Column over Groenewegen-Jakobsen in De Morgen van zaterdag 8 aug 2020

Aanvaard risico

Het is de plicht van eenieder in de sport om die zo veilig mogelijk te laten verlopen. Dat geldt voor alle sport, van de a van atletiek tot de z van zwemmen. Dus ook voor wielrennen, de gevaarlijkste sportieve bezigheid van de mens, het beklimmen van de Annapurna (153 op de top tegenover 53 doden) en andere achtduizenders even daar gelaten.

In theorie kan alles op de Everest, zoals in je zwembroek proberen naar boven te klauteren, maar niet in georganiseerde sport die aan heel wat regels is gebonden. Dachten we. Er is bijvoorbeeld een regulerend orgaan dat ervoor zorgt – of zou moeten zorgen – dat die bezigheid/beroep/volksvermaak zo veilig mogelijk verloopt. Dat het risico dat je loopt bij het beoefenen van die sport binnen de perken blijft. Men heeft daar in de sport een mooi begrip voor: aanvaard risico.

Een voetballer hoort te aanvaarden dat hij in uitzonderlijke gevallen een been breekt, een wielrenner dat hij valt. Als beenbreuken door schoppen en valpartijen door koersen de regel worden, is er een probleem. Met voetbal valt dat mee, het spel is over het algemeen niet brutaler geworden, wel integendeel. Wielrennen is andere koek. Daar wordt steeds vaker gevallen en gaan steeds meer renners dood. De redenen: stijvere fietsen (daar moet dringend iemand naar kijken), meer en betere renners, maar ook driestere renners, gevaarlijker wegen.

Dat in het peloton meer dan ooit erg goede renners rondrijden, is zowat het enige wat je niet in de hand hebt als regulerende partij. Je moet het zelfs toejuichen. Al het andere is beheersbaar, móét beheersbaar zijn, maar wordt niet beheerst en wordt vooral niet gereguleerd. We kunnen Dylan Groenewegen wel aan de hoogste boom willen opknopen – met zijn uitspraak “podium of jodium” leek hij redelijk voorbestemd voor ongelukken – die gast heeft gebruikgemaakt van de lacunes van zijn sport.

Volledig mee eens dat niet iedereen in het peloton zou doen wat hij heeft gedaan, en dat hij finaal in de fout gaat. Maar draai die sprint om en zet daar anderen voorin, ik wil het nog weleens zien.

Patrick Lefevere wil hem voor de rechter slepen. Hoe en waar, dat valt nog te bezien, maar ook zijn reactie begrijp ik. Zoals ik ook begrip heb voor de tweet van Groenewegen zelf dat hij dit niet heeft gewild. Er had wel een formeel excuusje bij gemogen om helemaal goed te zijn, en ja, het zal kloppen dat hij dat niet heeft gewild. Het probleem is dat ratio en intuïtie bij sprinters tijdens de sprint door elkaar lopen. Groenwegen zal hebben gedacht: ik zet mijn elleboog – misschien is dat gewoon diskwalificatie, misschien ook niet – maar geen gek die hier nog voorbijkomt. Jammer, maar helaas.

Wat Lefevere eerst en vooral moet doen, is de Ronde van Polen en de UCI voor de rechter slepen. Blijkbaar heeft Katowice de reputatie van gevaarlijkste aankomst in het circuit. Dat men daar eerst eens iets aan doet. Bijvoorbeeld, in de algemeenheid: geen aankomsten in dalende lijn. Het is vaker gezegd, elk parcours moet tot in den treure worden gekeurd en beveiligd. In opdracht van de UCI? Van de rennersvakbond? Van wie dan ook, maar van een instantie die weet hoe het moet en vooral niet moet. Afsluitingen die uit elkaar spatten als je ertegen rijdt: afvoeren die handel. Onbeschermde duikers langs de weg: afdekken, ook al is het een rechte weg, remember Ronde van Polen 2019. Worden de aanbevelingen niet gevolgd, dan starten de renners niet.

Jawel, dat vereist mankracht en dat kost ongetwijfeld geld en die sport heeft er al niet te veel, in de eerste plaats de organisatoren niet. Alleen, die verdomde UCI wil toch zo graag van Argentinië tot Zimbabwe koersen en doet daarom graag een oogje dicht in niet- traditionele wielerlanden. Welnu, renners: fuck de UCI. Jullie moeten jullie sport zelf in handen nemen en samen met de organisatoren veiliger maken.

Jawel, ook de massasprint, zelfs al snij je daarmee in je eigen vel. Bijvoorbeeld: verbod op lead-outs in de laatste kilometer. De renners die onder de rode vlag op kop liggen in wat zich aankondigt als een sprint met een grote groep zijn de ‘designated sprinters’. Eén per ploeg en sprinten voor de overwinning. De rest: opzouten.

Idem voor de laatste vijfhonderd meter. De weg moet dan zijn opgedeeld in sprintbanen: zes, zeven, acht, tien, twintig als het kan.
Een beetje zoals in de atletiek. Wie als eerste in een baan rijdt, mag in die baan de sprint aangaan tegen de andere banen. Dat voorsorteren zal de piek uit de topsnelheid halen. Uit de baan: diskwalificatie. De rest: opzouten, andere keer beter. Wat het ook wordt, er moet iets gebeuren: nooit, never meer de horror van Katowice. A.u.b..

Column Zegegebaar in De Morgen van maandag 3 aug 2020

Zegegebaar

Oliver Naesen heeft er zelf voorlopig weinig deugd van gehad, maar hij had het wel voorspeld: de Belgen die konden trainen tijdens de lockdown zouden bij de beteren behoren. En zie: een jonge Belg won zaterdagnamiddag de Ronde van Burgos, normaal de speeltuin voor buitenlandse klimmers. Een paar uur later won een iets minder jonge Belg de Strade Bianche, waar we als Belgen – noblesse oblige als het om slechte wegen gaat – wel al een paar keer aan het feest waren.

Wat Wout van Aert en zijn entourage hebben geflikt in dat ene jaar sinds die carrièrebedreigende hapering aan dat fout geplaatste hek in de Tour, is niks minder dan de comeback van de eeuw. Van bang om nog ooit normaal te kunnen stappen, over gelukkig dat hij weer kon wandelen en later een beetje lopen en fietsen, tussentijds doodgelukkig dat hij weer kon trainen, bij de beteren in februari op de Teide maar toch nog steeds zorgen om die opengescheurde dij en de opspelende knie, tot dit: iedereen naar huis rijden in de Strade Bianche. Het hele Jumbo-Vismateam heeft fe-no-me-naal gewerkt, de renner en zijn trainer op kop.

De aanleiding voor de harde reset wens je niemand toe, maar de reset zelf heeft Van Aert goed gedaan. Hij is nu een wegrenner
die nog af en toe in het veld zal verschijnen en eens zal winnen. Zijn body boven het middel is hij kwijt. Sarah zal al weleens hebben gemopperd dat lepeltje-lepeltje iets anders aanvoelt dan een jaar geleden, maar het is niet anders: hoe minder nutteloze spieren, des te hoger de klassering in deze sport.

Ik zag een prachtig beeld op Twitter van Van Aert in het laatste rechte stuk bergop naar de Piazza del Campo, daar waar hij in 2018 nog verging van de kramp. Hij danste op de pedalen, keek om en zag alleen leegte. Aan beide kanten stonden dranghekken, maar niks of niemand om tegen te houden. De sport was er niet minder om. Wel integendeel, een danteske hel is zoveel helser zonder toeschouwers.

Zaterdag, in het door God en klein Pierke verlaten Siena, is het bewijs geleverd dat koersen zonder publiek perfect kan. Niemand van RCS die er (gelukkig maar) aan had gedacht om supportersgejoel door de luidsprekers te laten schallen. Als één sport deze coronahysterie kan overleven, dan wel het wielrennen. (En nu maar hopen dat er geen uitbraak komt in het peloton.)

1.500 kilometer naar het westen en een paar uur eerder had Remco Evenepoel zijn meesterschap over een select gezelschap berggeiten bevestigd. Er was in de slotrit die ene poging om weg te rijden maar of hij niet beter kon, dan wel er sprake was van voortschrijdend inzicht bij hem of in de volgauto – “Remco, dit is nergens voor nodig, laat de anderen ook iets” – dat horen we ooit nog wel.

Ze verschillen vijf jaar, zullen elkaar nog tegenkomen, maar tussen Wout van Aert en Remco Evenepoel zit een wereld van verschil. Van Aert is de Kempense modderstoemper die wegrenner is geworden, maar in hart en nieren de veldrijder is gebleven. Randstedeling Evenpoel is de voetballer die per ongeluk in het wielrennen is gesukkeld, maar zijn sjottersmentaliteit heeft behouden. Van Aert is hooguit van Twitter, Evenepoel is een TikTokker.

Van Aert reed in Siena over de streep met een klassiek zegegebaar, de vuisten in de lucht, de armen wijd uitgestrekt. Toen Evenepoel van de week alle klimmers het nakijken gaf op de Picon Blanco richtte hij zich net voor de eindmeet op en veegde zijn schouders schoon, inclusief de verveelde blik waarmee je een ambetante vlieg verjaagt.

Zijn ploegbaas Patrick Lefevere probeerde nog dat het kon gaan om het stof van zijn shirt vegen na maanden inactiviteit, maar gaf dan toe: “Hij had mij gezegd dat hij aan het nadenken was over wat hij zou doen. Hij heeft drie maanden de tijd gehad. Voor mij hoefde het niet, maar dit is de nieuwe generatie.” Dus niemand in de entourage van die jongen die zegt: “Niet doen, Remco, niet nadenken over een zegegebaar, vooral niet een uur per dag voor de spiegel gaan staan en oefenen, zoiets komt wel vanzelf”? Gemiste kans.

Neen, Evenpoel is natuurlijk niet de eerste met zegebaren. Alberto Contador had er ook een met zijn pistoolschot en toen Peter Sagan nog won pompte hij onophoudelijk uppercuts, maar geen gebaar is zo denigrerend als dat van R.EV. Hij mag blij zijn dat hij niet meer voetbalt. Zijn schouders afstoffen is het equivalent van een oudere speler poorten, niet één keer per ongeluk maar steeds weer. Voor je het weet lig je met gekraakte enkels en uitgerekte kruisbanden ergens tussen de zijlijn en de boarding. Benieuwd wat de collega- wielrenners voor hem in petto hebben.

Column De Gymfabriek in De Morgen van zaterdag 1 aug 2020

Gymfabriek

In 1995 publiceerde Joan Ryan Little Girls in Pretty Boxes, haar groundbreaking (zoals dat in de VS heet) boek over kindermisbruik in twee sporten: kunstschaatsen en gymnastiek. We waren in aanloop naar de Spelen van Atlanta en ik kocht het boek in de VS, in een echte boekhandel. Amazon bestond nog maar een jaar en was nog geen thuisbrenger.

In 1995 werd ook mijn dochter geboren en toen die enkele jaren later lid werd van een turnclub, kwestie van de motoriek wat aan te zwengelen, hoopte ik vooral dat ze geen talent had. Dat had ze niet. Na een jaar of zo besteedde de trainster nauwelijks nog aandacht aan haar. Weinig snelheid en weinig coördinatie, oef, ze bleek een uithoudings- en krachttype.

In het boek had ik gelezen over wervels van ontkalkte bejaarden in ruggen van turnstertjes van achttien, over blessures, over allerlei praktijken om ze toch maar kindje te laten blijven en het onderhuids vet tegen te gaan waardoor de menstruatie niet op gang kwam. De ‘female triad’ heet dat in de literatuur: geen eten, geen menstruatie, geen puberteit, geen borsten, geen gewicht, wel veel prijzen.

Dik tien jaar later (13 mei 2006) klapten voedingsdeskundigen uit de Vlaamse gymwereld uit de biecht en schreef ik het verhaal op over Gerrit Beltman, de Nederlandse trainer die onlangs bekende dat hij fout zat met zijn trainingsmethodes. De kop was zijn quote: ‘Mijn turnsters mogen niet menstrueren’. Beltman was boos, de Gymfed (die heette toen zo nog niet) ook.

Ondertussen was ik op bezoek geweest in Plano, voorstad van Dallas, waar Aagje Vanwalleghem aan haar reset werkte. Daar is bovenstaande foto genomen. Kleuters met gespierde billetjes en kontjes en armpjes die je normaal pas bij een tienjarige ziet. Het resultaat van urenlange training, al of niet in de vorm van spel, maar steeds in de geest van wat bij hun opleider op de rug staat: train hard or go home.

Na Beltman landden Yves Kieffer en zijn vrouw Marjorie Heuls in Gent. Ik had nog steeds mijn reserves tegenover die sport, maar liet mij overhalen om een dag in de gymfabriek rond te kijken. Het was een selectiedag, dus op het scherp van de snee. Om halfnegen had ik al een juniortje zo vaak van de brug met ongelijke leggers zien stuiteren (in de kussens) dat ik in haar plaats kippenvel kreeg, van plaatsvervangende schrik welteverstaan. Een gymnaste, later absolute top, deed het bij de selectieproeven in de broek voor een sprong op het paard en huilde. De trainer, Kieffer, was duidelijk: “In topsport moet je iets willen. Als je wilt dat we je niet selecteren, doe zo verder, maar kom het ons zeggen, dan besparen we elkaar de moeite.” Dat kwam hard binnen, maar de volgende sprong lukte. De ploeg applaudisseerde.

Kort voor de Spelen van Rio in 2016 belde Vanwalleghem. Of ik op de achterflap van haar boek een quote kwijt wilde. Jazeker. Ik schreef: “Met Aagje Vanwalleghem was het altijd goed praten als journalist. Ze is open, eerlijk en intelligent en dat is ze ook in dit boek. Het is goed haar hele verhaal te lezen, met de rozen, maar ook met de doornen. Een must voor de topsporters in spe en voor alle trainers.”

Ik heb het boek nog eens doorgebladerd. Er zitten doornen aan die hele gymnastiek, maar die zitten aan alle rozen. Verhult dat misbruik, verbergt dat pijnlijke waarheden, is Aagje niet eerlijk geweest in haar boek? Deze inmiddels mevrouw en jonge moeder wil ik niet afvallen. Ze zal het beter weten dan ik, maar iedereen die nu naar voren stapt met klachten over de gang van zaken in de gymfabriek in Gent en over die Franse succestrainers moet zich wel even bezinnen.

Willen we de canceltoer op? Het hele programma decimeren of zelfs afschaffen zoals in Nederland? Of willen we correcties die eerder al zijn aangebracht versterken en beter controleren? Willen we eerlijke getuigenissen of gaan we die mengen met verborgen agenda’s? Ten slotte: zijn we (journalisten, atleten, bestuurders) klaar voor de harde topsport die overigens niet harder is dan de opleiding van het hulpje bij een sterrenchef of van het kleuterpianistje?

Toen vrouwengymnastiek als speerpunt van het Vlaams topsportbeleid werd omarmd, was het zonneklaar dat we met de topsport grenzen opzochten die nooit eerder in dit land van vooral comfortsporters waren verkend, tenzij dan misschien het judo (en die hadden ook succes). Het zou de klaagsters – respect voor hun klachten – sieren als ze de ethische commissie te woord staan en stoppen met open brieven te schrijven. Dat leidt nergens toe. Hun constructieve inbreng kan wel helpen om wat slecht is te corrigeren en wat goed is te behouden.

Interview Karel Van Eetvelt in De Morgen van zaterdag 27 juni 2020

‘Transfers zijn een vorm van mensenhandel’

Waarom stapt een jonge vader, voorzitter van één van de grootste Vlaamse sportbonden én van de VDAB, in het wespennest van het voetbal en wordt CEO van het uitgewoonde Royal Sporting Club Anderlecht? Karel Van Eetvelt (54): ‘Om mijn club er bovenop te helpen en het voetbal van binnenuit te veranderen.’

Toen Karel Van Eetvelt eind december een eerste keer van Wouter Vandenhaute hoorde dat die in hem de nieuwe CEO van Anderlecht zag, belde hij een gemeenschappelijke kennis, een grote naam in de topsport.

“Een half uur hakte hij in op het voetbal. Niks deugde aan die sport, aan het hele voetbalbestel, het was alleen kommer en kwel. Nadat hij uitgeraasd was, zei ik: ‘Boodschap begrepen, ik blijf daar beter weg.’ Weet je wat die zei? ‘Neen, je moet het doen. Niet slecht dat iemand als jij daar in stapt.”

En zo geschiedde het dat op 14 januari Karel Van Eetvelt – bekend van zelfstandigenorganisatie Unizo, minder van zijn laatste werkgever Febelfin, de bankensector – door toen nog voorzitter Marc Coucke werd voorgesteld als de nieuwe operationele baas van de nummer acht uit de Jupiler Pro League. Te beginnen op 1 april, altijd een lastige datum.

Goed vijf maanden na de verrassende verrijzenis van adviseur Vandenhaute – die recent zelfs Coucke als voorzitter opvolgde – en de aanstelling van Van Eetvelt, zitten we op het terras van Le Guintrand in Sainte-Colombe, vier kilometer ver in de Bédoin-klim van de Mont Ventoux. Vorig weekend had op de flanken van de kale berg de happening van Sporta moeten doorgaan en was Karel Van Eetvelt met zijn vrienden omhoog gereden in het gezelschap van honderden andere Vlamingen, verenigd voor het goede doel.

Van Eetvelt: “We hadden die reservatie en de grenzen waren open, dus hebben we de eerste woensdag de trein Brussel-Avignon genomen. We komen hier al jaren en Kristien (zijn vrouw, HV) zei ‘waarom gaan we niet?’. Tja, waarom niet? Ik kon dat wel gebruiken na vier intense maanden.”

In het voetbal word je geacht 365 dagen op 365, 7 dagen op 7, 18 van de 24 uur op en met de club bezig te zijn.

Karel Van Eetvelt: “Is dat zo? Corona heeft nu toch wel aangetoond dat je niet altijd fysiek aanwezig moet zijn om toch betrokken te zijn. Ik heb hier gisteren twee uur op het terras zitten videovergaderen met Vincent Kompany, Wouter Vandenhaute, sportief manager Peter Verbeke en onze trainer Frank Vercauteren. Vonden zij het raar, dat ik er een paar dagen tussenuit ging? Neen. Overigens, onze voorzitter zat ook in het buitenland tijdens de videocall.”

U hebt een zoon van vijf. Hoeveel keer denkt u dat u vakanties van een week met hem zal kunnen doorbrengen?

“Meer dan genoeg, daar zal ik over waken. Of dit mijn laatste trip als Anderlecht-CEO wordt? (lacht) Neen hoor, in juli komen we
al terug, met mijn ouders en schoonmoeder. Mijn vrouw? Die had ook geen bezwaar. Kristien was blij dat ik niet voor de politiek koos (Karel Van Eetvelt speelde eind vorig jaar even met het idee om een nieuwe politieke beweging op te richten, HV). Hoewel een vriendin van wie de man ook in het voetbal zit, haar zei dat ze nog wel anders zou spreken.

“Ik kan dingen combineren: reizen en ontspannen en toch werken bijvoorbeeld. Ik heb hier online al tien dossiers ondertekend. De afstand met het thuisfront heeft ervoor gezorgd dat ik in de videocall dingen heb gezegd die ik thuis niet had kunnen verzinnen omdat ik er te dicht op zit.”

Door de geur van pijnbomen?

(onverstoord) “We hadden een discussie over de planning van de ploeg. Je kan dat op de korte termijn bekijken, maar ik had meer afstand genomen en zag dat anders. Als je niet weg kan van je werk als baas, ben je slecht georganiseerd. Dat het traditionele personeelsbeleid in het voetbal iets is van ‘nooit vertrouwen, altijd controle’, daar doe ik niet aan mee. Als je in de aanwerving inzet op mensen met kwaliteiten en competenties, moet je die ook de vrijheid geven om hun ding te doen.”

CEO van Anderlecht, is dit toch niet een beetje een late midlifecrisis?

(ernstig) “Misschien een beetje. Ik ben er wel in gestapt met veel goesting en met het idee: laat ons dat proberen en zien waar we landen. Het was nu of nooit meer. Ik ben licentiaat lichamelijke opvoeding en ik wilde al lang iets doen in de sport. In België vind je niet straffer dan Anderlecht.”

Dat is al even geleden.

“Nog steeds. De complexiteit en de mogelijkheden van deze club, een grotere uitdaging bestaat niet in dit land. Bovendien ben ik van kindsbeen supporter. Wat ook meespeelde, is die bankensector waar ik in zat en waar ik toch weinig voeling mee had. Al had ik de laatste maanden bij Febelfin wat meer contact met de voetbalwereld.

“Na Operatie Zero (of Propere Handen, HV) hebben de banken geen vertrouwen meer in die sport. Dat leidde tot het afsluiten van rekeningen en banken die clubs gewoon buiten zetten, uit schrik voor inbreuken op de witwaswet. De realiteit van het voetbal is dat het niet altijd koosjere business is. De combinatie van een club die diep zit weer op niveau proberen brengen en beleidsmatig een sport er bovenop helpen, trok mij aan.

“In alles wat ik doe, zit een stukje maatschappelijk engagement. Als dat er niet bij zit, doe ik het niet. Jawel, ook Febelfin was zo’n opdracht: de banken wilden na de crisis van 2008 opnieuw connecteren met de maatschappij.”

U beseft toch dat ze u in het voetbal…

“… uitlachen? Dat weet ik maar al te goed. Ze proberen je weg te blazen en belachelijk te maken als je daar mee afkomt. Ik trek mij daar geen ballen van aan. De conclusie is dus dat Anderlecht eerst weer top moet zijn in België en liefst zo snel mogelijk, omdat je dan pas op verandering kan inzetten.”

Onze gemeenschappelijke kennis had gelijk. Ik ben in die veertig jaar nooit een meer immoreel en amoreel sportmilieu tegengekomen.

“Dat verbaast mij niet. Dan stel ik de vraag: wil je dat het zo blijft of wil je het veranderen?

“Voetbal is een bijzonder conservatief bastion, met allerlei rare gewoontes. Zo kan je het transfersysteem niet anders omschrijven dan een vorm van mensenhandel. Voetbal is een van de laatste omgevingen die het verkopen van mensen gedogen. Het is wachten op een veroordeling door het Europees Hof en hoe reageert een conservatieve omgeving als het voetbal? Die wacht af tot de dag komt en past zich dan aan. De vraag stellen hoe je kan transformeren, dat is pas boeiend.”

Dat is niet gebeurd met het Bosman-arrest na 1995. Integendeel.

“Dat was al een eerste waarschuwing, maar het milieu heeft zich aangepast en er kwam een systeem in de plaats dat nog erger was.

“Maar goed, ik ben niet naïef. Ik weet dat in ons huidige businessmodel een club verlieslatend is als die geen meerwaarde kan creëren op opgeleide of aangekochte spelers. Als je daar niet in mee wil, heb je een rijke sjeik nodig. Alleen, dat kan nu niet meer door de financial fair play. Ik ben daar niet tegen, maar het is best wel grappig dat zelfs met de beste bedoelingen opgestelde regels (clubs moeten volgens de financial fair play hun verliezen beperken, HV) ons dwingen om rond te komen met gereglementeerde mensenhandel.

“Van vandaag op morgen zeggen ‘daar doen wij niet aan mee’ is zelfmoord, dat besef ik ook. Het ontslaat het voetbal niet van de plicht om na te denken hoe het anders kan. In de VS bestaat de betaalde transfer niet, dus het kan zonder.”

De finaliteit van de Amerikaanse profsport is geld verdienen met de verkoop van spektakel. Die van het Europese voetbal is geld verdienen met de kamelenmarkt.

“Kamelenmarkt… Zo kan je het ook omschrijven. Wij denken na over die transformatie, maar voorlopig moeten wij het spel meespelen. Eerst moeten we binnen het bestaande systeem het tij op sportief vlak proberen keren.

“Ik weet dat de voetbalwereld niet zit te wachten op wat ik heb gezegd, dat ze mij naïef zullen vinden. Ook misschien in mijn eigen omgeving: Karel is gek. Neen, ook met Wouter en Marc heb ik dit nog niet doorgepraat. Nogmaals, Anderlecht zal nog spelers kopen en verkopen als ik er ben, maar dit is een aspect van het voetbal dat mij afstoot. Ik kan er mee leven omdat het vandaag niet anders kan en we niet klaar zijn voor iets anders, maar maatschappelijk is dat niet oké.”

Ik sta een beetje perplex. Ga door, wat wilt u zo nog veranderen?

“De beleving rond een voetbalwedstrijd bijvoorbeeld. Ik kijk daarvoor naar de NBA. Vier keer twaalf minuten, maar je krijgt een drie uur durend spektakel en je verveelt je geen seconde.

“Wat dat voorbeeld van de NBA betreft, om het mediamerk Anderlecht in de markt te zetten heb ik een marketingploeg aangeworven van drie jonge gasten, drie aanhangers van de NBA die de beleving rond onze wedstrijden zullen veranderen.”

Vliegt straks een paarse stier door de lucht, zoals die rode bij de Bulls?

“Misschien, wie weet. Oké, je hebt gelijk: acht van de eerste tien wedstrijden winnen en het is feest. Verliezen we vier keer, is het treurnis, hoe goed het spektakel en de beleving ook was. We hebben één voordeel bij Anderlecht: er moet goed worden gevoetbald en dan wordt de ploeg veel vergeven.

“Ik heb vorige week nog met de Fan Board gesproken, ook dat is mijn taak. Ik heb die mensen al ingelicht dat ze misschien een paar keer kwaad zullen zijn op ons. Welnu, dan ben ik de man die ze moeten komen vinden. De club is van niemand, tenzij van haar fans.”

Wat doen jullie nu echt anders vergeleken met vroeger?

“Het belangrijkste: van de sommen die we uitgeven, hebben we de komma naar links verschoven. De manier waarop de voorbije jaren is geïnvesteerd: sorry, dat was niet oké. Onze eerste bekommernis is het financieel gezond maken van de club. Het alternatief is failliet gaan.

“Bij de onderhandelingen geven we meteen mee: dat zijn onze limieten. Spelers en makelaars morren dan wel eens, maar ik ben wel wat onderhandelingen met gemor gewend. We moeten erdoor. Anderlecht had contracten tussen 300.000 en 3 miljoen euro. Sorry, maar 3 miljoen, dat is onaanvaardbaar.”

Dat is wel niet iets van Coucke alleen.

“Natuurlijk zit deze club al langer in een neerwaartse spiraal. Al die fouten sleep je vandaag nog mee, maar over wie welke fouten heeft gemaakt, wil ik het niet hebben. Typisch Belgisch: iemand neemt risico, het gaat mis, wie is de schuldige? Dat interesseert mij niet.

“Wel: hoe kunnen we hier uit geraken? Het probleem van Anderlecht is het gebrek aan vernieuwing. De laatste die heeft geïnnoveerd was Michel Verschueren met zijn loges.”

Wiens zoon Michael u de wacht hebt aangezegd.

“Neen, dat was de juiste mensen op de juiste plaats zetten. Die transformatie van het stadion is al bijna veertig jaar oud. Daarna was er nog één structurele verandering waar de club beter is van geworden: de jeugdacademie in Neerpede. Twee veranderingen in veertig jaar: een bedrijf dat zo weinig transformeert, gaat kapot.

“We gaan op drie dingen inzetten. Ten eerste investeren we in een sportieve staf die veel beter past bij de voetbalstijl van Anderlecht en veel goedkoper is. De aanwerving van onze Engelse head of performance Damian Roden is al gebeurd.

“Ten tweede gaan we de club beter vermarkten, geïnspireerd door de NBA, maar al te veel wil ik daar niet over spreken.

“Ten slotte is er de infrastructuur. Het A-veld in het stadion was een akker geworden. Die is helemaal afgegraven en opnieuw aangelegd. Ook Neerpede heeft een nieuw kunstgrasveld gekregen.”

Nergens las ik dat u ook voorzitter bent van Sporta, een waardengedreven recreatieve sportbond en een van de grootste van Vlaanderen. Blijft u dat?

“Jazeker. Sporta en Anderlecht, dat valt best te combineren.”

Het is allebei geen topsport.

“Dat heb jij gezegd. Ik ga Sporta nu niet laten vallen, ik ben nog maar een paar jaar voorzitter. Ik ben tot volgende maand ook voorzitter van de VDAB. Philippe Muyters had mij dat gevraagd, wat mij een N-VA-signatuur gaf. Nadien werd ik weer CD&V, omdat Hilde Crevits mij vroeg verder te doen toen zij minister van Werk werd. Ik heb haar gezegd dat ze een opvolger mocht zoeken voor mij en volgende maand stop ik met de VDAB.

“Ik vind het belangrijk dat ik nog iets anders naast dat voetbal doe. Ik kan niet leven zonder een maatschappelijk engagement. Het is goed om de gedachten te verzetten en het confronteert je met de relativiteit van het voetbal. De belangrijkste bijzaak van de wereld, voetbal? Welnu, het mag de belangrijkste bijzaak blijven.”

Kende u Marc Coucke?

“Ja. Ik ben tien jaar geleden door hem gevraagd om in zijn raad van bestuur een mandaat op te nemen. Dat duurde tot hij Omega Pharma van de beurs haalde.

“Wouter en Marc hadden al veel langer contact, al meteen na de overname die naar Coucke ging en niet naar Vandenhaute. Dat moet je Marc Coucke wel aangeven: toen hij zag dat hij klem zat, heeft hij zich tot Wouter gewend. Ik ken niemand die sneller schakelt dan Marc.”

Vandenhaute moet toch zijn geschrokken toen Coucke hem het voorzitterschap aanbood?

“Euh… ja. (lacht) Dat is Marc Coucke. Wij hadden Anderlecht geanalyseerd en het duurde geen 24 uur voor hij met zijn conclusie kwam. Waarom? Omdat het de beste beslissing voor zijn investering was.

“Voor alle duidelijkheid: het was Wouter Vandenhaute die mij is komen vinden. Ik weet wel dat er nu wordt gekeken naar hoe dat werkt met die vier ego’s samen. Marc Coucke, Wouter Vandenhaute, Vincent Kompany en ik: vier hanen op één erf.

“Ieder van de vier beseft dat dit het grootste risico op mislukking inhoudt. Als je dan open kan discussiëren, je gedacht zeggen zonder dat het een dag later in de media komt of tegen jou wordt gebruikt, kom je al een heel eind. Niemand van ons verandert makkelijk van mening – niet ik, niet Wouter, niet Vincent, niet Frank, niet Marc – en toch veranderen we van mening.”

Uw vrouw heeft bij Flanders Classics gewerkt, die moet u toch hebben gewaarschuwd voor de lichtjes onberekenbare Vandenhaute?

“Moet dat in het interview?”

Ik mag toch de vraag stellen, dit is geen geheim.

“Oké dan. Ik vind Wouter niet onberekenbaar. Zo goed kende ik hem vooraf ook niet. Hij is vier jaar ouder dan ik en was net weg
op het Sportkot in Leuven toen ik daar begon. We weten inmiddels van elkaar hoe we functioneren en dat is handig om bepaalde opmerkingen of emoties te kunnen plaatsen. We spreken ook altijd dingen vooraf door, zodat we van elkaar weten wat we denken. Er was een moment dat we zo vaak met elkaar belden, dat onze vrouwen ook met elkaar zijn beginnen bellen.”

In de bestuurskamer kan het misschien werken, maar het moet op het veld gebeuren en daar kijken jullie aan tegen een schuldenlast en de financial fair play-regels.

“Die door Europa tijdelijk zullen worden verlicht, wat ons de mogelijkheid geeft om op slimme wijze de dingen te doen die deze ploeg nodig heeft. Niet, zoals twee jaar geleden, 20 miljoen aan transfers uitgeven. Die hebben we niet meer. We hebben wel een generatie jongeren die vorig jaar net niet klaar was en dat nu wel zal zijn.

“Jérémy Doku? Juist, en zet daar ook Sambi Lokonga, Killian Sardella, Francis Amuzu, Yari Verschaeren, Marco Kana, Elias Cobbaut, Sieben Dewaele, Antoine Colassin en Anouar Ait El Hadj maar bij, dat zijn er tien. Roméo Lavia hebben we vorige week zien vertrekken naar Manchester City. Jammer, iedereen raadde hem aan om nog bij ons te blijven, zelfs de mensen van City, maar die jongen is een heel sterk karakter en wilde de sprong wagen.

“Met de spelers praten is niet mijn eerste opdracht, maar Anderlecht is een kmo’tje, daar heb je de luxe dat je iedereen kan leren kennen. Toen onze doelmannentrainer Jelle ten Rouwelaar naar ons zou komen, heb ik ook lang met hem gepraat. Ik wil de mens achter de speler, trainer, de jurist leren kennen. Van Vincent Kompany was ik heel erg onder de indruk. Ik kende hem alleen van tv. De dag voor de persconferentie dat Wouter en ik bij de club zouden komen, heb ik hem voor het eerst ontmoet. Zelden een gast van 34 jaar met die persoonlijkheid meegemaakt.”

Kent u genoeg van voetbal om te doen wat u doet?

“Neen, maar ik weet dat. In de gesprekken over het sportieve stel ik vragen, breng ik budgettair realisme. Ik heb wel LO gestudeerd, optie voetbal, trainingsleer, coaching, ik heb training gegeven en scouting gedaan, maar wel dertig jaar geleden en dat maak ik nooit meer goed. Ik begrijp waar ze het over hebben. En ik stel vragen – half gespeeld (lacht) en half realiteit – zoals ‘ge weet jongens, ik ben geen specialist, maar ik zie dat of dat…'”

De makelaarswereld…

“… is uniek. Wouter kent die beter dan ik, vanuit Let’s Play (medeoprichter Vandenhaute verliet het sportmanagementbedrijf bij zijn overstap naar Anderlecht, red.). Als ik hem niet zou hebben, stond ik daar veel te naïef in. Ik breng wel een rugzak mee van dertig
jaar onderhandelen met de politiek, met de vakbonden, wat een voordeel is tegenover een makelaar die niet wil plooien. Zelfs de gevestigde waarden in die wereld die eerst neen zeggen, zetten nadien toch hun poot onder onze voorwaarden. Die zijn heel streng en daar wijken we niet meer van af.”

U neemt geen blad voor de mond, alle lof daarvoor. Zijn ze niet gewend in het hypocriete voetbal. Maar de vraag naar meer solidariteit was misschien wat overmoedig.

“Ik zeg het zo opnieuw. Er is te weinig solidariteit onder de profclubs in België. Dat Anderlecht niet de club is om dat te zeggen, sorry, maar niemand wil tegen ons voetballen zonder publiek, onze kijkdichtheid en kijkcijfers zijn de beste in België, puur zakelijk bekeken krijgen wij ook te weinig vergeleken met wat we het voetbal opleveren. Maar ik word liever kampioen in een spannende competitie met één punt voorsprong.”

Straks volgt ook nog het prettig weerzien met Club Brugge-eigenaar Bart Verhaeghe, die u in het Uplace-verhaal als Unizo-topman met succes hebt bestreden.

“Bart Verhaeghe heeft mij toen op zijn manier een paar keer persoonlijk aangepakt. Ik kan dat plaatsen. Hij had veel te verliezen en is een emotioneel man. Bij Brugge heeft hij het goed aangepakt. We gaan hem met plezier het vuur aan de schenen leggen.”

Column Koffiedik kijken in De Morgen van zaterdag 27 juni 2020

Koffiedik kijken

Een vriend vroeg mij om volgende week een praatje te komen houden voor enkele ondernemers. Onderwerp: de sport voor en na corona. Koffiedik kijken dus, of misschien niet. Het zal met de sport wellicht zijn zoals met de bevolking: de mate waarin een sport gezond was voorafgaand aan de epidemie/pandemie, zal bepalen óf ze het virus oploopt en hóé ze die eventuele aanslag doorstaat.

Wat die gezondheid van de bevolking zelf betreft, uit Nederlandse studies blijkt een toenemende bewegingsarmoede door de coronacrisis. De sportlerares in mijn huis rukte zich de haren uit het hoofd toen ze haar leerlingen terugzag. Ondertussen worden ook de peuters steeds dikker.

We zitten in België aan net geen 10.000 coronadoden; obesitas en aanverwante aandoeningen maken in dit land jaarlijks 15.000 doden. Jammer, maar geen Sciensano om ons er dagelijks op te wijzen wie daardoor het loodje heeft gelegd. Wereldwijd zit corona aan net geen 500.000 doden. Dat zijn er 10,5 miljoen minder dan er jaarlijks door gebrek aan beweging en slechte eetgewoontes de pijp uitgaan, aldus vakblad The Lancet.

Eerst toch een paragraafje over de breedtesport, de recreatieve sport en bij uitbreiding de competitiesport voor amateurs. Dat is alle sport waarvoor niet meer dan twee keer per week wordt getraind en waarin niet wordt betaald. Voetbal neemt daar een aparte plek in, want er zijn ploegen die maar één keer per week trainen en toch hun spelers betalen. Die hangen nu aan de beademing en wat zou ik graag die toestellen afkoppelen, waardoor het hele systeem van overbetaalde lokale vedetten in elkaar klapt.

De pure recreatieve sport zal zich herstellen omdat de bewegende mens kruipt waar hij/zij niet gaan kan. Heel even was er een bewegingsarme minister die vond dat ritjes van vijftig kilometer en langer per fiets niet-essentiële verplaatsingen waren. Gelukkig kwam het niet zover en woonden we niet in Spanje, Frankrijk of Italië, waar elke verplaatsing buitenhuis moest worden verantwoord.

Een aantal sporten hadden minder geluk en zijn stiefmoederlijk behandeld. Zwemmen is zelfs ronduit vernederd en genegeerd, maar zwemmen is een levenshouding en een zwemmer vindt altijd wel water.

Zal de participatie zich herstellen omdat de homo movens beweegt om te overleven, dan is dat lang niet zeker voor de kwaliteit van de omkadering. Die zal te lijden krijgen onder onvermijdelijke besparingen.

De professionele sport kampte voor de coronacrisis al met een verschraling in het media-aanbod en dat zal zich doortrekken. Sporten die werden beademd – lees: gesteund door mecenaatsponsoring – zullen het extra lastig krijgen. De verwachtingen voor het Belgische volleybal en basketbal zijn ronduit somber. De oplossingen liggen in schaalvergroting en de Beneliga waar men nu in het basketbal aan werkt.

Wielrennen is een apart verhaal. Het is een profsport beoefend door amateurs, maar dan in de ware betekenis van dat begrip. De doorsnee wielrenner is liefhebber. Neem een coureur al zijn centen af en het eerste wat hij doet om zijn hoofd vrij te maken, is een lange rit rijden. Er zal altijd worden gekoerst. Wielrennen heeft de fout begaan dat het van deze crisis geen gebruik heeft gemaakt om het landschap te hertekenen. Dat zal hen nog zuur opbreken want wie sterk stond – de Tour de France en ASO – staat nu nog sterker.

Al-le sport zal lijden onder de crisis, maar het zal met de sporten zijn zoals met de bevolking: wie gezond was, zal sneller herstellen. Voetbal en de Amerikaanse professionele sporten zullen deze crisis niet meer voelen dan de bankencrisis van 2008, die in alle statistieken is verschenen als een minidipje.

Zoals de ongelijkheid tussen de sporten zal toenemen, dreigt ook de ongelijkheid tussen de sporters zich door te zetten. Overbetaalde vedetten enerzijds en een veel minder royaal betaalde supporting cast anderzijds – het verloningsmodel van de filmindustrie – maakt al langer opgang in de Amerikaanse sport en zal ook in Europa ingang vinden.

Al het voorgaande is onder voorbehoud. Als een tweede golf van corona de planeet overspoelt of als een soort Mexican wave terugkeert vanuit het zuidelijk halfrond, is het hek van de dam.

Voor de publiekssport zou een vaccin een zegen zijn. In de eerste plaats omwille van de essentie van spektakelsport: brood en spelen voor een uitzinnig publiek. Zonder vaccin mogen achthonderd toeschouwers in het stadion binnen, moeten ver van elkaar zitten en mogen niet zingen. Als hun team scoort, mag niet worden geroepen, niet in elkaars armen worden gevallen. Applaudisseren zoals bij een kamerconcert mag wel.

Interview Patrick Lefevere in De Morgen van zaterdag 13 juni 2020

Patrick Lefevere over het wielrennen na Covid-19

Eerst de koers redden, dan ruziemaken

‘Eén keer heb ik het lastig gehad, toen ik met een cameraploeg de service course binnenstapte. Zo vol en zo stil en niet weten wanneer en of er beweging in zou komen. Ik kreeg de tranen in mijn ogen.’ Patrick Lefevere had zich zijn veertigste jaar als ploegleider/manager helemaal anders voorgesteld.

“We waren goed. Echt waar. Het zou weer een fantastisch jaar worden. Maar ja.” Ze waren goed, de mannen van Deceuninck-QuickStep. Ze wonnen overal hun ritten, van Oceanië over Zuid-Amerika tot terug in Europa pakten ze prijzen, vielen aan als vanouds. Niet als een verloren gelopen wolf die een eenzaam Belgisch schaap de keel overbijt, maar als een echte wolvenroedel, klaar voor het grote werk. Plots stopte Planeet Koers met draaien.

Als Patrick Lefevere (65) gaat zitten aan de lange tafel in zijn vergaderzaal, is de goesting in een langere babbel weg. De oorzaak is een uit de context gerukte vertelling van Fabio Jakobsen over wederzijdse practical jokes binnen de ploeg die het karakter krijgen van pesterijen. “Ik had dit nog nooit gehoord, maar dan staat in de krant dat Wolfpack toch niet bestaat.”

Voor alle duidelijkheid: dat stond er niet. Wel: “Ook dat is de Wolfpack, de ene plast in de waszak van de andere.” Lefevere op dreef: “Weet je wat mij stoort: wat ik ook zeg, een dag later wordt het overgenomen door allerlei sites, soms zelfs verkeerd vertaald en met heel verkeerde conclusies. Dat ze mij dan bellen, ik neem altijd de telefoon op.”page1image46276944page1image35774912page1image35775104page1image35775296page1image46276736

Ik ben hier nu. Laten we dit gewoon doen, we hebben toch geen ruzie meer?

Lefevere: “Hebben we ooit ruzie gehad, neen toch? (lacht) Allez, één keer maar niet lang. Neen, maar goed, wat ik wil zeggen: de journalistiek is lui geworden. Dat ze veel moeten vullen en dat er niks gebeurt? Dat ze dan de sportpagina’s minderen.”

Hoe is uw gemoedsgesteldheid vandaag?

“Ik vind van mezelf dat ik een optimist ben, dus goed. Het heeft ons overvallen. Niemand wist wat er zou gebeuren. Uiteindelijk lag alles plat, erger dan de financiële crisis van 2008 en ook erger dan de Tweede Wereldoorlog. Ook de grote zakenmannen wisten het even niet meer.”

Hebt u meteen uw sponsors gebeld?

“Niet nodig, zij belden mij. Mijn devies is: paniek is een slechte raadgever. Even was er sprake van dat CCC de zomer niet zou halen en dat Mitchelton-Scott op invallen stond. Er zou 70, 80 procent moeten worden ingeleverd bij sommige ploegen. Uiteindelijk hoor je dat het 30 procent is. Ik heb meteen gezegd, ook tegen de sponsors: ik doe niks tot eind april.”

Twee van uw sponsors zitten in de bouw of aanverwante sectoren en een andere maakt fietsen, die hebben toch goed gedraaid?

“Heb je al eens een sponsor gehoord die zegt dat het goed gaat? Of een West-Vlaming die zegt dat het goed gaat? En ik heb West-Vlaamse sponsors. (lacht) Neen, serieus, Bernard Thiers van QuickStep niet gehoord op VTM? Hun omzet is in april met de helft gedaald. Wat voor hun geldt, zal ook voor Deceuninck waar zijn geweest.

“En ons fietsenmerk Specialized had het nadeel dat ze vooral via dealerwinkels werken en die waren allemaal gesloten. Ze hebben dan snel een onlineverkoop opgezet, maar ook weer af te halen bij de dealers. BMW, onze autosponsor, zelfde problemen. Nu hoor ik dat het weer aantrekt, maar wie nu een auto koopt, krijgt hem in januari. Het probleem is dat al die fabrieken hebben stilgelegen.

“Los van de sponsors die uiteraard meteen de vraag stelden ‘wat nu, er wordt niet gekoerst, er is geen return?’, liepen wij meteen al 1,3 miljoen euro mis aan allerlei inkomsten, om maar startgeld te noemen. Dat op een budget van 19 miljoen euro. Elke cent voelen wij. Ik krijg drie keer per jaar een audit van EY, twee keer van de UCI en één keer van Bakala (Zdenek Bakala is meerderheidsaandeelhouder in de ploeg, HV) . Die heeft jarenlang alles bijgepast, maar op een bepaald moment heeft hij gezegd ‘wat je nu tekortkomt, pas je zelf bij uit eigen zak’.”

Heeft de baas Lefevere goed voor zijn personeel gezorgd?

“Ja. Ik ben begonnen met het opbellen van de zaakwaarnemers. Maart was betaald, voor april moest er worden gepraat. Ik hoorde van teams waar de renners maar 10 procent moesten inleveren. Maar 10 procent. Wel al het personeel ontslagen en zelfstandigen op straat. Niet in mijn wereld: renners komen en gaan, maar met sommige mensen uit de omkadering werk ik vijfentwintig jaar samen.

“Ik heb twintig mensen op technische werkloosheid kunnen zetten en ik heb met de renners en iedereen die nog in dienst was een deal kunnen sluiten over inleveren, van buschauffeur tot coureur. Ik spreek niet over bedragen. Neen, ook niet over procenten. Zelf, ik heb het al tot in den treure gezegd, heb ik mijn salaris laten vallen. Wat je je daar moet bij voorstellen? Ik ben niet betaald als een toprenner, eerder als een helper. Van Deceuninck-Quickstep, niet van Ineos.

“Daarnaast hebben we heel wat zelfstandigen. Die hebben ook ingeleverd. De trainers hebben het hardst gewerkt tijdens de lockdown. Onze ploegleiders heb ik gevraagd om de renners met rust te laten. Dat plotse stoppen moet wat hebben aangericht bij die gasten; er waren er op hoogte geweest, sommigen op eigen kosten naar Calpe, alles om goed te zijn en we waren goed: vijftien koersen alweer gewonnen.”

 Parijs-Nice en dan niks meer.

“Ja, en ik ben nog altijd blij dat we dat hebben gereden, ondanks alle kritiek. Ik begrijp ook de burgemeester van Nice dat hij ons niet in zijn stad wilde voor het laatste weekend – die heeft daar al wat meegemaakt – maar het was veel gevaarlijker in depage3image46203088page3image35719232

Verenigde Arabische Emiraten. De ploegen die daar hebben vastgezeten sinds eind februari en nog vastzaten toen wij in Frankrijk reden, dat was geen lolletje. Daar hadden de renners het meeste schrik voor, ook in Parijs-Nice: geraken we wel thuis? Kasper Asgreen en Mads Pedersen zijn vanuit Nice per auto helemaal naar Denemarken gereden. Dat gaat ook, jazeker. Alles gaat.

“Laatste rit was 14 maart. Iedereen kwam naar huis, we hebben de zaak opgekuist, de auto’s gestockeerd en op 18 maart ging de boel hier dicht. Ik ben dan nog alleen teruggekeerd voor dat VTM-programma Corona 2020 met Eric Goens in mijn spoor. Ik trok de garagepoort open en de aanblik van die garage volgestouwd met auto’s, zonder verzekering, zonder kenteken. Heel even dacht ik: stel je voor dat dit het einde is. Het is niet het einde gebleken, maar helemaal gerust ben ik er niet. Ik ben een man van het best case scenario, maar ik hou in mijn achterhoofd dat er ook een middle case en worst case is. We koersen nog steeds niet en het is nog zes weken. Er kan nog veel gebeuren.”

Hebt u zeggenschap gehad in de kalender?

“Ik kan zeuren, zoals je wel weet en ik vind de wereld zelden perfect, maar dit is een bijzondere situatie. De kalender had voor mij iets beter gekund, dat BK twee dagen na de Tour is ongelukkig, maar bon.

“Men heeft mij gebeld, om iets te vragen, maar zeggenschap? Wie gebeld heeft? Tom Van Damme (bondsvoorzitter KBWB en UCI-bestuurder, HV), David Lappartient (UCI- voorzitter, HV) en zelfs Yann Le Moenner, de CEO van ASO. Heel uitzonderlijk die laatste. Hij heeft mij bedankt omdat ik was ingegaan tegen Richard Plugge van Team Jumbo-Visma en Ivan Spekenbrink van Sunweb. Zij vonden dat dit het moment was om ruzie te maken en de puntjes op de i te zetten.”

Ik dacht dat ook: bulldozer nu de ruïnes en begin vanaf de grond.

(luid) “En ik niet. Als de hele economie en de maatschappij op zijn gat ligt, is dat niet het moment om te beginnen vechten. Alles platwalsen en herbeginnen is mooi als je contracten doorlopen en je sponsor heeft betaald, maar hoeveel ploegen zitten in de positie dat ze ruzie kunnen maken?”

Zeuren over de dominantie van ASO en de Tour, maar bij hun eerste gil in hun kont kruipen, is dat het?

“Je hebt gelijk, ik heb net hetzelfde gezegd. Maar: dit is niet het gepaste tijdstip, noch de situatie om met ASO en de UCI ruzie te maken. We zijn maar een kleine sport en als het niet snel beter gaat, bestaat ze misschien niet meer. Als we dit jaar niet meer koersen, gaan negen op de tien teams failliet.

“Je moet afwachten tot het beter gaat om dan te zeggen, zoals ik in 2008: we komen niet naar de voorstelling van de Tour en dan gaan we zes maanden spreken en dan gaan we Parijs-Nice misschien niet rijden. Dat vonden ze een goed idee, maar wie zat de volgende dag in Parijs op de Tour-presentatie? Al mijn collega’s. In Parijs-Nice stond ik ook alleen. We kunnen geen ruziemaken, want we zijn niet solidair. Daarom ga ik ook al lang niet meer naar de vergaderingen van de ploegen.”

Bent u er nu al achter dat het wielermodel aan alle kanten rammelt.

“Juist. Ik ga het niet meer veranderen en de sporteconomen ook niet. We hebben het al zo moeilijk, wat is het nut dan van alles door een donkere bril te bekijken?”

Het drama is: het is niet te veranderen. Wielrennen kampt met enorme kosten. Typisch voor een van A naar B sport. Alleen stadionsporten brengen op.

“Jij nu ook weer. Het gaat zo slecht in het wielrennen, maar ik weet één ding: mijn budget vandaag is precies het dubbele van 2004 en voor sommigen ploegen is het zelfs maal drie. Hoe verklaar je dat? Alles is gestegen, op de startgelden na. De renners zijn erop vooruitgegaan. Het grote gevaar voor wielrennen is niet het verdienmodel, maar het macro-economisch model boven onze kop. Soms zijn de naschokken erger dan de aardbeving.”

Renners zijn nu toch goedkoper dan ooit?

“Niet mee eens. De goede renners alvast niet. De Alaphilippes van deze wereld worden niet goedkoper. De nummers één tot vier zeker niet. Van vier tot zeven zal het stabiel blijven, van zeven tot twintig, daar zitten de slachtoffers. Mijn geluk is dat geen enkel sponsorcontract vervalt en de deals lopen tot 2022 met opties tot 2023 en ik maar vier rennerscontracten moet herzien. Vorig jaar waren dat er achttien. Dat is puur geluk, wat ik kon niet weten dat er een virus aankwam.

“Die contractbesprekingen zijn nooit een feest. Vlamingen willen in het voorjaar al weten waar ze een jaar later gaan rijden, als het kan nog voor de klassiekers. Angelsaksers niet. Met Oliver Naesen hebben we gesproken. Ik kan je de mails van zijn manager Yannick Prévost tonen, wat hij wilde verdienen. Wat hoor je dan: hij wil wat zekerheid en hij kan bijtekenen voor drie jaar bij AG2R. Typisch Vlaams, hij heeft dat van zijn trainingsmaat Greg Van Avermaet. Wat moet ik dan? Ik kan geen drie jaar bieden en al zou ik het kunnen, wil ik dat? Voor Evenepoel, maar niet voor een dertiger.”

Beetje contact gehad met Remco Evenepoel?

“Jazeker, en met de vader ook. Hoe hij eraan toe is? Hij wil natuurlijk ook koersen, maar hij is twintig, geen zevenendertig. Neen, hij mocht zijn lief niet zien van Van Ranst, maar ach, ze wonen 500 meter van elkaar en ze zijn twintig.”


Van der Poel en Van Aert zijn twee van de hotste klassieke renners van de Lage Landen en jij hebt geen van beiden in dienst.

“Voor Wout van Aert is het simpel: ik heb niet doorgezet omdat hij onder contract lag bij Nick Nuyens. Hij heeft dat verbroken en de UCI is daar heel mild voor geweest. Toen Frank Vandenbroucke dat destijds deed en bij mij kwam rijden, was de UCI heel wat minder mild. Die ellende wilde ik vermijden.

“Mathieu van der Poel zit historisch bij de broers Roodhooft. De Roodhoofts hebben dat heel goed aangepakt: telkens laten bijtekenen, plus daarbij een apart contract met hun fietsenmerk, Canyon. We hebben twee keer verkennend gesproken over een eventueel samengaan. De tweede keer was op een zaterdag. Toen hadden ze al mondeling hun akkoord gegeven aan Canyon, waar ze op maandag een afspraak mee hadden. Ik zat vast aan Specialized. Dat leidde nergens heen. Maar wat niet is kan nog komen. Van der Poel is een groot talent en in Philip Roodhooft zag ik iemand om mij op te volgen.”

Eigenlijk had ik al lang verwacht dat je ons op een dag had uitgenodigd om te melden: het is gedaan, ik stop.

“Dat heb ik al een paar keer gedacht. Twee jaar geleden zat ik er zo ver van (houdt wijsvinger en duim heel dichtbij elkaar, HV). Komt Deceuninck niet, dan verkoop ik aan Israel Cycling. Enfin, niet ik, maar de eigenaars. Dat zijn Bakala voor 70 procent, ik heb 20 en Bessel Kok (ooit CEO Belgacom, HV) 10 procent. Neen, een wielerteam is geen verdienmodel, maar je koopt de structuur, wat erin zit, de knowhow en de logistiek en dat is ook wat waard.”

Je zei daarnet dat je het leven thuis ook wel hebt kunnen waarderen.

“Eerlijk: ik dacht dat ik zot ging worden. Maar na drie weken keken mijn vrouw en ik naar elkaar en zegden we: allez we zitten nu al 21 dagen samen aan het ontbijt, middag- en avondmaal en we vinden het nog plezant ook. Mijn vrouw zegt dat ze mij nog liever ziet dan vroeger, is dat geen goed nieuws?

“Draait mijn leven nog steeds rond de koers? Ja. Ben ik uitgeblust? Neen. Kan ik morgen nog een andere zaak beginnen? Dat denk ik wel. Maar ik schep er ook plezier in om in stand te houden wat ik heb.”

Je bent 65, lees eens een boek, ga op reis, fiets.

“Ik fiets weer. Elektrisch wel. Ja elektrisch, ik ben wel 65, mag het dan? Die gaat tot 25 per uur, maar ik heb ook een mountainbike staan die 45 kan. Dat is voor als het wat lastiger wordt.

“Reizen? Ik reis al veertig jaar. Ik kreeg dit jaar een nieuwjaarskaart van de wereld en ik moest krabben waar ik al was geweest. De wereld is groot, want er waren veel plaatsen waar ik nog niet was geweest. De vraag is: waar wil je nog gaan? Ik ga niet naar landen waar ik het risico loop een revolver tegen mijn kop te krijgen. Mijn vrouw zou graag eens rondtrekken in de VS, maar hoe meer ze van de VS ziet op tv hoe sneller haar goesting mindert.”

Ik zag van de week een foto van jou samen met Walter Godefroot, jullie samen bij Capri Sonne.

“Ja, heb ook gezien. 27 was ik toen, mooie jongen, hé. Toen al (lacht). Ik ben begonnen in 1979. Afgelopen woensdag 10 juni was het exact veertig jaar geleden dat ik als renner ben gestopt. Ik had een koers gereden in Boechout. 110 renners aan de start, we waren met vier weg, ik was erbij en Géry Verlinden, toen regerend Belgisch kampioen. Hij wilde winnen. Ik ben nog langs de kassa gepasseerd en een week later zei ik ‘ik heb het gehad’. 24 jaar en vijf maanden oud.

“Twee dagen later was ik adjunct-ploegleider van Romain De Loof. Ik moest de kassa bijhouden, wellicht omdat ik boekhouden had gestudeerd. Einde seizoen stopte Romain en moest ik het alleen doen. Het eerste wat ik moest oplossen: ons fietsenmerk Carlos ging failliet. Waarop Eddy Merckx ons kwam depanneren. Zo ben ik dan bij Walter terechtgekomen en ineens zijn we 2020.”

Column de Zwarte Vuist in De Morgen van zaterdag 13 juni 2020

De zwarte vuist

Zwarte atleten roeren zich in de discussie over racisme in de maatschappij. Ergens verscheen dat dit de tipping point zou kunnen zijn. Blijven dromen. Zwarte atleten staan al meer dan vijftig jaar op de barricaden voor mensenrechten. Behalve dat zijzelf steeds meer geld zijn gaan verdienen, heeft hun engagement – hoe oprecht ook – de zwarte medemens die toevallig niet kan boksen, dunken, homeruns slaan of de end zone halen weinig bijgebracht. Laat staan dat scoren in een voetbalgoal de wereld zou veranderen.

Een goeie raad: lees eens een boek over raciale problematiek in de Amerikaanse sport. What’s My Name, Fool? bijvoorbeeld van Dave Zirin. Nog beter: kijk zondagavond op Canvas naar de gelijknamige docu over Muhammad Ali. Die werd olympisch kampioen in Rome in 1960, maar dat werd niet naar waarde geschat. Vond hij, en dat zal wel kloppen. De legende wil dat hij daarom zijn medaille in de Ohio-rivier gooide. Vertrouwelingen monkelden al snel dat hij dat ding gewoon ergens had laten liggen, wellicht in een taxi. Whatever.

De opkomst van de zwarte atleet begon met Jackie Robinson, die als eerste zwarte mocht honkballen met blanken. De opstand van de zwarte atleet begon met Muhammad Ali, geboren als Cassius Clay. Hij werd in 1964 moslim onder invloed van de Nation of Islam en veranderde zijn naam.

De titel van het boek en de film refereert aan de kamp Ali tegen Ernie Terrell in 1967. Ali was boos dat Terrell hem nog steeds Cassius Clay noemde. Terrell was zich van geen kwaad bewust en vond zoals zoveel Amerikanen, blank en zwart, dat islamgedoe een soort gimmick. Waarop Ali Terrell een Uncle Tom noemde en Terrell, zwarter dan Ali, nog meer uit de lucht kwam vallen. De kamp duurde vijftien ronden: Terrell werd geteisterd, gestraft, honderden salvo’s vertrokken naar lichaam en hoofd maar hij kreeg geen ko-slag. Het was een openbare marteling. Ali verspeelde daar veel van zijn krediet.

Dat beterde niet door daarna jarenlang kritiekloos de leider van de Nation, de honorabele Elijah Muhammad, achterna te lopen. Die verkocht zichzelf als een profeet, maar werd al snel ontmaskerd als een oplichter, vrouwenloper en polygamist. Uiteindelijk zou hij medeverantwoordelijk zijn voor de moord op Malcolm X – goeie docu op Netflix. Toen Ali in 1966 weigerde om zijn dienstplicht te vervullen met de melding “geen enkele Vietnamees heeft mij ooit nigger genoemd”, goed wetende dat hij nooit naar Vietnam zou moeten vertrekken, was het hek van de dam in nationalistisch Amerika.

Hij werd geschorst en dat incident leidde dan weer tot de zogeheten Ali-top met NFL-ster Jim Brown, basketballegende Bill Russell (de meeste titels ooit) en Lew Alcindor. ‘Uppity niggers’ (aanmatigende, omhooggevallen negers). Zo werden ze racistisch omschreven in de media omdat ze veel geld verdienden in een door blanke eigenaars gedomineerde Amerikaanse sporteconomie, maar de pretentie hadden zich met de zwarte burgerrechten in te laten.

Ook de basketbalspeler Lew Alcindor zou zich tot de islam bekeren, wel pas in 1971 nadat hij een eerste keer NBA-kampioen was geworden, en ging voortaan als Kareem Abdul-Jabbar door het leven. Zijn bekering kwam er nadat hij zich realiseerde dat de godsdienst die zijn ouders aanhingen niets vandoen had met Afrika, waar hij vandaan kwam. Het argument dat 15 tot 30 procent van de slaven die naar Amerika werden verscheept moslim was, klonk een beetje zwak in het licht van de economische realiteit dat het ook moslims waren die in Afrika aan slavenhandel deden.

“Dat activisme was nodig om de boel in beweging te krijgen, maar thuisblijven van de Olympische Spelen in Mexico in 1968 zoals Abdul-Jabbar (toen nog Alcindor) en die moslimbekeringen, onder meer van Ali, hebben onze zaak niet geholpen.” Dat hoorde ik uit de mond van de zwarte socioloog Harry Edwards. Meer effect had de actie van de zwarte sprinters op de 200 meter, Tommie Smith en John Carlos, die de blackpowergroet brachten op het podium. Ook zij werden verguisd, maar hun symbolische geste ging de wereld rond en was er een voor de eeuwigheid.

De atleten van vandaag zijn slimmer en vooral rijker. Racisme is ook van de sport, maar niet langer in de verloning. Meer dan de helft van de top honderd van best betaalde atleten is zwart. De topmiljardairs: zwart. Neem nu Michael Jordan, die 100 miljoen dollar doneert via zijn submerk bij Nike, Jordan, dus niet uit eigen zak. Of Floyd Mayweather, die de begrafenis van George Floyd betaalt.

Een van de allersterkste statements uit de topsport na de dood van Floyd komt evenwel van een witte, zij het dan een met een diepzwarte ziel: Gregg Popovich. Het staat op YouTube.

Column Zwemmen! in De Morgen van maandag 8 juni 2020

Zwemmenpage1image934512

Vlaams minister van Sport Ben Weyts (N-VA) gaat morgen in Aalst de allereerste gemarkeerde stadslooproute lopen. Dat is nu al de derde ambstermijn op rij (twee ministers, want Philippe Muyters deed twee tour of duties) dat we een minister van Sport hebben die zelf regelmatig loopt. Verdomd jammer dat Weyts geen hobbytriatleet is. Misschien waren die zwembaden dan al lang open.

Lopen mag, fietsen mag zelfs in groep, voetballen mag, basketbal en volleybal mag nog niet, fitnessen mag, zelfs naar de hoeren gaan mag. Alleen zwemmen in een zwembad mag niet. Nóg niet: 1 juli zouden ze weer open mogen. Dat is niet te vatten en het zoveelste voorbeeld van ons afwisselend ontoereikend en dan weer doorschietend non-beleid in deze coronacrisis.

Voetballers kunnen lopen of aan krachttraining doen, kunnen individueel iets met de bal. Wielrenners zijn nooit beperkt, waarvoor alsnog dank. Zwemmers zijn vissen in mensenhuid. Zwemmers hebben water nodig, zwemwater. Niets dat sneller verdwijnt in de sport dan watergevoel. Als één sport in een veilige omgeving wordt beoefend, dan wel zwemmen. Er moet close contact zijn gedurende tien tot vijftien minuten met een besmette verspreider (m/v) om het virus over te dragen. Welnu, het virus overleeft in chloor welgeteld dertig seconden.

Ja maar, hoor je dan, het zijn de douches en de kleedhokjes die het probleem zijn. Echte zwemmers kunnen best zonder. Die komen naar de waterkant, friemelen wat onder hun handdoek, staan het ene moment naakt onder die handdoek en het andere met zwempak aan. Omgekeerd als ze klaar zijn. En dan nog: alsof afspoelen onder een douche een gevaar zou zijn, als de afstandsregels worden gerespecteerd.

Benoem dan de echte reden: dat het goedkoper is het per definitie verlieslatend zwembad dat alleen door competitie en clubzwemmers wordt gebruikt, gesloten te houden zolang het grote publiek van plonzers niet welkom is en de cafetaria dicht. Maar wat dan met de zwemplassen? De Blaarmeersen in Gent: verboden te zwemmen. Hofstade: strand en zwemplas gesloten. * Op andere plekken is er dan weer een gedoogbeleid, afhankelijk van wie in de voorbijrijdende combi zit.

Stond ook nog in het persbericht: “Uit onderzoek blijkt dat 30 tot 50 procent van de Vlamingen meer beweegt en sport dan voor de lockdown.” Misschien is 50 tot 70 procent wel minder gaan sporten. In Nederland waren er dat in april alvast 1,3 miljoen minder.

Dit weekend konden we in deze krant nog lezen hoe puissant rijke kunstenaars zich een been uitjanken omwille van wat corona doet met de cultuursector, maar dat is niets vergeleken bij de rampzalige impact op de bewegende en sportende mens, en bij uitbreiding de volksgezondheid. Olympienne en zwemtrainster Pascal Verbauwen is bang dat de jeugd afhaakt, en misschien naar andere sporten zal trekken. Ik kan haar geruststellen: de jeugd is echt niet naar andere sporten op zoek gegaan en de jeugd die al op zijn gat zat en computerspelletjes speelde is nog meer op zijn lui gat blijven zitten en heeft nog meer computerspelletjes gespeeld: de EC Diabetes tegen de EC Hypertensie.

In Nederland heeft men al berekend dat maximaal 21.000 gezonde levensjaren (QALY’s) zijn gered door de Covid-maatregelen. Daartegenover staat dat minimaal 100.000 (maximaal 400.000) gezonde levensjaren zijn verloren gegaan door het afzeggen en uitstellen van reguliere zorg. Daar is de toegenomen bewegingsarmoede niet in meegerekend. In april 2019 werd door 85 procent van de Nederlandse 5- tot 12-jarigen wekelijks aan sport gedaan. Dit jaar daalde die participatie tot 35 procent. Spreek bij ons met elke sportleerkacht van wie de lessen gewoon zijn geschrapt want overbodig: elk jaar gaat de schoolgaande jeugd er inzake fysieke prestaties op achteruit.

Op geen enkel moment in de coronapandemie – niet in het begin, niet op het hoogtepunt en nu al helemaal niet nu er ondersterfte is – was er een goede reden om sport te verbieden, niet binnen en niet buiten. De risico’s wogen nooit op tegen de voordelen, laat het een les zijn voor als er nog een virus passeert. Niet Covid-19, dat wereldwijd nog niet aan tweederde doden zit van een flinke griep, maar bewegingsarmoede is de grote bedreiging.

Cafés dicht om 1 uur, prima en houden zo. Discotheken nooit meer open, applaus. Geen handjes geven en niet meer kussen, hoera. Social distancing waar het enigszins kan en een stoffen muilband, als het moet, ook oké. Een app, tracing, laat maar komen, net als die tweede golf. Maar neem de kinderen (en bij uitbreiding de hele bevolking) het sporten, spelen en bewegen nooit meer af.

  • op de dag van verschijnen gingen de grote zwemplassen beperkt weer open

Portret Lamine Diack in De Morgen van zaterdag 6 juni 2020

LAMINE DIACK





Wie liep, sprong, gooide, doping gebruikte én de centen had, kon een positieve plas laten verdwijnen. Het geld ging recht naar de top van de wereldatletiek. Maandag staan ex-voorzitter Lamine Diack en handlangers terecht.

Vergeet Sepp Blatter. Of Michel Platini. En ook hun collega-voetbalbestuurders die nog in de gevangenis zitten. Vergeet de Acosta’s en Nebiolo’s, bondsvoorzitters die aan elkaar hingen van spuug en smeergeld, en alle IOC-leden die zich lieten omkopen. Het zwaarste corruptiedossier ooit in de wereldwijde sport, behalve dan het Russisch dopingschandaal waarvan het een spin off is, is voor rekening van de atletiekwereld. 

Uit het onderzoek naar de wijdverspreide Russische dopingpraktijken was gebleken dat de voorzitter van de grootste olympische sportbond samen met zijn zoon en de hoofdarts van de IAAF (vandaag World Athletics) jarenlang geld had gevraagd om positieve plasjes te verdonkeremanen. Op 1 november 2015 werd de Senegalese IAAF-voorzitter Lamine Diack – Frans verspringkampioen toen Senegal nog een kolonie was – in zijn huis in Parijs gearresteerd. 

Het bleek het nekschot voor misschien de laatste oude sportkrokodil (morgen wordt hij 87) onder de bobo’s. Tegelijk stond de politie bij dokter Dollé voor de deur in Nice. Zowel Diack als Dollé, die dit jaar 79 wordt, kwamen vervolgens vrij op borg en staan sindsdien onder huisarrest. Op 4 november volgde de aanklacht tegen vader en zoon Diack: corruptie en verzwarende witwaspraktijken. De andere beklaagden kijken alleen aan tegen de beschuldiging van corruptie.

De exacte omvang van de corruptie is niet duidelijk. Volgens Franse bronnen zou Lamine Diack meer dan 1 miljoen euro richting Senegal hebben versluisd. Gabriel Dollé zou in totaal 200.000 euro hebben gekregen om op gezette tijden de andere kant op te kijken. 

Belgisch atletiekpeetvader Wilfried Meert kende Lamine Diack goed. Hij leende zijn geloofwaardigheid aan Diack toen die in Dakar een international meeting van de grond wilde krijgen. Als Meert er achter stond, zouden de Amerikanen komen, wist Diack. “Dat duurde drie jaar, toen kwam er een Italiaan in mijn plaats,” glimlacht Meert. “Of we dat wisten van die dopingstalen die verdwenen? Neen, helemaal niet. Ik denk ook niet dat hij dat zelf heeft in gang gezet. Dit lijkt mij het werk van zijn oudste zoon. Pa zal dan wel hebben meegedaan om de eer van de familie te beschermen en het thuisfront wat extra’s te kunnen toestoppen.”

Dat zou kunnen kloppen. Uit het onderzoek blijkt dat de breinen achter de hele zwendel de zonen waren van Lamine, Papa Massata en Halil. Die laatste, bediende bij wat toen nog de IAAF heette, speelde ook een actieve rol, maar is blijkbaar niet in beschuldiging gesteld. Het was een reportage van de Duitse zender ARD die in juli 2016 een licht wierp op hun praktijken. Daarin beschuldigde de Turkse atlete Asli Capir Alptekin, goud op de 1500 meter op de Spelen in Londen, de zonen Diack ervan dat ze 650.000 euro hadden gevraagd om haar positieve plas te laten verdwijnen. In de repo werd ook een bandje van een opgenomen gesprek gebruikt. Alptekin en haar man weigerden te betalen, ook nadat Papa Massata Diack – “voor 350.000 euro kan het ook” – wat van de prijs had afgedaan. Eind 2015 zou Alptekin alsnog worden geschorst voor acht jaar door afwijkende bloedwaarden. Omdat ze meewerkte met het Wereld Antidopingagentschap WADA werd die straf teruggebracht tot vier jaar. Haar getuigenis was één van de elementen die de fundamenten van onder de Diack-handel haalde. 

De hele zwendel begon al in 2001, zo bleek uit verschillende interne onderzoeken in opdracht van World Athletics. Begunstigden, tegen betaling van harde cash uiteraard, waren in de eerste plaats Russische atleten, vandaar de Russische medebeschuldigden.

Het proces voor de 32ste kamer van de correctionele rechtbank dat maandag begint zou duren van 8 tot 18 juni. Lamine Diack, hoofdrolspeler maar wellicht niet de architect van de corruptie, riskeert tien jaar cel. Zes personen zijn aangeklaagd: Lamine Diack en zijn zoon Papa Massata Diack, consultant marketing van de IAAF (tegenwoordig World Athletics), maître Habib Cissé, advocaat en juridisch raadgever van Diack, le docteur Gabriel Dollé, hoofdarts anti-doping van de IAAF, Valentin Balaknitsjev, ex-voorzitter van de Russische atletiekbond en Aleksej Melnikov, ex-hoofdtrainer van de Russische atletiekbond.

Drie daarvan zullen maandag in Parijs aanwezig zijn: de oude Diack, Gabriel Dollé en advocaat Hissé. Zoontje Papa Massata nam de wijk naar Senegal nog voor de politie aan zijn deur stond en roert zich niet meer. Ook de twee Russen komen hun land niet meer uit. Tegen alle betrokkenen die hun kat stuurden naar de ondervragingen, loopt een internationaal aanhoudingsbevel. 

Toen de Italiaanse potentaat Primo Nebiolo in 1999 bezweek aan een hartaanval, weerklonk op nogal wat atletiekbanken ingehouden applaus. Achttien jaar lang had hij de atletieksport geleid als een almachtige heerser: doe voort, zie niet om en trek je vooral niet te veel aan van doping, corporate governance en andere futiliteiten. Hij werd in november 1999 opgevolgd door zijn eerste vice-voorzitter Lamine Diack die zich daarop bij de eerstvolgende verkiezing vlot liet herverkiezen.

Wilfried Meert over zijn tactiek: “Diack was op en top politicus. Van in het begin was hij voor een mondialisering van de atletiek. Edele doelstelling, maar in zijn geval betekende dat geld geven aan Afrikaanse, Aziatische, Oost-Europese en Zuid-Amerikaanse landen om zo in de één land/één stem-verkiezing genoeg landen achter zich te krijgen. Dat lukte keer op keer. De enige keer dat ik hem in vergadering heb gehoord was met de opmerking: we moeten ook aan de landen buiten Europa en de VS denken.”

Lamine Diack hangt nog een tweede proces boven het hoofd. Momenteel loopt een onderzoek naar corruptie bij de toewijzing van de Olympische Spelen van Tokio 2020/21 en de WK’s atletiek van 2017, 2019 en 2021. Dat is dan het derde grote dossier waarin hij is betrokken.

In 1993 was hij al in het corruptiedossier van ISL (International Sports and Leisure, een filiaal van adidas) in opspraak gekomen. Het Internationaal Olympisch Comité voerde dat onderzoek en kwam er op uit dat hij – toen ondervoorzitter van de IAAF – drie keer 30.000 dollar en 30.000 Franse francs had gekregen van ISL, ooit de grootste maar toen in sneltempo tanende sportmarketinggigant die koste wat het kost aan boord wilde blijven in het wereldatletiek.

Diack beweerde dat het geld afkomstig was steun nadat zijn huis was afgebrand. Hij kreeg van het Internationaal Olympisch Comité toch een tik op de vingers. Dat passeerde zonder veel ruchtbaarheid en toen Diack in 1999 voorzitter werd van de IAAF kreeg hij meteen ook het IOC-lidmaatschap. Dat zou hij behouden tot 2013: hij moest aftreden door zijn leeftijd en werd erelid. Op 10 november 2015 begreep het IOC dat Diack niet te redden viel en zette hem op non-actief. Een dag later gaf hij het erelidmaatschap terug.

Ook Papa Massata Diack heeft een tweede klacht aan zijn been. Hij zou anderhalf miljoen dollar hebben gecasht van de Braziliaanse businessman Arthur Soares, drie dagen voor Rio de Janeiro in oktober 2009 in Kopenhagen werd verkozen tot olympische stad van 2016. Vermoedelijk om pa Diack ten overhalen voor Rio te stemmen. Ten slotte loopt nog een onderzoek tegen de Diacks dat atletiek overstijgt. Onderzoeksrechter Renaud Van Ruymbeke verdenkt de Qatarees Nasser Al-Khelaïfi ervan 3,5 miljoen dollar te hebben betaald aan de Diacks om het WK atletiek van 2017 in Doha te krijgen. Nasser Al-Khelaïfi is ook voorzitter van voetbalclub PSG en zit in de raad van bestuur van de UEFA.