Column Pa(lani Road) in De Morgen van zaterdag 31 maart 2018

Pa(lani Road)

Toen alle argumenten om hem aan het bewegen te krijgen op waren en hij almaar meer klaagde over zijn verlamde onderbenen, vond ik de ultieme aansporing. Ik zei: “Pa, moest Marc Herremans in zijn voeten een tiende voelen van wat jij nu voelt, hij springt een gat in de lucht.”

Pa knikte, zuchtte en probeerde nog eens uit zijn stoel te komen. Het heeft niet mogen baten, het immobilisme met daarbovenop een infectie werden hem fataal en donderdag heb ik afscheid genomen van de man die mij leerde sporten en door wie ik in de journalistiek ben terechtgekomen omdat ze mij bij de krant Vooruit herkenden als ‘de zoon van’.

Op de pagina hiernaast staat zijn overlijdensbericht en neen, alstublieft, u hoeft mij niet te condoleren, daarvoor schrijf ik dit niet. Ik was zelfs al een andere column begonnen over het waanzinnige idee om Marc Coucke voorzitter van de Profliga te maken, maar toen opende ik de digitale editie van Het Nieuwsblad en zag ik Marc Herremans (44) in volle glorie.

Nou ja, volle glorie, de kop liet iets anders vermoeden: “Griep, longontsteking en zware brandwonden: ‘Maar ik blijf relativeren.'” Ik las het verhaal, stuurde hem een sms’je. Prompt kwam een bedankje terug. Marc Herremans had een maand in het ziekenhuis gelegen, nadat hij tijdens een griep een warmwaterkruik op zijn verlamde benen had gelegd. Die was ontploft. Gevolg: derdegraadswonden en ziekenhuis binnen. Nog erger: hij kreeg er de ziekenhuisbacterie.

Nu is hij volgens de eigen Facebook terug: from zero to human again. Again is een stopwoordje geworden voor Marc Herremans.

Ik doe dit vak al een tijdje en sommige atleten hebben op mij diepe indruk gemaakt. Michael Jordan bijvoorbeeld – ik doe nu een knieval -, die ik zowat verafgoodde. Eddy Merckx was al gestopt toen ik hem beter leerde kennen, maar naar hem keek ik op als de man die mijn jeugd had gekleurd. Johan Cruijff ben ik nog gaan interviewen als broekje, toen hij coach van Ajax was. Eén vraag heb ik gesteld en hij ratelde mijn bandje in de walkman vol. In trance stapte ik Voorland buiten.

Jordan, Merckx, Cruijff, dat waren de ordinary people. Daar nog iets boven staan de buiten categorie, omdat ik met hen emotionele momenten heb beleefd en buitengewone gesprekken gevoerd: Robert Van de Walle is daar een van, Marc Herremans is een andere.

Ik stond in 2001 tijdens de halve triatlon van Brasschaat precies op de plek waar hij instortte tijdens het lopen. Hij, de ex- paracommando en ex-daklegger, toen nog voorzien van alle fysieke capaciteiten waarmee hij was geboren, zou enkele maanden later deelnemen aan de Ironman van Hawaï. Ik dacht no way, maar hij werd toch mooi zesde en wilde daarna nog maar één ding: Hawaï winnen.

Dat was in 2001. Op 28 januari van 2002 viel hij op Mirador de Haria op Lanzarote naast de weg op een rots en raakte verlamd. Geen tien maanden later stond hij opnieuw aan de start in Kona, als rolstoelatleet. Toen hebben ze hem doodziek uit het water moeten vissen, maar niet in 2003 en daar was ik bij.

Kijk naar de foto. Ziet u de diepte achter hem? Dat is geen optisch effect, maar het eerste stukje van Palani Road tot Kuakini Highway, een hobbel van 100 meter, stijgingspercentage haast 20 procent. Marc Herremans deed er vijf minuten over om zich naar boven te hijsen. Ik lag op het bloedhete asfalt met open mond te kijken: nooit heb ik meer pure wilskracht gezien als die dag bij het begin van zijn afsluitende marathon. Nog een geluk dat ik achter een knoert van een telelens lag, zo kon niemand mijn tranen zien.

Zoek op YouTube op ‘to walk again’ en aan het eind van de trailer van de echte film, die iedereen in de sport móét hebben gezien, zit die bewuste klim.

Marc Herremans is terug thuis en ik weet zeker dat hij erbovenop komt. Hij is het ultieme rolmodel voor elke sporter, van recreant tot prof: nooit opgeven, altijd terugvechten en beseffen dat pijn en afzien een voorrecht is. Marc Herremans is mijn held, een voorbeeld, een weldoener via zijn stichting en een ongelooflijke inspirator. Volgende week komt het allemaal samen, als ik op Lanzarote zit. Per fiets bovengekomen aan de Mirador, waar Marc is gevallen, mijn eigen bedevaart van de wilskracht, zal ik hem eren zoals de afgelopen vijftien jaar.

 

DM-COL-Pa(lani Road)

Interview Oliver Naesen in De Morgen van zaterdag 31 maart 2018

‘Dagen op de fiets zijn altijd mooie dagen’

Woensdag viel hij nog uit met een gehavende knie, morgen wil hij alweer vol aan de bak als kopman in de Ronde van Vlaanderen. Maar nationaal kampioen Oliver Naesen (27) zul je niet horen klagen over zijn ‘zwaar beroep’, integendeel. ‘Koers moet hard zijn.’

De zelfverklaarde wielerkrant Het Nieuwsblad zette hem voor haar Wielergids van 2018 als een stripfiguur op de cover en gaf hem een column, terwijl alle andere media zijn voordeur platliepen (en nog steeds) voor interviews en quotes. Iets maakt deze jongen hotter dan hot en dat zijn niet alleen zijn positieve en intelligente babbels. Zijn palmares dan? Drie gewonnen koersen, dat kan het ook niet zijn. Zijn leeftijd? Hij is al 27 en toch voorspellen insiders hem een mooie toekomst, houden wielervolgers van hem en prijzen fietsende collega’s hem om zijn onuitputtelijk voluntarisme.

Dat is in niks veranderd sinds die dag dat hij opviel omdat hij als amateurke twee profs onder hun voeten gaf omdat ze in een kermiskoers niet met hem naar de meet wilden rijden. “Hé mannen, ik heb wel congé moeten pakken om te koersen en nu willen jullie niet rijden?” Hij won die koers en werd prof. Een ploegleider had tegen zijn baas gezegd dat hij een hele straffe had gezien.

Hoewel Oliver Naesen ook dit voorjaar nog niet heeft gewonnen, stapte deze krant aan de vooravond van de Vlaamse hoogmis af in Wanzele. Stel u een nieuwbouwflat voor op de begane grond, een doorgangswoning in afwachting van de bouw van het eigen huis. Het tuintje is van kunstgras, comfort voorop. De garage is een fitnessruimte. In een lichtrijke hoek van de woonkamer waar elke andere bewoner een bankstel of een tafel neerzet, staan een fiets, een smart trainer en een scherm.

Oliver Naesen: “Eerst rij ik hier voor het ontbijt ’s ochtends een uurtje op, of langer, samen met de anderen.” De anderen, dat zijn de Zwift-aficionado’s die hij samen met zichzelf in realtime op het grote scherm voor hem ziet. “Het stikt van de profs op Zwift. Op een dag stond Leon van Bon (oud-wielrenner en tegenwoordig sportfotograaf, HV) hier voor de deur. Hij werkt ook voor Zwift en vroeg of hij zo’n set-up mocht installeren. Natuurlijk mocht dat. En of ik er een scherm bij wilde. (lacht) Ik zei ‘doe maar’.”

Ik heb veel goede interviews met jou gelezen ter voorbereiding. Zou een slecht interview met jou kunnen?

Oliver Naesen: “Ik denk het wel. Eens proberen? (lacht) Goh, ik probeer zo eerlijk mogelijk te antwoorden op de vragen, maar de laatste tijd zijn daar veel dezelfde bij en dat maakt het toch wat saaier en voorspelbaarder. Ik praat graag over meer dan over hoe mijn benen voelen.”

Ik begin toch met een moeilijke. Niemand met jouw beperkte palmares wordt geïnterviewd door Humo, Knack en alle kranten.

“Eerlijk waar: ik begrijp het ook niet goed. Ik heb drie echte koersen gewonnen, naast kermiskoersen die niet tellen, en toch komen jullie allemaal. Maar ik doe in al die eendagswedstrijden wel mijn ding en ik maak mee koers en ik rij mooie ereplaatsen. Ik ben geliefder bij de fans om mijn koersstijl dan om mijn overwinningen.

“Ik hoopte dit voorjaar op een goeie uitslag, maar tot nog toe is dat niet gelukt. Die vierde plaats in de E3 Harelbeke is mooi, en ik kan alleen maar speculeren wat het was geweest als ik niet achterop was geraakt door die valpartij. Ik denk niet dat iemand van verder is teruggekeerd dan ik en toch word ik nog vierde. Wielrennen is een groot stuk geluk, maar als je eind april geen prijs hebt en je zegt dat je toch goed hebt gereden, voelt er toch iets niet juist.

“Ik heb dit jaar wel al meer pech gehad dan in al de jaren ervoor en alleen de val in Valencia was mijn schuld. Voor de rest – in de Ruta del Sol, in de E3 Harelbeke en woensdag in Dwars door Vlaanderen – was ik op het verkeerde moment op de verkeerde plaats, met als resultaat een neusbreuk, twee gekneusde knieën en nu deze pijnlijk gezwollen knie. Maar goed, ik weet ook wel dat sommige collega’s nog veel meer pech hebben, dus ik klaag niet. Het is wel zonde, want ik ben in vorm.”

En in Milaan-Sanremo werd je ook al opgehouden.

“Ja, pech, maar ik zat toen ook iets te ver. Mark Cavendish vliegt daar in de lucht op het moment dat ik met een spurtje naar voren wil schieten. Daar stond ik dan, stil, hand tegen die rotswand.

“Ik sta wel wat verbaasd van Milaan-Sanremo. Dat is geen echte koers. Ik had altijd gehoord van de Cipressa en de Poggio en daar stel je je dan iets bij voor, maar… (neemt zijn laptop) Ik zal je laten zien wat ik heb moeten presteren: de eerste 200 minuten van de koers had ik 160 watt gemiddeld. Op de Cipressa duwde ik 400 watt gedurende acht en een halve minuut. Dat is niks. En nu het totaal: 211 watt over bijna 300 kilometer. Milaan-Sanremo was mijn gemakkelijkste training van het seizoen. Ik ben nog naar boven geknald en zat net onder de top dicht bij de kopgroep, maar ik kreeg het niet meer dicht.

“Om je een idee te geven: vorig jaar in de kermiskoers van Heusden reden we 170 kilometer met gemiddeld 360 watt. Nu begrijp ik Peter Sagan al wat beter. In elk interview zegt hij dat hij zich soms stierlijk verveelt op de fiets. Dat heb ik ook. Koers moet hard zijn. In Milaan-Sanremo rijden misschien tien renners niet uit die niet zijn gevallen. In Roubaix komen er maar zeventig aan van de tweehonderd. De rest roept op zijn moeder.”

QuickStep-manager Patrick Lefevere vond het dom van jou om zolang bij te tekenen bij AG2R.

“O neen, daarin vergist hij zich. QuickStep is collectief sterker, maar ik zit heel goed bij AG2R. Een heel voorjaar ben ik de kopman, waar zou ik dat nog zijn? Silvan Dillier, Alexis Gougeard, Stijn Vandenbergh, Tony Gallopin en reken mij erbij, dat zijn vijf van de zeven die voor mijn rekening rijden.

“AG2R is ook een goed gestructureerde ploeg. De Franse slag? Nooit iets van gemerkt. Ik kom van een Zwitserse ploeg, IAM Cycling, en er is nauwelijks verschil. Bij IAM spraken we meer Engels, maar ook bij AG2R wordt meer en meer Engels gesproken. Ze hameren er zelf op dat we internationaler moeten worden. Sindsdien communiceren we nu ook op sociale media in het Engels.”

Is een Franse ploeg niet vooral gericht op de Tour?

“Uiteraard is dat het hoofddoel, maar ze nemen het voorjaar er niet zomaar bij. Het eerste deel van het jaar worden de meeste eieren in mijn mandje gelegd. Eén keer de Amstel achter de rug, gaat het alleen nog over de Tour: verlies twee kilo, maak dat je goed bent in de Dauphiné en uiteraard ook in de Tour.

“Twee kilo is niks voor mij. Gewoon wat minder fitnessen en ik ben die zo kwijt. Eten? Ik eet gezond, maar ik behoor niet tot de gasten die alles met een weegschaaltje afwegen. Uiteindelijk is het een rekensom: input min output. Verbrand meer dan je opneemt en je vermagert. De ene heeft een beter metabolisme dan de andere, dat klopt, maar ik denk dat je het ook kunt stimuleren door je training. Ik geloof niet in marathontrainingen met lage intensiteit. Ik rij vaak met hoge intensiteit en ik fitness ook superveel. Spieren vreten energie. Als je één kilo spieren bijkomt, verbruik je in een donkere kamer als je op je rug blijft liggen al honderd kilocalorieën meer.”

Hoe vaak denk je nog: een ploeg die voor mij rijdt, wat overkomt mij hier allemaal?

“Als ik het analyseer, kan ik niet anders dan tot de conclusie komen dat ik in die wedstrijden de beste van de ploeg ben. Dat merk je aan het koersverloop en aan de uitslagen. Als je aan het einde nog met dertien bent en daar zit jij als enige bij van je ploeg, dan liegt dat niet. Vorig jaar is ook nooit iemand van AG2R voor mij geëindigd.

“Hoe ik de renner ben geworden die ik nu ben, dat is wel een raadsel. Ik ben natuurlijk al 27, wellicht een laatbloeier. Ik was 18, ging de zomer in als een manneke van 1m70 en iets later was ik 1m84. Rap rijp, rap rot, zeggen ze, maar ik was laat rijp. Ik hoop dus nog een jaar of tien dit niveau te kunnen aanhouden.”

Hoe heb je het samenwonen verteerd?

“Dat is geen probleem. We wonen hier nu anderhalve maand, nadat we afwisselend bij mij of bij Dorien thuis samen verbleven. Toen besloten we om grond te zoeken, maar we waren vergeten dat het twee jaar duurt om zo’n huis te bouwen. Voorlopig huren we dit hier.

“Het huis wordt een wielerhuis, jawel. Helemaal onderkelderd voor de fiets en op zolder komt de fitnessruimte. Ook een douche voor als ik van training kom en een hoogtekamer. De slaapkamer wordt gewoon op lage druk gebracht door het motortje in de kelder en zo hebben we geen last van het lawaai en moeten we ook niet in zo’n zweettent gaan liggen. Voor een jong koppel is dat geen aanrader.” (lacht)

Jij was een skater. Verklaart dit je relaxte houding tegenover je vak?

“Ik denk het wel. Ik heb een heel normale jeugd gehad, zoals mijn maten. Ik deed eigenlijk nauwelijks aan sport. Op mijn zestiende ben ik dan beginnen koersen, maar nog met die skate-attitude: we doen fanatiek ons best, maar het is niet erg als het niet goed gaat, als het maar plezant is.

“Ik heb nog nooit zoveel voor mijn sport gedaan als vandaag. Toen ik studeerde, was ik half student en half wielrenner en ik deed niks goed. In de drie examenperiodes zat ik een maand lang niet op mijn fiets, wat gewoon belachelijk was, want elke dag een uurtje fietsen had mij goed gedaan. Die conditie was ik volledig kwijt. Eigenlijk brak ik elk seizoen drie keer mijn sleutelbeen, daarmee kun je het vergelijken. Zo haal je nooit niveau.”

Je bent ook de allemansvriend van het peloton.

“Ik ben graag gezien, allee, denk ik toch. Van de tien die ik tegenkom, zeggen er negen spontaan goeiedag. Als het rustig is in het peloton, heb ik nooit moeite om een gesprekje aan te knopen. Nadien wil ik ze wel allemaal kloppen, ook Greg Van Avermaet en mijn andere trainingsmaten.

“Misschien ben ik vorig jaar iets te gretig geweest om te tonen dat ik met de beste kan meekoersen. In de E3 Harelbeke werd ik geklopt in de spurt nadat ik meer dan mijn deel van het werk had gedaan. Ik zal in de toekomst dat deel blijven doen, maar ik zal mij toch op het laatst sparen om nog wat extra over te houden. Nu scheelde het maar dertig meter, in een spurt met tegenwind nog wel.”

Waar zit jij in de hiërarchie van het peloton?

“Voor de klassiekers net onder de absolute toppers. Wat het verschil is, kan ik moeilijk uitleggen. Of toch: als ik doe wat Peter Sagan vorig jaar heeft gedaan in de Tour, dat manoeuvre waarbij Cavendish valt waarna hijzelf eerst wordt uitgesloten, zal ik niet achteraf in eer worden hersteld. Sagan wel.

“Ik ben tevreden met mijn plaats in het peloton. Bij de Oliver Naesen van Topsport Vlaanderen durfden ze al eens een vuile binnenbocht af te steken (onder- en binnendoor komen, HV). Bij de Oliver Naesen van AG2R doen ze dat niet meer. Ik heb de indruk dat er nu veel zijn die denken: laat maar, achter hem zitten we ook goed. En ik zit dan weer achter mijn piloot Stijn Vandenbergh. Die is twee meter lang en tegen hem komt echt niemand wringen. Achter Stijn de Omloop rijden, dat is een dag vakantie. Af en toe denk ik dan: zie mij hier zitten, wie had dat gedacht?”

Nog niet zo heel lang geleden besloot je van de ene dag op de andere om te stoppen met studeren.

“Dat was de bodem. Ik kon beginnen aan het derde jaar bewegingswetenschappen aan de UGent, maar geraakte maar niet door die biochemie van het eerste en biomechanica van het tweede jaar. Ik kwam thuis en zei dat ik zou stoppen. Groot huishoudelijk drama en teleurstelling alom natuurlijk, want ik was de beste student van de twee. Mijn broer Lawrence is inmiddels wel afgestudeerd als bachelor lichamelijke opvoeding en dat had ik ook beter gedaan. Ik ben werk gaan zoeken. Ik schreef mij in bij uitzendbureau Adecco en de eerste job die ik kreeg, heb ik anderhalf jaar volgehouden: was ophalen met een camionette.”

Oei, een white van man, de schrik van Vlaamse en andere wegen.

“Viel wel mee hoor. Mijn camionette kon maar 90 per uur. Ik moest tien uur op een dag werken, maar de ronde was zo berekend dat iemand van 60 jaar en 100 kilogram ze ook moest kunnen afwerken. Ik haastte mij en was dus sneller klaar.

“Rond die tijd leerde ik mijn vriendin kennen. Zij studeerde farmacie. Haar ouders vonden het ook wat vreemd dat ik niet meer wilde studeren en vroegen haar om mij wat aan te moedigen om het opnieuw te proberen. Maar ik wilde werken en trainen en kijken waar ik kon landen als wielrenner. Uiteindelijk kwam ik bij Topsport Vlaanderen terecht als prof. Daar heb ik veel gastjes horen klagen over hoe lastig hun bestaan als betaalde coureur wel niet was, terwijl ik dacht: je hebt geen flauw idee van wat echt werken is.

“Mijn werk is het mooiste dat er is. Jaarlijks 35.000 kilometer met de fiets rijden, waarvan 15.000 in wedstrijd in iets meer dan negentig dagen. Dagen op de fiets zijn altijd mooie dagen, al heb ik in Parijs-Nice in de koude regen ook wel eens zitten vloeken als ik in de opspattende spray zat van de renner voor mij. Gelukkig moest ik vaak op kop rijden voor onze klimmers en dan krijg je minder water binnen.”

Weet jij dat je mooi op je fiets zit?

“Euh ja. Ik let daar ook op. Het is een combinatie van genen en trainen. De genen bezorgden mij mijn lange benen, want met korte beentjes ziet dat er toch anders uit. Trainen slaat dan op core stability, waardoor ik in een correcte houding stil zit op de fiets. Verder heb ik het stuur zo laag mogelijk en het zadel in de juiste positie.”

Hoe kijkt een jonge renner naar het fenomeen doping? Je reed lang bij de elites zonder contract.

“Als ik die mannen van vroeger op televisie zie, dan denk ik: die hebben allemaal gepakt. Zijn dat daarom slechte mensen? Neen, dat waren kinderen van hun tijd. Als je vandaag aan de anabolica zou zitten, dan ben je wel slecht bezig. Gepakt worden op echte doping is crimineel, maar dan heb ik het niet over een neusspray of een pufje te veel. Als renner heb ik nooit iets gemerkt. Echt waar, ik zweer het, ook niet bij de elites zonder contract.”

Stel: jij bent een Rus die van nergens uit via een klein ploegje meedoet om de overwinning in de zwaarste klassiekers. Hoe zouden we jou bekijken?

“Wellicht argwanend, ik begrijp dat. Michael Valgren Andersen wint de Omloop in dienst van Astana en wat ik daarna allemaal las op sociale media, niet mis hoor. Er wordt veel heen en weer beschuldigd, ook bij de liefhebbers: den dienen es nen blazer, hij is al gepakt bij de profs tien jaar geleden. Wat moet je daar mee?”

Wat vind je van de problemen van Sky?

“Ik ken daar het fijne niet van, hoewel ik het wel probeer te volgen. (krijgt de bewuste therapeutische uitzondering uit 2012 van Wiggins te lezen) Pff, dat zijn wel veel middelen voor zijn probleem en is die spuit met triamcinolon niet overdreven? Ik ken ook renners die behandeld worden met dat middel, maar ik ken ook hun medisch probleem. Van Wiggins niet en oordelen wordt dan moeilijk.

“Hier zie, salbutamol staat daar ook tussen, dat is het middel van Chris Froome. Sorry, maar ik gebruik dat ook. De helft van het peloton die Le Samyn heeft gereden bij min vier graden riskeert inspanningsastma. Dus ja, ik puf af en toe voor een wedstrijd: twee keer, en daar heb ik geen attest voor nodig. Ik weet niet of er een andere goeie uitleg is voor de urinewaarden waar Froome op werd betrapt, behalve dan dat hij het middel in pilvorm zou hebben genomen.

“Ik hoop het wel voor hem, want het is een hele aardige gast. Froome in interviews is waardeloos, maar als je hem privé hebt, is dat een hele andere. Het is natuurlijk een item: in de Ruta del Sol stapte ik uit de bus en niemand die wilde weten hoe het met mij was. Wel of ik vond dat hij mocht starten. Ik heb hem gevraagd om een tweetje te sturen met de vraag om zijn collega’s met rust te laten met zijn geval. Hij excuseerde zich.”

DM-INT-Naesen