Verhaal Niels Albert in De Morgen van 10 januari 2015

‘Mijn hart kon niet meer in overdrive’

‘Eén keer heb ik geweend. Toen ik in december in het jaaroverzicht mijzelf terugzag, die dag dat ik het bekendmaakte. Voor de rest gaat het, het ene moment al beter dan het andere.’ Op bevel van de cardioloog moeten stoppen, daar zal hij nooitvrede mee hebben, maar Niels Albert (28) houdt zich kranig. ‘Ik moet verder.’

“Komaan, komaan komaan. Denk aan die pedalen. Zet ze goed voor de opsprong straks. Jajaja, komaan, komaan komaan. Verdoeme, die rijden hard. De Wout zit à bloc, zie je dat? De Rob rijdt er zo naartoe. Ik denk dat de stress nu al begint.”

Even later komen we bij een verkouden Wout Van Aert, met een gezicht als een donderwolk. “De laatste twee toeren gingen niet meer jong. Ik weet niet wat er scheelt.” Hebben wij – fotograaf Franky Verdickt en ikzelf – exclusief gezien hoe de sensatie van het veldritseizoen en de gedoodverfde favoriet Wout Van Aert zondag weer geen Belgisch kampioen zal worden? Albert kalmeert het hele bos: “Er scheelt niks. Je ging hard, Wout, heel hard. Geen zorgen maken. Nog drie startjes en de dag zit erop.”

Onder het microklimaat van de Bosberg in Langdorp, waar de zon tussen de bladerloze bomen priemde, leek de lente een uurtje of twee in het land. Heel even was gekwetter van vogels te horen, alleen verstoord door het gehark van bos-soigneur Eddy De Rijck, het getater van Niels Albert en het gejakker van de crossers Van Aert en Peeters. Het was hun laatste bostraining vóór het Kempisch- Brabants kampioenschap veldrijden, ook wel het Belgisch kampioenschap geheten en bij uitbreiding het mini-wereldkampioenschap. Ploegleider Albert zag dat het goed was.

De avond ervoor was hij naar Aarschot gekomen. Voor een ‘klapke’. Een uitzondering is de atleet, weze het ex-atleet, die zelf met het voorstel komt om iets te eten en achteraf nog wat bij te praten. Ooit volgde ik Albert in de koude winter van 2009 in de week voor zijn eerste wereldtitel in Hoogerheide. De insteek was pure vooringenomenheid: hoe arrogant is die belager van Sven Nys wel niet? Wat bleek: niks arrogant, niks dikke nek. Niels Albert was een jonge gast, streetwise, met een open babbel en – bovenal – hij keek je recht in de ogen.

Dat was dinsdag toch weer iets minder. Nog eens praten over dat gedoe met die cardiologen die elkaar haast naar het leven stonden, daar had hij geen zin in. Filosoferen over zijn nieuwe bestaan, op het gevaar af dat oude wonden werden open gereten, moest dat wel? Zijn pijnlijke scheiding van zijn oude ploeg en zijn vriend Christoph Roodhooft, het waren geen van allen topmomenten.

Maar nu is er dat BK, de eerste keer dat hij een kampioenschap zal missen sedert 2002. En er is de terugval van het veldrijden, zijn ‘schuld’ en die van Nys. De tweestrijd met zijn dorpsgenoot Sven Nys herleidde het veldrijden tot een parochiaal kampioenschap, maar bracht het de laatste vijf jaar tot ongekende economische hoogten. Nys en Albert verdienden in hun vetste jaren rond het 1 miljoen euro. Hij ontkent het niet.

“Het was goed betaald, maar ik zou niet weten hoeveel ik heb. Wat vastgoed – appartementen vooral – mijn eigen huis dat ik heb gebouwd en nog wat weggezet. Sven en ik zaten aan de top en wat hij kreeg voor een cross, kreeg ik de laatste jaren ook. Maar ik had wel een hoger basiscontract bij BKCP dan hij bij Crelan.”

Maar kijk, nog voor hij arrogant dreigt te klinken, vergelijkt hij onze iPhones. “Jij hebt een 6, ik hou het bij die 5. Zie je hoe de mijne eraan toe is? Dat hoesje met die hoek af, die folie beschadigd… Ik kick niet op luxe, echt niet. Ik had een Audi SQ5 (313pk, 70.000 euro met wat opties, HVDW) maar die heb ik verkocht. Ik kreeg een Opel van de ploeg en dat is al lang goed voor mij. Chantal (zijn vriendin, HVDW) heeft een occasie Golf. Ze werkt nu ook weer fulltime.

“Het is mij altijd te prijzig. De beste aankoop die ik voor mijzelf vorig jaar heb gedaan, zijn botten van Aigle met daarin een warm velletje. Ik moet wel. Vroeger reed ik mij warm en nu sta ik een paar uur in de kou.”

Aan de beta-blokker

Hij haalt zijn schouders op en valt even stil. Dat zal hem de komende twee uur een paar keer overkomen, al of niet vergezeld van “ja, het is nu zo”. Het ijs is gebroken. Hij weet dat het niet de bedoeling is om hem de grond in te praten. Respect voor veldrijders dat ontelbare malen groter is dan voor het fenomeen veldrijden zelf. Dat kan contradictorisch klinken en veel crossers en hun achterban kunnen dat onderscheid niet maken, maar Niels Albert snapt het wel. Streetwise, door scha en schande geleerd en eelt op de ziel gekregen na een niet al te makkelijke jeugd.

Het godsoordeel dat hij over zich hoorde afroepen, was in de lente van vorig jaar bij een routinecontrole die uitging van zijn ploeg. Ook het hart werd beluisterd en bij hem hoorden ze ‘iets’. Het zou wel niks zijn, maar hij kreeg veiligheidshalve een bakje mee dat zijn tikker 24 uur monitorde.

“Er bleek wel iets aan de hand. Ik was verbaasd, maar als ik de film terugdraai ook weer niet. Ik had de laatste jaren af en toe een dag dat alles ging zoals in mijn beste momenten, maar er waren te veel dagen dat het niet ging. Dat ik moeite moest doen om uit de zetel te komen. dat ik niet vooruit geraakte en tegen Chantal zei: ‘Wat is er toch aan de hand met mij?’ Als ik eerlijk ben, dan denk ik dat ik hét al had vóór ik in 2012 in Koksijde wereldkampioen werd. Het is de enige koers die ik op dvd terug heb bekeken nadat ik was gestopt. Ik zocht iets, maar ik zag niks: het parcours lag mij zo goed en het scenario was zo in mijn voordeel dat ik zelfs met een hart dat geen 100 procent meer was toch wereldkampioen ben kunnen worden. Maar de weken daarvoor en daarna was ik nergens. En de jaren daarna was het ook harken. Al heb ik in Oostmalle in februari vorig jaar wel gewonnen, in mijn allerlaatste cross.”

Vanaf de zomer van 2012 bereikten ons berichten over een gebrek aan motivatie. Een verwende Niels Albert, die wellicht liever ging stappen dan in de zomer een lange duurtraining af te werken. Niels Albert leek hard op weg om de jongste has been van het peloton te worden en iedereen in zijn omgeving vloekte, niet in het minst op hem. Verdachte terugval, suggereerden anderen, waaronder concurrenten. En dan ben je in het wielrennen al snel bij doping. Hij haalt de schouders op.

“Ja, het is nu zo. Als ze dat willen denken, kan ik er ook een paar aanwijzen die ups en downs hadden. Christoph (Roodhooft, zijn vriend en ploegleider, HVDW) begreep er niks van. Hij dacht dat ik geen goesting meer had. Dat dacht ik ook, eerlijk gezegd, maar het ging gewoon niet. Er was iets dat mij afremde om in overdrive te gaan. Volgens de cardioloog was dat de toestand van mijn hart. En toch heb ik niet de indruk dat ik ooit langs de rand van de afgrond ben gereden. Vandaag ook nog niet. Ik voel niks, behalve dat ik geen conditie meer heb, maar ik mag geen sport meer doen in competitie, alleen nog recreatief.”

Re-crea-tief spor-ten, hij spreekt het uit met de snelheid waarmee een kleuter spruitjes eet. Dat wordt een lastige, Niels Albert weer aan het bewegen krijgen, al was het maar voor de gezondheid. Hij was zeven kilogram aangekomen, nu zijn er nog vijf bij. “Ik draag nog steeds de broeken van toen ik nog reed, dus het valt wel mee.” Hij let op, maar met mate en zal na afloop van zijn steak-friet een cappuccino met slagroom in plaats van gestoomde melk bestellen. Ter vervollediging van dit rapport: hij nam wel water, plat water, wellicht een oude gewoonte.

“Tja, sporten als een recreant, dat zie ik niet zitten. Ik zou het niet kunnen verdragen dat iemand mij voorbij rijdt omdat hij zijn motor verder mag opjagen dan ik. En minder dan dertig gemiddeld aanvaard ik ook niet. (lacht) Nu neem ik niks, maar als ik ga sporten moet ik aan de beta-blokker: 2,5 milligram bisoprolol. Ik heb al gevoeld wat die doen. Als je denkt nú geef ik gas, dan krijg je dat pedaal niet ingeduwd. Je gaat voluit maar aan vijftig slagen minder dan een jaar geleden en tegelijk kan je blijven praten. Een vreemde gewaarwording.”

Hommage aan De Vlaeminck

Al snel na het onheilsbericht ontstond gebekvecht in de pers tussen topcardiologen. De ene adviseerde om geen topsport meer te doen. De andere kon hem helemaal genezen. De namen zijn bekend en doen er verder niet toe, het gaat om wat het met hem deed. Gek werd hij ervan.

“Heel even heb ik nog hoop gehad, maar ik had één grote twijfel. De cardioloog die mij had afgekeurd stond algemeen en internationaal bekend als een topper in zijn vak. Maar die andere ook. Zou die eerste er dan helemaal niks van kennen? Al die congressen, al die publicaties, al die kennis, was die dan niks waard? Dat was mijn conclusie geweest als ik toch voor die operatie was gegaan. Bovendien, stel je voor dat je vanaf dan elke cross een uur lang moet rondrijden met een zwaard boven je hoofd dat elk moment kan vallen.”

Het gesprek komt uit bij Eric De Vlaeminck, de zieke ex-bondscoach. Eric leerde Niels Albert de knepen van het vak toen hij nog belofte was. Maar Eric droeg toen al een zwaar kruis: de dood van zijn eerder voor hartritmestoornissen afgekeurde zoon Geert De Vlaeminck in 1993 heeft hij begrijpelijkerwijs nooit kunnen verteren. “Dat was hier in de buurt, in Heist-op-den-Berg. Daar zou ik nog zelf een cross willen organiseren, als een hommage aan de De Vlaemincks. Ik weet dat het hem niet te best gaat en ik ken het verhaal van Geert, die hetzelfde probleem had als ik. Maar er zijn nog verhalen, zoals dat van Tim Pauwels. Is cross daarom per se een gevaarlijke sport? Dat weet ik niet, maar onze harten gingen wel vreselijk te keer als we volle bak reden.”

Daar was Niels Albert toch zo vreselijk goed in: twee ronden lang de gashendel opendraaien en de hele modderzooi achter hem à bloc zetten, tot ze hem niet meer zagen en de moed opgaven. Was dat niet geval, dan haalden ze hem terug. Dat was dan weer de truc van Nys – Albert in het vizier houden tot hij zenuwachtig werd – en hem pakken na halfweg.

“Ach ja, Nys en ik komen uit Baal-Tremelo, maar we zijn nooit vrienden geweest, hooguit concullega’s. Als Sven mij nu ziet staan, zegt hij goeiendag en vraagt ‘hoewist?’ Ik heb geen moeite met Sven en hij niet met mij. Als ik super was, kon hij mij niet kloppen, dat weet ik wel. En had ik vandaag nog gereden, dan was het voor mij makkelijker geweest met Wout Van Aert erbij. Ik denk dat we dezelfde stijl hebben. Stel je voor dat Wout en ik samen er een snok aan hadden gegeven.”

En dan, wie zou hebben gewonnen: de Wout van 20 of de Niels van 28? Daar wil hij niet op antwoorden en niet alleen omdat het gevoelig ligt. Vragen stelt hij zich wel bij de dominantie van zijn poulain en aangezien objectieve data in cross niet voorhanden zijn, blijft het bij gissen.

“Ik heb ook crossen gewonnen op jonge leeftijd, maar niet zoveel overmacht. Maar nu heb je naast Wout nog Mathieu van der Poel, Laurens Sweeck en zelfs Gianni Vermeersch doet nu mee voor het podium. Rijden die jonge gasten nu ineens zo hard of rijden die anderen ineens zo traag en waar ligt dat dan aan? Ik ben er niet uit. Ik weet echt niet wat ik had kunnen beginnen. Op mijn best zou Wout ook een lastige klant zijn geweest, een hele lastige omdat hij rapper is, dus had ik hem moeten lossen. Alleen kan hij ook onderweg heel rap rijden. (stilte) Maar daar moet ik nu niet meer aan denken. (nog meer stilte) Ja, het is nu zo.”

Nachten wakker gelegen

Naast zijn besognes als ploegleider bij de ploeg Vastgoedservice-Golden Palace is Niels Albert net voor nieuwjaar in Tremelo samen met een vennoot een fietsenwinkel begonnen: de Niels Albert Bike Store zowaar. Zwaar werken, dat is het, maar het geeft hem wel een regelmaat die gestopte topsporters vaak missen.

“Vroeger was het opstaan, eten, trainen, rusten, nog wat trainen of rusten en dat elke dag tot er wedstrijd was. Nu is het opstaan om zeven uur en tegen acht uur sta ik al in de winkel. Beetje vegen, de atelier opkuisen of zo. Ik help de mensen zo goed ik kan. Ik heb een beetje verkoopinstructies gekregen van Geert Vanhove, de baas van Vastgoedservice. Wat je moet doen en niet mag doen, hoe lang zo’n gesprek mag duren, want je kan niet een uur aan één stuk een fiets proberen te verkopen. Ik probeer altijd in de winkel te staan. Ik ben niet naïef: de mensen komen natuurlijk ook om mij te zien. Maar als er geen volk is, vind je mij zo snel als kijken in de atelier om aan de fietsen te prutsen.”

Met die winkel heeft hij wel op minimaal één ziel getrapt, die van zijn eigen fietsenmaker waar hij altijd langs ging en die op zeven kilometer daarvandaan woont. Zo’n concurrent, dat zal die niet leuk hebben gevonden. “Ik vermoed het niet en nog minder dat ik zijn mechanicien, die ook aan mijn fietsen werkte en van wie ik wist dat hij zijn job kende, ben komen halen bij hem. Het enige wat ik heb gedaan is die een aanbod doen en hij heeft toegestemd. Dat zijn de wetten van de markt, net zoals er wetten zijn van de topsport. En net zoals in de sport ben ik niet van plan te verliezen met die winkel. Ik denk dat we in die kleine maand een twintigtal fietsen hebben verkocht, maar de accessoires zijn natuurlijk even belangrijk.”

Hij klinkt ineens behoorlijk rücksichtslos. Zijn hart mag dan getekend zijn door dat geheimzinnig virus, als het moet maakt hij er al even snel een steen van. Zoals toen hij zijn jarenlange band met BKCP en meer in het bijzonder met de broers Roodhooft en helemaal met zijn ene vriend Christoph opzegde. Die harteloosheid ging fel over de tongen in het milieu. De sms waarmee hij meldde dat hij zou overstappen naar Vastgoedservice verdient geen schoonheidsprijs. Hij zocht hem, maar vond hem niet meer.

“Die bewuste sms is weg, maar het antwoord van Christoph heb ik wel nog. Hij had een dag gewacht en sms’te: ‘Ik wens je veel succes en plezier. Verder weet ik niet wat zeggen. Bedankt voor de mooie momenten, de minder mooie zal ik vergeten.’ (stilte) Met minder mooi bedoelt hij de keren dat hij op mij heeft gevloekt, dat hij dacht dat ik geen zin had.

“De aanbieding van Vastgoedservice kwam eind augustus. Een week heb ik haast niet geslapen. Ik wist niet wat ik moest doen. Dan heb ik de knoop doorgehakt omdat het project mij aanstond en het geld was ook oké. Toen heb ik die sms naar Christoph Roodhooft verstuurd.”

“Een paar weken later begon de cross, maar we hebben nooit gepraat. Ik vermoedde ook wel dat hij boos was. Maar ineens sprak hij mij begin december aan in Hamme-Zogge. Hij had mijn fiets van het WK van Koksijde nog staan en die hoorde eerder bij mij, vond hij. Of ik die wilde hebben voor mijn winkel als die openging. Ik heb niet veel teruggezegd, ik was geschrokken. We hebben elkaar eens aangekeken en kort daarna ben ik naar Morkhoven gereden – bijna blindelings, jawel – en ben die fiets gaan halen.

“Het deed raar om daar terug te zijn. Ik ben er een uur gebleven en we hebben de dingen uitgepraat. Min of meer toch. Daar was ik blij om. Ik zit goed waar ik nu zit, maar bij BKCP was het natuurlijk ook top. Ik ben vooral weggegaan omdat ik voor mijzelf geen taak zag bij die ploeg. Of ik had de job van Christoph moeten doen en wat had hij dan moeten doen? Heeft hij diep gezeten? Dat heb ik nooit geweten. Het moet hem geraakt hebben, want ineens vroeg hij: ‘Niels jong, was het hier dan zo slecht?’ Wat ik heb geantwoord? (haalt de schouders op) Neen het was hier niet slecht. Maar ja, het is nu zo.”

Albert

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s