Column Groen voetbal in De Morgen van vrijdag 30 april 2021

Groen voetbal

Deloitte is een grote speler in de voetbalbusiness, een ferme boîte zoals dat dan heet, waarnaar wordt geluisterd als die iets melden. Elk jaar in januari publiceren ze hun Rich List. Dat is een foute benaming want de twintig clubs die ze in kaart brengen zijn niet de rijkste clubs, maar de clubs met de meeste omzet. Zoals bekend maken de clubs met de grootste omzetten vaak de grootste verliezen, Bayern München is daar een uitzondering op.

Elke zomer krijgen we dan van Deloitte Sports Business Group de Annual Review of Football Finance, waarin ze haarfijn uit de doeken doen waarom voetbal de meest volatiele, amorele, immorele en slechtst geleide sportbusiness is van de hele planeet. Als je die Review volledig wil, met de details van de cijfers, moet je het rapport wel kopen en dat kost meer dan duizend pond. In het voetbal krijg je niks voor niks, alles moet opbrengen.

Deloitte UK houdt zich daar mee bezig. Het is vakmanschap, zonder meer. Ze brengen wel meer rapporten uit, bijvoorbeeld over rugby of cricket, maar gisteren mailden ze iets totaal nieuws en we kregen het zowaar gratis. Niet alleen daarom dacht ik meteen aan fake news. Het leek wel een grap van Greenpeace of van de Bond Beter Leefmilieu die het voetbal hadden gekaapt.

‘A sporting chance’, was de titel. Een opportuniteit voor de sport. ‘The role of sport in mitigating climate change.’ De rol die sport kan spelen in het ‘verzachten’ van de klimaatverandering.

Ik weet niet wat ze daar hebben gegeten in de Sports Business Group in Manchester en/of Londen, of door wie ze zijn geïnfiltreerd, maar de taal in de inleiding getuigde van een nooit gezien activisme grenzend aan idealisme.

Leest u mee: (…) In het voorbije jaar hebben we sport positief zien bijdragen aan de campagne voor raciale gelijkheid en gerechtigheid, in het bijzonder de steun aan de Black Lives Matter-beweging. Sport heeft ook bijgedragen aan de strijd tegen Covid-19 door stadions in te zetten als hospitalen en testcentra. Daarom zeggen we dat sport nu de kans heeft om dezelfde rol op te nemen in de strijd tegen de klimaatverandering. (…)

En het gaat maar door. Naarmate de fans groener worden, zal ook de sport groener moeten worden, de stakeholders verwachten dat.

O ja? Ten eerste hangt aan dat Black Lives Matter-gedoe in het voetbal een opgeklopt sfeertje dat eerder te maken heeft met ‘kijk ons eens stoer doen’, dan met de overtuiging dat racisme de wereld uit moet. En dan die stakeholders die verwachten dat het voetbal groener wordt. Tuurlijk niet. Zal ik u zeggen wat die verwachten? Dat de ploeg waar ze hun geld in stoppen, wint, by all means necessary. Zal ik u zeggen wat de fans verwachten? Dat hun ploeg waar ze hun bruto familiaal geluk aan ontlenen, wint, en alle middelen om te winnen zijn daarbij goed. Betekent dat die ene hele goeie van de anderen onder de groene zoden stoppen, jammer maar helaas, nood breekt wet.

Zal ik u zeggen wat de sponsors van de komende World Cup in Qatar verwachten als het daar 40 graden is terwijl ze naar het voetbal zitten te kijken? Dat ze in hun open stadion toch een beetje afkoeling vinden in de airco die daar rondblaast. Zal ik u zeggen wat die voetbalsponsors in de eretribune ook nog willen? Dat hun ploeg wint, dat ze lekker eten krijgen, en dat ze in de tribune droog zitten en als het even kan hun jasje kunnen uitdoen om van de weldoende warmte van de straallampen te kunnen genieten.

Zal ik u zeggen wat die milieubewuste woke spelers willen van hun veld? Dat het gras groener is dan elders, korter gemaaid, snellere ballen toelaat en dat het een heel jaar lang blijft groeien. Ga maar eens in een doorsnee eersteklassestadion kijken door de week en verbaas u over de lampen die op het gras staan. Dat gras denkt dat de zon schijnt en besluit te groeien, zo gaat dat met gras. Alleen komt het zonlicht uit het stopcontact, opgewekt door elektriciteit. Die mag dan nog groen zijn zoals ze in sneltempo zonnepanelen op de stadions leggen, een voetbalwedstrijd blijft een gigantische energieverspilling. De ecologische voetafdruk van de voetbalindustrie is niet te overzien.

Ik snap Deloitte wel. Ze hebben een nieuwe divisie ‘duurzaamheid en klimaatverandering’ opgericht en die wordt geleid door – nomen est omen – Katherine Lampen. Ik wens hen veel succes, maar van een business die draait om mensenhandel, die van de overheden steunmaatregelen eist, om rijk nog rijker te maken, moet je geen burgerzin verwachten. De enige taal die voetbalclubs en hun eigenaars, bestuurders en managers begrijpen is als we hen de arm omwringen en verplichten te vergroenen.

Verhaal met Peter Verbeke van RSC Anderlecht in De Morgen van vrijdag 30 april 2021

Kringloopwinkel RSC Anderlecht

De beste spelers worden sneller verkocht dan ooit en de nieuwe spelers waren nooit goedkoper. Occasie van de week van RSC Anderlecht was Lior Refaelov, een 35-jarige. Tekst en uitleg van sportief directeur Peter Verbeke bij het paars-witte schaarstemodel.

Een halve eeuw geleden scheerde Anderlecht hoge Europese toppen met de Nederlanders Robbie Rensenbrink en Arie Haan, onbetwiste internationals van het kleinste grote voetballand ter wereld en twee keer World Cup-finalist. Vanaf de jaren tachtig trok dat kaliber wereldtoppers liever naar Italië of Spanje. Nog later naar Engeland en Duitsland.

Anderlecht concentreerde zich dan maar op de potentiële toppers bij andere Belgische clubs en haalde daar alles weg dat ook maar enigszins kon voetballen. Dat duurde tot begin deze eeuw. De vermolming van de Villa des Mauves was haast ongemerkt begonnen, en eerst aan de kop. Af en toe werd nog wel eens voor veel geld een topper de deur uitgedaan, maar de kostenstructuur overtrof al snel de inkomsten: Anderlecht werd een handelshuis dat de tering niet naar de nering had staan.

Toen miljardair Marc Coucke in 2017 verrassend de zaak mocht overnemen, trof hij een paar kasten met lijken aan, maar ging toch door op de oude manier. Dure spelers kwamen, kregen hoge contracten en mislukten. De put werd nog dieper. Coucke haalde ten einde raad een andere voorzitter, Wouter Vandenhaute, en – om een lang verhaal kort te maken – die haalde op zijn beurt Peter Verbeke en maakte hem sportief directeur.

Verbeke brak destijds een beginnende trainerscarrière en een wenkend doctoraat af toen hij door Club Brugge werd gevraagd om de scoutingcel te leiden. Dat deed hij vijf jaar, tot KAA Gent met een project kwam om hem in de opvolging van Michel Louwagie in te schakelen. Na anderhalf jaar in de Gentse schaduw haalde Vandenhaute hem naar Anderlecht.

Het is de donderdagochtend na de kwalificatie van Anderlecht voor play-off 1 als Verbeke tijd vrijmaakt op het trainingscentrum in Neerpede voor een babbel over zijn moeilijke, bijna onmogelijke job: goede en goedkope spelers vinden voor een veeleisende trainer met een technisch-tactisch hoogstaand project. Dit moet het eerste interview ooit zijn op een voetbalclub waarbij de geïnterviewde een presentatie heeft voorbereid met antwoorden op vragen die hij ook zelf stelt.

Peter Verbeke: “De eerste stap is de eigen kern analyseren. Hoe staan onze spelers ervoor: technisch, tactisch, maar ook fysiek, medisch en qua mentaliteit? Vervolgens maken we een profielschets van de speler die we willen: per positie beschrijven we zo gedetailleerd mogelijk waar we naar op zoek zijn.

“Tweede stap: de zoektocht begint. Stel nu dat Sambi Lokonga vertrekt en je hebt een opvolger nodig. De Premier League, de Serie A, La Liga, de Bundesliga zijn in principe voor ons onhaalbaar. In principe, want je hebt altijd spelers die daar op een zijspoor zitten en die zich opnieuw willen uitvinden. Dus kan je die opvolger over de hele wereld vinden, van Bogota tot Parijs. Daarvoor bestaat gespecialiseerde software.”

De gegevens uit Parijs zijn betrouwbaarder en completer dan die uit Bogota, toch?

“Niet noodzakelijk. De laatste vijf jaar is de markt van data- en scoutinggegevens ontploft. Wij halen data binnen van InStat en van Wyscout. De hele grote clubs sturen nog altijd hun scouts de hele wereld rond om zoveel mogelijk wedstrijden te bekijken, maar dat zijn uitzonderingen. Zij rekruteren ook alleen in de grote markten. Als wij scouts moeten uitsturen, zouden dat er honderd zijn, en we zijn maar met zeven.

“Wij moeten elke markt die interessant is voor ons filteren. Dan stel ik aan Laurenz Van Looveren en Dries Belaen, die onze scoutingcel coördineren, de vraag: wie in (noemt een land) zou de opvolger van Sambi Lokonga kunnen zijn? Via een eigen ontwikkeld algoritme krijgen we zo een aantal namen met een score. Ziehier de central midfielders in dat land…”

De speler die op één staat, is dat de topprospect?

“Neen, want die staat maar met vijf wedstrijden in de statistiek, dus dat kan toeval zijn. De tweede heeft er achttien, dat is al beter, en er staan er ook in de lijst met veel meer wedstrijden. Met de nummer drie spreken we momenteel. Je mag zijn naam niet noemen.”

Hoe weet u of hij in het systeem-Kompany past?

“Dat is inderdaad de volgende stap. Onze performancedata slaan op het technisch-tactische: hoeveel gelukte passes, hoeveel steals, hoeveel passes vooruit met enig risico? Het beste voorbeeld is Kevin De Bruyne. Die haalt nooit 90 procent gelukte passes, omdat veel ballen van De Bruyne met risico zijn getrapt. Die leiden wel vaak tot een doelpunt.”

Waar let u op bij een spits?

(Er verschijnt een XY-grafiek met alle spitsen van de Belgische competitie.)”Expected goals in combinatie met created chances. Met die twee parameters kun je goede spitsen van de minder goede onderscheiden. Naar de spelers in het vakje rechtsboven zijn wij op zoek. Dat is onze buy box. Wie zit daarin? De usual suspects in onze competitie: Sakala, Jaremtsjoek, Dost, Nmecha en Onuachu.

“Daarnaast gebruiken we nog een dataprogramma: SciSkill. Dat kijkt niet naar performancedata, maar vooral naar het cv van een speler. Een speler van zeventien jaar die dertig wedstrijden speelt bij Anderlecht, wordt vergeleken met anderen die dat hebben gepresteerd. Op basis daarvan gebeurt een voorspelling voor de carrière van die speler.”

Wat met de fysieke parameters?

“Dat is de volgende stap in het proces, de fysieke screening. De lijst van negentig spelers die wij dankzij Laurenz en zijn collega’s op onze radar krijgen, zijn potentieel interessant voor de vervanging van Sambi Lokonga. Of die data betrouwbaar zijn? Ik dacht het wel: het is bovendien een business die zichzelf continu verbetert.”

De vervanger van Lokonga moet hetzelfde risico in zijn spel durven te leggen en vooruit voetballen.

“Inderdaad, en daarvoor hebben we dan Wyscout. Als Vincent het belangrijk vindt dat zijn speler op die positie veel thru-passes kan geven (gedurfde passes naar voren die een aantal spelers uitschakelen, HV), dan kunnen wij die opvragen via de Wyscout-videotool. Twee mensen in onze organisatie zullen die lijst van negentig door een eerste videofilter gooien. Wij krijgen dan een serie beelden van acties van die speler na elkaar. Met dit programma kun je iemand van naaldje tot draadje analyseren. Onze lijst van negentig wordt zo herleid tot 45, en dan wordt het al interessanter.

“Vervolgens begint mijn job. We schrappen de spelers die we financieel nooit kunnen halen. Voor marktwaarde is Transfermarkt bijvoorbeeld een goede indicator, en meestal zijn ze in het echt nog iets duurder. Als de scouts zeggen dat ze een goede speler hebben gevonden van Basel, Kopenhagen of Young Boys Bern, met bovendien nog een lang contract, haak ik af: dat is in de huidige omstandigheden met onze financiële beperkingen niet de markt voor Anderlecht.

“Zo hou je er nog 25 over en gaan we weer videoscouten, maar in de diepte. Drie spelers per dag voor elk van de vier videoscouts worden zo intensief bekeken. Dat levert twaalf rapporten per dag op, en een antwoord op de vraag ‘kan die speler Lokonga vervangen?’.

U hebt de reputatie veel uit video en data te willen halen.

“Dat klopt, maar livescouting – een speler daadwerkelijk zien bewegen over het veld, zien spelen in een ploeg, voor een ploeg, hem observeren – is nog steeds het allerbelangrijkste. Zeker als je een grote investering doet, moet je de speler een paar keer live kunnen zien. Wat dan weer erg lastig is in tijden van corona.

“Om inlichtingen in te winnen over hoe een speler functioneert, kun je ook mensen bellen. Daarvoor doe je een beroep op je netwerk. Spelers, makelaars, trainers, clubbestuurders die de mentaliteit van de speler kunnen typeren. Het is goed te horen als een speler die wij op het oog hebben mentaal sterk blijkt, een winner, iemand die er altijd voor gaat.”

Dan weet u nog altijd niet welke motor er onder de kap zit.

“Precies, de maximale zuurstofopname is uiteindelijk de holy grail en die data zijn niet beschikbaar. Via de Pro League hebben we wel een deal met nog een ander databedrijf, Stats, en die leveren data over fysieke prestaties zoals sprinten met hoge intensiteit, aantal afgelegde kilometers per wedstrijd en dergelijke meer.

“Wat Lior Refaelov betreft, hebben wij eerst onderzocht of hij meekon in het spel van Anderlecht als tweede spits of als pocketspeler. Onze normen zijn anders op die positie dan die van Antwerp. Dat bleek oké, dus hebben we hem een contractvoorstel gedaan. De fysieke data van Dieumerci Mbokani, die heel weinig loopt, zouden dan weer moeilijker te verzoenen zijn met onze benchmarks.”

Inspanningstesten lijken onvermijdelijk voor spelers die men niet goed kent.

“Uiteraard. Sinds ik hier ben, test Anderlecht uitgebreider dan ooit. Ik keur makkelijk iemand af op basis van fysieke testen. Vervelend soms, want die speler is hier dan en denkt dat hij een contract kan tekenen, zoals laatst een achttienjarige buitenlander. Maar met een VO2 max van 42 ben je niks in het voetbal van vandaag, hoe goed hij misschien ook kan voetballen. Hij kon eveneens naar Franse topclubs, maar als hij daar wordt getest, zullen die hetzelfde concluderen. Tenzij de makelaar de technisch of sportief directeur omkoopt, want dat gebeurt ook.

“Wij hebben een deal met het UZ in Gent, waar ze een heel grote database ter beschikking hebben om te vergelijken met andere spelers. Biomechanisch, coördinatorisch, de speler wordt van onder tot boven ontleed, vooral om te zien waar de werkpunten liggen. Hier op Neerpede leggen we de speler ook onder de scanner om het vetgehalte te bepalen, en mag hij op bezoek bij onze sportpsycholoog.”

Komt het door die financiële beperkingen dat Anderlecht zo rigoureus scout?

“Ook. Maar alle clubs hebben daar baat bij. Als je een goedkoop talent vindt en je verkoopt dat door met een meerwaarde van 5 miljoen euro, dan is onze hele scoutingcel van zeven man voor een aantal jaren gefinancierd.

“De vraag is natuurlijk of je nog dat ene grote talent vindt, zoals Gent het geluk had om Jonathan David een contract te geven en hem enkele jaren later voor 30 miljoen te verkopen. Het ongekende potentieel is vaak al gekend. Wat wij doen, doen veel andere clubs. We vissen allemaal in dezelfde vijver.

“Vijf jaar geleden vond Club Brugge Dennis in Oekraïne en Diatta in Noorwegen, en niemand had van die gasten gehoord. Vandaag is dat onmogelijk, precies door die dataprogramma’s. Je moet nu heel snel zijn en je moet goede scouts hebben, alleen al om de prijsstijgingen voor te zijn.

“Ik heb de gemiddelde uitgaven over de laatste drie seizoen voor België in kaart gebracht: Genk gaf bijna 29 miljoen euro uit, Club 21 miljoen, Anderlecht 19 miljoen, het oude Anderlecht welteverstaan. Het voorbije seizoen heeft Anderlecht negen spelers gehaald voor 4,5 miljoen, het negende transferbudget in België.

“Toptalenten zijn ook voor België ontzettend duur geworden, en dat hebben we onszelf aangedaan. Scandinavië was lang een interessante markt voor België, met goede spelers voor 1 tot 2 miljoen. De gamechanger was toen Anderlecht 8 miljoen betaalde voor Bubacarr Sanneh, een centrale verdediger die bij ons niet is geslaagd, en Ajax een paar jonge talenten bij de U19 ging halen voor 7 miljoen. Zo, dachten die clubs, dat kan dus duurder.”

Waar zijn nog koopjes te vinden?

“Afrika is nog een beetje een blinde vlek. Daarvoor heb je scouts ter plekke nodig om wedstrijden te gaan bekijken. Die Congolezen die bij Standard spelen en van TP Mazembe uit Lubumbashi komen, dat zijn talenten en zo zijn er nog, daar ben ik zeker van. Japan is ook nog interessant. De meeste spelers die van daar komen, slagen. In Zuid-Amerika zijn geen koopjes meer te doen, de inflatie heeft daar toegeslagen. Naast scouts in Afrika zou ik nog één scout fulltime in de banlieues van Parijs laten rondlopen. Nergens ter wereld is meer talent op een kleinere oppervlakte te vinden.

“Makelaars? Ik zeg altijd: als een makelaar ons een talent voorstelt en wij kennen die speler niet, dan hebben wij gefaald. Maar sommige makelaars hebben zoveel kennis van hun specifieke markt – zoals Sergei Serebrennikov in Oekraïne – dat hij een zeventienjarig talent kan aanbrengen nog voor de dataprogramma’s die hebben opgemerkt. Ik krijg wel honderd aanbiedingen voor spelers per dag in mijn mailbox, ik weet bij welke makelaar het de moeite loont om er even dieper op in te gaan.”

De kapitaalverhoging bij Anderlecht is eindelijk aanvaard, maar dat betekent niet dat u nu ineens veel meer kan uitgeven.

“Neen en dat wil ik ook niet. Voorgangers van mij hebben hier heel veel geld mogen uitgeven aan spelers die niet spelen maar nog steeds eigendom zijn van Anderlecht. Die schaarste inspireert ons om beter te doen dan de concurrentie, maar ik heb Marc Coucke wel gezegd dat het langer dan vijf jaar zal duren om de kloof met Club te dichten als we elk jaar beperkt zijn tot 5 miljoen.

“Als Anderlecht weer aan de top komt, zal dat in de eerste plaats te danken zijn aan de Academy op Neerpede. Wat hier rondloopt aan talent, is ongezien. Brussel en omgeving, dat zijn de Parijse banlieues in het klein. Vincent gaat nu weer vier jonge gasten met de A- kern laten meetrainen. We hebben al zoveel jeugd in de ploeg met Sambi Lokonga, Killian Sardella, Francis Amuzu, Anouar El Hadj. En dan heb je Kristian Arnstad, Mario Stroeykens, Zeno Debast en Bart Verbruggen die er nog aan komen.

“Naast opleiden moeten we erg slim scouten. We hebben met ons datasysteem Josh Cullen, Lukas Nmecha, Amir Murillo, Bogdan Mykhaylichenko en Matt Miazga gehaald en die blijken succesvol. Er waren twijfels of Nmecha wel voldoende scorend vermogen zou hebben, maar op basis van de data hebben we de trainersstaf ervan kunnen overtuigen dat hij kon ontploffen, en dat is gebleken.

“Dat is dan ook Kompany: een geschenk voor de scouting. Helemaal anders dan de trainers die ik eerder meemaakte. Vincent loopt om de haverklap binnen bij de scoutingcel. ‘Toon eens, gasten, wie en wat jullie hebben gevonden?’ Die is echt bezeten en hij is nog eens een open boek ook. Bij de tactische besprekingen met de ploeg vraagt hij de scouts erbij, zodat ze weten wat hij van elke speler verlangt en ze nog gerichter kunnen zoeken.”

Column in De Morgen van maandag 26 april 2021

SEXPLOITATIE

Simone Biles heeft laten uitschijnen dat Tokio 2021 wel eens niét haar laatste Olympische Spelen zouden kunnen zijn. Biles is niet de eerste de beste. Ze is de allerallerbeste allroundgymnaste ooit, en dat uitgerekend zij overweegt om voor een derde deelname aan de Olympische Spelen te gaan, is een opsteker voor een sport die de gewoonte heeft om elke vier jaar van kindsterren te wisselen.

Biles zal 27 zijn als ze in Parijs aan haar grondoefening begint en als ze dan nog allround zou turnen, zou dat even straf zijn als de vier Olympische Spelen van Michael Phelps. Is het dan gedaan met de kindsterren in de gymnastiek? Welneen, er zullen altijd trainers zijn die lichter en jonger en kneedbaarder verkiezen boven volwassen springveertjes als Biles of elegante langpootmuggen als Nina Derwael. Het geeft wel aan dat een verhoging van de minimumleeftijd naar achttien jaar niet noodzakelijk leidt tot sportieve devaluatie.

Er is nog wat dat aan die sport mag veranderen en neen, het gaat niet over de psychische terreur. De Duitse Sarah Voss gaf bij het begin van de competitie het voorbeeld: in de kwalificaties sprong ze in een bodysuit. Prompt leidde dat tot een waterval van tweets, in gang gezet door een Amerikaanse journaliste die ook voor Team USA werkt. Meer van dat, was de teneur.

Zo’n bodysuit heten ze in de gymnastiek ook wel eens een unitard en die naam komt dan weer uit het ballet, waar ze (de mannen
dan vooral) al eeuwen in een spannend eendelig pak dansen. In de gymnastiek is dat nog niet ingeburgerd, maar wel wenselijk, als
je de reacties een beetje mag geloven. Overigens is de unitard dan weer afgeleid van het woord leotard, dat staat voor het klassieke gympakje. Die leotard is genoemd naar de acrobaat Philippe Léotard die het pak zelf gebruikte voor zijn optredens, met dien verstande dat de mannenversie korte pijpen heeft. De leotard van de vrouwen is aan de billen diep uitgesneden en hoe dieper, hoe beter.

U weet vast waar ik naar toe wil: een close-up van een vrouwelijke gymnaste die met open benen aan de brug naar de camera toezwaait, is gênant voor de gymnaste. Er zijn lui die zulke foto’s uitknippen en verzamelen, maar dan om de verkeerde reden. Ik herinner mij ooit een verhaal dat ik zelf schreef over de trainer van Aagje Vanwalleghem die in een besloten vergadering, waarvan de notulen mij waren doorgespeeld, had geroepen dat zijn meisjes niet mochten menstrueren.

Dat werd door de fotoredactie van deze krant een beetje ongelukkig geïllustreerd door een plaat van Aagje die met opengespreide benen naar de lens kwam toezwaaien. Waarop Aagje kwaad werd. Terecht. Oké, door sommige bodysuits van de mannen priemt ook wel eens een bult, maar ik heb nooit begrepen waarom vrouwen in al te nauwsluitende, niet altijd flatterende maar vooral weinig verhullende outfits aan sport doen en mannen niet.

Als één sport seksistische kledingvoorschriften heeft gehanteerd en nog steeds, dan wel volleybal onder de heerschappij van de Mexicaan Dr. Rubén Acosta. Die overigens helemaal geen dokter was maar ooit ergens een eredoctoraat had gekregen en zich zo liet noemen.

Onder de watch van Acosta is beachvolleybal ooit olympisch geworden. Een van de voorwaarden om de sport in Atlanta op de het programma te krijgen, had betrekking op de kleding. De mannen mochten in wijde shorts en tanktops, de vrouwen moesten in bikini

Beachvolleybal was al een hele tijd erg populair in de VS en werd steeds populairder. Het was de enige Amerikaanse balsport met betere kijkcijfers voor de vrouwen dan voor de mannen, waardoor de commercials voor de vrouwenfinales duurder waren dan voor de mannenfinales

De New York Times deed daar destijds onderzoek naar. Zij kwamen tot de vaststelling dat het publiek bij beachvolleybal voor vrouwen voornamelijk bestond uit – ik citeer – “niet al te hoog opgeleide mannen van middelbare leeftijd die met één hand rond een Budweiser en met de andere aan de crotch (het kruis) ongehinderd naar bezwete, halfnaakte door het zand rollende mooie vrouwenlichamen kunnen kijken”. En als hun vrouw er iets van zei, konden ze argumenteren dat ze naar topsport keken.

Laatst was er beachvolleybal in Qatar. Een bikini dragen in volle openbare glorie en dat op tv uitzenden in een moslimland, lag wat lastig. De meeste teams opteerden voor een bodysuit. Straks in Tokio blijven evenwel de kledingvoorschriften gelden zoals die door Acosta ooit zijn uitgevaardigd: de bikini mag op de heupen niet breder zijn dan zes centimeter. Dat heeft niets vandoen met technische, fysieke of andere sportieve regels, maar alles met sexploitatie van de sport.

Column Koers 3.0 in De Morgen van maandag 19 april 2021

Koers 3.0

Er is die ene waarheid als koe in het wielrennen: de renners maken de koers, niet het parcours, niet het publiek, niet de media. In de op twee na laatste ronde had Michel Wuyts het nog over “ze rijden alsof het een kermiskoers is”. Of dat past in het dedain dat Vlamingen traditioneel voor wielerwedstrijden in Nederland aan de dag leggen, is niet helemaal duidelijk. Wetend hoeveel Nederlanders voor het wielrennen naar Sporza kijken zou ik dat alvast niet doen, maar een ronde later ging het al van “er wordt gekoerst, het spel zit op de wagen” en nog een ronde later “wat een koers”.

Klopt helemaal. Wat een koers. Opnieuw. Weeral. Voor de zoveelste keer reden beresterke wielrenners voorop nadat ze zelf de wedstrijd hadden opengebroken en beslisten in een onderlinge shoot-out wie ging winnen. Gisteren was het een postmodern Far West-einde: de winnaar schoot de winnende kogel af, maar werd ook geraakt. Hij ging alleen iets later dood dan de verliezer.

Als we de sprint tussen Mathieu van der Poel en Wout van Aert in de Ronde van Vlaanderen 2020 al spannend vonden, wat dan te denken van de Amstel Gold Race 2021. Ik heb bij het schrijven van dit stukje nog steeds de finishfoto niet gezien, en hoewel ik geen sikkepit vertrouwen heb in de UCI wil ik de jury die Van Aert heeft uitgeroepen tot winnaar best geloven. Alleen blijf ik met dat tv-beeld in mijn hoofd zitten. Twee centimeter voorbij de streep heeft Tom Pidcock minstens drie centimeter marge. Als hij die sprint niet heeft gewonnen, wil dat zeggen dat hij ongeveer vier centimeter heeft gewonnen in twee centimeter afstand. Daar kan mijn verstand niet bij, en ik was in goed gezelschap want Van Aert was heel oprecht toen hij richting de tent reed: “Ik gewonnen? Ik heb net de finishbeelden gezien en nu twijfel ik toch.”

Ik ben nu halfweg dit stukje en ik check nog even de Sporza-site: ook daar een beeld waarbij Pidcock duidelijk een bandbreedte voorop ligt, weliswaar net voorbij de streep. Kan een ultieme, maar net iets minder goed getimede jump zoveel verschil maken? Hallo specialisten?

Aanvaardt Ineos deze uitkomst wel? Het was een Belgisch jurylid en hij keek op een iPad om zijn beslissing kenbaar te maken. In Valkenburg hadden ze een vergrootglas nodig, maar misschien gaan ze vandaag in Aigle wel met een elektronenmicroscoop nog eens terug naar die onwaarschijnlijk spannende aankomst. Het meest onwaarschijnlijke aan die onwaarschijnlijke aankomst is natuurlijk het compleet ontbreken van een duidelijke finishfoto, pal op de lijn, met een soort muur, en met de band die het eerst door die muur gaat als duidelijke winnaar. Liefst binnen de vijftien seconden.

Driekwart ver in dit stukje check ik nog eens. Het beeld van Sporza genomen vanaf de lijn is nu vervangen door een beeld van de sprint pal op kop. Daar zie je dat het Max Schachmann wellicht niet is, maar wie van die andere twee dan wel wint, dat is raden. Heel vreemd. Voor alle duidelijkheid: Van Aert mag van mij winnen, liever dan Pidcock en ik zeg niet dat er bedrog in het spel is. Misschien is dit zoiets als met de VAR in het voetbal en zien die mannen het altijd iets beter en anders dan de gewone sterveling.

Deze coronaversie van de klassieker Amstel Gold Race zou de UCI en bij uitbreiding de hele wielerwereld aan het denken moeten zetten. Trouwe lezers van deze rubriek weten al langer dat hier op gezette tijden een lans wordt gebroken voor circuitraces. Over de plas – denk aan de wedstrijden in Quebec en Montreal die de renners heel graag rijden – hebben ze al langer het licht gezien: het geeft geen pas om van punt naar punt te rijden.

Wereldkampioenschappen zijn dan weer een mengvorm: vaak een start ergens verder weg, waarna ze in gestrekte draf naar een plaatselijk circuit rijden en daar rondjes draaien. Toen de Ronde van Vlaanderen in 2012 de Muur en de aankomst in het aartslelijke Meerbeke verplaatste naar Oudenaarde, en tegelijk met lokale rondjes uitpakte over de Kwaremont en de Paterberg, kwam daar veel protest op, maar jaar na jaar is de wedstrijd er spannender en beter op geworden.

Wie de nostalgie even opzij zet, zal alleen maar voordelen zien van circuitracing, ofte Koers 3.0: een beter verdienmodel dan van punt naar punt, want meer inkomsten en minder kosten, veel veiliger wedstrijden want een perfect controleerbare en aanpasbare omgeving, minder flankerend verkeer. (Hoeveel valpartijen waren er gisteren? Eén, twee misschien?) Ten slotte, want daar gaat het om, even spannende of nog spannender races, veel beter in beeld te brengen en perfect te formatteren in een spannend uurtje televisie.

Column Special Olympics in De Morgan van zaterdag 17 april 2021

Special Olympics

Het ticket ligt klaar. De overstap in Frankfurt is een beetje verlaat, maar normaal land ik op 13 juli in de vroege ochtend op Tokyo- Haneda. Dat is zonder een onweer, zoals vijf jaar geleden toen ik op weg naar Rio samen met de inhoud van dertig andere widebody’s rond middernacht in de vertrekhal werd gedumpt.

Net een extra glaasje bubbels gekregen, toen de Lufthansa-piloot fulmineerde: “In Frankfurt hebben de groenen verkregen dat we zelfs in geval van nood of oponthoud na middernacht niet meer mogen opstijgen. Sie mussen raus.” Dan vlieg je een keertje businessclass met dank aan de karrenvracht miles, word je midden in de nacht samen met het economy-plebs (grapje) geacht je plan te trekken. De taferelen die ik die nacht in Frankfurt heb gezien en het gebrek aan solidariteit tussen jong – “ik heb een bankje gevonden, opzouten jullie” – en oud – “zie ons hangen in een bagagekar, is er dan niemand die ons helpt?” – waren een voorbode voor 2020-’21.

Het olympische logies is al voor de helft betaald. De andere helft had al maanden geleden betaald moeten zijn, maar de Japanners stellen die finale factuur steeds uit. De accreditatie zou ook oké moeten zijn. Voor Peking in de winter van 2022 pas ik en de volgende Spelen gaan door in Parijs op een uurtje auto en een uurtje tgv, dus dat wordt mijn laatste verre trip als sportjournalist op kosten van een ander – hoop ik althans.

Uit alle analyses van de grote pandemiekenners en virusexperts heb ik altijd begrepen dat ze het in Azië en Oceanië zo goed voor mekaar hadden. Dat had te maken met van alles, gaande van ingebakken discipline tot wonen op een eiland. Welnu, als één eiland aan elkaar hangt van de discipline, dan wel Japan en daar zijn ze ondanks mooie temperaturen inmiddels toch toe aan een nieuwe en hele zware coronagolf. En vaccineren doen ze nog trager dan in Europa.

Deze week heeft Japans tweede partij in de regering laten verstaan dat de Spelen wel degelijk kunnen worden afgelast. Die partij levert niet de minister van Sport en niet de eerste minister, daar zal dat ook wel mee te maken hebben. Waarop de oppositie zich druk maakte en vond dat ze die Spelen maar meteen moesten afgelasten.

Ik hoop om op 12 juli alsnog om 9 uur de vlucht naar Frankfurt te kunnen nemen. Ik kijk er zelfs naar uit. Dit worden sowieso de Apocalyptische Spelen, zeg maar Special Olympics, maar dan voor valide atleten. Alleen maar autochtonen op straat, alleen maar autochtonen in de tribune, dit is voor mij professioneel geleden van de Nationale Spelen in China in 2005.

Aandachtige lezers zullen hebben opgemerkt dat 13 juli nogal ver op voorhand is voor iets wat op vrijdagavond 23 juli begint met de openingsceremonie – waar ik niet bij wil zijn, allemaal energieverlies – en eigenlijk pas een dag later in gang schiet. Welja, ik denk dat ik die twaalf dagen goed zal kunnen gebruiken om mijn weg te zoeken in wat mag en niet mag.

U wilt niet weten wat er allemaal in dat Press Playbook staat dat we hebben ontvangen. Hoe we ons moeten gedragen, het openbaar vervoer niet mogen gebruiken, niet in dat sympathieke restaurantje om de hoek mogen gaan eten met de Nederlandse collega’s, ook niet een ommetje mogen maken langs het parkje om op een bankje wat te internetten of met een local een praatje maken.

Voor zover dat laatste überhaupt een optie is. De laatste keer dat ik in Japan was, in Osaka in 2007 voor het WK atletiek, spraken ze daar nog steeds geen woord over de grens. Zelfs in de Starbucks moest je met handen en voeten uitleggen dat een medium latte volstond. Hoewel: bij de derde keer “no I don’t need that fucking vanilla syrup” hadden ze het toch begrepen.

De eerste keer Japan was helemaal erg. Dat was met het WK volleybal in 1998 en ik volgde als Nederlandse journalist de regerende olympische en Europese kampioen. De speelstad voor de Nederlanders was Hamamatsu. In de hele stad geen Japanner (m of v of
x) te vinden die drie woorden Engels kon. Op elke vraag antwoordden ze yes, ook als het antwoord neen was. Uitleg: een Japanner die bekent dat hij iets niet weet, lijdt gezichtsverlies. Toen we eindelijk een taxichauffeur hadden gevonden die tien woorden Engels sprak, wilde hij ons met alle geweld naar een restaurant brengen waar je kon eten en ook nog wel wat meer doen om dat eten te laten verteren in het gezelschap van een dame.

Nu, het goede nieuws is dat ik in Rusland tijdens de World Cup de weldaden van Google Translate heb leren ontdekken en dat moet met Japans ook lukken. We leven op hoop. Nu nog dat virus een beetje onder controle krijgen.

Verhaal + commentaar over Gymrapport in De Morgen van zaterdag 17 april 2021

Beschadigde topgymcoaches mogen blijven

Jazeker, het ging soms mis in de aanpak van de coaching en training in het Vlaamse topturnen ten aanzien van jonge vrouwen, soms nog meisjes. Maar, zo concludeert een langverwacht onderzoeksrapport, de ergste kwalen zijn verholpen. Yves Kieffer en Marjorie Heuls, de topcoaches die onder vuur lagen, excuseerden zich en kunnen samen met Nina Derwael en co. op medaillejacht in Tokio.

Zestien dagen nadat de voorzitter van de onafhankelijke onderzoekscommissie gymnastiek (OOG) naar ‘trainersterreur’ in de gymnastiek het rapport aan de minister van Sport heeft overgemaakt, weten we ook wat er in het langverwachte werkstuk staat. Samengevat: er was wel degelijk wat mis, met de nadruk op wás. Daarom adviseert de commissie het huidig model, fel bijgestuurd na 2016, te behouden en verder bij te sturen. Vlaams minister van Sport Ben Weyts (N-VA) en de Gymnastiekfederatie Vlaanderen (Gymfed) volgen dat advies.

Het onderzoek kwam er nadat vorig jaar een reeks (ex-)turnsters hadden getuigd over mentale misbruiken bij trainingen. Vooral oud- coach Gerrit Beltman kreeg het, net als eerder in Nederland, te verduren, maar ook het huidige coachingduo Yves Kieffer en Marjorie Heuls kwam in het vizier.

In het rapport, met negatieve en positieve punten, staat voor elk wat wils. Daardoor riskeert iedereen min of meer gefrustreerd achter te blijven, niet het minst de ex-gymnasten en hun ouders die het etiket hardliners opgeplakt kregen. Hun eis om schoon schip te maken, die ooit begon als een smeekbede om excuses, wordt niet ingewilligd.

Op de persconferentie kwam wel een (digitale) knieval van de hoofdtrainers Kieffer-Heuls. In een opgenomen video lazen ze een verklaring voor. Samengevat: “Als we gymnasten en ouders hebben gekwetst met onze harde aanpak, willen we ons excuseren. Wij hebben nooit de intentie gehad om psychisch grensoverschrijdend gedrag te plegen. We zullen daar onze lessen uit trekken en werken aan een cultuurverandering binnen onze sport.”

De Gymfed zelf bij monde van algemeen manager Ilse Arys excuseerde zich daarna nog omstandig en beloofde verder te gaan op de ingeslagen weg. Voor die Gymfed pleit dan weer dat ze vijf jaar geleden al doorhad dat het anders moest en daarnaar handelde door in meer omkadering te voorzien. Na 2016 vielen nog nauwelijks of geen klachten en zware blessures te noteren. Minister van Sport Weyts somde daarna dertien aanbevelingen op waarbij controle op het topsportmodel gericht op kinderen centraal staat.

De Vlaamse sport scoort met dit snel rapport. In Vlaanderen besloot men een maand na Nederland, waar de betrokken commissie nog steeds niets heeft gepubliceerd, tot de oprichting van de OOG onder leiding van rechter Bart Meganck, ex-atleet en raadsheer in het hof van beroep in Gent. Hij werd bijgestaan door Tim Stroobants, directeur Vlaams expertisecentrum kindermishandeling, orthopedisch chirurg Kristof Smeets, topsportexpert Eddy De Smedt en Inge Vanderstraete, kinder- en jeugdpsychiater. Op 31 maart was het rapport klaar.

De commissie stelde zich onder meer tot doel inzicht te krijgen in wat, wie, wanneer overkomen was en wat er al of niet intussen is veranderd. Een andere bekommernis: in welke mate speelde oud zeer omwille van de eigen gemiste carrière en jaloersheid een rol? Getuigenissen van de ex-topgymnasten Dorien Motten – ‘gewoon niet goed genoeg’, aldus een betrokkene bij de Gymfed – en Aagje Vanwalleghem – ‘kreeg haar kans in de trainersstaf , maar greep ze niet’ – werden tegen het licht gehouden.

Georchestreerde campagne

Het dossier verzandde al snel in een verhaal van believers tegen non-believers. Het mediabombardement wekte de indruk van een georchestreerde campagne. Het in één artikel vernoemen van de verbale terreur in Gent met Larry Nassar, de psychopaat-dokter die in de VS een paar honderd jonge turnsters heeft misbruikt, was niet van die aard om de sereniteit te bevorderen.

Dat op 13 maart twaalf topgymnasten van de nationale selectie in een open brief de aantijgingen ten aanzien van hun coaches afdeden als een heksenjacht en vroegen daarmee te stoppen in het belang van hun toekomstige prestaties, sprak boekdelen.

De commissie heeft gesproken, maar dat is lang niet het einde van dit verhaal. Wellicht zullen de klachten blijven komen. Die kunnen worden behandeld bij het Vlaamse Tribunaal voor de Sport (VTS).

Het Franse trainerskoppel Kieffer-Heuls heeft gewankeld, is beschadigd, maar blijft overeind. Ze hebben zich formeel geëxcuseerd, maar zijn tegelijk beledigd, voelen zich in de steek gelaten en verwijzen naar de opdracht die ze meekregen: de Vlaamse gymnastiek naar een hoger niveau tillen en medailles halen. Hun – harde – devies is dat van de topgymnastiek over de hele wereld: je kan geen omelet bakken zonder een ei te breken.

Bij de Gymfed hoopt men nu dat de rust terugkeert en dat Nina Derwael en het team sereen naar de Spelen kunnen toewerken. Derwael laat dit weekend het EK schieten, maar is al zo goed als klaar met een nieuwe oefening met daarin elementen die de concurrentie in Tokio op onoverkomelijke afstand moet zetten. Wat het daarna wordt, is niet zeker. Als Kieffer en Heuls vertrekken, kan dat het einde van Derwael als topgymnaste inluiden.

STANDPUNT

Elke sport heeft het in zich om haar atleten te overbevragen, maar van alle topsport gaat gymnastiek daarin het verst. Trainingsmethoden in de gymnastiek zijn een mix van Aziatische en Oost-Europese modellen, gericht op aanleren van waanzinnig moeilijke bewegingen, weghalen van angst, verbijten van pijn, en finaal ontkennen van de eigen wil. Dat bereik je het snelst door conditionering en totale onderwerping.

Vrouwen- of meisjesgymnastiek heeft een extra bezwarende component, vergeleken met andere sporten: in de jaren dat het lichaam zich moet ontwikkelen gaat het talentje eerst twintig, later dertig uur en nog meer per week trainen – drie keer meer dan voetbalprofs. Het doel is het inslijpen van de perfecte beweging; het nevendoel, eigenlijk nevenschade, is de onderdrukking van een lichaam dat vrouw wil worden. Hoe lichter en kleiner, des te makkelijker om halsbrekende toeren uit te voeren.

Dat geldt niet voor de supertalenten. Wereldtoppers als Nina Derwael, die toch ook voluit vrouw kunnen zijn, inclusief een relatie hebben, zijn de uitzonderingen. De andere leden van Derwaels team (en hun trainers) hebben er alle belang bij de groeispurt en het volwassen worden, inclusief ongesteldheid, zo lang mogelijk uit te stellen.

Samen met de biologie wordt ook de eigen wil jarenlang uitgeschakeld en wat dat besef doet met een turnmeisje dat na de carrière ineens vrouw wordt, bleek uit getuigenissen in Nederland. Verona van de Leur, die ooit nog met Nederland vijfde werd op het WK van 2001 in Gent, vraagt nu dat gymnastiek voor vrouwen wordt verboden. Een minimumleeftijd van achttien (in plaats van zestien, tot 1996 was het zelfs maar veertien) zoals die nu wordt gevraagd door een aantal westerse bonden waaronder ook België, vindt zij geen oplossing.

Hoe men het ook draait of keert: vrouwengymnastiek is dé systeemfout van de topsport. Een voetballertje raakt soms geblesseerd, ziet gewrichtsbanden knappen, het wielrennertje valt soms meer en zwaarder dan hem lief is, het gymnastje wordt haast zeker dag na dag gesloopt en geconditioneerd.

Een voetballertje van zestien dat wordt afgetest bij een topclub, kan lager aan de slag, tot in het cafévoetbal. Voor het gymnastje van zestien dat door blessures of gebrek aan talent een carrière in rook ziet opgaan, ligt dat anders. Na de dertig uur in Topsporthal in Gent gaapt alleen de grote zwarte leegte.

Naast uiteraard een betere omkadering met checks-and-balances ten aanzien van de gezondheid en de trainerspraktijken – iets wat de Gymfed na 2016 al heeft gedaan – moet dat de voornaamste bekommernis zijn: begeleiding en bescherming van gymkinderen/tieners/ ouders in hun ongebreidelde passie. En nazorg als ze hun dromen in rook zien opgaan.

Column Spaanse griep of Covid in De Morgen van maandag 12 april 2021

Spaanse griep of covid

Wat zijn die play-offs van ons toch geniaal. Twee speeldagen voor het einde en het was nog steeds zoeken naar een wedstrijd zonder belang. Was het niet de ene ploeg die nog wat op het spel had staan, dan was het de andere wel.

De rechtstreekse degradant is nog niet gekend, voor play-off 1 is het nog battelen, idem voor play-off 2 en als gevolg daarvan is het nog lang niet duidelijk wie Europees speelt. De kampioen dan… Zonder play-offs was Club Brugge begin januari al virtueel kampioen. Nu is het dat ook, maar de schijn wordt nog even opgehouden tot het mathematisch zeker is. In geen jaren geeft Club die voorsprong van minimaal zeven punten nog weg, toch niet in een reeksje van zes wedstrijden waarin maar achttien punten te verdienen zijn.

Wat de degradatiestrijd betreft, is het kiezen tussen de Spaanse griep en Covid-19. Er zijn evenveel argumenten om Moeskroen dan wel Waasland-Beveren naar 1B te verwensen. Moeskroen is de club die jaar na jaar om onbegrijpelijke redenen in 1A mag blijven. Telkens ligt Moeskroen vastgebonden en geblinddoekt onder de guillotine van de licentiecommissie als in extremis een vonnis wordt geveld waardoor het alsnog een licentie krijgt.

Waasland-Beveren is een beetje hetzelfde verhaal. De club had na het uitzweren van Operatie Zero, ook bekend als Propere Handen, de eerste jaren niet meer in de buurt van 1A mogen komen. De bewijzen voor hun passieve corruptie lagen open en bloot op tafel. Vorig jaar degradeerde Waasland-Beveren na een afgebroken competitie van 29 speeldagen. Die dertigste, met de tweede AA
Gent op bezoek en op schier niet in te halen achterstand, had nog maar weinig om het lijf, maar op 30 juli besliste de rechtbank van Dendermonde dat Waasland-Beveren in de kalender van 1A moest worden opgenomen. Het is een publiek geheim dat de meeste gestelde lichamen van het Belgisch voetbal liever Waasland-Beveren zien degraderen dan Moeskroen.

Club Brugge blijft met afstand de best voetballende ploeg van het land, met en zonder bal. Dat is gisteren eens te meer gebleken in het Astridpark. Thuis of uit, het kan FCB niet deren. Het is gissen wat de uitkomst was geweest in een competitie met publiek, maar het lijkt allicht geen toeval dat Club de meeste nederlagen in eigen huis heeft geleden, terwijl het buitenshuis tot gisteren maar één keer verloor.

Zelden is beter gevoetbald door een Belgisch team, of het zou AA Gent moeten zijn in die uitzonderlijke herfst en vroege winter van 2015. Die hausse duurde maar een maand of vijf en sindsdien ging het eerst gestaag en dit jaar zelfs steil bergaf in Gent.

Club heeft misschien niet de elf allerbeste voetballers in dienst – wel de aller-allerbeste in de persoon van Noah Lang – maar het combineert als geen andere ploeg in België een hoge techniciteit, een aanvallende tactiek en een niet-aflatende fysiek. Gisteren hing in het Anderlecht-stadion achter een van de doelen een groot spandoek: ‘De beste voor eeuwig en altijd.’ Dat klopt, maar resultaten behaald in het verleden zijn geen garantie voor de toekomst. Die overwinning gisteren van Anderlecht kwam er met het nodige geluk en met dank aan Club, dat de schaapjes al op het droge zag. Al bij al is een Anderlecht met al dat talent altijd een verrijking voor play- off 1.

Bij Club heb je niet de indruk dat het volgend jaar tot de laatste speeldagen zal moeten vechten om play-off 1 te halen, wel integendeel. Club lijkt een hele dikke chappe te hebben gegoten net onder die eerste plaats. Het Anderlecht van Vincent Kompany flirt af en toe met genialiteit, maar was gisteren duidelijk de mindere. De 1-1 was dan weer mooi uitgespeeld, de 2-1 een flodderbal en mistasten van Simon Mignolet.

En dan is er nog AA Gent, vooralsnog de flop van het seizoen. Wie de club in het hart draagt, leeft tot volgende zondag met horrorvisioenen van het seizoen 2013-’14. Op de laatste speeldag van de reguliere competitie verknalde Gent de laatste kans om play- off 1 te spelen. Het verloor op 16 maart 2014 met 0-1 van Zulte Waregem, waar het in januari nog veiligheidshalve de beste aanvaller had weggehaald. Het mocht niet baten. Gent legde daar de basis voor het volgende seizoen: Hein daalde neer, er werd veel gelopen en getraind en Gent werd kampioen.

In dat seizoen 2014-’15 werd tot grote ergernis van Hein Vanhaezebrouck een fluoshirt geïntroduceerd, een soloslimmetje van voorzitter Ivan De Witte “omdat de spelers elkaar beter zouden zien in avondwedstrijden”. Zes en een half jaar later volgde na de 4-0- overwinning tegen Charleroi een lofzang van Vanhaezebrouck II op datzelfde gele fluoshirt, waar hij speciaal had voor gekozen “omdat ze elkaar beter zouden zien”. Welnu, zondag mogen ze in het fluo proberen hun plaats in play-off 2 af te dwingen. Maar opgepast, want het is weer tegen Zulte Waregem.

Column ‘1 miljoen euro, per punt’ in De Morgen van zaterdag 10 april 2021

1 miljoen, euro, per punt

Veel draaide om geld deze week op de sportpagina’s. Zo verscheen in Sport/Voetbalmagazine een vreemd interview met Philippe Vander Putten, de CEO van het BOIC. Hij werd geportretteerd als de deus ex machina van de grote olympische machine die het BOIC zou moeten zijn. Hij stoefte net niet met zijn 3,3 miljoen euro investeringen in de olympische topsport. Een leuk bijvraagje had kunnen zijn: “En hoeveel investeren de regionale overheden in topsport?” Dan had Vander Putten moeten antwoorden: “Bijna 30 miljoen, negen keer meer.”

In de onderhandelingen tussen het zondagskind Remco Evenepoel en Patrick Lefevere ging het ongetwijfeld ook over geld. Een bedrag kwam niet ter sprake, behalve dan de omschrijving ‘marktconform’. Daar worden we niks wijzer van want de markt in het wielrennen is een hele vreemde. Nergens is de loonspanning tussen de best betaalden en het voetvolk zo groot als in een wielerteam, c.q. wielerpeloton. Het weze El Pibe de Oro uit Schepdaal gegund, zijn financiële opgang in de vaart der wielervolkeren.

Dat was ook eerst mijn reactie naar aanleiding van het nieuwe contract van Kevin De Bruyne bij Manchester City: goed gedaan Kev. Het precieze bedrag kent niemand, maar iedereen leek wel te weten dat KDB nu de best betaalde speler van de Premier League zou zijn, met om en nabij de 25 miljoen euro per jaar. Ik spreek dat niet tegen, maar ik zou toch een slag om de arm houden als ik de sportjournalist zou zijn die daar moet over schrijven. Uit de lekken van Football Leaks is gebleken dat veel van de bedragen die voor waar werden aangenomen en een eigen leven gingen leiden in de media achteraf onwaar bleken.

Jammer genoeg is die man van Football Leaks gevangengezet. Even een update. De 32-jarige Rui Pedro Gonçalves Pinto creëerde in september 2015 de Football Leaks-website met de bedoeling het creatieve boekhouden, de belastingontwijkingen en -ontduikingen van het voetbal en de verboden maar gedoogde third-party ownership aan de kaak te stellen.

Van de media kreeg hij prijzen, maar op 16 januari 2019 werd hij in Boedapest in Hongarije opgepakt en uitgeleverd aan Portugal. Op 7 augustus van vorig jaar kwam hij weer op vrije voeten en een maand later ging zijn proces van start. Er lopen 147 klachten tegen hem vanuit de Portugese overheid. De uitkomst laat nog op zich wachten. Rui Pinto houdt zich voorlopig wijselijk gedeisd, jammer maar helaas.

In normale tijden heeft Manchester City geenszins de middelen om monstercontracten zoals met Kevin De Bruyne te verantwoorden. City is niet de geldmachine die de echte money makers in het Europese voetbal zoals Man United, Barcelona, Real Madrid en Bayern München wel zijn. Bovendien is City financieel ongeveer de slechtst geleide club in het voetbal. De 11,5 miljoen euro winst na belastingen in 2019 verdween als sneeuw voor de zon en werd vorig jaar ineens 146 miljoen euro verlies.

De schuld van corona, is de interpretatie op de sportpagina’s, maar dat is onzin. In 2019 had Man City nog een omzet van 618 miljoen euro. Die zakte in 2020 naar 552 miljoen. Die 66 miljoen in de min is wel geheel voor rekening van corona. Dat City er als ongeveer enige club in de wereld in slaagde om de uitgaven in dat coronajaar met maar liefst 70 miljoen euro te laten stijgen, is aberrant. Dat kan natuurlijk alleen omdat de UEFA onder druk de Financial Fair Play-regels tijdelijk on hold heeft gezet. De hervorming van de Europese competities en de aanvaarding ervan is nu de prioriteit. Dan is het slim om de grote clubs even niet achter de veren te zitten.

Niettemin, het is Kevin De Bruyne gegund. Aan hemzelf, zijn familie en de schare fans die mij na de column over zijn rare rugzak en zijn pyjama belaagden, ik zweer het op het hoofd van (klein)kinderen: ik ben niet jaloers. Ik zou hem zelfs goede raad willen geven: laat Jani K. een keertje overkomen om die garderobe onder handen te nemen. Dat moet er toch van af kunnen, nu Patrick De Koster nergens meer tussen zit.

Het cijfer van de week is evenwel de bijna 1 miljoen euro salaris per punt die RSC Anderlecht de voorbije vijf jaar uitgaf. Dat bedrag – een internationaal aanvaarde benchmark en knap werk van de collega van HLN die dat uitvlooide – zegt iets over de hoogte van de salarissen afgezet tegen het resultaat. Tegenover het compleet inefficiënte en geld over de balk gooiende Anderlecht staat OH Leuven, dat in buitenlandse handen is maar met een zuinige 132.000 euro per punt superefficiënt blijkt. Dan doen die andere ‘buitenlanders’ Cercle met 560.000 per punt en Eupen met 430.000 het een stuk slechter.

Column Jurylid 22 in De Morgen van dinsdag 6 april 2021

Jurylid nummer 22

De eerste vaststelling van het weekend: wielrennen reduceren tot een twee- of driestrijd werkt alleen in lange rittenwedstrijden. Alvast niet in klassiekers, waar de vorm van de dag, de week allesbepalend is. Voor wie dacht dat alleen Mathieu van der Poel, Wout van Aert en Julian Alaphilippe in Oudenaarde als eerste over de streep konden komen, is er nu het voorbeeld van Kasper Asgreen. Niet zeker of die de komende jaren nog iets van belang wint, dan wel een nieuwe Fabian Cancellara wordt, maar de voorlopige buit oogt alvast mooi.

Tweede vaststelling van het weekend: terwijl een mislukte aanslag van een week geleden van Nacer Bouhanni ten aanzien van Jakey Stewart (de beelden van de GP Cholet-Pays de la Loire staan online) onbestraft blijft – voorlopig althans – werden de voorbije koersdagen twee renners uit de wedstrijd gezet omdat ze tegen een nieuwe UCI-regel hadden gezondigd. Eigenlijk niét hadden gezondigd, maar leest u verder.

U weet ongetwijfeld dat de ‘super tuck’ en de ‘puppy paw’ niet meer mogen. De tuck is die houding met de ballen tussen zadel en stuur en de puppy paw is die waarbij de voorarmen op het stuur worden gelegd en de handen ergens bengelen. Een tijdrithouding zonder tijdritstuur, zeg maar. Mag niet meer. Dat was het meest belichte van alle reglementswijzigingen die ingingen op 1 april. Maar er was meer. Sinds afgelopen vrijdag mogen de renners ook geen afval meer weggooien buiten de daarvoor voorziene zones. Voor wie het wil opzoeken, deze regels hebben nummertjes: 2.2.025 en 2.3.025.

De gedachte achter dat laatste reglement is lovenswaardig: je gooit niets zomaar weg als je het niet meer nodig hebt en al helemaal niet in de natuur. De theorie klinkt mooi, de praktijk is lastig, zelfs voor een toerist. Ik ben uiteraard niet zo stuurvaardig als een prof, maar een gelletje afscheuren en dat lipje vervolgens met de andere hand uit de mond halen, is een hele klus en vereist heel even zonder handen rijden. Ik beken, ik spuw dat lipje van twee vierkante centimeter uit als ik er niet in slaag om het weg te stoppen. Het lege gelzakje daarentegen zuig ik tot het laatste koolhydraatje leeg om het daarna netjes opgerold in de achterzak te stoppen. Die gaat dan wel kleven na een paar zakjes, maar daarvoor dient de wasmachine. Bijkomend probleem: naar het einde toe wil het wel eens lastig worden om de achterzak te vinden.

Dat is precies wat ene Kyle Murphy zaterdag overkwam in de GP Miguel Indurain. Hij stopte een gelletje dat hem was aangereikt naast zijn achterzak, het gelletje viel op de grond, niet in een daartoe voorziene zone, en jawel, een UCI-commissaris had het gezien en Kyle Murphy werd gediskwalificeerd. Hij was het eerste slachtoffer van de nieuwe regelgeving.

Nummer twee heet Michael Schär. Sporza had het in beeld. Je ziet Schär een grote weg oprijden – hij is wellicht gelost – drinkt nog eens van zijn bidon en gooit die dan op de grond, richting een groepje supporters. Die bedanken hem, waarop hij terugzwaait. In een volgend beeld zie je jurylid nummer 22. Die zit achterop een motor. Hij komt naast Schär rijden en meldt hem dat hij DSQ achter zijn naam krijgt.

Het probleem is niet alleen van het wielrennen, alle sporten hebben te maken met overijverige juryleden, scheidsrechters, commissarissen. Reglementen zijn er om gevolgd te worden, zo vaak als mogelijk naar de letter, maar als een reglement ongewild en onbewust wordt overtreden zonder dat iemand gevaar loopt en de wedstrijd wordt vervalst, dan moeten reglementen naar de geest worden geïnterpreteerd.

De renners hadden nog wel vooraf de vraag gesteld in een Zoom-meeting met hun rennersvakbond en met de UCI: wat met bidons die we naar de toeschouwers gooien? Het antwoordt van de UCI: geen straf, alleen in de open natuur mag het niet. Ik wil jurylid nummer 22 nog het voordeel van de twijfel geven. Misschien was hij niet gebrieft over die uitzondering, maar dan nog moet de mens in het gele hesje de bovenhand nemen.

Hier gaan ongelukken van komen. Juryleden-commissarissen die in volle wedstrijd iemand uitsluiten, spelen met hun leven. Het doet mij denken aan de 50 kilometer snelwandelen waar juryleden bij voorkeur de wandelaars de rode kaart tonen vanaf kilometer 45, als er al eens een zweeffasetje tussen komt sluipen. Op het WK in Sevilla heb ik ooit een woedende wandelaar op medaillekoers een jurylid dat hem rood had gegeven, achterna zien zitten. Het was pal op kilometer 49 en aangezien wandelaars ook goed kunnen lopen, had hij hem bij 49,1 te pakken. Dat wens ik de volgelingen van jurylid 22 ook toe.

Column En de winnaar is… in De Morgen van zaterdag 3 april 2021

En de winnaar is…

Een computer heeft een winnaar uitgespuwd voor de Ronde van Vlaanderen van zondag: het wordt Mathieu van der Poel. Die computer, pardon computersysteem, bij IDLab aan de Universiteit Antwerpen kwam tot die uitslag op basis van een algoritme. Zonder algoritmes draait de planeet niet meer, is zo zoetjesaan de indruk, en zonder artificiële intelligentie zou ze zelfs tegengesteld draaien.

Algoritmes voeden zich met data. In dit geval de individuele uitslagen van de renners en – al iets trickyer – de vorm van de renner. Of ze de recente Dwars door Vlaanderen ook hebben meegenomen in hun analyse is niet duidelijk. De belangrijkste input komt van de wieleruitslagen van de afgelopen jaren en het patroon dat zich daarin aftekent.

Ik heb daar enkele bedenkingen bij. Vooreerst: Van der Poel is een redelijk veilige keuze van het computersysteem. Het zou pas opvallen als pakweg John Degenkolb ineens als grootste kanshebber op het scherm zou verschijnen en die ook nog zou winnen. Het grootste manco in de data is het patroon in de wieleruitslagen. Zo eindigde de winnaar van de Ronde van Vlaanderen de laatste jaren steevast bij de eerste tien in Harelbeke in de voorafgaande E3 Prijs. Dat is het typevoorbeeld van toeval gepromoveerd tot waarheid en heeft dezelfde voorspellende waarde als de zwarte broek die de meeste winnaars dragen. Als VDP in zijn witte broek wint, is dat een trendbreuk.

De twee meest recente wielerseizoenen verschillen niet alleen van alle voorgaande jaren, ook deze generatie wielrenners verschilt merkelijk van de voorgangers. Zoals Van der Poel, Van Aert en Alaphilippe hun seizoen indelen en hun doelen kiezen is nog nooit vertoond. De voorspellende waarde van eerdere uitslagen is bijgevolg hoogst twijfelachtig. Ten slotte is wielrennen op de weg, meer dan welke andere wielerdiscipline ook, onderhevig aan heel veel toevalsfactoren.

Uitslagen voorspellen in de sport is het makkelijkst in sporten met hoge scores: basketbal, volleybal. Of veel repetitieve handelingen: honkbal, American football. Of veel wedstrijden: bijvoorbeeld voetbalcompetities of de grote wielerrondes. Uitslagen van wedstrijden in voetbal zijn zeer lastig te voorspellen omwille van de lage score. Dat is bij de eendagswedstrijden in het wielrennen ook het geval: het is altijd 1-0 of 0-1, nooit zijn er twee winnaars. Bovendien is het wielrennen de laatste jaren meer en meer een toevalsport geworden omdat geen enkele ploeg – behalve Deceuninck-QuickStep in niet al te lange eendagskoersen – een wedstrijd op slot kan doen.

Wielrennen heeft dan weer een ander voordeel op voetbal en dat is de fysiologische component. Het interessante aan het systeem van de Universiteit Antwerpen is wat ze ermee van plan zijn in een volgend stadium: de fysiologische data van de renners mee in kaart brengen. In dat geval was Wout van Aert wellicht naast Mathieu van der Poel als medefavoriet op de uitdraai gekomen. Op het tweede deel van Kwaremont – wat mij betreft het lastigste, zeker als het waait – haalde hij de op één na snelste tijd op Strava. Op het eerste deel was dat de achtste tijd maar wel het dagrecord. Strava is plezant als extra info, maar niet alle renners zetten (al) hun trainingen op die sportprestatieapp.

Nog interessanter wordt het als je in zo’n algoritme ook de bloedwaarden zou kunnen verwerken. Bijvoorbeeld de CK (creatinekinase) in het bloed van Van der Poel voor Dwars door Vlaanderen en daags voor de Ronde. Was die hoog voor Dwars door Vlaanderen, dan heeft hij wellicht keihard getraind de dagen ervoor. Is die nog steeds hoog daags voor de Ronde, dan is hij niet gerecupereerd van die trainingen en Dwars door Vlaanderen en schrijf hem dan maar af.

Met de Ronde van Vlaanderen eindigt het voorjaar van Van der Poel. Parijs-Roubaix wordt naar het najaar verschoven en daar is hij, als de rest van 2021 een beetje normaal verloopt, de grote favoriet. In Zeno leest u een uitgebreid dubbelgesprek met zijn bazen. Zij denken dat Van Aert beseft dat Van der Poel intrinsiek de betere van de twee is. Zij geven ook toe dat niet winnen in een wedstrijd waar ze allebei aan meedoen pas erg is als de andere die dag wel wint.

Welnu, de ene heeft in de Strade gewonnen, waar de andere een jaar eerder won. De andere heeft in Wevelgem gewonnen, waar de ene en de andere elkaar vorig jaar de duvel aandeden. De stand tussen de halve Hollander die Belg is en in Nederland rijdt en de halve Belg die Nederlander is en voor een Belgische ploeg rijdt is 1-1. Laat de hoogmis beginnen en schrik niet als geen van beiden wint.