Wie is THE GOAT? Michael in De Morgen van zaterdag 12 mei 2018

Wie is de GOAT?

LeBron James van de Cavaliers staat op een zucht van zijn vierde NBA-finale op rij. Sommige basketbalkenners opperen dan ook dat hij de greatest of all time (GOAT) is, en dus beter dan Michael Jordan. Wat een blasfemie om de oppergod Jordan te vergelijken met een gewone sterveling.

De Cleveland Cavaliers hebben de Toronto Raptors opgepeuzeld en zijn op weg naar hun vierde NBA-finale op rij. Eerst moeten ze nog in hun Eastern Conference Finals voorbij de Boston Celtics (morgen om 21 uur onze tijd beginnen ze eraan), om het dan op te nemen tegen (ook wellicht) de eeuwige rivaal Golden State Warriors, die tegen de Houston Rockets in de Western Conference moeten. Het zou de vierde finale tussen twee dezelfde ploegen op rij zijn, een unicum in de Amerikaanse sport.

De 4-0 van de Cavs tegen de Raptors kwam er na een memorabele derde wedstrijd, waarin bij 103-103 sterspeler LeBron James (33) in de laatste seconden op onorthodoxe wijze via het bord scoorde. A Jordan-like buzzer beater, zo luidde het oordeel. Beter dan Michael Jordan (55), vonden sommigen, en we waren weer vertrokken voor een onmogelijke vergelijking.

De discussie ‘wie is de GOAT?’ (greatest of all time) in het basketbal loopt al een tijdje. Om precies te zijn sinds de terugkeer van LeBron James van de Miami Heath naar de Cleveland Cavaliers (waar hij al eerder speelde) én sinds de play-offs van 2016, toen hij en de Cavs een 3-1-achterstand goedmaakten en alsnog de kampioenschapsring wonnen. Het was zijn derde titel in acht finales.

De discussie werd nieuw leven ingeblazen een jaar later met Isiah Thomas, die in een analyse stelde dat hij LeBron James “any time” zou verkiezen boven Michael Jordan. Omdat Jordan tijdens college in North Carolina (Dean Smith) en bij de Chicago Bulls fantastische leermeesters heeft gehad, terwijl James, die op zijn negentiende recht van high school in de NBA belandde (wat nu niet meer kan), zijn eigen leermeester is geweest.

Een respectabel standpunt, maar Thomas werd met de grond gelijkgemaakt. Het speelde niet bepaald in zijn voordeel dat hij als spelverdeler van de Pistons sinds 1990 een haatrelatie met Jordan heeft. Die beterde er niet op toen Jordan pas wilde toezeggen voor het Dream Team van de Spelen van Barcelona in 1992 als Thomas níét werd geselecteerd. Wat ook niet gebeurde.

In deze play-offs schoof ook Scottie Pippen al even aan in het programma The Jump bij Rachel Nichols van ESPN en natuurlijk kreeg hij dé vraag: wie is de GOAT, Michael of LeBron? Pippen is ook geen neutrale waarnemer want hij speelde in de zes kampioenschapsteams van de Chicago Bulls samen met Jordan.

Hij kwam met een interessante vergelijking. “LeBron James is een point forward, net als ik, maar beter dan ik. Hij vergemakkelijkt het spel. Michael Jordan had maar één opdracht: scoren. Daarbij deed hij nog iets uitzonderlijk goed: verdedigen. De twee zijn niet te vergelijken, maar Jordan is de beste die ooit basketbalschoenen heeft gedragen, geen twijfel mogelijk.”

Jordan en James vergelijken is eigenlijk onmogelijk. De twee speelden om te beginnen nooit tegen elkaar. Jordan won zijn zesde titel in 1998, kwam daarna nog wel terug bij de Washington Wizards, maar was in 2002-2003 klaar met basketbal na vijftien seizoenen. Hij was dan 39. James is nu al toe aan zijn vijftiende seizoen en is 33. Hij was 18 toen hij in de NBA van start ging, Jordan was 21.

Toch zijn er gelijkenissen: beiden wonnen ze hun eerste kampioenschap met 27 jaar. James moest daarvoor naar de Miami Heath uitwijken, terwijl Jordan zijn ene team, de Bulls, trouw bleef.

Nieuwe spelregels

De vergelijking is ook lastig omdat het basketbal zich reglementair heeft aangepast rond tijd dat James in de NBA verscheen. Het basketbal van Jordan is niet het basketbal van James. Hand checking, waarbij een uitgestoken hand van de verdediger contact mag houden met de aanvaller, iets wat snel resulteerde in wegduwen, mag niet meer sinds het seizoen 2004-2005. Jordan had daar heel zijn carrière mee te maken en dat hypothekeerde de mogelijkheid om een speler te passeren.

Jordan zelf was ook moeilijk te passeren. Negen keer werd hij opgenomen in het all-defensive team van de NBA en één jaar combineerde hij de titel van beste aanvaller en beste verdediger van de competitie.

Een seizoen eerder was nog een reglement gewijzigd. Zoneverdediging werd toegelaten op voorwaarde dat de verdedigers zich net als de aanvallers niet langer dan drie seconden in ‘the paint’, de vrije worpruimte tot aan de basket, ophielden.

Het basketbal transformeerde van een spel waarbij veel een-tegen- eenduels werden gecreëerd tot een vloeiend ploegspel, met teams die ook veel meer gebruik maakten van shotselectie en driepunters. De typische Jordan-beweging – opposten met de rug naar het doel tegen de verdediger en dan wegdraaien, doorgaan of uitvallen en scoren – was een zeldzaamheid geworden. Passing werd the name of the game en dat weerspiegelt zich in de statistieken van James, die in assists beter doet dan Jordan.

Jordan moest veel meer dan James tegen versterkte defensies optornen, in de fysieke slopende isolation plays met hemzelf aan de ene kant van het veld en de rest aan de andere kant. Soms kreeg hij twee (double team) of drie (triple team) verdedigers op zijn dak. De Detroit Pistons schreven zelfs een tactisch handboek om hem te stoppen, The Jordan Rules.

De complexiteit van het basketbal van toen (een kwarteeuw geleden) en de antwoorden die Jordan daarop moest vinden, degraderen voetbaltactiek tot een soort ‘Schipper mag ik overvaren’. Een filmpje op YouTube met als titel ‘Michael Jordan vs. Piston’s Defense (aka: Jordan Rules)’ maakt veel duidelijk. Een andere YouTube-suggestie is ‘Attention to Detail: Michael Jordan’.

 

De ringen tellen

Inmiddels heeft James in die vijftien volle seizoenen wel al acht keer de NBA Finals gespeeld. Hij verloor er daarvan liefst vijf. Jordan speelde er zes en won ze alle zes. Hij scoorde gemiddeld 33,4 punten per wedstrijd, James zit aan vijf punten minder.

Daarom alleen is Jordan de grootste. Het zijn de ringen die tellen, en niks anders. Jordan was de ultieme moordenaar. Als het erom ging, was hij onverbiddelijk en elke belangrijke wedstrijd heeft hij in zijn voordeel en dat van zijn Bulls beslist.

Steve Kerr, de coach van de Warriors en ex-ploegmaat van Jordan bij de grote Bulls, verwoordt het zo: “Michael Jordan was de beste, maar we zullen nooit meer een type-Jordan krijgen omdat het spel is geëvolueerd. Wie het dichtst Jordan benadert, is niet LeBron James maar (de inmiddels ook gestopte, HVDW) Kobe Bryant.”

Het zijn echt de titels die tellen. Kobe Bryant heeft vijf NBA-titels (op zeven finales, dus twee verloren) en Michael Jordan zes. Jordan was de man van de grote momenten: play-off time was money time. LeBron James staat op drie en misschien half juni op vier.

 

 

Wie is THE GOAT

De historisch slechte relatie van voetbal met de scheidsrechterij in De Morgen van 8 mei 2018

De historisch slechte relatie van voetbal met scheidsrechterij

In Club Brugge tegen Anderlecht is de uitslag misschien beïnvloed door het inmiddels beruchte VAR-busje. In Barcelona-Real Madrid later die avond hebben de scheidsrechter en zijn assistenten zelf de wedstrijd naar de knoppen geholpen, bijgestaan door de spelers. Ze hadden daar geen video assistent referee voor nodig.

Voetbal heeft een historisch slechte relatie met scheidsrechterij en over een goeie maand op de World Cup in Rusland zullen we ook vaststellen dat een extra ref met wat tv-schermen in een busje buiten het stadion of in een centrale regiekamer daar niks aan verandert.

Voetbal is de meest oneerlijke sport ter wereld, want de laagst scorende sport. Inherent aan kleine getallen zijn grote fouten of afwijkingen. Gevolg: de minste vergissing kan het grootste effect hebben en beslissen over winst en verlies, titel of geen titel. Dat is trouwens de enige goede reden om het klassieke competitieformat te koesteren en de play-offs af te schaffen: hoe langer de serie wedstrijden, hoe groter de kans dat de beste aan het eind ook de beste is. De beste, of minst slechte van deze competitie, is Club Brugge en die dreigen nu geen kampioen te worden. In de eerste plaats door eigen schuld (een gelijkspel gisteren had ook maar een flauwe 9 op 21 punten opgeleverd) en ook omdat voetbal intrinsiek oneerlijk is.

Liegen en bedriegen

Voetbal is niet alleen oneerlijk als het om de beloning van de beste ploeg gaat. Waar rugby – het historische zusje van voetbal – ethiek, beroepsernst en sportiviteit al langer dan een eeuw hoog in het vaandel voert, is voetbal de tegenovergestelde weg ingeslagen. Voetbal heeft liegen en bedriegen tot een kunst verheven.

Basketbal lijkt de moeilijkste sport om te scheidsrechteren, samen met ijshockey wellicht maar dat is ver van ons bed. Een basketbalwedstrijd is een opeenvolging van wel vierhonderd doelpogingen die in het voetbal allemaal als shots on target zouden worden gekwalificeerd. Een niet-gefloten fout bij 99-99 met nog twee seconden te gaan, komt veel minder vaak voor dan diezelfde vergissing bij 0-0, zoals eergisteren bij de strafschopovertreding op Hans Vanaken. Overigens, een rugby- of een basketbalspeler had dat been gewoon ontweken en was doorgelopen. Vanaken stortte ter aarde. Of zoals zijn ploegmaat Ruud Vormer ooit zei: “Als dat been kom, ga je wel lekker legge.” Probeer als scheidsrechter maar eens een lijn te trekken tussen komedie en levensecht. Gebrek aan sportethiek zal de VAR niet oplossen.

Doodschop

Voetbal en rugby zijn halfweg de negentiende eeuw uit elkaar gegroeid en dat had te maken met hacking, neerhalen, en tripping, pootje lap. In het rugby mocht dat, in het voetbal wilde men dat niet meer. 160 jaar later is neertrekken en pootje lappen uit het rugby verbannen. In voetbal is het een kunst om iemand neer te trekken of een pootje te lappen en daarmee weg te komen of omgekeerd te doen alsof je een doodschop hebt gekregen en een strafschop te versieren.

Over de prehistorische haat en nijd op en naast het voetbalveld vergeleken bij rugby zullen we het niet hebben, maar misschien wel nog even over dat ergerlijke gezeur tegen de scheidsrechter. Zoek op Nigel Owens en ‘This is not soccer’ in YouTube. Owens, een getrouwde homo (stel je voor in het voetbal…), legt aan een rugbyspeler uit dat hij niet moet zeuren want dat deze sport geen voetbal is. In een ander memorabel moment vroeg hij op de World Cup aan een speler om niet zo gratuit te vallen, of over een week of twee terug te komen (als in datzelfde stadion weer zou worden gevoetbald).

Discussie hoort bij sport, maar het Belgisch voetbal met zijn talrijke twijfelsituaties, extra in de hand gewerkt door onduidelijke regels, gespeeld door niet al te getalenteerde voetballers in compacte veldbezettingen, heeft beïnvloeding van de scheidsrechter tot de norm verheven. Het Belgisch voetbal heeft nog een ander probleem: voetbalbestuurders die het grotere plaatje niet zien en die over het belang van de sport toeteren terwijl ze alleen hun eigen kleine belang dienen.

 

20180508_De-Morgen_p-2-mail

Column Israël in De Morgen van maandag 7 mei 2018

Israël

Ik ben als sportliefhebber opgegroeid met het grote trauma van München 1972. De Arabieren van de Zwarte September – Palestijnen en Palestina, die vinding van de jaren 60 was toen nog niet ingeburgerd – vielen op de Olympische Spelen het toen nog onbeveiligde atletendorp binnen en vermoordden Israëlische atleten, onder wie de man van Ankie Reches, de plaatselijke correspondent voor de Nederlandse publieke omroep en dus ook voor de VRT. Wonderbaarlijk hoe afgemeten en neutraal zij dat nog steeds aan de gang zijnde conflict duidt, dat even terzijde.

Toen ik nóg kleiner was en de Palestijnse kwestie kwam thuis aan bod, ging dat zo: “Die Arabieren moeten niet zo zeuren. Het zijn de Joden die de woestijn vruchtbaar hebben gemaakt en nu de Arabieren zien dat je daar ook iets kan laten groeien, willen ze dat land terug.” Dat zal eind de jaren 60, begin de jaren 70 zijn geweest en geloof mij vrij, ik ben niet opgegroeid in rechtse milieus, wel integendeel. Het was toen in mijn kringen bon ton om als vrijwilliger in een Israëlische kibboets te gaan werken, stel je voor.

Later, groter geworden, werd het mij duidelijk dat we met een complex probleem zaten. Ik was ooit bij Vincent Kompany thuis in Hamburg en die las over les guerres israélo-arabes. Dat was niet om het slimmeke uit te hangen, maar uit oprechte bekommernis. Hij zei: “Pff, ingewikkeld, ze hebben daar allemaal een beetje gelijk.”

Politiek en sport

Daarom vond ik het klinkklare nonsens, die verontwaardiging dat de Giro naar Israël ging om daar drie etappes af te haspelen. Er zijn wereldwijd wellicht evenveel voorstanders als tegenstanders van de Israëlische politiek ten aanzien van Gaza en de Westelijke Jordaanoever te vinden. Dat maakt het lot van de getroffen Arabieren er niet minder problematisch op, maar het blijft een complex conflict en de sport aanspreken om politiek druk uit te oefenen, is ridicuul.

Natuurlijk zijn sport en politiek verweven, leven ze soms in symbiose en heel af en toe parasiteert de ene op de andere. Maar om nu te stellen dat Israël wereldwijd goodwill koopt omdat ze drie dagen Giro organiseren, is ook bij de haren getrokken. Wielrennen is maar een kleine regionale sport, die marginaal meer impact heeft dan het voorbije EK judo, ook in Israël overigens.

Overigens was die promostunt niet zo geslaagd. Wat ik vooral heb onthouden van Israël, zijn niet de mooie stranden en de interessante gayscene van Tel Aviv, waar Karsten Kroon het op Eurosport over had, maar de brede autowegen. En om daar nu voor naar Israël te reizen, nee laat maar.

Logistieke problemen

De enige reden dat Israël de Giro wilde, is omdat Israël bij Europa wil horen en zodoende ook wielrennen wil omarmen. Met leden ogen hebben ze de laatste decennia de Ronde van Oman, Qatar, Abu Dhabi en Dubai zien ontstaan. Die nieuwe Israëlische ploeg is daar overigens niet welkom. Misschien moet de internationale wielerunie UCI toch maar eens overwegen om ook in Israël te gaan koersen; er stond alvast meer volk onderweg dan die twee kamelen op dat recente WK in Qatar.

Afgezien van het politieke aspect, is er wel een andere excellente reden om geen Giro-start in Israël toe te laten: de logistieke problemen. In tijden waarin de oplossingen voor veel problemen van het wielrennen bestaan in steeds compactere wedstrijden, al of niet op plaatselijke circuits, is het compleet van de pot gerukt dat je een heel circus vraagt om een dag of drie ergens in het Midden- Oosten te kamperen, omdat ze daar 10 miljoen euro te veel hebben.

Nationale rondes horen bij wijze van uitzondering buiten hun land te starten. De Tour de France volgend jaar in Brussel, ter ere van Eddy Merckx, is een goede reden. De Tour in Düsseldorf zoals vorig jaar is belachelijk, net als de Giro in Groningen, Utrecht en nu weer in Jeruzalem.

Ze hebben de voorbije drie dagen tien kilometer tegen de klok gereden, vervolgens een kleine vierhonderd kilometer over twee etappes langs hoogst onaantrekkelijke, goed bollende wegen, waarna twee keer werd gespurt en twee keer Elia Viviani van QuickStep won. Net nu ze een beetje gerodeerd zijn, krijgen ze vandaag al een rustdag voor de kiezen want de hele zwik moet nu terug naar Italië. De Giro begint morgen echt.

Israel

Column Meunier in De Morgen van zaterdag 5 mei 2018

Meunier

Favoriete Rode Duivel voor de aanstaande World Cup: Thomas Meunier. We hebben maar één goeie rechtsback, er is dus een levensgrote kans dat hij wordt opgesteld door Martínez en dat na een seizoen bijna niet te hebben gespeeld voor zijn club. Dat is overigens geen bezwaar en wie het tegendeel beweert, kent niks van trainingsleer.

Al van toen hij bij Club Brugge voetbalde, is Meunier een hele aparte man die, ook al behoorde hij tot de meubelen van Bruhhe, vaker in Gent te zien was. Om evidente redenen, maar daar gaat deze column niet over. In Parijs heeft hij niks van die eigengereidheid ingeleverd. Hij heeft het nu aan de stok met de Ultras van zijn club Paris Saint-Germain omdat hij een tifo van Olympique de Marseille oké vond.

In al zijn naïviteit – dat mogen we aannemen tenzij hij een deal heeft met OM om daar te gaan voetballen – vond hij die tifo mooi. Hij heeft op dat hartje gedrukt op zijn iPhone, of zijn Samsung. Hij heeft de tifo geliked!

De stad Marseille en het weer boven de chaos Parijs en de regen verkiezen, daarin kan ik hem volgen, maar niet in zijn like voor een tifo. Tifo’s zijn geen bewijs van intelligentie want wie niks beter te doen heeft dan een halve dag gekleurde A4’tjes op zitjes te leggen in een leeg stadion in de hoop dat de bezitters van die zitjes later die dag hun A4’tjes op commando in de lucht steken, daar scheelt iets mee. Iets? Veel eigenlijk. Maar bon, daar gaat deze column óók niet over.

Wel over de woede die Meunier zich op de hals haalde van de Ultras. Eergisteren eiste de ondervoorzitter van die bende crapuul nog excuses van Meunier. Le vice-président Mika des Ultras avait accordé une interview au Parisien (de krant, HV), aldus France Football. Het vice-crapuul heeft een interview toegestaan en daarin zei hij dat het nooit meer goed zou komen tussen hen en Meunier, tenzij hij zijn excuses aanbood, dus door het stof kroop voor een hoop marginalen. Dat is de wereld op zijn kop: de media zouden dat soort figuren geen stem mogen geven.

Onmiddellijk na die like kwam op de sociale media een haatcampagne tegen de Belg op gang. Meunier reageerde een dag later, maar niet met excuses: het leek op zalven toen hij een foto instagramde waarop hij samen met zijn zoontje in het trainingscentrum van PSG rondliep. Het bleek alsnog een daad van verzet want de begeleidende tekst liet niks aan het toeval over: ‘Het gebrek aan respect en de laagheid van sommige reacties tonen voor mij de limieten aan van supporters die maar voor één club supporteren.’

Oei oei: dat supporters die één club aanbidden en de rest haten, intellectueel en emotioneel beperkt zijn, dat willen die hard fans niet geweten hebben. Meunier wist perfect wat er zou gebeuren: in de wedstrijd van afgelopen zondag tegen Guingamp werd hij aan het uur ingebracht en hij kreeg me daar een fluitconcert.

Voor hemzelf en zijn entourage is de kous af en er komt geen reactie meer. Het is te hopen dat ze dat volhouden. Het is evenzeer te hopen dat ze ook de goede raad niet opvolgen van die bureautjes die de sociale media van atleten managen. Zij raden hem aan niet zelf te tweeten.

Meunier gaf eerder dit jaar al eens van jetje op Twitter. Hij had een supporter van KV Mechelen op de televisie zien pleiten voor de splitsing van het land. Dat was bij de degradatie van zijn club, na die rare wedstrijd in Eupen waar Moeskroen ineens aan een zak doelpunten was geraakt. Meunier moet die man op de VRT hebben gezien want hij tweette ‘Hou je mond klootzak’, ook in het Nederlands. En vier emoji’s: vier opgestoken middenvingers. Niet echt verstandig, en ook niet echt wat je van een intelligente, levenswijze man als Meunier verwacht, maar wel recht uit de onderbuik.

Thomas Meunier, mijn steun heb je. Tweet er straks maar rustig op los daar in Rusland en ik zal ze allemaal liken. Ik zal je volgen en als jij mij ook volgt, kunnen we direct messagen: dat is handig om mij de opstelling door te sturen, zeker nu Thibaut heeft afgehaakt.

 

Meunier

Interview Bram Tankink in De Morgen van zaterdag 5 mei 2018

‘De Armstrong-tijd was prettiger om te fietsen’

Nooit kreeg een renner die zo weinig won, zo veel aandacht. Nooit werd iemand uit het profpeloton zo bejubeld en gewaardeerd als The Tank. In oktober stopt hij, à la Bram Tankink (39), met een concert, een feest en zijn laatste wedstrijd. Dit is zijn vroeg afscheidsinterview.

Luim, met een ernstige ondertoon. Relativering van zichzelf en het wielrennen. Wie Bram Tankink wil leren kennen, moet zijn tweets (@bramtankink) lezen. Hij komt niet in de buurt van hun palmares, maar heeft evenveel volgers als Greg Van Avermaet of Niki Terpstra en is veel spannender en gevatter. De sprekende en schrijvende Tankink is een verademing en soms ook gewoon grappig, zoals in deze tweet van een paar weken geleden: “Ik mik ook op de overwinning in de Amstel Gold Race 2018. Maar als ik goed was in mikken, was ik wel gaan basketballen.”

Je wilde voor je laatste jaar nog een keer naar de Giro maar toen bleek je vrouw net voor begin mei uitgerekend. Hoe zit jij op de fiets in zo’n Ronde van Romandië?

Bram Tankink: “Niet echt lekker. De voorlaatste dag van Romandië had Vera de kinderen weg gedaan en toen zag ik dat ze pijn had. Was de baby meteen gekomen, dan was ik deze keer te laat geweest.”

Vera: “Bij onze drie dochters was hij er altijd, maar één keer had ik al zes centimeter ontsluiting en moest hij helemaal vanuit Roeselare naar Geldrop komen. Dat was net op tijd. En een andere keer moest hij nog op het laatst invallen voor de Tour de France maar werd hij in die Tour ziek en kon hij naar huis.”

Bram: “Terwijl de renners op de televisie de Champs-Elysées op reden, is zij bevallen.” Vera: “Ik zei: zet die Mart Smeets nu eens uit.”
Het was wel werken in Romandië.

“Had ik tegen het team moeten zeggen dat ik die Ronde niet wilde rijden? (kijkt naar Vera en lacht) Eigenlijk ben je als renner nooit in de positie om te zeggen: dit doe ik niet. Achteraf blijkt dat drie van onze renners niet goed genoeg waren. We hebben met vier de leiderspositie van Rogli# verdedigd en met succes. Ik kon het niet laten lopen.

“De op één na laatste dag moesten we kort na de start tien kilometer klimmen aan 9 procent. Stef Clement en ik moesten lossen, maar we beperkten de schade. Toen ben ik vol naar beneden gereden, alsof ik 22 was. Als ex-mountainbiker kan ik wel afdalen, zeker als het technisch is. Op dat moment gaat het nog om iets en dan nam ik dat berekende risico.

“Het wegwielrennen vraagt mentaal veel en ik kan nog wel goed in een peloton rijden. Erger nog: ik rijd gewoon midden door het peloton, nooit aan de zijkant, veel te gevaarlijk. Hoewel mijn zwaarste valpartij in de Tour van 2012 juist midden in het peloton was. Alessandro Petacchi deed tegen 70 per uur zijn overschoenen uit en gaf ze aan een ploegmaat die het achterwiel van een andere aantikte. En ik dacht nog: wat zijn die nu aan het doen?

“Ik ben wel banger geworden op natte wegen, maar ik kan mij er altijd nog wel overheen zetten. Die schrik is de beperkende factor voor de ouder wordende renner. En de wil om te vechten tegen de pijn, die verdwijnt ook. ‘Waarom zou ik mijn limieten nog opzoeken? Ik heb het al zo vaak gedaan en die koers ga ik toch niet winnen.’ Dat soort gedachten moet je kunnen blokken.”

Jij beschikt over een onwaarschijnlijk relativeringsvermogen.

“Dat is iets van mijn jeugd. Ik kom uit een gezin met een zusje dat zwaar spastisch is, dan bekijk je de dingen toch anders. Wielrennen neem ik bloedserieus, maar het blijft een bijzaak. Bijzaken kun je ook met hart en ziel doen, dat is toch met iedereen die een passie heeft?

“Wielrennen hou je niet vol als het alleen maar een vak wordt. Het plezier gaat weg. Ik heb dat bij heel veel jongens gezien in mijn ploeg. Ik ben gaan fietsen ter compensatie. Het was mijn vrijheid. Ik woonde in Twente in Haaksbergen, dicht bij de Duitse grens. Die reden we dan over, samen met een vriendje, ver Duitsland in op zoek naar bergen die er niet waren. Tijdens het fietsen dacht ik niet aan thuis of hoe slecht het met mijn zusje ging.”

“Mijn vrouw zei laatst nog dat ze vond dat ik nog fanatieker werd. Ze is zelf ook erg gedreven in wat ze doet, dus dat treft. Na haar dienst als vroedvrouw belt ze ’s avonds na een moeilijke bevalling altijd om te weten hoe het met die moeder en dat kindje is, of ze gaat op haar vrije dag even langs.

Vera: “Rennersvrouw worden zoals in pasta koken en de wasmachine aanzetten, heb ik nooit gedaan. Ik werk nu nog steeds drie vijfde, met heel onhandige uren en een man die altijd weg is, maar toch blijf ik het doen.

Bram: “Het draait hier niet alleen om wielrennen.”

Vera: “Dat hele leven buiten het wielrennen heeft ervoor gezorgd dat hij niet is gestopt op 30, zoals hij eerst van plan was. En ook niet op 35. Hij zal 40 zijn eind dit jaar en hij doet het nog steeds even graag.”

Bram: “Ik heb hier nooit met de benen omhoog gelegen tussen twee wedstrijden.”

Vera: “Jij hebt het nodig om andere dingen te doen, zoals de tuin.”

Bram: “Ik ben nooit in paniek geraakt als ik een dag niet fietste. Een uur of twee losfietsen, weegt dat op tegen een dag volledige ontspanning of iets anders doen? Trainen deed ik wel altijd. Keihard als het moest.”

Je woont in Rekem, deelgemeente van Lanaken. Hoeveel Belg ben jij?

“Alvast dat Bourgondische heb ik overgenomen. Je kan hier midden in de week overal gaan eten. Op een dag waren we in Haaksbergenbij mijn moeder op bezoek en toen gingen we naar een restaurantje waar ze ons echt aankeken van ‘Hoezo, jullie willen eten, op een woensdag?’

“Daarnaast benaderen de Belgen je heel anders dan Nederlanders. In Nederland word ik vaak aangesproken en moet ik me haast verantwoorden voor prestaties of het wielrennen in het algemeen. In België word je niet gestoord, en krijg je na herkenning vaak succeswensen. Ik liep een keer met mijn familie door Schiphol toen we op vakantie gingen en na een tijdje vroeg mijn oudste. ‘Papa, waarom kent iedereen jou?'”

Je eerste team was een Belgisch team.

“Domo-Farm Frites. Ik wist als mountainbiker niks van wielrennen. Ik keek af en toe wel naar wedstrijden op tv maar ook niet zoveel, en de eerste keer dat we op Zaventem moesten samenkomen, noemde Koos Moerenhout, mijn Nederlandse ploegmaat, iedereen op. ‘Dat is die en dat is die’. En daar stond er nog één van wie ik de naam niet wist. En wie is dat dan, vroeg ik. Koos zei: Oké, dit zal ik ze maar niet vertellen. Dat was Johan Museeuw.

“Ik herinner mij wel nog een trainingskamp waarin ik per ongeluk naast Johan kwam te fietsen. En toen vroeg hij: ‘Kun je ergens anders gaan rijden, want ik verveel mij.’ Ben ik maar naast een andere jonge jongen gaan fietsen. Pas het derde jaar ben ik een beetje los gekomen. Museeuw had een verhaal gehoord dat ik in de winter was gaan backpacken in Peru en die vroeg om daarover te vertellen. Het werd een heel gezellige avond, Museeuw bleef maar Leffe schenken voor mij. We werden stomdronken en ik ben strippend op een standbeeld beland. ‘Goh’, was hun reactie, ‘die Tankink heeft ook een babbel.'”

Jouw laatste jaar bij Patrick Lefevere was 2007, het jaar waarin hij en ploegarts Yvan Vanmol zwaar zijn aangepakt door Het Laatste Nieuws.

“Ja, dat heeft mij toen heel erg geraakt. Ik kende Yvan juist als iemand die het heel erg goed voorhad met zijn renners. Hij heeft mij geholpen door dat stuk af te bakenen en daarvoor ben ik hem heel erg dankbaar geweest. Ik vond hem juist een voorloper in de evolutie die het wielrennen nu meemaakt.

“Mijn vrouw heeft mij ook gewaarschuwd dat ze niks wilde vinden dat ook maar in de buurt kwam van doping. Bijna mijn hele generatie is verdwenen of gestopt. Ik ben nog steeds actief. Ik denk dat het komt door de keuzes die ik heb gemaakt en daar heeft dat team mij in geholpen. Het was een familie die mij juist beschermde voor datgene waarvan ze in 2007 als een stel criminelen werden beschuldigd. Ik vond dat heel onrechtvaardig.”

In Nederland bekent elke week wel een renner dat hij iets heeft gepakt dat in de buurt komt van doping.

“Die verhalen dat iedereen het wel deed, die moet ik niet. Het leven is niet zwart of wit. Ook de artsen waren niet of slecht of goed. De meesten, op een paar uitzonderingen na zoals Ferrari en Fuentes, hadden het beste voor met de sport. Juist de ploegartsen hebben veel veranderd ten goede en liepen voorop in het zuiver maken van de wielersport.

(aarzelt) “Het is moeilijk uit te leggen want in deze discussie haal je nooit je gelijk. Ik ben heel lang bewust bij Quick-Step blijven rijden, die boden mij een goede en eerlijke werkomgeving. De ploeg ademde koers en liefde voor de sport. Dat is altijd zo gebleven en heeft mede gezorgd voor de vele successen van die ploeg.

“In 2008 ben ik naar Rabobank gegaan. Deze ploeg en het wielrennen zaten toen in een grote transitie. Achteraf heb ik me dat wel beklaagd, toen de verhalen uit het verleden van de ploeg kwamen bovendrijven en Rabobank de stekker uit de ploeg trok. In mijn ogen een hele slechte keuze, want juist de bankenwereld had veel kunnen leren uit deze transitie. Ik heb toen getwijfeld om te stoppen, maar uiteindelijk gekozen voor mezelf en de liefde voor het wielrennen.

“Weet je wat mij stoort? Thomas Dekker en Robert Gesink waren de twee grootste talenten uit de Rabo-opleiding. Dekker doet overal zijn verhaal, krijgt publiciteit, wordt soms als een soort held beschouwd, omdat hij zogenaamd open en eerlijk is, terwijl hij als mens de foute keuzes heeft gemaakt voor geld en roem.

“Daartegenover staat dan Robert, die ten gevolge van de goeie en eerlijke keuzes, nu een beetje als de schlemiel wordt aanzien in Nederland, omdat hij vaak net niet won. Terwijl hij het goede karakter had en beschikte over een enorme veerkracht, de juiste mentaliteit die de sport zo nodig heeft. Dat is in mijn ogen het walgelijke van de benadering van topsport: men wil helden zien, maar men wil ze ook graag diep zien vallen, omdat ze iets doen wat als onmogelijk wordt beschouwd.”

Jij kwam in volle Armstrong-periode in het wielrennen.

“Mijn eerste Tour was in 2005, zijn laatste. Die Tour heb ik heel veel op kop gereden, samen met Servais Knaven, toen voor Tom Boonen, met achter ons die Discovery Channel-trein met daarin Armstrong. Daar nog achter reed de rest van het peloton en daar kwam je niet voorbij.

“Het leven was toen ook duidelijk: je reed op kop, je ging naar de kloten en je werd gelost. Nadat Armstrong uit het peloton was verdwenen, werd het chaos. Het wielrennen belandde in een diepe crisis en moest met zichzelf afrekenen. Het heeft veel ten goede gekeerd.

Jonge renners krijgen nu veel meer kansen. Maar de hiërarchie was weg en nu zie je negen sprinttreintjes naast elkaar en iedereen rijdt zich helemaal het schompes met het risico op vallen in elke bocht.

“De Armstrong-tijd was wel prettiger om te fietsen, veel minder gevaarlijk, ik kan het niet anders verwoorden. Wij kregen ook het respect van Armstrong want wij namen heel wat werk op onze schouders. Hij zei zelfs goeiedag en op de Champs-Elysées ben ik hem nog gaan feliciteren met zijn overwinning. ‘Thank you, Bram,’ zei hij. Meer ook niet hoor.

“Voor mij is Armstrong nog altijd…(aarzelt) Hij was maniakaal en hij heeft veel dingen veranderd in het wielrennen. Hij was de eerste die een eigen kok meenam omdat het eten in Frankrijk niet te vreten was. Altijd haricots verts in doorgekookte pasta die nog in het water lag en een kipfiletje die naam niet waard. Andere teams zijn gevolgd en dankzij hem eten wij nu hartstikke lekker in de Tour.

“Ook zijn manier van voorbereiden en trainen heeft de andere ploegen de ogen geopend. Hij had beroepsernst en sommige concurrenten van hem hadden dat niet. Ullrich had misschien wel meer talent dan Armstrong, maar hij reed in de Ronde van Zwitserland nog met zes kilo te veel rond. Als mens heeft Armstrong andere mensen kapotgemaakt, maar was wel een echte sportman en daarom wil ik hem niet helemaal verketteren.”

Jij hebt twee individuele overwinningen in je carrière: een rit in de Ronde van Duitsland en de Grote Prijs Jef Scherens in Leuven. Hoe ging dat?

“Ik reed twee keer weg en ik bleef twee keer weg en er is nóg een overeenkomst tussen de twee overwinningen: telkens was ik twee avonden ervoor keihard op stap gegaan. De eerste keer was toen ik Vera leerde kennen, in Maastricht. De tweede keer had ik Almelo een criterium gereden en wilden vrienden van mij een biertje drinken. Een dag later ben ik thuis gekomen met een kater en vrienden hier uit de buurt hebben toen friet gebakken met zuurvlees. Nog een dag later was dan die koers. We reden met zeven voorop, ik moest er af op de laatste helling maar ik kwam er weer bij, ging vol door links terwijl ze allemaal rechts een uitval verwachtten en ze pakten mij niet meer. Ik kan best wel hard rijden.”

In 2015 leek het op.

“Ik reed toen voor Belkin en ik besloot nog twee jaar door te gaan. Ik ging keihard trainen, legde mijzelf druk op, en ik kwam toch niet aan winnen toe. Ik raakte gefrustreerd. Je loopt tegen een burn-out aan, zei Vera. Ik had al een piep in de oren door gehoorschade en die werd steeds erger.

“Zes keer bij de keel-, neus- en oorarts geweest, maar niks hielp. Toen bij een therapeute terechtgekomen en die begon over het verleden. Het was stress. Bleek ik met wat onverwerkte dingen te zitten, zoals mijn zusje. Nu is het veel beter. Ik moet mij nu concentreren om die piep te horen terwijl het twee jaar geleden zelfs vol in de wind piepte.

“Binnen mijn ploeg zeggen ze weleens: als jij nu eens zou hebben getraind en nog meer voor je vak had geleefd, dan had je misschien meer wedstrijden gewonnen. Ik denk dan a. dat had mij geen gelukkiger mens gemaakt en b. ik heb mezelf wel degelijk druk opgelegd. Dus neen, ik had het talent niet. Oké, misschien had ik twee kilo lichter kunnen wegen door meer op de voeding te letten.”

Vera: “Als jij probeert af te vallen, word je snel ziek.”

Bram: “Ook dat nog. Mijn longen krijgen het snel zwaar. Ik heb dus inspanningsastma en zit aan de Ventolin. (lacht) Je moet alleen die dingen niet in één keer uitzuigen want dat werkt niet.

“2015 was geen goed jaar. Ik ben toen ook gevallen in de Tour, moest van fiets wisselen en toen bleek het zadel van mijn reservefiets een centimeter te hoog te staan. Kreeg ik meteen een ontsteking op mijn kont, zo groot als een mandarijn, waardoor ik de ploegentijdrit niet naar behoren kon rijden. Waarna het team weer kwaad was op mij: ik was niet goed genoeg.

“Die avond heb ik nog samen gezeten met Laurens ten Dam, zowat mijn soulmate. Hij ging voor het klassement maar kwam ook niet meer vooruit. Die avond zeiden we tegen elkaar: zouden we niet beter stoppen, we zouden betere mensen zijn als we niet zouden fietsen.”

Passen je plannen in Nepal in de ambitie een beter mens te worden?

“Het is een vorm van maatschappelijke betrokkenheid, maar het is geen liefdadigheid. Ik beleg al langer dan vandaag. Samen met een vermogensbeheerder die weet hoe ik denk en tegen de maatschappij aankijk (zijn lectuur voorafgaand aan het interview is ‘Omwenteling’ van veranderingsexpert Jan Rotmans, HV) investeren wij in de aanleg van power grids op basis van zonne-energie. Met de bedoeling dat iedereen er beter van wordt: de plaatselijke bevolking, de producent, de investeerders.”

De Giro is van start gegaan, voor Belgen een jaarlijks terugkerend trauma. Jij hebt met Wouter Weylandt samen gereden.

“O ja, kon ik het goed mee vinden. Wij reden ooit samen de Ronde van Polen en elke dag hielp ik hem in de sprint. Later dat jaar waren we samen in Gent en heeft hij mij zijn favoriete cafés leren kennen.

“Ik reed in die Giro toen hij is gevallen. Ik werd vijfde in die rit, mijn beste uitslag ooit in een grote Ronde. Ik heb niks gezien want hij zat achter mij. Wat er dan gebeurt met een renner? Onbegrip, het raakt je erg, het had jou kunnen overkomen, maar tegelijk heb ik mij in de koers altijd kunnen afsluiten van andere emoties, zowel van wat er thuis gebeurde als van dat met Wouter. Het is een scherm dat je voor jezelf optrekt. Als je alles meeneemt wat jou en anderen overkomt in je carrière, dan trek je het niet.”

Hoe kijk je terug?

“Ik heb achttien jaar van mijn hobby mijn beroep gemaakt. Fietsen was voor mij het summum van het nu. Nú rijd je hier, nú zie je af, nú heb je pijn, nú gaat het goed of slecht. Ik heb in een wereld van alfamannetjes mijzelf en soms anderen op de hak genomen en ik kwam daar mooi mee weg. Het sloeg zelfs goed aan. Ik kreeg een podium en nu ben ik de populairste renner die haast niks heeft gewonnen. Een oom van mij zegt dat het leven begint op veertig, welnu ik word veertig. De speeltijd is voorbij, het leven begint.”

HANS VANDEWEGHE

 

20180505_De-Morgen-Bram Tankink-mail

 

Column Flagellatie in De Morgen van zaterdag 28 april 2018

Flagellatie

Morgen verschijnt de biografie van de Nederlandse wielrenner Lieuwe Westra. Hij was elf seizoenen prof en heeft dertien wedstrijden gewonnen, te beginnen met de Ronde van Picardië, de laatste was op 31 maart 2016 een rit in de Driedaagse De Panne. Of het een goeie zaak is dat Westra – degelijke knecht, grote motor – met die kwalificaties en dat prijzenkastje een biografie uitbrengt, valt nog te bezien. Misschien is het wel gewoon slecht voor het bomenbestand.

Zijn ontboezemingen gaan – u heeft goed geraden – onder meer over ‘het gebruik van doping’ (aldus enkele media), of ‘drugs’. Aldus – dat hou je niet voor mogelijk – zegt zijn ex-team Astana geshockeerd te zijn. Westra, de naam zegt het, komt uit het noorden. Flagellatie is de calvinisten van daarboven aangeboren en dat weerspiegelt zich in zijn boek dat de mooie titel Het Beestdraagt.

Naast een zelfverklaard dopeur – wat hij op de keper beschouwd niet is – is Westra een beetje een mix van Frank Vandenbroucke en Tom Boonen, maar dan zonder de overwinningen en hij leeft ook nog. Die mix zit hem vooral in het gebruik van drugs en drank. Coke en xtc passeren onder meer de revue, maar dan vooral voorafgaand aan zijn wielercarrière. Uiteindelijk verzeilde hij in een depressie en besloot in 2016 met koersen te stoppen.

Maar nu dus die doping. Misschien wordt het wel eens tijd dat de media het onderscheid maken tussen overmedicalisering en doping, en aanvaarden dat er een grijze zone was. Westra geeft toe dat hij gebruik heeft gemaakt van doktersattesten om cortisones te spuiten, hoewel hij niet eens een zere knie of zo had. Lange tijd was dat een praktijk, een therapeutische uitzondering aanvragen en dan de spuit in de bil in plaats van het gewricht. Dat was de grijze zone en het is goed dat die minder grijs is, maar doping was het technisch gezien niet.

In 2010 werden 97 van die TUE’s goedgekeurd. In 2016 nog 20, voor het hele profwielrennen, dat betekent gedeeld door vijf. Het probleem is verschrompeld tot een bagatel. Westra bekent ook nog dat hij salbutamol heeft gebruikt – heeft gepuft – hoewel hij gaan astma had. Dat valt dan weer onder de noemer overmedicalisering. Studies genoeg die bewijzen dat niet-astmapatiënten geen baat hebben bij puffen.

Westra’s boek zal verkopen, wees daar maar zeker van. Het boek van die andere Nederlandse renner die zich vorige week heeft geout, Karsten Kroon, zal niet verkopen, omdat hij geen boek wil. Kroon is van het niveau Westra, minder overwinningen maar wel in mooiere wedstrijden. Zijn boek had ik graag gelezen omdat hij als renner in 1998 in het peloton is gekomen en in 2008 verdwenen. Dat is na de Festina-zaak en pal in de Armstrong-era. Bovendien heeft Kroon voor ploegen gereden die de marge opzochten, onder meer Rabobank en ook heel lang voor Bjarne Riis. De toegevoegde waarde van zijn bekentenis is onbestaande, want het tegendeel – een renner die tussen 1998 en 2008 clean reed – was pas nieuws geweest.

De mesthoop Twitter meldde reacties van Nederlanders dat andere landen ook wel eens mogen volgen met bekentenissen. België onder meer. Enige historische kennis van de problematiek doping kan in deze van pas komen. Alles wijst erop dat op de Festina-affaire in België, nooit een grootverbruiker van epo en transfusies, sneller en heftiger is gereageerd. Ten slotte schreef de Belgische hoofdarts van Festina al in 2000 een boek en is hij kort daarna gestorven.

Nederland daarentegen had met de Rabobank-ploeg een systeem waarvan de Belgische ploegen niet eens het bestaan afwisten, glyceroliseren van bloed in Wenen, veelal omdat ze anders dan de Rabo-ploeg niet de ambitie koesterden om te scoren in grote rondes.

Bovendien wil ik de noorderburen (m/v) er aan herinneren dat naast Festina-dokter Erik Rijckaert (2001), wij Johan Museeuw al figuurlijk hebben begraven in 2006, Frank Vandenbroucke letterlijk in 2009 nadat hij in 2002 gehandboeid is afgevoerd, en Tom Boonen in 2008 en 2009 hebben opgehangen voor coke-gebruik. Later zijn nog een aantal renners gedumpt met al of niet discutabele bloedwaarden, zoals Leif Hoste. Nederland is gewoon later met de bekentenissen (Boogerd, (Thomas) Dekker, Kroon, Westra,…). Dat we er in Vlaanderen geen theater van maken of onze erfzonden te boek stellen als een vorm van zelfkastijding, vind ik voor die ene zeldzame keer een pré van onze volksaard.

 

Flagellatie-mail

Column Sportbonden in De Morgen van zaterdag 28 april 2018

Sportbonden

Narinder Dhruv Batra… Excuseer, we herbeginnen: dokter Batra, want dat soort lui laat zich graag aanspreken met nietszeggende dokterstitels zoals destijds atletiekmafioso ‘dottore’ Nebiolo en volleybalpotentaat ‘doctor’ Acosta, heeft onder zijn voeten gekregen van zijn eigen bond.

De Indiase businessman Batra is voorzitter van de FIH, de internationale hockeybond, en hij had gefulmineerd tegen Engeland omdat daar een van zijn Indiase internationals voor ondervraging in een verkrachtingszaak was meegenomen. Batra facebookte daarop: “Fraudeurs die uit India vluchten met hun geld en dat geld in Engeland willen investeren, worden wel met open armen ontvangen.”

Wat het een met het ander te maken heeft, is niet duidelijk, maar de FIH was not amused en zijn eigen raad van bestuur heeft hem ter orde geroepen. Ze gaven hun voorzitter een boete – bedrag niet bekend en te betalen aan liefdadige instelling – en een vermaning. Batra is ook voorzitter van het Indiaas Olympisch Comité en wil kandideren voor de Spelen van 2032.

Het concept sportbond – internationaal, nationaal, regionaal of provinciaal – is ontstaan einde negentiende eeuw: een aantal gelijkgestemden vonden elkaar in hun vrijetijdsbesteding en wilden daar wat structuur aan geven. Sportbonden hebben sindsdien veel manco’s, waarvan één de kroon spant: democratie.

Sportbonden houden te gepasten tijde verkiezingen en het is in de sport een beetje zoals in de politiek: niet talent of kwaliteit geven de doorslag, maar ego en tijd. Kort door de bocht: alleen wie zo gek of ijdel is om zich superranddebiel onder de randdebielen te wanen, zal zich kandidaat stellen.

Dat is een beetje kort door de bocht, want er zijn ook sportbonden – internationaal, nationaal, regionaal of provinciaal – die wel talent aantrekken. De meeste evenwel niet en hoe lager in de sportvoedselketen, des te schaarser het bestuurlijk talent. Van de week bleek dat een op de drie sportbonden in Vlaanderen (sport is regionale materie en via de Vlaamse bonden komt het subsidiegeld binnen) niet voldoet aan niet eens al te strenge normen van goed bestuur die hen door minister Muyters werden opgelegd. Die koppelde daar een miniem deel van de subsidies aan vast en dreigt dat nu af te nemen van de bonden die zijn criteria niet halen.

Het probleem is structureel en begint bij de te smalle basis. Vlaanderen heeft ongeveer 20.000 sportclubs voor 1,5 miljoen aangesloten leden. Nederland heeft er 25.000 voor 5,3 miljoen aangesloten leden. Onze sportclubs zijn geen verenigingen maar losse verbanden van gelijkgestemden overgoten met een vzw-sausje om de aansprakelijkheid te kunnen afwentelen. Wij kennen geen grote verenigingen met veel leden, verschillende sporten en echte bestuurders. Wij kennen geen echt verenigingsleven. Wij houden ook niet van compromissen sluiten en samen naar een gemeenschappelijk doel werken en daardoor houden we onze clubjes liever klein en onder de vertrouwde kerktoren.

In een reactie op de goed bestuur-rapporten van de sportbonden klaagde de voorzitter van de Vlaamse Roeiliga over planlast die Sport Vlaanderen zijn (gesubsidieerd) personeel oplegt. Daar is iets van: elk beleidsplan of elke rapportering gijzelt de bondsadministratie weken aan een stuk en voor de uitprint moet de gemiddelde sportbond een half bos omhakken. En wordt ergens een kind aangerand
– heel erg, daar niet van – dan komen – huppekee – nieuwe maatregelen en moet weer een commissie worden geïnstalleerd, gerapporteerd, geprint.

Klopt allemaal, maar roeien is zo’n archaïsche kleine sportbond. Geen kleinere sport die vaker medaillekandidaten naar de Olympische Spelen stuurt, maar tegelijk een sport die in de negentiende eeuw is blijven hangen. Neem de roeiclubs. Gent heeft rond de klotsbak genaamd Watersportbaan niet minder dan drie roeiclubs die elkaar beconcurreren in de strijd om dat schaars sportief en bestuurlijk talent. Maak daar één grote club van en de kritische ledenmassa vergroot waardoor meer trainers en een parttime manager kunnen worden aangeworven. Sportaanbieders in de eerste lijn moeten ook professionaliseren en zeker in een hele complexe en dure sport als roeien.

Alleen uit sterke structuren zullen sterke bestuurders opstaan, maar nu worden uit die smalle basis van zwakke, kleine clubs provinciale, regionale en nationale besturen gekozen. Bewezen competentie is daarbij zelden de norm. In de wielerbond is de sterkste kandidaat veelal hij (nooit een zij) die naar de meeste koersjes gaat en de meeste pinten betaalt. Zo werd ik in mijn dolende jaren
als algemeen directeur van Wielerbond Vlaanderen achtereenvolgens opgezadeld met een brave gepensioneerde postbode en met iemand die alleen maar zijn plaatselijk West-Vlaams dialect sprak en bij een discussie over de informatica vroeg: “Jomoa minuutze, wadesdadde e databees?”

Sportbonden

Het fietsersleed van De Machteloze Fietser in De Morgen van zaterdag 28 april 2018

FIETSERSLEED

Lang gedacht dat ik getraumatiseerd en daardoor bevooroordeeld was omdat ik twee keer in korte tijd mijn fietsende vrouw moest afhalen in de kliniek. De eerste keer omdat een auto niet oplettend was en haar schepte bij het rechtsomkeer maken. De tweede keer omdat een bestelwagentje op een nat wegdek zijn bocht miste. Motorkap en voorruit zagen eruit als de auto die profrenner Michele Scarponi een jaar geleden doodreed.

Zelf ben ik gespaard gebleven van groot onheil. Op een ongeval met een auto na – het fietspad dat rechtdoor liep telde niet, want Koning Auto wilde inslaan – en een val veroorzaakt door een Range Rover die mij op een smalle bosweg absoluut voorbij wilde en afsneed. Sindsdien haat ik Range Rovers, alle modellen.

Daarnaast talloze keren in de berm gereden, maar recht gebleven, en ook twee keer gevallen door eigen schuld. Tenzij, o ja, die ene keer omdat een vrachtwagen te allen prijze tegen een peloton in wilde blijven rijden en het peloton moest remmen als gek, waardoor we met een paar vielen, onder wie ikzelf. Ik brak mijn nek.

De fietsende burger raakt aan het een en ander gewend en sarcasme maakt zich van hem/haar meester. Toen ik de foto’s zag van de Gentse fietsstraten die in fel rood waren geschilderd, dacht ik: tuurlijk rood, omdat het bloed van de fietsers dan niet te veel opvalt.

Gent is een uitzonderlijke stad, zegt professor Hendrik Vos in deze Zeno (p. 58-61), de fietser is er de norm geworden. O ja? Eergisteren werd in zo’n fietsstraat een fietsster aangereden door een bestelwagen. Hij had het stopteken genegeerd dat daar altijd wordt genegeerd.

Ik ben het echt kotsbeu om telkens weer vast te stellen dat ik keurig de wegcode naleef, zelfs stop als ik voorrang heb (ik ben niet gek), maar dat de ene na de andere auto het op mijn leven heeft gemunt. En ik ben niet alleen. Ik keek rond in de kennissenkring en vond gelijkgestemden: bezitters van één of meerdere auto’s, maar ook van meerdere fietsen, kilometers malend op beide. Allen hebben ze hetzelfde verhaal: waanzin zoals onze overheid iedereen op de fiets wil, maar weigert versneld iets te doen aan de krakkemikkige fietsinfrastructuur en de aanslagplegers op vier of meer wielen niet strenger wil bestraffen.

Hier gaan doden vallen. Excuus, die zijn er al: nergens meer fietsdoden per miljoen inwoners dan in Vlaanderen.

Hans Vandeweghe journalist

DE MACHTELOZE FIETSER

We moeten van de minister met zijn allen op de fiets, maar waar is het versneld beleid gericht op fietsveiligheid, aangepaste infrastructuur en de heropvoeding van de automobilist? ‘Niet óf we worden aangereden is de vraag, maar wanneer.’

We reden van de luchthaven van Eldoret naar Iten. Het was mijn eerste keer in Kenia en ik verbaasde mij over de vele fietsers op krakkemikkige vehikels, made in India. Ze balanceerden op de rand van het asfalt omdat het regenseizoen in de zandberm diepe voren had getrokken en daar viel niet te stappen, laat staan te fietsen.

Telkens als de chauffeur zo’n zwaargeladen fietser zag, stuurde hij vervaarlijk in hun richting. De meeste Kenianen hadden een ingebouwde radar en sprongen op tijd weg, maar na de zoveelste net mislukte aanslag hield ik het niet meer. Of hij godverdomme zelf een metertje kon uitwijken, want er was geen ander verkeer te bekennen. Hij gromde: “No. Asfalt is voor auto’s.”

Het deed denken aan die keer in Texas, toen ik tijdens de Ride for the Roses samen met een lokale wielertoerist het koppeloton met de toen nog dikke vrienden Lance Armstrong, Floyd Landis en Tyler Hamilton moest lossen. De local raadde mij aan om samen het op één na langste parcours te volgen, want de extra lus liep door de countryside en zonder begeleidende auto’s waren twee eenzame fietsers niet veilig. Waarop een uitleg volgde. “Boeren denken dat die kleine wegen van hen zijn en fietsers zijn voor die Republikeinse boeren progressieve onnozelaars uit het liberale Austin.”

Helaas, we hadden ook prijs op het minder lange parcours. Een boer met een pick-uptruck kwam naast ons rijden, draaide zijn raampje open en schreeuwde ons toe: “Get the hell off my road. I pay tax, you don’t.” Ik wilde de discussie aangaan, maar mijn Amerikaanse fietsvriend hield mij tegen. “Ze dragen hier niet alleen wapens, ze gebruiken ze ook.”

Vorig jaar reed ik de toertocht ter ere van Roger De Vlaeminck. Die liep langs zijn oude trainingsparcours waar hij in zijn gloriejaren ging losrijden: door de polders naar Nederland en zo via de kreken terug naar het Meetjesland.

“Schone baantjes daar in Holland”, zei Roger. Schone baantjes, dat wel, en recht en niet zoveel putten, maar niet altijd veiliger. Zeeuwen hebben het niet voor Vlaamse wielertoeristen. Toen een groot peloton een niet eens erg drukke weg overstak, stopten de auto’s. Op één na, en die dwarste tegen alle regels in met een kleine 50 kilometer per uur het peloton, dat gelukkig goed oplette.

Agressie van de automobilist tegenover de fietser die in de weg rijdt, en ergernis van de fietser tegenover de aanslagpleger/ automobilist is van alle windstreken en werelddelen, maar het zogeheten koerswalhalla Vlaanderen is een combinatie van Kenia, Texas en Zeeland. Vier- en tweewielers leveren hier een steeds hardnekkiger gevecht om de schaarse ruimte.

Statussymbool

Elke dag, elke training, elke rit, stad of platteland, is er minimaal één auto die je overhoop had kunnen/willen rijden. Elke fietsrit verder dan de bakker doet zich minstens één situatie voor waarbij je denkt: dit had heel slecht kunnen aflopen. Zelfs die 300 meter naar de bakker, in mijn geval langs een asverschuiving aan een schooltje, zijn tricky. Op zaterdag en zondag is er geen school en dan houden de auto’s zich niet in en willen zij eerst of samen met mij door de versmalde passage slalommen. Check de krantenkoppen: jonge fietser onder vrachtwagen, motorrijder maait gezin van de weg, automobilist rijdt in op groep bejaarde fietsers.

Professor Europese studies Hendrik Vos rijdt 40.000 kilometer per jaar met de auto en 10.000 met de fiets en is een ervaringsdeskundige als geen ander. Zijn analyse is kort en krachtig: “Het is een mentaliteitsprobleem: de automobilist denkt meer rechten te hebben in een auto. Ik rijd heel vaak in de Vaucluse (het Franse departement aan de Ventoux, HV) en daar houdt de lokale bevolking vaak rekening met de fietsers. Zeg er hier iets van als ze je inhalen voor een bocht waardoor ze je afsnijden en je hebt een probleem. Ik schaam er me voor om het te zeggen, maar het gebeurt dat ik dan mijn middelvinger opsteek of eens iets lelijks roep. Vorig jaar ben ik nog in elkaar geslagen door een opgefokte automobilist.”

Nog een fervente fietser/autorijder is Jan Huyse, medeoprichter van Woestijnvis, later baas bij VTM en Eyeworks en nu zelfstandig mediaconsulent. “Koning auto bestaat echt en de king of the road gedraagt zich daarnaar, met dank aan het door bedrijfswagens opgepompte autopark in ons land. De auto is hier nog steeds een statussymbool, de Pinarello Dogma is dat minder. Niet óf we als fietser worden aangereden door een auto is de vraag, maar wanneer.”

Koploper in fietsdoden

In de meest recente studie van de Europese Unie voerde Vlaanderen de lijst aan inzake fietsdoden per miljoen inwoners. Toen de laatst beschikbare Belgische cijfers vorig jaar in juni werden gepresenteerd, toeterde men nog dat het aantal fietsdoden was gedaald naar 71 (cijfer van 2016). Wat men er niet bij vertelde, is dat de fietsdoden tussen 2010 (70) en 2015 (83) met bijna 20 procent waren toegenomen.

Misschien zijn die 71 van 2016 te wijten aan statistisch toeval, want het totale aantal slachtoffers (doden en gewonden) op de fiets stijgt nog steeds: van 7.809 in 2010 tot 9.604 in 2016 (plus 23 procent). De tussentijdse cijfers voor de eerste zes maanden van 2017 wezen op een stijging met nog eens 5,6 procent. Bij de auto’s en de motoren groter dan 400 cc daalde het aantal slachtoffers en het aantal doden tussen 2010 en 2016 telkens met een kwart.

In alle vervoersmodi zijn de doden gedaald, ook bij de voetgangers, maar niet de fietsdoden. Het volledige jaar 2017 wordt pas in juni bekendgemaakt door de dienst statistiek van de federale overheid.

Acht procent van de Europese verkeersdoden is een fietser. In Nederland ligt dit percentage het hoogst: één op de vier verkeersdoden is daar een fietser, in Denemarken is dat één op de zes. Uiteraard is het aantal verongelukte fietsers een afspiegeling van het fietsgebruik in een land. Zowel in Denemarken als Nederland, dé twee fietslanden cum laude, wordt veel meer gefietst dan in België. Onze fietskilometers kennen een relatief groot aandeel recreatief fietsen, terwijl de kilometers in Nederland en Denemarken vooral functioneel zijn, met de nadruk op werkgerelateerd.

Getoeter

De oorzaken voor die dramatische fietscijfers liggen voor de hand. Geert Noels van Econopolis, bezitter van statussymbolen op vier en op twee wielen, maar ook een begenadigd hobbyfietser, wijst op de krakkemikkige wegeninfrastructuur. “Wij schilderen fietspaden op de weg om de auto zijn eigen strook te geven, niet om de fietser te beschermen. Nederland heeft meer gescheiden fietspaden. Die zijn ook niet ideaal voor de snellere fietsers, maar wel een stuk veiliger.”

De wegeninfrastructuur is onlosmakelijk verbonden met de ruimtelijke ordening in dit land, beter gezegd, de ruimtelijke wánordening. In Vlaanderen heerste lang de traditie dat à la tête du client – vaak boeren en grondbezitters – stukken grond her en der konden worden opgewaardeerd, verkaveld en verkocht als bouwgrond. Gevolg: iedereen woont overal en de dorpen zijn vaak geen kernen, maar linten van huizen met in de velden boerderijen die allemaal moeten bediend worden door een geasfalteerde of gebetonneerde weg.

Vlaanderen heeft tweemaal zo veel kruispunten als Nederland. Dat resulteerde in een dicht net van grote, minder grote, middelgrote, kleine en zeer kleine wegen. Vooral die laatste – vaak opgenomen in het netwerk van fietsknooppunten – zouden een paradijs zijn voor de fietser. Dat is een misvatting, want net zoals de lokale boer in Texas meent ook de Vlaming die langs zo’n weggetje woont of werkt dat dit er speciaal voor hem/haar ligt. Inhouden en plaatsmaken als een fietser wordt gekruist, geen sprake van. Begrip voor de fiets die liever wegblijft van de afbrokkelende rand van de weg, vergeet het. Toeteren als er een fietser voorop rijdt, reken maar. Het motto is: ik rijd hier altijd 70 en geen fietser die mij dat zal beletten.

Op de grotere wegen, waar het verkeer – nooit gehinderd door snelheidscontroles – met 90 per uur of harder op een half metertje voorbijraast, zijn vrijliggende fietspaden een uitzondering. Minister van Verkeer Ben Weyts (N-VA) mag dan met veel toeters en bellen enkele kilometers brede fietsostrade inrijden, het blijven druppels op een zeer hete plaat. Op de kleinere wegen worden fietsers en autoverkeer gemixt of hooguit gescheiden door een streepje verf. Een overheid die het fietsen promoot, maar nalaat om de fietser – traag en snel, oud en jong – drastisch te beschermen, jaagt ons de dood in.

Geert Noels: “In Spanje heeft men na een reeks dodelijke ongevallen ingevoerd dat de auto anderhalve meter afstand moet houden van de fietser.” De boete is niet min: minimaal 200 euro. Jan Huyse: “Bij ons is dat één meter, maar ik weet niet of men dat weet en het zou mij verwonderen als daar ooit al eens iemand voor is beboet.”

Passeer je al te dicht in Spanje, dan gaan er ook nog eens vier punten van het rijbewijs af. Ook een rijbewijs met punten hebben we hier nog niet.

Lang leve glad asfalt

Vlaanderen heeft meer fietspaden dan Spanje, maar ze zijn een lachertje: of ze liggen in slechtlopende klinkers, of ze kruisen af- en opritten van woningen, of ze zijn smal en slecht onderhouden. Voor Jan Huyse is de maat al langer vol: “Ik kies er vaak voor om niet op het fietspad te rijden, omdat het onberijdbaar is. Blinde uitritten achter metershoge hagen zijn levensgevaarlijk. Als ik daardoor een boete krijg, dan neem ik die er graag bij. Lijfsbehoud is ook iets waard.”

Hendrik Vos sluit zich daar bij aan: “Als automobilist krijg ik van dat mooie gladde asfalt. Ik heb daar als fietser ook recht op. Ik wil geen betonplaten en zeker geen rode klinkers.”

De fietser wil veiligheid gecombineerd met snelheid en die heeft daar meer recht op dan welke gebruiker van de openbare weg ook, want hij/zij levert de zwaarste arbeid. Recent was er nog een gemediatiseerd incident van een fietser die de kortste en meest veilige weg had genomen waardoor hij geen zes keer een weg moest kruisen, maar slechts twee keer. Hij moest daartoe wel 30 meter op een fietspad in de tegenovergestelde richting en werd beboet.

De fietser in kwestie was de zoon van Johan De Mol, verkeersdeskundige van de UGent. De Mol vocht de boete aan bij de rechtbank. Met succes. Hij werd daarin bijgetreden door andere verkeersdeskundigen. Eén editorialist van een krant las De Mol evenwel de levieten en betichtte hem net niet van het onderuithalen van de rechtsstaat. Nog maar eens een polarisatie in deze maatschappij: fietsers tegenover niet-fietsers.

Zeer zachte weggebruiker

Wie geregeld met een fiets rijdt, herkent die situatie. Soms moet je ter bescherming van lijf en leden tegen het verkeersreglement zondigen. Bijvoorbeeld op rotondes met niet-gescheiden fietsstroken. Fietsers claimen op zo’n rotonde beter hun plaats zoals de auto, om dan vervolgens weer in te voegen op het fietspad of wat daarvoor moet doorgaan. Waarna automobilisten onveranderlijk vol onbegrip toeteren of de voorrang van de fietser op de rotonde negeren, want het is toch maar een fietser en die zal wel inhouden.

Dat is het net: Fietsers Zijn Niet Gevaarlijk, Nooit Gevaarlijk. Fietsers begaan geen levensbedreigende overtredingen en als ze die begaan, is in de eerste plaats het eigen leven in gevaar. Fietsers nemen nooit voorrang, zelfs niet hun voorrang van rechts. Hooguit rijden ze een keer per ongeluk een voetganger aan of is er een fietser die zich vergrijpt aan een automobilist die hem het bloed van onder de nagels heeft gehaald. Dat soort voorvallen, bagatellen vergeleken bij de aanslagen die de auto’s telkens weer plegen, wordt onveranderlijk breed uitgesmeerd onder de noemer ‘wielerterrorisme’.

Geert Noels: “Met het vulgariseren van de term wielerterrorist is veel kwaad gedaan en wordt de agressie tegenover de iets snellere fietser gestimuleerd.”

Jan Huyse: “Dan hoor je: de wielerterroristen rijden met twee naast elkaar. Alsof dat het recht geeft om de auto als een wapen tegen ons in te zetten. Hoeveel doden hebben de wielerterroristen al gemaakt? Nul. Maar o wee als op een jaagpad een fietser een loslopend hondje aanrijdt, de wereld is te klein.”

Hendrik Vos: “Uiteindelijk ben je als fietser machteloos. Je hebt geen enkel wapen, behalve dan je opgestoken middelvinger en dat is belachelijk.”

Zone 30

Fietsers aller landen en aller kunne, verenigt u. Sportief op de weg, recreatief op de jaagpaden of functioneel in de stad fietsen,
het is één strijd, soms zelfs oorlog. Telkens is de beoogde finaliteit: overal brede gescheiden fietspaden en waar fietsen, auto’s, vrachtwagens en bussen door elkaar rijden, moet de fiets de norm zijn. Dat wordt een lange, niet ongevaarlijke machtsstrijd die de fiets nooit door burgerlijke ongehoorzaamheid alleen kan winnen. Begeleidende en afdwingbare maatregelen die de macht van de auto serieus inperken, laten op zich wachten door een verkeersbeleid van pappen, nathouden en pr-matig optreden bij elk nieuw stukje fietspad.

Alles draait om een tipping point, denkt Geert Noels. “Er moeten meer fietsers komen, te beginnen in de steden. In Amsterdam zijn fietsers in de meerderheid; voetgangers en auto’s passen zich aan. De fiets is het ideale vervoermiddel.”

In Gent is die strijd beslecht, zegt Hendrik Vos. “Fietsers hebben in Gent hun plek afgedwongen. In elke straat en om elke hoek kunnen fietsers opduiken en de maximumsnelheid ligt op 30. Maar het probleem buiten de stad blijft even levensgroot: er zijn te weinig goede en brede fietspaden om de fiets aantrekkelijk te maken als veilig dagelijks vervoermiddel.

De Machteloze Fietser

Column Koersen rond de kerk in De Morgen van maandag 23 april 2018

Koersen rond de kerk

Als we nu ook al geen Luxemburgers kunnen bijhouden op de fiets, wordt het dan geen tijd voor collectieve euthanasie van het Belgische (lees Vlaamse plus Gilbert) wielrennen? Dat las ik ergens in een reactie en ik moest erom lachen. Bob Jungels is een Luxemburger die rijdt voor een Belgische ploeg en met Luxemburg hebben wij Belgen een band. Eigenlijk is dat een stuk België, met al die Belgische postbusbedrijfjes en dat Belgische geld dat daar geparkeerd is, maar dat willen ze daar niet geweten hebben.

Ooit was zelfs QuickStep een Luxemburgse ploeg, maar dat wist niemand en dat was ook de bedoeling want dat was fiscaal- en sociaal-technisch opportunisme. Daar is Patrick Lefevere ook behoorlijk voor op de vingers getikt, dat even terzijde.

Nu is QuickStep weer een Belgische ploeg en de beste ploeg van het voorjaar 2018. De semiklassiekers werden namens QuickStep dan weer gewonnen door Niki Terpstra (E3 Harelbeke), Yves Lampaert (Dwars door Vlaanderen) en Julian Alaphilippe (Waalse Pijl).

Ze hebben ook twee monumenten gewonnen met Niki Terpstra – een Nederlander in de Ronde van Vlaanderen, deed dat even pijn zeg – en gisteren in Luik met Bob Jungels, een Luxemburger. Niet treuren, dat is de moderne topsport: FC Barcelona hangt af van een Argentijn, Real Madrid van een Portugees en Man City van een Belg.

Eerste conclusie van het voorjaar 2018: QuickStep is met afstand de beste ploeg.

Tweede conclusie: de doorgebroken talenten Michael Valgren Andersen en Mads Pedersen komen uit een klein wielerland met een traditie van recreatief en werkgerelateerd fietsen, Denemarken. Bob Jungels komt uit een nog kleiner wielerland met meer Porsches dan Specializeds.

Derde conclusie: de Belgen doen mee, zelfs tot diep in de finale, maar winnen is lastig. De Lotto-Soudal-ploeg was oké tot 3 maart. Tim Wellens had al twee keer gewonnen in mindere koersen, maar die dag won Tiesj Benoot de Strade Bianche, een wedstrijd die ook al ooit het epitheton klassieker kreeg, maar dat is een blasfemie. Dat gezegd zijnde, valt op de prestatie van Benoot niks af te dingen. Die jongen is een topper in wording. Wellens is dat trouwens ook. Als je die uit een peloton ziet vertrekken, daar druipt grote klasse van af, maar het blijft om de een of andere reden beperkt tot Brabantse Pijl en aanverwanten.

Het wordt tijd dat we in dit koersland beseffen waar het echt om draait en dat zijn de vijf monumenten. Net als een tennisser niks voorstelt als hij alleen maar in Miami, Monaco of Bercy wint maar nooit eens in Melbourne, Parijs, Londen of New York, zo wordt een wielercarrière niet afgemeten aan een Omloop of Le Samyn maar aan het aantal prijzen in monumenten en in grote rondes.

Over grote rondes zullen we maar zwijgen. Lucien Van Impe in 1976 (Tour), Freddy Maertens in 1977 (Vuelta) en Johan De Muynck in 1978 (Giro) zijn de laatste Belgische winnaars van een grote ronde. Daarna volgt de grote lange leegte. Die werd jarenlang vergoelijkt met de mantra ‘wij zijn een land van eendagswielrenners’ of nog ‘die doping die je nodig hebt om grote rondes te winnen, daar doen wij niet aan’.

Eendagswielrenners zijn we geweest, maar dat zijn we vandaag niet meer. De cijfers liegen niet. In jaren 50, 60 en 70 wonnen we respectievelijk 22, 27 en 34 van de vijftig monumenten die in tien jaar werden gereden. De jaren 70 waren de jaren van een gouden duo en hun supporting cast: Eddy Merckx (19 keer eerste, waarvan 6 in de jaren 60) en Roger De Vlaeminck (11).

De daaropvolgende drie decennia vielen we terug naar 11, 10 en in de jaren 2000 tot 2009 12 overwinningen (de twee van Andrei Tchmil na zijn naturalisatie zijn niet meegerekend). In het tweede decennium van de 20ste eeuw komen we voorlopig aan acht, waarvan er vijf zijn behaald in de wonderjaren 2011 en 2012, toen we dachten dat we erbovenop waren. We stevenen af op een absoluut dieptepunt. Sinds de laatste van Tom Boonen in 2012 (Parijs-Roubaix) is het huilen met de pet op en hebben we nog twee monumenten gewonnen: Philippe Gilbert in de Ronde vorig jaar en Greg Van Avermaet in Roubaix.

Soms was daar wat geluk mee gemoeid, maar de les van die wedstrijden is dat geluk alleen van tel is als je vooraan zit. Precies dat niet te verwaarlozen onderdeel van de kunst van het winnen lijkt tegenwoordig het probleem: als het om de prijzen gaat, rijden er geen Belgen meer vooraan. Gisteren waren tot op een kilometer voor het einde Belgen in zicht, maar toen een paar minuten later de uitslag op het scherm verscheen, waren de eerste tien buitenlanders.

Laat nu net Luik-Bastenaken-Luik dé referentiekoers zijn om uit te maken wie de allrounders met de grote motoren zijn. Dat kan dan conclusie vier zijn: wij hebben derny’s, crossmotoren, maar geen of te weinig motoren met een grote cilinderinhoud. En dat ligt dan weer aan de opleiding, maar dat willen ze in het Vlaanderen van koersen rond de kerktoren niet geweten hebben.

 

Koersen rond de kerk

Verhaal en column over Lance Armstrong in De Morgen van zaterdag 21 april 2018

‘Ik kan nu verder met mijn leven’

Stel dat de rechter had aanvaard dat hij via doping onrechtmatig aan staatssponsoring van US Postal was geraakt, dan riskeerde hij een claim van 100 miljoen dollar (81,5 miljoen euro). Een week voor de eerste debatten vond Lance Armstrong een vergelijk voor 4,3 miljoen euro.

Zijn Twitter-account gisterennamiddag, Texas time, loog er niet om: een dikke zwarte pijl rechtdoor met halfweg een bocht en één woord: FORWARD. Iets later volgde een verklaring: “Ik ben blij dat deze zaak achter de rug is en dat ik verder kan met mijn leven. Ik kijk ernaar uit om mij te wijden aan wie en wat belangrijk is in mijn leven: mijn vijf kinderen, mijn vrouw, mijn podcast, verschillende plezante schrijf- en filmprojecten, mijn werk als kankeroverlever en mijn passie voor sport en competitie.” En het geld dat hij al had opzijgezet in stichtingen en andere pensioenvoorzieningen.

Het was een flink zwaard van Damocles dat boven zijn hoofd hing te bengelen, nadat zijn twee meest recente juridische acties op niets waren uitgelopen. Lance Armstrong (46) had eind vorig jaar geëist dat bepaalde getuigenissen – onder meer van Betsy Andreu maar ook van Nike – zouden worden verworpen omwille van niet-relevant. De rechter ging daar niet in mee en Betsy, de vrouw van ex- ploegmaat Frankie Andreu die hem tijdens zijn kankerbehandeling in het ziekenhuis zijn doping had horen opnoemen, maakte zich als notoire tafelspringster in deze zaak klaar om haar Nemesis definitief ten gronde te richten. “Lance zou beter settelen”, zei ze. Wat hij ook deed.

Meteen wordt duidelijk wat die privézaak inhield, toen Armstrong begin deze maand in laatste instantie afzegde om bij de Ronde van Vlaanderen als eregast op te treden. Ondoordachte acties zoals een rocksterverschijning in wielergek Vlaanderen spoorden niet met een delicate oefening zoals het vinden van een vergelijk. Dat is er nu.

Van Synacthen tot Oprah

Wie naast US Postal beter wordt van de hele affaire, is Floyd Landis. Als klokkenluider krijgt hij zijn juridische kosten terugbetaald ten belope van 1,33 miljoen euro en nog eens 900.000 euro van het bedrag dat naar US Postal gaat. Dat kan hij investeren in zijn pas opgerichte zaak, een handel in cannabis (geen grap).

Het grote Armstrong-proces dat nooit zal plaatsvinden – “dit is het definitieve einde van alle fall-out ten gevolge van de bekentenissen van mijn cliënt”, aldus de advocaat – is ingewikkelder dan de zaak-Armstrong zelf. Die laatste komt simpelweg neer op toegegeven dopinggebruik, twintig jaar na zijn eerste ‘misstap’ in 1993. Armstrong herinnert zich dat hij dat jaar (hij werd toen wereldkampioen) is begonnen met Synacthen (ACTH, het voorloperhormoon van cortisone) en dat hij daarna overging naar epo en testosteron. Vervolgens kreeg hij de diagnose uitgezaaide teelbalkanker, verdween anderhalf jaar van het toneel, kwam terug en won in 1999 de Tour de France. Hij zou dat nog eens zes jaar op rij herhalen.

Inmiddels was in 2004 voor het eerst een boek verschenen, dat hem beschuldigde van dopinggebruik. In L.A. Confidentiel van Pierre Ballester en David Walsh zat geen smoking gun, maar genoeg randinformatie en indirect bewijs om te kunnen concluderen dat Armstrong zoals veel van zijn concurrenten eerst op epo en later op bloedtransfusies had gereden. In 2005 stopte Armstrong, maar keerde in 2009 terug in het peloton – zonder succes – om begin 2011 definitief te stoppen en zich – wel met succes want hij won er twee – aan zijn eerste sport triatlon te wijden.

In augustus 2012 kwam het Amerikaans antidopingagentschap Usada met zijn reasoned decision of gemotiveerde beslissing, waarin nog meer indirect bewijs voor dopinggebruik stond. Wel nog steeds geen enkele positieve plas, waardoor de believers in Armstrong bleven geloven, tot hijzelf op 17 en 18 januari 2013 bij Oprah Winfrey toegaf doping te hebben gebruikt en niet eenmalig.

Amerikaanse burgeroorlog

In juni 2010 was er al een juridische daad gesteld, die pas in januari 2013 – wellicht niet toevallig enkele dagen voor de Oprah- bekentenissen – werd gelekt. Floyd Landis had klacht ingediend onder de zogeheten False Claims Act. Dat is een bepaling die dateert uit de Amerikaanse burgeroorlog en die klokkenluiders aanzet om te getuigen over praktijken die de Amerikaanse staat zouden benadelen.

In dit geval was de stelling van Landis dat Armstrong en drie van zijn kompanen, onder wie Johan Bruyneel, frauduleus hadden gehandeld tegen overheidsbedrijf US Postal en daardoor onrechtmatig overheidsgeld hadden verkregen in de vorm van sponsoring. De move van Landis had pas iets te betekenen als de Amerikaanse overheid mee naar het gerecht zou stappen. Net voor de deadline besloot die alsnog samen met Landis in zee te gaan. Landis rekende zich wellicht al rijk want zo’n case wordt behandeld volgens het qui tam-principe. In de praktijk wordt dan een percentage van de opbrengst van de zaak voorbehouden aan de klokkenluider.

Dat laatste zette heel wat kwaad bloed bij de clan-Armstrong en in de wielerwereld in het algemeen. Ten eerste was Landis na de gewonnen Tour 2006, die hem werd afgenomen voor een positieve urinetest op testosteron, zélf een dopingzondaar. Bovendien had hij jarenlang meegedraaid in het systeem-Armstrong. Maar de timing was ook verdacht. In 2009 had Landis gevraagd aan Bruyneel en Armstrong of er nog een plaatsje vrij was in hun ploeg. Hij ving bot en daarna kwam de klacht.

Of Lance Armstrong die 4,3 miljoen euro makkelijk kan ophoesten, mag toch worden betwijfeld. Onlangs nog stelde hij zijn huis te koop en zakte twee keer in vraagprijs, alsof hij er absoluut vanaf wilde. Wellicht had dat te maken met deze zaak.

 

COLUMNLance Armstrong, the finale

Lance en O.J.

Lance Armstrong betaalt 4,3 miljoen euro en nog wat kleingeld aan Floyd Landis en enkele anderen en kan verder met zijn leven. Daarmee is niet alles gezegd en geschreven en lang niet alles achter de rug. Op wie zouden Armstrong en Johan Bruyneel nu nog kwaad zijn? Ik denk op Greg LeMond (de hypocriet), ook een beetje op Betsy Andreu (de bitch), maar toch vooral op die Floyd Landis (de verrader).

Het is natuurlijk wat, verraden worden door een ex-ploegmaat die zelf mee heeft geprofiteerd van het systeem. Of is dat een te simpele voorstelling van zaken? Is de arme mennoniet Landis, die al revolteerde tegen zijn ouders die vooruitgang als de rechte weg naar de hel zagen, de fiets als een vervoermiddel en sport als heidens, misleid door die duivelse Armstrong en zijn grand wizard Bruyneel?

Wellicht niet, want nadat Armstrong en Bruyneel uit zijn leven waren verdwenen, reed hij bij Phonak tegen de dopinglamp. Dat is de Tour van 2006, die ik heb gevolgd, en ik heb Andy Rihs (de man overleed woensdagavond) dan ontmoet, in zak en as. En Landis ook, helemaal van slag. Overigens is van Landis altijd beweerd dat een van de bloedzakken bij dokter Fuentes van hem was, maar dat is nooit hard gemaakt.

Neen, van Landis moeten we geen heilig boontje maken. Wellicht dat de Amerikanen heel blij zijn met zo’n juridische bepaling dat klokkenluiders of verraders een deel van de opbrengst kunnen claimen, maar de Amerikanen zijn ook blij met Trump, dus dat is geen argument.

Het zou Floyd Landis sieren als hij de opbrengst van deze hoogst verwerpelijke actie zou doneren aan een goed doel. Vooral niet investeren in Floyd’s of Leadville, zijn shop die draait op de verkoop van cannabisolie. Maakt niet uit dat het legaal spul is zonder de THC, het blijft als een tang op een varken staan.

Armstrong kan verder met zijn leven. Is dat zo? Is het een mooi leven? En hoe zit dat met Bruyneel, die onlangs in een krant stond en er erg goed uitzag, maar net iets minder vrolijke teksten had. Huwelijk gestrand, geen inkomen, maar wel (gelukkig) nog steeds Johan Bruyneel: erudiet, sarcastisch af en toe en een analytische geest als geen ander. Jammer dat die uit de koers weg is.

Ik weet welke rare bokkensprongen de clan-Armstrong nog op het laatst heeft uitgehaald om de schuld in de schoenen van anderen te schuiven, onder meer in die van de stervende Hein Verbruggen (voormalig UCI-voorzitter). Niet netjes, niet sportief, maar een kat in het nauw maakt rare sprongen.

Medelijden met Armstrong ook een beetje? Oké, maar dan een heel klein beetje, en dan vooral omdat ze hem zijn zeven Tour- overwinningen hebben afgepakt. Zonde voor dat palmares, maar het probleem daarmee is dan weer zijn eigen toegeving dat hij zonder doping wellicht geen zeven op rij had gewonnen. Welke moet je dan gaan doorstrepen? Anderzijds is het een verkeerde voorstelling van zaken dat Armstrong géén superkampioen was zonder doping.

Armstrong heeft ook na zijn tweede wielercarrière bewezen dat hij een superatleet was door in 2012 twee respectabele halve triatlons uit het Ironman-circuit te winnen, naast een tweede, een derde en een zevende plek.

Laat dat even doordringen: een sport doen, daar het grootste Amerikaanse talent ooit in zijn, vervolgens een andere sport doen en daar wereldkampioen in worden en en passant zeven Tours winnen, en daarna terugkeren naar die eerste sport en de wereldtop de hielen laten zien. Op zijn veertigste. Het is jammer dat we hem hebben moeten verbranden als de grote dopingheks, want deze prestatie blijft er een uit het miljard.

Daarna werd hij, nog voor de Ironman in Nice en Hawaï, uit competitie genomen, een voorafname op met wat het Amerikaans antidopingagentschap zou komen in augustus van dat jaar. Het is vandaag niet duidelijk wat hij nog mag en niet mag in de sport. Ook niet wat hij nog wil. Hij wordt in september 47 en zou nog als age grouper furore kunnen maken, maar zijn competitieve dagen zijn voorbij, zegde hijzelf.

Bloomberg schatte ooit zijn verzamelde verdiensten op 218 miljoen dollar, een kleine 200 miljoen euro. Wie daar verstandig mee omgaat, kan daar een tijd mee weg. Volgens een Amerikaanse private banker is Armstrong safe. Hij zou al snel bij de eerste tekenen van onraad zijn vermogen hebben ondergebracht in fondsen voor zijn kinderen en in pensioenfondsen voor hemzelf. Het is dezelfde truc die O.J. Simpson heeft toegepast. Twee grote kampioenen, met goeie fiscale adviseurs, maar verder gaat de vergelijking niet op.