Column Onderwerping (inmiddels tegengesproken ;-) in De Morgen van zaterdag 20 maart 2021

De onderwerping

Extra Time Koers haalt vooralsnog niet het niveau van de voetbalversie. Dat kan ook moeilijk anders met die lage frequentie, gasten die niet op elkaar zijn ingespeeld en die formule, een hapsnap van toogpraat die eenmaal goed op gang steevast wordt onderbroken met een leuke, net iets te lange repo.

Sammy Neyrinck volgde tijdens Nokere Koerse deze week Mark Cavendish. Die kwam in die wedstrijd nogal uitgewoond over de streep, ver na het peloton. De directe en officiële reden was een val, de indirecte en echte reden was dat hij na die al bij al onschuldige val nogal makkelijk bleef liggen, wellicht omdat hij toen al aan het eind van zijn Latijn was. Anders val je ook niet op die plek, in die fase van de koers.

Komt het nog goed met jou, Cav? Het had een vraag kunnen zijn. Maar neen. Van Mark Cavendish mag niemand iets zeggen of vragen over Mark Cavendish, tenzij hij Mark Cavendish heet. Op een andere terechte en onschuldige vraag van Sammy wilde Cav niet antwoorden. Hij excuseerde zich: het was allemaal de schuld van die – aldus Cav – shitty small cycling websites die een quootje van hem uit een interview overnemen, waarna die quote een eigen leven gaat leiden. En dat wil hij niet meer. Wat hij dan wel wil? Met rust worden gelaten.

Ik vind het in wielrennen meevallen met die shitty wielersites, vergeleken met het voetbal tenminste. Ik weet niet of Wielerflits daarbij wordt gerekend, ik hoop het niet, want ik haal daar wel wat info uit. Zoals eergisteren dat verhaaltje over Mathieu van der Poel en zijn cockpit, het onderdeel van zijn fiets dat we vroeger gewoon stuur en stuurpen noemden. Dat stuur was in Le Samyn ter hoogte van de kromming afgebroken bij Van der Poel en daarop besloot Canyon alle (dure) fietsen van dat type aan de kant te zetten. Klanten krijgen 1.000 euro vergoed en een nieuw stuur, excuseer cockpit. Mathieu krijgt die natuurlijk als eerste.

Waarmee we – alle wegen leiden erheen – bij Mathieu van der Poel zijn aanbeland. En natuurlijk ook Wout van Aert. Als je de een ziet staan in de krant, zie je de ander. Op een echt wel shitty site, die van de Gazzetta dello Sport, las ik dat Van Aert vandaag met nummer 1 start, het minste wat je kunt verwachten voor een ex-winnaar. Het grote rugnummernieuws was dat Van der Poel met 21 van start gaat. Big deal. Toch voor de Italianen. Eenentwintig is namelijk het geluksrugnummer van Marco Pantani. Met 21 heeft hij in 1998 de Tour gewonnen, schreef de Gazzetta er nog bij. De Tour van 1998… De Tour van de schande. Als er nu één Tour was die je niet wilde/mocht winnen, dan toch die. In zijn volgende grote ronde, die van Italië, werd Pantani uitgesloten voor doping.

Wat ik mij nu afvraag na het lezen van de kranten deze week: waar zijn de conculega’s van Mathieu en Wout of Wout en Mathieu en heel af en toe Julian – die het inmiddels flink op hun heupen krijgen van die onophoudelijke stroom aan lofbetuigingen aan het adres van die twee/drie? Houden die zich in, is de woede-uitbarsting nabij, broeden ze op een plan voor vandaag? Of, waar ik voor vrees, is er echt sprake van totale onderwerping?

Wielrennen is geen voetbal, waarin je kunt worden gedomineerd en toch winnen. Of een paar goals tegen krijgen, toch zelf nog een mooie goal scoren en met een redelijk gevoel van het veld stappen. Of de VAR met de vinger wijzen voor het verlies. Wielrennen is vaak een fysiologische afrekening, des te meer naarmate de wedstrijd zwaarder wordt. Wielrennen is ook een sport waarin de beste wil laten zien dat hij de beste is, zelfs tegen beter weten in.

Dat vertaalt zich in flukser overnemen, langer op kop blijven, trager van kop af gaan waardoor de andere zich tussen zijn kader moet plooien om vooraan te komen. Aan het eind van een zware wedstrijd weten de koplopers maar al te goed wie de sterkste is en ze zijn niet eens te beroerd om dat onderling toe te geven, ook al zijn ze nog onderweg. Zo hielden Mathieu van der Poel en Julian Alaphilippe in de slotfase van de Strade een praatje onder elkaar. Waarbij Julian tegen Mathieu zei dat het beste eraf was bij hem en Mathieu dat na de aankomst even duidde met een extra melding: Julian zal niet liegen tegen mij. De maat van Egan Bernal hadden ze eerder al genomen, zonder te praten, gewoon op het zicht.

Een zware wielerwedstrijd eindigt niet zelden met de totale onderwerping en onvoorwaardelijke overgave. Toprenners worden niet geklopt, ze capituleren. Soms ver op voorhand zoals Philippe Gilbert: “Die gasten mogen nog vijftien pinten drinken de avond voor de wedstrijd, ze winnen nog.” Het mag een wonder heten dat ze vandaag met 175 aan de start staan. 172,5 van hen rijden vandaag de meest zinloze 300 kilometer uit hun bestaan.

Verhaal over jongere winnaars in het wielrennen in De Morgen van zaterdag 20 maart 2021

Sterker, sneller, snotneuzen

De generatie Z op wielen heeft lak aan oude waarheden, tart de klassieke wetten en koerst met panache. Van Remco en Mathieu tot Wout: wie zijn ze, waar komen ze vandaan, wat drijft hen en waarom verbazen ze ons?

Vandaag staat met Milaan-San Remo de eerste van vijf wielermonumenten op de kalender. Het is de klassieker van de tegenstellingen: de veruit langste van alle wedstrijden is de minst lastige. De wedstrijd vereist een laag gemiddeld vermogen tijdens de eerste 290 kilometer, gevolgd door 3,6 kilometer knallen op het grote blad, waarna een even lange afdaling volgt en dan nog twee kilometer naar de Via Roma waar meestal wordt gesprint.

Door die laatste heuvel – de Poggio is geen col en al helemaal geen berg – en de bruuske overgang van rustig meerijden naar volle gas bergop, is Milaan-San Remo een wedstrijd op maat van de jonge wolven in het peloton. Lees: jonge harten. Acht van de tien laatste winnaars in San Remo waren 26 of jonger. Ter vergelijking: in Luik-Bastenaken-Luik en de Ronde van Lombardije, de twee zwaarste monumenten, ging dat telkens over twee op de tien renners. Al kun je alleen maar speculeren hoe de laatste Ronde van Lombardije zou zijn geëindigd als Remco Evenepoel – toen 20 jaar – niet uit de kopgroep het ravijn was ingedoken.

Uit de tabel bij dit stuk blijkt dat de gemiddelde leeftijd van de winnaars nergens lager ligt dan in San Remo en dat is geen vaststelling van de laatste jaren. In 1966 begon de twintigjarige Merckx er aan zijn ongeëvenaard palmares. Hij zou de wedstrijd zeven keer winnen. De laatste tien edities is de gemiddelde leeftijd van de winnaar 26,7 jaar; 2019 en 2020 haalden het gemiddelde nog wat naar beneden. In 2019 won de toen 26-jarige Julian Alaphilippe en afgelopen zomer was Wout van Aert aan het feest in een sprint met twee tegen diezelfde Alaphilippe. Van Aert was toen 25, bitter jong volgens de geldende wielerwetten. De voorbije dertig jaar zijn de honderdvijftig betwiste monumenten maar vijfentwintig keer – of één op de zes keer – gewonnen door een renner van 25 jaar of jonger. In de grote Rondes – nóg zwaarder dan een eendagswedstrijd – zijn maar elf van de voorbije negentig edities gewonnen door een renner van 25 of jonger.

Wat goed is, komt snel

Heel onlangs vertoont die statistiek eigenaardige uitschieters. Neem nu de Ronde van Frankrijk, algemeen beschouwd als de allerzwaarste van alle sportwedstrijden, enerzijds omwille van het parcours, maar vooral omdat het deelnemersveld drie weken op de toppen van zijn tenen koerst. Tussen 2011 en 2018 lag de gemiddelde leeftijd van de winnaar boven de 31 jaar. Maar in 2019 reed Egan Bernal als 22-jarige in het geel naar Parijs. Vorig jaar was dat dan weer Tadej Pogacar, 21 jaar zowaar.

Ook de Giro kende een plotse invasie van sneller, sterker, jonger. Bij de laatste vier winnaars zijn er drie van 26 of jonger: Tom Dumoulin (26 in 2017), Richard Carapaz (26 in 2019) en Tao Geoghegan Hart (25 vorig jaar). De tweede in die Giro van vorig jaar was Jai Hindley, toen 24. De 21-jarige Joao Almeida van Deceuninck-Quickstep miste net het podium. Bij de klassiekers springen Milaan-San Remo (Alaphilippe en Van Aert) en de Ronde van Vlaanderen (Alberto Bettiol en Mathieu van der Poel) eruit, met telkens winnaars van rond de 25.

Er is alvast één wet waar geen enkele sport aan ontsnapt: wat goed is, komt snel. Wielrennen is daar geen uitzondering op, maar vooral de laatste twee jaar vallen de supertalenten onder de jonge twintigers niet meer op twee handen te tellen. Even een opsomming van bitter jong tot jong: Olav Kooij (19), Quinn Simmons (19), Remco Evenepoel (21), Mauri Vansevenant (21), Andrea Bagioli
(21), Andres Camilo Ardila (21), Tom Pidcock (21), Jake Stewart (21), Mikkel Bjerg (22), Joao Almeida (22), Marc Hirschi (22),
Tadej Pogacar (22), Stefan Bissegger (22), Harm Vanhoucke (23), Tobias Foss (23), Egan Bernal (24), Filippo Ganna (24), Jonas Vingegaard (24), Jai Hindley (24), Tao Geoghegan Hart (25), Mads Pedersen (25), Wout van Aert (26), Mathieu van der Poel (26). Excuus aan wie ik hier ben vergeten.

Die laatste drie namen zijn bekend, staan nu al aan de top van hun voedselketen en winnen ongeveer waar ze dat willen. Voor
hun palmares na twee, drie jaar op de weg wil een concullega-dertiger een moord begaan. Anderen in die lijst zijn (nog) niet zo bekend, maar worden door insiders als potentiële winnaars getipt. De helft uit die lijst zal misschien nooit helemaal de verwachtingen waarmaken, maar alleen al de supergeneratie van de 21- en 22-jarigen, aangevoerd door Evenepoel, Pidcock en Pogacar, is om bang van te worden.

En dan zijn er nog de twee pas ontdekte wegrenners in Van Aert en Van der Poel. Die zijn dan wel zeven jaar ouder dan Olav Kooij van Jumbo-Visma en Quinn Simmons van Trek-Segafredo, maar ze rijden rond als jonge honden. Of zoals Thomas De Gendt (34) het verwoordde: “Als wielerenthousiasteling heb ik een aantal mooie televisiejaren voor de boeg. Als wielrenner tegen deze jonge watt- bommen worden het mijn slechtste jaren.”

Behalve een grote motor en hun intrinsiek talent, blinken al die jonge renners ook uit in voluntarisme. Dokter Yvan Vanmol, de éminence grise van de wielersport en verbonden aan Deceuninck-Quickstep, heeft zelden zo genoten van wielrennen op televisie:

“Je ziet dat die jonge gasten plezier beleven aan het koersen en uitgaan van hun eigen sterkte. Het lijkt alsof ze één groot avontuur beleven en van alles willen proeven. Mathieu van der Poel is een geval apart met zijn drie disciplines, maar ook die anderen zie ik niet zoals Peter Van Petegem destijds zich een hele carrière op een paar koersweken concentreren.

“Neem Julian Alaphilippe. Die wordt dit jaar 28, maar heeft ook dat speelse. In plaats van vijftien seizoenen lang alles op de Waalse klassiekers en Lombardije te zetten, besloot die ineens ook voor de Ronde van Vlaanderen te gaan. Vorig jaar reed hij al op kop naar Oudenaarde. Dit is de zap-en-swipegeneratie op wielen: die willen van alles wat, en dat zullen ze volhouden zolang ze het spannend vinden.”

Talent en training

Is dit een supergeneratie? Zeer zeker. Is er meer in het spel dan talent? Reken maar. Is dat verdacht? Tot nader order niet. Wielrennen is veranderd, maar met het terugdringen van het dopingspook heeft die plotse doorbraak van talent weinig te maken, volgens insiders. Yvan Vanmol: “Er is een groot blik aan bijzonder talent opengetrokken. Meer is er niet aan de hand. Doping is al een jaar of tien geen factor meer. Dat het intensief testen de talenten helpt om in te stromen, staat als een paal boven water.”

In de hoogdagen van epo draaiden de toppers bergop vermogens van 7 watt per kilogram lichaamsgewicht. Vanaf 6,5 watt gaan alarmbellen af. Van alle opgesomde namen haalt maar één die 6,5 watt: Tadej Pogacar flirt op lange klimmen met fysiologisch aanvaarde waarden. Idem voor Mathieu van der Poel op korte klimmen. Waarmee ook alles is gezegd wat gezegd moet worden. De testing en achterafcontrole van bloed- en andere waarden zijn zo rigoureus dat doping niet meer de discriminerende factor is tussen wie wint en niet wint.

Wat maakt dan wel het verschil? Talent in de eerste plaats. Dat zegt Marc Lamberts, coach bij Jumbo-Visma en in die ploeg begaan met het lot van onder meer Wout van Aert en Primoz Roglic. “Een type Merckx dat slecht traint, zal altijd beter zijn dan een kermiscoureur die wetenschappelijk traint. Maar een talent dat goed en vooral juist traint, zal het verste raken.

“Met de klassieke flandrientraining zoals ik dat dan noem – veel rijden en af en toe hard rijden – kun je een heel eind komen, zelfs finales rijden. Om te winnen is meer nodig. Om het simpel te stellen: niet hard rijden als je níét hard moet rijden en zeer hard rijden als je hard móét rijden.”

Talent dient zich niet langer aan in het wielrennen, de ploegen gaan er actief naar op zoek. Zo maakte Deceuninck-Quickstep jarenlang gebruik van de diensten van de Bask Joxean Matxin, tot hij eind 2017 naar Team UAE overstapte. In dat jaar had hij voor het eerst Pogacar gezien en hem meteen onder contract gelegd. Niet voor de ploeg van Lefevere evenwel, wel voor die van de Emiraten.

Daar werkt ook Allan Peiper, ploegdirecteur van Tourwinnaar Tadej Pogacar in de voorbije Tour. Hij zag het belang van scouting toenemen. “Je wordt geen prof meer door je in de uitslagen in de kranten te rijden en dan te solliciteren, zoals het in mijn tijd ging. Nu weten de scouts wie wat kan. De meeste goede jongeren hebben ook al een manager en die heeft een hele uitdraai van zijn renner met daarop alle wetenschappelijke parameters.

“Ik ken geen enkele jongere meer die in onze ploeg is gekomen die niet wist wat een vermogensmeter was of er niet mee werkte. Dit is toch een erfenis van de Engelse Sky-ploeg. Hun marginal gains, hun trainingswetenschap en al het andere dat ze deden om beter te worden, was een wake-upcall voor het hele peloton, maar eveneens voor de jeugdcategorieën waar die trainingswetenschap ook doorsijpelde. Samengevat: je krijgt als ploeg beter getrainde jongeren binnen en je gaat hen ook nog eens superwetenschappelijk begeleiden.”

Yvan Vanmol heeft het ook in die richting zien veranderen, maar hij zag nog een uitzondering, het bewijs dat talent altijd komt bovendrijven. “Mauri Vansevenant is vorig jaar op een stadsfiets en op zijn pantoffels bij mijn collega gaan testen. Hij had voor hij bij ons kwam bij mijn weten nooit met een vermogensmeter getraind.”

Overigens reed Pogacar vorig jaar zijn sterkste Tourrrit – de afsluitende tijdrit naar La Planche des Belles Filles waarin hij Roglic oprolde – à l’ancienne, zonder vermogensmeter, puur op gevoel, knallen. Kijken waar het schip strandt, zo kunnen die nieuwe jonge jongens het ook.

Tien diëtisten

Vroeger en beter begeleid, het is een realiteit. Marc Lamberts: “Wie talent heeft, zal meteen kunnen inpikken want die is die aanpak gewend. De meeste jongeren die instromen, weten hoe ze moeten trainen, kennen de basis van juiste voeding en leren snel bij. Elke renner bij Jumbo-Visma heeft zijn trainer en ik denk dat wij tien verschillende diëtisten in dienst hebben.”

De laatste jaren is specifieke trainingswetenschap ontwikkeld voor uithoudingssporten in het algemeen en wielrennen in het bijzonder. Er zijn enerzijds coachingplatforms zoals Trainingpeaks waar je hele trainingen krijgt toegestuurd, tegen betaling
uiteraard. Gestudeerde trainers met sportfysiologische opleiding weten die te finetunen voor hun atleet. Anderzijds bestaat ook een gespecialiseerd testplatform zoals Inscyd dat zowel Alpecin-Fenix als Jumbo-Visma sponsort. Tegen betaling krijg je je waarden zoals VO2max (aerobe capaciteit), Vlamax (anaerobe capaciteit), de anaerobe drempel (wanneer het lichaam in het rood gaat) en ook waarden voor de maximale vet- en suikerverbranding.

“Je kunt niet meer zonder die wetenschappelijke inzichten”, zegt Allan Peiper. “Bij ons monitoren Jeroen Swart en Inigo San Millan de trainingen en schrijven de schema’s. Van wat ik ervan begrijp, hameren zij vooral op de juiste belasting op het juiste moment en op het vermijden van overtollige vermoeidheid op een verkeerd moment in training. Wat een verschil met mijn tijd. Wij kwamen in een ploeg, trainden met de grote jongens mee en reden ons helemaal het pleuris tot we niet meer konden. Dan hadden we het goed gedaan.”

Ook de panache waarmee jonge renners in het peloton stappen, is ongekend. Gedaan met voorzichtig inschuiven in de hiërarchie, niet te veel en ook niet te weinig spreken, niet te hard en ook niet te traag rijden op training. Het talent is zich bewust van zijn talent en zal zijn plaats opeisen.

Remco Evenepoel is daar het beste voorbeeld van. Hij kwam in het wielrennen aanwaaien na een succesvolle carrière als voetballer. Dan zou je denken: even dimmen en aankijken hoe het eraan toegaat. Wat zei Evenepoel nadat hij wereldkampioen bij de juniores was geworden? “Ik trap de waarden van Chris Froome.” Froome had dat jaar in de Giro zijn laatste van zeven grote rondes gewonnen en was ook derde geworden in de Tour. Evenepoel sloeg een categorie over: beloften waren aan hem niet besteed en hij werd per direct prof bij Lefevere.

Hij is niet de enige die zelfbewustzijn etaleerde. Neem nu de 21-jarige Mauri Vansevenant, die recent de Grote Prijs Industria & Artigianato- Larciano won. Hij klopte daar Bauke Mollema (34), Mikel Landa (31) en Nairo Quintana (31), drie toprenners die in de grote rondes het podium viseren. Mauri, zoon van de eeuwige Lotto-knecht Wim Vansevenant die drie keer laatste werd in de Tour, heeft andere ambities dan zijn vader.

Yvan Vanmol: “Ik herinner mij een gesprek met hem in de Ronde van Slovakije. Ik zei hem dat hij veel op kop zou moeten rijden in het begin. Hij antwoordde: ik ben geen prof geworden om op kop te rijden, zomaar op kop rijden is voor de dommeriken. Ik schrok en vroeg hem of hij zijn vader dan een dommerik vond, die had toch goed zijn boterham verdiend. ‘Neen, ik wil koersen winnen’, herhaalde hij.”

Wat de toekomst brengt? Eerst afwachten of dit een tendens wordt. Volgens analisten bestaat de kans dat de plotse opstoot van jong talent een gevolg is van het coronajaar. Allan Peiper wijst dan weer op het gevaar dat die talenten sneller de focus kunnen verliezen omdat ze zo vroeg, zo fanatiek en zo gespecialiseerd te werk gaan.

Volgens Vanmol dreigt een hele tussengeneratie te worden overgeslagen. “Zeker in de grote rondes zie ik het somber in voor jonge dertigers als Romain Bardet, Thibaut Pinot en Nairo Quintana. Van een aantal andere jongens zoals bij ons de generatie Greg Van Avermaet tot en met Jasper Stuyven en co., vraag ik mij af ze wel juist hebben getraind, en vooral niet te veel hebben gedaan.”

Marc Lamberts beaamt dat een hele generatie tussen de plooien dreigt te vallen. “Een oudere renner die geen zin meer heeft om op training veel te snel te rijden en compleet kapot tussen zijn kader te hangen, die mag het tegen die jonge honden vergeten.”

En hij ziet nog een andere tendens. “Wout van Aert zit aan het eind van een koers, als de goeie renners overblijven, vaak zonder ploegmaat, maar dat geldt voor wel meer kopmannen. Neem de top vijf of top acht van de coureurs van het moment. Als die gaan rijden, wie kan dan nog volgen? Ik denk dat heel wat ploegen met een halve depressie uit de Tirreno-Adriatico zijn gekomen. Het was daar een week lang de grote Van der Poel-Van Aert-Pogacar-show. De kloof achter die grote jonge mannen is enorm. Nog een geluk dat ze open tegen elkaar willen rijden. Dat maakt de koers vandaag juist zo mooi.”

Column over America’s Cup in De Morgen van maandag 15 maart 2021

De Oude Beker

Rond deze tijd wordt voor de 36ste keer in de geschiedenis om een heel belangrijke sporttrofee gestreden en het is niet de Croky Cup. De strijd gaat dit jaar tussen Italië en Nieuw-Zeeland en er is geen fiets of geen bal in het spel. Zelfs geen ovalen bal, normaal een no- brainer voor Nieuw-Zeeland. De beker – in de wandelgangen de Auld Mug of Oude Beker – is in het leven geroepen door de Britten maar die hebben hem zelf nog nooit gewonnen. De wedstrijd is na de antieke Olympische Spelen de oudste sportcompetitie. In geen enkele andere sport wordt zoveel geld geïnvesteerd voor een wedstrijd van een week.

Exact 170 jaar geleden vonden de Britse en Amerikaanse vloot het tijd om uit te maken wie nu de snelste schoener had. Er werd rond het eiland Wight gezeild. De America won, een Amerikaanse boot dus. De trofee, die aanvankelijk de Royal Yacht Squadron £100 Cup heette, werd prompt omgedoopt tot America’s Cup en werd geschonken aan de New York Yacht Club. Bij die schenking hoorde een afspraak, waardoor de beker elke vier jaar de inzet zou zijn van een nieuwe zeilcompetitie tussen de winnaar van de laatste editie en de winnaar van een competitie onder uitdagers.

Meer dan een eeuw bleef de America’s Cup in het bezit van de New York Yacht Club. Tot in 1983 een Australische boot van een zeilclub uit Perth de 132 jaar lange hegemonie van de Amerikanen doorbrak. Daarna wonnen Amerikanen uit San Diego weer drie edities, om dan twee keer de Nieuw-Zeelanders (voor het eerst en niet voor het laatst) en twee keer zowaar Zwitsers te zien winnen.

Dat Zwitsers succes geldt als het meest extreme voorbeeld van maakbaarheid van sportsucces. Het begon met een rijke Italiaans- Zwitserse CEO van een Zwitsers farmabedrijf die graag zeilde. Ernesto Bertarelli had zin in een time-out en investeerde in een challengerboot voor wat toen al de meest veeleisende – van de portemonnee en van de medewerkers – zeilcompetitie ter wereld was.

Hij zou zelf stuurman spelen op zijn Alinghi en werd voor gek versleten. Tot hij met zijn human resources uitpakte: bij de vorige winnaar Team New Zealand haalde hij onder meer schipper Russell Coutts en tacticus Brad Butterworth weg. Alinghi won overtuigend de voorcompetitie. Bertarelli deed daarna nog beter: met maar één Zwitser aan boord (hijzelf) en een halve Nieuw-Zeelandse bemanning ging hij in Auckland de Nieuw-Zeelanders uitdagen. 0-5 werd het in Auckland, de eerste Europese overwinning ooit. De kiwi’s in rouw.

Daarna kreeg Bertarelli de opdracht de volgende editie te organiseren in een oceaan of zee naar keuze palend aan zijn land. Probleempje: Zwitserland had alleen het Meer van Genève om op te varen en dat was niet groot genoeg. Alinghi koos voor Valencia en daar werd het 5-2 winst. Waarna de Amerikanen van Oracle twee keer wonnen en vervolgens de Nieuw-Zeelanders, waardoor de huidige America’s Cup in de Baai van Hauraki bij Auckland wordt betwist tussen enerzijds de Royal New Zealand Yacht Squadron met als boot Emirates New Zealand en anderzijds de Luna Rossa Prada Pirelli, die namens de Circolo della Vela Sicilia in de voorcompetitie komaf maakten met Team Ineos.

De Italiaanse uitdager kreeg het gedaan van de Nieuw-Zeelanders dat reglementen werden aangepast. Er zou niet langer met meerrompige boten worden gevaren, de multihulls, maar met een boot met één romp en met hydrofoils of draagvleugels. Het resultaat is een en al spektakel. Toen in de voorcompetitie veel wind stond, werd geregeld de grens van 50 knopen of 92 kilometer per uur gehaald. Op volle snelheid raken de boten of hun draagvleugels nauwelijks water.

Na drie van de vier dagen waarin kon worden gezeild, was de stand 3-3. Zondag ging de mist in door gebrek aan wind. Wie het eerst zeven races wint, neemt de America’s Cup mee naar huis.

Wat het afgelopen nacht is geworden, zult u moeten volgen op de website. Daar zijn ook beelden terug te zien, een aanrader. Match racing tussen dat soort boten is als een stratenrace tussen twee F1-bolides, maar dan met de mekaniekers en ingenieurs mee in de auto/ boot. Het is een bijzonder agressieve manier van zeilen tegen de hoogste snelheden ooit gemeten en met een bemanning die getooid met helmen op de millimeter en de seconde de beslissingen van skipper en stuurman moet uitvoeren.

Pikant detail: bij de Italianen is Jimmy Spithill de man in charge. Spithill won al twee keer van Team New Zealand, telkens in dienst van de Amerikanen. En om het drama compleet te maken: Spithill is Australiër. Een aussie die komt winnen in Nieuw-Zeelandse wateren, dat zou de ultieme nachtmerrie zijn voor de kiwi’s.

Verhaal over World Cup in Qatar en boycot ja/neen in De Morgen van zaterdag 13 maart 2021

Boe roepen in de woestijn

Corruptie en duizenden doden onder de arbeidskrachten: het protest tegen Qatar 2022 zwelt aan, maar komt rijkelijk laat en is bij voorbaat kansloos. Hoe Koning Voetbal nooit voor mensenrechten en alleen voor de macht van het geld buigt.

Wat is er aan de hand met het WK volgend jaar in Qatar?

De aanleiding voor dit verhaal is een artikel in The Guardian dat het overlijden van minstens 6.500 gastarbeiders in Qatar aan de wereldbeker voetbal linkt en meer in het bijzonder aan infrastructuurwerkzaamheden zoals stadionbouw. Maar er is meer aan de hand, en het antwoord op de vraag hierboven zou men kunnen omdraaien: wat is er níét mis met Qatar 2022?

Qatar had nooit kandidaat mogen zijn voor de organisatie van het WK voetbal, en had het toernooi al zeker niet toegewezen mogen krijgen. Dat er in 2010 corruptie in het spel was bij de toekenning van de World Cup, is later in extenso bewezen (zie verder).

Los van die corruptie kon al de vraag worden gesteld of het wel zo’n goed idee is om een maand lang in een woestijn te gaan voetballen. Om de stadions te koelen zal men airco gebruiken, niet bepaald energiezuinig. In de zomer is dat onbegonnen werk, vandaar dat het toernooi uitzonderlijk op 21 november begint, als het minder warm is. Noodzakelijk gevolg: een hele verschuiving van de nationale en Europese clubcompetities waar de UEFA niet blij mee was, en waarmee de FIFA nog eens kon benadrukken dat zij de Verenigde Naties van het voetbal, de world governing body, zijn en dat de rest moet volgen.

Wat in de vorige alinea staat beschreven, heeft hooguit tot wenkbrauwengefrons geleid. Net als bij de gênante vertoning op het recente WK voor clubs – gewonnen door Bayern München. Een sjeik van de organisatie bedankte toen het voltallige scheidsrechterskorps, met uitzondering van die ene vrouwelijke assistent-scheidsrechter, die geen hand kreeg (foto links).

Het hek ging pas van de dam toen The Guardian op 4 maart dus met een onthulling kwam: tussen 2010, het jaar waarin het WK werd binnengehaald, en 2020, stierven in Qatar meer dan 6.500 migranten die als arbeidskrachten werden ingezet. Volgens de Britse krant moet het totale aantal doden zelfs nog hoger liggen omdat de data van Filipijnse en Keniase doden niet bekend zijn.

Het artikel ging viraal en werd niet overal altijd even correct geciteerd: al snel werd getiteld dat de minstens 6.500 migranten waren gestorven bij de bouw van zeven nieuwe stadions. The Guardian heeft dat nooit beweerd. In hetzelfde artikel hebben ze het over 37 mensen die overleden zijn op een aan de wereldbeker gelinkte stadionsite.

Het aantal doden wordt door Qatar niet betwist, wél dat de oorzaak de bouwwoede rond het WK zou zijn. Er is alvast geen beschikbaar cijfermateriaal uit vorige decennia om mee te vergelijken.

Qatar heeft een explosieve groei gekend. Begin deze eeuw woonden 600.000 mensen in het land dat een derde van België beslaat. Volgende maand zullen dat er 3 miljoen zijn, van wie 2,6 miljoen inwijkelingen. De sterkste stijging deed zich voor tussen 2005 en 2010 en heeft dus niks te maken met het WK. Om zo’n bevolkingsaanwas het hoofd te bieden, moest Qatar in ijltempo infrastructuur bouwen en dat heeft het gedaan, met de hulp van, maar ook ten koste van migrantenarbeiders.

Of de World Cup al dan niet de rechtstreekse oorzaak is, feit blijft dat de arbeidsomstandigheden in de woestijnstaten van het Midden-Oosten verre van ideaal zijn. Veel jonge doden sterven door hartproblemen en hoofdzakelijk in de zomermaanden, als ze onbeschermd bij extreem hoge temperaturen moeten werken.

Qatar vindt het niettemin een beetje wrang dat zij nu de wind van voren krijgen. Qatar was de eerste Golfstaat die (op 8 september 2020) onder druk van Human’s Rights Watch toestond dat arbeiders van job mochten veranderen zonder toestemming van hun vorige baas.

Dat systeem dat grensde aan lijfeigenschap – de kafala – werd daarmee grotendeels afgeschaft. Qatar voerde als tweede land in
die regio (na Koeweit) ook een minimumsalaris in. Sinds september 2020 ligt dat op 1.800 QAR of 415 euro. Of zoals de Qatarezen verontwaardigd argumenteren: vier keer meer dan het minimumsalaris in India voor een arbeider in de bouw. Dat is pijnlijk correct: voor een steenkapper die in de Himalaya op 5.000 meter hoogte voor de Border Roads Organisation van het Indiase leger werkt, zijn de arbeidsomstandigheden nog veel slechter en zijn Qatar of de Emiraten het beloofde land.

Wie wil (g) een boycot?

Niemand sprak over een boycot, tot het eind vorig jaar begon te dagen, niet toevallig eerst in Nederland. Ook in 1978 toen het WK in Argentinië plaats had, een land dat zwaar gebukt ging onder de militaire dictatuur, was Nederland voorloper. Dat was overigens de eerste en laatste keer dat een basisbeweging zich vragen stelde bij de organisatie van een mondiaal voetbaltoernooi in een ‘fout’ land.

‘Bloed aan de paal’ was een actie van Bram Vermeulen en Freek de Jonge – die deze week een petitie opstartte tegen het WK in Qatar -, toen nog verenigd in Neerlands Hoop in Bange Dagen. De boycotactie strandde uiteindelijk in de vergetelheid, het WK van Nederland in de finale tegen het gastland, met een bal op de paal van Rob Rensenbrink.

‘CancelQatar2022’ is de noemer waaronder het huidig Nederlands protest zich verenigt. Tot op vandaag krijgt het geen voet aan de grond. Toen Ruud Gullit – destijds ook bekend omwille van zijn activisme pro Nelson Mandela – werd gevraagd of hij een boycot steunde, draaide hij om de hete brij heen. Gullit staat als analist op de payroll van beIN Sports, de Qatarese sportzender.

Ook in Duitsland leeft het een beetje. Begin deze week riep ProFans, een organisatie van voetbalfans in Duitsland, de Duitse voetbalbond op om het WK van 2022 in Qatar te boycotten. “Feestvieren op het massagraf van arbeidsmigranten is in strijd met alle regels van ethiek zoals wij die kennen. Als het voetbal geloofwaardig wil blijven, moet het zich zo snel mogelijk afwenden van dit toernooi.”

In Noorwegen hebben zes Noorse clubs en een mensenrechtenorganisatie gepleit om weg te blijven van Qatar. De Noorse voetbalbond liet weten tegen een boycot te zijn en benadrukt dat dé fout is gemaakt bij de toewijzing van het toernooi, iets waar de Noren toen tegen waren.

Een rondvraag afgelopen maandag bij het panel van Extra Time leverde weinig op, behalve de indruk dat de problematiek het Belgische voetbal niet bovenmatig boeit. Journalist en commentator Filip Joos heeft wel al nagedacht over hoe hij ertegenover staat. “Ik ben niet tegen een boycot. Niet gaan zou een schokgolf door de voetbalwereld jagen en dat mag wel eens, maar ik betwijfel of dat de oplossing is. En Romelu Lukaku verwijten dat hij niet consequent is als hij enerzijds pro Black Lives Matters is maar anderzijds wel gaat voetballen in Qatar, is onzin.

“De moderne slavernij in Qatar kadert binnen een wereldwijde problematiek van ongelijkheid, die zich niet tot voetbal beperkt maar nu wel wordt uitvergroot. We hebben in Qatar al meerdere WK’s in andere sporten gehad en toen was er geen protest. Een WK in Qatar ís fout maar die fout dateert van 2010 toen Qatar dat toernooi kreeg toegewezen. We weten allemaal hoe dat toen is gegaan.”

Gert Verheyen keek als speler al verder dan zijn voetbalneus, en dat is niet veranderd sinds hij analist is: “Het is lastig. Enerzijds vind ik het niet kunnen wat er met die arbeiders gebeurt, maar anderzijds is een boycot wel heel drastisch. Alleen als een meerderheid van de landen daartoe overgaat, valt dat te overwegen.”

Peter Bossaert, CEO van de Belgische voetbalbond, laat er geen gras over groeien. “Natuurlijk zijn we niet blind voor de situatie van de gastarbeiders. We hebben dit ook aangekaart bij de FIFA en contact genomen met andere voetbalfederaties en mensenrechtenorganisaties, die ons vertellen dat gastarbeiders in Qatar niet echt geholpen worden met een boycot. Ze zouden daardoor inkomsten verliezen die ze zo hard nodig hebben. We menen dat we de aandacht voor het WK misschien juist kunnen gebruiken om de situatie in het land te verbeteren. Onze stem zal sterker klinken als we dit samen doen met FIFA en andere voetbalfederaties. Zo willen we vanuit het voetbal bijdragen tot verbeteringen.”

Hoe kon Qatar überhaupt het WK toegewezen krijgen?

2 december 2010: de 24 leden van het uitvoerend comité (Exco, voorganger van de FIFA Council) beslissen om de WK’s van 2018 en 2022 in één keer toe te wijzen. Met Rusland kon de voetbalwereld leven, maar Qatar, dat was schrikken, en terecht, zo bleek achteraf.

Een technische commissie van de wereldvoetbalbond FIFA had de Qatarese kandidatuur voor het WK terug naar af gestuurd. Te heet, te klein, te veel gedoe. De gestelde voetballichamen legden dat advies naast zich neer. Later werd wijdverspreide corruptie onder de beslissers blootgelegd. De helft van FIFA Exco zat nadien in de gevangenis of zit er nog steeds in.

Eind 2014 publiceerde The Sunday Times een aantal verhalen over hoe Qatar het WK kocht en ook kreeg, een jaar later gebundeld in een boek getiteld The Ugly Game. Daarin werd haarfijn uitgelegd hoe Al Jazeera via zijn sportfiliaal (later beIN Sports) net voor de verkiezing 400 miljoen dollar (336 miljoen euro) voor het tv-contract bood, met een verplichting voor 100 miljoen extra als Qatar de WK-organisatie kreeg. Daarbovenop beloofde de Qatarese overheid drie jaar na de toewijzing vanuit het niets nog eens 480 miljoen dollar over te maken aan de FIFA. Dit dossier wordt nog steeds onderzocht door de Zwitserse politie.

Op 18 juni 2019 werd voormalig UEFA-voorzitter Michel Platini in Frankrijk gearresteerd in directe relatie tot het WK 2022 in Qatar. Platini zou van de Franse president Sarkozy de vraag hebben gekregen om op Qatar te stemmen. Qatar was na de verrassende stemming opvallend genereus voor Frankrijk. Qatar Airways, grote sponsor van de FIFA, ging shoppen bij het Franse Airbus en kocht vijftig vliegtuigen. BeIN Sports verwierf de tv-rechten van de Franse Ligue 1 voor een gruwelijk hoog bedrag en Qatar Sports Investment kocht Paris Saint-Germain.

In 2019 zou Qatar ook twee edities van het WK voor clubs binnenhalen, kwestie van wat warm te lopen voor het echte werk.

Warm zal het er alvast zijn. In acht verschillende stadions (in vijf steden, die nooit verder dan zeventig kilometer uit elkaar liggen) zal worden gevoetbald bij een verwachte temperatuur van minstens 40 graden. Dat is een meevaller op dat schiereiland. Qatar promoot zichzelf als een land dat voor een ecologische en duurzame toekomst ijvert, maar wil in de woestijn acht open stadions met airco koelen. Kan beter als ecologische voetafdruk.

Wat is de reputatie van sportland Qatar?

Qatar wordt soms omschreven als het lelijke eendje van de wereldsport. Hoezeer het ook zijn best doet, het hoort er niet bij. Nooit heeft een land in zo’n korte tijd zoveel geld in de sport geïnvesteerd, boven of onder tafel. Nooit heeft een land zo veel sportcomplexen gebouwd. Nooit heeft een land zich sneller in de sportbusiness ingekocht.

Qatar is een landje met bijna 3 miljoen inwoners, van wie slechts een goede 10 procent procent Qatarees is. Indiërs (+20 procent), Nepalezen en Bengalezen (elk meer dan 12 procent) maken bijna de helft van de migrant work force uit. Vijftig jaar geleden leefde de bevolking nog van parelvissen. Het Engelse protectoraat werd in 1971 een land en juist in dat jaar werd het grootste gasveld ter wereld ontdekt. Vandaag heeft Qatar met bijna 90.000 euro het hoogste bruto nationaal product per inwoner ter wereld, en dat willen ze nog even zo houden.

De familie Al Thani, die de emir levert sedert 1822, heeft begrepen dat sport de snelste weg naar wereldfaam is. De sportkoepel die alles coördineert, heet Qatar Sports Investment (QSI), onderdeel van de veel grotere Qatar Investment Authority (QIA), een staatsgestuurd investeringsfonds dat op 1.000 miljard dollar zit.

Omdat de media ook belangrijk zijn, al was het maar om het grote gelijk te halen, hebben ze Al Jazeera opgericht en dat heeft alle sportrechten in het Midden-Oosten en Afrika middels zijn filiaal beIN Sports. Ze kochten in 2011 en passant ook het voetbalteam Paris Saint-Germain, een slapende reus in het Europees voetbal.

De voorzitter van PSG is Nasser bin Ghanim al Khelaifi, een Qatarese zakenman die ook voorzitter is van beIN Media Group, actief aankoper van tv-rechten (onder meer van de UEFA), van Qatar Sports Investment en de Qatarese tennisbond. In 2019 trad hij toe tot het hoogste bestuursorgaan van de UEFA.

Voetbal is niet de enige of eerste sport die voor de gasdollars zwicht. Neem nu de UCI, die er het WK van 2016 reed, in oktober op het vlakste en heetste parcours ooit. Er stonden meer kamelen dan locals te kijken en niemand die zich Qatarese wielrenners herinnert. Of het WK handbal van 2015, waarvoor drie gigantische sporthallen (kostprijs 220 miljoen dollar) werden gebouwd.

Het nationale team hield de Qatarese eer hoog met twee in Qatar geboren spelers en voor de rest Egyptenaren, Tunesiërs, maar vooral Serviërs, Kroaten, Bosniërs, Montenegrijnen, een Fransman, een Cubaan en een Spanjaard. Allemaal betaald om van paspoort te veranderen. Ze werden gecoacht door de regerende wereldkampioen, de Spanjaard Valero Rivera. Als harde supporterskern werden zestig luidruchtige Spanjaarden ingevlogen, net als 680 journalisten die ook reis, kost en inwoon van de Qatarese sportautoriteit kregen. In de finale was Frankrijk met drie goaltjes verschil te sterk.

Sportsucces is te koop, weten ze sinds ze de Bulgaarse gewichtheffer Angel Popov lokten en die in Sydney als Said Saif Asaad brons won. Vier jaar later volgde de Keniaanse steeplechaser Stephen Cherono. Hij kreeg 1.000 dollar per maand (ongeveer 875 euro), voor het leven en geïndexeerd, en heette voortaan Saif Saaeed Shaheen. Hij werd prompt wereldkampioen.

Sport is een essentieel onderdeel van de Qatar National Vision 2030, een nationale ontwikkelingsstrategie die Qatar op het ondenkbare wil voorbereiden: een woestijn waaruit op een dag geen gas meer komt. De officiële doelen van QNV 2030 zijn menselijke, sociale, economische en ecologische ontwikkeling, duurzaam als het kan. Voor het voetbal moet die laatste doelstelling nog even wijken.

Hoe zit dat met boycots in de sport?

De oproep om Qatar 2022 te boycotten zorgt voor veel ergernis in het Golfstaatje. Het zou ook een primeur zijn voor een wereldkampioenschap voetbal. Qatar kan nochtans op beide oren slapen. Die boycot komt er niet, hoofdzakelijk omdat de economische belangen voor alle actoren te groot zijn. Pas als de sponsoren zich terugtrekken, is er echt wat aan de hand, zoals met de recente verhuis van het WK IJshockey van Wit-Rusland naar Letland. Dat is bij de FIFA, dat in een WK-jaar goed is voor een omzet van 4 miljard euro, vooralsnog niet aan de orde.

Een boycot werkt in twee richtingen. Een organisatie of een land kan een ander land weigeren. Al in 420 voor Christus werd Sparta geweigerd door de Spelen in Olympia omdat ze hun boete voor het verstoren van de olympische vrede niet hadden betaald. Recenter hebben Duitsland en zijn bondgenoten het twee keer vlaggen gehad na de Eerste en Tweede Wereldoorlog toen ze op de eerstvolgende Olympische Spelen niet welkom waren. Zuid-Afrika was van 1964 tot 1988 ongewenst in het volledige internationale sportverkeer. Dat is ongeveer de enige boycot die min of meer effect had, want de apartheid ging in 1991 op de schop.

Of omgekeerd: een land vaardigt geen sporters af naar een organisatie of een land. Sommige boycots hadden geen reden, maar kwamen er uit gewoonte. Zo weten Cuba en Jemen nog steeds niet waarom ze niet aantraden op de Olympische Spelen in Seoel in 1988, toen de Spelen van de mondiale eenmaking. Er is van Seoel ’88 ook beweerd dat ze de overgang naar de burgerdemocratie in dat land hebben bespoedigd, maar dat was eerder wishful thinking van de toenmalige sportpaus Juan Antonio Samaranch die zo hoopte de Nobelprijs voor de vrede te krijgen. Niet dus.

Seoel kwam na twee eerder gebocyotte zomerspelen. In 1980 schaarde een groot deel van het NATO-blok zich achter het Amerikaans protest tegen de inval van de Russen in Afghanistan en reisde niet af naar de Spelen in Moskou (op de foto ziet u Leonid Brezjnev, de toenmalige leider van de Sovjet-Unie, bij de opening). België, Nederland en Spanje gingen toch naar Moskou. Vier jaar later vertikte het communistisch blok het (met uitzondering van Roemenië en China) om naar de Spelen in Los Angeles te reizen. De drogreden: onveilige situatie. De echte reden: revanche voor 1980. Los Angeles 1984 was meteen de laatste keer dat een groot sporttoernooi niet het sterkste deelnemersveld samen kreeg om politieke redenen.

Nog eerder waren er de gedeeltelijke boycots op de Spelen van Melbourne 1956 ten gevolge van de inval van de Russen in Hongarije en die van de Afrikaanse landen op de Spelen van 1976 in Montreal, als protest tegen de aanwezigheid van Nieuw-Zeeland dat wél
in en tegen Zuid-Afrika was gaan sporten. Geen van alle boycots hadden het effect dat ze beoogden. De sporters waren de grootste slachtoffers.

Column De Nieuwe De Coubertin in De Morgen van zaterdag 13 maart 2021

De nieuwe De Coubertin

In de Belgische sportkranten was het amper een eenkolommertje waard, de herverkiezing deze week van de Duitser Thomas Bach als voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité (IOC). Dat is vreemd. Ten eerste is dat de hoogste sportpolitieke functie in de wereld en ten tweede is Thomas Bach de opvolger van onze Jacques Rogge en aldus ook een beetje zijn erfgenaam.

In 2013 haalde hij het van Richard Carrión, Sergei Boebka, Ng Ser Miang, Denis Oswald en Wu Ching-kuo. Alleen Carrión haalde een noemenswaardig aantal stemmen. Bach had in de tweede ronde al 49 stemmen en Carrión maar 29.

Bach deed daarmee even goed als Rogge, die in 2001 in Moskou ook al meteen in de tweede ronde meer dan de helft van de stemmen achter zijn naam kreeg. Wellicht is de overwinning van Rogge opmerkelijker dan die van Bach omdat Rogge moest optornen tegen de zelfverklaarde favoriet Dick Pound en de Koreaan Kim, die een aantal leden had proberen te paaien, zeg maar omkopen.

Het was nimmer duidelijk of Rogge in Bach zijn gedroomde opvolger zag, zoals Samaranch niet kon verhullen dat hij in ‘le docteur Rock’ zijn dauphin zag. Rogge-Bach was altijd al een speciale relatie en wij buitenstaanders zullen nooit weten wat het enigma Rogge van Bach dacht. Hun herverkiezing – Rogge in 2009 in Kopenhagen en die van Bach eerder deze week – leek ook erg op elkaar: geen tegenstander die het aandurfde en dus alle stemmen pro, behalve één tegenstem. Bach kreeg wel vier onthoudingen aan zijn broek.

Rogge kreeg een staande ovatie in een zaal met sportkardinalen die hem voor nog eens vier jaar op de hoogste sporttroon bevestigden. Hij geneerde zich voor zoveel gedweeheid en die four more years, hij twijfelde toen al of dat wel zo’n goed idee was. Achteraf bekeken was het dat niet, vooral de twee laatste jaren waren een halve kruisweg door een steeds slechter wordende mobiliteit.

Die arme Thomas Bach. Een arm of een been had hij gegeven voor het moment de gloire van zijn voorganger, toen in het Bella Center in Kopenhagen. Niks daarvan. Hij moest het in zijn mooie nieuwe hoofdkwartier stellen met Teams, Zoom, Blackboard of welke digitale vergaderingsoftware het IOC ook gebruikt. Zijn kardinalen (m/v) verschenen op schermen.

Zoals Bach daar stond, leek hij captain Kirk in Star Trek, klaar om zijn bemanning het commando ‘warp speed’ te geven. Zijn commando was een verzoek: nadenken over een herwerkte olympische leuze. ‘Citius, altius, fortius’, daar mag voortaan ook ‘simulius’ bij (of zoiets), in de betekenis van samen. Dat is dan weer de goeie ouwe Bach ten voeten uit: dat kleine mannetje dat van bij zijn aantreden als IOC-lid in 1981 vastbesloten was om ooit Samaranch op te volgen. Bach de erfgenaam van Rogge? Oké dan, omdat het niet anders kan, maar toch vooral de nieuwe Pierre de Coubertin. “Nooit een meer ambitieus man ontmoet dan Bach”, vertrouwde ridder Raoul Mollet, de geestelijke vader van Rogge in België, mij ooit toe. “Et comme il est dangereux ce type!”

Na acht jaar lijkt Bach zijn voorganger Rogge definitief te zijn ontstegen en overstegen. Volgens het langst zetelende IOC-lid Dick Pound (43 jaar inmiddels) zal Bach het IOC in een betere staat achterlaten dan hij het van zijn voorganger heeft gekregen. Het klonk een beetje als een diskwalificatie terwijl dat de normaalste zaak van de wereld moet zijn. Zijn verlies van Rogge bij de presidentsverkiezingen van 2001 heeft hij nooit verteerd.

Rogge heeft structureel gewerkt. Hij heeft het Internationaal Olympisch Comité van binnenuit hervormd en het aanzien gegeven van een modern bedrijf, waar de macht ligt bij de goedbetaalde professionals en de verkozenen hooguit dienen voor de façade en het protocol.

Onder Rogge zijn de IOC-leden een deel van hun macht verloren toen ze niet meer naar de kandidaat-steden mochten reizen. Bach heeft die IOC-leden nog meer gekortwiekt toen ze ook niet langer de steden konden kiezen. Tot vorig jaar rond deze tijd zag het er nog naar uit dat hij ongehinderd via Tokio naar zijn glorieuze herverkiezing zou dribbelen. En toen kwam corona en gingen de Spelen niet door. De grootste uitdaging voor het olympisme sinds keizer Theodosius in 393 dat heidense feest verbood. Om die zaak te managen kon Bach terugvallen op zijn hoogst competente professionals, misschien dé grootste erfenis van Rogge, samen met de geïntensiveerde strijd tegen de doping.

Als Bach in 2025 als de postmoderne De Coubertin aftreedt – met de nadruk op áls, want er zijn geruchten dat hij er net als zijn vriend Vladimir Poetin een termijntje zou willen aan vastplakken – heeft hij dat te danken aan Rogge, die het meeste puin van het ancien régime van Marquis de Samaranch heeft geruimd.

Column Wat. Een. Klassieker. in De Morgen van maandag 8 maart 2021

Wat. Een. Klassieker.

Deze week zat er een boek in de bus, het nieuwste sportboek van Lannoo in samenwerking met Grinta: Cycling Hotspots, 12 toplocaties voor wielrenners. Wielerliefhebbers hebben er ook wat aan, sinds iedereen overal boven geraakt met die elektrificatierage van de laatste jaren. Een aanrader dat boek, al was het maar voor de mooie beelden en interessante tips en echt niet omdat ik een presentexemplaar moet wettigen, iets waar ik meestal mijn voeten aan veeg.

Het boek valt op door de mooie coverfoto. Je ziet een zwoegende fietser in een groen glooiend landschap. Zijn houding verraadt beulswerk op het witte lint dat hij achter zich heeft gelaten. De cipressen in de verte verraden waar hij rijdt: ergens tussen Siena en Montalcino. De neus ver over het stuur, zwoegt en zweet hij op una strada bianca. Ik zou niet weten op welke settore sterrato het is, maar ik ben overtuigd: sinds zaterdag staat de Eroica – de gepijlde tocht en niet de massatoeristenversie – op de bucket list, en meteen helemaal bovenaan.

In september verscheen hier een column met als titel ‘Wat. Een. Tour.’ Origineel is het niet maar die Strade Bianche, editie 2021: Wat. Een. Klassieker. José De Cauwer had tranen in de ogen na afloop. Hij vond het een van de mooiste wielerwedstrijden ooit. Hij dwaalt: de Strade Bianche van 2021 is de mooiste klassieker aller tijden. Nooit heeft een sterker deelnemersveld de finale gekleurd, zelden was de spanning tussen zes van de allerbeste renners van de wereld tot in de laatste hectometers zo te snijden.

De drie beste klassieke renners van het moment die samen de finale ingaan met de twee laatste Tour-winnaars en een achtcilindercrossertje van 21. Het is ongezien in de geschiedenis van het cyclisme en zal misschien nooit meer voorvallen. Een historische Luik-Bastenaken-Luik komt misschien het dichtste in de buurt, maar dat moeten de specialisten uitzoeken. Of een rijk na- Tour-criterium, maar dan zonder startgeld en zonder scenario vooraf van wie waar wordt geacht te ‘demarreren’ en welke twee of drie de sprint aangaan en wie mag winnen.

Niets van dat alles zaterdag. Dit was koersen met open vizier. Leg op tafel die kaarten, haal je troef boven en kijk waar het schip strandt. Dit was ook Koers 3.0. Dit was de Eroica in het echt: heroïsch. Hoe zo’n Julian Alaphilippe achteraf reageerde: “Ik ben blij voor Mathieu dat hij heeft gewonnen, want hij was de beste.” En Mathieu van der Poel in de nababbel: “Julian had mij gezegd dat zijn benen niet meer goed waren. Die van mij wel. Ik voelde dat ik nog wat achter de hand had. Julian zal niet liegen.”

Uren later verscheen een tweet met een foto van de demarrage van Van der Poel die in de Via Santa Catarina de grote platte plavuizen uit de grond deed daveren. Een bekende wielertwitteraar schreef: “Heeft ooit eerder iemand Alaphilippe zo kunnen reduceren tot een wielertoerist?” Kort daarop reageerde Alaphilippe, niet nijdig, niet boos. Zijn repliek: “Ik had nochtans de indruk dat ik snel naar boven reed.” Gevolgd door een lachende emoji. Vintage Julian, oké met zichzelf en zijn prestatie.

Door de Porta di Fontebranda Gate, daar al 10 procent, overgaand in de Via Santa Caterina met zijn 16 procent, knalde Van der Poel 500 meter voor de finish vanop de kop weg. Zijn twee compagnons de route stonden stil. Dan iets verder scherp rechts in de Via Delle Terme en zo naar de Via Banchi di Sotto. Met nog 300 meter licht bergaf te gaan en met een comfortabele voorsprong op een capitulerende Alaphilippe en een uitgewoonde Egan Bernal, kon het zondagskind van ene Adri en Corinne – de genenmix van een harde Brabander en een Tour-winnaar – de zege ruiken. In de Via Rinaldini begon hij te genieten. De laatste zeventig meter naar de Piazza del Campo werd Mathieu van der Poel een bokser. Back on top. Opnieuw.

Het stond hier al een keer: Mathieu van der Poel is het grootste talent ooit op twee wielen, van om het even welk type of soort en in welk kader dan ook. Gedreven door zijn eerzucht heeft hij zich weer helemaal bovenaan de voedselketen van het cyclisme geparkeerd. Neen, hij zat niet met revanchegevoelens na die half mislukte Italiaanse campagne van vorig jaar.

Leugenaar. Natuurlijk was hij beledigd. Kansloos in de Strade 2020, dat kon hij nog op die lekke band steken – en op de verzengende hitte waar hij af en toe problemen mee heeft – maar in Milaan-Sanremo uit de wielen worden geknald op de Poggio, een helling waar geen levend wezen sneller dan hij zelf naar boven zou mogen rijden, dat was er ver over. Dat zou hem niet meer overkomen. Afspraak op zaterdag 20 maart.

Interview Rutger Smith (vóór EK indoor) in De Morgen van zaterdag 6 maart 2021

‘In een klein land als België moet je dat ene toptalent koesteren’

Als topsportcoördinator moet Nederlander Rutger Smith de Belgische en Vlaamse atletiek uit het slop halen. En er ligt, zo stelt de oud-kogelstoter en -discuswerper in de marge van het EK atletiek in Polen, nog werk genoeg op de plank.

Ondanks corona heeft Rutger Smith zich in die tweeënhalf jaar dat hij voor de Vlaamse Atletiekliga werkt – en vooral het voorbije jaar als topsportcoördinator – met succes een weg door de jungle van de Belgische en Vlaamse sport gehakt. Respect als oud- medaillewinnaar en ervaringsdeskundige in de topsport genoot hij van bij de start en dat is alleen maar toegenomen. “Een bruggenbouwer”, zegt de een. “Weet wat nodig is”, zegt een andere. “Kan met iedereen door één deur”, weet een derde. “Allez, figuurlijk dan.”

Dat ‘figuurlijk’ staat hier inderdaad op zijn plaats. Rutger Smith is 1m98 lang en woog ooit 130 kilo. Als kogelstoter en discuswerper was hij absolute wereldtop bij de jeugd, met wereld- en Europese titels. Bij de grote mensen in zijn disciplines, die – zo leert de geschiedenis – de medicinale hulp niet schuwen, moest hij een stap terug. Smith werd gewone wereldtop: meestal goed voor een finale – behalve op de Olympische Spelen, waar hij bij twee van de drie deelnames in de kwalificaties bleef steken – met af en toe uitschieters. Die kwamen er onder de vorm van drie medailles op WK’s en twee op EK’s. Aan die bronzen plak van Osaka 2007 is een verhaal verbonden.

Rutger Smith: “Ik woonde in de VS toen ik een brief van de wereldatletiekbond IAAF kreeg: of ik naar het WK 2017 in Londen kon komen om alsnog mijn medaille van Osaka op te halen. Andrej Michnevitsj uit Wit-Rusland was in 2013 bij een hertesting voor de tweede keer positief bevonden. Al zijn uitslagen na 2005 werden geannuleerd en ik schoof een plaats op. Ik twijfelde, tien uur vliegen voor iets wat tien jaar geleden was gebeurd, leek mij wat overdreven, maar ik ben toch gegaan. Het was een mooie, weliswaar late erkenning. Ik ben blij dat ik ben afgereisd, de familie was er en we hebben dat kunnen vieren. Ze hadden toen geen medaille van Osaka klaar, maar die zou ik toegestuurd krijgen. We zijn nu bijna vier jaar later en ik heb nog steeds geen medaille gezien.”

We zitten hoog in de tribune van de Topsporthal in zijn woonplaats Gent, waar hij tussen 2000 en 2008 elk jaar minimaal één keer aan de bak moest op zijn NK indoor, omdat Nederland toen zelf geen indoorhal had. Beneden op de baan onderwerpt een sportklas zich aan de leraar LO. Van topatleten geen spoor. Na corona wordt alles anders, weet topsportcoördinator Smith, die zijn eerste topsportbeleidsplan begon met de wervende zin ‘Coming together is the beginning. Keeping together is progress. Working together is success.’

“Samenwerking tussen coaches op een centrale plek is dé doelstelling. Dat is er nu nog niet van gekomen, maar na corona gaan we de toppers in Vlaanderen hier minimaal één dag per week samenbrengen. Atleten en coaches kunnen van elkaar leren, dat is de insteek, en dus geeft het geen pas om op eilandjes te blijven zitten. Wees open over wat je doet en hoe je het doet, probeer te leren van anderen.

“Er is talent in Vlaanderen. Onlangs nog verbeterde Jente Hauttekeete het junioreswereldrecord in de zevenkamp en sprong de zestienjarige Merel Maes over 1m91. Als jij antwoordt dat de postformatie in dit land eeen probleem is, dan zeg ik dat de kennis daartoe best wel aanwezig is. Kennisoverdracht is het antwoord.

“We zullen hier niet snel de situatie krijgen zoals in Nederland. Ik was de eerste Nederlandse atleet die fulltime op Papendal (sportcentrum voor topsport en onderwijs, red.) ging wonen. Vandaag trainen en wonen de meeste Nederlandse toppers op het Nationaal Sportcentrum. Als we hier al konden beginnen met één dag per week. Zodra de regels het toelaten, staat die ene dag hier op een woensdag ge- pland. Misschien komen ze dan wel drie dagen, misschien trainen ze hier later voltijds. Hiernaast is plaats om te overnachten.”

Dus in Vlaanderen geen Nafi Thiam en haar coach Lespagnard die alle hulp afwijzen?

“Voor hen werkt dat eilandjesmodel wel, dat hebben ze bewezen: olympisch, wereld- en Europees goud, veel meer kun je je niet wensen. En toch zijn dat de uitzonderingen die nooit de regel kunnen zijn. Ik zie trouwens al verandering, met coaches die elkaar contacteren.”

Nog een begrip dat af en toe terugkomt: het speerpuntenbeleid.

“Het lijkt mij logisch dat je inzet op waar je de meeste kansen op succes ziet. Wij hebben dat geanalyseerd door naar het huidige talent, naar resultaten uit het verleden en naar de situatie van de andere West-Europese landen te kijken. Daaruit haalden we een focus op meerkamp, polsstokspringen, speerwerpen, de estafette en halve fond (middellange afstand, red.). Dat kunnen alleen maar meer speerpunten worden. We hebben nu een hoogspringster als Merel Maes en een hamerslingeraarster als Vanessa Sterckendries. Die gaan we even goed ondersteunen, dat spreekt vanzelf.”

U hebt in de nadagen van uw carrière op de befaamde managementschool van Nijenrode een opleiding genoten. Was dat een bobo- opleiding?

“Nou neen, eigenlijk niet: het was een sportsleadership-programma gericht op het voeren van een beleid of het bekleden van een functie in een sportorganisatie. Dat was een heel mooie opleiding waar ik heel veel van heb geleerd. Er zaten oud-topsporters, maar ook mensen uit het bedrijfsleven, en die ervaringen komen dan samen.

“Of ik bobo wilde worden? Neen, maar ik wilde wel iets doen in het sportbeleid en ik gaf mij vijf jaar om ergens technisch directeur te worden. Mijn voorganger Max De Vylder is mij na de zomer van 2018 komen opzoeken. Of ik trainer werpen op de topsportschool en kwaliteitsmanager werpen bij de Vlaamse Atletiekliga wilde worden. Ik heb toegezegd en in oktober 2019 hebben ze mij doorgeschoven naar de functie van topsportcoördinator. Het is iets sneller gegaan dan ik voor ogen had.”

Zelfs Nijenrode kan je onmogelijk voorbereiden op de valkuilen van het Belgische sportlandschap.

“Weet ik niet, je moet het ook niet te ingewikkeld maken. Ik weet nu een beetje hoe het eraan toegaat, met die verschillende bonden, maar in principe ga ik alleen over de Vlaamse Atletiekliga. Mijn gesprekspartners zijn Sport Vlaanderen (het vroegere Bloso, red.) en het BOIC (het olympisch comité, red.).”

Zeker met Sport Vlaanderen was die relatie niet altijd even goed en binnen de Atletiekliga was het ook soms een zootje.

“Ik durf te zeggen dat ik daar niks van merk. Die relatie met Sport Vlaanderen is nu wel goed. Ik heb sowieso wekelijks met die mensen contact en soms zelfs dagelijks. Het is prettig samenwerken en ik denk dat het wederzijds is.

“Wat de federatie betreft, heb ik begrepen dat er in het verleden wel wat dingen zijn gebeurd, maar het bestuur dat er nu zit, is heel erg topsportminded. De afgelopen tweeënhalf jaar zijn er geen conflicten geweest.”

In welke mate heeft uw eigen carrière meegespeeld in uw visie op topsport?

“Dat heeft mij gevormd. Ik had twee trainers in Groningen toen ik voor het werpen koos. Ik maakte heel veel progressie, maar ik liep op technisch vlak tegen dingetjes aan, zoals de draaitechniek in het kogelstoten. Wij hebben mensen gevraagd die die expertise wel hadden.

“Zelfde verhaal met de sportpsycholoog. In mijn jonge jaren ging alles van een leien dakje – ik won, maakte grote stappen. Tussendoor liep ik zelfs een forse blessure op: afgescheurde borstspier met bankdrukken. Elf maanden later had ik alweer een persoonlijk record. Alles wat ik deed, ging goed.

“Toen kwamen de Spelen in Athene in 2004. Ik legde mijzelf te veel druk op: ik dacht al aan finaleplaatsen en medailles, maar ik raakte niet door de kwalificaties. Ik had daar beter moeten presteren.

“In de winter erna heb ik meteen een sportpsycholoog gecontacteerd. Op het EK indoor in Madrid van begin 2005 miste ik weer mijn eerste twee pogingen van drie om mij te kwalificeren. Tussen de tweede en derde poging heb ik alles naar boven gehaald wat ik had geleerd. In vijf minuten tijd heb ik mijzelf recht kunnen praten. Ik ging naar de finale en pakte zilver.

“Ik zeg nu ook tegen atleten: fysiek kun je nog zo goed zijn, maar om te presteren moet je ook mentaal honderd procent zijn. Mentale hulp zoeken is geen zwakte, maar een teken van sterkte.”

Welke rol speelden de Verenigde Staten in uw ontwikkeling?

“Ik heb tussen 2012, na de Spelen van Londen, en begin 2017 in de VS gewoond. Wonen aan de Westkust is niet goedkoop. Ik had nog wel ondersteuning van het stipendium (toelage voor sporters, red.) in Nederland, maar ik heb zelf moeten investeren.

“Ik heb daar heel veel geleerd. Bijvoorbeeld dat ik niet alles van hun systeem zou overnemen. Amerikaanse werpers trainen keihard en willen zo sterk mogelijk worden. Van de 25 toptalenten houden ze er nog twee over. In kleine landen als België en Nederland moet je net dat ene toptalent koesteren.”

Dat ene Vlaamse toptalent dat in de voorbije vijf jaar het best heeft gescoord – in uw specialiteit – is Philip Milanov. Maar de Milanovs weigerden uw hulp. Nog zo’n eilandje.

“Ik heb Philip in het begin wel getraind en dan is dat wat misgelopen. Ik heb nu op hem of zijn vader geen invloed meer. Wij ondersteunen hem, hij heeft een prestatieprogramma bij ons en ik had hem willen bijstaan bij het zoeken naar experts. Ik heb dat geprobeerd, maar ze hadden er geen behoefte aan.

“Emil (vader en trainer van Philip, red.) heeft niet langer een contract als trainer. Er is een moment geweest dat we hebben gezegd: je moet hulp aanvaarden. Emil heeft daarop letterlijk gezegd: ‘Laat ons ons ding doen, dan komt het goed.’ Dat hebben we gerespecteerd en we hebben geantwoord: ‘Laat ons zien wat je kunt.’

“Wat ik heb gehoord is dat Philip goed bezig is. Maar om op je vraag te antwoorden: een beetje frustrerend was het wel.”

Die problematiek kwam in november 2019 op de olympische stage in Belek naar boven. Het was heel pijnlijk om die twee einzelgängers door onbegrip verteerd te zien.

“Ik denk nog steeds dat Philip Milanov een van de grootste talenten in de Vlaamse atletiek is, maar ook in de werpwereld. Philips specialisme is mijn winkel geweest en ik heb mijn hulp aangeboden. Het persoonlijk record van Philip is net voorbij de 67 meter. Ik denk dat hij 70 meter kan werpen. In mijn optiek moeten een paar kleine dingen worden veranderd. Die techniek was oké, maar is de laatste jaren wat minder. Ik wilde hem in die hele ingewikkelde beweging wat meer ontspannen zien.

“Kijk, een kogel, die kun je een lel geven en dan gaat die wel. Discuswerpen gebeurt heel gecontroleerd. Je werpt die discus af op het topje van je vinger. Het laatste wat je voelt, is het puntje van je wijsvinger en als het goed is, gaat dat ding bijna 70 meter ver. Iets andere krachttraining en meer aandacht voor flexibiliteit, meer moet er niet veranderen. Jammer, want hij is een veel groter talent in discus dan ik ooit ben geweest, en mijn record staat een halve meter verder. Dat zou niet mogen.”

Wie na al die herteste stalen de dopingovertredingen van de laatste jaren bekijkt, moet bijna denken dat je zonder doping in de krachtnummers geen medaille kunt halen.

“Ik heb bewezen dat het ook zonder kan. Ik wist wel wat er speelde. Die ene keer in Osaka toen ik vierde werd en later toch brons won, was mijn reactie tegen mijn trainer en kine duidelijk: ‘Verdorie,’ zei ik, maar dan iets krachtiger, ‘ik had hier een medaille moeten pakken en zie mij hier nu zitten, vierde, na een dopingzondaar.’

“Ik had geen zin meer in het discus, maar een dag later heb ik alles uit mijn lichaam gegooid, met brons als beloning. Later kwam dat brons van de kogel er bovenop en daardoor ben ik internationaal de enige atleet die op een WK twee medailles heeft gewonnen in twee werpnummers. Zonder doping.

“Dat heb ik ook gezworen op het sterfbed van mijn vader: ik heb nooit gebruikt en zal nooit gebruiken. Is het mij aangeboden? Eerlijk: neen. Ik ken de verhalen van buitenlandse coaches, maar niemand is ooit op mij afgestapt met: ‘Hier, dit moet je doen.”

De Borlées dan maar? De vier spreken samen drie woorden Vlaams, maar lopen nu onder Vlaamse vlag. Typisch België, denkt de Nederlander dan?

(glimlach) “Het is apart. Het is ingewikkeld. Het is wennen. Ze zitten sinds kort bij ons, bij de Vlaamse Atletiekliga. Dat verloopt prima met Jacques. We – dat zijn de Atletiekliga en Sport Vlaanderen – hebben aan Jacques gevraagd: ‘Wil je dat wel doen, want zo’n overstap is niet simpel?’ Hij was vastbesloten. Nou ja, dan hebben we geregeld wat er geregeld moest worden.

“Jacques is de bondscoach van de 4×400 meter en hij heeft al veel atleten, ook Vlaamse, onder zich die geen Borlée heten. Ze trainen nog wel in Louvain-la-Neuve en als dat het beste is voor hun traject naar Tokio, is dat goed. Ik zou het wel op prijs stellen als hij bij onze omkaderingsdagen op woensdag en later in de aanloop naar Tokio ook met zijn groep naar Gent zou kunnen komen.”

Ook de Borlées nemen deel aan het EK indoor, dat dit weekend in het Poolse Torun plaatsvindt. Jullie vertrekken met een heel grote ploeg.

“Dat is een bewuste en terechte keuze van de selectiecommissie met het oog op dat lastige jaar dat we achter de rug hebben en op wat nog komt. Iedereen die punten kan pakken op de rankings en die in de buurt van het EK-minimum kwam, is geselecteerd. Wie in aanmerking komt om op de Olympische Spelen te staan, willen we een kans geven.”

Ooit trainde de Vlaamse atleet in de eerste plaats voor statusbehoud, niet om beter te worden.

“Ik ken dat fenomeen, maar bij deze groep atleten merk ik investeringsbereidheid. Onze ondersteuningspolitiek is ook gericht op het scheppen van voorwaarden. Wij bieden een service aan: trainers, testers, medisch personeel, een wetenschapper, gebruik het maar allemaal. Het wegnemen van excuses om niet te presteren, daar gaat ons geld naartoe, niet rechtstreeks een potje meegeven aan de atleet, behalve dan als het echte toppers zijn.”

Iemand vroeg om u niet te veel op te hemelen. ‘Anders halen ze hem terug naar Nederland.’

“Vooralsnog heb ik het hier erg naar mijn zin. Ik zou het graag willen opzetten en het helemaal ontwikkelen: atleten samenbrengen en de omkadering uitbouwen. Eerst die ene dag, later misschien meerdere dagen, al of niet met overnachting.

“Ik wil dat de veranderingen die we doorvoeren, aanslaan. Dat de programma’s automatisch draaien en dat er steeds talent wordt aangereikt. Onze vijver is niet groot, maar er is echt wel talent. Wij kunnen structureel mensen naar grote toernooien brengen.”

In een eerder portret van u ging het over uw Nederlandse directheid. Die hoor ik niet terug. U bent ook minder gevaarlijk dan u eruitziet, maar dat geldt voor alle werpers, begreep ik.

(lacht) “Ja, dat is bekend. Wij zijn de gentle giants van de atletiek. We doen geen vlieg kwaad, maar maak ons niet boos. Een boze werper, die wil je echt niet tegenkomen. Ik ben direct als het moet en ik ben diplomaat als het moet. Ik kan intern ook wel eens kwaad worden. En als ik keuzes moet maken, dan maak ik ze wel.”

Column Truel in Toscane (de biostatisticus in mij was fout) in De Morgen van zaterdag 6 maart 2021

Truel in Toscane

Een duel zou een leenwoord uit het Frans zijn, in de betekenis van ‘tweegevecht’, voor het eerst aangetroffen in 1636. U weet wel waar we dat copy-paste vandaan halen. Op de Engelse Wikipedia staat een mooiere uitleg. Het woord gaat terug op het Latijn. In den beginne was er bellum, oorlog. En de Romeinen hadden ook dualis, als tweevoud bekend van de Latijnse grammatica maar ook gewoon in de betekenis van tweetal.

Duellum, een samentrekking van bellum en dualis, zou uit de vijftiende eeuw stammen. Een duellum diende om een juridisch dispuut te beslissen. Pas in de zeventiende eeuw werd het een gevecht om de eer tussen twee personen. Om zo uit te komen bij Lucky Luke en Phil IJzerdraad in de Far West. Behalve dat laatste is wat hierboven staat copy-paste uit Oxford Languages.

Een duel met drie is een innerlijke tegenspraak. Daarom is het tijd voor een neologisme: doe maar truel. Voor het eerst sinds de Ronde van Vlaanderen nemen de grote drie van het klassieke werk op wielen het weer tegen elkaar op. Van die Ronde 2020, uitzonderlijk gereden in de herfst, herinneren we ons de millimetersprint tussen Mathieu van der Poel en Wout van Aert, gewonnen door de Belgische Nederlander vóór de Nederlandse Belg.

De Fransman Julian Alaphilippe was er toen al af. Niet afgewaaid, niet afgereden, wel afgevallen. Hij haalde nooit de streep omdat hij tegen de motor van een volger opknalde. De kans dat ze daar in Siena bij het rennersontbijt vandaag deze krant lezen is quasi nihil, dus geen verwijten dat ik olie op het vuur gooi met de duiding dat het incident in de Ronde van Vlaanderen onderhuids nog nazindert.

Elke wielrenner, van de top tot het zevende knoopsgat, weet wat daar fout is gegaan. Van Aert reed in de slipstream tot kort op de motor en maakte dan een zwieper naar links. Van der Poel kon die zwiep nog net imiteren. Alaphilippe niet. Als dit bij drie wielertoeristen gebeurt, krijgt Van Aert de volle laag.

Het zijn profs en geen toeristen, oké, en volle finale, holle ogen. Maar bij Deceuninck-QuickStep leeft alvast het gevoel dat Wout van Aert minstens even met het handje had kunnen wapperen of zijn rechterhand naar beneden steken, wijzend op een obstakel. Bij Alpecin-Fenix is hooguit een keer gegromd, vanuit de blauw-witte hoek heb ik het begrip ‘oncollegiaal’ opgevangen. In welke mate dat vier maanden later nog leeft, geen idee, maar op de Planeet Koers vergeet men doorgaans niet snel.

Of Alaphilippe daardoor vanmiddag ongenadig op het wiel van Van Aert zal springen en minder fel op dat van Van der Poel, dat valt allemaal af te wachten. We kunnen misschien bij Michel en José een biostatisticus zetten als extra-analist; die zal ons vast wel achteraf kunnen uitleggen waarom alles wat vooraf is voorspeld niet is uitgekomen en het is gelopen zoals het is gelopen.

De Strade Bianche, de koers van de witte wegen, dat is rallyrijden met een formule 1-auto. Gravelrijden mag dan in zijn – mijn gravelbike is al een halfjaar onderweg -, het blijft een anachronisme. Maar als de renners het zelf leuk vinden verstomt vanzelf
de kritiek van randfiguren als ondergetekende. De Strade is een boreling vergeleken met de honderdjarigen als Luik, Ronde van Vlaanderen, Milaan-Sanremo, Lombardije en Parijs-Roubaix, en toch waardeert het peloton inmiddels de helletocht door de Toscaanse wijn- en olijfheuvels als een zesde monument.

De lijst met winnaars is na veertien edities wel nog niet helemaal wat we van een monument verwachten. Aleksandr Kolobnev die in 2007 de eerste editie wint, niet om wild van te worden. Gelukkig was Aleksandr Vinokoerov niet in de buurt, anders had Kolobnev die misschien ook verkocht. Niemand die nog een gilletje slaakt bij het horen van de naam Thomas Lövkvist in 2009, of Maksim Iglinski in 2010, of Moreno Moser in 2013. De andere edities kregen dan weer Fabian Cancellara (drie keer), Michal Kwiatkowski (twee keer), Philippe Gilbert, Zdenek Stybar en Tiesj Benoot als winnaar. De laatste twee gingen naar de hoofdrolspelers van vanmiddag: Julian Alaphilippe en Wout van Aert.

Editie vijftien van de Strade Bianche is de Ronde van Frankrijk van de klassiekers. Iedereen die een beetje met de fiets kan rijden, wil erbij zijn. Om het koerscentrisme van de Lage Landen even te verlaten: Tadej Pogacar, Tom Pidcock en Egan Bernal rijden ook mee.

Waar in de Tour de belangen tussen kandidaat-ritwinnaars en kandidaat-eindwinnaars erg uiteenlopen, heeft iedereen vanmiddag hetzelfde doel: zo snel mogelijk in Siena aankomen, naar boven rijden door de smalle straatjes en arriveren op de Piazza del Campo. De biostatisticus in mij voorspelt dat het een kaartersduel met vier wordt en dat Pogacar er niet ver van zal zijn.

Column over openingsweekend in De Morgen van maandag 1 maart 2021

Zonnige zondag

Toen ik gisteren rond halfdrie net voor mijn oprit de Garmin stopte, zag ik 27,3 gemiddeld voor 80 kilometer. Kan beter, maar ter verschoning: het was solo, er stond veel wind en ik heb een helse maand achter de rug. Bijgedachte, in de laatste rechte lijn naar huis: laat dat AstraZeneca-vaccin maar komen. Gezien wie ik allemaal heb ingehaald en niemand die mij inhaalde – ook belangrijk – ben ik als 55-plusser in betere vorm dan de meeste twintigers, dertigers, veertigers. Mensen op hun geboortedatum in gezondheidshokjes indelen, wat een krankzinnig idee.

Geen mooiere zondagen dan zonnige zondagen die zowel late winter- als vroege lentedagen kunnen zijn. Geen mooiere dagen waarbij een planning die je in gedachten had ook uitkomt. Niet te laat opstaan, lekker laat ontbijten beschut buiten, en dan de fiets op om op tijd terug te zijn voor de koers. Dat alles in een heerlijke lentezon, crispy fris, vooral aan de voeten, maar wat deert het als je van bovenaf wordt verwarmd en de Garmin doet waarvoor hij is gekocht: je het allesverwarmende gevoel geven dat het nog niet (helemaal) op is.

Net op tijd terug ook om José De Cauwer (71) op zijn gezegende leeftijd weer een onversneden oneliner te horen debiteren. Als u hem niet hebt gehoord, welaan, hier is hij: in de koers is de kortste weg al lang genoeg. Eerlijk: geniaal, hoe die zomaar uit de losse pols kwam. Die kan op een tegel worden gebrand, op een muur worden geschilderd. De aanleiding was een voorval op zaterdag toen een groot deel van het peloton door de bosjes over een aardeweg een shortcut nam om de opstopping aan de voet van de Molenberg te vermijden.

Renners kankeren niet geheel ten onrechte op de UCI en op sommige organisatoren en op hun vakbond, maar als ze vijf meter kunnen stelen, zullen ze het niet laten. Op de Vesten in Geraardsbergen gingen ze zelfs doodleuk op het trottoir rijden om de kasseien te vermijden. Nu doping niet langer een structureel probleem is in het peloton wordt het tijd om ook die andere vreemde gewoontes aan te pakken. Overigens verheugend dat De Cauwer – van de generatie waarin echt alles kon – dat afsnijden ook laakbaar gedrag vond.

Kuurne-Brussel-Kuurne was zondag een veel mooiere wedstrijd dan de Omloop Het Nieuwsblad zaterdag, met dank aan Mathieu van der Poel die 86 kilometer in de aanval was met een paar anderen en ongeveer 43 kilometer daarvan op kop reed. Hij werd net voor de rooie vod van de laatste kilometer gepakt. Nadien zei hij: “Ik heb mijneige geamuseerd vandaag. Het was een ingeving van het moment en ik heb het de hele dag naar mijn zin gehad.”

Hij wordt weleens vergeleken met Eddy Merckx, die Mathieu van der Poel, maar als dit Merckx was overkomen, dan had je hem nogal gehoord. In theorie, want ik herinner mij niet dat dit de beste Merckx ooit is overkomen. Koersen waren in zijn tijd ook veel meer mano a mano, een strijd van man tegen man. Van der Poel is vijftig jaar te laat geboren.

De Omloop en Kuurne-Brussel-Kuurne zijn in 2021 definitief gedegradeerd tot openingskoersen die geen andere functie hebben dan het peloton klaarstomen voor het echte werk. Ondanks alle heisa, drukte en gehyp is de Omloop de Belgische versie van de Grand Prix Cycliste La Marseillaise.

Belgiës nummer één, Wout van Aert, liet het hele openingsweekend schieten. Mathieu van der Poel ook, maar die moest halsoverkop vertrekken uit de Emiraten en laste dan maar Kuurne in zijn programma in, net als morgen Le Samyn, nog zo’n C-wedstrijd.

De uitleg waarom Van der Poel niet in de Omloop aan de start kwam en wel in Kuurne, die geloof ik niet helemaal. Omdat het minder hectisch zou zijn, omdat er minder druk zou zijn. Gisteren luidde het na de overwinning van Mads Pedersen in Kuurne dan weer dat de laatste helling te ver van de meet lag. De Omloop, met die Muur en Bosberg en dan nog elf kilometer bergaf naar Ninove, waar zijn vader ooit won, had veel beter gepast bij zijn kwaliteiten. Wat de echte uitleg is, ik zou het niet weten, maar ik meen mij een quote te herinneren dat ze bij Alpecin-Fenix niet aan het handje van Flanders Classics wensen te lopen zoals andere ploegen/renners.

Dit hebben we weer gehad. Circus Fiets vertrekt nu naar het zuiden, met volgende week de Strade Bianche. Daarna volgen Tirreno en Parijs-Nice, waarna De Koers op 20 maart echt begint met Milaan-Sanremo, het eerste monument. Daarna komt de hele fietsende zooi weer onze kant op voor de echt grote wedstrijden. Koop een 65 inch oled of qled, vul die ijskast en ga ervoor zitten: 2021 wordt een grandcrujaar. Wielrennen is de enige sport die er in tijden van corona op vooruit is gegaan.

Column over beursgang van Club in De Morgen van zaterdag 27 februari 2021

Naar de beurs

Ooit kocht ik een boek van onze voormalige veldritmedewerker Paul D’Hoore. Hij was beursgoeroe geworden en op de vraag welke aandelen je moet kopen, antwoordde hij poepsimpel: je kunt misschien beginnen met aandelen van een merk waar je zelf in gelooft.

Kort daarna zat ik in de VS en had mij naar binnen gepraat bij Phil Knight en Nike. Phil zou ik maar vijf minuten spreken, geleund tegen zijn Honda Acura, maar ter compensatie voor de niet nagekomen afspraak kreeg ik een bezoek van twee dagen en tot slot een pasje voor drie uur shoppen in de personeelswinkel.

Mijn laatste babbel had ik met de baas van investors relations. Dat zijn de gasten die communiceren met potentiële en huidige investeerders van een (beursgenoteerde) onderneming. “One good advise”, zei de man toen hij mij uitgeleide deed, “buy Nike stock. It’s emo combined with a lot of ratio.”

Na die twee dagen kwam ik in trance naar buiten. Ik geloofde na dat bezoek in Nike. Kortom: ik heb Nike-aandelen gekocht. En in één moeite ook Apple, want daar geloofde ik ook in. Een paar jaar later heb ik die aandelen voor het dubbele verkocht. Dom misschien, maar de andere gouden regel van beursgoeroes was toen: verkopen als je 20 procent winst hebt.

Voor wie niet snel genoeg aandelen kan kopen van Club Brugge, als die beursgang er ooit komt: kópen, doe wat je niet laten kunt. Besef alleen dat de ratio compleet ontbreekt en denk een beetje na voor je je hele spaarvarken aan Verhaeghe-Mannaert toevertrouwt. Voetbalaandelen zijn per definitie emo-aandelen en daarmee maak je nooit winst, zo heeft het verleden uitgewezen.

Nogal wat economen en beursspecialisten beweren op basis van de slechte resultaten uit het verleden (in dezen wel een garantie voor de toekomst) dat voetbalaandelen pure geldklopperij zijn, bedoeld om de brave fans geld afhandig te maken waar ze niks voor in de plaats krijgen. Niet een stukje van de opbrengst bij de verkoop van Charles De Ketelaere, en voor de dividenden moet je het ook niet doen want voetbalclubs maken liever verlies dan winst.

Anderzijds worden ze wel uitgenodigd voor de jaarlijkse algemene vergadering. Jammer maar helaas, daar liggen alleen hamerstukken en worden dingen besproken waar ze niks van begrijpen. Voor de blauw-zwarte fermette-Vlaming, voor wie het bruto familiaal geluk rechtevenredig is met de resultaten van ‘de Club’, maakt dat niks uit. Die spaart zich desnoods het eten uit de mond voor zijn/haar voetbalkerk, en de gedachte van aandeelhouder te zijn versterkt nog die betrokkenheid.

Geniaal idee dus, die beursgang. Alleen, hoe moet dat gaan en waarover spreken we eigenlijk? Is het een kapitaalverhoging met het oog op de bouw van het stadion? Of gaat het om de verkoop van bestaande aandelen, dus om de huidige aandeelhouders te laten cashen? Mijn gok: het is een beetje van allebei.

Het lijkt weinig waarschijnlijk dat meer dan 30 procent van de aandelen van FCB op de beurs zullen komen. Ter info: Bart Verhaeghe heeft 70 procent, manager Vincent Mannaert 17,5 en de resterende zowat 12 procent is in handen van wat ondernemers (onder meer Luc Maes van Latexco en Jan Boone van Lotus).

De Tijd berekende wat de beurswaarde van Club zou kunnen zijn en kwam uit op een koers/omzetverhouding van 1,6 tot 1,8, dus 233 miljoen euro. De krant baseert zich op wat ze vergelijkbare Europese clubs noemt. Ik wil gestudeerde economen niet tegenspreken, maar Club kan niet de vergelijking doorstaan met Man United, Juventus, Lyon, Dortmund, zelfs niet met Celtic en Ajax.

De reden is simpel: Club is marktleider in België, de elfde voetbaleconomie van de planeet, en op korte, middellange en lange termijn komt daar weinig verandering in. Bepaald triest en onverdiend hoe Club donderdag werd uitgeschakeld door Dinamo Kiev, maar helemaal dramatisch dat dit op termijn meer dan waarschijnlijk België (FCB dus) de rechtstreekse plaatsing voor de eindronde van de Champions League kost.

Na de hervorming van de Champions League en de Europese competities is het goed mogelijk dat de toegang tot de vetste vetpotten van het Europees voetbal voor de Belgische kampioen extra wordt bemoeilijkt. De groeimarge voor Belgische clubs is miniem en het zou weleens kunnen dat Club financieel op zijn top zit.

De timing om een eventuele beursgang net nu te laten lekken leek de juiste, maar het Europees avontuur legt nog maar eens de vinger op de wonde: voetbal is de meest oneerlijke en onvoorspelbare sport en daarom een hoogst volatiele business. Bij Club is die onzekerheid dubbel, want dat stadion staat er nog lang niet en die Beneliga waar ze in Brugge zo hard op hopen komt er helemaal niet.