Column Trainerswissel in De Morgen van maandag 22 december 2020

Trainerswissel

Bij het tikken van deze column stond AA Gent voor het eerst dit seizoen in de linkerkolom. Zevende meer bepaald, met 25 punten gelijk met Standard en Antwerp, die wel nog aan hun wedstrijd moesten beginnen. Belangrijker: op vier punten van de vierde, OH Leuven, dat net aan de wedstrijd was begonnen en uiteindelijk zou verliezen.

Wat de inzet was, ben ik vergeten – wellicht een etentje – maar ik heb een maand geleden gewed met iemand van AA Gent dat ze Europees niet zouden doorgaan en play-off 1 zeker niet halen. De man van Gent beweerde het omgekeerde. Op dat moment waren ze Europees nog niet uitgeteld en vierde worden kon nog altijd. In dat Europese verhaal heb ik mijn gelijk al gehaald; nul op achttien is een negatief record voor een Belgische ploeg in de Europa League. Het is zelfs beschamend voor een ploeg die de laatste jaren in Europa van zich liet spreken en samen met Anderlecht de enige Belgische ploeg is die in de Champions League de tweede ronde wist te halen.

Gisteren won Gent zowaar voor de derde opeenvolgende keer. Die derde telt voor vijf, want het ondenkbare gebeurde op het veld van aartsrivaal Club Brugge. “Gent hield stand, ondanks het vroege uitvallen van Vadis Odjidja.” Zo zult u dat ongetwijfeld in uw krant hebben gelezen of van de commentatoren hebben gehoord. Het is anders: wellicht is het dankzij het uitvallen van Odjidja dat Gent die 0-1 heeft kunnen vasthouden. Het scheelt een slok op een borrel in aanvallend opzicht als hij er niet bij loopt, daar is iedereen het over eens. Maar elke speler die in de plaats komt van Odjidja, uitvinder van de alibiverdediging, maakt meer verdedigende meters en daarmee hebben ze het gisteren gehaald.

Gentenaars zijn cynisch en doorgaans niet goed in bewieroken, maar winnen op Club verandert de zaak. Dat eerste is nog niet geplaatst en inmiddels zijn ze al op zoek naar een plek voor het tweede standbeeld van Hein Vanhaezebrouck. Een tip: in het Citadelpark staat nog het redelijk foute Moorke (Gents voor ‘zwartje’). Haal dat weg en daar kan het standbeeld van Hein komen. In het Zuidpark staat de sokkel waar vroeger de buste van Leopold II op stond: laten we daar een buste van Hein zetten.

Vanhaezebrouck heeft zijn rentree in Gent niet gemist en ontkracht daarmee de stelling ‘trainerswissels halen niets uit’. Ik interpelleerde daarover per whatsapp de collega die destijds als een van de eersten onderzoek had gedaan naar trainerswissels in België en tot die conclusie was gekomen in zijn afstudeerthesis. Zijn antwoord was kort en simpel: “We spreken over Hein, niet zomaar een trainer. Zelfs gedegen wetenschappelijk onderzoek heeft daar geen vat op.”

Hoewel, dit is al het tweede voorbeeld van een gelukte trainerswissel bij Gent. Op 4 oktober 2017 werd Yves Vanderhaeghe daar voorgesteld als nieuwe coach. Gent stond toen veertiende en had amper één keer gewonnen na acht speeldagen. Zijn eerste wedstrijd tegen Waasland-Beveren werd met 2-0 gewonnen en was de eerste thuiszege van het seizoen. Vanderhaeghe eindigde in de reguliere competitie vierde, na Club Brugge, Anderlecht en Charleroi.

De play-offs waren een wisselend succes. AA Gent begon en eindigde met een zes op zes tegen Club Brugge en Anderlecht. Tussenin haalde hij maar één punt, waardoor de twijfel in de bestuurskamer weer toenam. Voor wie het is vergeten: Vanderhaeghe nam toen over van Vanhaezebrouck, die door een deel van de spelersgroep, de staf en het bestuur werd uitgespuwd en zelf uitgekeken was op het trainingscentrum in Oostakker en de Ghelamco.

Geen drie jaar na zijn vertrek in stijl – een persconferentie samen met het bestuur om afscheid te nemen, dat zie je niet vaak – werd hij een eerste keer gepolst. Dat was in augustus. De Gentse top (en een deel van de staf) had al langer twijfels bij de houdbaarheid van het ‘laisser faire, laisser passer-model’ van Jess Thorup, die zijn eieren in het mandje van de bepalende spelers legde. Vanhaezebrouck kon niet. Hij had al onder het mes gemoeten in de lente, maar die gespecialiseerde operatie – de aandoening was volgens zijn eigen mededeling niet levensbedreigend – werd uitgesteld naar eind augustus, waarna hij de tijd zou nemen voor een lange revalidatie.

Ondertussen bleef hij Gent wel op de voet volgen, gaf wekelijks zijn mening in zijn uitstekende column in Het Nieuwsblad en liet niet na ook de Gentse deconfiture te becommentariëren. Met Hein staat er een man, zei Roman Jaremtsjoek. Dat vat het ongeveer samen. Hoe het met dit Gent afloopt, is onduidelijk. Ik heb alvast twee nieuwe weddenschappen afgesloten over 1) hoelang het zal duren voor Vanhaezebrouck Odjidja naar de uitgang duwt en 2) wanneer ze bij bestuur/management weer een punthoofd krijgen van hem.

Hemelpost aan Kobe Bryant in De Morgen van zaterdag 20 december 2020

Closest thing to Jordan

Dear Kobe,

Zal ik maar meteen met de deur in huis vallen, in jouw geval jammer genoeg de hemelpoort? Voor mij is Michael Jordan de greatest of all time, de GOAT. Niet alleen van het basketbal, maar van alle sporten. Jazeker, meer nog dan Muhammad Ali.

Ik was, ben en zal altijd een fan zijn van Michael Jordan. Op hem zijn die typisch Amerikaanse superlatieven als ‘out of our league’, ‘beyond imagination’, ‘the closest thing to Jesus’ van toepassing. Op niemand anders. Niet op LeBron James, ook niet op jou, hoe tragisch je einde ook was. Op een speciale manier aan je einde komen, beïnvloedt anders wel in gunstige zin het beeld dat men van je overhoudt – denk maar aan maffia- en cocaïnehoerMaradona, hoe die ineens de nummer één van het voetbal werd.

Ongehoord. Jouw dossier – om het zo even te duiden – is ook niet vrij van bezwarende stukken. Als rookie van achttien sprak je zo min mogelijk tegen je medespelers van de Lakers, tenzij om hun te zeggen dat ze je zo snel mogelijk die basketbal moesten geven. Shaquille O’Neal noemde jou al meteen ‘Showboat’. Je coach Phil Jackson moest na een paar jaar Kobe in psychotherapie, zo erg hing je het uit.

Je kopieerde Jordan om hem te overtreffen. Je belde, sms’te hem om de haverklap. In jullie eerste wedstrijd tegenover elkaar vroeg je hem in de wedstrijd raad over je jump-shot, heel goed wetende dat hij je een vervelend baasje vond. Jij scoorde 33 punten, hij 36. Jordan was geen doetje voor zijn medemaats, maar bij jou was er twintig jaar lang één constante: ‘me, myself and I’.

Ik heb een zwarte zelfverklaarde schrijfster, niet gehinderd door de minste kennis van topsport, weten schrijven dat jij ‘het rolmodel was waar wij zwarte jongeren krampachtig naar op zoek waren’. De donkerste passage uit je leven, die verkrachtingszaak uit 2003, deed zeaf als een vergissing. Ach ja, je had je verontschuldigd. Je dacht abusievelijk dat het om seks met instemming ging. Dat je naar aloude Amerikaanse traditie voor 2,5 miljoen dollar de zaak had afgekocht, was de schrijfster vergeten op te schrijven.

Ik had al bij al geen positief beeld van jou. Misschien dwaal ik, dacht ik, nadat ik Michael Jordan hoorde op je uitvaartplechtigheid in Staples Center op 24 februari van dit jaar. Je was toen al bijna een maand daarvoor verongelukt, in een helikopter bestuurd door iemand die geen vergunning had, die te laag vloog in de mist, samen met je dochter: hoeveel tragiek kan een mens/gezin overkomen?

Na een minuut in zijn elf minuten durende speech was MJ al aan het huilen. Jij was eerst zijn kleine broer, dat ettertje dat soms in de weg loopt, een vervelend kereltje. Alvorens zijn dear friend te worden, een tegenstander naar wie hij opkeek en, eenmaal op dat parket, alles gaf. Zijn bewondering voor jou kwam er pas nadat hij doorhad dat jij hem nog meer bewonderde en toen ging het alleen nog maar over gedeelde passie. Zijn mooiste woorden die avond waren: ‘Kobe wilde de beste speler zijn die hij kon zijn (niet dé beste, begrepen) en ik wilde de beste grote broer zijn die ik voor hem kon zijn.’

Kobe Bryant, laten we het hier en nu afkloppen, je was the closest thing to Jordan.

Interview Roberto Martínez in De Morgen van zaterdag 20 december 2020

‘Het is bijna een zonde als je hier zegt dat je goed bent’

Als 2021 het jaar van de Belgische voetbaloogst wordt, gaat onze dank nu al uit naar Roberto Martínez (47). In een lege lobby van een leeg hotel, in trainingspak, wuift de bondscoach de lof weg, én de druk om prijzen te pakken. ‘De reis is belangrijker dan het doel.’

Geen ander land dat niet met België wil wisselen: voor de derde keer op rij gaan de Rode Duivels een nieuw jaar in als nummer één op de FIFA-ranking. Die plek mag dan nog een verhaal van cijfers en voorlopig niet van bekers zijn, zo’n on-Belgische dominantie is wel een halve eeuw geleden, van de tijd van Eddy Merckx meer bepaald. Nooit is het in een ploegsport vertoond, laat staan in de belangrijkste sport ter wereld.

“Is that so, fifty years?”, zegt Roberto Martínez. “Wel, dat maakt het nog specialer. We kunnen er smalend over doen, maar ik vind die ranking erg belangrijk en onze spelers ook. Vooral omdat we pas het derde land zijn dat die ranking zo lang na elkaar aanvoert. Alleen Brazilië, zeven jaar, en Spanje, dat het zes jaar volhield, hebben ons dat voorgedaan. Frankrijk, Duitsland, Argentinië, Italië en Nederland hebben ook nog op één gestaan. Acht landen, en wij zijn daar bij.

“Ik hoor wel eens opmerkingen als: je wordt eerste als je veel vriendschappelijke wedstrijden wint. Dat klopt niet. Het gaat om de echte wedstrijden, voor een kwalificatie of een kampioenschap. De friendlies tellen nauwelijks mee. De reden dat wij op één stonden, ook aan het einde van WK-jaar 2018, was precies omdat we in Rusland zes wedstrijden wonnen, onder meer tegen Japan en Brazilië. Zes gewonnen wedstrijden op dat WK, dat was evenveel als wereldkampioen Frankrijk. En daarna zijn we op dat niveau blijven presteren.

“Dat onze spelers het ook belangrijk vinden om de FIFA-ranglijst aan te voeren, zie je aan hun ingesteldheid als ze naar de nationale ploeg komen. Clubs en nationale ploeg, dat bijt elkaar normaliter. Ik heb ook in de positie gezeten waarbij ik liever niet wilde dat een speler van mijn club werd opgeroepen. De spelers zitten in het midden, aan hen wordt van twee kanten getrokken, maar die van ons blijven graag komen.

“Het verschil met 2018 is de grootte van onze groep. We weten dat spelers het soms zwaar hebben om alle verplichtingen na te komen. Welnu, andere spelers staan klaar. We hebben een mooie, brede groep van enerzijds gevestigde waarden en anderzijds jonge talenten.”

Voorin komt er nu ook nog eens zo’n Charles De Ketelaere bij, die indruk maakt bij Club Brugge.

“Negentien jaar is hij, en waar heeft hij van Philippe Clement al moeten, mógen spelen? Links in de aanval, rechts in de aanval, op de negen, op de tien, zelfs als linksback, en dat in een team dat moet winnen. Heel opmerkelijk dat zoiets gebeurt, maar ongelooflijk goed voor zijn ontwikkeling. In maart, toen alles stillag, hebben we ons gebogen over de uitdaging om de volgende generatie klaar te stomen. We hebben nu in onze brede kern spelers die in 2000 tot 2002 geboren zijn.

“Wij roepen hen op en introduceren hen bij de Rode Duivels: Jérémy Doku (eerst bij Anderlecht, nu bij Rennes), Yari Verschaeren (Anderlecht), Charles De Ketelaere, Zinho Vanheusden (Standard), Alexis Saelemaekers (AC Milan), Sebastiaan Bornauw (1. FC Köln) en dan zal ik er nog een paar over het hoofd zien. Zij leren bij door die andere topspelers te zien functioneren. Leren gaat hand in hand met trauma’s en ontgoochelingen. Bornauw speelt in de Bundesliga elke minuut, zijn prestatie laatst bij de nationale ploeg was niet af, neen, maar dat is deel van het proces waarin hij zit.”

Het Belgisch voetbalmodel stoot zijn talenten te snel af.

“Helemaal mee eens, we verliezen spelers aan andere competities hoewel ze nog niet rijp zijn om daar een rol te spelen. Dat moet ophouden, het is slecht voor de speler en slecht voor ons competitievoetbal. Club Brugge toont hoe het moet. Zij halen toppers terug en houden de key players. Anderlecht heeft Doku moeten verkopen. Ze hadden hem willen houden, maar dat kon niet. Alle begrip. Gelukkig is Jérémy een ster in Rennes en zal hij zich daar verder kunnen ontwikkelen omdat hij speelt.”

Een tennisspeler die lang op één staat, maar geen grandslamtoernooi wint, vinden we eerder een rekenwonder dan een grote speler. Moeten de Duivels hun ‘grand slam’ nog winnen?

“De intentie is er, wees gerust. Ik ga niet mee in de fataliteit van ‘we hebben nooit iets gewonnen, het zal lastig zijn’. Het is niet dat we werken om níét te winnen. Ons doel is consistent te presteren. Of je daarmee een groot toernooi wint, hangt af van dat presteren, maar ook van andere aspecten als geluksmomenten of uiteraard de tegenstander van die dag. Dat kun je moeilijk controleren. We moeten vooral plezier vinden in de vaststelling dat wij om die prijzen kunnen strijden. Ontgoocheling als het volgende zomer en de jaren erna niet lukt, is nergens voor nodig. We ondernemen een reis en waar we uitkomen zie we dan wel weer.”

Aha, de Boeddha. Die zei: ‘Het is beter goed te reizen, dan aan te komen.’
“Well, than that makes me a buddhist. (lacht) Het uiteindelijke doel haal je nooit zonder de reis zo perfect mogelijk te laten verlopen.” U bent erin geslaagd bij de internationals de balans tussen werk en plezier te houden.

“Alles wat ik bij de nationale ploeg heb gedaan komt voort uit mijn ervaring als clubtrainer. Een speler wordt bijna gestraft als hij voor de nationale ploeg wordt geselecteerd. Het is een eer, maar als speler krijgt hij extra werk, en als mens ziet hij zijn familie minder vaak, want hij is niet vrij als de anderen wel vrij zijn. En daar komt de oplopende vermoeidheid nog eens bij.

“Ik heb meteen gezorgd voor genoeg rust, tijd met de gezinnen, families. Als we werken, vraag ik honderd procent inzet. Daarnaast krijgen ze ruimte om te ontspannen. De spelers hebben dat vertrouwen verdiend. Daarom trainen we ook vaak in Tubeke, vanwaar ze snel naar huis kunnen als daar tijd voor is.”

Let u erop niet te overcoachen?

“Jazeker. Het is een misdaad om de meest getalenteerde generatie die we hebben met te veel tactiek aan banden te leggen. Het is een dunne lijn tussen genoeg coachen om te presteren en overcoachen. Duidelijkheid, sterke structuur, werken, en vervolgens het talent laten renderen.”

U hebt in al die wedstrijden één misstap beleefd, dat 5-2-verlies in Zwitserland in de voorronde van de vorige Nations League.

“Het was meer dan een misstap. Dat was pijnlijk. Daar hebben we veel uit geleerd. Elk team heeft een moment van ontgoocheling nodig om daarna te kunnen groeien. Stel je voor: je leidt met 0-2, eigenlijk 0-3 met de heenwedstrijd er bij, en dan krijg je er vijf binnen. Zonder die nederlaag zouden we in de kwalificatie voor Euro 2021 nooit dertig op dertig hebben gehaald.”

Dit team is klinischer geworden. Ze scoren en maken de wedstrijd makkelijker dood.

“Klinisch is het goede woord. Dat is hoe een team groeit. Nadat we eerst in alle aspecten gewoon goed zijn geworden, zijn we na vierenhalf jaar samen gewerkt te hebben bepaalde elementen van ons spel gaan perfectioneren. In de drie wedstrijden in november hebben we tegen ploegen als Zwitserland en Engeland, allebei in de top tien, 27 à 28 spelers gebruikt, en we hebben telkens gewonnen.

“Als spelers straks in maart naar de nationale ploeg terugkeren, duurt het nauwelijks één training of ze vinden elkaar weer. Dat gaat steeds sneller, ons team is een echt team geworden, ze spelen ook al zo lang samen dat ze elkaar door en door kennen en weten wat de andere zal doen. Beter spelen betekent sneller en preciezer spelen en daarin worden we steeds meer bedreven.

“Het moeilijkste in voetbal is een doelpunt maken. Wij houden het meest van ploegen die denken dat ze ons hoog kunnen vastzetten. Dan zullen we altijd de ruimte vinden. Tegen teams die een lager blok zetten en cynischer zijn dan wij, hebben we het lastig. Zo verloren we op het WK tegen Frankrijk, bijvoorbeeld.”

2021

“… wordt een mooi jaar voor de Rode Duivels. Euro 2021 kondigt zich aan als een bijzonder toernooi. We moeten in de groepsfase twee keer uit, bij organiserende landen, dat op zich wordt al bijzonder. Daar komen vanaf maart nog eens drie kwalificatiewedstrijden voor de World Cup in Qatar in 2022 bij. In november mag ik een halve thuiswedstrijd in en tegen Wales gaan coachen. Ik kijk er echt naar uit.”

Hoe evolueert het voetbal?

“Ik haal veel uit clubvoetbal omdat ze daar de meeste trainingsuren hebben. Aanvallers als eerste verdedigers, zoals het Liverpool van Jürgen Klopp speelt, is iets waar ik op let. Maar ik let ook op hun mentaliteit. Ze verliezen met Virgil van Dijk (aanvoerder en Nederlandse verdediger, red.) hun beste speler en de resultaten blijven hetzelfde. Ook de moed van de Leeds-spelers van coach Marcelo Bielsa die tegen wie ze ook staan gewoon hun spel spelen, is een voorbeeld.

“Zelfs als je neutraal bent, is het Manchester City met Kevin De Bruyne een plezier om te zien. Het Red Bull-model, die constante intensiteit, is eveneens een inspiratie. Maar ook Borussia Dortmund en Borussia Mönchengladbach spelen heel spannend voetbal. Veel is terug te voeren op fysieke paraatheid en snelheid van uitvoering, sprints op hoge snelheid, keer op keer.

“Dus als je vraagt hoe het voetbal evolueert, denk ik meteen aan nog meer atletisch vermogen in combinatie met een verbeterde techniek. Vandaar ook de VAR. Dit spel kunnen de scheidsrechters niet meer volgen, alles gaat gewoon te snel.

“Vergeleken met die van twintig jaar geleden zijn voetballers niet in de eerste plaats sjotters, maar atleten. Het voetbal als je de bal níét hebt, wordt even belangrijk als wanneer je hem wél hebt. Voetbalvelden zijn ook anders dan twintig jaar terug. Je ziet nergens nog modder, wat het spel ten goede komt. Sneller en beter uitgevoerd, dat is de evolutie. Dit is het oudste spel ter wereld, al de rest is al eens geprobeerd. Je zult in het huidige topvoetbal zowel elementen uit het catenaccio terugvinden, als dingen uit het totaalvoetbal van Rinus Michels en Johan Cruijff.”

Kan het lichaam van de speler dat wel aan? Eden Hazard had een zwak seizoen bij Real Madrid, maar hij had in zijn laatste jaar bij Chelsea 72 wedstrijden gespeeld.

“Dat is veel, heel veel, maar ligt het daaraan dat hij dit jaar minder wedstrijden speelde dan ooit? Ik hou het echt op weerkerende pech, waarna je op de duur een achterstand oploopt die je moeilijk nog wegwerkt. En dan krijgt hij nog een positieve coronatest op zijn dak. Eden heeft één voordeel: bij Chelsea heeft hij in acht seizoenen maar twintig wedstrijden gemist, hij heeft normaliter weinig last van blessures. Dat komt wel goed.

“De belasting is steeds groter en van de spelers wordt steeds meer gevergd, maar de training is ook aangepast, geïndividualiseerd vooral. Ze bestaat uit blokken van dertig minuten van vooral individueel werk, met in het midden misschien een halfuurtje met het hele team. Ik ben niet naïef: ik weet dat we dit seizoen door het gemis aan voorbereiding tussen 16 en 20 procent meer blessures zullen krijgen. We moeten er in het voetbal maar slim mee omgaan, zoals met verbeterde recuperatie, aangepaste training, grotere selecties en vijf of meer wissels. Bovendien wil ik het dit seizoen niet hebben over de workload. Dit is een unieke tijd, waarin wij van het voetbal onze job mogen uitoefenen.”

Kunt u Romelu Lukaku niet wat adviseren in zijn communicatie? Zo’n overbodige uitspraak als ‘ik ben bij de vijf beste spitsen’, waar was dat nu weer voor nodig?

“Ah Rom, ik heb een zwak voor die man sinds ik hem als negentienjarige bij Everton had en hij zijn eerste 24 wedstrijden in de Premier League onder mij speelde. En die uitspraken, ach ja. Jij bent van de media, jij weet toch ook dat je negenennegentig op honderd keer de juiste dingen kunt zeggen, maar dat die ene quote er zal worden uitgelicht – en zal worden overbelicht. Niet te zwaar aan tillen, Romelu ontwikkelt zich goed. Ik zie geen andere spits in Europa die kan wat hij kan, voor zichzelf met de bal en voor het team als hij de bal niet heeft.”

Is uw carrière gelopen zoals u dacht?

“Neen. had je mij op mijn 36ste – toen ik in de Premier League Wigan coachte – gezegd dat ik zeven jaar later bondscoach zou zijn, dan had ik eens goed gelachen. Ik ben destijds wel naar Bart Verhaeghe (nu Club Brugge-voorzitter, in 2016 ook nog vicevoorzitter van de Belgische voetbalbond, red.) getrokken met de wil om de Rode Duivels te coachen. Ik had mijzelf voorbereid en ik had een presentatie over hoe ik het zag en wat ik met het team wilde. Het sloeg aan, er was meteen een klik.

“Dat deel van mijn verhaal is gelopen zoals ik het wilde, maar dat ik vierenhalf jaar later nog bondscoach zou zijn, met een contract tot na Qatar, dus nog eens twee jaar erbij, had ik nooit durven te voorspellen.

“Mijn aanvankelijk idee was het team op de World Cup 2018 voor te bereiden en er te presteren. Daarna lag alles open. Ik ben gebleven omdat ik van het Belgisch voetbal hou, van het talent dat we hier hebben en ook inmiddels van het land. We wonen hier goed in Waterloo, onder de leeuw. Ik mag deel zijn van de mooie plannen die ze hier maken. Straks komt er een echte high performance- omgeving.”

Is de rol van architect-bondscoach-technisch directeur u ook niet meer op het lijf geschreven dan die van dakdekker-clubcoach die elke dag verantwoording moet afleggen over hoe de pannen liggen?

“Het verschil tussen bondscoach en clubcoach is simpel: met de club heb je 65 wedstrijden per jaar, met de nationale ploeg zes. Dat speelde mij aanvankelijk parten, dat geef ik toe.

“Die eerste zes maanden, dat was echt wel aanpassen aan het trage tempo. Als je zoals in november 2018 in Zwitserland verliest, then you’re in a dark place. Dan is het vier maanden wachten om dat recht te zetten. Inmiddels zijn wij ook nog eens op een punt beland dat we niet meer met slecht spel mogen winnen.

“Een bondscoach kan meer bouwen, dat klopt wel weer. Je kunt ook meer terugkijken. Een clubcoach kijkt alleen maar naar voren: volgende wedstrijd, volgende wedstrijd, enzovoort. Ik ben graag architect, maar de intensiteit van meer dan zestig wedstrijden per seizoen beviel mij ook. Ik ben niet bang om daar ooit naar terug te keren. In 2022 zal ik 49 zijn, dat is jong. Voor alle duidelijkheid: voorlopig heb ik geen plannen. Als ik ergens kom, is dat voor honderd jaar.”

Het leven in België, dat vergde toch een aanpassing?

“Hoezo? Neen. Ik ben een getraind reiziger en gewend mij ergens te vestigen en in de omgeving op te gaan. Zo deed ik dat als Spanjaard in Wales ook. België is een makkelijk land om je aan te passen, heel divers.”

Vooral heel ingewikkeld. Dat zie je onder meer aan het aantal coronadoden.

“Die doden waren in elk land een probleem, toch?”

U hebt toch wel al door dat België een even rijk als inefficiënt land is, mag ik hopen?

(glimlacht) “Oké ja, het is een complex land met veel verschillende mensen die vanuit hun verschillende bevoegdheden beslissen. Maar met de Rode Duivels en de voetbalbond hebben we daar geen last van.”

Neen, u hebt een cultuur van winnen geïnstalleerd. Dat is in dit land uniek.

“Het enige wat ik heb gedaan, is duidelijke doelen stellen. Dat heeft geholpen om de buitengewone talenten die we hebben en die in grote clubs een belangrijke rol spelen, helemaal achter de nationale ploeg te krijgen. Dat was iets waarvan ik eerst dacht dat het moeilijk zou lopen, maar we zijn er in geslaagd een omgeving te creëren waarin we samen beter willen worden.

“België mag iets minder bescheiden zijn. Het is bijna zonde als je hier zegt dat je goed bent en dat je er alles aan wilt doen om te winnen. Dat wordt dan niet gezegd omdat je bang bent te verliezen. Nergens voor nodig: concentreer je gewoon op het werk dat je levert om beter te worden. Verliezen hoort daarbij.”

Hoe is het leven van een bondscoach in tijden van corona?

“Uitdagend. Maar dat geldt voor iedereen, neem ik aan. Ik vind het een treurige situatie waarin we nu zitten, maar tegelijk heeft de mensheid voor het eerst sinds lang een gemeenschappelijke vijand die ons met onze voeten terug op de aarde zet. We weten nu wat echt belangrijk is, wat we echt missen in het leven: de mensen van wie we houden, de kleine dingen in het leven, het contact met anderen. Ik denk dat we er als betere mensen zullen uitkomen.

“Iedereen had of heeft wel ervaring met dit virus, van nabij of veraf. Persoonlijk is het voor mij meegevallen, Mijn gezin, schoonouders noch ouders zijn ziek geweest. Mijn ouders wonen in Balaguer nabij Lerida en hebben zich goed staande gehouden. Bijna 170 dagen zijn ze niet buiten gekomen. Voor jonge mensen is dit virus vervelend, maar voor mensen van die leeftijd is het dubbel: je kunt niet doen wat je vroeger deed, je mag niemand zien en je leven wordt ook nog eens bedreigd.

“De laatste keer dat ik hen fysiek heb ontmoet, was in januari. We facetimen wel, maar dat is niet hetzelfde. Met Kerstmis zal ik hen zien. Wij gaan naar ons huis in Manchester en zij komen onze kant uit. We brengen Kerstmis samen door. In het Verenigd Koninkrijk kunnen drie gezinnen een tijdelijke kerstbubbel vormen, maar no worries, we blijven het coronaproof houden.”

Voetbal ontsnapte nog wonderwel aan het virus, de eerste lockdown niet te na gesproken.

“Voor de ervaren spelers was het aanpassen, voor de jongere talenten is er een echt probleem. Die hebben een jaar van hun opleiding verloren, dat zullen we later nog wel merken. In de A-ploeg heb ik alleen maar bereidheid gevonden om het te doen werken. Coachen in een leeg stadion is niet plezant. Maar de keuze is niet: coachen in een leeg of een vol stadion; de keuze is: coachen in een leeg stadion of niet coachen. In dat geval verkies ik het lege stadion. Maar goed, zodra de stadions weer vollopen, zullen we weten wat we hebben gemist en zullen we het hopelijk waarderen.”

Ik reed hierheen, het was koud, donker, met regen en files, om depri van te worden. En dan zit ik hier met u en straks kan ik terug met het glas weer halfvol.

(lacht) “Wat is het nut van een glas halfleeg te zien? Er is veel in het leven wat je niet kunt controleren, maar een van de dingen waar je wel vat op hebt, is je mindset. Ervoor kiezen om negatief te zijn, omwille van het excuus dat je dan hebt, brengt niks bij, niet voor jezelf en niet voor de mensen rond jou. Ik ben een gelukkig mens zolang ik oplossingen zie in het leven – dat inderdaad niet perfect is. Ik kies ervoor om positief te zijn.”

Column Sportstad Sarajevo in De Morgen van zaterdag 19 december 2020

SPORTSTAD SARAJEVO

Donderdag opende ik de krant en zag dat deze week 25 jaar geleden de akkoorden van Dayton zijn gesloten. Die maakten een einde aan de Joegoslavische burgeroorlogen. Ik dacht meteen aan Sarajevo. Zelden heeft een stad meer indruk op mij gemaakt, en hoewel ik gruwel van verjaardagsjournalistiek toch deze trip down memory lane.

Ik was er voor het eerst in 1986 met Kruikenburg Ternat voor een Europese final four. Dat was amper twee jaar na de Olympische Winterspelen (met de hemelse Katarina Witt), die de stad een boost hadden bezorgd. Sarajevo was toen minder een sportstad dan wel een kruispunt van culturen, met op het centrale plein een synagoge, katholieke kerk, orthodoxe kerk en de grootste moskee van Europa. Vandaag is Sarajevo etnisch en min of meer religieus gezuiverd. De glamour van weleer is weg, die verloor het in die wrede etnische/godsdienstoorlog.

Op het vliegtuig terug naar Zagreb zaten de (Kroatische) broers Petrovic, de illustere basketbalspelers, die hun legerdienst in Sarajevo volbrachten. Drazen, de eerste Europese NBA-ster, zou in 1993 op de Autobahn verongelukken op weg naar het EK in Duitsland, waar hij met Kroatië aan de slag moest. Zijn oudere broer Aleksandar zou ik later ontmoeten op een basketbalbedevaart naar Cibona Zagreb. Hij liet mij het schrijn voor zijn broer bezoeken.

Toen Drazen verongelukte, was het al oorlog in Sarajevo en wijde omstreken. Hij was op weg naar een EK basketbal in Duitsland, het eerste sporttoernooi ooit met een team van Bosnië en Herzegovina. De spelers uit Sarajevo, niet eens allemaal moslims maar ook orthodoxen en katholieken, kregen veel internationale pers omdat ze bij nacht en ontij uit het belegerde Sarajevo waren ontsnapt. Daartoe hadden ze een geheime tunnel gebruikt onder de landingsbaan van de luchthaven, die in Servische handen was.

Toen nog Joegoslavië (Servië en Montenegro) was ook op dat EK basketbal van 1993 en protesteerde heftig. “Zoveel misplaatst medelijden voor een groepje marginalen aangevoerd door ene Samir Avdic, een officier van het Bosnische leger, een moordenaar nog wel.” Avdic gaf bij persconferenties grif toe dat hij tussen de schaarse basketbaltrainingen door Serviërs om zeep had geholpen: “Zoals alle jonge mannen in mijn land deed ik mijn plicht.” Maar Bosnië mocht toch op het toernooi blijven.

In 2004 ben ik teruggekeerd – verjaardagsjournalistiek, jawel. De stad was nog lang niet hersteld van die 1.395 dagen onder Servisch geschut. De trip van de luchthaven naar het centrum was een schoktherapie. De flatgebouwen hadden één gemeenschappelijk kenmerk: mortier-, obus- en kogelgaten. In de stad herinnerden de rozen van de dood, bloedspatten van rode verf op de trottoirs, aan de gruwel van de granaataanvallen. De moslimbegraafplaats Kovaci, met al die witte stèles naast elkaar, drong vanuit de heuvels met hun witte gletsjertongen de stad binnen. Het Mezarje-kerkhof had alle voetbalvelden rond het olympisch stadion ingenomen.

Mijn chauffeur die trip was tijdens de oorlog de chauffeur van president Izetbegovic. Hij toerde met mij in de heuvels rond Sarajevo. Of we nu op Selimovic Boulevard – toen beter bekend als Sniper Alley – of in de olympische skigebieden van Bjelasnica of Jahorina reden, waar tien jaar eerder de zware Servische kanonnen stonden, of later in de heuvels rond de stad, zijn mantra bleef: “Cetniks. Nie gut. Boem boem, rattatatatata.”

Het bevreemdende gezicht van het zwartgeblakerde hotel Igman, in 1984 het olympische hoofdkwartier bij de langlauf, de graven midden op de skipistes, het olympische monument bij Bjelasnica dat de Serviërs voor hun schietoefeningen hadden gebruikt en waar nog stukken van de ringen aanhingen, het was ontluisterend. Toen ik vroeg om een toiletstop ontstond paniek. Hij wees op de bordjes in de bermen: MINE! Niet te ver plassen, was de opdracht.

En dan had ik Trebevic, de site van het bobsleeën, nog niet gezien. Die had hij bewaard voor het laatst. Weer hetzelfde: “Jaja, Trebevic, Chetnik. Viel boem boem.” Trebevic is de dichtste hoge heuvel die op Sarajevo uitkijkt. De bobbaan of wat daarvan overbleef, was tot op tien meter benaderbaar. Dit was de dichtste munitieopslagplaats van de Serviërs bij de stad en op 5 februari 1994 werd vanuit die stelling – de bobbaan diende als lanceerplatform – de Markale-groenmarkt in de stad met mortieren bestookt. In één klap vielen 67 doden.

Het was op die trip dat ik een wijsheid hoorde die mij altijd is bijgebleven: “Het eerste dat ophoudt door oorlog is sport. Het eerste dat herbegint als het even kan, is ook sport.”

Column Coronaprijzen in De Morgen van maandag 14 december 2020

Prijzen in tijden van corona

Ik gun Wout van Aert alles. Een mooi huis, een mooie vrouw, een mooie ploeg en mooie fietsen heeft hij al. In wens hem ook een mooie baby die op komst is, en veel, heel veel prijzen. Wout van Aert is een topatleet. Zoals hij is teruggekeerd na die horrocrash in de Tour van 2019, dat doen er niet veel hem na. Strompelen, stappen, wandelen, licht fietsen, licht lopen, zwaar lopen, zwaar fietsen, mee kunnen met peloton…oef…dat was al onverhoopt. 

Vervolgens het peloton naar huis rijden in de klassiekers en daar nog een dijk van een Tour aan vasthangen, om te besluiten met de sprint van het jaar tegen aartsrivaal Mathieu van der Poel – heel nipt verloren, oké – dat is niets meer of minder de comeback van de eeuw in het wielrennen. Bovendien is Van Aert een heel aardige gast. Dat zeg ik erbij onder licht voorbehoud want ik heb een jaarlijks groot gesprek te goed. Niks zegt dat het er niet van komt. Ik heb geduld en met de corona nog meer, maar met die sterren weet je nooit, éénmaal naar een ander melkwegstelsel gewarpt.

Wout van Aert mag én gaat dit vervloekte jaar 2020 alle sportprijzen winnen die in dit kikkersportland te winnen zijn. Is dat terecht? Daar gaat dit stukje over. Het prijzenfeest begon naar aloude traditie met de Trofee voor Sportverdienste. Die is al aangekondigd en wordt ergens begin volgend jaar uitgereikt, als ik goed heb gevolgd. Die was voor Wout en die kan hij maar één keer winnen. Check, daar is hij alvast van verlost.

Vervolgens werd hij ook uitgeroepen tot Flandrien van het Jaar door Het Nieuwsblad. Die maken daar in normale omstandigheden een hele avondvullende show van, maar niet deze keer. Jazeker, corona heeft ook voordelen. Daarna kregen we – we, zijnde de sportpers met een officiële perskaart – het stemformulier binnen voor de Vlaamse Reus. Dat is dan weer de prijs die uitgereikt wordt door het verbond van Vlaamse Sportjournalisten. 

Ik heb die tweedeling nooit goed begrepen, maar ze zal wel noodzakelijk zijn geweest. Iets met subsidies zeker, zoals alles wat taalgesplitst is in dit land. Euh, wat had u gedacht, ook die Vlaamse Reus was voor Wout van Aert. Normaal wordt hem gevraagd die af te komen halen op een etentje, maar – corona heeft in deze niets anders dan voordelen – ging een delegatie bij hem op bezoek om de prijs af te geven. 

Wout ging op de foto en vond het een hele eer omdat – zo zei hij – die prijs vergeven wordt door echte kenners, wij dus, de sportpers. Als ik hem zie, zal ik hem wel eens uitleggen dat het reuze meevalt (of tegenvalt zo u wil) met die brede kennis van de topsport. De meeste sportjournalisten zijn tegenwoordig zo gefixeerd op hun sport dat ze er alles zouden aan doen om bij ‘hun’ atleten op een goed blaadje te komen, tot zelfs – zag ik laatst – een chocoladetaart aanslepen om toch maar een quootje te krijgen.

Verdorie, ik ben de Kristallen Fiets vergeten. Die zal ook wel voor Wout van Aert zijn. Effe gecheckt, oké, die wordt deze week uitgereikt. Die wielerprijs komt van Het Laatste Nieuws en dat is zowat de Gouden Schoen van de wielrenners. De Gouden Schoen van de voetballers is iets voor januari. Er is maar één stemronde. Nog deze week – vrijdag meer in het bijzonder – wordt de Sportman/vrouw/ploeg/jongere/paralympiër van het jaar bekend gemaakt. Ook daarvoor mocht ik stemmen en dat heb ik niet gedaan.

Ik weiger in dit gedecimeerd sportjaar te stemmen. Mijn stem zal het verschil niet maken, maar het is een princiepskwestie. Alle lof voor de sporters die het ongetwijfeld heel goed hebben gedaan en prijzen winnen maar die hadden toch vooral het voordeel tegenover andere sporters dat hun tijdverdrijf/beroep wel doorgang vond. Denk daarbij in de eerste plaats aan wielrennen en voetbal. Dat duopolie beheerst de sportjournalistiek nergens meer dan in België, en om dat nog maar eens te bevestigen, neen, liever niet.

Jammer voor de Sportvrouw van het Jaar want ik had/heb een boon voor Julie Allemand, de spelverdeelster van de Belgian Cats, die samen met Emme Meesseman de drijvende kracht achter de kwalificatie voor de Olympische Spelen. Idem voor Sportploeg van het Jaar, waar ik ook de Belgian Cats op één zou zetten (maar niet deed). Voor belofte van het jaar vind ik Charles De Ketelaere wel een mooie, van die zullen we nog horen. Coach van het jaar (Clement van Club of Mestdagh van de Cats?) en Paralympiër van het Jaar (hadden die competitie) is een lastige.

Deze week werd een mail uitgestuurd die mij bevestigde in mijn tegendraadsheid. Sport Vlaanderen reikt dit jaar geen Vlaamse sportprijzen uit. Ik wil hen daarvoor feliciteren.

Ik weiger in dit gedecimeerd sportjaar te stemmen. Mijn stem zal het verschil niet maken, maar het is een princiepskwestie.

Verhaal over de aandelen en financiën van RSC Anderlecht in De Morgen van zaterdag 12 december 2020

Met gestrekt been vechten om de macht

Anderlecht flirt met de 100 miljoen euro schulden en blijft flink verlies maken. Zonder extra geld gaat Belgiës roemrijkste club failliet. Maar kleine aandeelhouders blokkeren de benodigde kapitaalinjectie. Achtergronden bij een peperdure patstelling.

De Royal Sporting Club Anderlecht-saga is een lang verhaal met een onzekere afloop, tot daar het slechte nieuws. Het goede nieuws, voor u lezer: erg ingewikkeld is het allemaal niet, op voorwaarde dat u bij de les blijft.

We vatten het ter inleiding even samen. Anderlecht heeft volgens de eigen mantra de laatste jaren te kampen gehad met tegenslag, voor zover geen Europees voetbal, minder spelers verkocht voor minder geld en meer uitgegeven kan doorgaan voor tegenslag.

Er zijn eind 2017 bij de machtswissel Roger Vanden Stock/Marc Coucke ook lijken uit de kast komen vallen, maar eerlijk is eerlijk: de precaire financiële situatie is het gevolg van een oude kwaal: Anderlecht zaait al jaren niet naar de zak.

Het beeld van de oude adel die op grote voet bleef leven terwijl rond haar de zekerheden wegvielen en de inkomsten opdroogden, is niet vergezocht. Alleen, nadat die oude adel de bouwval had verkocht, ging de nieuwe adel nóg driester te werk. In het eerste volledige seizoen onder het bewind van Marc Coucke – meteen ook de laatst gepubliceerde jaarrekening – werd 25 miljoen euro verlies gemaakt. In het eerste halve jaar nadat hij de club had overgenomen, eindigde hij ook al op 5 miljoen verlies.

Eersteklassers sluiten hun boekjaar op 30 juni af en moeten rond deze tijd hun jaarrekening indienen bij de balanscentrale van de Nationale Bank van België. Anderlecht wil daar wel eens tegen zondigen; die kleine boete kan er nog wel bij. Later duikt die jaarrekening op in de Staatsbladmonitor. Van RSC Anderlecht en het boekjaar 2020, afgesloten op 30 juni van dit jaar, was bij het ter perse gaan nog geen spoor. Insiders steken het niet onder stoelen of banken: “De jaarrekening kleurt eens te meer donkerrood, maar wat wil je? Het ging al niet goed en dan nog eens die corona…”

En nu komt de paradox: corona ís erg voor het voetbal, maar voor Anderlecht zou het de redding kunnen betekenen. Met de nadruk op ‘zou’. Leest u verder, we komen daar zo op terug.

Alarmbelprocedure

De paars-witte zorgen zijn terecht. De club liet in het vorige boekjaar – dat afliep op 30 juni 2019, dus voordat corona toesloeg – al een verlies optekenen van 25 miljoen euro. Daartegenover stond toen een eigen vermogen van 8,5 miljoen euro, maar schulden ten belope van bijna 95 miljoen, waarvan 73.183.932 opvraagbaar binnen één jaar, kortlopende schulden dus.

Verwacht wordt dat bij deze jaarrekening het verlies hoger uitkomt dan dat van vorig jaar en dat de schuldenberg ruim boven de 100 miljoen piekt, een absoluut record voor een Belgische club.

Maar: schulden alleen zijn geen indicator. Bij Club Brugge zijn die in het laatste boekjaar ook met 20 miljoen toegenomen, tot 61 miljoen euro, maar daartegenover staat dat de club de voorbije twee boekjaren 11 en 35 miljoen euro winst maakte. Daarnaast hebben de landskampioenen ook mooi geïnvesteerd en reserves aangelegd, kortom, zoals het hoort.

Anderlecht zit wél in vieze papieren. De dag dat het de schuldeisers niet meer betaalt, krijgt het ook geen licentie meer voor 1A, zoals de Jupiler Pro League officieel heet. Dat dossier zit nu in de opmaakfase en in februari volgt de toets door de licentiecommissie. Zij geven op dat moment de licentie voor het Belgisch profvoetbal vrij, en voor Europa.

Decennialang was dat de favoriete speeltuin van Anderlecht, maar de laatste Europese campagne dateert al van de herfst van 2018. Voor de laatste grote prestatie moeten we terug naar de lente van 2017 en de kwartfinale van de Europa League, toen nipt van Manchester United werd verloren. Een half jaar later stapte een nieuwe kleine grote man door de poorten van het Astridpark: Marc Coucke.

Hoewel het misschien penibel oogt, is het behalen van die licenties geen onoverkomelijke opdracht, op voorwaarde dat voor eens en altijd de rekeningen worden aangezuiverd en de bedrijfsvoering navenant is. Aanzuiveren moet via een kapitaalverhoging en mag niet via de rekening-courant of een lening verlopen. Ook dat is niet onoverkomelijk. Anderlecht heeft met Marc Coucke een hoofdaandeelhouder die voor de doorsnee-Belg zo rijk is als de zee diep.

Toch sinds hij zijn Omega Pharma aan de Amerikanen van Perrigo voor 3,6 miljard euro verkocht. Nadien beschuldigde Perrigo Coucke ervan zijn bedrijf te hebben verkocht op basis van vervalste cijfers. De omzetcijfers zouden kunstmatig zijn opgedreven. De Amerikanen eisen in een arbitrageprocedure ongeveer de volledige meerwaarde terug die Coucke boekte op de verkoop. Uitspraak volgt in april 2021.

Ondanks de onzekere uitkomst van die arbitrage wil Coucke maar wat graag vers kapitaal in zijn club, zijn voornaamste speelgoed, pompen, al was het maar om de schone schijn op te houden voor de buitenwereld. Het is juist dat dossier dat momenteel door enkele andere aandeelhouders wordt geblokkeerd.

Nog een heikel probleem is dat de financiële toestand van Anderlecht niet alleen de voetbalbond, maar ook de financiële waakhonden in dit land zorgen baart. RSCA – met ondernemingsnummer BE0823.379.451 gevestigd aan de Théo Verbeecklaan 2 in 1070, Anderlecht – is al een tijdje onderworpen aan de zogeheten alarmbelprocedure.

Tijd voor een intermezzo vennootschapsrecht: de alarmbelprocedure moet worden toegepast als aan een van twee criteria voldaan is. Zo is er de balanstest. Daarbij wordt gekeken of het ‘netto-actief’ – het eigen vermogen minus de schulden en de voorzieningen – negatief is geworden of dreigt te worden. Verder volgt ook een liquiditeitstest. Daaruit moet blijken of de vennootschap gedurende minstens de volgende twaalf maanden haar schulden zal kunnen betalen. Anderlecht scoort hoog, slecht dus, op beide criteria.

Naast het informeren van de algemene vergadering binnen een termijn van twee maanden moet de directie maatregelen nemen om de problematische financiële toestand te verhelpen. Dat is het herstelplan waar CEO Karel Van Eetvelt bij zijn aantreden in de lente hard aan heeft gewerkt. Dat deed hij samen met Anderlechts financiële man, Jo Van Biesbroeck. Inmiddels is Van Biesbroeck weg, maar het plan ligt er nog altijd en wordt uitgevoerd, omdat het niet anders kan: Anderlecht heeft inkomsten nodig. De voortijdige lozing van supertalent Jérémy Doku naar Rennes – voor een geschatte transfersom van 27 miljoen euro plus bonussen bij een eventuele doorverkoop – was daar een exponent van.

Dank aan de pandemie

Zo, nu u bent bijgepraat over de financiële toestand van Royal Sporting Club Anderlecht, gunnen we u een blik in de paars-witte achterkamerpolitiek.

Alles begint in 2017, het jaar van de laatste titel en de laatste geslaagde Europese campagne. Roger Vanden Stock en diens neef Philippe Colin willen al langer van de dagelijkse beslommeringen af die het besturen van een club met zich meebrengt. Ze willen geld verdienen aan hun aandelen en tegelijk zich tweewekelijks op de tribune d’honneur kunnen nestelen. Maar er is een tweede, minder bekende reden waarom ze snel willen verkopen: een aangekondigde belasting – die er uiteindelijk nooit zal komen – op de meerwaarde bij de verkoop van hun aandelen.

Verschillende kandidaten dienen zich aan. Wat toen voor waarheid werd verkondigd – dat onder gesloten omslag is geboden en de club blind naar de meest biedende ging, Coucke, dus – is niet helemaal waar. De kandidaten hebben zich gepresenteerd en een koperspraatje gehouden. Naast Coucke, die voor zijn doen in alle stilte opereerde, waren dat Wouter Vandenhaute, al of niet met anderen, Johan Beerlandt namens bouwgroep Besix en hun Egyptische eigenaarsfamilie en ten slotte ook Paul Gheysens, van vastgoedinvesteerder en bouwbedrijf Ghelamco.

Die laatste viel snel af omdat Vanden Stock en Colin een aversie tegen Paul Gheysens hadden ontwikkeld na de saga met het Eurostadion van Gheysens, waar Anderlecht eerst wel, dan niet, dan weer wel en uiteindelijk niet in zou participeren. “Het werd Coucke,” zo zegt een Anderlecht-man vandaag, “niet omdat ze Coucke zo graag hadden, maar omdat ze van de club af wilden en Coucke het geld had. Dat hij plannen had om de club op moderne leest te schoeien en een Belg was, speelde mee. Belgische verankering zou goed zijn voor de club.”

Intimi weten nu dat ze beter voor Beerlandt, Besix en de Egyptenaren van bouwbedrijf Orascom hadden gekozen. Die wilden zo graag in het voetbal. Toen Anderlecht niet doorging, kochten de Egyptenaren, de familie Sawiris, de Engelse club Aston Villa.

Marc Coucke, tot op dat moment de grote man bij KV Oostende, liet de kustploeg als een baksteen vallen. Samen met zijn zakenpartner Joris Ide nam hij 74 procent van de aandelen over en werd zo de nieuwe voorzitter van RSC Anderlecht. De resterende aandelen, 25,7 procent, bleven in handen van zes andere aandeelhouders: Johan Beerlandt, Etienne en zijn neef Olivier Davignon, Michael Verschueren, Claire en Julie (dochters van gewezen voorzitter Roger) Vanden Stock en Alexandre Van Damme. Die laatste koos ook voor Coucke, maar heeft zich dat snel beklaagd. Ooit had de zakenman (AB InBev), vermoedelijk de rijkste Belg, 16 procent van de aandelen en leek hij de nieuwe sterke man te worden, maar na de komst van wervelwind Coucke bouwde hij zijn aandelen af.

Van Damme zou volgens bronnen dicht bij de club gedegouteerd zijn door het roekeloze beleid van Coucke in zijn eerste twee jaar en zou zijn aandelen daarom aan Michael Verschueren hebben verkocht. Bronnen binnen de club stellen zich daar vragen bij en vermoeden dat Van Damme op de achtergrond nog steeds aanwezig is. Michael Verschueren is op papier de grootste kleine aandeelhouder geworden, maar de situatie blijft dezelfde: de B-aandeelhouders hebben een blokkeringsminderheid van 25 procent en kunnen dus elke kapitaalverhoging tegenhouden.

Die kapitaalverhoging is dan weer nodig om Anderlecht boven water te houden en de schuldenberg aan te zuiveren. In veel andere bedrijfssectoren zou dat met een lening kunnen, maar niet in het voetbal. In de zomer van 2017 is in de Profliga een financial fair play ingevoerd. Die stipuleert dat een club over drie seizoenen maximaal 35 miljoen euro verlies mag maken, op voorwaarde dat het verlies wordt bijgepast, en dan alleen nog maar via een kapitaalverhoging.

Coucke heeft op 6 maart 2019 al een kapitaalverhoging toegepast van 30 miljoen euro en kan dus in normale omstandigheden een jaar later niet opnieuw het kapitaal verhogen, althans niet de sommen die nodig zijn om de schulden aan te zuiveren. Dat zou pas opnieuw in 2022 kunnen en weer voor maximaal 30 miljoen euro. Maar dit zijn geen normale omstandigheden. Dit is het jaar van corona en de Profliga heeft deze zomer beslist – in navolging van de UEFA – dat corona-gerelateerde schulden zonder bestraffing door de financial fair play mogen worden weggewerkt.

Het is een buitenkans voor Coucke. Zonder corona had elke nieuwe kapitaalinjectie tot een bestraffing geleid, te beginnen met puntenaftrek en een reductie van het aantal kernspelers. In theorie zou alleen coronagerelateerd inkomstenverlies in aanmerking worden genomen. Een rondvraag bij andere profclubs leert dat enkele clubbestuurders heel goed in de gaten willen houden wat Coucke in het schild voert. Anderen denken dan weer dat elke structurele kapitaalinjectie in het voetbal moet worden aangemoedigd. Vandaag kan meer dan ooit, met dank aan de pandemie.

Paleisrevolutie(s)

Ondertussen is Marc Coucke zowat van de aardbol verdwenen. De driftige twitteraar is niet meer. Alleen over Pairi Daiza en darmproblemen wil hij zelf nog wel iets op schrift stellen, voor het overige houdt hij zich onledig met retweets over Anderlecht. In januari van dit jaar stelde hij al een nieuwe CEO aan in de persoon van Karel Van Eetvelt en haalde hij ook mediaman Wouter Vandenhaute binnen als extern adviseur.

Die twee begeleidden Michael Verschueren als sportieve baas naar de uitgang en haalden half februari Peter Verbeke voor die functie weg bij Gent.

Wie toen al dacht aan een paleisrevolutie, viel eind mei pas echt van zijn stoel. Wouter Vandenhaute verving Marc Coucke als voorzitter van de club waar hij zelf nog eind 2017 op had geboden en werd de vervanger van de man tegen wie hij het drie jaar geleden moest afleggen. Maar Vandenhaute is vandaag officieel nog steeds geen voorzitter. Ook dat symbooldossier is niet goedgekeurd door de raad van bestuur, net als de kapitaalverhoging waarvoor Vandenhaute zich het vuur uit de sloffen loopt.

Die kapitaalinjectie zien Vandenhaute en Coucke als de gedroomde en ook enige ontsnappingsroute voor RSC Anderlecht. Tot hun niet geringe frustratie blijven de B-aandeelhouders moeilijk doen. Dat is te begrijpen. Als Coucke nog eens 20 miljoen euro in de club pompt en 50 miljoen euro schulden omzet in kapitaal, zoals wordt gehoopt, vergroot het kapitaal en wordt zijn aandeel in dat kapitaal groter dan 75 procent. Door die kapitaalverhoging zien de B-aandeelhouders hun blokkeringsminderheid verdwijnen. Tenzij ze ook meestappen in de kapitaalinjectie, maar dat willen of kunnen ze niet.

Het gaat dus om pure macht. Of die houding goed is voor de club, is een ander verhaal.

Bij de oude getrouwen van de club weet men ook niet goed welk spelletje nu wordt gespeeld. Zij menen dat de starre houding niet terug te voeren is op logica, maar emotie: alles begint en eindigt bij de viscerale afkeer voor Marc Coucke. Anderen denken (of hopen) dat ze hem zo kunnen uitroken, ten voordele van een overnemer die in de coulissen klaar staat.

De onderhandelingen zitten nu in een cruciale fase. De vertegenwoordigers van de B-aandeelhouders zijn Michael Verschueren en oude vos Etienne Davignon, twee gematigde Anderlecht-bestuurders die wel nog in de eretribune te zien waren, toen dat omwille van de coronaregels nog mocht. Davignon zei vorige week aan Het Laatste Nieuws dat een akkoord niet ver af is en wellicht voor Kerstmis bekend wordt gemaakt.

Het is met die kapitaalverhoging zoals met het buitenspel: wait and see.

Column met en over Loekasjenko in De Mor gen van zaterdag 12 december 2020

Loekasjenko

In 1995 zat ik in het gevolg van sportpaus Juan Antonio Samaranch en troonopvolger-kardinaal Jacques Rogge. We vlogen met een piepklein privévliegtuigje (zonder toilet aan boord) naar enkele Oostblok-landen. Na beleefdheidsbezoekjes aan Vilnius en Tallinn volgde de derde en lastigste etappe naar Minsk. Tot dan was alles perfect verlopen, die ene officiële rondetafel in Vilnius waarbij ik haast in slaap viel niet te na gesproken. Ik werd toen net voor de snurkfase gered door een elleboogstoot van Annie, de privésecretaresse van Samaranch.

Toen ze later in de tussenvlucht richting Minsk naast mij kwam zitten, verwachtte ik een reprimande. Niet dus, ze had wat advies. De president had haar gevraagd mij te briefen over Aleksandr Loekasjenko en de ware reden van onze tocht richting Minsk. Officieel was het een beleefdheidsbezoek aan het nationaal olympisch comité (NOC) van Belarus, zoals Wit-Rusland in de internationale sportwereld heet. Officieus waren Samaranch en Rogge op blitzbezoek omdat de zittende secretaris-generaal hen had getipt over een mogelijke machtsgreep van president Loekasjenko op de Wit-Russische sport. Als sportfanaat wilde hij maar wat graag voorzitter worden van eigen zijn NOC, onder meer om zo een jaar later in Atlanta van een plekje op de eretribunes verzekerd te zijn.

Een nationaal olympisch comité hoort in theorie apolitiek te zijn en daarom moesten wij Loekasjenko wijsmaken dat zoiets not done was. Misschien is ‘wij’ in voorgaande zin en mijn aandeel in deze operatie lichtelijk overdreven, want ik was decor. Het leverde wel een aardige repo op, zelfs nadat de ware toedracht van ons bezoek achteraf uit mijn verhaal werd gecensureerd.

Bij aankomst in Minsk was van de Wit-Russische president geen spoor te bekennen. Er stond wel een andere Aleksandr klaar. Aleksandr Medved was de eerste worstelaar uit de olympische geschiedenis die op drie opeenvolgende Spelen goud had gewonnen. De Beer – zijn bijnaam – stond ons op te wachten, maar verder dan een vermorzelde hand (die van mij) en wat heen-en-weer- geglimlach geraakten we niet vanwege ik geen Russisch en hij niets anders dan (Wit-)Russisch.

De colonne reed recht naar een van de paleizen van Loekasjenko, alwaar we een kamer kregen om eerst wat uit te rusten in afwachting van de ontmoeting met Loekasjenko. Die was hartelijk. De lokale pers was erbij, met een bloedmooie journaliste van de tv over wie werd gefluisterd dat ze deel uitmaakte van de vaste presidentiële harem. Cadeaus werden overhandigd en Loekasjenko nam het woord. Hij uitte zijn passie voor sport en vroeg in één moeite aan Samaranch om naast de (toen nog) 26 olympische sporten ook een vierjaarlijks olympisch bokstoernooi voor staatshoofden te organiseren. Nadat de tolk dat netjes had vertaald, dacht ik: haha, grapje. Er was er maar één die hardop lachte. Foutje. ‘Loeka’ keek mij aan en ik zag meteen dat het hem menens was. Hij leek mij ook een veel betere bokser dan ik.

Vervolgens trok de top (Samaranch, Rogge, Loekasjenko en een tolk) zich terug voor het moeilijkste halfuurtje van de hele driedaagse trip. Enige tijd later, nadat een slechtgehumeurde Samaranch een tweede receptie had afgelast, zagen we elkaar terug op het vliegveld van Minsk. “Loekasjenko heeft de boodschap begrepen”, zei Rogge, om daar op zijn Rogges ironisch aan toe te voegen, “maar ik denk niet dat hij zich daar veel van zal aantrekken.”

Zijn voorspelling kwam uit. Even later waren secretaris-generaal en voorzitter afgezet en bij de voorzittersverkiezingen voor het nationaal olympisch comité was er maar één kandidaat: Aleksandr Loekasjenko. Hij haalde 100 procent van de stemmen, nóg beter dan bij al zijn stalinistische presidentsverkiezingen.

Aleksandr Loekasjenko is sindsdien de enige president die ook voorzitter is van zijn eigen nationaal olympisch comité en dat nu al 24 jaar lang. Zijn zoon Viktor is vice. The NOC of Belarus verhuisde van de Karl Marxstraat naar de Regenboogstraat en is nu gevestigd in een soort vliegende schotel. Verder is niks veranderd.

Hoewel, na de staatsterreur, niet het minst ten aanzien van de topatleten die deelnamen aan de protestacties, en gevolg gevend aan de internationale verontwaardiging besloot het Internationaal Olympisch Comité (IOC) deze week alle betalingen aan het NOC op te schorten. Ze vragen ook alle internationale sportbonden de banden met Wit-Rusland op te schorten. Die betalingen en die banden zullen Aleksandr en Viktor aan hun reet roesten, maar dat ze niet welkom zijn op de tribunes van de Olympic Family in Tokio volgende zomer is wel een flinke tegenvaller. Ten bewijs: Loekasjenko heeft gedreigd met een proces tegen het IOC. Wordt vervolgd.

Column Navelrijden in De Morgen van maandag 7 december 2020

Navelrijden

Eli Iserbyt heeft gisteren zijn zevende veldrit gewonnen en loopt uit in de Superprestige. Michael Vanthourenhout is tweede geworden. Eli en Michael komen uit respectievelijk Harelbeke (spreek uit als Oarelbeke) en Wingene (spreek ongeveer uit zoals het wordt geschreven).

Wingene moet u kennen, niet van de cross maar van de varkens. In 1990 brak daar de varkenspest uit. Er waren toen twintig keer meer varkens dan mensen in groot-Wingene. Die hebben ze toen ongeveer allemaal een kopje kleiner moeten maken. Vandaag zijn er in Wingene/Zwevezele nog altijd elf keer meer varkens dan mensen.

Wat heeft dat te maken met de cross? He-le-maal niks, maar het is goed om te weten. De ene varkensregio (West-Vlaanderen) heeft de andere varkensregio (de Kempen) tijdelijk afgelost als epicentrum van het navelrijden in modder, ook weleens cross of veldrijden geheten. De nummers drie en vier van gisteren in Boom waren Toon Aerts uit Malle en Wout van Aert uit Lille, de Kempen dus.

Ik kijk naar de cross, maar ik weet niet hoe ik een en ander moet inschatten. De ene keer geloof ik Michel Wuyts en zijn sidekick Paul Herygers: we zijn bevoorrechte getuigen van wereldprestaties. We mogen ons vooral niet storen aan die eenzijdige Vlaamse dominantie, want uit onze Vlamingen uit de Kempen, West-Vlaanderen en een beetje Brabant is door zorgvuldige kruising genetisch, technisch, psychologisch en socio-cultureel het superras van de veldrijder ontstaan. Oké, en de rest van de wereldbevolking benijdt ons die voorbestemdheid, wil ook wel met ons meedoen, maar ze kunnen gewoon niet.

De andere keer denk ik: moet dit wel op televisie? Het grootste deel rijdt zich de pleuris om bij de eersten te finishen en dan komt er daar een uit vakantie terug en nadat hij drie woensdagen op rij in Kasterlee zijn hartslag in de hoogte heeft gejaagd, rijdt die meteen bij de eerste drie. Het grootste deel rijdt een koers, heeft een heel jaar naar deze wedstrijden gepiekt. Die andere komt trainen, wil een piekje in januari in het veld en vooral in maart en juli op de weg, en flirt zomaar met de winst. Zo komt er straks nog een bij.

“En nu stappen zetten om te concurreren met Van Aert en Van der Poel”, pochte het management van de Sauzen-ploeg na Merksplas, waar ze het hele podium bezetten. Bij Jurgen Mettepenningen en Mario De Clercq moet ik altijd denken aan een pak slappe frieten met foute saus. Samen zijn ze la Flandre très profonde maar het is niet anders, die twee leiden momenteel de beste crossploeg van Vlaanderen, dus van de wereld. Op 12 december komt Mathieu van der Poel terug in het veld, beter gezegd in het zand want hij maakt zijn debuut in Antwerpen.

Zowel Van Aert als Van der Poel mikt vooral op de kampioenschappen, met als hoogtepunt het WK in België, in het zand van Oostende meer in het bijzonder. Van de klassementen liggen ze niet wakker. Samen rijden ze drie Superprestiges en nog eens drie wereldbekers. Verder hebben ze hun wedstrijden uitgekozen, wellicht in functie van wie het best betaalt.

Het doet een beetje denken aan hoe Eddy Merckx en andere wegrenners destijds in het zesdaagsecircuit stapten en de mooiste startgelden kregen. Laat het een les zijn: een discipline die de beste atleten niet meer aan de start krijgt, verdwijnt in de marginaliteit.

De switch naar de weg van de enige twee grote motoren (sinds Roger De Vlaeminck) heeft het veldrijden herleid tot zijn essentie: een goeie trainingsvorm. Van grote en kleine motoren, enduro’s en solexjes gesproken, veelwinnaar Iserbyt zou bij zijn twintigminutentest in augustus 355 watt weg hebben gestampt. De journalist/commentator schreef: “Niet wereldschokkend op het eerste gezicht. Tot je die watts deelt door dat lage gewicht. Per kilo trapt de beste Iserbyt circa 6,4 watt weg.”

Dat is een beetje appelen met peren vergelijken. Watt per kilo is fantastisch, zolang het de hele tijd bergop gaat. Wat heb je aan die 6,4 watt per kilo lichaamsgewicht als een groot deel van het parcours vlak is? In dat geval ben je altijd beter af met een hoger vermogen, ook al weeg je meer. Die 100 watt extra die Van Aert en Van der Poel halen op het vlakke en de powerstukken is het verschil tussen kunnen volgen en moeten lossen.

Cross lijkt voortaan een beetje op een kartingcircuit waar Lewis Hamilton en Max Verstappen voor de lol nog eens komen meedoen. Winnen zullen ze niet doen, goed verdienen wel. De organisatoren weten wel wie wat waard is. Eli Iserbyt, Toon Aerts, Laurens Sweeck en Michael Vanthourenhout krijgen tussen 1.250 en 2.250 euro per cross. Dat is opgeteld niet eens de 10.000 euro die Wout van Aert en Mathieu van der Poel elk krijgen.

Column Glazen Plafond over vrouwen in voetbal in De Morgen van zaterdag 5 december 2020

Glazen plafond

Het was de week van de vrouw in het voetbal en – raar maar waar – ook in het mannenvoetbal. Stéphanie Frappart is inmiddels een BV(S) of bekende voetbalscheidsrechter, niet alleen in kenaumiddens. Een Franse madame van 1,64 meter die 22 beren in korte broek in toom houdt, is groot nieuws. Dat deed ze opnieuw bij Juventus-Dinamo Kiev in de UEFA Champions League. Tot eenieders tevredenheid, zo stond het in de meeste wedstrijdverslagen vermeld. Hoezo dan?

Iedereen die de fysieke examens heeft afgelegd, het reglementenboek weet toe te passen (buitenspel is buitenspel, een overtreding is een overtreding) en de verschillende reeksen heeft doorlopen, kan om het even welke wedstrijd fluiten. Ook een vrouw. Ook een mannenwedstrijd. Er is geen enkele reden om, zoals de trainer van Valenciennes David Le Frapper in oktober 2015, te twijfelen aan verminderde beoordelingscapaciteiten ten gevolge van een vermeend verkeerd geslacht. Hij zag zijn team een strafschop onthouden door Mme Frappart en besloot “dat het toch gecompliceerd was, een vrouw in een mannensport”. Hij kreeg prompt twee wedstrijden schorsing.

Frappart floot haar eerste wedstrijd in de Ligue 1 in 2019, de late lente, wellicht toen het niet al te veel kwaad meer kon. Enkele maanden later kreeg ze de supercup toegewezen. Dat is ook al geen wedstrijd op het scherp van de snede en deze Juve-Kiev was dat evenmin. Kiev was al uitgeschakeld voor overwinteren in de Champions League en Juventus was al door.

Donderdagavond kreeg Stéphanie concurrentie uit haar sekse. In de wedstrijd AA Gent tegen Liberec hebben ze ook een vrouw geprobeerd. Correctie, drie vrouwen in één keer: Katerina Monzul en assistenten uit Oekraïne. Die fluit al sinds 2016 in de hoogste Oekraïense mannendivisie. Bij Gent hebben ze bijna meer Oekraïners dan Belgen dus dat treft. Ook AA Gent tegen Liberec ging nergens meer om. Hiërarchie en anciënniteit, allemaal goed en wel, maar geef Stéphanie en Katerina voortaan ook wedstrijden mét inzet.

Het doorbreken van het glazen plafond in het mannenbastion voetbal is voor de emancipatie van de vrouw in het voetbal en bij uitbreiding in de sport de grootst mogelijke hefboom. Die twee scheidsrechters zullen het verschil niet maken, maar alle beetjes helpen.

Neem nu de Red Flames die zich deze week hebben gekwalificeerd voor het Europees kampioenschap in Engeland: van onschatbare waarde. De manier waarop was al even belangrijk: zwarte beest Zwitserland, waar het enige verlies van de hele campagne werd geïncasseerd, werd opzijgezet. Koel, kil, efficiënt, resultaatgericht: 4-0.

België heeft zich als laatste groepswinnaar van de poules kunnen kwalificeren. In april komen daar na play-offs nog eens zeven teams bij. Ik dacht eerst een enthousiast paragraafje te wijden aan het Belgische doelpuntensaldo van plus 32 en die ene 0-9 in Litouwen, maar toen overliep ik de andere groepen en stootte ik op Denemarken, dat met 14-0 had gewonnen van Georgië, en Frankrijk, dat er elf en twaalf binnen shotte tegen Noord-Macedonië en Kazachstan. En dan heeft San Marino nog geen vrouwenteam.

Het is wat het is, tot twintig jaar geleden zagen we die scores ook in de groepen bij de mannen. De Red Flames hebben met die 0-9 wel de hoogste uitoverwinning van de hele EK-kwalificatie geboekt, dat is ook wat.

Dat EK moest normaal volgend jaar doorgaan, maar dat kan niet omdat dit jaar het EK voor mannen niet kon doorgaan en werd verschoven naar volgend jaar. De vrouwen zijn al van 2019 bezig met kwalificatiewedstrijden en de eindronde van het Europees kampioenschap wordt in de zomer van 2022 gespeeld. Tussendoor krijgen ze de kwalificaties voor het WK op hun bord.

Van alle tot nog toe geplaatste landen heeft België de minste ervaring: een EK in 2017 en verder niks.

Vrouwenvoetbal is een jonge sport, en als je een kwantumsprong wilt maken in een jonge sport moet je investeren. Het uitstel van het EK is voor deze jonge groep een goede zaak. Tot wie ik mij nu moet richten, ik zou het niet weten, maar misschien kan de voetbalbond het voortouw nemen. Een sportbond/sport die een talentvolle vrouwenploeg ter beschikking heeft, zicht heeft op twee kampioenschappen, het voordeel van de tijd heeft en financieel het meer dan behoorlijk doet, is het aan zijn rang en stand verplicht om vol te investeren in omkadering en randvoorwaarden.

Geef de Red Flames een ambitieus programma, haal de internationals gedeeltelijk uit de competitie, biedt hen lange stages aan met veel oefenwedstrijden tegen sterke landen, smeed een team en betaal hen een salaris dat toelaat zich alleen nog te concentreren op hun sport.

Verhaal over overgevraagde voetballers in De Morgen van zaterdag 28 november 2020

Blessuretijd vanaf de aftrap

Competitievoetbal, Champions League, EK, Nations League, WK… Ziedaar de kalender 2021-2022. Steeds meer topvoetballers en sportartsen vrezen voor een enorme blessuregolf. Hoe belastend is het schema van de Kevin De Bruynes van deze wereld?

Het was 10 oktober. Twee dagen na de oefeninterland waarin de Rode Duivels met een experimenteel elftal een belabberde prestatie hadden neergezet tegen Ivoorkust, moest bij Kevin De Bruyne iets van de lever. Hij begon over zijn drukke kalender met drie interlands in zeven dagen, inclusief twee reizen, gevolgd door een speeldag in de Premier League en daarna alweer Champions League en weer Premier League.

“Als ik zo tot het eind van het seizoen doorga, betekent dit dat ik twee jaar zonder pauze zal hebben gespeeld. Ik maak me soms zorgen. Ik heb deze zomer negen dagen vrijaf gehad, maar geen vakantie. Niemand luistert naar de spelers. Iedereen zegt: je verdient goed geld, je moet er maar mee om kunnen. Ik zie een blessuregolf komen, voor veel spelers.”

Van decontrolefreak De Bruyne mag je verwachten dat hij in zijn elektronische agenda de wedstrijden en toernooien in kleurtjes heeft gedownload. Hij weet wat er op hem afkomt. Zoals het scenario van begin oktober dat zich de voorbije weken zou herhalen.

Het begon met interlands – waarvan hij de eerste vriendschappelijke niet speelde – gevolgd door afgelopen weekend een topper tegen Tottenham, daarna Olympiakos Piraeus uit, in de Champions League.

Het zijn/worden vijf helse weken: tussen 21 november en 28 december zal een international die in Engeland voetbalt en in de Champions League meedraait, twaalf wedstrijden spelen – de ene al belangrijker dan de andere. Als ze ook nog eens in de League Cup doorgaan, hebben ze tot 2 februari twee wedstrijden per week. Waarna alras de Champions League zijn eindfase ingaat.

Kijken we nog verder: als het een beetje meezit, of tegenzit, hebben de De Bruynes van deze wereld de komende twee jaar tot en met het WK in Qatar geen lange break meer. Dat is dan opgeteld vier jaar zonder echte vakantie.

Wat voor De Bruyne geldt, geldt ook voor Toby Alderweireld. Met dat verschil dat bij hem afgelopen zondag de veer al leek te breken, toen hij het einde van de wedstrijd Tottenham-Manchester City niet haalde. “Vermoeidheid”, zei zijn coach José Mourinho over de oorzaak van Alderweirelds blessure. De centrale verdediger zou twee tot vier weken out zijjn.

Toni Kroos speelt niet in Engeland – en heeft het voordeel dat Duitsland na de 6-0 tegen Spanje niet in de Final 4 van de Nations League zit – maar de international van Real Madrid vond de laatste interlandbreak ook een uitstekende gelegenheid om aan de alarmbel te hangen.

“Wij zijn de poppenspelers in de poppenkast van de UEFA en de FIFA. Niemand vraagt ons iets en elk jaar komt er wel een competitie bij. Voor de Spaanse Supercup moeten we naar Saoedi-Arabië. Waarom? Voor het geld.”

Gekkenwerk

Elke topsport, zeker als er geld mee gemoeid is, heeft de neiging om het uiterste te vragen van zijn atleten, maar topvoetballers – al lang niet meer de luieriken onder de topsporters – komen er het slechtst van af.

Sportarts Stijn Indeherberge, eerder werkzaam bij KRC Genk en bij PSV Eindhoven, heeft de belasting op topvoetballers jaar na jaar zien toenemen.

“Er is een internationaal aanvaarde naam voor dat fenomeen, match congestion. Jammer genoeg is er te weinig onderzoek naar en er zijn te weinig data om toegenomen blessurelast te objectiveren. Die is er wel. De limiet is bereikt, al langer dan vandaag.

“Wij hebben ooit met KRC Genk alle voorrondes van de Europa League gespeeld en zijn doorgegaan tot de kwartfinales. Aan het eind hadden we 64 officiële wedstrijden op de teller, dus zonder interlands of oefenwedstrijden.”

Iedereen die in het topvoetbal te maken heeft met de gezondheid van voetballers weet dat de rek er uit is, maar een overbevraagde speler behoeden voor overbelasting en gezond houden, biedt ook uitdagingen, zegt David Bombeke. Hij maakte eerder als kinesitherapeut deel uit van de entourage van Tourwinnaar Cadel Evans. Sinds de zomer van 2019 is hij medisch coördinator bij Club Brugge.

“Als technische en medische staf probeer je die belasting te managen. Als het dan zoals in de herfst van 2019 lukt om de spelersgroep door een drukke periode te loodsen en toch te bijven presteren, ben je daar trots op. Natuurlijk wordt het stilaan erg veel, met wedstrijden die elkaar te snel opvolgen, en dan nog eens die interlands en die verplaatsingen erbij. Gekkenwerk in normale omstandigheden en daar komt nu nog eens die pandemie bij.”

‘moord op spelers’

De FIFPRO, de internationale vakbond van voetbalspelers, presenteerde in de zomer van 2019 een rapport met als titel: At the Limit. Conclusie: de workload is overdreven. Manchester City-coach Pep Guardiola werd daarin geciteerd: “Het is een gekke kalender die onze spelers vermoordt. Dit kunnen we niet langer dulden. Er moet meer rust worden ingebouwd.”

Dat rapport keek naar het aantal wedstrijden van enkele topspelers. De nummer één van het seizoen 2018-2019 was de Zuid-Koreaan Heung-min Son van Tottenham Hotspur (zie kader). Tussen 25 mei 2018 en 13 juni 2019 speelde hij 78 wedstrijden, 53 met de Spurs en 25 met Zuid-Korea. Drie op de vier keer had hij minder dan vijf dagen rust tussen twee wedstrijden. Hij vloog ook nog eens 110.000 kilometer, alleen al voor de nationale ploeg.

Een andere speler in dat rapport is Eden Hazard. Zijn statistieken in zijn laatste seizoen Chelsea werpen een iets ander licht op zijn moeizame start bij Real Madrid. Eden Hazard was namelijk een mooie nummer twee na Son met 73 wedstrijden, waarvan 54 met Chelsea. Twee op de drie keer had hij minder dan de aangewezen vijf dagen rust tussen twee wedstrijden. Zijn voordeel tegenover Son: minder air miles en dus minder jetlag. Hazard vloog in dat seizoen slechts 27.600 kilometer, maar het is overduidelijk waarom hij in de zomer van vorig jaar uitgewoond in Madrid arriveerde.

Het rapport verdween in veel lades. Van de meest stringente aanbevelingen – een minder belastende kalender en beter overleg tussen de verschillende nationale en internationale bonden – kwam niks in huis. Wel integendeel, na de lockdown waarin niet werd gevoetbald – ongeveer van maart tot in de zomer – en waarin voetbalspelers vooral op zichzelf aangewezen waren om te trainen, werden alle speeldagen zoveel mogelijk ingehaald.

Dokter Indeherberge: “Niet alle voetballers zijn zoals wielrenners die vanuit zichzelf iets meer zijn gaan trainen. Een voetballer is niet gewend om individueel te werken aan zijn basisconditie. We moeten de gevolgen van de lockdown nog krijgen, vrees ik.”

Toen de Premier League weer van start ging, werd die op een drafje afgewerkt en daarna kwam een eindronde van de Champions League, om na een goeie week respijt alweer aan een nieuwe Premier League te beginnen. Dat alles om die 3,4 miljard euro aan televisierechten te vrijwaren.

De FIFPRO zag zich begin november verplicht om een nieuwe waarschuwing de wereld in te sturen: “Beperk het nodeloze reizen. Niet alleen om het risico van besmetting tegen te gaan, maar ook voor de gezondheid van de spelers.” Het was een terechtwijzing van FIFA en UEFA die niet aan de programma’s van de nationale ploegen willen raken. Ook dat heeft te maken met tv-rechten, dus geld. Een aantal eisen volgde. Minimaal vier weken achtereen zomervakantie en een break van twee weken in het seizoen. Individueel gestuurde belasting, minstens vier weken conditionele voorbereiding, overal vijf wissels invoeren.

Blessure verzwijgen

Individueel gestuurde belasting is ingeburgerd in het topvoetbal, ook in België. David Bombeke legt uit. “We vragen de speler elke dag hoe hij zich voelt, we monitoren de urine, we monitoren het bloed, we monitoren de hoge-intensiteitsprints. Indien nodig, sturen we bij. We sluiten toeval zoveel mogelijk uit. Dat is op de club. Maar wat als Emmanuel Dennis (aanvaller van Club Brugge, red.) naar Nigeria vliegt om met de nationale ploeg te trainen en te spelen en geblesseerd terugkeert? Wat met de mentale belasting? Wat als de speler in concurrentie ligt met een andere en het is Champions League en hij verzwijgt een beginnende blessure?”

De medische begeleiding en de samenspraak met de trainersstaf is bij topclubs zeer doorgedreven. Stijn Indeherberge: “Als we bij PSV merkten dat Steven Bergwijn tegen Ajax dertig procent meer hoge-intensiteitsprints had, werd hij in de daaropvolgende trainingen ontzien. De voorwaarde is wel dat je trainer mee is met die aanpak.”

Blessures zijn één. Die kennen en herkennen we allemaal: speler x gaat zitten, voelt aan de achterkant van zijn bil en de commentator zegt op ernstige toon: ‘Oei, hamstringblessure, dat is einde verhaal’. Of speler y komt in botsing – al is contact niet eens nodig – en zakt door de knie. ‘Hopelijk is het niet te erg’, zegt de commentator. Te erg is synoniem voor een ACL, in het jargon. Dat staat voor voorste-kruisbandletsel. Denk bij letsel maar meteen aan afgescheurd – Standard-verdediger Zinho Vanheusden laatst nog, of Virgil van Dijk, de stoere aanvoerder van Liverpool.

Dat zijn de mechanische blessures. Soms hebben die een oorzaak die niets met een trauma of contact te maken heeft. In dat geval gaat het allicht om overtraining: een onbalans tussen belasting (door training en wedstrijden) en herstel. Wie te veel belast, gaat overbelasten en komt in overtraining. Die kan weer leiden tot spierpijn en ontstekingen. Spelers die dan nog doorgaan, lopen het risico op zwaardere blessures.

Overreaching bestaat ook: de spieren zijn sneller vermoeid en het gevolg is prestatieverlies. Hoewel dat veel minder erg lijkt dan een afgescheurde kruisband, is zo’n metabole onbalans veel carrièrebedreigender.

Mentaal moe

Daar komt nog eens de mentale vermoeidheid bij. Omdat lichaam en geest op elkaar inwerken, leidt dat tot symptomen zoals slecht slapen, prikkelbaarheid, verslechterd concentratievermogen. Rust is het enige wat helpt en zelfs dat is geen garantie op een volledig herstel, want vaak volgt een terugval.

Dat het programma steeds drukker wordt en de belasting steeds groter en dat er daardoor meer uitval van voetballend personeel is, werd in 2013 vastgesteld door Håkan Bengtsson, Jan Ekstrand and Martin Hägglund van de universiteit van Linköping. Zij bestudeerden spierblessures in elf opeenvolgende Champions League-campagnes.

Hun conclusies waren eenduidig: in en na wedstrijden met voorafgaand vier of minder dagen rust manifesteerden zich meer hamstring- en quadricepsletsels.

Spierblessures zijn de meest vervelende, zegt Jordi Puigdellivol, hoofdarts van alle professionele teams onder de vlag van FC Barcelona. Stijn Indeherberge organiseerde half november voor de 39ste keer zijn Limcosport-congres voor sportgeneeskunde en had (per video uiteraard) de Catalaan uitgenodigd om te spreken.

“Puigdellivol beheert een medisch departement dat zeven miljoen euro per jaar kost en de modernste toestellen op de club heeft staan, maar ook hij ziet het somber in. Het aantal hamstringblessures neemt toe. Hij vindt dat de meest vervelende blessure omdat je niet, zoals bij pakweg een gescheurde meniscus, kunt voorspellen hoelang de revalidatie zal duren. Dat kan twee weken zijn, maar ook drie maanden. Hij ziet ernstiger blessures en steeds vaker leiden die tot een operatie (zoals bij Thomas Vermaelen, HV).”

162 wedstrijden

Er bestaan competities met een nog drukkere kalender. Neem de Major League Baseball in Noord-Amerika: elke team speelt 162 wedstrijden in een seizoen met 171 kalenderdagen. Sommige spelers komen altijd wel eens in het veld, maar honkbal is lang niet zo inspannend en gemiddeld werpt de pitcher – de meest belastende positie – maar in 34 wedstrijden en in nog eens 34 komt hij de startende werper vervangen. Vijf dagen rust tussen twee starts is een normaal ritme.

Basketballers in de NBA hebben ook een druk seizoen, met soms drie tot vier wedstrijden per week. Sterspelers zullen elke wedstrijd spelen, en minstens dertig minuten. Het verschil met voetbal is groot. NBA-ploegen hebben eigen vliegtuigen, de wedstrijden zijn indoor, van een interlandkalender is geen sprake (tenzij volgend jaar met de Olympische Spelen) en vooral: de spelersvakbond is machtig en komt op voor de belangen van de spelers.

Het grootste verschil tussen voetbal en andere sporten is de specifieke belasting. Stijn Indeherberge: “Geen enkele sport heeft zoveel spierletsels als voetbal. Ligt dat aan het algemeen atletisch vermogen? Misschien zouden we nog beter kunnen selecteren op spiervezeltype en in de opleiding gerichter de basisconditie kunnen trainen , maar voetbal blijft door die aaneenschakeling van korte sprints, afgewisseld met trappen op een bal, een aanslag op de spieren.”

David Bombeke: “Ik kom uit het wielrennen en nergens wordt meer getraind dan in die sport, maar de belasting is niet te vergelijken met voetbal. Wielrenners die overbelast worden, recupereren niet meer, moeten lossen of worden ziek. Voetballers raken geblesseerd. Binnen één ploeg zijn er positioneel grote verschillen in belasting. Soms wordt gezegd dat Hans Vanaken (Club Brugge-middenvelder, red.) meer dan twaalf kilometer heeft gelopen, het meeste van de hele ploeg. Dat klopt, maar aan welke intensiteit? Ik minimaliseer zijn prestatie niet, maar de arbeid die de wingers Diatta en Dennis moeten leveren – telkens weer die sprints tegen hoge snelheid – is veel zwaarder voor het gestel en veel gevaarlijker voor blessures.”

In het FIFPRO-rapport van augustus 2019 wordt ook Anderlecht-coach Vincent Kompany geciteerd met een aantal oplossingen. “Verhoog het maximumaantal spelers dat een team kan inzetten in competities en zet een maximum op het aantal wedstrijden per speler.”

Een andere maatregel ter bescherming van de speler is de veralgemening van de vijf wissels. Voor David Bombeke maakt dat weinig verschil. “Behalve tegen Francs Borains voor de Beker, waarbij je je betere spelers na een uur van het veld haalt, zijn wissels haast altijd tactische ingrepen. Een kalender met tussen elke wedstrijd verplicht vijf dagen rust, zou al veel oplossen.”

Stijn Indeherberge pleit vooral voor meer onderzoek. “Het is toch vreemd dat er in al die jaren nog maar één studie is gehouden naar dat fenomeen en die heeft onmiskenbaar aangetoond dat er een probleem is. Sinds 2013 hebben we geen data meer.”