Column RisingTrack in De Morgen van zat 20 feb 2016

RisingTrack

We kregen van de week een kekke mail van Wavemakers, een nieuw pr-bureau uit Waasmunster. Met pr-bureaus is het opletten, want als ze je eenmaal weten wonen, is stalking niet veraf; met nieuwe pr-bureaus is het nog meer opletten. Maar het bericht van Wavemakers zag er wel heel gelikt uit, dus las ik verder. Het ging over een crowdfundingproject voor atleten die te weinig geld hebben om hun sport te beoefenen. Om precies te zijn: over atleten die denken dat ze meer waard zijn dan de markt hen vandaag waard vindt en daarom de boer opgaan om geld in te zamelen.

Het project heet RisingTrack. Ik bespaar u de uitleg, maar er zit wel degelijk een idee achter die naam. Het initiatief komt van twee Brusselse hockeyspelers: ene Morgane Vouche – mij onbekend, maar dat ligt aan mij – en Jérôme Truyens uit Ukkel, een Brusselse gemeente waar ik ooit weleens ben geweest toen ze in Lochristi nog geen crematorium hadden.

Hoe werkt dat? Welnu, een atleet kan een project indienen, maar niet: ik wil een keertje naar Dubai op vakantie zoals de voetballers. Neen, het moet met presteren en met sport te maken hebben. Er wordt een bedrag vooropgesteld dat de atleet nodig heeft en die gaat dan de hort op. Schooien, zo u wil. Haalt de atleet 75 procent van dat bedrag, dan krijgt RisingTrack 10 procent. Halen sporters dat niet, dan krijgt RisingTrack 14 procent. Wat doet RisingTrack voor dat geld? Het begeleidt de sporter doorheen het traject met communicatietips en advies.

Het concept is origineel, vooral van de kant van RisingTrack, maar berust op een grove denkfout. Ergens in de perstekst stond: “Een gebrek aan financiële middelen zorgt ervoor dat sporters uit weinig gemediatiseerde sporten zelden van hun passie kunnen leven.” Dat is precies de denkfout. Waarom zouden sporters van hun passie moeten kunnen leven? We gaan in de sport toch niet beginnen zoals die culturo’s, die moord en brand schreeuwen (of beginnen drinken) omdat ze een onzeker bestaan hebben?

Sport, nogmaals, is de ultieme meritocratie. Ben je goed in wat je doet, dan zul je een dik salaris verdienen, anders niet. Dat geldt in de eerste plaats voor voetballers, bij ons ook voor wielrenners, voor tennissers en her en der nog wel voor een andere sport. Ben je goed in wat je doet, maar je zit niet in de sporten met veel geld, dan zal de overheid je een salaris betalen en veel van de kosten dragen. Dat is iets minder dan wat Eden Hazard verdient: om precies te zijn, een dagvergoeding van Eden. Maar daarvan kun je ook een heel jaar leven.

Het sportlandschap is verre van ideaal in België, maar alvast in Vlaanderen is er meer dan geld genoeg voor sport, alvast meer dan er topsporters zijn. De laatste keer dat ik checkte, kon meer dan een kwart van de beschikbare Vlaamse topsportstatuten en het bijbehorende salaris niet worden ingevuld omdat de atleten niet goed genoeg waren.

Het is een grove misvatting dat atleten onderweg naar de top financieel moeten worden gesteund zodat ze van hun sport kunnen leven. Een oud Afrikaans spreekwoord zegt: aan de rand van de woestijn groeien de sterkste planten. Niet in de woestijn, want daar is het te droog. Ook niet in de stad, waar de perkjes elke dag water krijgen. Neen, onzekerheid en schaarsheid onderweg naar de top is de beste voedingsbodem voor de ontwikkeling van sterke atleten.

Daarom klonk dat gezeur vorig jaar van die hamerslingeraarster/kogelstootster Jolien Boumkwo zo vervelend. Haar sponsoring was geweigerd en dat was niet eerlijk en het was altijd hetzelfde. Het is ook altijd hetzelfde: altijd weer vinden atleten die geen niveau
halen dat ze wel sponsoring en salaris verdienen. Neen dus. Gooi eerst eens die hamer en die kogel respectievelijk 10 en 3 meter verder, waardoor je de hielen van de subtop in het vizier krijgt en laat ons dan nog eens praten. We hebben het hier weleens over de sportwoestijn Vlaanderen/België, maar dat slaat op de absolute top. De argumenten om niet te presteren en geen aansluiting te krijgen met de top zijn in dit land onderhand opgebruikt.

In het spoor van Marc Coucke in De Morgen van zat 20 feb 2016

‘Winst is de finaliteit, in alles. Met voetbal wordt dat lastig’

‘Club-supporters, alsde straks vertrekt, voorzichtig mee ulder tracteurs.’ Niémand, en zeker niet iemand met een Gents accent, komt hier voor een West-Vlaams publiek mee weg. Niemand, tenzij apotheker, investeerder, weldoener, sponsor, schlagerkoning, masterchef, voetbalvoorzitter, miljardair en eeuwige student Marc Coucke. ‘Dat is toch plezant? Ik ben zelf ooit een beetje Club- supporter geweest.’

Dat grapje met de tractors viel te beluisteren vóór de wedstrijd van afgelopen zondag thuis tegen de leider. Zijn KV Oostende verloor nadien met 0-2, een domper op zijn persoonlijke vreugde en meer dan verwacht. “Ik trek het mij aan en ja, ik ben inmiddels toch een beetje zenuwachtig. Denk jij dat we play off 1 halen? (zucht) Ik hoop het. Allez, laat ons nog wat praten, want straks beginnen de optredens hier. Winnen of verliezen, het is hier altijd feest, maar ik denk niet dat ik zelf ga zingen. Het zal voor volgende week zijn (morgen, HV). Tegen AA Gent! Ik ben een Gente-naar en ik woon op drie kilometer van het Ghelamcostadion, maar dat is nu eens een club waar ik veel bewondering voor heb, maar geen enkele affiniteit mee heb.”

Het was afgelopen zondag tegen Club, ooit de club waarvan hij in de algemene vergadering van de vzw zat, maar het Oostendse voetbal, waar hij als kind in de spionkop stond, bleef al die tijd zijn grote jeugdliefde. Daarom was hij voor die wedstrijd, waarvoor
maar liefst 1.170 eetlustigen zich hadden gemeld – “een nieuw record!” – zo vreselijk op dreef. Het is de dag na zijn terugkeer uit Dubai (vakantie houden en mooie gebouwen bekijken met zijn zakenpartner/vriend Bart Versluys) en de dag vóór een trip naar Dublin, voor een bestuursvergadering van Perrigo, dat zijn Omega Pharma kocht. Later deze week werd bekend dat Omega Pharma op dieet moet, en dat Coucke door de dalende beurskoers in één dag een papieren verlies van 72 miljoen euro leed.

Maar vanavond dribbelt Marc Coucke van podium naar podium, op afstand bestuurd door personal assistant Brunhilde Verhenne, een ex-Miss Belgian Beauty. Hij praat twee keer tien minuten pure stand-upcomedy vol en bezoekt intussen de tafels die hij moét bezoeken.

Na zijn omzwervingen landt hij bij een centrale tafel in de Kama-lounge, genoemd naar de cartoonist-schilder voor wie hij via hun joint venture Kamacoucka mee het fortuin heeft gemaakt.

Daar zitten zijn ouders – beiden late tachtigers – en zijn familie, waaronder zijn broer-arts. Van eten komt nauwelijks iets in huis. Voetbal op KVO is wérken voor een operationele voorzitter zoals hij die wil zijn, want voetbal op KV Oostende is in de eerste plaats een networking event dat in Vlaanderen zijn weerga niet kent. “Juist. Waarom denk je dat hier vier vermogensbeheerders zitten? Het stikt hier van de kmo’s.”

Bij het verlaten van het businessgebouw na een halve dag in het spoor van Marc Coucke, krijgen we een kaartje mee met een link naar een fotogalerij. We zijn gefotografeerd, net als alle andere vip-haringen in een kleine Oostendse ton. Wij waren voor één dag KVO People, ze hebben ons een adreskaartje afgeluisd en de kans is groot dat we bij een volgende editie ook in de glossy vol foto’s staan. Het is wachten op de eerste mail om ons te ‘activeren’.

Geen euro van Albert

Dat grapje van die tractors kreeg u al mee, maar we hoorden er nog van Coucke vanop zijn podia. “Weet je hoe een Club-supporter een selfie neemt? Hij steekt zijn iPhone op een mestvork.” Of deze. “Naast de dug-out van Preud’homme hebben we twee vuilbakskes gezet. Eentje voor zijne pruimtabak, en eentje om zijn Calimero-eierschaaltje in te doen.” Het zegt u misschien niet zo heel veel, maar neem het aan van een ervaringsdeskundige: teksten als deze staan in West-Vlaanderen gelijk aan spelen met je leven. “Ach”, lacht Coucke. “Dat is toch plezant? De mensen weten dat ik het niet meen.”

Na de wedstrijd moet hij langs de Brugse spionkop passeren. Die zingen zijn schlager ‘Het is weer Couckenbak’ en proberen zijn weireldploegsje te ridiculiseren. Het zal wel helpen als je meer dan een miljard euro hebt staan om met één schouderophaal de dingen van je te laten afglijden, maar je kunt Couckes authenticiteit in deze omstandigheden alleen maar bewonderen. Ooit is hij in Humo verkeerdelijk omschreven als een fake operette-rijkaard, maar Coucke is niet fake: hij is altijd en overal zichzelf, altijd is het glas meer dan halfvol. Hij steekt zijn sjaal omhoog, lacht terug en krijgt applaus vanuit de blauw-zwarte hoek.

Niet menen? Hij meent het maar al te goed met zijn KVO. Morgen wordt de laatste thuiswedstrijd gespeeld in het Albertparkstadion, gebouwd in een parkje dat de toenmalige koning ooit aan de stad schonk. Tegen het einde van de zomer heet het stadion anders.

“Ik heb van Albert nog geen euro gekregen voor de naming rights. Ik heb de deal rond met een partner en te zijner tijd doen we daar een mededeling over. Na de wedstrijd tegen Gent gaat het halve stadion tegen de grond en tegen de nieuwe competitie hebben we hier de modernste tribune van het land.”

KV Oostende heeft misschien de look-and-feel van een Vlaamse kermis, wat te maken heeft met die verzameling koterijen waar je met enige moeite een stadion in kunt herkennen, maar er zit visie achter deze club, soms meer dan bij de groten uit Brugge of Brussel. Natuurlijk is het ook management by passion, zijn KVO, maar Coucke blijft te allen tijde ondernemer. En daarom verhuist KV Oostende juist voor het hoogtepunt van het sportieve be-staan voor de resterende thuismatchen en alles wat daarna komt, hopelijk play off 1, naar Roeselare.

“Het is nu of nooit. Dit stadion is gebouwd in stukjes: elke zeven jaar had de stad wat geld en is daar een koterij aan gezet. Dat gaan we nu gedeeltelijk rechttrekken. Niet helemaal, de rekeningen moeten kloppen. We maken van die tribune een aparte P en L. Euh, een profit and loss, we gaan dat apart beheren.

 

“Ik weet dat de voetbalwereld mij voor zot verklaart, maar ondernemen is anticiperen. En ik denk – als ons plannetje slaagt – dat we in Roeselare evenveel ambiance zullen hebben als hier. Onze supporters kunnen alvast voor 109 euro de vijf thuiswedstrijden volgen, inclusief de busreis naar Roeselare en terug. De lokale businesswereld is ook vragende partij en de Roeselare-supporter krijgt vermindering. En er zullen ook optredens zijn.”

Zoals van komiek Dirk Bauters, die ook een grapje maakte. “Mijn vrouw vroeg voor haar verjaardag iets roods dat van 0 naar 130 gaat in drie seconden. Ik heb haar een weegschaal gekocht.” Een hele zaal met zeshonderd eters was meteen mee.

In een discreter hoekje zat ook burgemeester Johan Vande Lanotte.

Toch goed, zo’n Coucke die besluit KV Oostende nieuw leven in te blazen, nietwaar? De burgemeester heeft net een dagje migraine achter de rug als we hem dat vragen en tot overmaat van ramp verloor een avond eerder zijn geliefde BCO, de basketbalclub die op twintig meter van het voetbalstadion is gehuisvest, voor het eerst sinds lang nog eens thuis. Maar toch. “Ik begroet iedereen die in onze stad wil investeren. Marc Coucke heeft een groot netwerk en hier werkt hij samen met Bart Versluys, een projectontwikkelaar die veel bouwt in Oostende. Die zal dat stadion wellicht voor een marge van 2 of 3 procent bouwen, terwijl hij aan ons misschien 20 procent zou rekenen. Begrijp mij niet verkeerd: ik ben hier blij mee.”

Kama en Coucke

Toen Marc Coucke in het voetbal investeerde, en dan nog in het zieltogende KV Oostende, werd dat weggelachen als water naar de zee dragen. Ondergetekende twitterde dat er geen economische achterban was voor KV Oostende en kreeg Marc Coucke achter zich aan. Immer beschaafd, dat wel.

“Ik heb KVO overgenomen, omdat de economische basis die er wel was, nog niet was aangeboord.” Hij zegt het op een ijskoude tribune waar hij tijdens de rust is blijven zitten en een bakje friet wegprikt. Iets later komt een Franstalige goeiedag zeggen. “Voilá, la preuve est lá. Mijnheer komt elke twee weken uit de Ardennen om een weekendje aan zee door te brengen en daar hoort ons weireldploegsje bij. N’est-ce pas?”

De man beaamt. “Ostende et le foot, c’est le plaisir, c’est la fête.”

KV Oostende trekt als een magneet een hele business community aan. Van een paar tientallen tot soms eens honderd eters, zijn er nu gemiddeld vijfhonderd, en voor uitschieters als tegen Brugge, Gent en Anderlecht gaan ze over de duizend en palmen de naburige Sleuyter Arena van het basketbal in.

“Sporteconomen zegden ook dat er geen markt was voor KVO. De kabeljauwen zouden niet naar het voetbal komen. Dat klopt, maar ze vergaten passie en emotie. De kinderen van Oostende supporteren nu voor ons en die zullen hun hele leven supporter blijven, net zoals ik dat ben geworden, een Gents manneke dat naar de zee kwam. Ik wil niet dat één supporter van ons wegblijft omdat het te duur zou zijn. Bij ons kon je dit seizoen voor 99 euro naar het voetbal. Daar ben ik trots op.”

Maar wie in de grote tribune in zijn buurt wil zitten, zal betalen. In het eerste jaar van zijn overname gingen sommige van die abonnementen van 199 naar 1.500 euro. Een kwart bleef zitten en betaalde. “65 procent ging naar de B-tribune en slechts 10 procent was echt kwaad. Dat was dus een goede zet. Weet je waar ik naar kijk? Tegen Moeskroen hadden we dit jaar 338 procent meer inkomsten dan vorig jaar tegen diezelfde ploeg.”

Tegelijk bond Coucke een aantal BV’s aan zijn club. Supporter nummer één was Kamagurka, programmamaker Martin Heylen van Woestijnvis was nummer twee. In 2014 begon Coucke dan met zijn ambassadeurs van KVO, waar inmiddels ook voormalige judogrootheid Harry Van Barneveld toe behoort. Die was er vorige week niet, of toch wel. Hij hield als agent in gevechtstenue buiten het stadion een oogje in het zeil.

Martin Heylen: “Nu heb ik een gratis abonnement, maar ik kom al op KVO van toen ze nog in tweede klasse speelden en ik mijn inkom zelf betaalde. Ik ben een voetbalman en met de tram of te voet naar mijn voetbalclub, dat heeft iets. Op de hoofdtribune zaten toen al in tweede klasse Kamagurka en Marc Coucke, met twintig meter tussen. Zij waren de enigen die voor de ambiance zorgden. Als de ene begon te zingen over ons ploegsje, het weireldploegsje, viel de andere in. Hilarische taferelen en niemand die toen kon vermoeden dat ze, wé, kampioen zouden worden en promoveren. En nu play off 1 als alles goed gaat… Wonderbaarlijk. Uiteraard is dat geheel de verdienste van Marc.”

Game changer

Marc Coucke heeft veel gezichten. Hij is ook mecenas, geeft gul geld aan kankeronderzoek en andere goede doelen. Tussendoor is hij ook een loyale vriend. Zo redde hij het leven van zijn zakenpartner Bart Versluys toen die dreigde te verdrinken bij een jetski-ongeval. Opvallend: wie Marc Coucke beter dan oppervlakkig kent, spreekt nooit kwaad over de man, zelfs niet als hij de micro opeist en begint te zingen.

Voor hij als zakenman miljardair werd, raakte hij in de sport bekend als hoofdsponsor van wielerploegen. Eerst van Omega Pharma- Lotto, later van Omega Pharma-QuickStep en nu van Etixx-QuickStep. Hij heeft een keuze gemaakt: voetbal wordt zijn kind, maar aan het wielrennen geeft hij meer geld uit en Patrick Lefevere maakt er het beste van. De koers zal hem in 2016 nog maar een paar dagen opslorpen.

“Het is niet te combineren, de twee. Hier beslis ik alles zelf, bij onze wielerploeg vertrouw ik op Patrick, al heeft die mij voor de aanwerving van Marcel Kittel wel eerst gecontacteerd. Een goeie aanwerving overigens, geef toe.

“In het wielrennen heb ik een betere return voor mijn geld, zeker als een ploeg je naam draagt. In het voetbal heb ik meer voldoening. Wielrennen heet meer aanraakbaar te zijn, maar het is en blijft een gesloten milieu. Je moet zelf hebben gekoerst voor ze je serieus nemen. In het voetbal koop je een ploeg en drie minuten later spreekt iedereen je aan met ‘voorzitter’.”

 

Je kunt het verschil ook anders uitleggen: in het verstarde wielrennen is geen plaats voor een game changer, zoals Marc Coucke te allen tijde wil zijn. “Wat is dat, een game changer? Ik stel altijd alles in vraag. Bij wijze van spreken zelfs waarom de bal rond is. En ik wil ook altijd beter doen. Met Bart Versluys wil ik aan de oosteroever in Oostende de mooiste wijk van de Belgische kust bouwen: prachtige appartementen in mooie, herstelde natuur.

“In het dierenpark Pairi Daiza gaan we volop investeren. Ik wil het mooiste dierenpark van Europa. Ik wil dat de bewoners van de oosteroever gelukkig zijn, de dieren van Pairi Daiza moeten gelukkig zijn en de toeschouwers van KV Oostende moeten ook gelukkig zijn.”

De finaliteit van de ondernemer in Marc Coucke is en blijft winst, want verlieslatende projecten uitdenken kan iedereen, zegt hij. “Ah, Vande Lanotte zegt dat ik ook winst ga maken met het voetbal? Als hij weet hoe dat moet, mag hij het mij komen uitleggen. Met voetbal is geen winst te maken, maar ik pas hier hetzelfde principe toe als in mijn bedrijf: alles wat je uitgeeft, moet een investering zijn. Met break-even zou ik al tevreden zijn. Oké, ik zou nu winst kunnen maken door al onze goede spelers te verkopen, maar dan heb ik volgend jaar geen ploeg. De winst die we vandaag op onze transfers hebben gerealiseerd, is dus virtueel. Maar winst moét de finaliteit zijn van ondernemen, alleen wordt dat erg lastig in het voetbal.”

Een ander geheim van Marc Coucke is zijn neus voor het juiste profiel voor mensen met wie hij zich omringt. Brunhilde Verhenne staat het dichtst bij hem. Voor de sportieve gang van zaken heeft hij Luc Devroe aangetrokken, ooit bij Club in diezelfde functie. Medisch doet hij een beroep op Chris Goossens, vroeger Beerschot. Voor zijn eigen communicatie en die van KVO doet hij een beroep op Wim De Meyer (ex-VTM, ex-Focus en ex-Club).

Allen doen ze hun hoed af voor hun baas. Wim De Meyer: “Marc laat je werken. Als het niet goed is, zegt hij: dat wil ik niet meer zien. Maar hij gaat niet brullen of schelden, zoals ik anderen heb weten doen.”

Chris Goossens lacht: “Ik sta er nog van te kijken, maar die Coucke heeft mij nu zo ver gekregen dat ik straks mijn praktijk als sportarts opgeef en fulltime voor hem ga werken.”

Marc Coucke zelf: “Ik laat de mensen doen. Patrick Orlans (de commercieel directeur, HV) vroeg mij na zijn contractbespreking om de hoeveel dagen wij elkaar zouden zien. Ik zei: nooit. Ik ben in 2015 misschien vijf dagen naar Oostende gekomen als er geen voetbal was. Ik ben niet zoals andere bedrijfsleiders, dat weet ik. Mijn nieuwe werknemers bij Omega Pharma nodig ik allemaal uit naar de Salamander (een legendarisch studentencafé in de Overpoortstraat in Gent, HV). Daar bij cafébazin Rita hou ik in het zaaltje achterin een doop en een cantus voor de nieuwelingen, elk jaar weer.”

Vesche ploaten

Marc Coucke is een cijferrealist in een surrealistische wereld en zo gedraagt hij zich ook: als een surrealist. Dat beeld komt van Martin Heylen, die hem ook rock-‘n-roll noemt. “Wat hij zingt is geen rock-‘n-roll, voor alle duidelijkheid, maar dát hij zingt. Marc is rock-‘n-roll in zijn s’en foutisme. Ooit nodigde hij mij mee uit bij Club Brugge in de bestuurskamer. ‘Mijn vrouw gaat niet mee, dus vraag ik jou mee.’

Tijdens de lunch heeft hij aan het bestuur van Club Brugge de toestemming gevraagd om ‘Vesche ploaten’ (verse pladijzen, verwijst naar het oude visserslied ‘Op de vissemarkt’, een KVO-clublied, HV) te mogen zingen. En ik moest meezingen. Je had Michel D’Hooghe en Bart Verhaeghe moeten zien kijken.”

Marc Coucke

 

Verhaal Sporten tot je Barst in De Morgen van zat 13 feb 2016

Sporten tot je BARST

Bewegen voor een betere gezondheid? Ja. Regelmatig sporten? Misschien. Heel veel sporten? Neen. Dit is de nieuwe boodschap: ‘Sport met mate: een goede fysieke conditie en de overeenkomstige egoboost is niet hetzelfde als een goede gezondheid.’

Ze waren er vroeg bij dit jaar: de recreanten-fietsers. De winter begon zacht en mooi, maar ging dan over in wekenlange stortbuien. Paniek! Ze/we hopen snel op minder regen om de kilometers op te kunnen drijven. Het doel is dubbel: lange fietstochten probleemloos overleven en op kortere tochten hogere snelheden kunnen halen. Ook wedstrijden, en die bestaan in alle categorieën en voor alle leeftijden. Of de Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen uitrijden, 260 kilometer, voor de meesten een lijdensweg van tien uur of langer. Of nog andere uitdagingen.

“Wie ben ik om te zeggen, dat ze niet goed bezig zijn?”, glimlacht sportcardioloog Sanja Sharma van St. George’s, het UZ van de Universiteit van Londen. “Als ik zeg dat drie keer per week een uur flink doorstappen beter is, verklaren ze mij voor gek. Omgekeerd worden zij gek als ze niet intensief kunnen sporten. Dan is mijn keuze snel gemaakt: too is nooit goed, maar liever too much sports dan too little or no sports.”

Sharma is verbonden aan het English Institute of Sport, de Britse Rugby League, de Britse tennisbond en de London Marathon. De man met veel belangen in de topsport presenteerde afgelopen zomer samen met zijn team een studie voor de European Society of Cardiology. Uit de uithoudingssporten lopen, fietsen en triatlon werden 169 oudere competitiebeesten afgezet tegen een controlegroep van evenveel sedentairen, mensen die nauwelijks bewogen.

Wat bleek? Wie minder dan 150 kilometer per week fietste, ook minder plaque (vetafzetting, soms fout omschreven als aderverkalking) in de slagaderen had dan de sedentairen. De kans op hartproblemen, veroorzaakt door loskomende plaque of dichtgeslibde slagaderen, was duidelijk lager voor wie sportte. Maar wie méér trainde dan 150 kilometer per week, wat niet heel veel is, had meer plaque in de slagaderen dan de sedentairen, en in theorie dus een grotere kans op hartproblemen.

Die bevinding was niet nieuw, maar werd voor het eerst gestaafd door een grote representatieve groep. Ze is de zoveelste in de rij die waarschuwt voor de omgekeerde effecten van sport en vooral van een overdaad aan sport. De laatste twintig jaar duiken steeds vaker studies op die waarschuwen voor het tenietdoen van de gezondheidswinst die men verwacht te boeken met sport. Jawel, te veel sport is soms ongezond.

Langlaufen voor je leven

Er kwam meteen tegenwind. Michael Joyner, een dokter verbonden aan de befaamde Mayo Clinic in Rochester in Minnesota, reageerde in het Amerikaanse magazine Sports Illustrated op de studie met een boutade: “Voor elke studie die een negatief effect aantoont, geef ik u een studie het omgekeerde bewijst.” Die zijn er. De Zweden bestudeerden de deelnemers aan de befaamde Vasaloppet-race, een zware langlaufwedstrijd over 90 kilometer. Over een periode van tien jaar was de mortaliteit voor de skiërs maar de helft en lag het aantal hart- en vaataandoendingen nog lager. In mensentaal: wie aan die uitputtende race deelnam, had de helft minder kans om te sterven binnen de eerste tien jaar.

Ook hier past weer tegenwind, want soms is een bewijs geen bewijs. In 2013 verscheen in de European Heart Journal een studie die bewees dat de deelnemers aan de Tour de France langer leven. 786 Franse renners tussen 1947 en 2012 werden vergeleken met de Franse bevolking. Hun mortaliteitsgraad was 41 procent lager dan die van de gewone bevolking en ze leefden gemiddeld zes jaar langer.

Bewijst dit dat je langer leeft omdat je de Tour de France rijdt? Neen, wellicht is hier de selection bias in het spel, vooroordeel door selectie dus. De studie bewijst in de eerste plaats dat je over een uitzonderlijke motor moet beschikken voor de Tour de France – wellicht de zwaarste bekende sportwedstrijd van de planeet. En dat je ervan mag uitgaan dat diezelfde motor de deelnemers nadien in staat stelde om hun leeftijdgenoten moeiteloos te overleven, ongeacht de onwaarschijnlijke prestaties die ze van hun motor hadden gevraagd. Daarbij komt nog eens dat de meeste wielrenners na hun carrière er ook een relatief gezonde levensstijl op nahouden en nog geregeld sporten.

Wat die plaque betreft in de slagaders van uithoudingsatleten met veel kilometers op de teller, ook daar is enige nuance op zijn plaats. Neem Clarence DeMar. Als zevenvoudig winnaar van de Boston Marathon en de eerste masteratleet die na zijn sportpensioen doorging met trainen en competitie, was hij een levende mythe. Toen hij eind de jaren vijftig stierf (aan kanker), vond men bij een autopsie dat zich in zijn slagaders behoorlijk wat plaque had opgestapeld. Maar men vond ook dat zijn slagaders van de allergrootsten waren die ze ooit hadden gezien. Uithoudingstraining heeft zoals bekend een invloed op de grootte van het hart en het omliggende buizenwerk.

Couch potato

De plaquestudie van de Londense cardiologen bevestigt hooguit wat al langer was geweten, stelt Johan Van Lierde, cardioloog in Genk, gespecialiseerd in zogeheten ‘sportharten’ en het effect van sport op het hart.

“Ik heb heel wat oud-wielrenners in mijn patiëntenbestand. Ik weet al langer dat doorgedreven uithoudingstraining het hart schade toebrengt. Anders kan ik het niet stellen. “Ik zat vijfentwintig jaar geleden al met hartdoden die ik niet kon verklaren. Toen ik naar de befaamde Amerikaanse sportcardioloog Barry Maron trok met mijn vermoeden dat de sport zelf misschien de oorzaak kon zijn, werd ik net niet uitgelachen. Tegenwoordig waarschuwen alle cardiologen voor te veel sport, ook Maron.”

 

In 2011 kwam The Lancet met een epidemiologische studie die aantoonde dat te veel intensieve inspanning wel degelijk bestaat. 45 minuten inspanning per dag was volgens die studie de bovengrens. Er was bij langere inspanningen geen meeropbrengst in termen van gezondheid, integendeel, de gezondheidswinst nam zelfs af. Laat dit echter geen argument zijn om een couch potatoe te worden. Fit zijn is wel degelijk belangrijk, al was het maar om het vetpercentage en de suikerspiegel onder controle houden. Johan Van Lierde: “Maar wie denkt dat hij zich moet afbeulen om gezond te zijn, dwaalt. Verwar een goede fysieke conditie en de overeenkomstige egoboost niet met een goede gezondheid.”

Is het in de sport als in de marketing: less is more? Neem een eeneiige tweeling. De ene jogt drie keer per week twintig minuten en de andere traint vijftien uur als triatleet. Wie is beter en wie is gezonder? Van Lierde: “Als ze tegen elkaar gaan lopen, zal de triatleet veruit de snelste zijn, maar de jogger is gezonder bezig. Uit een Deense studie waarbij zowel sedentairen, gematigde sporters als fanatieke sporters in kaart werden gebracht, bleek duidelijk dat de niet-sporters en fanatieke sporters evenveel kans hadden om te sterven. Alleen de gematigde sporter realiseerde een levensduurvoordeel.

“Ik poneer wel eens dat je met een uur wandelen per dag een maximaal gezondheidseffect hebt, maar daarmee sta je natuurlijk nooit op de foto als competitiesporter of als competitieve recreant, die vooral geïnteresseerd is in winnen en dan pas in gezondheid.”

Oeroude lopersharten

Uithoudingssporten zijn in onze streken synoniem met lopen en fietsen. (Zwemmen is dat minder omwille van de hoge techniciteit en schaatsen is een te kleine groep.) Er is wel degelijk een verschil tussen de sporten. Lopen geeft minder problemen, volgens Van Lierde, maar wijst meteen op de sleet van het bewegingsstelsel die vele malen groter is bij lopen. “We fietsen nog maar een eeuw. Lopen doen we al miljoenen jaren. Lopersharten staan dichter bij de normale harten dan wielrennersharten, omdat wielrennen een mix is van explosiviteit en uithouding, waardoor het hart tegelijk vergroot en verdikt.”

Studies bij triatleten die over de eindmeet komen, hebben uitgewezen dat de voorkamers en de rechterkamer acuut zijn vergroot. En die hebben de dunste wanden, wat het meest gevaar oplevert voor ritmestoornissen. Van Lierde: “Als de elektrische stabiliteit van de voorkamers en de rechterkamer verloren gaat, wordt het risico op ritmestoornissen veel groter, en die kunnen levensbedreigend zijn. Vroeger werd aangenomen dat ritmestoornissen het gevolg waren van te intensieve sport, van hoge hartslagen, maar triatleten doen alles in uithouding. Jawel, het spijt mij zeer, maar acht uur fietsen aan 120 hartslag is ook hartbeschadigend.”

Er is dus vooral iets loos met onze regionale passie wielrennen. Het is de enige sport met een grote statische component (een krachtsport) én tegelijk een grote dynamische component (een uithoudingssport). Geen sport stelt hogere eisen aan het hart dan wielrennen. Het hart moet veel bloed rondpompen aan een hoog hartdebiet, en tegelijk moet het dat bloed door sterk samentrekkende beenspieren duwen om alle vezels van voldoende zuurstof en voeding te voorzien. Dat alles door een lichaam dat gehoekt zit.

Uit alle publicaties, onder meer van de Leuvense cardioloog Robert Fagard, bleek dat de structurele veranderingen in het hart van de wielrenners anders zijn dan bij andere uithoudingssporters. Afstandslopers krijgen ook een groter hart om veel volume te kunnen rondpompen, maar dat gaat niet gepaard met hypertrofie van het hart. Er treedt met andere woorden bij lopers en zwemmers geen verdikking op van de hartspier. Het hart van de wielrenner moet groter én sterker worden. Vooral dat laatste schept soms problemen, die niemand kan voorspellen.

Hartritmestoornissen

In 2003 verscheen een artikel in The European Heart Journal van de hand van zeven topcardiologen uit Nederland en België, waaronder ook Johan Van Lierde en Robert Fagard. Het artikel was het gevolg van een studie besteld door de internationale wielerbond UCI, die zich wel degelijk bewust was van een probleem. De werktitel was ‘Van koersen val je dood’, maar dat vond de UCI geen goed idee. Dus kwam daar de wat cryptische titel op: ‘High prevalence of right ventricular involvement in endurance athletes with ventricular arrhythmias’ (het vaak voorkomen van hartproblemen in de rechterkamer bij atleten met ritmestoornissen).

46 uithoudingsatleten met hartritmestoornissen werden gedurende bijna vijf jaar gevolgd. 80 procent waren fietsers. Ongeveer 5 procent had een verdikte hartspier of een afwijking aan de kleppen of de kransslagaders. 80 procent van de hartritmestoornissen hadden een zogeheten ‘linker bundeltakblok’, een vertraagde geleiding in de hartspier, door slijtage van het geleidingsweefsel. In 59 procent van de atleten ging het om een stoornis in de rechterkamer en in nog eens 30 procent was er een aanwijzing voor dat probleem. 18 van de 46 atleten kregen een belangrijke hartritmestoornis. Negen daarvan overleefden het niet. Alle doden waren wielrenners.

Conclusie: uithoudingsatleten met ritmestoornissen hebben die vaak in de rechterkamer, een gevolg van littekenweefsel in de hartspier. Dit zorgt voor verschillende zones van vertraagde of geen geleiding van de elektrische prikkel die het hart activeert: rond die zones ontstaan kringstroompjes, met kans op gevaarlijke ritmestoornissen. Dat littekenweefsel noemt men ‘het onderliggend aritmogeen substraat’.

Te alarmerend

“We brachten geen goed nieuws”, herinnert Van Lierde zich, toen de voorzitter van de cardiologische commissie van de UCI. “De studie is fel afgezwakt verschenen in The European Heart Journal. Later hebben we ze in de harde versie nog naar andere journals gestuurd, maar niemand durfde publiceren. We kregen mails terug in de zin van: too alarming for the athlete community to publish. Te alarmerend voor de sporters? Misschien wel, maar het was correct. Zo veel gezonde harten zonder onderliggende aandoening of genetische oorzaak die ineens stukgingen, dat was geen toeval. De sport was de oorzaak.”

Vandaag is elke cardioloog mee: op elk congres wordt gewaarschuwd voor te intensieve sport die kan leiden tot een toename van ritmestoornissen. Al blijft het ook voor die hooggespecialiseerden een raadsel waarom een machine van 10.000.000.000 cellen die

100.000 keer per dag goed klopt, die ene keer in de problemen komt. En toch, te véél sport mag dan voor ongezonde harten zorgen, te wéinig sport is, Sanja Sharma zei het al, nog slechter.

HANS VANDEWEGHE

Column over bondscoach Bomans oa. in De Morgen van zat 13 feb 2016

Goednieuwsshow

Bondscoach Carlo Bomans zet een stap opzij. Carlo Bomans was bondscoach van de profwielrenners op wereldkampioenschappen en Olympische Spelen en hij doet ook nog wat bij de juniores – en dat doet hij goed. Een stap opzijzetten in een functie waarbij je de verlanglijstjes noteert van de protagonisten die iedereen al kent, die voorlegt aan belanghebbende partijen om toch maar niemand tegen het hoofd te stoten, en vervolgens gaat puzzelen om iedereen tevreden te houden; is dat niet hetzelfde als weglopen?

Er is een verschil tussen bondscoach wielrennen en bondscoach voetbal. Met andere woorden: Bomans is Wilmots niet, al denk ik dat Bomans meer van koers kent dan Wilmots van voetbal. Maar in de functie van bondscoach wielrennen ligt nu eenmaal besloten dat ze niks voorstelt. Voor zijn selecties houdt hij rekening met de grote renners, hun ploegen, hun sponsors en wat de bobo’s boven hem suggereren. Eens op het WK zelf, rest de bondscoach nog twee vragen te stellen. Eerste vraag: wie denkt wereldkampioen te kunnen worden? Tweede vraag: hoeveel heb je daarvoor over? En als het over geld gaat, verlaat hij meestal de kamer. Voor die job stelde de Koninklijke Belgische Wielrijdersbond (KBWB) gisteren zijn opvolger voor: Kevin De Weert. Die is veel slimmer dan Bomans, dus dat loopt niet goed af.

Ach Carlo Bomans. Aardige man, geen grote teksten, nooit eens op een zweem van andere dan koersintelligentie betrapt, maar altijd vriendelijk, ook al had je hem op zijn ziel getrapt. In mijn geval was dat door een gerucht dat mij destijds had bereikt: Bomans zou aan de vooravond van het WK in Valkenburg bij de ozondokter Mertens zijn gesignaleerd met een busje vol wielrenners. Dat was mij voor waar meegedeeld en er zou zelfs een foto in het gerechtelijk dossier zitten.

Ik heb dat dossier nooit gezien (later wel) en de foto ook niet, maar het was toen mijn plicht als directeur van Wielerbond Vlaanderen om het de bevoegde instanties te melden, voor het geval dit ooit aan de oppervlakte zou komen. Bomans heeft daar zelf in september vorig jaar iets over gezegd in de krant, anders had ik dit hier nooit opgeschreven, want het gerucht berustte op een verzinsel. Dat had ik in de daaropvolgende dagen al kunnen uitzoeken want de bewuste trip down doping lane – dat was de suggestie – zou met een busje van Wielerbond Vlaanderen zijn gebeurd. Alleen was dat busje in die week nooit van de parking van de Blaarmeersen in Gent weggeweest.

Ach Carlo Bomans. Toen hij mij vorige zomer op Copacabana zag staan aan de andere kant van de nadars, keek hij alsof hij een spook had gezien. Ik wenkte hem voor wat tekst. Er kwam niet veel uit. Niet erg. Ik weet dat coureurs altijd coureurs blijven: die vergeven een heel klein beetje, maar vergeten niks. En het verschil tussen boodschapper en boodschap is ook al een moeilijke voor het wielermilieu.

De opvolging van Carlo Bomans is aangekondigd door middel van een persconferentie. De herschikking van de coachingstaf, zo luidde het onderwerp, en het werd verpakt als een goednieuwsshow. Vreemd dat er met geen woord is gerept over het ontslag van baancoach Jon Wiggins en de stille begrafenis van de ambitieuze wielerbaanplannen. Zeven jaar geleden moest Michel Vaarten wijken omdat hij niet met de meer wetenschappelijke Wiggins door één deur kon.

Nu kiest de KBWB voor Vaartens opvolger Peter Pieters en wordt Wiggins de wacht aangezegd omdat Sport Vlaanderen, het vroegere Bloso, geen zin meer heeft in het subsidiëren van twee topsportcoaches. Begrijpelijk, voor een programma dat helemaal in elkaar is geklapt: de achtervolgingsploeg reed op den duur haast achteruit in plaats van vooruit en kon zich niet kwalificeren voor de Spelen. Uiteindelijk zal de KBWB deze zomer anderhalve (een hele Jolien D’Hoore en een halve Jasper De Buyst) baanwielrenner naar Rio sturen.

Jaar na jaar zijn via topsportsubsidies van Wielerbond Vlaanderen door de KBWB honderdduizenden euro’s gemeenschapsgeld verteerd voor een programma dat niks heeft opgebracht. Geen enkele sport heeft zoveel geld mogen uitstorten over zo weinig talent. Eén trainer heeft nu zijn werk verloren, maar de verantwoordelijken voor die verspilling blijven gewoon zitten en maken nu nieuwe plannen. O ja, een van de toptrainers van de wielerbond, Frederik Broché, verhuist binnenkort naar Manchester, waar hij de jeugdcoaches van British Cycling gaat coördineren. Ook dat is niet aangekondigd.

Interview Evi Van Acker en Wil van Bladel in De Morgen van zat 6 feb 2016

‘We stonden te roepen in de woestijn’

Volgende zomer zullen Evi Van Acker (30) en haar coach Wil van Bladel (55) dertien volle jaren hun lot aan elkaar hebben verbonden. Wat begon met een WK in Brazilië krijgt er ook een voorlopig einde, in Rio, met de derde Olympische Spelen op rij. Nog een hoogtepunt zou niet verkeerd zijn. ‘Dat brons van Londen ligt nog op de maag.’

Als op 22 augustus 2016 zeilster Evi Van Acker en haar coach Wil van Bladel samen met het Belgian Olympic Team terugvliegen van Rio naar Brussel, gaat de Braziliaanse deur voor een hele lange tijd dicht. In de weken na de Olympische Spelen van Londen in 2012 volgden al een eerste bezoek en een stage op het moeilijkste olympische zeilwater ooit. Hoe vaker ze er zeilden, hoe complexer het water werd. Drieënhalf jaar later is Rio hun tweede, af en toe zelfs eerste thuis.

Zopas hebben ze in Miami een World Cup gewonnen en volgende week gaat het alweer richting Rio. Als het moet, gaan ze dit voorjaar nóg een keer en dan reizen ze in juli ook nog eens extra vroeg af voor de de Olympische Spelen zelf. Sinds haar bronzen medaille in Londen heeft Evi Van Acker uren, dagen, weken, maanden samen met Wil van Bladel getraind in de Baai van Guanabara.

Toerisme zat er nooit in, op die ene strandvakantie in Búzios na.

Evi Van Acker: “Mijn vriend is overgekomen tussen twee stages in; zo moest ik niet naar huis. Verder hebben we niks van het land gezien, behalve een paar toeristische hotspots in Rio, zoals het Christusbeeld en de Suikerbroodberg.

(lacht)”Zelfs daar boven op die berg hadden wij meer oog voor de de stromingen in de baai en de verschillende kleuren van het water dan voor de stad Rio onder ons. Ik weet dat de Nederlanders, Australiërs en Engelsen voor Rio een hele equipe hebben om stromings- en klimaatgegevens te verzamelen en dat wij de stroming in kaart brengen door flesjes in het water te gooien en te kijken welke kant die opgaan. Maar ik heb Wil, en hij is misschien wel de beste coach van de wereld.”

Wil van Bladel: “Ik probeer alleen maar het onvoorspelbare zo voorspelbaar mogelijk te maken, waardoor je steeds zekerder wordt van je strategie.”

Plastieken strijkplank

Wil van Bladel was zelf olympisch zeiler in Seoel in 1988 voor Nederland en later succesvol ondernemer.Training by hobbywas het, zoals hij in 2003 ging samenwerken met twee zeilvriendinnen, de Nederlandse Merel Witteveen (die in 2008 in Peking brons zou winnen in de ynglingklasse) en de Belgische Evi Van Acker, toen twee getalenteerde Europe-zeilsters.

Een jaar later was Evi Van Acker, amper 19, twee ontgoochelingen rijker en zeilster af. Op het WK van 2004 had ze met een zeventiende plaats voor België een olympisch startbewijs veroverd, maar de zeilbond gaf haar olympische selectie aan de oudere Min Dezillie. Van Bladel schudt het hoofd: “Die was 71ste geworden op datzelfde WK, maar ze durfden het niet aan om voor Evi te kiezen.” Kort daarna werd haar bootklasse van het olympisch programma gehaald en vervangen door de laser radial. (tot Evi)”Weet je nog wat je zei? ‘Ik wil niet in die plastieken strijkplank.’ Ze was klaar met zeilen.”

Van Acker: “Ik studeerde toen in Amsterdam en werd lid van de studentenroeivereniging. Ik zat samen met Merel op kamers in de Jordaan en ik reed een half uurtje op de fiets naar de Bosbaan om te trainen. Prachtige tijd gehad, maar ik miste het zeilen.”

Van Bladel: “Toen kreeg ik een belletje van Evi. Ze had gezien dat het WK laser radial in 2005 in Brazilië was, in Fortaleza, en daar had ze ineens wel zin in. ‘Kunnen we gaan trainen?’, vroeg ze. Maar ik had bij wijze van spreken nog nooit een laser radial gezien.”

Inmiddels weet coach Wil als geen ander hoe die boot moet worden gevaren en is Evi vergroeid met haar plastieken strijkplank, die haar geen windeieren heeft gelegd. Twee keer brons en één keer zilver op de wereldkampioenschappen, brons op de Spelen in Londen, ontelbare overwinningen in regatta’s over de hele wereld en als gevolg daarvan een rist prijzen en erkenningen in eigen land: het Vlaams Sportjuweel in 2011 en in 2012 een tsunami met in één maand de Trofee voor Sportverdienste, de Vlaamse Reus en Sportvrouw van het Jaar.

De tgv en de boemeltrein

Evi Van Acker is een reuzin in de Belgische sport en zonder ongelukken is zij half augustus Belgiës grootste hoop op een medaille. Met haar winst vorige week op de World Cup in Miami heeft ze 2016 alvast goed ingezet. Over de olympische ambitie wordt niet moeilijk gedaan: een medaille en liefst goud. Alles moet wijken, zelfs het WK in Mexico in mei laten ze schieten. Van Acker: “Nog eens een jetlag, daar bedank ik voor. In een olympisch jaar tellen alleen de Olympische Spelen.”

In Londen in 2012 leken coach en atlete samen zó blij met het brons, wat bij ondergetekende een oprisping teweegbracht in een column: de Nederlandse Marit Bouwmeester baalde van zilver en de Vlaamse Evi Van Acker juichte om brons, hoe typisch. Drie en een half jaar later kunnen ze glimlachen om zoveel kortzichtigheid, maar ze zijn het allang gewend dat journalisten hun sport niet begrijpen. Er volgt een uitleg.

Van Bladel: “Ze moesten in demedal racedrie lussen varen in plaats van de normale twee en ongeveer alles wat kon misgaan was misgegaan, maar in die derde lus haalde ze nog iedereen in. Daarom waren wij zo blij: omdat ze uit een compleet verloren positie terugkwam en er nog een bronzen medaille uit sleepte. Maar over het hele toernooi genomen hadden we meer verwacht.”

Van Acker: “Mijn blijdschap was erg tijdelijk. Aan wal dacht ik al: verdorie, ik had goud moeten winnen.”

Perfectionisten zijn het, allebei. O wee, wie in de weg loopt. Op de nieuwjaarsreceptie van de Vlaamse Yachtingfederatie (VYF) drukte Wil van Bladel de aanwezigen nog eens met de neus op de feiten: hij en zijn atleten zitten op een tgv en het bondsbestuur zit op een boemel en die moeten allebei over hetzelfde spoor, waardoor een botsing onvermijdelijk is.

Van Bladel: “Dat is het eeuwige spanningsveld tussen de professionals en de benevole bestuurders. Dat vreet energie, maar we hebben het goed voor met mekaar. We zijn begonnen als twee roependen in de woestijn en inmiddels hebben we een mooi team. Ik hoop vier zeilers op de Spelen te krijgen.”

Een sessietje ‘afstraffen’

In augustus van vorig jaar, halfweg het olympisch testevent in Rio, had ik afgesproken in het huis van de Belgische zeilers boven op een heuvel nabij de gepacificeerde favela Santa Marta. Het was putje winter in Rio, het equivalent een warme zomeravond bij ons. De lucht zat vergeven van de insecten en we zouden samen iets eten. Vervolgens zouden we praten, over ambitie, of het gebrek eraan in de Belgische sport, over hun plannen, over medailles, over het leven. Er kwam niks van.

Die middag op het water had Evi Van Acker tegen de adviezen van haar coach gezondigd en ze was in Guanabara Bay samen met haar laser radial compleet de mist ingegaan. Ze eindigde 22ste of zo, wat haar het goud zou kosten. Ach wat, denkt een buitenstaander, in een vooraf-competitietje is een missertje snel vergeten en vergeven, toch?

Neen, want zo zitten Evi Van Acker en Wil van Bladel niet in elkaar. Eenmaal de boot afgetuigd had Wil een lange tirade gehouden
en dat had Evi zich aangetrokken. “De tirade ja, maar meer nog mijn eigen stomme fout.” Het was een intiem coach-atleetmoment waarvan ik ongewild getuige was, maar ze zat er ook niet mee dat ik haar tranen zag. Die avond was Evi niet aanspreekbaar, hing wat doelloos rond, piekerde zich suf en ging naar de koffer in. Morgen beter.

Van Bladel: “Ze revancheert zich haast altijd na zo’n uitbrander. Die heeft dus een functie want een dag later is ze wel weer scherp, al roep ik dan wel eens niet zulke prettige dingen, waarvan ik zelf schrik.”

Van Acker: “Ik kan dat plaatsen en ik presteer altijd beter als ik de volle laag heb gehad.”
Van Bladel:(lacht)”Kon ik dat maar elke ochtend. Neen, het vergt te veel van mij.”
Van Acker: “Wablief, de dag beginnen met een sessietje afstraffen? Neen, toch maar liever niet.”

Worden de Spelen van Rio het laatste kunstje van Belgiës beste zeilster ooit? Dat is nog niet als dusdanig uitgesproken en wordt dus handig ontweken. First things first en dat is Rio. Wat kan nu nog beter aan Evi Van Acker, nu al een van de beste zeilsters van de planeet?

Van Acker: “Mijn basisniveau is hoog, maar alles kan altijd beter. Met name mijn start: soms verlies ik te veel plaatsen en moet ik inhalen. Ik kan goed inhalen, maar als je voorin zeilt, ben je nog beter af en kun je kiezen waar je heen gaat.”

Van Bladel: “Ik zou haar zo graag feller die eerste wedstrijd van de dag willen zien ingaan. Ik heb ooit eens gezegd dat ze best iets meer bitch mocht zijn, maar dat werd dan meteen een krantenkop en bitch was ook niet het juiste woord. Die alertheid, van bij de eerste race, die moet ze in Rio oppakken.”

Wil en Evi zijn coach-atleet en – ondanks de uitbranders op geregelde tijdstippen – na al die jaren ook vrienden. Van Acker: “Zijn er atleten die hun coach niet kunnen luchten? Dat zou ik niet kunnen volhouden want ik zie Wil meer dan mijn familie. Als je zo vaak samen bent, deel je natuurlijk persoonlijke ervaringen. Als ik na een lange stage op Zaventem arriveer en er is iets dat Wil moet weten, bel ik onmiddellijk.”

Van Bladel: “Maar evengoed kunnen we elkaar een week niet horen als ze in Gent traint. Het is wel goed dat het niet meer één of één is en dat we met meerdere zeilers in onze groep zijn.”

Toen Wil van Bladel na de vorige stage in Rio plots ziek werd en men niet meteen de oorzaak kon achterhalen, was Evi Van Acker bezorgd over haar trainer: “Ze vonden maar niks en hij bleef maar ziek. Bleek dat hij door een of ander beestje in het zand was gebeten. Gelukkig is hij nu beter.”

Dat voorval heeft hen aan het denken gezet. Van Acker: “Je moet er wat voor over hebben om in Rio te zeilen. Je loopt er echt gevaar. Het kleinste wondje wordt ontsmet en afgeplakt. Er zijn zeilers ziek geworden van dat vuile water.”

Van Bladel: “Het is een schande dat het Internationaal Olympisch Comité nu ineens bezorgd is om de kwaliteit van het water, terwijl ze verdorie al jaren weten wat voor een troep het daar is. Vorige zomer viel het nog mee. Ik zag toen ook niks meer drijven zoals de eerste keer, toen ik koelkasten op het water ben tegengekomen. Maar in december had het veel geregend en was het weer één gore boel. Nu staan ze bij het IOC met het vingertje omhoog, maar ondertussen trainen wij al drie jaar in die vieze troep. ‘Wil, ga jij even uitleggen wat wij allemaal denken?’, vragen mijn collega-coaches dan.”

Nederlandse directheid

Wils wil is wet. Toch is inspraak voorzien en als die niet volstaat, kent Evi ook de omweg via Hyunghae, de Koreaanse vrouw van Wil. Die kookt in het Belgisch huis in Rio voor de zeilploeg en evengoed functioneert ze als een welkome gesprekspartner. Van Bladel: “Dat doet Evi subtiel. Dan zegt ze iets tegen mijn vrouw, met de bedoeling dat die het aan mij vertelt.”

Wil van Bladel is in 2007 voltijds coach geworden op de payroll van de Vlaamse Gemeenschap. De topsportsectie van Bloso, tegenwoordig Sport Vlaanderen, heeft een kluif aan Van Bladel, maar houdt van zijn directe aanpak en zijn on-Belgische

resultaatgerichtheid. De hele constructie Wil-Evi en de andere zeilers strekt tot voorbeeld in dit landsdeel, waar de topsport normaal van de compromissen aan elkaar hangt.

Van Acker: “Door in Nederland te gaan studeren(ze haalde er haar bachelor bio-ingenieur en maakte haar master in Gent af, HVDW)ben ik veel directer geworden. Wat in België achter de rug wordt gezegd, krijg je in Nederland zo op je bordje. Ik heb dat moeten leren.”

Van Bladel: “Evi laat zonder omwegen weten hoe zij het ziet en hoe zij het wil. Die rechtlijnigheid is fantastisch. Sport is het verhaal van een kar: je hebt mensen die achter de kar lopen en er zitten mensen op de kar. Slechts een paar lopen voor de kar, dat zijn de topsporters die zullen het maken. Daar is Evi bij.”

Column De Ideale Wereld in De Morgen van zat 6 feb 2016

DE IDEALE WERELD

Wat een bijzonder interessante ontwikkeling op de laatste dag van de wintermercato: AA Gent dat Mbark Boussoufa haalde. En wat was de reactie? Een 31-jarige, die in twee jaar nauwelijks wedstrijden van belang heeft gespeeld en die straks naar de training komt in een witte Bentley, en als het nog wat tegenzit godbetert in een witte Bentley met zwarte velgen. Zo werd het ongeveer voorgesteld in de media.

Of nog: AA Gent heeft Boussoufa gehaald en is geslaagd waar Anderlecht heeft gefaald. Dat is leuk gevonden, want het naait de clubs tegen elkaar op en Anderlecht vindt nu al dat Gent veel te veel aandacht krijgt. En een dag later: Hein Vanhaezebrouck moest Boussoufa niet, maar die is hem opgedrongen door het management/bestuur. Kijk eens aan, het bestuur en de trainer kunnen niet meer door één deur.

Regel één van de media: creëer waar mogelijk tweespalt. Wie de tekstuele neerslag van de persbabbel van Vanhaezebrouck las, zal zich wellicht hebben verbaasd over de titels want in de teksten over Boussoufa was Hein zijn eigen zelf. Behalve een toptrainer is Hein Vanhaezebrouck een top-communicator die consequent blijft in wat hij zegt. Hij sprak over ‘Bous’ zoals over alle spelers: hij zal moeten werken om zijn voetbal te kunnen spelen.

Een dag later legde Boussoufa zijn conditietest af: 69 VO2max. Hallo zeg, zouden er tien voetballers in België 69 halen? Zelfs een aantal profrenners haalt dat niet. Dat wil niet zeggen dat Boussoufa meteen negentig minuten lang strepen kan trekken in balbezit en voortdurend gaten kan dichtlopen bij balverlies. Het wil alleen zeggen dat de grote motor nog steeds intact is. Als zijn voeten nog op dezelfde plaats staan als in die jaren bij Gent en Anderlecht, en zijn hoofd wil mee, kan Gent daar plezier aan beleven. Of niet. Een speler halen is altijd een gok.

Het meest interessante aspect aan de transfer van Boussoufa is hoe die werd gehaald en door wie. Het is duidelijk dat de voorzitter van Gent, Ivan De Witte, een bepalende stem heeft gehad. De Witte maakt zich al langer zorgen over de tactiek van de tegenstanders die massaal verdedigen en rekenen op een counter of een blunder achterin bij Gent om een goaltje te scoren. En in het verlengde daarvan over het gebrek aan inventiviteit en scorend vermogen van de eigen Gentse aanvallers in de steeds kleinere ruimtes. Veel balbezit, weinig doelkansen, weinig goals, en 30 meter in de rug van je verdediging: voor een voorzitter is dat de snelste weg naar een hartinfarct.

Het is ook duidelijk dat Ivan De Witte voor de Boussoufa-stunt nauw heeft samengewerkt met zijn algemeen directeur/manager Michel Louwagie. Die tandem heeft na al die jaren een neus voor koopjes ontwikkeld en zo al vaker bepalende spelers naar Gent gehaald: Matz Sels, Laurent Depoitre en Moses Simon om maar die te noemen. Zonder die drie was Gent geen kampioen geworden. Maar ook niet zonder Sven Kums, op wie de trainer dan weer zo had aangedrongen.

In de ideale sportwereld en de ideale sportclub wordt het sportief personeel door een technisch directeur samengezocht in functie van de sportieve visie van de club en wordt daar een trainer-coach bij aangesteld. In de ideale sportwereld en de ideale profclub werkt de trainer met het materiaal dat hem is aangereikt. Bevalt het materiaal hem niet, dan vertrekt hij of komt hij niet. Clubs die spelers halen in functie van hun trainer, spannen het paard achter de kar.

In de ideale sportwereld en de ideale profclub is de voorzitter een protocollair figuur die zich inlaat met de vips en de andere protocollaire bestuurders, maar zeker niet met de ploeg. Het reilen en zeilen van de club wordt bepaald noch door de voorzitter, noch de trainer, maar wel door het management met dedirector of player personnelals cruciale figuur. In de ideale sportwereld is de profclub ook geen vzw maar een bedrijf. Het is duidelijk dat het Belgisch voetbal ver afstaat van de ideale sportwereld en onze clubs in niets gelijken op de ideale profclub. De media mogen zich gelukkig prijzen dat het geen ‘ideale wereld’ is, anders waren de sportkaternen maar half zo dik.

06-02-2016-De-ideale-wereld

Column Heinwee in De Morgen van 30 jan 2016

Heinwee

De laatste week van de wintermercato is een interessante en de laatste dagen, die nu zijn aangebroken, zijn zo mogelijk nog interessanter. Anders dan zijn collega’s vindt Hein Vanhaezebrouck de winter het beste moment om in te kopen. Het laatste anderhalf jaar bewijst hij zijn grote gelijk als aankoper, die weet wat hij wil, en als coach, die weet wat hij met een speler wil.

AA Gent heeft zich weer gevoelig versterkt, dat bleek al meteen in de wedstrijden thuis tegen Club Brugge en uit bij Standard met een wervelende Wikheim en een stevige Deaux. Zelfs voor de regisseur Sven Kums hebben ze nu al een vervanger met Rob Schoofs. Gent denkt nog altijd vanuit het vroegere schaarstemodel: zuinig en goed inkopen, duur verkopen en verkassen wat overbodig is.

Ook Anderlecht heeft nieuwe spelers gehaald, maar of die een versterking zijn, moet nog worden afgewacht. De Brusselaars zijn niet zo bedreven in het laten renderen van wintertransfers de laatste jaren. En bij nader inzien zijn zomertransfers ook hun fort niet meer, nu niet iedereen die twee voeten heeft en een bal kan raken automatisch bij hen terechtkomt.

Hoe dat met Club Brugge zit, is ook niet duidelijk. Er is wat kwaliteit weg, die vooral op het laatst in de weg liep (Vázquez), maar of de transfers nu meteen verbredingen dan wel versterkingen zijn, moet nog blijken. Standard is ook een groot vraagteken. Die gekke/ geniale Knockaert is weg en Edmilson is gekomen, maar die liep in zijn eerste thuiswedstrijd al meteen te verdedigen. Dat was bij Gent wel anders geweest.

Interessant is ook hoe debad boys, of wie daarvoor doorgaan, door hun respectievelijke clubs worden geloosd. Standard heeft laten lekken dat de mensgeworden zeis Yatabaré terug zou moeten naar Olympiakos om dan weer te worden verkocht en inmiddels is hij verpatst aan Werder Bremen. Wellicht was dat ook de vurige wens van Standard, want Yatabaré heeft een al te hoog Boko Haram- gehalte als hij schoenen met noppen aantrekt. Het gevaar bestond dat hij binnenkort ook flink wat Belgische speeldagen aan zijn broek zou krijgen.

Benito Raman is al twee keer uitgeleend sinds hij in september 2011 als 16-jarige Tim Smolders kwam vervangen in de basis van Gent. De eerste keer was bij Beerschot, waar hij opviel door zijn doelgerichtheid en prompt werd gehuurd door de trainer van KV Kortrijk, Hein Vanhaezebrouck. Dezelfde die hem bij zijn Gentse kern hield bij het begin van het kampioenenseizoen, wat een goed idee was want Raman scoorde in de play-offs de 2-3 uit bij Club Brugge, een van de belangrijkste doelpunten in de geschiedenis van blauw-wit.

Dit seizoen liep het voor geen meter. Eerst was er het snookerincident en vervolgens opende hij met een volstrekt debiele oneliner de Gentse doos van Pandora. Dat ene zinnetje zorgt nu al weken voor beroering overal waar Club Brugge zich vertoont. Een pronostiek: Benito Raman speelt nooit meer in het Gentse blauw-wit.

Andere pronostiek: Anthony Vanden Borre speelt dra weer in het paars-wit. Zoals Yatabaré geen misdadiger is, en Benito Raman een hele aardige jongen is die het allemaal zo niet had bedoeld, zo zal Anthony ook wel een oké gast zijn. Of dat een goede reden is om terug te komen op eerdere statements als daar zijn “nooit nog in de A-kern”, “een mooie toekomst, in de B-kern” en “einde verhaal op Anderlecht” is niet zeker.

Dit is het nieuwe economisch realisme dat op Anderlecht wordt gepredikt, met financiële bazen die een hekel hebben aan kapitaalsvernietiging en dat is ongetwijfeld van toepassing op het dossier Vanden Borre. Een jaarsalaris naar paars-witte normen
en geen enkel rendement, daar moet een boekhouder gek van worden. Omgekeerd wordt een trainer gek als die in zijn niet al te stabiele kleedkamer uitgerekend de meest labiele van alle spelers door de grote poort ziet terugkeren, ongetwijfeld met een grijns op zijn gezicht. Dat is ook een verschil tussen Hein Vanhaezebrouck en zijn collega’s: hij heeft zijn kleedkamer in één zomer – die van 2014 – op orde gekregen en geregeld houdt hij grote schoonmaak. Met de steun van zijn bestuur, nóg een verschil. De periode na Vanhaezebrouck heeft nu al een naam: Heinwee.

 

30-01-2016-De-Morgen-p22-Heinwee-single

Verhaal Kunstgras in De Morgen van 30 jan 2016

Hoelang moet kunstgras nog in de hoek staan?

AA Gent laat maandag in de Ghelamco Arena een nieuwe grasmat aanleggen. Met natuurgras uiteraard, want kunstgras is slecht: knoken gaan kapot, voetballers worden mietjes, het is duur, het discrimineert vrouwen en de Hollanders kunnen er niet meer door winnen. En toch: ‘Het beste gras is kunstgras.’

Toen de Rode Duivels eind vorig jaar voor hun kwalificatie-interland naar Andorra reisden, ging het maar heel even over de bakker en de beenhouwer en de garçon in het belastingvrije elftal. Al heel snel verlegde de focus zich naar het kunstgrasveld, dat eerder door de grote Gareth Bale van Wales was neergesabeld als”the worst pitch ever”. “Kijk eens hoe die zwarte vulling opspringt”, wees de commentator ons op het veld bij een close-upje toen er weinig te beleven viel. “Dat zijn gemalen autobanden.”

Daags na de wedstrijd kwam in het Technologiepark van de UGent in Zwijnaarde alvast één man werken met licht bezwaard gemoed. Stijn Rambour is als afdelingshoofd chemie en kunstgras van de Vakgroep Textielkunde een wereldwijde autoriteit op het vlak vanartificial turf. Hij certificeert kunstgrasvelden in Europa en test momenteel velden met het nieuwste slijtagetoestel volgens de recente technische eisen van de wereldvoetbalbond. Wie zijn specialisme aanvalt, moet correct blijven.

“Kunstgras is over het hele jaar genomen het best mogelijke gras”, zegt Rambour. “Het kan alles wat een natuurlijke grasmat kan, en dat een heel jaar lang, zomer en winter. In Andorra ligt niet de beste versie en ze leek mij ook niet goed onderhouden.”

De betere versie ligt in Sint-Truiden boven op een parking. Het thuisveld van het plaatselijke STVV heeft kunstgras sinds de renovatie van Stayen. Elke tegenstander vindt ‘Stayen uit’ een moord op het voetbal, een aanslag op lijf en leden, en wordt daarin bijgetreden door de analisten, meestal uitgewoonde voetballers.

Ook trainer Hein Vanhaezebrouck van AA Gent is een ex-voetballer, met slechte knieën bovendien, en de facto een kunstgrashater. “Voetbal moet op gewoon gras worden gespeeld.” Waarna een opsomming volgt van wat er allemaal fout zou zijn aan de artificiële versie. Anderhalve maand geleden sprak hij ineens anders: “In december in Sint-Truiden voetballen is ideaal, want het weer heeft geen vat op dat kunstgras.”

Gras in Gent: 500.000 euro

In zijn thuishaven is dat wel even anders, heeft hij inmiddels ondervonden. Gent speelt zijn derde seizoen in het nieuwe stadion. Alles kan er, alles is er, in de Ghelamco Arena, alleen wil het gras er niet te best groeien. Natuurgras heeft behoefte aan veel licht en veel wind, en gesloten stadions zijn juist gebouwd om de wind buiten te houden, met daarboven ook nog eens een ruim bemeten dak dat de toeschouwers droog houdt, maar ook veel licht wegneemt.

Hoe noordelijker, hoe moeilijker het gras het heeft in die nieuwe tempels. De eersten die dat ondervonden, waren de godenzonen van Ajax. Twee jaar nadat de nieuwe Amsterdam ArenA de deuren had geopend in 1996, lag er al een achtste grasmat.

Gent doet het met twee matten per jaar, maar wie de voorbije weken de moeite nam om de Ghelamco Arena binnen te lopen, had de schade kunnen opmeten van de duels tegen RSC Anderlecht en Club. En had de enorme batterij lichten gezien die het gras de indruk geven dat het altijd zomer is in de Ghelamco. Tijdens de wedstrijden vlogen de zoden evenwel in het rond en dus verwachtten de media een oprisping van Vanhaezebrouck. Er kwam niets. “Het heeft te veel geregend.”

Vanhaezebrouck weet allang dat maandag, daags na de thuiswedstrijd tegen Beveren, de Ghelamco Arena al zijn tweede grasmat van het seizoen krijgt en een hele dure deze keer. AA Gent zag in de winterstop op last van de UEFA een grasexpert – een echte grasdokter – en die schreef een lijvig rapport. Zijn conclusie was duidelijk: de grasmat die er ligt, voldoet niet voor de Champions League; oprollen die handel en een nieuwe mat leggen tegen de komst van Wolfsburg.

Manager Michel Louwagie met een lichte zucht: “Voor ons drukke programma op drie fronten zijn matten die zes tot acht maanden wortelen niet goed genoeg, dus komt er nu een grasmat die achttien maanden heeft kunnen wortelen.”

Om dat gras op orde te krijgen, transfereerde Gent in het tussenseizoen zelfs degreenkeepervan Sporting Lokeren, een primeur voor het Belgische voetbal. Tijdens de winterstop werden dan nog eens kapitalen uitgegeven om de mat die in september was gelegd (kostprijs 80.000 euro) tot leven te wekken. De veldverwarming ging volle bak, de lampen die het veld beschenen, draaiden overuren en er werd ingezaaid zonder op een zakje zaad te kijken.

Afgezien van de enorme ecologische voetafdruk van voetbal – onder het veld verwarming, erboven lampen, en geen leds voor alle duidelijkheid – is er ook de directe kost. “Omdat jullie mij de vraag stelden, heb ik het uitgerekend”, zegt Michel Louwagie. “Ik ben zelf een beetje geschrokken: wij zullen dit seizoen aan 500.000 euro zitten, waarvan 150.000 euro alleen voor die nieuwe grasmat.”

Daar heb je het aller-aller-beste kunstgrasveld voor in een groot stadion en daar speel je minimaal zeven jaar op.

Kunstgras biedt bovendien de luxe dat je veel meer activiteiten kunt inplannen zonder bang te zijn dat het veld niet meer wedstrijdwaardig is. Terwijl gras maximaal driehonderd uur per jaar kan worden bespeeld, is dat voor kunstgras ruim tweeduizend uur. Onderhoud beperkt zich tot één keer per week borstelen door één man die in drie uur rond kan zijn. STVV meldt bij monde van manager Philippe Bormans dat daarnaast twee tot drie keer per jaar een groot onderhoud met een borstelmachine gepland staat. Kostprijs: telkens 500 euro. Daarbovenop is er nog eens een keuring van de FIFA en die kost 1.500 euro per seizoen.

 

Jawel, de conservatieve FIFA die er decennia over doet om de meest logische reglementswijziging toe te passen, is al mee met kunstgras. Er is zelfs al een heel WK op gespeeld, zij het niet zonder protest. Maar wat is dat kunstgras eigenlijk? Stijn Rambour: “De betere kunstgrasvelden liggen op een drainerende laag van steenslag of vulkaangesteente. Daarbovenop ligt een schokabsorberende mat en dan pas de eigenlijke grasmat van polyethyleen, met een tussenvulling van zand en rubber of kurk.”

De slechte reputatie van kunstgras is een gevolg van de eerste versie die AstroTurf heette en in de jaren zestig werd ontwikkeld voor het American football. De polyamidevezel (nylon) was te stug voor voetbal en leverde brand- en schaafwonden op. Een tweede generatie vezels bestond uit polypropyleen en werd heel snel toegepast in het veldhockey, waar het zelfs verplicht werd. Het zand tussen de vezels maakte slidings in het voetbal nog steeds riskant.

Men zocht verder en kwam in 1996 uit bij de derde generatie, een mat gemaakt van polyethyleen en zo goed als identiek aan echt gras. De lengte van de vezels veranderde (40 tot 60 millimeter), ze stonden wijder uit elkaar en het tussenmateriaal werd zand met bovenop een laag rubberkorrels. De noppen van de schoenen konden daardoor in het gras drukken zoals bij natuurgras.

De vierde generatie kunstgras is nog in volle ontwikkeling. Men zoekt nu naar een alternatief voor de rubberen vulling tussen de vezels, waardoor het gras nog natuurlijker lijkt. Kurk lijkt het pleit te gaan winnen, omdat het samendrukkende effect van kurk nog beter op dat van gras lijkt.

Rare uitschuivers

Maar slaan van dat onveilige kunstgras je knieën niet in een knoop die alleen orthopeden nog kunnen ontwarren? Volgens kinesist Lieven Maesschalck is trainen of spelen op kunstgras geen indicator voor meer of andere blessures. “Een egale mat kan zelfs blessures vermijden.”

De Zweedse dokter Jan Ekstrand deed namens de FIFA als eerste onderzoek naar de bewering dat blessures vaker zouden voorkomen op kunstgras. Zijn conclusie: “Het aantal blessures blijft gelijk. De aard van het letsel verschilt wel licht: op kunstgras heb je minder spierblessures en iets meer enkelblessures. Vreemd genoeg vonden we meer brandwonden op gewoon gras dan op kunstgras.Artificial turfheeft een slechte naam bij trainers en spelers, maar dat is gebaseerd op de ervaring met de eerste generatie velden. Met de tijd zal de weerstand verminderen.”

In België wordt kunstgras geassocieerd met Roland Duchâtelet, eigenaar van het stadion in Sint-Truiden, wat ook niet helpt natuurlijk, maar voetbalgeesten rijpen altijd traag, weet Gent-manager Michael Louwagie met zijn dure natuurgras: “Ik wil best wel geloven dat kunstgras beter is, maar ik krijg mijn spelers er niet op.”

Met de bouw van nieuwe stadions en de intrede van financiële kostenbewaarders in het clubmanagement zal toch de druk toenemen om van dat natuurgras afscheid te nemen. Tot zolang zullen de voordelen van kunstgras onder de mat worden geveegd. Die zijn overweldigend: je raakt er niet méér door geblesseerd, het is niet weergevoelig, de mat is overal gelijk van kwaliteit, de bal springt niet hoger op en rolt ook niet sneller of trager, rare uitschuivers zijn onbestaande en je kunt meer activiteiten plannen in je stadion. En dat voor een jaarlijkse afschrijving van 100.000 euro.

Geen gras meer afrijden, geen gras meer dichtprikken tijdens de rust. Drie uur borstelen door één man, na een wedstrijd, zoveel wekelijks onderhoud volstaat voor een kunstgrasveld, maar het is wel essentieel. Rambour: “Als het veld niet wordt onderhouden, gaan de korrels tussen de vezels samenklitten en vormen bolletjes, waardoor de noppen niet meer in het gras kunnen drukken. En dan wordt het wel gevaarlijk.”

Het mag vreemd lijken, maar van alle landen heeft Nederland de meeste kunstgrasvelden. Heel lang werd aangenomen dat die infrastructuur juist de reden was voor het typisch Nederlandse spel gebaseerd op snelle balcirculatie en techniek. Begin december van vorig jaar ging in het Nederlandse topsportcentrum Papendal een congres door dat luisterde naar de mooie naam ‘Het ideale veld’. Heracles-voorzitter Jan Smit, trotse bezitter van een kunstgrasveld in de eredivisie, wist zich na afloop van het grote gelijk verzekerd. “Er zijn geen objectieve redenen om kunstgras af te branden. Er zijn alleen maar voordelen. Iedereen moet dat nu maar eens toegeven.”

Als er geen objectieve redenen zijn, dan zijn er genoeg subjectieve. Een columnist van de Nederlandse sportkrantADzocht naar
een oorzaak voor de mindere resultaten van Oranje en kwam uit bij het kunstgras. “Sinds ons voetbal overspoeld wordt door dat vermaledijde kunstgras, hebben wij als groot opleidingsland godbetert niet één wereldtopper voortgebracht. Onze kunstgrasvoetballers zijn comfortvoetballers geworden die walgen van een zompig veld vol kuilen en hobbels.”

Dat Nederland van alle nationale selecties zowat de kleinste gemiddelde lengte heeft, terwijl in Nederland juist de langste bevolking ter wereld woont, heeft minder te maken met het speeloppervlak dan wel met een verkeerde selectie en detectie. Desalniettemin besloot de columnist: “Het is de schuld van de kunstgrasmaffia.”

Discriminatie op WK

Hoezeer de weerstand tegen kunstgras ingebakken zit in het collectieve voetbalverstand (of het gebrek daaraan), werd vorig jaar duidelijk in de aanloop naar de World Cup voor vrouwen in Canada. De Amerikaanse Abby Wambach en de Duitse doelvrouw Nadine Angerer, twee wereldtoppers, verzamelden 23.000 handtekeningen om te protesteren tegen de kunstgrasvelden waar hun World Cup op zou worden gespeeld. “De mannen krijgen echt gras en de vrouwen moeten op onveilig kunstgras; dat is discriminatie.”

Ze dienden een klacht in voor een inbreuk op de Canadian Human Rights Act. De FIFA boog niet, ook niet toen Wambach na de eerste ronde het kunstgras de schuld gaf van een gebrek aan goals. Waarna de VS ineens wel begonnen te scoren en voor de tweede keer wereldkampioen werden in een finale met zeven goals (5-2 tegen Japan).

Abby Wambach zat op de bank en over mensenrechtenschendingen door kunstgras heeft niemand nog iets gehoord.

Column Matchfixing in De Morgen van 23 jan 2016

Matchfixing

Vorige week vertoefde ik in wielermiddens. Voor een sportjournalist zijn er maar twee middens meer: het voetbal of het wielrennen. Het wielrennen is een veel boeiender milieu dan voetbal, dat zeker. Wielrennen lijkt een beetje op een antiekzaak in een oude volkswijk in een mooi land: je vindt er naast mooie spullen ook interessante mensen met mooie verhalen. Voorgaande is als metafoor bedoeld. Er is voor elk wat wils in de koers, ook parels, als je maar goed kijkt.

Voetbal is meer egaal, meer gecontroleerd, mainstream, voorspelbaarder, ook in de positieve betekenis van het woord. Je kunt in het voetbal al eens een voorafname doen en op iemand rekenen, zolang niet te veel geld in het spel is. En als je heel veel geld hebt, kun je de boel kopen en sturen, wat in het wielrennen al wat lastiger is. De Johnny’s en Marina’s die bij het voetbal horen, moet je maar weten te mijden.

Maar goed, het wielermilieu, vorige week, aan de Costa Blanca. Twee ploegen zaten in mijn hotel en allebei hadden ze met veel plezier – leedvermaak haast – de actualiteit van de laatste weken gevolgd. Die FIFA, wat was dat zeg? En de IAAF, die jarenlang positieve tests van de Russen had verzwegen. Lachen! “Daarmee vergeleken is de UCI een voorbeeldbond.” Dat was een correcte conclusie: de internationale wielerunie was inzake dopingbestrijding een wegbereider. Verdomd jammer dat onze media dat anders blijven zien.

Het wielermilieu had zich ook nog mateloos gestoord aan het ‘et alors?’ van atlete Ria Stalman die haar steroïdengebruik had opgebiecht en het schouderophalen dat daarmee gepaard ging. Dat hadden ze afgezet tegen de obsessie om die arme ex-wielrenner Michael Boogerd alsnog te schorsen als ploegleider van Roompot.

En dan het tennis. Omkoping alom blijkt nu, tot in de top vijftig. Grappig: de heilige boontjes van het tennis die uitslagen regelden. Toen heb ik het wielervolk wel van repliek gediend. Combines en afspraken die in hun sport tot de onuitgesproken gewoontes behoren, zijn in de andere sport redenen om voor het leven te worden geschorst. Omkoping of matchfixing is hetzelfde lot beschoren als doping: overbelichting en panische reacties. En dat is veel eer voor wat gerommel in de marge. Natuurlijk zou het goed zijn als alle sport 100 procent eerlijk zou verlopen, maar sport is een spiegel van de maatschappij en dan weet je het wel. Omdat de sportbonden onder druk van de publieke opinie evenwel integrity units hebben geïnstalleerd die hun nut moeten bewijzen en hun salaris verantwoorden, duiken op gezette tijden berichten over omkoping op. Die bewakers van de sportieve eer leven in een perfecte symbiose met journalisten die van berichten over omkoping en matchfixing hun USP, hun uniek verkoopargument, hebben gemaakt.

Je kunt je afvragen of het regelen van een wedstrijd erger is dan een been doormidden schoppen (of een poging daartoe). Voor het ene krijg je gevangenisstraf terwijl je van darmkanker bent geopereerd, voor het andere mag je een paar wedstrijden in een knusse skybox toekijken. Een paar jaar geleden presenteerde Europol nog een studie over matchfixing in het voetbal. ‘Investeringen’ en ‘return’ opgeteld bedroeg de illegale gokbusiness per jaar 2,5 miljoen euro. Dat was toen 0,014 procent van de Europese voetbalbusiness en daarin was 0,2 procent van het voetbalpersoneel betrokken. Conclusie: het Europees voetbal is zowaar een en al maagdelijke zuiverheid. De sportieve integriteit is alvast minder in het gedrang dan de fysieke.

Matchfixing heeft bestaan, bestaat nog en zal altijd bestaan, maar is verre van de bedreiging die men ons wil laten geloven. Het is bovendien een zelfvernietigende business, want bij de minste twijfel droogt de geldstroom van de eerlijke gokkers op en dan is de fixer de enige die nog gokt op geregelde wedstrijden en daar wordt die niet rijk van. Een veel groter probleem lijkt de macht van de officiële gokbedrijven. Die staan op de shirts of op de boarding en zitten in de bestuurskamers. Dáár moet ooit ellende van komen en die zal veel groter zijn dan een stel Aziaten die in een goor achterafkantoortje een Facebook-berichtje sturen naar de nummer honderd van het tennis met de vraag om een set met 6-0 te verliezen.

Column over Dakar op demorgen.be van maandag 18 jan 2016

De doden van de Dakar krijgen een naam, de locals niet. En intussen raast de moordrace verder

Dit stukje gaat niet over sport, maar over opzettelijke doodslag als sport verpakt: sommigen noemen dat de Dakar. Ik ben er nooit bij geweest als journalist, maar ik heb er goede herinneringen aan. Elk jaar was de karavaan des doods wel goed voor een columnpje en een van de betere edities was toch toen die werd afgelast. Ik schreef een brief aan de schuldige, met name Osama Bin Laden, wiens aanhangers hadden gedreigd met een aanslag.

Ik citeer uit eigen werk. We schrijven januari 2008.

Beste O, 
Goed gedaan van u, want dit is zowat het meest onzinnige evenement in de geschiedenis van de homo ludens. Wat ben ik blij dat deze Club Med voor would-be overlevingskunstenaars van de baan is. Weet u dat er al vijftig mensen zijn gestorven in negentwintig jaar Dakar? Jaja, we weten wel dat u met één opblaas-Mohammed moeiteloos dezelfde score haalt, maar als u er nu eens een gewoonte van zou maken om elk jaar rond deze tijd heel luid BOE te roepen vanuit uw woestijn? Deal? Dan schijten die 4×4-jeanetten collectief in hun broek en heeft u deze krant alvast mee.

Einde citaat.

Ik had die column geschreven om tegemoet te komen aan de dwingende eis van onze hoofdredacteur van toen. Die had ooit zelf de Dakar gereden samen met Koen Wauters, die in 2008 ook niet kon starten, en de hoofdredacteur wilde dat ik gepaste aandacht besteedde aan de afgelasting. Hij was niet erg opgezet met de teneur van mijn stukje, niet geheel tot mijn verbazing wil ik na al die jaren bekennen, maar dat was in tempore non suspecto, toen de tenen nog niet zo lang waren (of toch, en we er opzettelijk gingen op staan).

Vandaag kan dit niet meer, niet vanwege onze onvolprezen hoofdredactie, maar omdat je met zo’n column de gecombineerde banvloeken van Youssef, Montasser en Abu over jezelf afroept. En daarna hun volgelingen en dáárna politiek al te correct Vlaanderen. Vervolgens zou het Centrum voor GK zich ook nog bemoeien en zou ik een klacht bij de Raad voor Journalistiek aan mijn been hebben. Alleen al om niet voor die laatste te moeten verschijnen, en om niet weer die ene juriste met haar rare vragen achter mij aan te krijgen, zal ik voorgaande nooit meer schrijven.

Maar nu, de Dakar. Osama’s clubje had uiteindelijk aan één BOE genoeg: de ongelukskaravaan raast sindsdien niet meer door in Afrika, maar door Zuid-Amerika. Argentinië, Chili, Peru en Bolivië. 

Of ze nu door de Afrikaanse zandbakken dan wel de Zuid-Amerikaanse pampa’s rijden, het resultaat blijft hetzelfde. Op gezette tijden verongelukt iemand van de organisatie – een rijder als er wat geluk mee gemoeid is – maar de meeste doden vallen onder de omstaanders. De doden van de Dakar krijgen een naam, de locals niet.
Volgens Wikipedia zitten we nu zelfs al aan zeventig doden sinds 1979 waaronder 28 deelnemers: negentien met de motor, zes met de auto en één met de truck. Twee kregen een kogel door hun hoofd van lokale rebellen, één keer door de Touaregs en één keer door het Polisariofront, waarvan ik mij nu prompt afvraag waar die in godsnaam zijn gebleven. Van de 42 niet-deelnemers die doodgingen, is de organisator Thierry Sabine (helikopterongeluk) de bekendste. Daarnaast stierven veertien journalisten en zevenentwintig toeschouwers, waaronder vier kinderen.
De meeste toeschouwers hebben geen naam. De dode kinderen heten Boubacar Diallo, Mohamed N’Daw en Tomas Soldavini. Van het meisje van vijf dat op 11 januari 2005 langs de weg naar Dakar met haar ouders stond te kijken en al spelend tussen de wielen van een aanstormende vrachtwagen terecht kwam: geen naam. Ook deze editie gingen er twee dood: opnieuw, geen naam. En de moordrace raasde verder. 
De winnaar editie 2016 kennen we wel: die heet Stéphane Peterhansel. Hij kwam dit weekend als eerste over de eindmeet in Rosario.