Column Bronzen generatie in De Morgen van maandag 2 september 2019

Bronzen generatie

We zijn goed een maandje opnieuw aan het voetballen, de ene club al intensiever en vaker dan de andere, en de eerste interlandbreak komt eraan. Een regulier seizoen kun je ruwweg opdelen in vijf blokken van vier of soms vijf wedstrijden, gevolgd na Nieuwjaar door een langer blok van zeven wedstrijden, en na een week of twee bijtrainen en recupereren één laatste ononderbroken serie van tien play-offwedstrijden.

Deel twee begint op 13 september. Vrijdag de dertiende, begin maar al te beven, Charleroi en Genk. Vanaf deel drie, te beginnen op 16 oktober na weer een interlandbreak, wordt het echt serieus. De specificiteit van de Belgische competitie ligt in die laatste twee blokken van samen zeventien wedstrijden. Dat staat haaks op wat de rest van Europa doet, maar trainingstechnisch is dat op te vangen, al zou het mij verbazen als clubs daar rekening mee houden in hun periodisering. In hun wat? Precies.

Break één begint vandaag. Vrijdag spelen de Rode Duivels uit bij San Marino, en maandag uit bij Schotland. Roberto Martínez maakte vrijdag zijn selectie bekend en daarin was geen plaats voor Vincent Kompany, om begrijpelijke redenen, wél voor zijn poulain Yari Verschaeren en voor Benito Raman.

Verschaeren nu al oproepen, wie daar het nut van inziet, mag dat eens komen uitleggen. Kennismaken? Die jongen weet heus wel wat nationale selecties zijn, maar laat hem rustig groeien bij de jeugd. Het is ook niet dat hij kan kiezen tussen twee landen en dat we hem moeten overtuigen van de Rode Duivels: hij is volbloed voetbal-Belg, en als hij rijp is voor het eerste, moeten we hem gewoon oproepen en dan komt hij als een hazewind.

De selectie van Benito Raman dan. Martínez is hier gearriveerd na het EK van 2016, en toen pendelde Raman bij Standard tussen
het eerste en de tribune. Het kampioenenjaar van AA Gent is voorlopig zijn hoogtepunt. Meer in het bijzonder de cruciale 2-3 net voor affluiten op het veld van Club Brugge. Volgens meer dan één analist was zijn diepgang (samen met Moses Simon op links) hét geheim van de Gentse titel, meer dan Depoitre of Kums.

Snelheid, diepgang, apenstreken, soms ontwapenend, dat was Benito Raman in Gent. Slecht begeleid? Hij wérd begeleid bij Gent, hij werd zelfs financieel geadviseerd, maar die adviseurs krabden zich meer dan één keer in de haren, zoals die keer dat hij een setje nieuwe iPhones kocht. Geen twee, maar veel meer tegelijk. Waarom toch, Benito? “Een nieuwe, een reserve als er met die ene iets zou gebeuren, één voor mijn lief en nog wel één of twee om een keer cadeau te doen.”

Ja, om Benito kon je altijd wel lachen, maar toch had Gent net dat even iets meer kunnen en moeten doen om hem tussen de lijntjes te laten kleuren en zijn onmiskenbaar talent te valoriseren. Toen hij voor de tweede keer over de schreef ging, dacht iedereen dat het om een snookerincident ging. Dat klopt maar ten dele: het had vooral te maken met gokken (voor heel veel geld) op zijn snookerpartijtjes. Een nóg betere begeleiding, gericht op het wegwerken van enkele flauwtes, gebruikmakend van sterktes, het had kunnen werken, en dan had Gent hem misschien zelf kunnen verkopen aan een topper in de Bundesliga. Jammer, voor home boys mag en moet de begeleiding altijd iets dwingender en beter.

Raman staat op een driesprong – doorgroeien, stagneren of terug naar af – en daarom is hij misschien op zijn plaats bij de Rode Duivels. Die staan op een andere driesprong. De kwalificatie voor het EK van 2020 kan hen niet meer ontsnappen, maar dat stond al vast de dag dat ze bij de UEFA het lumineuze idee opvatten om voortaan in plaats van met zestien met 24 ploegen een eindronde te organiseren.

Deze Rode Duivels hebben voor Euro 2020 drie opties: de ene leidt naar de hoofdprijs, de andere naar weer-net-niet, de derde naar een rampzalige vroege uitschakeling en terug naar af. Met andere woorden: blijft deze grote generatie een bronzen generatie of wordt ze echt een gouden generatie? Een etiket waar ze zelf niet voor heeft gekozen, maar dat inmiddels als een soort stigma op de groep kleeft.

Sowieso wordt Euro 2020 het eindstation voor nogal wat internationals, die hun talent en hun gezondheid exclusief zullen willen voorbehouden voor veel lucratiever clubverplichtingen, kwestie van die carrière te kunnen rekken. Roberto Martínez lijkt ook bezig aan zijn laatste kunstje. Hij heeft twee uitwegen: of hij haalt een prijs en krijgt een standbeeld in Tubize, of hij blijft in onze herinnering voortleven als de immer aardige, intelligente man van de net-niet-generatie.

 

20190902_De-Morgen_p-19

Interview Gert Verheyen in De Morgen van zaterdag 31 augustus 2019

‘Voetballers leven in hun bubbel en kun je niet meer bereiken’

Hij woont in een voormalige jezuïetenboerderij, maar de bijbehorende streken zijn hem vreemd. Gert Verheyen (48) was eerlijk als analist, bleef eerlijk als trainer en werd opnieuw die eerlijke analist. ‘Ben ik als trainer mislukt? Ja toch?’

Van tovenaar tot sukkelaar en soms terug, het is het lot van elke voetbaltrainer, maar niet van Gert Verheyen. Een tovenaar werd hij nooit, en voor hij als sukkelaar kon worden afgebrand, gooide hij de handdoek. Hij kwam, zag, won weinig, en vertrok uit Oostende. De snelste passage ooit van de meest beloftevolle nieuwe trainer die de Jupiler Pro League heeft verwelkomd.

Om het verhaal compleet te maken, werd hij deze lente na een korte sabbatical bij Club Brugge aangekondigd als T2. Want hij had gezegd: ‘Ik word niet opnieuw analist.’ Dat T2-schap ging niet door – lees verder waarom -, waarop hij door Het Nieuwsblad, de VRT en Proximus werd binnengehaald als nieuwe oude analist. Hij sprak toen de woorden: ‘Ik word niet onmiddellijk weer trainer, ik blijf dit zeker twee jaar doen.’

Iedereen zag je al bij Club, samen met je maat Philippe Clement. Waarom ging dat niet door?

Gert Verheyen: “Geld, dat is de enige reden. Ik weet best dat een T2 niet wordt betaald als een T1, en ik wilde mij ook graag in de schaduw bezighouden met de analyses. Maar als ik hele dagen op een club moet zijn, wil ik daar wel een eerlijke vergoeding voor. Wat ik dan eerlijk vind, verschilde niet veel van hun voorstel, maar blijkbaar zag Club dat anders.

“Het had kunnen werken, maar misschien is een combinatie van vrienden als T1 en T2 niet ideaal. Ik heb dat bij Oostende gehad met Franky Van der Elst, en er zijn altijd van die momenten dat ook de relatie onder druk komt te staan. De Phille is een maat gebleven, die neemt het mij niet kwalijk dat ik niet ben gekomen.

“Onlangs stelde hij voor om iets te gaan eten en wat bij te praten. Ik zei: ‘Heb jij daar tijd voor?’ Geen probleem, het kon voor hem zelfs aan de vooravond van een wedstrijd. Daar sta ik van te kijken. Met mij uit eten gaan een dag voor een wedstrijd was on-mo-ge-lijk, ik was compleet afwezig. (denkt na) Misschien ben ik wel niet geschikt om een club te trainen.”

Een gesprek met Gert Verheyen bulkt van de zelfrelativering, en die is niet gespeeld. Zo was hij ook als voetballer, ondanks een heel aardige carrière, eerst bij Anderlecht (niet gelukt, zegt hij zelf) en daarna veertien jaar Club Brugge en vijftig caps voor de nationale ploeg. Zijn fin de carrière was memorabel. In een wedstrijd tegen Charleroi scoorde de hem toegewezen speler op corner. Hij trok zich dat erg aan – “het was al de tweede keer (in twee jaar, HV) dat mijn man scoorde” – en nam de beslissing dat het genoeg was geweest. “Ben ik te streng voor mezelf? Er zijn er nog die dat zeggen. Misschien wel, hoewel ik dat niet zo aanvoel.”

Waarom ben je uit je comfortabele situatie als bondscoach van de nationale U19 en commentator/analist gestapt om clubtrainer te worden, bij KV Oostende dan nog?

“Ik was vijf jaar bondscoach, had tien jaar commentaar gegeven. Met die jonge gasten bij de nationale ploeg werken, had mijn goesting aangewakkerd. Ik had echt het gevoel dat ik wat kon betekenen voor het functioneren van een ploeg, en KVO leek me een ideale eerste club. Na vijf gesprekken met de toenmalige voorzitter, Peter Callant, was er een klik en was ik er nog meer van overtuigd dat
ik het moest wagen, al wist ik ook dat elk jaar de helft of meer dan de helft van de trainers wordt ontslagen. Achteraf gezien was KVO geen goed idee, maar je kunt niet alles op voorhand inschatten.”

Als die kopbal van Bezus van AA Gent er in blessuretijd niet in gaat op jullie veld, spelen jullie de bekerfinale…

“… en heb je een heel ander verhaal, waardoor al die verlieswedstrijden in de competitie worden gecompenseerd door het vooruitzicht van die bekerfinale. Maar dat is voetbal: als, als en nog eens als. Ik heb de spelers twee dagen vrijaf gegeven. Toen ze terug naar de club kwamen, waren ze er nog erger aan toe. Die finale missen was een zware klap.

“Ik was samen met Franky trainer van de nationale U19, en daar was het ook soms net niet, ging het in de laatste wedstrijd nog mis. Ik zei hem na Gent: ‘Wij mogen stilaan ook eens hoerensjans hebben.’ Geluk heb je nodig in dit vak om te overleven – waarmee ik me er niet van af wil maken met ‘ik heb nooit geluk’.”

Jij zat als speler nooit bij een middenmoter met degradatieangst en een onevenwichtig samengestelde groep.

“Ik heb nooit op dat niveau gevoetbald, dat is juist, wel twintig jaar lang in betere ploegen. Maar ook daar begint alles bij de goesting en de beleving om naar je job te komen en er het beste van te maken voor jezelf en voor de club. Het was een shock om sommigen van die gasten bezig te zien.

“Dat begon al bij de vertoning van wedstrijdbeelden en de totale desinteresse bij sommige spelers. Ik deed dat met de U19 ook, en dat duurde soms een uur. Er werd gelachen, ik stelde vragen, er kwamen antwoorden, soms ook stomme, en dan werd er weer gelachen. Bij Oostende? Nóóit reactie. Was dat de groepsdruk? Wellicht wel. Iedereen keek naar elkaar. Jongens die ik in de U19 had gehad en die daar wel met mij in gesprek gingen, durfden in Oostende niets te zeggen. Dan ga je je vragen stellen. Ligt het aan mij? Heeft dit überhaupt zin?”

Ik vroeg in maart aan Nicolas Lombaerts om vanuit zijn ervaring als tegenstander de Play Off 1-ploegen te analyseren. Zijn antwoord was: ‘Ik kijk nooit voetbal.’ Ik schrok.

“Ik ga Nicolas niet afbranden, want ik heb begrip voor zijn situatie. Die is helemaal ontspoord met het vertrek van Marc Coucke. Ik heb wel geen begrip voor de manier waarop hij zich heeft opgesteld in de groep. Het niet kunnen opbrengen om het toch voor jezelf wat aangenamer te maken, dat snap ik niet. Elke dag tegen je zin in die auto stappen en naar Oostende rijden, ik zou dat niet kunnen. Geld of geen geld, opstapvergoeding of niet, dan ben ik weg.”

Ben jij de trainer van de individuele gesprekken?

“Alleen als ik geloof wat ik zelf zeg. Waarom wordt een speler niet opgesteld? Simpel: omdat je als trainer een andere beter vindt. Ik ga dan niet het verhaal ophangen dat je niet complementair bent met onze spits, of dat je deze week twintig meter minder aan hoge intensiteit hebt getraind en ik daarom voor een andere kies. Dat is aan mij niet besteed.”

De rit naar Oostende was voor jou op den duur ook een martelgang.

“Naar Oostende, dat ging nog. Maar ik ben zelden gelukkig geweest op de terugweg, door wat er was gebeurd of door wat ik had gezien op training. Ik had dat uurtje in de auto echt wel nodig om tot rust te komen en hier een beetje normaal te arriveren.

“Alleen van onze stageweek in Spanje was ik content. Het volstond niet om er een blijvend goed gevoel aan over te houden. Er is te veel gebeurd, en ik wist ook te veel. Chic, hoor, dat Peter Callant, sportief directeur Hugo Broos en algemeen directeur Patrick Orlans me deelgenoot maakten van alles wat speelde in de club, maar na elke vergadering had ik wel extra problemen in mijn rugzak. Met het vertrek van Callant als voorzitter viel ook nog eens een steun weg.”

Vind je jezelf mislukt?

“Ja toch? Ik heb in Oostende nauwelijks impact gehad. Wat ik had geleerd uit analyses van de wedstrijden en wat beter moest in het spel, dat heb ik niet kunnen veranderen. Altijd kwamen dezelfde mankementen terug. Misschien lag het aan de beperkte mogelijkheden van de spelers, maar dan nog.

“Ook in de dagelijkse werking en de beleving van de job heb ik mijn spelers niet kunnen doen inzien dat het anders kan en moet. Soms ging het twee dagen beter, maar dan hervielen ze in hun oude gedrag. Het is niet zo dat een groep niet kan veranderen of dat ik een groep niet kan doen veranderen, want bij de nationale ploeg heb ik die cultuur wel kunnen sturen.”

Ooit behaalde een zeer veeleisende trainer met prachtige oefenstof weinig punten. Hij werd opgevolgd door een collega die de helft van de tijd voetvolley gaf en haast alles won.

“Dat zal dan mijn gebrek aan ervaring als trainer zijn geweest en mijn verleden als speler. Ik heb altijd het meest gehad aan didactisch en analytisch sterke trainers met gerichte oefenstof. Dan noem ik altijd eerst Emilio Ferrera, die ik pas heb gehad toen ik al 35 was. Dat ik die nog mocht meemaken, beschouwde ik als een verrijking. Als trainer besteedde ik dus veel aandacht aan oefenvormen in functie van ons spel en aan de analyse van onszelf en van de tegenstander. (aarzelt) Misschien had ik beter gewoon een matchke gespeeld op training.”

Ken je de persoonlijkheidstypes van Myers-Briggs? In teamsport komen die van pas.

“Jawel, ik heb die test gedaan bij sportpsycholoog Jef Brouwers.”

Misschien had je dat je spelers moeten laten doen, dan had je geweten welk vlees je in de kuip had.

“Dat heb ik gevraagd, maar daar was geen budget voor.”

Had ze dan Romeo en Julia laten naspelen, zoals ik laatst in Extra Time zag. Dat hadden ze jou niet moeten aandoen, zag ik aan je reactie.

“Neen, neen, alstublieft zeg. (lacht) We zijn weleens twee dagen naar Durbuy geweest, naar dat avonturenpark, om aan die rotsen te hangen. Dat heeft de groepsdynamiek niet bevorderd. Echt niet. Het was plezante ontspanning in plaats van trainen, meer niet.

“Ik ben twee keer bij Jef Brouwers geweest, en dat was goed voor mezelf. Maar dat naar de groep vertalen is nog andere koek. Dan nog: als je als speler nog geen interesse kunt opbrengen voor beelden van je wedstrijd, hoe zou dat dan gaan bij een sportpsycholoog?”

Toen ik begon in dit vak, waren de voetballers streetwise en de wielrenners wisten van de wereld niet. Vandaag is dat andersom.

“Je kunt niet veralgemenen, maar ik snap waar je naartoe wilt. De moderne wielrenner weet waar hij mee bezig is – beter worden – en wat nodig is om er te geraken. De hedendaagse voetballer leeft in zijn eigen bubbel en kun je niet meer bereiken. Die doet wat hij wil, en wordt soms veel te veel betaald.

“De clubs schermen hen af van de pers. Half uurtje interview is half uurtje. Ik heb het meegemaakt bij een dubbelgesprek met Timmy Simons dat de perschef kwam zeggen: ‘Het is afgelopen.’ Timmy zei ‘oké’ en stond op. Op die leeftijd moest niemand mij komen zeggen dat het afgelopen was. Dat had ik zelf wel bepaald.

“Onze kleedkamer in Oostende heeft me van bij de eerste wedstrijd in Moeskroen verbaasd. Wat daar werd gezegd in de aanloop naar de wedstrijd, of, beter, wat daar níét werd gezegd, dat shockeerde me. De scheidsrechter die fluit voor de wedstrijd en de spelers die opstaan alsof ze naar hun werk gaan – allee, mannen, we gaan sjotten. Ik heb hen daarop aangesproken, maar niemand reageerde. Pas toen Tom De Sutter erbij kwam, is dat wat veranderd.

“Ik weet niet of ik te analytisch denk en werk. Ik ben echt niet alleen maar bezig met statistiek en analyses, maar ik gebruik die wel om te checken of wat ik heb gezien ook klopt. Als ik een spits zou hebben die 7,8 kilometer of 8 kilometer per wedstrijd loopt en het overgrote deel daarvan gewoon wandelt zoals Dieumerci Mbokani, dan zou ik hem onmiddellijk opstellen. Simpel, omdat Mbokani scoort.

“Andres Mendoza bij Club was ook zo’n apart figuur. Hij had een compleet tegenovergestelde attitude dan de mijne, maar hij besliste wedstrijden voor ons. Dan pik je dat als medespeler. Ik had geen spits als Mbokani bij KVO. Mijn spits speelde tot tien minuten voor de wedstrijd met een andere speler spelletjes op zijn iPhone. Als hij daarna had gescoord, zoals Mbokani, dan had hij gerust zijn spelletjes mogen blijven spelen. Maar als je twee doelpunten maakt in een heel seizoen, zou ik stoppen met die spelletjes.”

 

Naarmate het gesprek vordert, inclusief een voor zijn aanvoelen lange fotosessie in zijn prachtige oude hoeve, vallen meer stiltes. Sowieso hoort nadenken en twijfelen bij deze man. Als voorbeeldig gastheer ligt het ook niet meteen in zijn aard om te komen met iets als ‘wil je nu vertrekken, genoeg gepraat’. Je krijgt bij Gert Verheyen ook altijd de indruk dat hij eerst de horde van de inschatting moet nemen – ja, maar ook toch een beetje neen, en waar ligt de waarheid? – voor hij iets poneert. Gert Verheyen is niet de vervanger van Jan Mulder.

“Iedereen in het voetbal heeft gelijk, maar wat ik zeg, moet naar mijn aanvoelen juist zijn. Het gratuite commentaar om het commentaar en om te shockeren, daarvoor moet je niet bij mij zijn. Ik kan de analyse van vandaag scheiden van emotie of van het verleden, en daarom had ik er ook geen enkele moeite mee om het in de eerste Extra Time van het jaar meteen over KV Oostende te hebben. Hetzelfde als ik iets zeg over Club Brugge, waar ik veertien jaar heb gespeeld.

“Het klopt dat analyses meestal achteraf uitleggen wat er is gebeurd, maar voetbal valt moeilijk te voorspellen en al helemaal de uitslag niet. Het Nieuwsblad vraagt om tegenstanders van onze Belgische ploegen grondig te analyseren. Dat is andere koek dan gewoon een wedstrijd bekijken. Met mijn analyse van de manier waarop LASK Linz de wedstrijd zou aanpakken tegen Club Brugge en dat Club het lastig zou krijgen, zat ik er toch op. Maar niemand kon dan weer voorspellen dat Club die 0-1 cadeau zou krijgen.”

‘Wil Verheyen wel hard werken?’, heb ik ooit gehoord.

“Dat heeft te maken met wat ik heb gedaan en wat ik nu weer doe. Een analist zit in zijn zetel en zegt hoe het niet gebeurt en hoe het wel zou moeten gebeuren. Dat lijkt makkelijk, en het is ook makkelijker dan trainer van een club zijn. Alleen heb ik altijd hard gewerkt. Ook toen ik een kledingzaak had en zo goed als elke dag zelf kleren stond op te vouwen. Wie wil weten hoe ik werk, moet het aan Hugo Broos vragen. Als trainer van KVO werkte ik volgens hem té hard.

“Ik bekijk de periode bij KVO fatalistisch: misschien moest het wel zo zijn. Dat er nu clubs zijn die twijfelen of ik wel geschikt ben om trainer te zijn, daar kan ik inkomen. Ik twijfel ook. Als ik het echt doodgraag had gedaan, dan was ik wel blijven zitten bij Oostende. Maar iets tegen mijn goesting doen, of onder de prijs werken zoals anderen om toch maar trainer te zijn, daar begin ik niet aan.”

Vincent Kompany werkt allicht boven de gangbare prijs, maar hij heeft dan ook twee jobs.

“Ja, en hoe hij dat doet, dat snap ik niet. Als trainer ben je elke avond doodmoe, want het is een meer dan volle dagtaak. Als speler mag je dan weer niet moe zijn. Maar hij steekt na zijn training nog eens zijn benen onder een bureau en speelt trainer. Die blessure aan zijn hamstring van vorig weekend heeft daar natuurlijk niks mee te maken. Hij heeft altijd redelijk wat blessures gehad, ook zonder die dubbele rol.

“Het komt wel goed met Anderlecht – ooit wel, het is en blijft Anderlecht – maar voorlopig is Club het Anderlecht van een paar jaar geleden, de referentie. Wordt een ander team kampioen, dan haalt Club daar de trainer weg. Ze hebben de grootste achterban, het meeste geld, verkopen de duurste spelers, halen nog duurdere en worden sterker. En dan moeten ze nog dat nieuwe stadion bouwen. Club zal een paar jaar dominant zijn, verwacht ik.

“Waar ik wel van schrik, zijn de bedragen die tegenwoordig door onze clubs worden betaald. Als je een speler van 1 miljoen koopt en die blijkt er niets van te kunnen, dan kun je dat opvangen. Eén van acht miljoen die het niet waard blijkt te zijn: begin dat maar eens te compenseren. Bij Oostende heb ik inzage gekregen in wat achter de schermen allemaal speelt bij die spelershandel. Dat heeft ook niet geholpen voor mijn gemoedsgesteldheid. Die makelaarstoestanden, ik wens ze veel succes als ze die in België willen reglementeren. Dat lukt nooit, tenzij niet langer de club maar de speler voortaan de makelaar betaalt.”

Ik heb als ervaringsdeskundige één raad: twee keer nadenken voor je het comfort van thuiswerken opgeeft.

“Thuiswerken is inderdaad een luxe: geen stress, geen verkeer, geen drukte. Tenzij we ergens ter plaatse commentaar geven, doe ik alles van thuis. Wat niet belet dat ik er elke dag mee bezig ben en elke dag ook aan dat bureau dingen zit te verwerken.

“Natuurlijk is mijn sociaal leven erop vooruitgegaan. Ines (zijn vriendin, HV) heeft niets met voetbal. Zij was ook content dat het gedaan was in Oostende, dat ze niet meer elk weekend naar onze match moest komen kijken. (lacht) Op den duur vroeg ze zelfs: ‘Moet ik nog komen kijken?’

“Als clubtrainer had ik geen sociaal leven, maar als ik nu ga eten op een avond dat er wedstrijd is, moet ik die de volgende ochtend wel inhalen. En ik kan niet volstaan met een samenvatting en de doelpunten. Een opgenomen wedstrijd kijkt wel sneller dan live. Drie wedstrijden per dag lukt nog. De vierde en soms de vijfde is een lastig verhaal. En dan bekijk ik tussendoor ook nog de grote Europese ploegen, want die kom ik nog tegen voor Proximus in de Champions League.

“Ik heb gezegd dat ik dit twee jaar ga doen. Het moet een beetje geloofwaardig blijven. Ik kan niet over vier maanden bij het eerste telefoontje weer vertrekken. Ik zal vijftig zijn als ik eventueel weer trainer word. Als ik dit niet beu word, is er geen reden om het niet langer te doen. Al moet ik daar ook eerlijk in zijn. Er is wat veranderd: een analist die verschillende opdrachten combineert, zoals ik, kan daar nu van leven. Vroeger was dat niet het geval.”

Heb je nu evenwicht gevonden?

“Ja. Er is niets om me zorgen over te maken, niets om stress over te hebben. De eerste twee weken nadat ik was opgestapt bij Oostende heb ik veel geslapen, maar ik ben ook onmiddellijk weer beginnen te sporten. Ik had geen meter gelopen of gefietst toen ik bij Oostende zat en ik was wat kilo’s aangekomen. Na een week of twee was het ergste al voorbij. In dat fietsen krijg ik wel geen regelmaat. Ik heb al drie weken haast niets gedaan, en soms rijd ik in een week ineens 500 kilometer.

“Het zal nogal zwaar klinken, maar het echte einde was voor mij toch stoppen met voetballen. Alles wat je daarna doet, is een flauw afkooksel. Wellicht wilde ik als trainer iets herbeleven wat ik als speler had gevoeld, de adrenaline van het winnen. Als speler heb ik veel gewonnen, als trainer van Oostende heb ik dat zes keer gevoeld. (herhaalt en lacht) Zes keer… in een heel jaar.

“Ik heb altijd kunnen kiezen wat ik wilde doen. De kans dat ik nooit meer trainer word, is groot, dat klopt. Wat niet wil zeggen dat ik dit dan eeuwig blijf doen. Misschien kom ik wel in een totaal ander milieu terecht. Of ik iets anders kan? (lacht) Als je iets wílt kunnen, dan kún je dat.”

 

 

Gert Verheyen-mail

Column Nen Bruinen in De Morgen van zaterdag 31 augustus 2019

Nen bruinen

Nog goed dat het Anderlecht-Standard is zondag en niet omgekeerd. Je wilt het niet meemaken dat deze geplaagde club en haar manke speler-trainer-manager-aandeelhouder met die twee schamele puntjes op vijftien naar het spookhuis van Sclessin moeten om daar anderhalf uur spitsroeden te lopen.

Niks mis mee dat Anderlecht eens door het stof gaat na een hegemonie van meer dan een halve eeuw, maar er zijn grenzen aan leedvermaak en die zijn ver overschreden op Genk. De blessure van Vincent Kompany werd daar door een deel van het publiek op gejuich onthaald. Dat deel van het publiek bevond zich in de omgeving van de vader van Michel Vlap, die zich daarover verbaasde.

Er redelijkerwijs van uitgaand dat die niet in Tribune Zuid tussen de harde kern stond, heeft Vlap de doorsnee gastvrije, gemoedelijke Limburger aan het werk gehoord. Je mag er niet aan denken dat het gewonde dier Kompany op Standard aan de verscheurende wellust van de Ultras Inferno, de Hell Side, de Kop Rouches of nog Publik Histerik Kaos was gevoederd.

Sinds zijn komst naar het Constant Vanden Stockstadion, dat nu een andere naam draagt, staan alle camera’s gericht op Kompany. Elke beweging, elke ademhaling wordt digitaal geregistreerd en voor het nageslacht bewaard. Alleen tussen die witte lijnen op het veld kan hij dat vergeten en doen wat hij het liefste doet: een ploeg aansturen.

Ook dat is nu weggevallen en als Kompany morgen in de hoofdtribune plaatsneemt, hopelijk voor de cameralui in de buurt van Michael Verschueren en Marc Coucke, kwestie van drie vliegen in één klap, zal er wéér een camera op hem staan. Zelfs de bond zal toekijken of hij niet coacht zonder Pro License-diploma. Hij zal niet mogen bewegen of ademen of een gsm ter hand nemen of het zal worden geturfd: 103 keer naar rechts, 50 keer naar links gedraaid, 307 keer geademd, 10 minuten screen time, gemiddelde hartslag 90. Het is eens wat anders dan high-intensity meters en progressive passing.

De vraag die pa Vlap zich onder meer stelde, was waar die haat tegen Kompany vandaan komt. Wat heeft de captain van een niet onaardig nationaal elftal, en in dezen toch een beetje een über-Belg, de voetbalfan die niet voor Anderlecht is aangedaan?

Niks, echt niks. Ja oké, hij wil in het instituut Anderlecht de grandeur van weleer laten herleven en had/heeft grote teksten bij die plannen. En Anderlecht is dan weer alom gehaat, precies omwille van die historische dominantie. En van Coucke houdt ook niemand. Drie iconen in één moeite onder het gras stoppen, vernederen, omverduwen… Dat heet icon toppling in de sociologie.

Maar leedvermaak om een blessure? Een sportpsycholoog zei van de week dat dit haatgedrag inherent is aan voetbal, de sport
die zich van alle sporten het minst bekommert om fair play, die bol staat van agressie en bedrog. De vraag is: ga je voetballen of naar voetbal kijken omdat je geen manieren hebt, of vergeet je je manieren omdat je naar voetbal kijkt of voetbal speelt? Het is van allebei een beetje en de valkuil is hier veralgemening. Er zijn heus wel voetballers en voetbalfans die met de beste intentie hun sport beoefenen en bekijken. Alleen moeten die opboksen tegen een 150 jaar oude foute cultuur die in andere sporten gewoon niet wordt getolereerd.

Pa Vlaps verwondering is vreemd. Kent die zijn (Nederlandse) klassiekers dan niet? Leedvermaak met de foute hamstring van Kompany in Genk verzinkt in het niets bij de fans van Feyenoord die in maart 1995 Louis van Gaal, net nadat zijn vrouw was overleden, een hart onder de riem staken met gezang. Een dieper dieptepunt dan ‘Louis, die had een kankerwijf’ is mij niet bekend.

Wat ook speelt bij Kompany: racisme, puur en simpel. Een gekleurde medemens met al die praatjes, de gemiddelde Vlaming pikt dat niet. Een halve Congolees, ingehaald als de messias en nu heel even de martelaar, die in duidelijke taal – de drie landstalen, u zou zijn Duits eens moeten horen – uitlegt waar hij naartoe wil, die ogenschijnlijk niet nerveus wordt als het in eerste instantie niet lukt, of zelfs mislukt, FC Fermettegem zinkt ter plekke weg in een identitaire crisis.

Klinkt dit overdreven? Ga eens in een voetbaltribune zitten en let op het commentaar. Laatst werden op de rij achter mij luidop de Belgen geteld die bij Gent tussen de lijnen stonden. Dat waren er naar aloude Gentse traditie niet veel en ze kwamen uit bij drie. “Vier, je bent Odjidja vergeten”, zei een kompaan van de teller. “Die telt niet, dat is nen bruinen”, was het antwoord.

Dat was in de eretribune. In de modelstad Gent.

 

 

Nen Bruinen-mail

Column over Red Lions en EK hockey in De Morgen van maandag 26 aug 2019

Beste Belgische team ooit

We konden spanning verwachten, véél spanning. Dat begon vrijdag al met het EK jumping in Rotterdam. Het zou lastig worden maar ‘we’ hadden een kans op de Europese titel en het daaraan verbonden olympisch ticket. Bam, een paar rondjes paardjerijden (excuses) en de Belgen begroeven de rest van Europa onder de Hollandse zavel. Tokyo, here we come. Hopelijk met dezelfde goede paarden want in het verleden durfden onze ruiters/paardenhandelaars die al eens te verkopen in een olympisch jaar.

Ook die vrijdagavond klopten de Belgische volleybalvrouwen makkelijk Oekraïne. Een dag later wonnen ze makkelijk van Slovenië en zijn nu al haast zeker van een plaats in de kwartfinale van het EK volleybal door die twee walk-overs. Benieuwd wat ze er vanavond tegen wereldtopper Italië van bakken.

Het beste, het spannendste van het weekend moest nog komen. Dat hadden de spelers ons zelf op het hart gedrukt en ook de bondscoach vond – bijna in een Martínez-persiflage – EK-finalist Spanje een wereldelftal. Oké, we hadden ervan gewonnen in de poules, met 5-0 nog wel, maar toen deed minstens één erg goeie Spanjaard niet mee. Neen, het zou een hele klus worden om dat tot een goed einde te brengen.

Niet dus. Uitgerekend toen de Belgen met een man minder verder moesten voor een straf die je alleen in hockey kan overkomen, zetten ze de Spanjaarden schaakmat. Aan de rust stond het al 4-0. Aan de rust, alstublieft! Tokyo, here we come. Dat laatste is nu niet bepaald een verrassing omdat je als wereldkampioen en viceolympischkampioen en zevenvoudig finalist in grote toernooien wordt geacht je te allen tijde te kunnen plaatsen voor de Spelen. Helemaal in de kleinste van alle teamsporten, en interpreteer dat alstublieft niet als een diskwalificatie van deze knalprestatie.

Na afgelopen weekend zijn we al van twee dingen zeker. We weten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid welke ploeg níét het team van het jaar wordt: RSC Anderlecht. En we weten wie het wél worden: de hockeymannen of Red Lions. Jammer voor die ruiters, helaas, wat die gasten van Shane McLeod weer op het kunstgras hebben gelegd was weergaloos.

Herinner u de gewonnen WK-finale in december vorig jaar tegen Nederland. Dat was gesloten, lelijk spel, hockey op zijn slechtst zoals het maar heel af en toe mag worden gespeeld. Het doel heiligde toen de middelen omdat ook het meest aanvallende en meest gelauwerde team van de wereld de wedstrijd op slot wilde houden tegen die razendsnelle Belgen.

Zaterdag tegen Spanje speelden de Belgen in een onwaarschijnlijk tempo. Hoge druk, snelle vleugelwissels, splijtende dieptepasses – de bal gaat sneller dan de man is een voetbaladagium dat nog meer geldt in hockey – en inventiviteit en handigheid in de ball handling die niemand hun nadoet. Bij de rust waren ze zeker van hun eerste Europese titel.

Bij de rust, laat dat toch even doordringen en probeer u te herinneren hoelang het geleden is dat een Belgisch team dat voor mekaar heeft gekregen: een tegenstander in een continentale of mondiale finale verpletteren. Doe geen moeite: het is nooit, never gebeurd. De Belgian Red Lions zijn met afstand het beste team dat dit land ooit heeft voortgebracht.

Viceolympischkampioen in Rio (wat jammer van die ene offday), wereldkampioen in Bhubaneshwar en nu Europees kampioen in Wilrijk. Dit zijn podia die tot nog toe alleen onze allergrootste individuele atleten te beurt vielen. Fred Deburghgraeve en Nafi Thiam gingen nog een stapje verder en pakten naast de wereld- en Europese ook de olympische titel. Fredje deed er het ultieme schepje bovenop door en passant een wereldrecord scherper te stellen.

Succes in teamsport is altijd superieur aan individueel succes. Eenzame kampioenen (m/v) kunnen een land overkomen – Fredje en Nafi waren toevalstreffers – maar succes met nationale ploegen is naast een generationeel fenomeen bijna altijd het gevolg van een model of minstens een doordacht plan.

Voetbal kan daarop een uitzondering zijn en kan volstaan met een goeie generatie, maar dat is een aparte column waard. Hoe kleiner de sport, des te doordachter dat plan moet zijn, des te groter de kans op succes. Daarom ook moeten we die hockeysuccessen koesteren. Ze zijn onze grootste kans op medailles in teamsporten en de gloed die ervan uitgaat, overstijgt alles.

 

20190826_De-Morgen_p-19-mail

Verhaal over de Adelaars van de Andes (Colombia en wielrennen) in De Morgen van zaterdag 24 aug 2019

Vlaamse passie, genen uit Kenia

Colombia vierde in 1984 de eerste etappewinst in de Tour. Het was even wachten op betere tijden, maar 35 jaar later moeten we niet vreemd opkijken als ook de derde grote ronde van 2019 wordt gewonnen door een adelaar uit de Andes.

2 juni 1984, de Dauphiné Libéré. Francisco ‘zeg maar Pacho’ Rodríguez heeft die dag de rit naar Saint-Julien-en-Genevois gewonnen met een De Gendtiaanse inspanning – van begin tot einde voorop. Met nog twee dagen te gaan leidt de Colombiaanse amateur met meer dan drie minuten voorsprong op de in die tijd onbetwiste capo van het wielerpeloton, Bernard Hinault. Die avond krijgt Pacho bezoek van twee mannen.

“Een heel groot coureur en zijn ploegleider klopten op zijn deur en gingen naar binnen”, aldus een ooggetuige/masseur. “Kun je die arme boerenjongen iets verwijten, overdonderd als hij was?” Een dag later stapt Pacho Rodriguez af. Mysterieuze plotse kniepijn en wellicht veel Franse francs rijker. De paar Colombiaanse journalisten die hun amateurs over de grote plas zijn gevolgd, weten met hun tristesse geen blijf. Met een overwinning in de belangrijkste voorbereidingswedstrijd van de allerbelangrijkste wielerwedstrijd van de planeet hadden ze eindelijk goed nieuws kunnen brengen.

1984 is het begin van de meest gruwelijke periode in de geschiedenis van Colombia met moorden, kidnappingen en executies alom. De drugsbrigades, de rebellengroeperingen, een disfunctionele regering, het kwam allemaal bij elkaar met de moord op Rodrigo
Lara Bonilla. Die kersverse minster van Justitie had in maart van dat jaar samen met de Amerikanen in het Amazonegebied de drugsfabriek Tranquilandia ontmanteld en vernietigd. Pablo Escobar, de rijkste man op aarde, was zijn grootste productie-eenheid kwijt en riposteerde met een rondje 45mm-kogels dat dwars door zijn Mercedes de minister aan flarden schoot. Colombia had dat succesje in de nationale passie best kunnen gebruiken om de miserie wat te verzachten.

Kinderen van het volk

De voorlaatste dag van de Dauphiné stond een rit gepland naar Col de Rousset. Hinault trok al snel in de aanval, reed de eerste vier cols solo, maar kreeg op de laatste een klop van de hamer. Phil Anderson zou de rit winnen. Martín Ramírez, een andere Colombiaan die zestien seconden achter Hinault stond in het algemeen klassement, zag zijn kans schoon toen hij in de mist Hinault inhaalde en hem in de laatste kilometers loste in de eerste sneeuwstorm die hij ooit had gezien. Met nog een dubbele etappe voor de boeg had Ramírez 22 seconden voorsprong op Hinault.

In de ochtendrit in lijn reed Ramírez op het wiel van Hinault. “Hij probeerde mij te doen vallen door plots te remmen en af te wijken en zijn ploegmaats duwden mij alle kanten op. Ze scholden ons uit voor bedriegers en ik wist niet waarom.”

De tijdrit was een klim en een afdaling. Greg LeMond won die en Ramírez werd nooit meer bedreigd. Wat stond het er mooi: 1. Ramírez (Varta, Colombia), 2. Hinault (La Vie Claire, op 0:27), 3. LeMond (Renault-Elf, op 5:07). Hinault kon de nederlaag niet verkroppen en demonstreerde zijn afkeer voor de Colombiaanse invasie door op het podium een cokesnuiver te imiteren. Colombia kon het niet deren. Na de overwinning van Ramírez barstten spontaan volksfeesten los. Ook de officiële instanties probeerden de zeges te recupereren.

In het disfunctionele Colombia kwam rebellengroepering M19 als eerste met een perscommuniqué. “Deze exploten zijn geleverd door kinderen van het gewone Colombiaanse volk.” Waarop de president ook maar met een mededeling kwam en een decreet uitvaardigde: wielrennen zou voortaan een sport zijn met “een speciale betekenis” als promotor van Colombia. Ook dit jaar kwamen Colombiaanse promojongens en meisjes in de perszaal van de Tour-start in Brussel in opdracht van hun ambassade documentatie uitdelen, met de uitdrukkelijke vraag positief te berichten over hun land.

Fietszondag heilig

1984 zou het voorlopig mooiste Colombiaanse wielerjaar ooit worden, toen op 16 juli Luis ‘Lucho’ Herrera de latere Tour-winnaar Laurent Fignon het nakijken gaf op l’Alpe d’Huez en als eerste Colombiaan een Tour-etappe won. Na die Dauphiné waren Rodríguez en Ramírez in sneltempo prof geworden in Europa, maar Lucho Herrera bleef eeuwig trouw aan de staatsbedrijven Café de Colombia en Postobon.

Een jaar na l’Alpe d’Huez zou hij een centje bijverdienen door in combine met de Tour-winnaar Hinault te rijden – Hinault geel en hij de bolletjestrui. In 1987 won Herrera voor eigen rekening de Ronde van Spanje, de eerste grote ronde ooit voor een Colombiaan. Nairo Quintana won 27 jaar later de Giro en in 2016 de Vuelta. Alles verbleekt natuurlijk bij Egan Bernal, die dit jaar als eerst Colombiaan de Tour de France kon winnen. De teller staat nog op vier, maar loopt.

Colombia is het enige ontwikkelingsland dat een rol heeft gespeeld in het internationaal cyclisme. De vergelijking met Kenia en de passie aldaar voor hardlopen houdt steek, maar houdt ook ergens op. Atletiek is in Kenia gebruikt door de Engelse koloniale macht om de bevolking in de scholen discipline bij te brengen. In Colombia waren de Spanjaarden al lang weg toen fietsen in het begin van de 20ste eeuw een populair vervoermiddel werd en ergens halfweg de vorige eeuw een wedstrijdsport.

Op 5 januari 1951 werd in de hoofdstad Bogotá de eerste nationale wedstrijd gereden. Sindsdien is er een druk lokaal wedstrijdprogramma, wel uitsluitend in het westen of centrum van het land, daar waar heuvels en bergen zijn. Fietsen werd snel een nationaal tijdverdrijf, te vergelijken met koersen in Vlaanderen. De wielergekke Colombianen organiseerden in 1959 een triomfantelijke Colombiaanse doortocht van Fausto Coppi en Hugo Koblet en werden nog wielergekker. Rond die tijd begonnen verschillende steden met ciclovías, autoloze zondagen waarop de fiets de stad overneemt.

Zelfs op het toppunt van Escobars macht in en rond Medellín en tijdens de hoogdagen van het Cali-kartel waren de fietszondagen daar heilig. Escobar was trouwens een fan van wielrennen en liet een lokale velodroom bouwen. Zijn oudere broer Roberto was zelf een begenadigd wielrenner. Hij begon later een fietsenzaak die diende als witwasbedrijf voor de drugsinkomsten van broer en co., die ook een wielerploeg sponsorden. Heel wat lokale wielrenners werden handlangers van het kartel, zoals Gonzalo Marín, winnaar van de Baby Giro en later aanslagpleger namens Escobar, of Alfonso Flóres, winnaar van de Ronde van de Toekomst in 1980 en drugstrafikant.

Colombia, cocaína, café, ciclismo of de vier c’s. Wielrennen in Colombia is de passie van Vlaanderen opgeteld met de genen van de Keniase lopers. Wat Kenia en Colombia gemeen hebben, is het landschap (heuvels, bergen, hoogvlaktes) en vooral ijle lucht, met een lagere luchtdruk tot gevolg die ervoor zorgt dat de zuurstof minder makkelijk in de longblaasjes terechtkomt.

 

Combineer dat met een geaccidenteerd parcours als ideale trainingsomgeving en een bijna darwiniaans milieu om te presteren en je hebt een recept voor succes. Als een Colombiaan over drie weken ook de Vuelta a España wint – dé Vuelta is voor Colombianen de Vuelta a Colombia – is het succes compleet. Oké, Giro-winnaar Richard Carapaz die namens Movistar geacht werd op te treden, maar forfait moet geven na een val in een criterium in Nederland, is een Ecuadoraan. Zij het wel een die ook in de Andes is geboren en dan nog op amper 500 meter van de Colombiaanse grens.

De meeste Colombiaanse wielrenners zijn afkomstig van de departementen Antioquia en vooral Boyacá. Dat laatste departement en vooral zijn inwoners zien zichzelf als koppig, hardwerkend en onverzettelijk, de flandriens van de Andes. In Boyacá begon in 1819 de succesvolle ontvoogdingsstrijd tegen Spanje. Misschien dat ze hun onverzettelijkheid aan de geschiedenis te danken hebben, maar wellicht nog meer aan de geografie.

Op de occasionele Ecuadoraan en Argentijn na, die laatsten vaak laaglanders, komen de meeste Zuid-Amerikaanse topwielrenners uit de Colombiaanse Andes. De Andes is 7.000 kilometer lang en dus genoeg wielrenners te vinden. Alleen, Peruvianen rijden wel met de fiets, maar de hoogvlaktes en de cols zijn daar te hoog. Alles boven de 3.000 meter is te lastig om te presteren.

Col van 80 kilometer

Halfweg tussen Bogotá en Medellín ligt Mariquita. Daar begint de langste en zwaarste klim van Colombia, de Alto de Letras, 80 kilometer voor een stijging van 400 meter naar 3.600. Op papier een bescheiden 4 procent gemiddeld, maar doorgaans meer dan 6 procent en met het zwaarste stuk boven de 3.000 meter. Ideaal voor welke training dan ook. De Ontembare Zipa, Efraín Forero Triviño, de eerste winnaar van de Ronde van Colombia in 1951, trainde vaak in die bergketens, of Martín Emilio Rodríguez alias Cochise en tijdgenoot van Eddy Merckx. Zij en al hun volgelingen ontwikkelden hun uithouding op de lange klimmen in de steeds ijlere lucht tegen identieke fenotypes, die van de ideale klimmers.

De nieuwste generatie wielrenners combineert de genen en de passie met de wetenschap. Fernando Gaviria komt bijvoorbeeld uit de baanwerking. Egan Bernal is dan weer het prototype: klimmer, tijdrijder en handige chauffeur, maar lo mejor está por venir. Iván Sosa bijvoorbeeld, ook al bij Team Ineos in dienst.

Het beste moet nog komen, dat is niet gelogen. Dat geldt voor veel in Colombia en ook voor de sport. Nu het land beter functioneert dan ooit, zijn de resultaten verbeterd. Tussen 1980 en 2000 won Colombia vier olympische medailles. Op de laatste twee Spelen van Londen en Rio won het land telkens acht medailles, met als hoogtepunt 2016 toen drie keer goud werd gewonnen en wielrennen twee medailles mee naar huis nam.

De Colombiaanse waterval die het peloton zal overspoelen, zal die uit de jaren 80 overtreffen. In het huidige profpeloton rijden achttien Colombianen. Elf van hen zijn present in Torrevieja, waar de Vuelta vandaag van start gaat. Hoofdrolspelers en enkele kanshebbers onder de Colombianen in deze Vuelta zijn Nairo Quintana (Movistar en enige ex-winnaar aan de start), Esteban Chaves (Mitchelton- Scott), Rigoberto Urán, Daniel Martínez en Sergio Higuita (Education First) en Miguel Angel López (Astana en vorig jaar derde).

 

20190824_De-Morgen_p-18-19-mail

Column Kosmische Vlieger (over Maradona, de film) in De Morgen van zaterdag 24 augustus 2019

Kosmische Vlieger

Die keer in Extra Time. Filip Joos kon de docu Maradona pruimen, koos hem zelfs als zijn fragment van de week. Dat fragment – ik heb de film dinsdag eindelijk gezien – was het begin, het moment waarop Maradona door de catacomben van een soort Colosseum naar een klein perszaaltje wordt geleid dat afgeladen vol zit.

De journalist van de eerste vraag was een hele straffe. “Een vraag voor Diego Maradona. Of hij weet wat de camorra is en of hij weet dat hun geld ook tot in het voetbal zit?” Waarmee de moedige collega poneerde wat iedereen vermoedde: dat Maradona naar het financieel zieltogende Napels was gehaald met geld van de maffia. Het was de sterkste sequens van de hele biopic.

Die vraag, in 1984, in een maffiastad, je moet het doen. Sowieso was dat voor die journalist zijn laatste vraag, hopelijk voor hem van die dag en niet voor altijd. Hij werd door de voorzitter stante pede de deur gewezen, en dat onder luid gejuich en applaus van heel wat van zijn collega’s.

’s Werelds meest geprezen voetbalgenie van het moment en de meest disfunctionele stad van Europa vonden elkaar op 5 juli
1984 en wat volgt in Maradona is een anderhalf uur durende rake schets van (op)komst, verval en vertrek uit Napels van de eerste echt mondiale voetbalster. Afhankelijk van wie in welke periode is geboren, verschillen de meningen over wie dé voetballer onder wereldvoetballers is. Echt bejaarde voetballiefhebbers zweren nog steeds bij Pelé. Net iets minder bejaarden zoals ondergetekende durven weleens te neigen naar Johan Cruijff, niet omwille van titels als international want die heeft hij niet, maar omwille van de impact die hij had op het spel van heel wat landen en grote teams.

Kort daarna kwam dan Maradona, een Argentijntje met een al even fout kapsel als goede voeten, en het levende bewijs dat voetbal een spel is waar je met intuïtie soms verder geraakt dan met intelligentie. Vandaag zijn er Lionel Messi of Cristiano Ronaldo en wetenschappers hebben onlangs becijferd dat Messi beter zou zijn dan Ronaldo omdat hij meer impact heeft op het spel en meer acties onderneemt. Messi is de postmoderne Maradona, min de cocaïne, maar inclusief de belastingontduiking.

Wie de beste is van al die supersterren? Het is onzin om tijdperken te vergelijken, maar de meest foute is ongetwijfeld Diego Armando Maradona, de man met meer bijnamen, schandalen en kinderen (echt en onecht) dan prijzen. Zijn mooiste bijnaam is ongetwijfeld ‘Kosmische Vlieger’, afkomstig uit een spontaan gedebiteerde tekst van radioreporter Víctor Hugo Morales bij Maradona’s tweede doelpunt in de halve finale tegen het gehate Engeland (remember de Falklands) op de World Cup van 1986.

Dat ging zo:

… De bal gaat naar Diego, daar hebben we Maradona, hij wordt door twee man gedekt. Maradona dribbelt met de bal, het genie van het mondiale voetbal stormt naar de rechterkant, laat de derde man achter zich, lijkt te gaan spelen op Burruchaga…

Nog altijd Maradona! Genie! Genie! Genie! Ta-ta-ta-ta-ta-tata… En gooooooooooooooooooooooool!!!!!! Gooooooooooooooooooooooool!!!!!! Gooooooooooooooooooooooool!!!!!!

Spectaculaaaaaaaaaaair! Lang leve het voetbal! Golazo! Diego! Maradona! Ik ben geëmotioneerd, excuseert u mij…

Ik wil huilen!

Maradona scoort na een memorabele solo, na de mooiste actie aller tijden… Kosmische Vlieger, van welke planeet kom je? Argentinië 2, Engeland 0. Diego! Diego! Maradona! Dank u God! Dank u voor het voetbal! Dank u voor Maradona! Dank u voor deze tranen. Dank u voor deze Argentinië 2, Engeland 0.

Allemachtig.

Dat laatste geldt eerder voor de film van regisseur/samensteller Asif Kapadia dan voor de Kosmische Vlieger zelf, die in die wedstrijd ook de 1-0 had gescoord, weze het met de hand. ‘De hand van God’ werd een soort aflaat voor het grootste bedrog ooit op het allerhoogste niveau. “Beetje bedrog, veel genialiteit”, zegt een stem in de film. Het was andersom: beetje genialiteit, veel bedrog en vooral heel erg dom.

Na dat WK ben ik afgehaakt als bewonderaar en Maradona geeft mij geen ongelijk. Er zijn twee beperkingen aan de film. Hij covert alleen de periode Napels, waardoor onder meer zijn positieve dopingplas – de tweede al – op de World Cup van 1994 niet aan bod komt. En de regisseur wil te allen prijze Maradona een mooie exit bieden met die ene laatste opgezette scène: zijn zoon, verwekt bij ene Valeria, een item in het begin van de docu, klopt na al die jaren bij zijn vader aan en wordt in de armen gesloten. Opgezet spel, want toevallig onder het toeziend oog van een professionele camera. Afgezien daarvan: is een omweg langs de bioscoop waard.

 

20190824_De-Morgen_p-19-mail

Column Bedrijfscultuur in De Morgen van maandag 19 augustus 2019

Bedrijfscultuur

De spelers van Gent voor hun Europees duel tegen Larnaca. De Buffalo’s en Antwerp vragen meer rusttijd voor hun match in de laatste voorronde van de Europa League.

“Kom na de vrije training morgenochtend, dan heb ik vijftien minuten voor jou.” Aldus sprak de grote manitoe van het Amerikaanse profbasketbal, Phil Jackson, toen coach van de Chicago Bulls van Michael Jordan.

Ik heb tijdsvrees, late anxiety in het Engels. Dus parkeerde ik ruim op tijd de huurauto bij de sporthal in Deerfield ten noorden van Chicago. Ik meldde mij aan bij de intercom. Er was sprake van enige chaos en tijdelijke onderbezetting, wellicht te wijten aan
het drukke back-to-back-wedstrijdprogramma. Daardoor kon ik zo maar overal doorlopen. Na een hele wandeling kwam ik in de trainingshal, waar Steve Kerr nog wat driepunters oefende met drie coaches. Aan het eind van die hal was een open fitnessruimte en daar lagen drie zwarte jongens te benchen.

Later zou ik ook nog triceps en bicepsseries zien van de heren Michael Jordan, Scottie Pippen en Dennis Rodman. Al bij al heb ik hen een half uur zien poweren bij de beesten. Ze hadden de avond tevoren aan lastige partij gewonnen en ze hadden diezelfde avond weer een moeilijke wedstrijd. Tussenin waren ze in hun full option trucks gestapt en richting Deerfield gereden om op de vrije training wat shots te nemen, enkele moves te onderhouden en dan nog drie kwartiertjes te poweren.

Het was een van mijn eerste vragen aan Jackson. Hoe ze het volhielden, honderd wedstrijden in acht maanden en dan nog zo vaak trainen. Op de wedstrijddag ook nog eens ’s ochtends en drie uur voor de wedstrijd terug dat veld op. “Dat is iets wat je moet leren. Het zit in onze bedrijfscultuur,” zei Jackson.

Daar moest ik aan denken toen ik een pleidooi las om AA Gent en Antwerp dispensatie te geven volgend weekend als ze tegen elkaar moeten in de landelijke competitie. De reden? De dubbele Europese confrontatie met als inzet een plaats in de poulefase van de Europa League en de rust die ze zouden kunnen gebruiken om die opdracht tot een goed einde te brengen.

Oké, laten we dit even analyseren. De ploegen zijn sinds eind juni bezig met hun voorbereiding en hebben een fysieke basis gelegd met trainingen en veel oefenwedstrijden tegen niet al te zware tegenstanders. Er is dus een overload aan arbeid geleverd, mogen we hopen althans. Ondertussen is het weer ideaal geweest om te voetballen, heel even wel een weekje te warm, maar verder ideaal. De velden lagen er ook pico bello bij en zo is eind juli de competitie gestart: iedereen fris en monter, batterijen opgeladen.

We zijn een maand ver, vier competitieweekends zijn afgewerkt, Gent en Antwerp hebben zich Europees kunnen inlopen tegen de FC Chakamakas van deze voetbalwereld, en nu vragen ze al om rust? Misschien moeten die ploegen eens overwegen om dat Europees voetbal te laten schieten. De poulefase, dat zijn weer zes midweekwedstrijden tussen competitieduels door. Idem voor Standard, dat al zeker is van de poules, en voor Club Brugge dat ofwel de Champions League haalt of in de Europa League wordt opgevist. Racing Genk is al zeker van die Champions League.

In het beste geval moeten vijf van de G6-ploegen tussen september en december zes keer Europees aan de slag. Zullen ze dan een verzoek indienen om voor nieuwjaar geen competitiewedstrijden te spelen? Natuurlijk niet, omdat de belangen dan wat minder zijn. Het levensbelang van de Europese wedstrijden van deze en volgende week voor Gent en Antwerp wordt voorgesteld als een algemeen belang: iedereen voor het Europese coëfficiënt van België.

Onzin. Er is maar één reden dat Gent en Antwerp dispensatie willen om die poulefase te bereiken: de gegarandeerde miljoenen die aan die zes wedstrijden zijn verbonden. Het Europees coëfficiënt is evenzeer gediend bij goede prestaties in de Europese competities, zoals overwinteren, maar zodra die poules zijn bereikt en de miljoenen veilig, is Europees voetbal een bijzaak en primeert weer de competitie.

Voetbal is geen basketbal, dat klopt, maar is het niet een beet je ridicuul dat een voetballer geen twee wedstrijden per week aankan? Ik stel de vraag anders: is het niet een beetje ridicuul dat een club die hoopt op Europees voetbal een speler contracteert met een fysieke conditie die niet toereikend is om twee wedstrijden per week te spelen? Een uurtje testen en je weet welk vlees je in de kuip hebt. Een speler die na elke wedstrijd vijf dagen nodig heeft om op zijn positieven te komen, hoort niet in een Belgische topclub thuis.

Trainbaarheid is een genetisch gegeven en sommige sporters/voetballers, ook heel begaafde, zijn genetisch zo beperkt dat er geen lievemoederen en trainen aan is. Evengoed is de bedrijfscultuur van het voetbal niet gericht op fysieke en atletische ontwikkeling van het individu, waardoor zoveel kansen blijven liggen.

 

20190819_De-Morgen_p-19-mail

Column Glazen Plafond in De Morgen van zaterdag 17 augustus 2019

Glazen plafond

“Als ge nog eens een fluit in uwe mond wil steken, hé meiske, neem dan die van mij.’

Dat zou ooit op een voetbalveld geroepen zijn naar een vrouwelijke scheidsrechter die twee jeugdploegen floot. Zelf heb ik ooit gehoord hoe een vrouwelijke lijnrechter de dwingende raad kreeg in plaats van met haar vlag te zwaaien, op haar vlag (stokje allicht) te gaan zitten. “Dan zal je wat contenter zijn.”

Het is seksistisch, onbehoorlijk en beledigend taalgebruik, ik weet het, maar in elke schrijfcursus staat dat je de lezer van de 21ste eeuw met zijn steeds korter wordende aandachtsboog van bij het begin moet pakken. Bij deze heb ik hopelijk uw aandacht want het gaat over, jawel, vrouwen. Meer in het bijzonder één vrouw, de vermetele, genaamd Stéphanie Frappart die het heeft aangedurfd een mannenwedstrijd van voetballers te scheidsrechteren.

Op het hoogste niveau nog wel. Dat is ongewoon, maar wel geen primeur. De Zwitserse Nicole Petignat floot tussen 2004 en 2009 drie kwalificatiewedstrijden in de UEFA Cup. Op de keper beschouwd zit Petignat nog een statietje hoger, want in haar wedstrijden tussen minder goeie voetballers en dus meer rare fases, ging het ten minste nog ergens om. In die van Frappart niet. Een Europese Supercup, weze het tussen grootheden als Chelsea en Liverpool, is een lucratief tussendoortje gespeeld aan driekwart van de snelheid en intensiteit.

Frappart kreeg applaus van beide supporterskernen. Zo stond het in L’Equipe die donderdag een verslag had van haar optreden. Dat applaus wil ik best geloven, maar hoewel ik er niet bij was, durf ik mijn hand in het vuur te steken dat het geen vijf minuten zal hebben geduurd voor ‘You cunt!!!’ zal zijn geroepen.

De beslissingen van Frappart waren af en toe gecontesteerd, de ene keer al zwaarder dan de andere. Dat schreef L’Equipe, maar die voegde daar aan toe dat ze nooit de pedalen kwijt was en dat het spel onder haar watch op en neer vloeide. In de laatste paragraaf schreef A. Cl. nog dat ze zich netjes van haar taak had gekweten om de doelmannen te verplichten op hun lijn te blijven tijdens de strafschoppenreeks.

Ai, had niet moeten gebeuren. Een dag later bleek uit beelden dat de laatste redding er een was waarbij de doelman juist niet op de lijn stond met één voet (wat de nieuwe regel is) maar helemaal los van de lijn een jump start had genomen. Dat had ze kunnen zien, maar de VAR ook en die greep niet in.

Er is geen enkele objectieve reden waarom vrouwelijke scheidsrechters niet zouden worden ingezet bij mannenwedstrijden – zo moeilijk is dat scheidsrechteren nu ook weer niet (grapje) – op voorwaarde dat ze aan alle criteria voldoen. Die zijn in volgorde van belang: de regels kennen, genoeg wedstrijdervaring opdoen en – superbelangrijk – de fysieke proeven doorstaan. Daar zou het schoentje weleens kunnen wringen. Die proeven zijn niet mis en zoals bekend lopen vrouwen vandaag, en ook nog de komende millennia, op fysiek vlak achter op de mannen. Die achtereenvolgende sprints, dat lukt nog wel, maar aansluitend die snelle intervalloop na amper tien minuten rust, dat is al andere koek.

In België zouden ze worden geconfronteerd met een bijkomend probleem: de scheidsrechters moeten hier hun vetpercentage onder de 12 procent krijgen. Het nut daarvan wordt betwijfeld, maar scheidsrechters selecteren is niet zoiets als de kieslijsten samenstellen – vrouwtje-mannetje-vrouwtje-mannetje. We kunnen en mogen de vrouwen niet positief discrimineren. Het wordt onder de 12 procent (ook voor vrouwen) of niet fluiten, of een klacht bij UNIA. Frappart liep /sprintte 120 minuten lang en zat zo op het eerste gezicht in de buurt van die 12 procent, maar eronder wordt lastig voor elke vrouw tenzij ze Nina Derwael heet.

Zoals er geen enkele objectieve reden is waarom vrouwen geen topscheidsrechter zouden kunnen worden is er net zo goed geen reden waarom vrouwen het beter zouden doen dan mannen. Nochtans zijn er die dat wel geloven. Neem nu Stéphanie Forde, operationeel directeur van de Belgische scheidsrechters, wat dat ook moge betekenen. Ik vermoed dat ze de aanstellingen in de gaten houdt en uitstuurt en zorgt dat er overal arbiters zijn en dat hun verslagen binnenkomen, iets anders kan ik mij niet inbeelden. Vroeger heette dat eerstaanwezende secretaresse.

Haar werd gevraagd of vrouwelijke scheidsrechters iets extra op het veld brengen in vergelijking met hun mannelijke collega’s. Ze had kunnen zwijgen. Dat deed ze niet. Ze sprak in clichés: “Ik denk dat vrouwen de emoties op het veld beter aanvoelen. Ze kunnen de frustraties van de spelers op een andere manier kalmeren. Er is meer begrip.” In haar enthousiasme om het glazen plafond te doorbreken, goot ze een betonnen grondplaat.

 

20190817_De-Morgen_p-19-mail

Column Zakkenvullerij in De Morgen van maandag 12 augustus 2019

Zakkenvullerij

Een oude auto verkopen is beter voor de gemoedsrust dan een oude voetbalclub, zoveel is inmiddels wel duidelijk. Nooit ellende mee gehad, met een auto, hoewel er wel degelijk een en ander aan scheelde. Maakt niet uit, zei de opkoper, hij gaat toch naar Afrika/Oost- Europa. Of de garage, waar een nieuwe werd besteld, zei: “Geef hier (die auto en dat geld).”

Het gaat er even iets anders aan toe als een voetbalclub van eigenaar verandert. Bij de verkoop zelf, het moment en de photo opp, is er geen vuiltje aan de lucht. De eigenaars schudden de hand en wensen elkaar de grootste successen toe. Na een paar maanden begint dan het gerommel.

De laatste overname in het Belgisch profvoetbal was die van Louis De Vries, die SK Lokeren kocht van Roger Lambrecht. Iedereen straalde: de oude Lambrecht was content dat hij nog wat geld zag van zijn ruïne en De Vries kirde alsof hij in Lokeren aan het Belgische Manchester City ging bouwen.

Twee weken geleden klonk het al anders: er was geld gestolen bij het leven, zei hij in Sport/Voetbalmagazine. Hij zette wel Lambrecht uit de wind: die wist het niet. Of, wat erger was: hij was de grip kwijt. Waarmee hij in feite bedoelde: die Lambrecht heeft die club gewoon heel slecht beheerd en door zijn schuld zitten we nu in 1B.

Toen Peter Callant inmiddels anderhalf jaar geleden KV Oostende overnam van Marc Coucke was dat nog de deal van zijn leven. Na enkele maanden sijpelden berichten door over dure stadionhuur, gigantische uitstaande schulden bij makelaars, te dure contracten, allemaal erfenissen van het vorige bewind. Er moest Coucke-vet worden weggesneden. Kwalificeer het maar als de perversiteit van de sportjournalist met kilometers, maar ik kreeg het beeld van zo’n naakte Coucke op de operatietafel en dat weggesneden vet niet meer van mijn netvlies.

Later werd het “een beladen erfenis” en als snel viel er “lijken uit de kast”. En toen koos Callant eieren voor zijn geld – lees: koos voor zijn bedrijf, waar Coucke een grote klant is – en liet KV Oostende over aan Frank Dierckens. Voorlopig is het daar rustig.

Dé overname van de laatste jaren was die van RSC Anderlecht, het uitgewoond instituut van de Vanden Stock-dynastie. De overnemer, Marc Coucke, bedoelde het allicht nog niet zo kwaad toen hij bij de overname stelde dat het vorige Anderlecht te vergelijken was met de oude adel. Vanden Stock dacht: passons. Van iemand met meer dan één miljard op de rekening die verrassend je club heeft overgenomen door middel van een gesloten bieding – wat bewijst dat je eigenlijk alleen maar geïnteresseerd bent in geld – aanvaard je al eens iets.

Toen kort daarna de ene na de andere verwijzing naar het ancien voetbalrégime bij paars-wit op de schop ging – de buste, de stadionnaam, enkele dinosaurussen en wat al niet meer – wist elke waarnemer: dit is een vijandige overname en een vechtscheiding gecombineerd. Roger Vanden Stock hield het allang niet meer, dat was geweten. Pas toen hij zijn oude copain Hugo Camps in hun beider Knokke tegen het lijf liep, wilde hij weleens zijn verhaal doen. Bottomline: die Coucke maakt er maar een zootje van en hijzelf wil er niks meer mee te maken hebben. Dat het immer kritische Anderlecht-publiek deze janboel pikt, verwonderde hem nog het meest. Seigneur Roger die het plebs oproept om in opstand te komen, du jamais vu, het moet hem echt heel hoog zitten.

Waarop Coucke in Trump-stijl via zijn favoriete medium Twitter terugsloeg. Eén passage uit de twee tweets valt in het bijzonder op: zakken vullen… Dat is de ironie ten top. Wat Perrigo Coucke verwijt en waarvoor ze in proces liggen met de overname van zijn Omega Pharma, ongeveer hetzelfde verwijt hij nu Vanden Stock en zijn partner in crime (anders kun je dit niet interpreteren) Herman Van Holsbeeck: er is geknoeid, al of niet met de cijfers.

Laten we een kat voor eens en voor altijd een kat noemen: bij de overname circuleerde al het gerucht dat de villa Anderlecht een uitgewoonde bouwval was omdat het binnenkomende transfergeld niet direct in de club werd geïnvesteerd, maar zou hebben gediend om bepaalde hooggeplaatste personen tot en met de absolute top te verrijken.

Is dit voorzichtig genoeg geformuleerd om er geen miserie mee te krijgen? Ik dacht het wel. Voor alle duidelijkheid: het gaat om geruchten, maar wel komende vanuit de club. De enige die bewijzen voor zakkenvullerij op tafel kan leggen, is Marc Coucke en ik neig ernaar hem te geloven. Peter Callant omschreef hem ooit zo: “Marc lijkt impulsief, maar hij is een schaker, hij denkt altijd verder vooruit dan wie ook.” We wachten vol ongeduld op de volgende zet van Coucke.

 

 

20190812_De-Morgen_p-19-mail

Column Hunger Games in De Morgen van zaterdag 10 augustus 2019

Hunger Games

Donderdag kreeg ik van een collega een YouTube-linkje doorgestuurd van het ongeval van Bjorg Lambrecht. Of althans van het moment waarop hij schuin door/uit het peloton wordt gekatapulteerd en in een gracht belandt. De koude rillingen liepen mij over de rug. Ik ben in mei 2003 na het aantikken van een achterwiel met ongeveer die snelheid ook uit een peloton gelanceerd en in een gracht gesukkeld, hoofd vooruit. Geen duiker in de buurt, wel een paal op anderhalve meter.

Het verdict een uur later in de kliniek was hard en mild tegelijk: nekwervel C6 gebroken maar niet verplaatst. De Houtstraat in Olsene, ergens halfweg ter hoogte van een boerderijtje, is voor altijd de plek waar ik de goeie 33 procent van alle opties – dood, verlamd of gewoon gek zoals nu – heb gekregen. Het is fout, maar de toerist van het zevende knoopsgat in mij koketteert weleens met die oorlogswonden (later kwam er nog een sleutelbeentje bij), net als de echte wielrenners hun littekens koesteren.

“Waarom accepteren we de dood in het wielrennen?” Dat vroeg een andere collega zich af. Wij accepteren niet de dood in het wielrennen, we accepteren en verheerlijken soms de val. “Goh, die coureurs, vallen, opstaan en weer doorgaan. Vergelijk dat eens met voetballers.” Vergetend dat bij die val vaak pijn en schade horen. In het beste geval is die schade de huid die tegen het asfalt is blijven plakken of een gekneusde rib. In het slechtste is het een breuk of zo’n vervelende wonde als Wout van Aert. In het allerallerslechtste, meest noodlottige, dramatische scenario volgt de dood.

Nog een andere collega belde voor een factcheck. Waar ik mij op baseerde om te schrijven dat wielrennen de gevaarlijkste sport is? Op niks, behalve dan op empirisme. Historisch en rekenkundig klopt dat niet: wellicht zullen autoracen en eventing (military) in de naoorlogse sport meer doden hebben, maar ik ben haast zeker dat deze eeuw wielrennen de kroon spant. Waar andere snelheidssporten er wel in geslaagd zijn om het gevaar terug te dringen en steeds minder tot geen doden meer hebben, heeft wielrennen de omgekeerde beweging gemaakt en is steeds gevaarlijker geworden.

‘De dood rijdt mee’ en ander fatalisme is onzin, maar het onvermijdelijke is nu eenmaal onvermijdelijk: met de fiets rijden staat vroeg of laat gelijk aan vallen. Niet altijd, niet overal, maar af en toe. Fietsen, traag dan wel snel, blijft een evenwichtsoefening op dunne bandjes (doorgaans 2,5 centimeter breed voor een wegfiets) met een steeds hogere snelheid, in een wedstrijdpeloton dat steeds dichter op elkaar is gaan rijden. Statistieken zijn er niet – waarom niet overigens? – maar niet elke waarnemer kan fout zijn: profs vallen steeds vaker. Koersen is de Hunger Games op twee wielen.

Als hij maar geen wielrenner wordt, want in die sport vallen ze zich met wat meeval een breuk of gaat hun hart rare dingen doen. Als het even tegenzit vallen ze zich dood of ontwaken niet. En als de renners niet vanzelf vallen, bestaat nog altijd de levensgrote kans dat ze omver worden geknald door een motor, door een onvoorzichtige toeschouwer of door allebei. Topsport moet beter zorg dragen voor zijn atleten. Maar hoe moet het wielrennen dat doen?

Alle oplossingen waarmee men is komen aandraven, met alle respect, geen enkele zal werken. Lokale circuits zoals de Ronde van Vlaanderen? Men vergeet dat er ook eerst 180 kilometer of zo van punt naar punt wordt gereden. Hoe wil je de hele openbare weg veilig maken? En als dat al zou kunnen, dan kan een armlastige sport als wielrennen dat onmogelijk dragen. Airbags? In een sport waarin elke gram telt met een opblaastent een bloedhete col op fietsen, succes ermee. Als men koersen echt veilig wil maken en alle risico moet worden gebannen, zoals de hedendaagse maatschappij vraagt, dan is de oplossing simpel: schaf koersen af.

Sport is zelden ongevaarlijk, maar om dat gevaar in te schatten bestaat er een begrip: aanvaard risico. Wie de K2 op wil, de meest dodelijke berg, weet dat voor elke tien succesvolle beklimmingen er één het leven laat. Ook een beenbreuk in het voetbal is een aanvaard risico. In het volleybal is dat een gescheurde achillespees. Een occasionele val bij wielrennen ís een aanvaard risico. Twintig zware valpartijen in één rittenkoers is geen aanvaard risico, maar een groot probleem. Het ongeval van Bjorg Lambrecht? Een tragedie, een drama, het noodlot in het kwadraat, en spijtig genoeg wel een aanvaard risico maar met een fatale afloop.

 

20190810_De-Morgen_p-19-2-mail