Column Fenomenologie in De Morgen van zaterdag 11 april 2026

Fenomenologie

Toen ik met dit vak begon, was het niet de gewoonte dat trainers persconferenties gaven. Het was zelfs niet de gewoonte dat trainers interviews gaven. Daar had je de spelers voor, de werkmensen van het voetbal.

Die schoot je aan na een training waar je onaangekondigd naartoe ging en, afhankelijk van het weer, vroeg of laat aankwam. Je kende de weg naar het spelershome, vaak niet meer dan wat oude zitbanken, frigo, tv en een biljartafel – een tapbiljart, later werd dat een snookertafel. Daar ging je wachten op de speler die je graag te woord stond.

Trainers kwamen weleens langs om een gemeenplaatsje te verkopen. Zoals: ‘niet op alles antwoorden’ of ‘geloof niet alles wat hij zegt’. Trainers, daar was vanuit het lezerspubliek niet zoveel vraag naar. Voetballers, die wilden ze lezen.

De eerste trainer die ik tot enkele woorden kon verleiden, moet Ernst Happel zijn geweest. Hij een zestiger, ik een prille twintiger, groen achter de oren. Hij antwoordde, maar wat en of het ergens op sloeg, dat weet ik niet meer.

De tweede was Paul Van Himst bij RWDM, meer technisch directeur of manager naar Engels model dan trainer. In herinner mij nog dat ene memorabele moment, hangend op de balustrade kijkend naar een trainingspartijtje, geleid door zijn veldtrainer. Die heette Hugo Broos.

Het was april en het zonnetje scheen. De altijd minzame Van Himst leek moe, ongeïnteresseerd. Of hij in dit lentezonnetje niet liever op de fiets zou zitten met de Merckx-vrienden, vroeg ik. Plots liep Van Himst leeg: dat hij het zo niet meer zag zitten, dat het zijn keel uithing, ‘de foebal’. Hij zei: “Schrijf het maar op gelijk dat ik het heb gezegd.” Enkele weken later was hij weg.

Mijn professionele interesse voor trainers overstijgt die voor spelers. Die laatste beroepsgroep is er, op enkele uitzonderingen na, gemiddeld niet slimmer op geworden. In tegenstelling tot pakweg de wielrenners. Die kon je in de tijd van Roger en Eddy en lange tijd daarna tot weinig meer verleiden dan euh…, ahbaja…, ken goe gerejen. Vandaag is het een feest om met wielrenners te praten.

Voetbaltrainers daarentegen zijn geëvolueerd van kegeltjeszetters en gelegenheidsfluiteniers bij wedstrijdjes tot voetbalfilosofen, halve goeroes en waarzeggers. Ik wens de collega’s die nog met hun beide voeten in het werkveld staan veel succes als ze volgend jaar in SK Beveren de hoofdtrainer gaan interviewen.

Die heet Marink Reedijk, een Nederlander. Hij was trainer bij onder meer de jeugd van Ajax en West Brom, zat in de trainersstaf in Arnhem en Roeselare, maar in België is hij bekend van zijn werk met de futures van Anderlecht, dat zijn de U23. En nu komt het: de in het trainersvak gepokt en gemazelde Reedijk is 34. Hij was al bondscoach van de U10 in Nederland toen hij zelf 18 was

Niet alleen dat: Reedijk is doctor of philosophy – I kid you not – en schreef zijn doctoraat over coaching. De titel: Teach me how to dance with you – A phenomenological exploration to improve my own (football) coaching. Fenomenologie is een filosofische stroming en onderzoeksmethode, gesticht door Edmund Husserl, die zich richt op de studie van de directe, geleefde ervaring van verschijnselen. Het doel is de werkelijkheid te begrijpen zoals die zich aan ons bewustzijn voordoet, zonder vooroordelen, theorieën of oordelen, vaak samengevat als “terug naar de dingen zelf”.

De thesis is te downloaden, maar of dat zo’n goed idee is, laten we dat in het midden houden. In zijn abstract wordt het al erg… abstract.

“Geleid door Heideggers perspectief was het doel om mijn eigen coaching fenomenologisch te verkennen; om te onderzoeken waar ‘coaching’ werkelijk om draait. Het werk wordt uitgevoerd via een eerstepersoons fenomenologische benadering (Van Manen, 1990), waarbij mijn fenomenologische bewustwording met betrekking tot mijn coachingspraktijk wordt gevolgd en gedeconstrueerd. De ‘bevindingen’ worden vervolgens gepresenteerd in vignetten die tot stand zijn gekomen via het proces van creatieve (non-)fictie. Elk vignette richt zich op de geformuleerde projectdoelstellingen, vervat in de onderzoeksvragen: ‘Hoe kan ik onderscheiden wat ik zie?’ ‘Wat zijn de voorafnames die aan mijn praktijk ten grondslag liggen?’ en ‘Wat zijn de verbanden tussen wat ik zie en wat ik doe?'”

Zoals gezegd, succes gewenst aan de collega’s in de media, aan de spelers in geel-blauw, maar ook aan Marink Reedijk Phd. himself. Als hij volgend seizoen vier keer op rij verliest, ligt ook hij buiten. Voetbaltrainer zijn is simpel: je moet af en toe winnen.