Interview Olivier Deschacht in De Morgen van zaterdag 23 januari 2021

‘Ik ben al drie jaar mijn glas aan het leegdrinken’

Hij wordt straks 40, maar hij hoeft geen standbeeld. Olivier Deschacht – acht lands-titels en met wat geluk straks 700 matchen in eerste klasse – doe je al plezier met een beetje respect. ‘In mijn gezicht zeggen waar het op staat, meer vraag ik niet.’

Afscheidstournee meets afscheidstournee, zo voelt het aan. De kans dat ik ooit een vierde bezoek aan huize Deschacht zal brengen, is onbestaande. Allebei lopen we op onze nog immer sterke – of beelden we ons dat in? – maar wel laatste benen. Hij als voetballer in eerste klasse en interviewee, ik als interviewer.

In maart 2009 hadden we onze eerste babbel, met de handrem op want, zo vroeg hij zich hardop af, waarom zou een ‘intellectuelenkrant’ in godsnaam in hem geïnteresseerd zijn? De kop luidde: ‘Privé ben ik supergelukkig, sportief zo niet. ‘Bijna twaalf jaar later is dat andersom, maar daarover later meer.

Het tweede interview vond plaats op zijn tennisclub, in een zomerzon. Hij had in 2014 zeven titels en 468 wedstrijden in het eerste van Anderlecht op zijn naam staan. Het record van Paul Van Himst (566 wedstrijden) zou er in november 2016 aan geloven. Over die trouw aan één club, daar ging het toen vooral over. De kop dat weekend: ‘Mijn grootste talent is mijn olifantenvel.’

Geen enkele voetballer die zo vaak ter discussie heeft gestaan als Olivier Deschacht heeft zulke goede resultaten bij elkaar gespeeld. Geen enkele speler die zoveel tegenslagen en tegenstand heeft moeten overwinnen, is zo vaak op het hoogste niveau teruggekeerd. Geen enkele verdediger die tussen zijn twintigste en dertigste amper drie doelpunten maakte, scoorde vaker tussen zijn dertigste en veertigste. Twaalf keer in zijn geval, en dan nog als centrale verdediger.

De aversie die Deschacht vroeger al eens te beurt viel, heeft voor algemene bewondering plaatsgemaakt. Journalisten die hem een gebrek aan snelheid verwijten, kunnen dan weer op een ferme terechtwijzing rekenen.

“Dat stond in een een wedstrijdverslag en dat was helemaal niet terecht”, zegt Deschacht. “Ik spreek hen erop aan, de collega’s van jou die niet beseffen dat elke verdediger die met de rug naar de achterlijn staat, altijd te traag is voor een aanvaller die in volle snelheid op hem afkomt. Sergio Ramos van Real Madrid zou ook te traag zijn geweest, en het was dan nog tegen Lukas Nmecha (aanvaller van RSC Anderlecht, red.), geen slechte hoor.”

Misschien stond je slecht gepositioneerd, atypisch Deschacht. Bedoelde de collega dat niet?

(zucht) “Normaliter is een goede positie innemen en anticiperen een beetje mijn specialiteit geworden, maar die ene keer stond ik slecht. Als je goed kijkt, zie je dat ik hem buitenspel wil zetten, maar ik aarzel en het mislukt, waardoor ik kansloos ben.

“Ik ben natuurlijk een fractie minder snel dan vroeger maar ik was altijd wel snel. En als ik eenmaal op gang ben, zijn er niet veel die mij er af lopen. Ik compenseer dat tekortje met mijn ervaring. Na al die jaren heb ik alle situaties op een voetbalveld wel eens meegemaakt.

“Alhoewel, weet je nog, een paar weken geleden, toen ik alleen voor de doelman kwam? Dat was nieuw voor mij en ik wist niet goed wat ik moest doen. Ik kreeg de bal en moest hem maar intikken, maar ik trapte hem over. Zo jammer.”

Is dit nu je laatste seizoen, of niet?

“Normaal gezien wel. Ik weet niet wanneer ik dat besluit neem. Misschien wel op de laatste speeldag. Ik weet niet wanneer ik objectief kan beoordelen of er nog een jaar bij kan. Het is nu winter en uiteraard heb ik met dit weer iets meer last van mijn oude kwaaltjes, zoals dat kraakbeenletsel aan mijn enkel. Ik was daardoor ooit een jaar uitgeschakeld.

“Vorig jaar vloog mijn schouder uit de kom en die hebben ze uiteindelijk geopereerd. Met dank aan de coronastop, want anders had ik dat misschien niet laten doen. Na de revalidatie ben ik er weer ingevlogen: drie uur per dag trainen. Dat heeft mij goed gedaan: een mooie, lange opbouw naar het tweede seizoen bij Zulte Waregem.”

Toen je de deur opendeed, zei je nog: ‘Ik ben versleten.’

“Tijdens de training voel ik mij goed. Vooraf, om in gang te raken, en daarna is het wat minder. Als jij hier nu niet was, lag ik daar op de zetel met de benen omhoog. Ik doe alles mee. Soms zegt de fysiektrainer: ‘Oli, doe maar rustig aan’, zoals bij een intensieve sprintoefening aan het eind van een training. Ik antwoord dan: ‘Morgen speel ik tegen gasten van 21, ik moet trainen als iemand van 21.’ Dat geloof ik ook: ik mag niet minder doen, ik moet meer doen, maar wel op een verstandige manier.

“Voor mij is het goed dat het voetbal zo is veranderd. Ontbijt op de club, lunch op de club, vooraf opwarmen voor de eigenlijke opwarming, dat is iets van de laatste jaren. Mbark Boussoufa die bij Anderlecht om vijf voor tien in de kleedkamer binnenkwam voor een training die om tien uur begon, dat was de normaalste gang van zaken.

“Op Anderlecht waren er nog jongens op doel aan het afwerken, als de eersten al in hun auto wegreden. Deze ochtend was ik om half negen op mijn werk, voor het verplichte ontbijt, dan de training, douchen, lunchen en daarna heb ik met Sammy Bossut, Laurens De Bock en Jelle Vossen tot twee uur nog wat gekaart.”

Een mauve janet aan tafel met twee boeren van Brugge, dat lukt?

“Probleemloos. Ooit hebben we elkaar het slechtste toegewenst, nu zijn we goede vrienden. Erger nog, Jelle, Laurens en ik spreken ervan om samen op reis te gaan. Yves Vanderhaeghe (coach van KV Kortrijk, red.), Yveske, moet mee, want we hebben een vierde man nodig om te manillen. Het klikt. Ik amuseer mij. Op mijn oude dag kan ik niet beter zitten, op maximaal 25 minuten van mijn huis.”

Jij hebt altijd heel graag gevoetbald en je bent nog eersteklassewaardig. Waarom zou je dan niet nog een jaar doorgaan?

“Het is dubbel. Dit is het afscheid waarvan ik heb gedroomd. In de maand december is alles gelukt. Antwerp 0-1, preassist van mij. Cercle 1-0, assist van mij. Eupen 3-2, winning goal. Dat heb ik nooit eerder meegemaakt. Ik geniet van mijn niveau. Als ik in april zou zeggen dat het voorbij is, dan ben ik bevredigd.

“Jij zegt dat ik het glas helemaal moet uitdrinken? Ik ben al drie jaar mijn glas aan het leegdrinken. Zestien jaar in eerste klasse met Anderlecht, acht titels, dat was een mooi moment geweest om te stoppen. Waren Marc Coucke en Hein Vanhaezebrouck toen bij mij gekomen en hadden ze gezegd ‘Kijk Oli, het is gedaan, we gaan stoppen’, dan had ik daar op dat moment vrede mee gehad.”

Vanhaezebrouck heeft je eerst gevraagd te blijven, maar dan vloog je ineens naar de B-kern. Het was je roemloze einde bij Anderlecht. Wat is er gebeurd?

“De wonde is genezen, maar het litteken is gebleven. Ik was zogezegd te negatief en ik zou stiekem met de pers praten. Maar nadat ik naar de B-kern was teruggewezen, werd er nog meer gelekt, dus ik was het niet geweest die dingen aan de pers doorbriefte. Vanhaezebrouck had mij op de bank gezet en op de bank ben ik geen vrolijke mens, al helemaal niet als dat zonder een woordje uitleg gebeurt en ik dat op het bord in de kleedkamer moet lezen.

“Ik vond dat ik in zijn driemansverdediging op links oké speelde. Kijk, de trainer Hein Vanhaezebrouck is een topper. Wat hij met Gent heeft gepresteerd, chapeau. Maar als mens heeft hij mij ontgoocheld. Niet eerlijk en rechtuit in mijn gezicht durven te zeggen waar het op staat, daar knap ik op af. Ik hoop dat hij nog eens een topclub kan trainen, ik ken geen enkele trainer die een pressing kan uittekenen zoals hij. Maar – en ik hoop echt dat hij dit leest – zijn omgang met spelers is zijn werkpuntje.

“Of het nu de kwaliteit van het gras is, of waarom het ene gras groener dan het andere is, hij heeft overal altijd een uitleg klaar. Tijdens de lunch op Anderlecht stond er eens een tenniswedstrijd op en hij analyseerde meteen waarom die ene speler niet zou winnen: zijn eerste opslagpercentage was te laag. Toppunt was: die speler verloor ook. Je kunt met Vanhaezebrouck niet discussiëren. Hij weet alles en hij heeft ook vaak gelijk, maar hij moet leren dat er ook andere mensen zijn die iets weten.

“Ik heb geen moeite met hem. Als ik hem tegenkom, doet hij alsof er niks is gebeurd: ‘Alles oké, Oli?’ Ik antwoord dan ‘Ja, alles oké, Hein.’ Van een trainer verwacht ik dat hij tactisch weet waar het over gaat, dat hij goede trainingen geeft, maar even goed dat hij als coach mens is. Af en toe eens informeren bij een speler, ook bij wie het wat minder gaat, of bij een bankzitter. Als Hein dat nu eens zou leren, dat zou al heel wat zijn.”

Na zo’n oplawaai zou je denken: Deschacht is op het voetbal uitgekeken, maar jij ging naar Lokeren en belandde van de regen in de drup.

“Uit frustratie heb ik nog voor een jaar bij Lokeren getekend. Dat leek oké. Peter Maes wilde mij er graag bij, maar wat een dramatisch seizoen: vier trainers, de voorzitter die zijn club wilde verkopen, drie technisch directeurs, mislukte transfers, alle ellende kwam samen.

“Ik heb dat overleefd ja, met dank aan vrienden die ik daar heb gemaakt: Kylian Overmeire, Steve De Ridder en Davino Verhulst. Je trekt je aan elkaar op en we amuseerden ons. We degradeerden omdat we niet genoeg kwaliteit brachten, niemand bracht eigenlijk genoeg. Als ik Steve De Ridder nu bij STVV bezig zie… Dat heb ik bij ons in Lokeren toen niet gezien.

“Ik dacht: dit kan niet mijn afscheid van het voetbal zijn. Toen belde out of the blue Zulte Wargem-coach Francky Dury. ‘Kom je eens af? We willen je er graag bij.’ Ik moest een week op proef komen meetrainen, maar na twee dagen wilden ze al dat ik tekende. Ik was in vorm, hoewel ik vier maanden niet had gevoetbald. Het voelde meteen goed.

“In de eerste oefenwedstrijd viel ik in en ik kreeg meteen applaus. Ik heb blind getekend, ik denk dat ik amper heb gekeken naar wat ze mij zouden betalen. En kijk, na vorig seizoen ben ik door de supporters tot speler van het jaar uitgeroepen.”

Wat is de rol van Dury in je heropstanding?

“De trainer is uitermate belangrijk. Hij moet je vertrouwen geven en blijven geven. Vergeet niet, ik heb ook slechte wedstrijden gespeeld. Ik lees bijna geen kranten meer, maar ik hoor wel hoe hij telkens respectvol over mij spreekt. Ik vraag niet veel. Gewoon elke dag een woordje, geïnteresseerd zijn: ‘Alles oké, Oli? Hoe voel je je?’ Dat helpt. En zeggen waar het op staat, in mijn gezicht, meer vraag ik niet.

“Van al mijn trainers staat Frank Vercauteren (nu coach van Antwerp, red.) op één, omdat hij mij heeft opgeleid en op de linksback heeft gezet. Op twee staat Francky Dury en dan komt John van den Brom (nu bij Racing Genk, red.), puur omwille van het menselijke aspect.

“Ik zal je een voorbeeld geven. Hoewel dat niet mocht, speelde ik af en toe nog wel een tennistoernooitje. Ook wanneer ik geacht werd te rusten. Op een dag – Anderlecht had een oefenwedstrijd in Athene en ik hoefde niet mee – kreeg Van den Brom te horen dat ik zo’n toernooitje was gaan spelen. Hij stuurt dan een berichtje dat zoiets niet de bedoeling was, meer niet.”

In 2014, ons laatste interview, wist je het niet precies. Weet je nu wel hoeveel matchen je in het eerste elftal hebt gespeeld?

“Meer dan 600 bij Anderlecht, dat weet ik. 604? (Wikipedia zegt 609, red.) Ik kijk daar niet naar en ik loop er ook niet mee te koop. Wat dat betreft zit ik bij een slechte club. Bij ons in de staf loopt Timmy Simons rond. Heeft die geen boek uitgebracht met zijn duizend wedstrijden? Heb ik één titel meer dan Timmy? Ik acht en hij zeven? Aha, kijk eens aan.

“En ik ben ook Merida-speler van de maand geworden (de verkiezing van beste speler van Zulte Waregem draagt de naam van een sponsor, red.). Ik heb hem daar gisteren nog op gewezen: ‘Timmy, je hebt de Gouden Schoen gewonnen, WK en EK’s gespeeld, je bent in het buitenland kampioen geworden, maar Merida-speler van de maand, dat ben je nooit geweest!'”

Ben jij niet een beetje te bescheiden? Je hebt meer talent dan je wilt laten uitschijnen.

“Ja goed, maar ik ben toch geen Ronaldo en mijn motor is niet van de grootste. Ik moet echt werken om mijn niveau te halen, dus zoveel intrinsiek talent heb ik ook niet. Ik kan wel voetballen, maar ik schreeuw dat niet van de daken. Als ik niet zou kunnen voetballen, dan draai ik zoals tegen Cercle als linksvoetige niet naar mijn verkeerde rechterbeen en dan raakt die voorzet met rechts niet tot bij onze aanvaller die scoort.

“Ik heb mij altijd met Belgische spelers op mijn positie vergeleken, en dan weet ik dat ik geen Thomas Vermaelen of Jan Vertonghen ben die bij Ajax en Arsenal hebben gespeeld. Anderlecht was mijn plafond. Ik kon naar ploegen die onderaan in de Premier League stonden, maar wat heb je daaraan? Jelle Van Damme heb ik ook nog gewaarschuwd toen hij naar Wolverhampton trok. Een half jaar later was hij terug, bij Standard.”

Zie je nog collega’s van bij Anderlecht?

“Het is nu met die corona wat moeilijker, maar we hadden met Tomas Radzinski, Bart Goor en Yves Vanderhaeghe een groepje van vier dat wekelijks padel speelde. Vincent Kompany zie ik als we tegen elkaar spelen. Een knuffel kan nog steeds. Ik heb altijd gezegd dat hij een goede trainer zou worden, maar ook dat de combinatie met spelen onmogelijk was.

“Samen met Kompany ben ik in 2002 in het eerste van Anderlecht gekomen. Hij was 16 en ik 21. Toptalent, Vincent, en nu is hij een toptrainer aan het worden. Ik ben aangenaam verrast hoe hij nieuwe jongens steeds weer kansen geeft. Hij is met Anderlecht op de goede weg.”

Anderlecht komt meer met wanbeheer in de media dan met goed voetbal.

“Geloof mij, ik weet niet wat daar allemaal aan de hand is. Ik ken alleen nog Frank Boeckx (keeperstrainer, red.) en ook die weet niet wat daar boven zijn hoofd gebeurt. Dat ik grote ogen trek als er weer iets in de krant verschijnt, dat wel. Allee, nu alweer Karel Van Eetvelt die vertrekt, wat is dat daar toch allemaal?”

Loopt dat proces tegen je gokveroordeling nog?

“Neen, dat cassatieberoep heb ik niet doorgezet, Ik heb die boete betaald: 25.000 euro. Dat is een periode die ik zo snel mogelijk wil vergeten. Het was belachelijk. De Kansspelcommissie heeft mij daar als een voorbeeld gebruikt. Daar hebben andere belangen gespeeld. De liaison-officier van de gerechtelijke politie bij de Kansspelcommissie die heel mijn dossier heeft onderzocht en die mij bezwoer: ‘Het is iets van niks, maar ik moet het toch onderzoeken’, die man heeft mij gebruikt.

“Wat later is hij zelf ontslagen omdat hij van gokbedrijven voordelen zou hebben aanvaard. Jammer dat de media vol zijn meegegaan in de veronderstelling dat ik aan matchfixing zou doen.”

Je hebt altijd een duale relatie met de media gehad.

“De laatste tijd overdrijven ze een beetje in de andere richting. Als er iets positiefs gebeurt, gaan ze daar zo op door dat ik denk: neen, dat hoeft ook niet. Ze zijn hun schade aan het inhalen, wellicht omdat ze denken: die kunnen we later nog gebruiken. Het is wat het is: bekende kop, een mening.

“Er is een tijd geweest dat ik elke dag alle kranten ontleedde en alles wist wat ze over mij hadden geschreven. (lacht) Die reacties op de websites van de kranten, hoe ze mij met de grond gelijk maakten, die las ik ook allemaal. Later kwamen daar nog eens de sociale media bij. Dat heb ik afgeleerd. Ik zit op de sociale media, maar ik lees geen reacties meer.”

Die vrouw die ik daarnet bij het binnenkomen even zag, is dat je nieuwe vriendin?

(lacht) “Dat is mijn moeder. Ik zal het haar zeggen, ze zal het als een compliment opnemen. Ze komt mij helpen met de kinderen als die straks van school komen. Ik woon hier alleen. Ik heb geen behoefte aan een nieuwe relatie. Annelien en ik zijn nu twee jaar uit elkaar.

(diepe zucht) “Ik was helemaal van slag van wat er in Anderlecht was gebeurd en hoe ik daar ben moeten vertrekken. Ik ben gaan uitgaan, alleen op reis, festivalletje hier, festivalletje daar. En dan gebeuren dingen die niet moeten gebeuren.”

Vrouwen?

“Geen commentaar. Was het anders gegaan in Anderlecht, dan waren Annelien en ik nu nog samen. Honderd procent zeker. Hier in deze kamer kreeg ik het telefoontje van Marc Coucke dat het voor mij bij Anderlecht voorbij was, na twintig jaar. Samen met Annelien heb ik hier staan bleiten.

“En nu…? We komen overeen, we hebben tenslotte samen twee kinderen van 5 en 9 en dat zijn spannende leeftijden. Maar ik heb wel spijt van hoe het is gelopen.”page3image53674816