde VAR-onderbreking per wedstrijd duurt één minuut. In die ene minuut hebben we wel 81 foute beslissingen kunnen corrigeren.”

Column over Coleman en doping in De Morgen van zaterdag 31 oktober 2020

Snelste ex-actieve mens

Het beste en belangrijkste sportnieuws van de week is wellicht aan u voorbijgegaan, maar deze rubriek is niet voor niks in het leven geroepen in pre-woke-tijden toen De Morgen nog adverteerde met ‘schopt u een geweten’. Schoppen mag niet meer, maar aan deze basisopdracht wordt op deze plek niet verzaakt.

Het beste nieuws is dat het Internationaal Olympisch Comité de sportbonden heeft gewaarschuwd dat ze niet met de e-sporten moeten aanpappen; de FIFA niet met de verzamelde idioten die professioneel FIFA 20 spelen en dat sport noemen, bijvoorbeeld. E-sport is geen sport.

Het belangrijkste nieuws was de schorsing van de snelste man op aarde. Excuus: de snelste, ex-actieve mens op aarde. Christian Coleman mag twee jaar geen wedstrijden lopen, heeft de Athletics Integrity Unit (AIU) verordonneerd. Coleman zou goud gaan winnen in Tokio, maar dat gaat voorlopig niet door. Tokio niet en Coleman ook niet, zelfs als Tokio 2020 Tokio 2021 wordt. Hij kan wel nog in beroep, maar lijkt weinig kans te maken.

De AIU stipuleerde in zijn vonnis dat het niet is bewezen dat de atleet doping heeft genomen, wel dat hij drie dopingtests heeft gemist in 2019. Technisch gezien zijn dat er vier. In de aanloop naar het WK van Doha, vorig jaar rond deze tijd, wilden ze hem al eens schorsen voor drie gemiste tests. Eén misser telde niet door een procedurefout.

Coleman werd wereldkampioen in Doha en klopte Justin Gatlin, een tweevoudige dopingovertreder. Dan zou je denken: die domoor van een Coleman zal nu toch de regels volgen? Neen. Op 9 december vorig jaar stonden de dopingcontroleurs weer voor zijn deur op het opgegeven uur dat hij thuis hoorde te zijn. Omdat die eerste twee tests nog telden, was dat de derde keer dat hij niet thuis gaf. In juni werd hij preventief geschorst en nu, bijna een jaar later, is er de uitspraak.

Is het erg dat je daarvoor bent geschorst? Ja. Is het terecht dat je daarvoor wordt geschorst? Ja. Hebben ze hem gezocht tot ze prijs hadden? Ja. Is dat een schande? Neen.

Die Coleman is een bedrieger eerste klas en nog eens een leugenaar buiten categorie. Zo beweert hij dat hij die avond kerstinkopen was gaan doen, maar dat hij dat ene uur dat hij had opgegeven toch thuis was. Hij vond toevallig nog het bonnetje van die aankopen en wist zich ook nog te herinneren dat hij Mexicaans eten was gaan afhalen en dan naar Monday Night Football had gekeken, waarna hij weer was vertrokken.

Waarom staat dat hier allemaal en welke boodschap hebben we daaraan? Omdat hij loog. Zijn hele traject die avond is onderzocht en hoewel hij de snelste actieve man op aarde was – tot dan – kon hij binnen zijn tijdsbestek onmogelijk van huis naar de shoppingplaza en terug. Bovendien bleven de controleurs een uur voor zijn deur staan.

De Belgische atletiekcoach Rudi Diels verklaarde deze week: “Het is zoals met corona, de minderheid verziekt het.” Welke minderheid? De sprint in atletiek is collectief rot. Een atletiekvolger tweette de ranglijst van de vijftig snelste tijden op de 100 meter. Tyson Gay, Yohan Blake, Asafa Powell, Nesta Carter, Steve Mullins en nu Christian Coleman: allemaal zijn ze vroeg of laat tegen de dopinglamp gelopen.

Vijfendertig tijden kunnen worden geschrapt of met een sterretje gemarkeerd. De vijftien andere snelste tijden staan op naam van Usain Bolt. Over hem doen in dat verband de gekste verhalen de ronde.

Hij heeft een aantal duidelijke dopingkenmerken, maar hij kan evengoed de natural freak zijn die geheel zuiver 9.58 heeft gelopen. (De theoretische limiet zou op 9.48 liggen.) We zullen het nooit weten, ook al omdat Jamaica in zijn tijd nog geen dopingbeleid had en dopingcontroleurs hem heel moeilijk konden traceren.

Het draagt alvast niet bij tot vertrouwen in al wie 100 meter onder de 10 seconden loopt. Een andere naam in die top vijftig is Maurice Greene, die ooit 9.80 liep en in Sydney goud won. Hij is in een dopingzaak opgedoken als aankoper van dopingproducten, maar kwam weg met de verklaring dat hij die voor anderen had gekocht en dat hij niet wist waarvoor hij had betaald.

Greene werd destijds gecoacht door John Smith, de illustere boze zwarte coach die op UCLA werkte en in 2001 daar opstapte. Hij ging in zee met Emanuel Hudson, een agent die atleten vertegenwoordigde. Hun bedrijf heet HSI, Hudson-Smith International. Hudson is 130 kilo arrogantie schoon aan de haak. Smith heeft minder kilo’s maar evenveel arrogantie. Over HSI doen al bijna een kwarteeuw dopingverhalen de ronde. Maurice Greene zit bij HSI, Christian Coleman ook.

Column Het Mysterie KAA Gent in De Morgen van maandag 26 okt 2020

Het mysterie KAA Gent

Alvast één club is min of meer opgelucht dat er weer zonder publiek wordt gevoetbald en dat is KAA Gent. Stel je voor dat het stadion vanavond ‘Thorup-Thorup-Thorup’ begint te scanderen, gevolgd door wat andere namen en ‘buiten-buiten-buiten’, neen, dat kan die club nu niet hebben.

Jess Thorup was de lieveling van het publiek, de pers, de analisten, de spelers en nog wel wat blinden en slechtzienden. Dat supporters die man in zijn korte broek die hen telkens kwam groeten, op handen droegen, tot daar aan toe, maar van analisten en media had ik iets minder scorebordjournalistiek verwacht. Na een paar maanden vroeg ik een insider: “Die Thorup, aardige man, maar kan hij er wat van?” Antwoord: hij gaat heel goed om met de spelers, maar tactisch is het een beetje “doe maar aan”.

Nog iets later – 1 mei 2019 – verloren Thorup en Gent de bekerfinale tegen KV Mechelen. Tegen een tweedeklasser die weken aan een stuk geen competitie in de benen had, die zijn spelverdeler Onur Kaya moest missen en die nota bene op achterstand kwam. Toch werd het 1-2: nul intensiteit, nul veerkracht, nul tactische aanpassing. In de daaropvolgende play-offs werd Gent ternauwernood vijfde.

In die meimaand van 2019 liggen de kiemen voor de déconfiture van vandaag. Vadis Odjidja was rond met Anderlecht, tot Vincent Kompany kwam en een stokje voor de transfer stak. Jammer voor KAA Gent. Ze liepen blind een doodlopende straat in.

Odjidja is fantastisch aan de bal, inderdaad, maar hij en niemand anders bepaalt de intensiteit en de snelheid van het spel. Bovendien een alibiverdediger en dat op een erg cruciale positie. Al te veel tegengoals vertrokken vorig seizoen over zijn kant. De laksheid van Thorup ten aanzien van Odjidja was dan weer verklaarbaar. De Deen had door dat Odjidja een deel van de club in zijn zak had, helemaal toen de controletoren hem in augustus had bevorderd: een einzelgänger als kapitein, ook dat nog. Gevolg: Odjidja deed/doet zijn goesting.

Vervolgens kwam het seizoen 2019-2020. Gent scoorde de meeste goals, maar kreeg van alle ploegen in play-off 1 – die nooit zou doorgaan – de meeste goals tegen. Het eindigde nipt tweede na twee rampzalige verlieswedstrijden waarin Thorup voetballes kreeg van Cercle en Charleroi. Vooral die laatste 1-4 was ontluisterend: Charleroi bespeelde meesterlijk efficiënt de ruimtes die Gent weggaf, maar vanaf de bank kwam geen reactie.

De coronastop had een ideaal moment kunnen zijn om Jess Thorup te bedanken en een trainer te halen zoals Hein Vanhaezebrouck destijds: een slimme Belg, mét oefenstof en tactisch gepokt en gemazeld in de Jupiler Pro League. De Europese successen verbloemden veel, maar men vergat dat die werden behaald ten koste van ploegen die nóg meer dan Gent in de knoop lagen met zichzelf. In play-off 1 was dat Gent van half maart nooit tweede geëindigd. Thorup bleef en zou vervolgens te laat worden ontslagen. Of te vroeg, na twee speeldagen, dat was communicatief onverdedigbaar.

Door corona vergat men ook de competitie te ontleden. Bijvoorbeeld: waarom wonnen we zo vaak? Antwoord: niet door ons tactisch concept, maar door ons surplus aan talent voorin en door Jonathan David, een jongen met gouden voeten in een jaar waarin alles voor hem meezat. En ook: hoe komt het dat we twintig tegengoals meer hebben dan Club? Omdat het achterin een drama was. Vooral centraal was extra kwaliteit nodig. Alleen Arslanagic kwam. En later een jonge Noor.

In mei kreeg Odjidja een contractverlenging en rekende Gent zich rijk met die tweede plaats en het daaraan gekoppelde Europees voetbal, met kans op de Champions League. Die ging kansloos de mist in, terwijl men even tevoren nog hoog van de toren had geblazen dat ze Europees de best gerangschikte Belgische ploeg waren. Vandaag staat Gent derde. Ondertussen had de top van KAA Gent zich door een krant laten verleiden tot een boottocht-met-champagne op de Leie. De titel luidde: “Club Brugge staat een trapje hoger, maar de rest in België zijn we voorbij”. Hybris wordt altijd afgestraft: KAA Gent staat vandaag dertiende. In een competitie met zestien, wat Gent wilde, zouden ze in degradatiegevaar verkeren.

Na zes vette jaren zit Gent weer op het niveau van maart 2014: kansloos, of zo goed als, voor play-off 1 (met vier). Met spelers die niet langer in de eerste plaats aan het team denken. Met sterspelers, of wat daarvoor moet doorgaan, die roepen dat ze weg willen of redeneren “hoe hou ik hier mijn kop boven water?”. Succes in topsport is cyclisch en voetbal is toeval, maar soms helpt het simpele dingen goed te doen en noodzakelijke beslissingen te nemen op het juiste moment.

Column Coach de Coach over Anderlecht in De Morgen van zaterdag 24 okt 2020

Coach de coach

Gert Vande Broek staat Vincent Kompany bij in zijn coaching van Royal Sporting Club Anderlecht, zo raakte deze week bekend. Een opmerkzame collega legde meteen de link met de komst van Karel Van Eetvelt als CEO naar Neerpede. Van Eetvelt en Vande Broek kennen elkaar van wat we toen nog de KUL mochten noemen.

Het zijn sportkotters van Leuven, net als Anderlecht-voorzitter Wouter Vandenhaute. Gert Vande Broek leek in zijn gat gebeten bij de suggestie dat zijn passage bij Anderlecht meer te maken met lidmaatschap van die alumniclub dan wel met zijn kwaliteiten als coach. Al die academici (de eigenaar is bovendien een apotheker) bij Anderlecht, je schiet er geen ene moer mee op als die elf tussen de lijnen het niet doen, maar het staat ondertussen mooi op LinkedIn.

Van dat selecte gezelschap heeft alleen Vincent Kompany geen hoger diploma. Men heeft ons ooit vanuit Manchester willen laten geloven dat hij een MBA (master of business administration) had gehaald, maar er zijn MBA’s waarvoor je geslaagd bent als je het inschrijfgeld betaalt en er zijn MBA’s die er toe doen. Voor die laatste moet je voorafgaand een universitair diploma hebben behaald en dat heeft hij niet. Is dat van belang om een goede coach of een goede trainer of desnoods een zeer goede voetballer te worden/zijn? In het geheel niet, maar men moet ons niet voor de aap houden.

Kompany is ook zonder academische graad slim en daarom laat hij zich coachen door een ervaren coach. Dat het een volleybalcoach is die hoofdzakelijk met vrouwen heeft gewerkt (waaronder mijn eigen vrouw, ik getuig: best een goede leerschool – grapje), kan vreemd overkomen. Om hier dieper op in te gaan, is een aparte column nodig, maar laten we het hier op houden: als je vrouwen coacht als mannen, kom je er niet. Omgekeerd, coach mannen als vrouwen en de gevolgen zijn evenmin te overzien.

Er zijn nog verschillen. Het verschil tussen voetbal en toeval is de b van bal. Voetbal is een vaak onvoorspelbare aaneenschakeling van onbelangrijke situaties met tussendoor af een toe een hele belangrijke. Volleybal is een sjablonensport van steeds terugkerende voorgeprogrammeerde standaardsituaties, waarbij de tegenstander er niet toe doet, zolang je zelf je spel speelt en alles scoort en minder fouten maakt dan de andere. Het grootste verschil zit hem ten slotte in de kleedkamer. Passanten die het eigen succes boven dat van het team zetten – al helemaal de nationale ploeg die Vande Broek gewend is – zijn in een volleybalploeg op twee vingers te tellen. De passanten in een Belgisch voetbalteam zijn niet op twee, zelfs niet op vier handen te tellen. Een volleybalteam smeden is het belangrijkste doel van een coach. Een voetbalteam smeden is ondergeschikt aan de ontwikkeling van talent: de finaliteit van een voetbalteam is de lucratieve handel in voetballers, mensen.

Het beste voorbeeld is Jérémy Doku, in wie Kompany veel tijd heeft gestoken maar die meteen vertrok bij het eerste bod van een ambitieuze middenmoter uit de kleinste competitie van de G5. Dat is vooral wennen voor Vincent de voetballer, die bovenaan de voedselketen zijn métier uitoefende, maar nu Kompany de trainer-coach is en ergens midden in de voetbaljungle, belaagd van alle kanten, moet zien te overleven.

Kompany analyseerde zelf deze week de manco’s van zijn team. Duurde de wedstrijd maar tachtig minuten, we stonden los op kop, was zijn conclusie. Fout geredeneerd, want hij geeft zelf aan dat het probleem van zijn spelers niet de tijd, maar de instelling is nadat ze op voorsprong zijn gekomen.

De drie hoofdtaken van een trainer-coach in voetbal voorafgaand aan een wedstrijd zijn de juiste spelers selecteren, die spelers op de juiste plaats in het veld zetten en de spelers genoeg opnaaien. Niet te veel zodat het potje niet overkookt en ook niet te weinig om het bobijntje niet te snel te laten aflopen. Als hij dat niet van zichzelf wist, zal Gert Vande Broek, die dat wetenschappelijk heeft onderzocht, het hem wel hebben uitgelegd dat er verschillende leiderschapsstijlen zijn.

Vincent Kompany zegt snoeihard te zijn in de kleedkamer. Niks van gemerkt. Het is wachten op de eerste keer dat hij zijn spelers in het openbaar aanpakt. Vande Broek schrikt er als coach alvast niet voor terug om onder het oog van de camera’s zijn speelsters hun vet te geven. De dag dat Vincent Kompany boos uit zijn dug-out stormt, weet dan dat Vande Broek langs is geweest. Als Kompany een speler bij zijn haren van het veld trekt en er een andere in zet, heeft hij hem zelfs een clipje laten zien van illustere volleybalcollega. Zoek maar op: YouTube, Nikolay Karpol, the howling bear.

Column over MVDP en WVA in RVV in De Morgen van 19 okt 2020

Wielervrede

“Fucking motard de merde.” Zo luidde de hoogst ongelukkige tweet van Remco Evenepoel gisteren.

Die had te maken had met de val van Julian Alaphilippe in de Ronde van Vlaanderen. Een potentiële droomfinale werd daardoor onthoofd en toen kregen we een nog mooiere finale, met een Belg (of alvast een inwoner van België) als zekere winnaar. Met twee oerrivalen die elkaar in de laatste 34 kilometer voor geen vin losten en uiteindelijk met het kleinste verschil van elkaar werden gescheiden. Hoe zeven centimeter voor wielervrede zorgde.

Die val van Alaphilippe is een typesituatie zoals die vaak voorkomt in het wielrennen. Voorop rijdt een motor. Er rijden te veel motoren, helemaal mee eens, maar ze rijden er nu eenmaal en de renners hebben twee ogen. Renner één van de kopgroep rijdt naar de motor toe, want wil de studie van professor Bert Blocken in praktijk testen. Zelfs op vijftig meter haal je voordeel in het zog van de motor.
De motor moet inhouden, doet dat heel correct, misschien niet aan de kant van de weg waar dat had gemoeten, maar zoals gezegd: de drie hebben samen zes ogen en er is nog acht meter of zo om te passeren op een perfecte weg. Althans voor zover wegen in Vlaanderen ooit perfect zijn.

Op kop rijdt Wout van Aert en hij blijft rijden tot hij aan de motor is, maakt dan een zwiep om er langs te komen, waarna Mathieu van der Poel een nog grotere zwieper moet maken. Een acrobaat als Julian Alaphilippe slingert zich in normale omstandigheden ook langs die motor, maar nu is hij in communicatie met de volgwagen. Hij kijkt naar beneden om met zijn mond bij het microotje te kunnen. En dan gebeurt het: een klap, een val, een schreeuw, einde verhaal.

Een kopgroep met drie is misschien geen peloton, maar het was wel zo netjes geweest van de koploper om met het handje een beweging te maken naar zijn volgers, zoals wij wielertoeristen. Gewoon even waarschuwen, handje links of rechts wapperen: pas op, hindernisje, even opzij. Had gekund. Is niet gebeurd. Is dat slechte wil? Is dat in het heetst van de strijd?

Ach, het is gebeurd en – de uitspraak is in de mode – het is wat het is. Dit was een samenloop van omstandigheden, versterkt door de wet van Murphy. Randbemerking: kunnen ze bij DCQS Evenepoel zijn iPhone of Samsung niet afpakken als hij naar de koers kijkt? Geef hem tijdelijk zo’n ding waarmee je nog net kan bellen en sms’en, maar al de rest niet.

De droomfinale dan. Daar reden ze: twee jongens die nu al meer dan een decennium elkaar tegenkomen op kampioenschappen en die zo vaak samen op het podium hebben gestaan, dat ze elkaar niets meer te vertellen hebben. Het is anders: Mathieu van der Poel en Wout van Aert hebben elkaar nog nooit uitgebreid gesproken. Ze haten elkaar niet, maar ze kunnen geen vrienden zijn. Het is te hopen dat ze ooit eindigen als Roger de Vlaeminck en Eddy Merckx. Dat ze uiteindelijk na al die duels op het scherpst van de snee, wel gewoon vrienden worden.

Na de val van Alaphilippe zat er niets anders op dan door te rijden. Was de Franse wereldkampioen – de beste in koers om dat moment – in de kop gebleven, wat hadden we dan gekregen? Alaphilippe die probeert weg te rijden, Van Aert die redeneert “ik heb al veel prijzen, Mathieu, doe jij nu maar”. Mathieu die er een paar keer achteraan gaat en dan uiteindelijk niet meer, tenzij Wout gaat natuurlijk, waarna ‘de buitenlander’ Alaphilippe zou winnen. En het overhandse gezeik weer in alle hevigheid zou beginnen.

Niets daarvan. Mathieu en Wout reden een 240 kilometer lange Koppenbergcross. Samen uit, samen thuis. Mij leek Wout van Aert op de hellingen net iets flukser, net iets meer overschot te hebben, maar dat Merckxiaanse schokschouderen van Van der Poel zet een mens op het verkeerde been.

Hoe ze dat onderling hebben beleefd, dat is interessant om weten. Wie samen met iemand een berg oprijdt, redelijk tegen de limiet aan, weet meteen wie de sterkste is. Al hebben die mannen natuurlijk zoveel energiedepots om uit te putten, zoveel grinta en houden ze soms zoveel watts op overschot, dat je het nog niet weet en zij misschien ook niet.

Op het vlakke deden ze netjes hun beurten, tot de laatste kilometer. Wout van Aert dacht het binnen te hebben omdat hij Mathieu van der Poel de kop kon opdringen. Alleen, dit was al lang geen sprint meer. Met nog 200 meter te gaan lag de snelheid zo laag dat we te maken hadden met een explosieve start. En dan – zo weten we uit de cross – is Van der Poel haast altijd het snelst weg. Zeven centimeter redden het seizoen van de meest getalenteerde atleet die ooit op twee wielen heeft gereden.

Interview Tomas Van Den Spiegel in De Morgen van zaterdag 17 okt 2020

‘Ik heb in de Tour gezien hoe het níét moet’

Als morgen de Ronde van Vlaanderen wordt verreden, is dat zeker ook te danken aan Flanders Classics-CEO Tomas Van Den Spiegel (42). ‘Geen publiek, dat is heel erg. Maar we gaan wél het kijkcijferrecord breken.’

Afgelopen dinsdag in het Centrum Ronde van Vlaanderen. Operatie Red De Ronde heeft hoofdrolspelers opgetrommeld voor een persconferentie. De ene na de andere neemt het woord en met de spreker wordt de taal repressiever. Met een uit de kluiten gewassen federale politieman achter de micro, komt het pas echt binnen: de Vlaamse Ardennen beleven dit weekend een wielerstaat van beleg. Zoveel no-gozones, dat moet geleden zijn van de inval van de Duitsers. Na de desgevallende boetes en straffen nog eens te hebben benadrukt, kondigt de superflik de CEO van Flanders Classics aan.

Een imposante figuur hijst zich uit de te lage stoelen, stapt het podium op, gaat zitten, weer aan te lage stoelen en tafel, zet het Flanders Classics-mondkapje af. Hij bedankt elke spreker en instantie, uit het hoofd, en begint zijn verhaal, precies zoals hij dat eerder deed tegen ondergetekende in een Gentse koffiezaak, toen met cappuccino’s en twee puntjes kaastaart tussen ons.

De naturel, de rustige flair van Tomas Van Den Spiegel is nieuw voor koersland Vlaanderen. Zonder uitgeschreven tekst, slides heeft hij ook niet nodig, somt hij in klare taal nog eens de noodzakelijke maatregelen op die van de Ronde van Vlaanderen Limited Edition een unieke wedstrijd zullen maken.

Hij hamert op het belang van het gezondheidsaspect en legt handig de nadruk op hoe zijn organisatie het resterende mediabudget heeft ingezet om het publiek te vragen, zeg maar te smeken, weg te blijven van het parcours. In alle mediaoutlets was Van Den Spiegel daarna de geïnterviewde met dienst.

Tomas Van Den Spiegel: “Transparant communiceren is mijn voornaamste taak sinds het uitbreken van de coronacrisis. Dat zijn we verplicht aan de wielerfans en aan het wielrennen: onze verantwoordelijkheid nemen in goede en kwade dagen. Maar ik, stressvrij? Hoegenaamd niet. Ik slaap al weken slecht. Ik kan wel goed focussen om een resultaat te bereiken, dat is ook topsport.”

U bent sinds begin 2018 de CEO van Flanders Classics. Sinds wanneer weet u van het bestaan van de fiets en het wielrennen af?

Tomas Van Den Spiegel: “Ik ben een echte Vlaming, opgegroeid met die superpassie. Ik heb die sport altijd gevolgd, voor zover dat mogelijk was toen ik in het buitenland basketbalde. Toen ik bij Bologna speelde, waren dat de hoogdagen van Johan Museeuw en Italië is ook koersgek. Mijn bijnaam in Bologna was Il Leone di Fiandre, de Leeuw van Vlaanderen, naar analogie met Museeuw.

“Zelf fietsen is een ander verhaal. Ik heb nog niet zo heel lang een koersfiets. Ik ben ermee begonnen in 2015 toen ik peter werd van de 1.000 kilometer van Kom Op Tegen Kanker. Door mijn 2m14 was het heel lastig om een geschikt kader te vinden.”

Werken voor Wouter Vandenhaute en overleven is niet iedereen gegeven. U bent een survivor.

“Ik heb de eerste jaren vooral geluisterd en geobserveerd.

Jij hebt vorig jaar in een column geschreven dat ik in een dubbelinterview met Wouter maar een kwart van de quotes voor mijn rekening nam en je noemde dat slim. Met het dossier van de Wereldbekers cross ben ik een jaar geleden voor het eerst op de voorgrond getreden.

“Een survivor? Misschien wel, ik pas mij makkelijk aan, maar ik heb ook mijn ego, ik ben ook ambitieus en ik denk dat ik iets kan betekenen. Ik was niet de beste basketbalspeler van Europa, maar elke coach wilde mij wel in zijn team, omdat ik de puntjes kon verbinden om tot resultaat te komen. Dit wil ik ook bij Flanders Classics doen.

“Ik won in 2012 De slimste mens en toen ben ik met Wouter Vandenhaute aan de praat geraakt over ondernemen in de sport. Een goed gesprek. Elk jaar kwamen we elkaar wel eens tegen en begonnen we er opnieuw over. In 2018 belde hij dat hij mij wilde spreken. Toen hebben we een hele zaterdag samen gezeten. Ik moest hem terug bellen, maar ik belde niet. Waarop hij zelf belde: hoe zit het, klaar om CEO te worden van Flanders Classics? Ik ben toen gesprongen, heel goed wetend dat ik in een traditioneel milieu terechtkwam. Wouter was al een vreemde eend in de bijt, ik was nog vreemder. Ik zag er ook atypisch uit voor wielrennen.

“Ik manage de dagelijkse werking van Flanders Classics, dat zijn 25 vrouwen en mannen, en heel wat toeleveranciers. Neen, ik had weinig ervaring, maar ik heb wel wat gezond verstand en ben goed omringd en daar komt het op aan. Wat ik heb veranderd? Niet zo heel veel dat onmiddellijk opvalt. We hebben het vrouwenwielrennen organisatorisch naar een hoger niveau getild, waardoor er nu ook een Parijs-Roubaix voor vrouwen op de kalender stond. En ik heb voor deze compacte kalender de afstanden ingekort. Niet alle organisatoren en burgemeesters zijn daar even blij mee. En toch moest het zo.

“Naast vrouwenwielrennen hebben we door corona op het vlak van virtueel fietsen echt wel een verschil gemaakt. Daarnaast zijn we sterk gegroeid van een bedrijf dat enkel in het voorjaar relevant was naar een bedrijf dat het hele jaar organiseert. Er staat intussen ook een ‘data management platform’ klaar dat ons toelaat de wielerfan en liefhebber beter te leren kennen en op zijn wenken te bedienen.”

Neem ons eens mee naar februari-maart. Hoe hebt u dat beleefd?

“Tegelijk met de Omloop was er de UAE Tour in de Emiraten en enkele renners hadden daar positief getest. Dat was op dat moment ver van ons bed, wij organiseerden op 28 februari nog de start in het Kuipke in Gent met duizenden toeschouwers. Een week later ben ik al naar Marc Van Ranst getrokken om te vragen hoe hij de toekomst zag. Dat kon toen nog alle kanten uit, maar in Italië ontplofte het die week.

“Al heel snel hebben wij beslist dat we ons zouden beperken tot de basis van organiseren: een wedstrijd laten doorgaan. Het randgebeuren, de hospitality, toch een groot deel van ons zakencijfer, hebben we afgelast. Uiteindelijk is niks van het Vlaamse voorjaarsprogramma kunnen doorgaan. Nu wel, maar in beperkte vorm: geen toeschouwers, geen vips. Of we zo break-even kunnen draaien, zal ik pas kunnen zeggen als we hiermee klaar zijn.

“Het belangrijkste is dat die wedstrijd kan doorgaan. Wielrennen zonder vips is financieel lastig, zonder toeschouwers kan wel. De ticketing is maar een klein deel van de inkomsten, maar veel volk langs de kant is natuurlijk leuker. Gelukkig is een wielerwedstrijd waarin wordt gekoerst nog steeds een valabel tv-product. Ik denk zelfs dat we het kijkcijferrecord van 1,4 miljoen voor de Ronde van Vlaanderen zullen breken.”

Koers lijkt de enige sport die corona moeiteloos zal overleven. Met dank aan het voluntarisme van de wielrenners. Zo’n frictie tussen Van Aert en Van der Poel: is dat geen geschenk?

“Elke sport heeft nood aan verhalen, aan sterren. Laat het nu juist twee jongens van bij ons zijn, want dat is Mathieu ook, en die uit de cross komen, die het wielrennen vandaag domineren. Ze hebben allebei star quality en zijn welbespraakt. Dat akkefietje na Gent- Wevelgem is inderdaad een geschenk voor het wielrennen. Misschien wordt het zondag wel een sprint met die twee in Oudenaarde.

“Alle sport lijdt onder Covid-19, dat staat vast. Niet alleen de wedstrijden, maar ook de massaevents voor duizenden deelnemers. Gaan wij ooit nog een Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen kunnen organiseren, bijvoorbeeld? Hoe zit dat met de marathons van 40.000 man?

“Neem het veldrijden. Dat is een stadionsport, maar er zijn geen afgebakende zitjes zoals op het voetbal. Dus doen we het zonder publiek, net als in de Ronde. Wij willen sport organiseren, zonder verspreiders van het virus te zijn. Veldrijden heeft het moeilijk, het economisch model is afhankelijk van ticketing die nu wegvalt, en van het verkopen van eten en drinken, wat ook wegvalt. En toch hoed ik mij voor het wentelen in zelfmedelijden. Er zijn nog sectoren behalve sport die het zwaar hebben. De impact is gigantisch, maar het is aan de sportsector om er iets op te vinden, de dingen anders te doen.”

Wat doet u de dag van de koers?

“Ik sta aan de aankomstzone. Veel is er dan niet meer te doen voor mij. Dit jaar ben ik natuurlijk stand-by als het niet loopt zoals
het hoort met betrekking tot de veiligheid en de coronamaatregelen. Bij een normale editie praat ik met de genodigden of de lokale autoriteiten, maar die zijn nu dus niet zo talrijk als vroeger. En sponsors beperken nu vaak hun aanwezigheid, dus dat is ook minder. Afgezien van de stress of alles goed zal verlopen, zijn deze coronawedstrijden voor mij de rustigste die ik al heb gekend. De laatste weken was er alleen een probleempje rond de Brabantse Pijl, toen bleek dat de vrouwenploeg van CCC een positieve coronatest had. Die trokken zichzelf uit de wedstrijd terug.

“Mijn werk loopt weken vóór op het event. Veiligheid is een heel belangrijk item geworden en terecht. De kalender was een ander heikel probleem. Ik heb onderhandeld met de CEO’s van ASO, RCS en alle andere grote wedstrijden over wat wanneer zou worden gereden. Ik dacht dat we goed zaten met oktober, daar leek het ten minste op in juni. Nu blijkt het toch tricky te zijn. Die onderhandelingen heb ik alleen gedaan, Wouter Vandenhaute was toen erg druk met Anderlecht, maar we overlegden uiteraard.”

Op de fiets?

“Dat gebeurt geregeld. Mijn fiets zit vaak in de koffer van de auto en als we iets te bespreken hebben, is het gezonder om dat tijdens een fietstocht te doen dan aan tafel. Vilvoorde is wel niet zo’n ideale uitvalsbasis voor een mooie tocht. De meeste van mijn ritten ben ik alleen op pad. Ik woon in Heusden bij Gent, via de Schelde ben ik zo in Oudenaarde en dan hangt mijn rondje af van hoeveel tijd ik heb.

“Ik denk dat ik in 2020 aan 6.000 kilometer zal komen, wat veel is voor mij. Ik ben erop vooruitgegaan dit jaar. Ik ben ook fit en mijn gehavende enkels voel ik ook niet als ik fiets, tenzij na een hele lange tocht. Er zit nog wat ijzer in mijn voet en dat wil wel eens opspelen.

“Ik heb ook die obsessie van de wieltoerist: ik kan niet gewoon gaan fietsen. Ik moet een strijd leveren tegen mijzelf, tegen mijn pr op de STRAVA-segmenten en dan wil ik nog wel eens te veel doen en mijzelf kapot fietsen. Op Zwift durf ik ook wel eens tegen iemand te rijden en als die dan net sterker is, pfff. Ik weet dat ik nooit aan gemiddeldes van 37 zal geraken. Uit de wind zitten, dat gevoel ken ik niet. (lacht) Ik rij altijd in de wind. En klimmen is al zeker mijn ding niet.

“Ik ben in de Tour de Col de la Loze (21,5 km aan 7,8% met pieken van 20%, HV) opgereden. Met vijf per uur en af en toe strategisch gestopt. Ik was vooral in de Tour om te kijken hoe zij het aanpakten. Veel heb ik niet geleerd. Die massa volk op de Peyresourde was fout. Ook bij de tijdrit stond het volk te dicht op elkaar. De Grand Colombier was dan weer hermetisch afgesloten. De ene berg dicht en de andere niet, volgens de waan van de dag… Ik heb toen gezien hoe het niet moest.”

U zat eerder bij Bakala en dan zijn er nog Sporthouse Group en het basketbalverhaal. Hoe past u alles in?

“Bij Bakala ben ik weg sinds 2017. Bij Sporthouse Group ben ik aandeelhouder en heb ik een minder operationele functie. Sporthouse zit in de digitale communicatie. Wij doen onder meer de accounts van Kevin De Bruyne, Dries Mertens, een aantal voetbalclubs, Play Telenet. Ook Flanders Classics, maar dat dateert al van voor ik daar ben. Veertien mensen werken daar, de CEO is Sam Kerkhofs, de neef van Kat, de vrouw van Dries Mertens.

“Ik heb een drukke agenda, dat kan ik niet ontkennen en ik wil het ook allemaal goed doen. Dat betekent veel en lange dagen, opstaan en gaan slapen met wielrennen. Toch heb ik niet het gevoel dat ik werk.”page2image6241312

En dat basketbal?

“Ik ben voorzitter van ULEB, de koepelfederatie van de grootste liga’s in Europa. Maandag ben ik voor nog eens vier jaar herkozen, er was geen tegenkandidaat. Dat is een onbezoldigde functie, maar lang niet ceremonieel. We hebben recent, als grootste aandeelhouder van de Euroleague, bij de Europese Commissie een klacht ingediend voor kartelvorming tégen die Euroleague. Wij willen een eerlijke behandeling en toegang van alle liga’s tot die lucratieve Europese competitie.

“Ik zit als voorzitter van ULEB ook in de raad van bestuur en het uitvoerend comité van de wereldbasketbalbond FIBA Europe en ben lid van de competitiecommissie van FIBA World. Dat zijn puur politieke functies. Hoewel ik niet de typische bobo ben, liggen daar mijn kwaliteiten. Coachen? Nooit. Ik leg mijn lot niet in handen van anderen en van niet te controleren parameters. Ik ben ook niet geduldig genoeg om een hele hiërarchie te doorlopen. Als Belgische speler in Europa je plek veroveren, dat gevecht heb ik al eens geleverd. Nu ook nog eens als coach, is nog lastiger. Daar heb ik geen zin in.

“Basketbal is mijn leven geweest en wat ik nu doe voor de ULEB is teruggeven aan de sport. Het plezante is dat spelers van mijn generatie als Andrej Kirilenko (ex-NBA, HV) en mijn room mate bij Real Madrid Jorge Garbajosa nu ook voorzitter zijn van hun nationale bond. Het basketballen zelf? Als ik een ring zie hangen, zoals bij mijn zus, zal ik nog eens een bal gooien, maar ik heb thuis geen ring. In de kelder hangen wat shirts en memorabilia en dat is het.”

Af en toe post u nog een actie van u op Twitter.

“Soms wijzen vrienden mij op fragmenten van vroeger. Mijn carrière dateert grotendeels van voor het social-mediatijdperk dus zoveel materiaal is er niet. Maar het is wel leuk om dat eens terug te zien. Winnen en presteren in topsport, is een gevoel dat je met niks anders kan vergelijken. Dat af en toe terug oproepen, is plezant.”

Mag in uw biografietje ook uw passage bij het Optima van Jeroen Piqueur worden vermeld?

(lacht) “Zeker. Laatst was er iemand die beweerde dat ik mijn Optima-jaren van mijn LinkedIn had weggehaald. Niet waar. Ik ben Jeroen en zijn zoon dankbaar voor de kansen die ik heb gekregen. Dat was een goede leerschool. Ik begeleidde topsporters bij hun financiële planning, maar ik deed ook event marketing en sponsoring,. Ik zou vandaag niet staan waar ik sta zonder die jaren.”

Column over voetbal, corona en overheidssteun in De Morgen van zaterdag 17 okt 2020

Voetbal is niet in nood

De voetbaldomino’s zijn aan het vallen, althans in Frankrijk. Het is een kwestie van tijd voor ze ook bij ons omgaan. Donderdag opende L’Equipe de krant met de melding dat de Ligue, de Franse profliga, een lening had afgesloten voor 120 miljoen euro, kwestie van de hoogste nood bij de Franse profclubs te lenigen. Eerder al vroeg de Ligue 215 miljoen aan de Franse staat ter compensatie van de gederfde inkomsten van wedstrijden zonder publiek, hospitality en daarmee gepaard gaande sponsor- en andere overeenkomsten.

Daarbovenop heeft het Franse voetbal nu ook nog eens te horen gekregen dat rechtenhouder Mediapro het contract ter waarde van 810 miljoen euro (waarvan 780 voor de Ligue 1) wil heronderhandelen. De Ligue stond meteen op de achterste poten en sprak ferme taal. Zoals: geen sprake van. Of nog: in dat geval gaan we de hoofdaandeelhouder in gebreke stellen.

De tweede schijf die op 5 oktober door Mediapro moest worden betaald bedraagt 172 miljoen euro en dat is niet gebeurd. Het aparte aan dit verhaal is dat Mediapro een nieuwe rechtenhouder is. De vorige rechtenhouders waren Canal+ en BeIn Sports en die weigerden eind maart bij de stopzetting van de competitie om de resterende aanbetalingen te voldoen.

Waarop de nieuwe rechtenhouder de oude kapittelde en zie, daar is golfje bis en de nieuwe doet net hetzelfde.

Ander leuk aspect aan deze story: Mediapro is al lang geen Spaans bedrijf meer. Sinds 2018 heeft het als hoofdaandeelhouder een Chinees investeringsfonds dat luistert naar de naam Orient Hontai Capital. Dat zit dan weer onder de holding Orient Securities en die hebben op hun beurt als hoofdaandeelhouder de stadstaat Shanghai, zeg maar meteen de staat China. De Franse Ligue 1 gaat zich dus meten met China. Bonne chance.

Overigens is het eerste dominosteentje gevallen in Duitsland, maar dat bleef wat in de luwte. Afgelopen zomer is daar het nieuwe tv-contract onderhandeld dat moet ingaan vanaf de zomer van 2021. Voor het eerst is dat minder waard dan het vorige. Geen 1,15 miljard euro per jaar, maar 1,1 miljard.

In België houden de profclubs ook hun hart vast, telkens als Eleven een schijf moet betalen. Dat willen we best geloven. Bovendien eisen Telenet en Proximus nog altijd een compensatie voor de laatste schijf aan televisierechten die al is betaald, maar waar geen prestatie tegenover stond. Lees: we hebben betaald voor iets wat we niet hebben gekregen.

Ondertussen roert ook de abonnee zich. In tegenstelling tot wat je zou verwachten is dat niet het lompenproletariaat van de volksplaatsen dat zich van alles moet ontzeggen om een abonnement voor de wekelijkse anderhalf uur troost/ergernis. Clubliefde overstijgt de mercantiele reflex. Niet bij de dure zitjes, die hun geld terug willen. In Gent willen een aantal van die business- en vip- seathouders de club in gebreke stellen. Zij pikken het niet dat ze met een kluitje in het riet worden gestuurd, in casu met een tegoed op hun digitale betaalkaart voor drank en eten of een sjaal in de fanshop.

In Nederland was dan weer ophef ontstaan over bonussen van 200.000 en 250.000 euro voor algemeen directeur Edwin van der Sar en technisch directeur Marc Overmars van Ajax. Die hadden ze gekregen in 2019, maar stonden nu pas in het jaarverslag dat was gepubliceerd net in de periode dat bekend raakte dat Ajax – eigen vermogen 228 miljoen euro – eerder dit jaar 4 miljoen euro had gekregen uit de Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW). Dat is een steunpakket voor bedrijven die geraakt worden door de coronacrisis, zoals het overbruggingsrecht bij ons.

Wordt het niet stilaan tijd dat het voetbal wat realisme predikt? Een televisieproduct dat niet aan de voorwaarden voldoet zoals je
dat hebt gekocht, daar moet niet voor worden betaald zoals afgesproken. Een voetbalabonnee die niet de wedstrijden krijgt die zijn voorzien in de voetbalkalender, moet worden gecompenseerd. En een voetbalclub moet vooral geen beroep doen op fondsen die door de overheid bij elkaar zijn geharkt om aan de echte nood van bedrijven en werknemers tegemoet te komen.

Voetbal is niet in nood, het doet maar alsof. Voetbal moet het geld halen waar het zit, bij de spelers, managers, tussenpersonen, bestuurders. Die profiteren van wat economen surpluswinst heten: ze worden al jaren hoger vergoed dan nodig om in voldoende mate te produceren. Geen sector die zo overbetaalt, als het voetbal. Daar is niks mis mee, zolang het geld er is. Nu het geld er niet is, kan het ook met minder.