Column over Caster Semenya in De Morgen van zaterdag 4 mei 2019

46,XY DSD

Dat is niet het startnummer van Caster Semenya (28) gisteren in haar laatste meeting waarin ze met haar hoge testosteronwaarden aan de start mocht komen. Ze won die 800 meter in Doha overigens glansrijk in 1:54.98.

46,XY DSD staat voor een groep hormonale aandoeningen. Iemand met een 46,XY DSD-aandoening heeft XY- geslachtschromosomen, zoals een jongen of man. De uiterlijke geslachtskenmerken zijn die van een vrouw. De XY zijn de chromosomen die bij de mannen aanwezig zijn. De 46 zijn het aantal chromosomen die de mens heeft en DSD komt uit het Engels en betekent disorders of sex development.

Bye bye mevrouw 46,XY DSD, gisteren was de laatste keer dat u van uw (on)natuurlijk voordeel heeft genoten en naar hartenlust de tegenstand kon verpletteren. Dat was kort door de bocht zo’n beetje de reactie van Paula Radcliffe, wereldrecordhoudster marathon nog steeds en in niks gelijkend op Semenya.

Radcliffe was een en al benen bij elkaar gehouden door trage vezels, met daarboven een blaasbalg gemonteerd en ook redelijk wat hersenen die in een hoofdje verstopt zaten. Die combo bood haar de mogelijkheid om heel lang heel hard te lopen en dat deed ze als geen ander en puur natuur (zegt ze). Of ze er met haar anorectisch lijfje meer vrouw uitzag dan Semenya wordt nogal eens betwijfeld. Het doet misschien niet ter zake, maar ik wil het als aanbidder van androgyne types toch even kwijt.

De hate speeches aan het adres van Semenya gingen erover, maar de ongemakkelijke waarheid is: ze hadden gelijk dat deze Semenya op haar volle hormonale sterkte uit de vrouwensport weg moest. Om de controverse compleet te maken: niemand kan of mag daar blij om zijn. Dit is een drama zonder voorgaande en wellicht de meest gordiaanse van alle knopen die de sport ooit moest doorhakken.

Wat van de atletiekfederatie IAAF al langer moest, moet nu ook van het Arbitragetribunaal voor de Sport (TAS): Caster Semenya moet weer aan de hormoontherapie. In haar geval zijn dat de testosterononderdrukkers, bij ons bekend voor transgenders die vrouw willen worden.

Semenya heeft wel gescoord in Lausanne bij het TAS, dat is duidelijk. Strak in het mannenpak, niet in een deux-piècesje om vrouw te willen spelen, verhulde ze niet wie ze was: een vrouw die hormonaal meer man is dan sommige mannen. Maar die ook haar recht op topsport opeiste en op de bijbehorende triomfen. Ze deed haar verhaal waardig, ook haar reactie op de negatieve uitspraak was waardig: “Soms is de beste reactie geen reactie.”

Het verhaal is gekend. De genderfluïde Semenya liep in 2009 de 800 meter als 18-jarige junior in 1:55.45. Kort daarna werd een bovengrens voor testosteron ingesteld van 10 nanomol (per liter urine). Semenya verdween een jaar uit competitie en kwam terug in 2011. Op de Olympische Spelen van Londen in 2012 liep ze de 800 meter, maar beschikte niet langer over haar klassieke allesverpulverende eindsprint.

Kort daarvoor was ze met een hormoontherapie begonnen om haar testosteron onder een aanvaardbaar niveau te houden. Met haar 1:57 pakte ze wel zilver dat later goud werd omdat de winnares gedopeerd bleek. Sportief ging het haar daarna niet meer zo voor de wind. Op het WK van 2015 haalde ze niet eens in de finale. Ze finishte vijf seconden trager dan voorheen en ging door een depressie. Voor Rio 2016 werden de beperkingen op het testosterongehalte opgeheven. Semenya stopte met haar hormoontherapie en bij de eerste meeting in 2016 liep ze meteen zes seconden sneller dan in 2015. Ze won een tweede keer olympisch goud in 1:55.

Aan dat verhaal komt nu een einde, tenzij een of andere burgerrechtbank de beslissing van het TAS herroept. Die hebben zichzelf wel in nesten gepraat want in hun eerste conclusie geven ze Semenya gelijk: er is sprake van discriminatie. In hun volgende conclusie geven ze de IAAF gelijk: we kunnen niet anders dan discrimineren. De ingestelde bovengrens wordt nu zelfs 5 nanomol testosteron, wat nog altijd veel hoger is dan het maximum ooit bij een vrouw gemeten.

Er kwam nogal wat reactie op deze beslissing, uit voorspelbare hoek en niet altijd met veel kennis van sportzaken. Er werd zelfs geschermd met Michael Phelps, die door zijn syndroom van Marfan extra lange ledematen heeft. Doet allemaal niks terzake. Feministen moeten nu stoppen met lezen want dit is het meest pijnlijke deel van het verhaal: voor mannen gelden geen bovengrenzen in de sport, voor vrouwen wel. Als de bovengrens wegvalt – in dit geval van het mannelijk hormoon testosteron dat de discriminerende factor is in sportprestaties (en nog wel andere prestaties ook, maar dat is voor een andere keer) – is er van vrouwensport geen sprake meer.

 

46,XY DSD

Over makelaars en clubs en voetbal, Jesse De Preter, in De Morgen van zaterdag 4 mei 2019

‘Deze jungle dient de clubs’

Eén vernietigende analyse en de plannen van de Pro League om de makelaars aan banden te leggen konden terug naar af. Was getekend: BFFA, de kersverse Belgische Federatie van Voetbalmakelaars. Tekst en uitleg door voorzitter Jesse De Preter.

De man die zelf vorig jaar 3,7 miljoen euro liet verdienen door een makelaar op een transfer van 11,5 miljoen stond daarna het luidst te roepen dat de makelaars aan de ketting moesten. Hij schreef een middernachtelijke draft voor de nieuwe wettelijke bepalingen voor de tussenpersonen in het voetbal, triomfeerde ermee op een Europees congres, maar gooide ineens de handdoek. Exit Marc Coucke, officieel om zich aan zijn zieltogende club te wijden, maar evenzeer omdat van zijn voorstel alle juridische wielen afliepen.

In Couckes ideale wereld lag het ontwerp aanstaande maandag ter stemming, maar dat gaat nu niet door. Zowel de BFFA als de voetbalbond heeft de Pro League op het juridisch knoeiwerk gewezen. Maandag wordt alleen het clearinghouse goedgekeurd langs waar alle transacties moeten passeren.

Coucke vertolkte het gevoel dat er dringend iets moest gebeuren aan de wantoestanden. Er zijn gruwelijk hoge bedragen betaald.

Jesse De Preter: “Er gaat veel geld in om, dat klopt. Maar wat is de informatieve waarde van een krantentitel dat stelt dat makelaars 152 miljoen hebben verdiend en er in kleinere letters bij vermeldt… de laatste vier jaar.

“Ik neem één concreet geval, zonder de naam te noemen of het bedrag. De makelaar had een mandaat van de club om de speler tegen een vastgesteld bedrag te verkopen en de rest was voor hem. Bleek ineens dat die speler veel meer waard was en dat de makelaar meer zou verdienen aan zijn makelaarsfee dan de club aan de transfer. Daarop is hij apart gaan zitten met de man van de club en heeft hem daarop gewezen. Ethisch heel correct, toch? De som die daarna naar de makelaar is gegaan, was nog steeds erg hoog, maar wat er niet bij wordt verteld, is dat ook de familie van die speler 2 miljoen wilde.”

La grande famille africaine.

“Niet alleen africaine, maar wel vaak. Jammer genoeg kan ik op voorhand voorspellen bij welke spelers we ambras zullen krijgen met de familie. Nog een voorbeeld: ik had een beloftevolle speler bij een grote club. Het gezin was al elf jaar illegaal in het land met bijna tien uitwijzingsbevelen toen wij hem in handen kregen. Wij hebben hun situatie kunnen regulariseren. We zijn daar thuis geweest: het regende binnen in zijn kamer en er liep een rat over mijn voeten.

“Vier jaar hebben wij hem begeleid: zijn tanden leren poetsen, naar het toilet leren gaan, de school geregeld, alles zowat. Uiteindelijk krijgt hij zijn kans in het eerste elftal en na vijf matchen verdiende die al 285.000 euro. 100.000 euro hebben we aan de familie gegeven, via de moeder, op hun vraag. Vorige zomer kom ik bij hen thuis en hij zegt: ‘Het vertrouwen is gebroken.’ Een andere makelaar was met een nog grotere envelop afgekomen. Vier jaar lang heb ik iemand halftime op die speler gezet en daar hebben we onze broek aan gescheurd. Nu zegt die speler overal: ‘Jesse heeft geld aan mijn familie gegeven en ik wist daar niet van.’ Hij zat er verdorie naast toen ik het geld aan zijn moeder gaf.”

Meer regelgeving zou toch welkom zijn.

“Uiteraard. Geld geven aan de familie is schering en inslag. Voor de contractonderhandelingen van een andere speler van ons hebben ze bij Anderlecht ooit een grotere vergaderzaal moeten zoeken: er waren te veel familieleden, broers, zussen en vooral neven mee.

“Het is makkelijk om alle schuld altijd op de makelaars te steken, maar ik weet bijvoorbeeld van een Belgische topper in het buitenland die ruzie heeft met zijn makelaar en die nu breed uitsmeert in de pers dat hij niet wist dat die zoveel aan hem heeft verdiend. Natuurlijk wist hij dat wel en erger nog, die speler kreeg zelfs commissie op andere spelers in zijn Belgische club die hij bij zijn makelaar aanbracht.”

U en de BFFA willen die jungle opkuisen?

“Ik heb als jurist in de haute finance gewerkt van 2004 tot 2010, geen makkelijke periode. Welnu, het voetbal is veel meer jungle. Ik ben daar al lang mee bezig en uiteindelijk is Didier Frenay (makelaar in het beladen dossier-Dimata, HVDW) mij komen vinden met
de vraag of ik mij wilde engageren. Geen probleem, maar nu ben ik ook al voorzitter. Wij vertegenwoordigen nu 25 makelaars, twintig andere dossiers zijn hangende. Hiermee hebben we een tiende van iedereen die ooit bij de voetbalbond 500 euro heeft gestort en zich als makelaar heeft opgegeven. Precies: er zijn 450 profspelers in België en meer dan vijfhonderd erkende makelaars en een paar honderd die onder radar blijven.

“We moeten niet om de pot draaien: er zijn misdrijven begaan door makelaars, maar daarvoor moet je altijd met twee zijn. Het is niet zoals Coucke in het parlement zei: ‘Alles is prima in het voetbal, maar er is één probleem: de makelaar.’ Ook opletten met dingen op één hoop te gooien. In het dossier-matchfixing van Waasland-Beveren en KV Mechelen zijn misschien makelaars betrokken, maar toch in de eerste plaats de clubs. Schaf de makelaars af en de matchfixing bestaat nog steeds.”

U wees de Profliga op de juridische tekortkomingen in haar voorstel.

“Het begint al bij mededingingsrecht. De Pro League is een dominante marktpartij die regels opstelt voor contracten waarbij zij geen betrokken partij is. Dat kan niet, wat zij zijn de wetgever niet. Ook het clearinghouse is tegen de regels. Niks mis met een

clearinghouse dat alle contracten inziet en fiatteert, maar niet als de Pro League bepaalt wie daar in zit en als die instantie ook recht zal spreken in geschillen tussen clubs en spelers. Dat is misbruik van machtspositie. Er is geen visie op topsport als economie die langer draagt dan de emotie van het moment.”

U bent tegen het betalen van de makelaar door de speler en niet langer de club. In de VS is dat de regel, maar daar bestaat de betaalde transfer natuurlijk niet.

“Wij zitten met Atticus (het makelaarsbedrijf van De Preter dat onder meer Jason Denayer, Matz Sels en Roberto Martínez vertegenwoordigt, HVDW) ook in het vrouwenbasketbal in de Verenigde Staten en daar moeten wij een factuur sturen naar de speelster. In de Major League Soccer moet de speler aftekenen en mogen we wel naar de club sturen. Aftekenen door de speler is ook de regel in Frankrijk en Engeland.

“Verplichten dat de speler zijn makelaar betaalt, kan niet in België want dat is een inbreuk op de wet op de private arbeidsbemiddeling. Bovendien zet het de poort open voor een zwartgeldcircuit. Ik ben er niet tegen dat het de speler is die de dienstverlening van zijn makelaar betaalt, maar we zitten met een cultuur van spelers die van in hun jeugd alles gratis krijgen. Talentjes van 6 jaar krijgen te horen dat voor hen alles wordt geregeld, alles wordt betaald. Als ze 14 zijn en wij gaan in concurrentie met andere makelaars om die te begeleiden, krijgen we als eerste vraag: ‘Hoeveel paar schoenen kun jij mij leveren?’ Tweede vraag: ‘Betaal jij mijn kine?’ Wij hebben hier een jeugdspeler gehad die een medewerker uitschold omdat de schoenen die waren geleverd niet waren gepersonaliseerd.

“De ideale situatie zou zijn dat de makelaarsfee bij de speler op de loonfiche komt te staan als een voordeel alle aard, net als zijn bedrijfswagen. De wetgever laat dat vandaag al toe. Het probleem daarmee is dat het nooit eerder is gebeurd en dat je daarover goede afspraken moet maken met de fiscus opdat die bijvoorbeeld niet opeens besluit om vijf jaar terug te gaan.”

Denkt u dat de clubs het echt anders willen?

“Sommige clubs willen verandering, andere profiteren maximaal van de chaos en willen alleen aan windowdressing doen naar de politiek omdat die anders aan hun voordelen inzake sociale lasten en bedrijfsvoorheffing zou raken. De makelaars willen wel dat er iets verandert.

“Clubs hebben nu ook belang bij de grijze zone waarin de makelaar geen rechtszekerheid heeft ten aanzien van zijn speler. Het decreet op de arbeidsbemiddeling zegt dat de speler van de ene dag op de andere weg mag bij zijn makelaar zonder vergoeding. Toen Anthony Limbombe van Club Brugge wegging, is hij vier keer van makelaar veranderd. Ik heb een speler gehad die een dag voor hij een deal ging sluiten met Anderlecht naar een andere makelaar ging, waar hij voor minder geld tekende, maar dat wist hij niet.

“Het gebrek aan rechtszekerheid werkt wantoestanden in de hand. Toen ik bij Jason Denayer zat, kreeg hij een sms van een collega- makelaar die beweerde dat ik te veel geld pakte. Jason gaf mij die telefoon en ik heb een tijdje heen en weer geantwoord, tot ik hem zei dat hij met mij aan het sms’en was.”

U zou een makelaarsorde willen op nationaal niveau.

“Dat is de enige oplossing en het kan. Mét een beroepscode. Het verhandelen van spelers mag niet de enige functie zijn van de makelaar. Nu valt die onder arbeidsbemiddeling terwijl wij een economische sector zijn van tussenpersonen die adviseren, begeleiden en negotiëren als het moet. En van het woord makelaar wil ik ook af. Noem ons sportmanager of sportagent.”

Hebt u oog voor de grotere belangen, zoals de te lage instapdrempel voor niet-EU-spelers die een ongelimiteerde trafiek van buitenlanders in gang heeft gezet?

“Clubs en tussenpersonen hebben daar goed aan verdiend en ik begrijp dat ze daar niet willen aan raken. Is het goed voor het Belgisch voetbal? Ik denk dat het ten dele is doorgeschoten, maar anderzijds is het de enige manier voor een kleine club om nog een verborgen parel te vinden. Verhoog je de instap naar het Nederlands niveau, dan haakt de helft van de eersteklassers af. Een andere oplossing is de jeugdopleiding van de Belgen verbeteren. Een jonge Belg van 20 die naar de Premier League kan, is veel meer waard dan een Serviër of Afrikaan van 20.”

 

 

 

Jesse De Preter

 

Het enige echte, originele KETONENverhaal in De Morgen van vrijdag 3 mei 2019

Fuel van kampioenen

Het slagveld in het Midden-Oosten hebben ze niet gehaald, maar in de topsport zijn de ketonen aan een steile opgang bezig. Leuvens onderzoek bewijst als eerste de weldaden van deze superbrandstof.

1. Wat zijn ketonen?

Ketonen worden door het lichaam in kleine hoeveelheden aangemaakt bij de vetverbranding en zijn een hele rijke energiebron. Ons lichaam produceert ketonen, vooral als het in overlevingsmodus gaat. Bij hongerstakingen zijn het de vrijgekomen ketonen die de mens in leven houden. Wat we natuurlijk aanmaken aan ketonen volstaat niet om te sporten of te functioneren in zware omstandigheden zoals op het slagveld of in de topsport.

Ketonen kwamen op de radar van het Amerikaans leger toen de militaire onderzoeksinstantie Darpa op zoek was naar een compacte, directe, lichte energiebron die niet zou bederven in hete omgevingen zoals een woestijn. Darpa schreef een tender uit om ketonen te synthetiseren, na te maken dus, en die tender – ter waarde van 10 miljoen dollar – werd binnengehaald door professor biochemie Kieran Clarke van de universiteit van Oxford, een Australische toponderzoekster die ook werkte op Harvard.

Zij zat al sinds 1991 op het spoor van ketonen bij een onderzoek naar hartaandoeningen. Clarke slaagde erin ketonen buiten het lichaam te produceren en begon met testen. Niet op militairen want Darpa was uiteindelijk afgehaakt, wel op zieken én atleten. Die laatste eerder bij toeval, omdat een onderzoekster in haar labo een topsportverleden had als roeister en meteen de potentie zag voor uithoudingssporters.

2. Wat doen ketonen?

Het eerste wetenschappelijke artikel van belang voor de sport verscheen in de zomer van 2016 in het vakblad Cell Metabolism. De titel was: ‘Nutritional Ketosis Alters Fuel Preference and Thereby Endurance Performance in Athletes’. Vrij vertaald: ketonen helpen. Hoeveel helpen ze? Drie procent, zei de studie. Drie procent is het verschil tussen goud en totaal niet meedoen voor de prijzen.

De nieuwe Leuvense studie ging verder. Achttien goed getrainde mannen werden opgedeeld in twee groepen en kregen drie weken uithoudingstraining. Negen kregen ketonen toegediend en negen anderen een placebo. In de derde week lag het geleverd vermogen in de ketonengroep in het laatste halfuur van een twee uur durende training maar liefst 15 procent hoger.

Professor Peter Hespel, de eerste in België die aan de slag ging met ketonen: “Overload training door steeds zwaarder te belasten is een manier om vooruitgang te boeken, maar kan leiden tot overreaching, overtraining en spierafbraak. In een gecontroleerde labosituatie hebben we kunnen bewijzen dat ketonen de prestatie bij uithoudingssporten verbeteren en de atleet beschermen tegen te zware belasting.”

Er was meer: bij de placebogroep daalde de maximale hartslag met twintig slagen. Een typisch effect van vermoeidheid door training is een vertraagde (sub)maximale hartslag, maar bij de ketonengroep daalde die slechts tien slagen.

De energiebalans bij de ketonengroep bleef positief, maar werd zwaar negatief bij de controlegroep. In beide groepen steeg het hormoon GDF-15, maar dubbel zo snel bij de groep zonder ketonen.

Hespel: “Alles wijst erop dat GDF-15 mogelijk de lang gezochte marker kan zijn voor een diagnose van overreaching en -training. Een van de meest spectaculaire spin-offs van het onderzoek was de vaststelling dat de ketonengroep minder onderhevig was aan botontkalking, iets wat bij wielrenners soms desastreuze vormen aanneemt.”

3. Wie gebruikt ze?

Dat is het best bewaarde (publieke) geheim van de topsport. Lotto-Soudal-arts Servaas Bingé spreekt in zijn roadshow Eens alles testen? Zin en onzin vrijelijk over het gebruik van ketonen. Begin juli zal Hespel op het congres Science in Cycling naar aanleiding van de Tour-start zijn ervaringen met ketonen meedelen.

Ketonen waren voor het eerst in 2018 te koop voor niet-insiders. Professor Clarke geeft toe dat de topatleten van UK Sports al jaren eerder toegang hadden tot het product. “Het is gebruikt in aanloop naar de Spelen van Londen in 2012, maar slechts door een selecte groep atleten omdat we heel weinig ketonen hadden. Ook de wielerploeg Sky had het ongetwijfeld, maar dan ook via UK Sports.” Een van de theorieën achter het geheimzinnig pakket dat Bradley Wiggins in de aanloop naar de Tour de France ontving, is juist dat daar ketonen in zaten en niet de corticosteroïden waarover men speculeert.

In België waren ketonen al een onderwerp onder atleten die deelnamen aan de preolympische stage op Lanzarote in november 2015. In dat jaar werd ook Hespel bevoorraad vanuit Oxford University om ketonen op topatleten te testen, tot ineens de aanvoer stilviel.

Een toptrainer in de Britse topsport sprak zijn mond voorbij in een verhaal in deze krant tijdens de Olympische Spelen van Rio in 2016. “Alle ketonen zijn terug in Britse handen. We willen niet dat een concurrent uit een ander land ze heeft.” Dat werd bevestigd eerder dit jaar toen deze krant Hespel samen met Clarke in Londen sprak.

Vanaf januari 2018 waren ketonen vrij te bestellen, zij het in de VS én in grote hoeveelheden. Professor Clarke had een licentie verkocht aan het Amerikaanse HVMN (spreek uit Human), een innovatief bedrijf van jonge wetenschappers.

In het wielerpeloton zijn ketonen bij de meeste ploegen gekend. De meeste overwinningen zijn dit jaar behaald door ploegen die de beschikking hadden over ketonen en die ook wisten hoe ze moesten worden gebruikt. Of ze altijd werden gebruikt, is niet duidelijk, maar zowel de kennis als het product is beschikbaar.

In een wielerklassieker kunnen ketonen worden ingenomen als brandstof voor de eerste uren van de wedstrijd. Daardoor spaart de atleet zijn koolhydraten voor de finale. Ze juist toepassen was een verhaal van trial-and-error, weet Hespel. “In het begin wisten we het ook niet en gaven we zelfs ketonen tot de finale. Dat werkte omgekeerd, want de ketonen blokkeerden als het ware de koolhydraten.”

Bij een van de ploegen doet het verhaal de ronde dat ze op het schap staan van de energierepen en andere voeding en wie ze wil, moet er maar wat van meenemen. Bij een andere ploeg weet een kopman dat hij de enige is. “Niemand doet de moeite bij ons om er dieper op in te gaan hoe dat moet worden gebruikt. Ik wel, maar ik heb die kennis buiten de ploeg gezocht.”

Een ander kleiner team had ze deze winter besteld in de VS en experimenteerde op een stage. Inmiddels hebben enkele van hun renners al meer dan één grote prijs gereden, mét ketonen. Door de ketonen, wie durft het te zeggen?

4. Zijn ketonen geen doping?

Neen, omdat ze ook de vierde voedingspijler worden genoemd (naast vetten, koolhydraten en eiwitten) kunnen ze eerder worden beschouwd als voedingssupplement dat zelfs groen licht kreeg van het wereldantidopingagentschap WADA. Met dat verschil dat pakweg eiwitten veel makkelijker verkrijgbaar zijn en maar een fractie kosten.

Ketonen komen bovendien uit de VS, waar ze zijn goedgekeurd door de Food and Drug Administration als ‘food’, niet eens als voedingssupplement. In Europa is dat nog niet het geval, zegt uitvindster Clarke: “Ze worden geproduceerd in Groot-Brittannië, vervolgens uitgevoerd naar de VS en vandaar worden ze verdeeld. In Europa een goedkeuring krijgen kan jaren duren.”

Dat compliceert het georganiseerd gebruik door ploegen. Als die het product zelf invoeren en aan hun atleten toedienen, kunnen ze daar in theorie voor worden vervolgd. De workaround die nu wordt toegepast, bestaat erin dat de atleet zelf bestelt. Die geheimzinnigheid is nergens voor nodig en zou de ketonen en hun gebruikers weleens zuur kunnen opbreken. In het wielerpeloton wordt gevreesd dat met name de Fransen, die met alles wat achter lopen, in hun Mouvement Pour un Cyclisme Crédible (MPCC) ook een strijdpunt willen maken van ketonen.

5. Allen aan de ketonen?

Dat is voor de gewone sporter geen goed idee, in de eerste plaats voor de portemonnee. Per dosis (25 ml) kost het goedje zo’n 30 euro. Met één flesje kom je er niet; twee à drie dosissen per wedstrijd zijn gangbaar. Nog duurder wordt het als ketonen worden ingezet voor de recuperatie. Naar Europa wordt pas verscheept vanaf een doos met 36 doses. Dan ben je al snel meer dan 1.000 euro kwijt en moet je nog hopen dat de douane geen extra heffingen aanrekent.

Toch lijken ketonen een veelbelovend supplement, niet alleen voor sporters. Testen op muizen wezen al uit dat ze obesitas tegengaan, de effecten van parkinson zouden worden teruggedrongen en in het diabetes- en kankeronderzoek zijn al veelbelovende resultaten geboekt.

Clarke: “Tumoren voeden zich vooral met koolhydraten, weten we. Muizen die ketonen kregen, leefden langer, liepen sneller en hun tumoren groeiden minder snel.”

 

Ketonen 2.5.2019

Column over de marathonrecords (en de schoenen) in De Morgen van maandag 29 april 2019

It’s the shoes, stupid

Kent u deze nog: de Speedo LZR Racer…, zwemmen…, records…, doet het een belletje rinkelen? Tussen februari 2008 en juli 2009 werden 140 wereldrecords gezwommen in een revolutionair pak. Op één WK alleen flashte 43 keer New World Record op het scorebord. Dat was een probleem en de LZR Racer werd kort daarna verboden. We zijn tien jaar later en het heeft er alle schijn van dat de topsport opnieuw voor een dilemma staat, niet door de minsten omschreven als technologische doping.

Eerst even dit. Mijn respect voor hun prestaties is immens en ik wil de heren Koen Naert (2u07:39, verbetering met 2:11 in Rotterdam) en Bashir Abdi (2u07:03, verbetering met 3:42, gisteren in Londen) in de eerste plaats feliciteren en vooral niet voor het hoofd stoten. Maar… na de marathon van Rotterdam dit jaar ging al een lichtje branden toen zeven van de eerste acht lopers in Nike-schoenen over de meet kwamen en de meesten hun persoonlijke besttijden verpulverden.

Na de recordtijden gisteren in de London Marathon met weeral bijna uitsluitend Nike-lopers voorin, moeten we als journalist serieus blijven: it’s the shoes, stupid. Of toch voor een deel. Hoe groot dat deel is, daar hebben we het raden naar – of niet, zie verder – maar het is hoogst onwaarschijnlijk dat deze progressie volledig toe te schrijven is aan de atleet.

Zowel Koen Naert als Bashir Abdi lopen op Nike. Naert liep nog op de ‘oude’ Vaporfly 4%, een schoen die een spin-off is van het prototype waarmee Eliud Kipchoge op 6 mei 2017 op twintig seconden na faalde in zijn poging om een marathon onder de twee uur te lopen. In september vorig jaar liep hij op die schoen met 2u01:39 een echt wereldrecord in de supersnelle marathon van Berlijn.

Die 4% in de naam van de schoen duidt op de verbeterde loopeconomie. Bij een test aan de University of Colorado lieten zestien lopers een verbeterde economie tussen 1,59 procent en 6,26 procent optekenen. Het gemiddelde was die vier procent, niet hetzelfde als vier procent sneller lopen. Voor de toppers werd uitgegaan van twee procent sneller, iets meer of iets minder kon ook. Twee procent is iets meer dan twee minuten.

Een studie van de top 100-marathonlopers, mannen en vrouwen, laat duidelijk zien dat de tijden sneller worden na de introductie van de Vaporfly 4% in juli 2016. Dat werd trouwens bevestigd door een onderzoek via Strava in de New York Times: ook de recreanten op Vaporfly liepen sneller.

Opmerkelijk dat Nike durfde uit te pakken in de naamgeving van de schoen met dat voordeel. Dat durfden ze niet in 2000, toen ze de Nike Shox introduceerde. Die schoen suggereerde veertjes in de zool en hoewel het niet om veertjes ging en Nike nooit uitsprak dat je er hoger kon mee springen, gaven ze wel die indruk. Wat ook hielp, was de fenomenale dunk van Vince Carter eerder dat jaar op de Olympische Spelen van Sydney. Die sprong zo hoog dat hij over het hoofd van de Franse centerspeler Frédéric Weis vloog. Weis was (en is, hopelijk voor hem) 2m18. Carter droeg toen prototypes van de Shox.

Veerkracht of een energierespons vanuit de schoenen is iets waar de schoenenindustrie al decennia gek op is, sinds een pionier bij Nike op zoek ging naar meer schokdemping en rubberen zolen goot in het wafelijzer van zijn vrouw. Ga een stap verder en je krijgt een schoen die je moeiteloos door de zweeffase helpt.

Bij de Vaporfly 4% en Next% is dat voordeel aanwezig. Hoe dat komt? Ze hebben een gebogen carbonplaat in de schoen. Niet zo dik als in de fietsschoenen, maar dik genoeg om een stijfheid te induceren die profijt geeft bij elke pas. Daarnaast zit er in de middenzool ook nog een speciaal schuim, maar of dat nu zoveel verschil maakt, is niet duidelijk. Andere schoenmerken hebben ook schuim.

De oranje Vaporfly 4% is enkele dagen geleden vervangen door de gifgroene ZoomX Vaporfly Next%. Dus nog meer procenten progressie? Dat laatste valt te betwijfelen, maar ongeveer de volledige kopgroep gisteren in Londen liep in de nieuwe Vaporfly Next%, zo ook onze Bashir Abdi.

Twitter verhitte al na Rotterdam maar na Londen is het hek van de dam.

Je kan in deze discussie twee standpunten innemen: “foei, verbieden die schoenen” of “doe maar, sport en technologie gaan hand in hand”.

Of de schoenen ooit worden verboden zoals de zwempakken is lang niet zeker. Nike is in tegenstelling tot Speedo een miljardenbedrijf en andere schoenmerken azen op een gelijkaardige schoen. Met technologische evolutie is niets mis, maar een sport die niet Formule 1 heet heeft een probleem als het schoenenmerk even belangrijk is als het atletisch vermogen.

 

It’s the shoes-mail

Column Straffen en Hard of Propere Handen in De Morgen van zaterdag 27 april 2019

Straffen, en hard

Degradatie voor KV Mechelen en Waasland-Beveren, naast het royeren uit het voetbal van al wie zich actief en passief – niet onbelangrijk – schuldig heeft gemaakt aan corruptie. Dat wordt geëist door het bondsparket en dat is niet onlogisch, want zo staat het in de reglementen. Alleen, het staat er niet heel duidelijk in. Alvast niet letterlijk, en dus wordt niet door de minste specialisten juridische munitie aangesleept om de degradatie te ontwijken.

Een van de discussiepunten is een bondsartikel waarin staat dat de straf vóór 15 juni van dat jaar had moeten worden opgelegd. Een ander artikel spreekt dan weer over een verjaring van acht jaar. Het zullen echt niet de enige bondsreglementen zijn die rammelen. Dat laatste overigens met grote instemming van de clubs, die daar al jaren garen bij spinnen en in beroep altijd weer een straf teruggedraaid zien. Voor het Arbitragetribunaal worden de meeste straffen zelfs geschrapt, simpelweg omdat zelfs de slimste kat in die bondsreglementen haar jongen niet terugvindt.

Even terzijde, je zult dat ook zien in de Anderlecht-case naar aanleiding van de afgebroken wedstrijd bij Standard. “Het is niet bewezen dat het onze fans waren”, zegt de clubleiding. Alsof niet-Anderlechtfans een kans maken om bij een uitwedstrijd naar Standard in het Anderlechtvak te geraken en daar bij toeval dan een paarse vuurpijl afschieten. Die wedstrijd met gesloten deuren komt er niet.

Maar goed, het ging hier over Waasland-Beveren-KV Mechelen. Naast de juridische munitie wordt ook emotionele munitie in stelling gebracht. Kun je een club sportief straffen voor wat haar bestuur heeft uitgevreten? Kun je andere clubs laten profiteren van een postume degradatie terwijl zij niet de benadeelde club waren? De eerder benadeelde club, hoe zit het daarmee, kan die nog genoegdoening eisen?

Dat laatste is nu toevallig een non-argument omdat de omkopende partij niemand heeft benadeeld. Ze kochten om, of probeerden minimaal de uitslag te beïnvloeden, maar het volstond niet. Gerechtigheid geschied, dan maar? Ook niet natuurlijk. Er zullen eeuwig twijfels blijven hangen over die onzalige Eupen-Moeskroen en de Qatar-connectie tussen beide clubs. Overigens, hadden de spelers van Eupen (en hun makelaars) geen meldingsplicht toen ze net voor de cruciale wedstrijd thuis tegen Moeskroen werden ingefluisterd dat er interesse was van KV Mechelen? Ooit, maar wellicht langer dan acht jaar na datum, komen we het misschien allemaal te weten en tot dan blijft het bij gissen.

Het is natuurlijk zonde als een bloeiende, ambitieuze club met een prachtige achterban als KV Mechelen niet in eerste klasse speelt. Of het ook zonde zou zijn als Waasland-Beveren uit eerste klasse verdwijnt, daar is al minder consensus over. Schone tribune, dat wel, en redelijk goed gewerkt de laatste seizoenen. Geen groeipool evenwel, maar toch meer potentie dan het sterfhuis SK Lokeren. Over die lachende derde in Lokeren werd kapitein Killian Overmeire van de week iets gevraagd op de radio en hij kreeg net geen tongzoenen van de redactie nadat hij met de hand op het hart had verklaard dat hij niet zit te wachten op het ongeluk van een ander om daar zelf beter van te worden.

Hoe edel en wat slim gezegd, maar het klopt natuurlijk van geen kanten. Overmeire en heel Lokeren hopen maar al te zeer dat Waasland-Beveren moet zakken. Stel je voor, de gehate tegenstander met wie om de hegemonie op de akkers tussen Gent en Antwerpen wordt gestreden die móét zakken en Sporting Lokeren dat mág blijven, hoe mooi kan het leven zijn?

Terug naar de hamvraag: mag je een hele club straffen – spelers, supporters en alles wat daarrond leeft – omdat enkele bestuurders zich hebben misdragen? Mijn standpunt is: ja, ja en nog eens ja. Maar ik heb evengoed begrip voor wie neen zegt. Alles is terug te voeren op een andere vraag: wat is een voetbalclub?

Is dat een community van goedmenende mensen, soms vrijwilligers, die uren voor de club in de weer zijn tegen – als ze daarvan weten – 500 euro per maand vrijgestelde vergoeding, geschraagd door fans die al generaties lang die kleuren aanhangen en die hun bruto familiaal geluk aan de resultaten van hun clubje ophangen, een soort opvangtehuis voor verarmde emoties dus?

Of is een voetbalclub een import-exportbedrijf van hoofdzakelijk niet-Europees talent of hele jonge spelers, die gigantische sectorale voordelen geniet, waarmee je in eerste klasse met een beetje geluk serieuze winst kunt maken, die haar spelers 350.000 euro gemiddeld betaalt en haar bestuurders/managers laat meegenieten op de transfers, waar de communitywerking als schaamlapje dient en de supporters gewoon klanten zijn?

Nogmaals, helemaal zeker ben ik niet, maar ik neig naar de stelling het tweede. In dat geval: straffen en hard. Dus: degraderen en royeren.

 

 

STraffen en hard

Verhaal over De Mens die MOET lopen om te overleven in De Morgen van zaterdag 27 april 2019

Lopen, zowat het domste wat de mens ooit is gaan doen

Homo currens, de lopende mens:aap

Die moderne spelende mens, de homo ludens, op zoek naar bevrediging, bevestiging of voldoening is een uitvloeisel van iets wat wij mensen als beste kunnen van alle zoogdieren met wie we ooit strijd hebben geleverd: een gemiddelde inspanning heel lang volhouden. Onder de primaten zijn wij de vreemde aap in de bijt, de homo currens of lopende mens.

De eerste officiële loopwedstrijd om de sport van het lopen en om als eerste aan te komen – waarvan we tenminste het bestaan kennen – is georganiseerd door de Grieken op hun Olympische Spelen in 776 voor Christus. Die race duurde niet eens 200 meter,
een sprint dus. Later leerden we door de boodschapper Phidippides dat de mens ook veel en veel langer kan lopen, al bezweek de moedige koerier wel toen hij net uit Marathon was gearriveerd met zijn goede nieuws. Ter verschoning: hij had volgens de overlevering in de dagen daarvoor ook al een retourtje Athene-Sparta onder de leden en dat is toch al gauw 500 kilometer.

Vandaag is de Spartathlon tussen Sparta en Athene een van de bekendste ultralopen ter wereld. Al miljoenen jaren beseft de mens maar al te goed dat geen zoogdier langer kan lopen. Onze voorouders liepen om te leven en ook voor de homo erectus, de rechtop lopende mens, lag er een eindstreep met de bijbehorende voldoening. Niet de trotse familie of het liefhebbende lief om in de armen
te vallen, maar de bejaagde prooi die zich uitgeput overgaf in de ongelijke strijd tegen dat roofdier met die fenomenale uithouding – de mens.

‘Born to run’. Dat zingt Bruce Springsteen en hoewel hij het anders bedoelde en het over ‘tramps like us’ had, het klopt helemaal: de mens is gemaakt om te lopen, om lang te lopen, om veel te lopen, en daarvan afgeleid, om minimaal op gezette tijden te bewegen. Goed nieuws? Jazeker, maar er is een maar: de mens die zijn biologie en zijn antropologie verwaarloost en te weinig fysieke activiteit aan de dag legt, zal dat cash betalen in gezondheidsproblemen. Een dier heeft daar minder last van en onze neef de aap al helemaal niet.

Wij zijn niet de allerbeste langeafstandslopers van het dierenrijk, laat dat even vooropstaan, maar onder de zoogdieren behoren we bij de absolute top. Sledehonden en kamelen zijn nog een stukje beter voorzien van uithoudingscapaciteiten. Die zouden makkelijk de marathon, die de snelste mens nu in goed twee uur loopt, in 1u20′ of zelfs één uur afhaspelen.

Dieren zijn over het algemeen óf erg snel óf kunnen erg lang lopen. De gaffelbok is de uitzondering: die haalt snelheden tot 100 kilometer per uur én kan in een uur lang haast 50 kilometer afleggen. In zijn habitat, in Noord-Amerika, heeft de gaffelbok geen vijanden meer die zo lang en zo snel kunnen lopen, tenzij dan een dier dat hem in de eerste meters zou verrassen.

Dieren (en ook mensen) hebben hun specifieke fysieke capaciteiten ontwikkeld om te overleven. Zo is de gaffelbok om hem een kans op overleven te geven, net iets sneller dan de jachtluipaard, al is die uitgestorven in Amerika. De Afrikaanse jachtluipaard is dan weer de Usain Bolt van het dierenrijk, maar moet na 250 meter tegen 100 per uur topsnelheid wel weer gaan rusten. De mens tegen de jachtluipaard is een ongelijke strijd: de eerste tien seconden verlopen in het voordeel van de jachtluipaard, maar daarna neemt de mens de bovenhand en dat beseft de jachtluipaard maar al te goed. Vandaar dat hij zich snel uit de voeten maakt als hij mensen ziet.

De lopende aap

Om onze uitzonderingspositie in het dierenrijk en meer in het bijzonder in de familie van de primaten te begrijpen, moeten we tussen de 7 en 6 miljoen jaar terug. Een verandering in menselijk gedrag viel samen met een verandering in anatomie en een gewijzigde fysiologie. Dat alles getriggerd door zelfbehoud, om te verhinderen dat de mensensoort zou uitsterven.

Lange tijd is aangenomen dat de ontwikkeling van de mens parallel met de apensoorten die we vandaag kennen, er een was van gedrag en van anatomie, versterkt door onder meer ecologische veranderingen. Het resultaat was een jager-verzamelaar met een steeds grotere herseninhoud, almaar ingewikkelder gereedschap en een continu groeiend lichaam.

Recente bevindingen, onder meer van evolutionair antropoloog Herman Pontzer van het Amerikaanse Duke University, die in Oeganda in het Kibale National Park de chimpansees bestudeerde, laat een ander licht schijnen op deze evolutie. Ook het fundamenteel functioneren van onze cellen is door de geschiedenis heen veranderd. Totaal verschillend van onze neven en nichten de apen en apinnen, zijn wij mensen afhankelijk geworden van fysieke activiteit. De mensensoort is zo geëvolueerd dat ze moet bewegen om te overleven, in tegenstelling tot de apen die een hele dag op hun luie kont kunnen zitten.

Herman Pontzer: “Een dag in de jungle ziet er voor een chimp hetzelfde uit als die van de gepensioneerde op een cruiseschip in de Caraïben. Wakker worden, fruit voor ontbijt en buikje vol eten, dan een tukje doen want moe van het eten, misschien even de vacht schoonmaken. Na een uurtje weer een vijgenboom zoeken en buikje opnieuw vol eten, gevolgd door socializen, weer wat persoonlijke hygiëne en nog een slaapje. Tegen vijf uur steekt de honger weer de kop op en gaat de aap eten, fruit, met een blaadje tussendoor. Daarna wordt het stilaan tijd om een nest te zoeken in een boom en te slapen, een uurtje of tien.”

Alle apen zijn lui, of wat volgens onze normen geldt als ‘lui’. Grote apen rusten tien uur op een dag en slapen ook nog eens negen tot tien uur. Klimmen, zo vond Pontzer, beperkte zich tot 100 meter of het equivalent van 1,5 kilometer wandelen voor een mens. Dat wat de chimpansees betreft, gorilla’s verzetten nog minder arbeid.

Vandaag zet de gemiddelde Amerikaan 5.000 stappen per dag, terwijl dat er 10.000 zouden moeten zijn om niet in de cardiologische en andere gevarenzones te komen. Omgekeerd, als een aap die dagelijkse arbeid zou moeten leveren, komt hij ook in de problemen.

Ooit leefden onze verre voorouders als apen en kwamen ze absoluut niet aan 10.000 stappen per dag. De homininae, de oudste tak van de mensachtigen, die 7 tot 6 miljoen jaar geleden leefde, liep al wel hoofdzakelijk op de achterste poten maar was meer aap dan mens en had een dieet van vruchten en planten. Zijn opvolger, de Ardipithecus (4,4 miljoen jaar geleden), had lange armen, goed voor het betere zwierwerk door de bomen, maar liep ook vooral rechtop. (Apen kunnen ook rechtop lopen als het moet, maar hun bekken is minder geschikt om dat lang vol te houden.)

Tussen 4 en 2 miljoen jaar geleden leefde de Australopithecus, van wie Lucy de bekendste is, en die heeft een anatomie die nog meer gericht is op een bestaan op de grond, rechtop lopend. Dat bood gaandeweg een ander perspectief voor de voedselvoorziening, de voornaamste bezigheid van onze voorouders: lopend kon meer afstand worden afgelegd op zoek naar de nodige calorieën. Andere habitats zoals de savanne konden worden bejaagd. De sedentaire planteneters werden over een tijdspanne van miljoenen jaren nomadische jagers en voedselverzamelaars. Dat betekende kilometers maken en gaandeweg moest ook het metabool systeem zich aanpassen.

De mens maakte het zichzelf niet makkelijk door steeds verder voedsel te gaan zoeken. De uithouding verbeterde wel en met de hulp van werktuigen en de ontwikkeling van het brein werd de transitie van herbivoor tot carnivoor een succes. Carnivoren ontwikkelden grotere breinen, niet omdat ze vlees aten, maar omdat het zoeken naar en het verschalken van hun prooi hun intelligentie ontwikkelde.

De homo sapiens van 300.000 jaar geleden legde al 14 kilometer per dag af, hoofdzakelijk om de prooi uit te putten. De homo sapiens had al een aangepast hormonaal systeem vergeleken bij de Australopithecus. Door hun fysieke activiteit kwamen hormonen vrij die vandaag ook bij lopers vrijkomen en het zogeheten runner’s high veroorzaken. Het ene effect versterkte het andere, wat resulteerde in een vorm van training, waardoor de mens uiteindelijk uitkwam op een maximale zuurstofopname, vier keer hoger dan de chimpansee.

We hebben meer trage vezels en meer rode bloedcellen dan de apen. Allemaal winst, maar hebben we dan niks ingeleverd? Jawel, snelheid en kracht. Vergeleken met onze verre familieleden zijn we veel minder snel of krachtig.

Toen we van de jungle naar de savanne migreerden en langere benen, dikkere spieren, grotere voeten en zweetklieren ontwikkelden, hebben we een gen ingeleverd. Om correct te zijn is het CMAH-gen nog steeds aanwezig in de mens, maar het is gemuteerd naar een non-actieve variant. Proeven met muizen waarbij door genetische manipulatie het gen ook op non-actief werd gezet, wezen uit dat muizen met een non-actief CMAH-gen anderhalve keer verder konden lopen dan hun collega’s die een nog actief gen in zich hadden.

Ingebouwde airco

De lopers in Londen, Antwerpen of Damme – waar morgen de mooie loop naar Brugge en terug doorgaat – hebben geluk met het weer. Elke loper weet dat 15 graden of kouder een ideale temperatuur is. Alles hoger doet het lichaam stomen en het menselijk afkoelsysteem dat dan in werking treedt, vreet energie die ten koste gaat van het lopen zelf.

Nochtans is de mens het enige dier dat standaard wordt geleverd met een efficiënte ingebouwde airco. Dat wij zo lang kunnen lopen, hebben we te danken aan het beste koelsysteem ooit ontwikkeld in het dierenrijk. Wij hebben geen vacht (meer), wij hebben tussen 2 en 4 miljoen zweetklieren, we lopen rechtop waardoor de zon minimale impact heeft op onze huid en we onze longinhoud maximaal kunnen aanwenden. Viervoeters als honden moeten hijgen om af te koelen, paarden en kamelen zweten ook, maar minder efficiënt waardoor ze na een uur sneller afgemat raken en trager worden dan de mens.

Geboren om te lopen, jazeker, maar dat is niet hetzelfde als een aangeboren uithouding. Alles is aanwezig om die te ontwikkelen, maar daarvoor moeten we wel wat doen: wij moeten trainen. Onze energiekost per stap die we zetten is van de hoogste van alle dieren. Onze loopeconomie is die van een oude twaalfcilinder: we verstoken energie in een ongezien tempo en daardoor warmen we zo snel op.

Het grote verschil met de dieren is de menselijke motivatie om te lopen. Wij kunnen onze psyche zo manipuleren dat, ook al doet het pijn, ook al hebben we geen zin, we toch gaan hardlopen. Hoeveel zouden er morgen niet aan de start staan die al diepe spijt hebben maar toch starten? Een dier dat geen zin heeft in lopen, heeft stokslagen nodig om in gang te geraken, anders verzet het geen poot.

Door die training kunnen we beter worden. De lopers die hebben getraind om beter te worden, willen dezelfde afstand sneller afleggen, of tegen een bepaalde snelheid langer kunnen lopen.

En dan zijn er nog de biomechanische aanpassingen: onze pezen en gewrichtsbanden kunnen vijftien tot twintig keer meer elastische energie opslaan dan ons naaste familielid, de chimpansee. Het is die energie die ons in staat stelt om ons voort te bewegen, weze het tegen een trage, maar volgehouden snelheid.

De uithoudingscapaciteit en het vele lopen resulteerden in een verbeterde fitheid van de homo sapiens en voorouders, wat danweer goed van pas kwam in de zoektocht naar hoogcalorisch voedzaam eten. Toppunt van cynisme toch dat de hedendaagse homo sapiens de calorieën zonder enige moeite in de mond komen gevlogen en dat die loopt en beweegt om de negatieve gevolgen van het overdadig aanwezige voedsel te neutraliseren.

Leven en vooral rusten en niksen als een aap is voor ons mensen de rechte weg naar het graf. Een Australische studie verschenen in het British Journal of Sports Medicine berekende ooit dat elk uur gezeten voor de televisie het leven met 22 minuten verkort. Wie alle afleveringen van Game of Thrones heeft bekeken, heeft al een dag van zijn leven ingeboet.

Voor wie bewegen en sport allemaal zever, gezever vindt, er is een effectieve manier om vooral níét getraind te geraken. Meer zelfs, je kunt je lichaam immuniseren tegen de positieve, of negatieve zo u wil, effecten van oefening: neem een kantoorbaan, pakweg als journalist, zit het grootste deel van de dag, kom thuis, ga zitten en kijk dan tv. Een studie aan de University of Texas verschenen in
The Journal of Applied Physiology toonde aan dat vier dagen van hoofdzakelijk zittend werk volstonden om het effect van een uur doorgedreven lopen op een loopband teniet te doen. Correctie, er was een kortdurend effect op het metabolisme, maar bij de testgroep die minder uren zat, bleven de metabole effecten langer duren.

Professor Ed Coyle van The University of Texas zet nu in op een vervolgstudie: “Er zijn aanwijzingen dat ook één dag zitten achter een bureau, zonder oefening tussendoor of nadien, al een negatieve invloed heeft op het trainingseffect. Wij vermoeden dat 8.000 tot 10.000 stappen per dag zouden kunnen volstaan om het systeem in staat van paraatheid te houden om de positieve effecten van het sporten te prolongeren.”

Dat is wat men in de VS denkt, waar het sedentarisme en de obesitas hoge toppen scheren. In het veel gezondere Canada, waar
in de jaren 70 al studies verschenen over de effecten van bewegen op de gezondheid, heeft men het advies om te bewegen tegen een gemiddelde of hoge intensiteit (niet onbelangrijk!) opgetrokken tot 150 minuten per week verspreid over sessies van minstens 10 minuten.

Bewegen is ons lot, of we het nu willen of niet. Wij mogen dan de apen als naaste familie hebben, wij zíjn geen apen. Zelfs apen in gevangenschap konden hun metabolisme zo reguleren dat ze niet aankwamen en dat hun vetpercentage gelijk bleef. Des te minder arbeid ze leveren, des te beter ze in vorm zijn, zo lijkt het wel. Zelfs in de zoo waar het eten hen in de mond komt vliegen, is diabetes bij apen een rariteit. Hoewel hoog in de cholesterol hebben ze toch geen dichtgeslibde en verkalkte aderen. Hartproblemen, daar hebben de heer en mevrouw aap evenmin van gehoord.

De mens daarentegen… “Oefening is niet optioneel voor de mens,” zegt Herman Pontzer, “het is verplicht.” Maar het is een fabeltje dat je van sporten en bewegen vermagert. “De Hadza-jager-verzamelaars uit het noorden van Tanzania hebben nog steeds dezelfde energie-output als hun verre voorouders. Hun fysieke activiteit per dag overstijgt die van de gemiddelde Amerikaan per week, maar ondanks dat ze een hele dag in de weer zijn, verbranden ze maar evenveel calorieën als de Amerikaanse couch potato. Door oefening krijg je wel een efficiëntere verbranding, ons lichaam gaat beter werken.”

De Hadza staan ook nog bekend om hun gezondheid: geen diabetes, geen hartproblemen, gezonde natuurvoeding en genoeg beweging. Bovendien leven ze in een gezonde omgeving zonder pollutie en is hun samenlevingsvorm gebaseerd op gelijkheid en een sterke familieband. Ook dat is te overwegen.

Bewegen is winst

Om het hoofd te bieden aan alle negatieve invloeden, zoals stress, zittend leven en te veel calorieën, hebben wij westerlingen geen andere keus dan ons metabool systeem voortdurend in gang te houden en beter nog, uit te dagen van als dat even kan. De winst krijgen we aan het eind van het leven terug in lengte van jaren en in kwaliteit. Het Midas Dekkers-argument dat sporten de snelste weg is naar de dood, wordt door alle wetenschappelijke studies weerlegd.

Het is net andersom: sporten of bewegen verlengt het leven. Alleen jarenlang intensief sporten op hogere leeftijd zou een verhoogd gevaar kunnen inhouden op een hartaandoening, en ook daar zijn de studies niet eenduidig. De positieve effecten overstijgen zelfs bij intensief sporten altijd de negatieve. Wie voldoende beweegt, gaat minder vroeg dood en leeft langer. Wie meer dan voldoende beweegt, gaat nog later en nog gezonder dood.

Ook The Lancet kwam vorige zomer tot die conclusie na een review van dertien studies. Langer zitten verhoogt merkelijk het risico op voortijdig overlijden. Zeven tot acht uur per dag zou het maximum mogen zijn. Elk uur langer en de kans op voortijdig doodgaan stijgt met 5 procent. Alleen mensen die extreem actief zijn en vijf keer meer bewegen dan normaal, kunnen ongestoord de aap uithangen, in dit geval zo lang zitten en liggen als ze willen.

 

Column Game Changer over Mathieu VDP na de AGR in De Morgen van dinsdag 23 april 2019

Gamechanger

Wanneer en waar hebben we dat nog gezien? In een mannenklassieker van dat niveau? Vier kilometer op kop sleuren, één minuut goedmaken, over de koplopers gaan en vervolgens de sprint winnen.

Nu ja, sprint… Eén renner dacht dat hij misschien, wie weet, uit het wiel zou kunnen komen van de man die zich de pleuris had gereden en zo jeugdig overmoedig was dat hij dacht nog jus over te hebben om als eerste aan de meet te komen. Hij sprintte mee, maar jammer, eindigde op een fietslengte. Hij stond nog net op de foto en was daar zo blij om dat hij na afloop gelukkiger leek dan de winnaar zelf die hij uitbundig op de schouder kwam kloppen. “Wtf, I was part of history”, zal Simon Clarke gedacht hebben. Nog een andere renner was iets eerder de sprint begonnen, maar herinnerde zich plotsklaps hoe hij eerder in de week op Schavei in de Brabantse Pijl ongenadig was gedegradeerd tot een tweedeklasser. Dat ging toen flink bergop en nu was het zo goed als plat, kansloze missie dus, en hij ging al gauw zitten.

Waar we dat nog gezien hebben in een wedstrijd van dat niveau? Ik als klein manneke, van mijn jeugdheld nog wel. Ik dacht op de Via Roma, maar ik kan mij vergissen. Een renner dacht Milaan-Sanremo te gaan winnen, toen daar ineens vanuit het niets Eddy Merckx kwam aanstormen, hem inhaalde en ter plaatse liet. Dat was Mathieu van der Poel zondag in de Amstel Gold Race: hij was Merckx.

“Misschien is hij wel de nieuwe Merckx”, zei zijn ploegleider Christoph Roodhooft met tranen in de ogen en hij gooide er snel een sorry achteraan. Dat had niet gemoeten. De vraag stellen is al lang geen blasfemie meer. Of Mathieu van der Poel de nieuwe Merckx is, zullen we pas over een jaar of tien weten en dan zullen we geen palmaressen mogen vergelijken.

Elf grote rondes, zoals die vandaag voor klimmers zijn geconcipieerd, vergeet het. Aan negentien monumenten en 525 overwinningen geraakt Van der Poel ook nooit, zelfs niet als we daar de crossen bijtellen, maar dit voorjaar zit hij alvast aan een Merckxiaans gemiddelde van winst in één op drie koersdagen. Raakt hij niet ingesloten in Wevelgem en heeft hij geen pech in de Ronde van Vlaanderen, dan won hij die ook en is het één op twee keer prijs.

Je kan en mag geen tijdperken vergelijken. Grenzeloze bewondering voor deze ex-renner, maar Roger De Vlaeminck is manifest fout als hij beweert dat het vroeger lastiger was om koersen te winnen dan vandaag. Het is andersom. Vroeger kon de sterkste renner het makkelijker halen in een peloton van honderd man waar het vaker één tegen één ging. Vandaag zijn de ploegconsignes zo streng dat de beste renner, als hij in de tang zit (en het gaat niet ongenadig bergop), altijd kan verliezen.

Half januari interviewde ik Mathieu van der Poel. Hij moest toen nog wereldkampioen veldrijden worden en die paar wedstrijden op de weg tussen de grote jongens, dat was maar een uitlopertje om te proberen. Ik vroeg toen wat hij ervan vond als ik zou schrijven dat hij het grootste talent op twee wielen was sinds Merckx. (Jawel, soms zijn we hier visionair ;-)) Hij schokschouderde een keer, keek naar Christoph, en glimlachte. “Schrijf maar, dat doet mij niks”, zei hij.

Die onbevangenheid, randje s’en foutisme, daarin verschilt hij alvast van Merckx. Een beetje probleemstelling voor de voeten van Eddy Merckx en die kroop/kruipt in zijn schulp. Geklopt worden, betekende bij Eddy korte nietszeggende antwoorden en de blik op huilen. Soms was het zelfs de fout van een ander. Merckx kon niet goed tegen zijn verlies. Van der Poel misschien nog minder, maar hoe extravert ook, hij zal het niet in het openbaar tonen. Geef hem een ambetante vraag en hij beantwoordt ze.

Wat ze wel gemeen hebben, is het gevoel voor drama. Dat gaan liggen na een overwinning, Merckx deed dat ook wel eens. Ook die nooit aflatende honger naar de fiets. Naadloos van het crossseizoen in het wegseizoen stappen en daar nog eens een verlengstuk aan breien in het loodzware mountainbike, om dan vervolgens weer via de weg aan de cross te beginnen zoals Van der Poel, dat deed Merckx op zijn manier. Van de klassiekers naar de grote rondes en terug. Zijn winterse crossen waren zesdaagsen, in die tijd nog iets lastiger dan vandaag.

Neen, nooit komt er nog een nieuwe Merckx, maar Van der Poel benadert hem het dichtst: die panache, die branie, die uithouding, die dash, dat roofdierachtige. Eddy was disruptief nog voor het woord was uitgevonden, Mathieu is dat een halve eeuw later evengoed.
In elke sport komt om de zoveel tijd een atleet die alles op de kop zet. Het zijn de gamechangers waar elke sport om snakt, gezonden door een hogere sportmacht.

 

Game Changer

Column Hands in De Morgen van zaterdag 20 april 2019

Hands

Wie niet heeft gevoetbald, kan/ mag niet over voetbal praten! Cafévoetbal of schoolvoetbal is een begin, maar hoe hoger het voetbalniveau, des te groter de praatjes. Neem nu het geval Roeslan Malinovski, de Oekraïner die zijn been en voet tegen alle wetten van de fysica en biomechanica naar links liet vallen terwijl hij naar rechts lag gekeerd. Neutrale toeschouwers zagen er meteen een opzet in.

Opzet om het hoofd van Birger Verstraete tot bloedens toe te treffen? Dat nu ook niet. Wel opzet om de man die hem had omvergetrokken een tik uit te delen, of minimaal niet als eerste te laten opstaan. Of nog: uit revanche, zoals hem weleens eerder was overkomen. De reactie van Genk was begrijpelijk: geen fout, geen straf. Die van de analisten was vreemd: die vonden het ook geen fout en dus verdiende hij geen straf.

Ik heb met een van die gasten achteraf een boom opgezet en al snel gaf hij toe: tuurlijk was het opzettelijk, maar allee, het was toch niet meer dan een normale reactie en je wilt Malinovski voor zo’n bagatel tegen Gent toch niet schorsen voor die kapitale wedstrijd tegen Brugge?

Daar viel veel voor te zeggen, maar reglementen zijn reglementen. Als de scheidsrechter en de VAR iemand uitsluiten met erbovenop een gedetailleerd rapport dat uitgaat van opzet, dan lijkt een straf op zijn plaats. Zeven speeldagen vragen was wel wat overdreven, wetend dat Axel Witsel in 2009 voor zijn doodschop op Marcin Wasilewski, waarbij de Pool een dubbele beenbreuk opliep, maar acht wedstrijden kreeg en een boete van ocharme 250 euro.

Die eis van zeven speeldagen was het sein voor de analisten om bondsprocureur Kris Wagner als ongeloofwaardig weg te zetten, daarbij voorbijgaand aan het feit dat die functie nu eenmaal een advocaat-van-de-duivelgehalte inhoudt. Maar Wagner had niet gevoetbald en wie niet heeft gevoetbald, mag zich volgens de analisten en sommige journalisten die twee derde van hun leven in voetbalstadions hebben doorgebracht niet over heikele kwesties in het voetbal uitspreken.

Het is nochtans andersom: belangrijke dingen in de sport mag je vooral niet aan de sport(ers) zelf overlaten. Dat gaat op voor de veiligheid en de doping in het wielrennen, maar evengoed voor de zeden en gewoontes in het voetbal. Zelfs reglementen laat je beter niet over aan voetballers en al helemaal niet aan ex-voetballers die er een bijverdienste als analist op nahouden.

De handsregel leek nergens op, aldus de analisten/journalisten, want die was niet opgesteld door mensen die wisten hoe voetbal werd gespeeld. Om een punthoofd van te krijgen.

Van de week was er de hoekschop die Fernando Llorente in doel werkte namens Tottenham tegen Manchester City. Dat was een schoolvoorbeeld: de bal kwam tegen de arm of de hand, dat was niet zo duidelijk, maar beiden waren netjes tegen het lichaam. Vandaar niks aan de hand toen de bal doorschoot naar zijn heup en zo achter het levend fresco Ederson in doel belandde.

“Ik weet het niet meer, wat nu al dan niet hands is”, jammerde Vincent Kompany. Hoezo niet weten? Hoe duidelijk kan het zijn? Een bal tegen een hand of arm los van het lichaam is hands. Vrijwillig of niet, beweging of niet, doelgevaar of niet, het belangrijkste criterium is voortaan of de armen los van het lichaam zijn.

Los is strafschop, tegen het lichaam is geen strafschop. Dit is geen verkeerde regel. Een sport die vastgeroest zit in oude gewoontes en zich niet kan aanpassen, is verkeerd. In andere sporten heeft men daar blijkbaar minder moeite mee. In basketbal is hand checking (de verdediger die de aanvaller voelt en afhoudt) ook van de ene op de andere dag strenger bestraft. In hockey weet elke verdediger dat als de aanvaller in het aanvalsvak komt, hij zijn onderste ledematen moet beschermen of desgevallend moet opspringen want als de bal tegen voet of been komt, is het strafcorner.

De consequentie van die regel is dat voetballers in het strafschopgebied voortaan hun handen en armen naast het lichaam moeten houden, of erachter. En niet zoals Brandon Mechele los van het lichaam en achter het lichaam, terwijl je met je rug naar de tegenstander verdedigt. Dat is vragen om problemen en dan maar jammeren over een onterechte strafschop en een fout reglement, of Frank De Bleeckere die een uitzondering is vergeten te powerpointen.

Geen enkele regel kan alle twijfel weghalen, maar de toekomst zal uitwijzen dat de nieuwe handsregel prima is. Het is wennen, zoals met alle nieuwe regels, maar het is een prima regel omdat hij duidelijkheid schept. Een sport die aan elkaar hangt van toeval en interpretatie moet dat toejuichen.

Column AnderSlecht in De Morgen van maandag 15 april 2019

AnderSlecht

Dat beeld van die kleine paarse kapitein, de wanhoop in de ogen, tussen de verbrande grasplakken van het Stade Maurice Dufrasne, Sclessin dus… Hoe hij met handgebaren zijn harde kern tot kalmte aanmaant, maar hoe zijn ogen verraden dat hij beseft dat het kalf al verdronken is. Dat de nul op twaalf wenkt en dat de supporters – of wat daarvoor moet doorgaan – gekomen zijn om de barak van de barakis af te breken, in brand te schieten met hun vuurpijlen. Dat de wedstrijd nooit negentig minuten zal duren.

Na een goed halfuur en na de 2-0, en na een nieuwe lading vuurpijlen, heeft Sven Kums zich de moeite van een nieuwe kruisgang bespaard en het ordewoord van scheidsrechter Erik Lambrechts gevolgd: “Opzouten, allen naar de kleedkamer!”

Nog een beeld: Pieter Gerkens die halfweg die aftocht naar de kleedkamers beteuterd aan Lambrechts komt vragen wat er nu te gebeuren staat. “Deze wedstrijd eindigt hier, brave jongen, het spijt mij.”

Beeld drie: de beschadigde spelersbus grand chic van Royal Sporting Club Anderlecht die koers zet richting Brussel, maar niet naar Neerpede want daar heeft een volksgericht zich verzameld en dat volk – zo wordt gerapporteerd – is in lynchmodus. Dan maar een hotel gezocht, wellicht in de buurt van de luchthaven, een zakenhotel, de vrijdagavonden zijn daar het rustigst en het goedkoopst.

Beeld vier: directeur Michael Verschueren die wordt geïnterviewd bij ontstentenis van de voorzitter en die niks verbloemt. “Er is iets gebroken, dit was erover, dit is niet Anderlecht, ik weet niet hoe dit nu verder moet.”

Wie wel, Michael, Marc, Frank, Fred en co.?

Ik ben in mijn vrije tijd ook fan van een team, ook in play-off 1, ook met nul op twaalf. Ik durf weleens te roepen op de slechterik van de anderen die een van de onzen een tik verkoopt. Omgekeerd ben ik soms blind. Ik vind de scheidsrechter meestal een oen en ik pleit schuldig voor deze systeemfout uit mijn verleden als actieve sporter.

Ik scheld weleens een van de onzen uit en ik durf weleens in vraag te stellen wat de gazetten schrijven. Dat deze of gene speler onmisbaar is. Dat de trainer zo super is. Dat de transfers zo doordacht waren. En na het zoveelste onnodige verlies rep ik mij naar de auto en naar huis en onderweg zegt mijn vrouw: “We gaan hier toch niet ambetant van lopen, hein?” Neen dus, maar hoe eloquent en doordacht zijn analyses ook zijn, Peter Vandenbempt en Radio 1 hoeven even niet op te staan. Joe dan maar.

Dat duurt een uur en dan komt het besef: het is wel máár fucking voetbal. Daarom veracht ik (jawel, van het werkwoord verachten, dat in hoge mate minachten betekent) zij van wie het bruto persoonlijk en familiaal geluk wordt bepaald door de uitslag van hun ploeg en die langer dan een paar uur ziek lopen van verlies. Ik veracht wie zich onledig houdt met onnozele liedjes te zingen gericht aan de tegenstander. Ik veracht ieder die zijn identiteit ontleent aan clubkleuren.

Ik ben tegelijk trots dat mijn clubje, dat het ook niet te best doet, gespaard blijft van die volkswoede. Voorlopig althans. Ik maak mijzelf niks wijs. Of misschien toch, zoals dat ons superieur relativeringsvermogen te maken heeft met een hoger gemiddeld IQ in de tribunes.

Maar neen, volkswoede houdt direct verband met de verwachtingen en daarom zijn volksopstanden niet van alle clubs. Bij Cercle hebben ze weleens “Guyot buiten” geroepen en dat was dan het grofste wat je kon horen. Bij Zulte Waregem herinner ik mij hooguit gemor. Bij Antwerp hebben ze de zwaarste harde kern, wordt gezegd, maar ook zij zijn na jaren in tweede klasse gelouterd en weten met tegenslagen om te gaan.

Volksopstanden zijn van de clubs die het vaakst titels hebben gewonnen in onze competitie: Anderlecht, Club Brugge en Standard. Bij Standard kookt het potje geregeld over, dat is streekgebonden. Bij Club is het al geleden van de herfst van 2015 toen ze in Gent een pakje slaag kregen en moedige manager Mannaert – ook toen geen voorzitter te bespeuren – de toorn van de meegereisde fans ging trotseren. Datzelfde seizoen zou Club alsnog kampioen worden en ineens ging de druk van de ketel.

Wat het Anderlecht-crapuul vrijdag heeft gepresteerd, is ongezien voor België en heeft de historische clubklassering inzake misdragingen helemaal door elkaar gegooid. Anderlecht staat nu met stip en onbedreigd op één. Een wedstrijd zo verneuken dat hij niet meer kan verder worden gespeeld, dat is iets van bananenrepublieken, dat is van Griekenland of Turkije, niet van België. Op het veld en in de bestuurskamers was het al een ramp, sinds vrijdag is het ook in de tribunes AnderSlecht. Er zal meer nodig zijn dan het geld en de blabla van Marc Coucke om dat imago te repareren.

 

Column Pseudo-wielrenners in De Morgen van zaterdag 13 april 2019

Pseudowielrenners

Bij de E3 Prijs een voormalige voetballer-analist tegen het lijf gelopen. “Wat een job hé, coureur. Wat verdienen die gasten nu eigenlijk?”, vroeg hij. “Klopt het dat er zulke grote verschillen zijn?” Ik ratel dan een stukje uit mijn lessen op:

– dat we heel weinig weten van salarissen van wielrenners;

– dat het komt omdat de verschillen zo groot zijn, want dat een renner van 35.000 euro bruto per jaar onderweg soms naast een renner van 3,5 miljoen euro per jaar rijdt en hem op een goede dag kan kloppen;

– dat het gemiddeld salaris van 350.000 euro per jaar zoals in het Belgisch voetbal niet wordt gehaald;

– dat de totale omzet van de WorldTour-ploegen – de Champions League van het wielrennen – een derde waard is van één club, Real Madrid, of 60 procent van de Jupiler Pro League.

“Oei,” zei de ex-voetballer die inmiddels fanatiek golft, “en dat voor zo’n zware sport, echt eerlijk is dat niet.” Voorspelbare reactie, maar onterecht. Er zijn wel meer zware jobs die weinig betalen, zoals Patrick Lefevere van de week aangaf, en die zijn een stuk minder plezant en ook gevaarlijk.

Van de week was er wat spel over een enquête die Sporta had afgenomen bij wielrenners. De kop in een krant loog er niet om: ‘De helft van het peloton kan niet leven van zijn loon.’ Als de procontinentale en continentale ploegen daar ook bij zijn gerekend, kan het kloppen en is het ook niet meer dan terecht.

Even verder stond nog een grafiekje dat de wervende titel tegensprak. Het statement ‘dankzij de koers kan ik sparen’ werd positief beantwoord door 97 procent van de WorldTour-renners, 64 procent van de procontinentale renners en maar liefst 58 procent van de continentale renners. De helft zeurt dat ze niet rondkomen, maar driekwart slaagt er toch in om te sparen, het is het één of het ander.

Jan Bakelants vond dat de koek groter moest. Het wielrennen is geen koek, hooguit een petit-beurretje. Breek dat en je hebt vooral kruimels. Ticketing? Onbestaande. Tv-rechten? Te verwaarlozen want geen mens – behalve de Vlaming en enkele niches geïnteresseerden in andere landen – kijkt naar koers. Ook nog: de productiekosten zijn veel te duur. Sponsoring? Dat zou een oplossing zijn, maar als zich een grote speler als Sky of opvolger Ineos aandient, staat het peloton op zijn achterste poten omdat het competitief evenwicht zou worden ontwricht. Daarbij vergeten ze dat de helft van de WorldTour-ploegen overleeft bij de gratie van een mecenas of een overheid.

Volgens twee verschillende rankings op basis van verschillende gecombineerde criteria is wielrennen wereldwijd even groot als badminton. Dat hoeft geen belemmering te zijn voor een goed economisch model. Het meest lucratieve businessmodel in de sport is American football. De teams zijn daar 1 miljard euro waard en de spelers verdienen gemiddeld 2 miljoen euro. American football is wereldwijd kleiner dan wielrennen.

Nog een voorbeeld dichter bij huis: veldrijden. Er zijn BK’s geweest met meer camera’s dan ingeschreven profs, maar een beetje veldrijder verdient goed zijn boterham. Het businessmodel van veldrijden klopt: relatief weinig organisatorische en tv-productiekosten, ticketing op een vast circuit, spektakel, een gebald tv-format en weinig fietsend personeel om te betalen.

De wegwielrenner die niet rondkomt, zou er beter mee ophouden of een parttimejob erbij nemen. Het kan, een beetje werken én trainen én koersen. De would-beprofs die drie/vier uur gaan trainen bij een echte prof in het wiel en verder geen slag uitvoeren, zoals de echte prof, heb ik op verschillende momenten in mijn loopbaan zien voorbijkomen. Bij de wielerbond onder de vorm van de domste maatregel die ooit is uitgevonden: het VDAB-statuut, waardoor ze hun dop krijgen zonder werk te moeten zoeken. Of als docent: zelfs de pseudovoetballers komen (op maandagochtend) vaker naar de les dan de pseudowielrenners.

Hoeveel Belgen met een koersfiets noemen zich prof? Honderdvijftig, tweehonderd? Honderd daarvan zijn hobbyisten. Als het Belgisch wielrennen één probleem moet erkennen, dan in de eerste plaats dat er te veel wielrenners zijn. Dat is geen nieuwe conclusie. De systeemfout is in de jaren 60 begonnen toen de verlaagde sociale zekerheid voor wielrenners werd ingevoerd om de sector te helpen. (Juist, de maatregel die nu bij voetbal onder vuur ligt en terecht.) De ongemakkelijke waarheid is dat het Belgisch wielrennen al een halve eeuw boven zijn stand leeft en door allerlei goedbedoelde maatregelen maar niet gesaneerd geraakt.

 

20190413_De-Morgen_p-19_Pseudowielrenners