Column La Belgique de papa in De Morgen van maandag 13 september 2021

La Belgique de papa

Vorige week stond hier over de verkiezing van de nieuwe voorzitter van het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité: “Als de meest competente kandidaat tot de juiste taalrol behoort, de beste papieren heeft én een ambitieus programma, en ze is ook nog eens een vrouw, waarom is het dan lang niet zeker dat die wordt gekozen? Antwoord: omdat zwakke mannen altijd kiezen voor andere zwakke mannen en nooit voor verandering.”

Helemaal juist voorspeld, en helaas stemden zwakke vrouwen ook voor zwakke mannen. Heidi Rakels kreeg maar 33 procent van de stemmen. Dat is beschamend en moet tot denken aanzetten bij het BOIC maar meer nog bij de Vlaamse sport en de vrouwen. Rakels had twee nadelen: ze had haar kandidatuur relatief laat aangekondigd, maar haar grootste manco was dat ze niet tot de cenakels van het bondenlandschap behoorde. Jean-Michel Saive zat al een eeuwigheid in dat BOIC en hoewel dat met deze instelling evengoed een bewijs van onbenulligheid kan zijn, ziet men dat in het (nationaal) bondenlandschap omgekeerd.

Verder had Rakels alleen maar voordelen. Neem nu de taalrol. Als een nationale instelling in een door Vlaanderen gedomineerd domein in haar 115-jarig bestaan welgeteld vier jaar is geleid door een Vlaming is daar niks fanatiek Vlaamsgezind aan om die Vlaamse kandidaat automatisch te verkiezen boven de Franstalige. Al was het maar uit respect voor de taalrol die het meeste geld opbrengt voor de topsport en veruit de meeste medailles haalt.

Op voorwaarde uiteraard dat de competenties van de Vlaamse kandidaat minstens evenwaardig zijn aan die van de Franstalige. Inzake intelligentie, competentie en bewezen verwezenlijkingen: zelfs als de apparatsjik Saive naar boven kijkt en een bril opzet, ziet hij niet eens de hielen van durfondernemer Rakels. Komt daar nog bij dat Rakels de eerste olympische medaillewinnaar had kunnen zijn in het hoofdbestuur van het BOIC en bovendien een vrouw is.

Neen, Saive is geen domoor, wel een ex-topper en een sympathieke gast. En slim. Na zijn verkiezing zei hij dat alles prima loopt en het steeds beter gaat met de olympische sport en dat niks moet veranderen. Dat is wat het kiespubliek van de nationale bonden wilde horen en waarvoor ze hebben gestemd: meer van hetzelfde. De sportieve realiteit is deze: 40 procent van de Belgische bevolking levert 20 procent van de medailles, maar eist de helft van de macht op.

De financiële realiteit? Het BOIC hangt aan het infuus van de gemeenschappen en van de Nationale Loterij en verteert meer aan werkingskosten dan het zelf opbrengt met sponsoring. De enige toegevoegde waarde van het BOIC zit hem in de logistiek rond de Olympische Spelen. Rakels niet verkiezen is een gemiste kans, maar dan toch vooral voor de Vlaamse sport die zich niet genoeg heeft geprofileerd en dwingend opgesteld in de nationale sportstructuren. Sport Vlaanderen had ook meer kunnen doen. De minister van Sport had meer kunnen doen. En de vrouwenbeweging Change. De Taskforce Women & Sports van het BOIC bestond het zelfs om niet voor Rakels te stemmen. Per saldo levert het BOIC zelfs een vrouwelijke bestuurder in. In 2021.

Er zit ook een voordeel aan de niet-verkiezing van Rakels. Voor de Vlaamse sport is het beeld nu scherp: la Belgique de papa bestaat nog steeds en is nergens meer uitgesproken dan aan de Boechoutlaan in Laken. Dat maakt meteen duidelijk dat het BOIC tel qu’il est niet kan blijven bestaan.

In het verlengde moet ook het Belgisch bondenlandschap op de schop. Het evenwicht tussen de taalgemeenschappen in de nationale sportbonden, die vaak niet meer zijn dan lege dozen bemand (zelden bevrouwd) door lege hoofden, is een aanfluiting van de sportieve realiteit. Eind de jaren zeventig werd een aanzet gegeven met de splitsing van de sportbonden en dat trok zich door in de jaren tachtig. Het is tijd voor een tweede rondje politiek realiteitsbesef.

Wat daarbij kan helpen om het BOIC wakker te schudden is een herziening van de Vlaamse geldstromen, te beginnen met het jongerenproject Be Gold. Ook voor de verdeling van de gelden van de Nationale Loterij naar het BOIC is een Vlaams fiat nodig, ja toch? Dat zou on hold kunnen worden gezet. Tegelijk kan Team Vlaanderen zelf beginnen met sponsorwerving. Leg het BOIC financieel droog en des te sneller zal het vervellen tot een administratief vehikel voor de olympische vertegenwoordiging. Een Belgische Olympische Associatie in navolging van de British Olympic Association, dat moet het einddoel zijn. De voorzitter van de BOA is al bijna veertig jaar prinses Anne en niemand die dat weet. Laten wij prins Laurent nemen.

Verhaal over het sportjaar van de traan en de emo in De Morgen van zaterdag 11 sep 2021

‘Niet elke huilende sporter heeft een psycholoog nodig’

Van Naomi Osaka tot Wout van Aert: topsporters zijn vaker open over hun emoties en hoe die hun prestaties beïnvloeden. Een keerpunt? ‘De Mental Games, dat klinkt mooi, maar dat is een uitvinding van de media’, zegt psycholoog Paul Wylleman.

Voorafgaand aan de Spelen bracht ondergetekende al een bezoek aan Paul Wylleman. De VUB-professor is een autoriteit inzake sportpyschologie en sinds 2009 prestatiemanager prestatiegedrag – zeg maar hoofd sportpsychologie – van TeamNL. TeamNL is dan weer het Nederlands Olympisch team, dat zevende werd in Tokio en met 36 medailles het best presterende EU-land was, een pluim die het de voorbije Winterspelen ook al op de hoed kon steken.

Het bezoek diende als verkennend gesprek over presteren in een coronajaar, in een setting zonder publiek, met tests en beperkingen en vooral over hoe die vermaledijde trip richting Tokio te verteren, waar elke buitenlander scheef zou worden bekeken als potentiële virusbom. Wylleman had één goede raad: “Je weet wat er komt, verzet je niet, ga mee in wat ze vragen, probeer het bewust te beleven, verspil geen energie aan boosheid.”

Bedankt voor de gouden raad. Ik heb maar één keer een Japanse gezondheidsbeambte willen wurgen, dat was bij aankomst. Na een dag was dat over.

“Mooi dat je dat zegt. Mijn insteek was: verwacht veel regels en nul flexibiliteit en probeer zelf binnen de vrijheidsgraden te zien hoever je kunt gaan. Soms wás het ook tergend: hoewel er geen publiek was in een stadion van 50.000 toeschouwers werden we toch beperkt tot een klein hoekje. Ik had dan nog het voordeel dat ik met mijn accreditering makkelijker toegang kon krijgen tot bepaalde zones.

“Je kon dat systeem op den duur wel oprekken. Elke dag een speekseltest afleveren, dat lijkt erg, maar zodra je wist wat de procedure was, kon je zelf bepalen wanneer je je proefbuisje met speeksel vulde en kon inleveren. Dat voelde toch als een beetje vrijer omgaan met de regels.”

Voor ons media was de afwezigheid van publiek, vooral dan logistiek, een enorm voordeel. Hoe voelde de atleet dat aan?

“Die had meestal al meer dan een jaar ervaring met competities zonder publiek. De beleving zal anders zijn geweest, maar dat mag je ook niet overdrijven. Atleten bereiden zich voluit voor op hun prestatie en hebben ook leren omgaan met factoren die hierbij storend zouden kunnen zijn. En in Tokio was dat de afwezigheid van publiek. Trouwens, buiten Tokio was er vaak wel publiek. Denk maar aan het baanwielrennen in de Izu-velodroom, poulewedstrijden in het voetbal en de marathon in Sapporo. Na de wedstrijd wordt succes of deceptie vaak in een heel kleine kring verwerkt, in Tokio was dat weliswaar zonder partners of ouders. Deze generatie atleten is dan weer heel erg bedreven in het contact houden met hun achterban via sociale media of computer.

“Wat het resultaat betreft, lijkt het mij niet dat deze Spelen zonder publiek spectaculair andere resultaten hadden opgeleverd. Japan had geen thuispubliek maar scoorde sterk, geografische concurrenten China en Australië ook, de VS winnen uiteindelijk de medaillestand, en wij deden het ook goed, zoals was voorspeld.”

Nederland had heel veel medailles maar ook het hoogste aantal covidpositieven met quarantaine tot gevolg. Hoe ging u daar als teampsycholoog mee om?

“Dat waren haast allemaal sporters die op één KLM-vlucht zaten. Lag het aan die vlucht, of zijn ze besmet op de luchthaven Narita in die uren durende procedures? Dat weten we nog steeds niet. We hebben er zeven gehad. Het begon met onze skateboardster Candy Jacobs, die positief had getest.

“Dat is heel ingrijpend: die vrouw verwacht te kunnen presteren, maar ineens stort haar realiteit in elkaar. Die procedures waren ook heavy: je krijgt plots de boodschap dat je positief bent, vervolgens word je weggeplukt voor een opname in de ‘fever clinic’ in het olympisch dorp, waar je opgevangen wordt door iemand in zo’n volledig wit intensive-carepak. Wie daar voor een derde keer positief testte, werd dan in quarantaine in een klein hotelkamertje geplaatst.

“Het enige verschil met een gevangenis leek het perspectief om binnen zes of zeven dagen een tweede test te krijgen en vrij te kunnen komen. Voorts zaten ze inderdaad de hele dag opgesloten, het raam kon niet open en met een luidspreker in hun kamer werd hen gemeld wanneer ze naar beneden konden komen om hun doosje met eten op te halen. Dat komt neer op totaal controleverlies, ongeveer het ergste wat je iemand kunt aandoen.

“Ik had aanvankelijk alleen contact met hen via Whatsapp. Bij sommigen ging dat vlot, anderen waren totaal van de kaart en niet aanspreekbaar. Een dag later kon ik dan toch spreken en mijn feedback geven. Ik had vier punten: probeer een dagstructuur aan te houden, laat alle emotie komen – vloeken, lachen, wenen – niemand ziet je en dan is het eruit, hou een klein sociaal netwerk aan, en ten slotte, probeer fysieke activiteit in te bouwen. Een van onze jonge roeiers is erin geslaagd om in de gang, waar hij niet mocht komen, toch tien kilometer te lopen. Candy Jacobs postte dan weer filmpjes over de situatie waarin ze was verzeild geraakt en de tricks die ze toch nog in haar kamer deed.”

Op een gegeven ogenblik had ze het wel gehad.

“Ze wilde niet meer naar haar kamer en bleef ostentatief in de ruimte zitten waar ze haar eten moest gaan ophalen. Dat was een behoorlijk crisismoment. Die Japanners wisten niet hoe daarmee om te gaan, maar hun verpleegkundigen waren begripvol. Die hadden al door dat hun aanpak bij westerse atleten niet werkte.

“Candy wilde frisse lucht. Ik begreep het ook volkomen: een skateboardster – één brok vrijheid en energie – zo opsluiten, dat werkt niet. Via ons Olympisch Comité ging het naar het Internationaal Olympisch Comité en zo naar de lokale organisatoren die het ministerie van Volksgezondheid contacteerden. Alleen was de quarantaine de bevoegdheid van nog een andere instelling. Na 3,5 uur was er een vergelijk. Ik mocht met de atleten in een grote kamer – kamer 418, ik vergeet het nooit – en in die kamer kon een raam open.

“Ik moest ook zo’n intensive-carepak aan, en zo heb ik onze atleten mogen zien. De eerste dag had ik wat vers fruit mee, en een andere dag konden ze McDonald’s bestellen. Ik ben daar drie keer gaan zitten in dat pak, gewoon om dat raam te mogen openen. Candy ging meteen in het raamkozijn zitten – “frisse lucht, eindelijk” – maar dat mocht dan ook weer niet. (lacht)

“Sommigen konden na zes of zeven dagen al vertrekken, anderen na tien dagen. Maar vertrekken, dat was afgevoerd worden naar de luchthaven, vliegtuig op en terug naar Nederland, waar we voor nazorg hadden gezorgd. Slechts één persoon heeft iets langere zorg nodig gehad.”

Heel veel mensen hebben de indruk dat deze zomer op de sportpodia meer emotie is getoond dan ooit tevoren.

“Zonder iedereen over dezelfde kam te scheren, lijkt het er toch sterk op dat dit een generatie atleten is die zich wil uiten naar de buitenwereld en daarbij de emoties makkelijker dan vroeger de vrije loop laat. In combinatie met het bestaan van de sociale media, maakt dat sommigen hun hart wel heel makkelijk openen. Vervolgens pikken de traditionele media dat op, en voor je het weet heeft je hele privé geen geheimen meer.”

Naomi Osaka zit op Netflix met haar leven en staat op de cover van de swimsuit edition van Sports Illustrated. Maar zijn wij van de media de onmensen als we haar een vraag willen stellen over haar backhand die wat minder was?

“Natuurlijk niet. Ze stopt nu tijdelijk met tennis en dat is haar goed recht. Weet je wie ik nog niet heb gehoord in deze? Haar coach. Wim Fissette is toch een Belg? Hier speelt veel meer dan gewoon even geen zin in tennis.”

Uit een verhaal in Time zou blijken dat ze last heeft van het oplichterssyndroom. ‘Ben ik wel zo goed als men zegt? Straks ziet iedereen dat ik niks voorstel.’

“Wat is dat zogeheten imposter’s syndrome? Het is twijfelen over dat je succesvol kunt zijn, dat het meer geluk is dan competentie en dat je niet je plaats verdient. Dat gaat ook samen met perfectionisme. Nogal wat mensen denken af en toe zo, twijfelen soms, maar of die nu allemaal aan dit syndroom leiden? Maak dat vooral niet erger dan het is. Dit is meer verkeerd taalgebruik.”

Is ‘de Mentale Spelen’ ook een overdrijving?

“Dat denk ik wel. The Mental Games, dat klinkt mooi natuurlijk, maar dat is een uitvinding van de media. Het waren de Olympische Spelen waarin plots alles van het mentale in het taalgebruik ingang heeft gevonden. Deels omdat er meer aandacht voor is in de maatschappij, deels door de speciale omstandigheden in een verre cultuur. Ik kreeg tijdens de Spelen telefoon van USA Today die mij wilden horen over die mentale kwesties. De journalist begon ook over Tom Dumoulin (renner van Jumbo-Visma die tijdelijk een burn- out had, HV). Ik heb hem moeten ontgoochelen want ik praat niet over individuele cases, en ik hem hem ook gezegd dat ik dit geen Spelen vond met uitingen van trauma’s of wat dan ook. Er was wel wat emotie, maar er was vooral meer aandacht voor die emotie.”

Atleten gaan daar graag in mee, met name op sociale media, en daar hebben ze volgens mij de doos van Pandora geopend.

“De vraag is nu of wij, die van een andere generatie zijn, die sport anders beleven dan de huidige generatie. Ik heb je columns herlezen en mij valt op dat je je bent gaan ergeren aan die emotie. Het klopt dat het puur sporttechnische en sportieve aspect met de jaren minder belangrijk is geworden. Alles wat rond die atleet gebeurt is ook hét verhaal.”

Ik wil niet weten via Instagram hoe het met de hond van Nafi Thiam gaat. Ik wil haar kunnen vragen hoe het met haar elleboog gaat.

“Sommige sporters hebben sociale media toegelaten, en wel zo snel dat het niet meer controleerbaar is. Die sociale media zijn voor veel atleten bijna een soort levende persoon geworden in een zeer klein netwerk: coach, partner thuis, trainingsgroep en nog wat omkadering. Die levende persoon van de sociale media bestaat alleen virtueel, maar die geeft wel feedback, reageert, keurt goed en keurt af. Voor je het weet worden de likes belangrijk, want ook de sponsors letten daarop, enzovoort…

“Het punt dat ik hier wil maken is dat we atleten al een paar jaar hebben geleerd om te gaan met de media, wat soms leidt tot nietszeggende interviews met veel gemeenplaatsen, maar dat we hen niet sterker hebben gemaakt in het gebruik van de sociale media. Hoever wil je gaan? Wat als je nog meer privé gaat delen? Je grenzen stellen en ze ook bewaken. Socialemediatraining lijkt mij op zijn plaats.”

Andere persoonlijke irritatie: het gezin van de atleet. Baby Georges, het zoontje van Wout van Aert, heeft al meer op het podium gestaan dan de meeste collega’s van zijn pa.

“Ik vind het niet slecht dat atleten aantonen dat ze er niet alleen voor staan en dat ze dankzij de familie en het gezin zo ver zijn geraakt. Maar moet je daar continu mee doorgaan? Soms lijkt het alsof ze altijd wel iemand er moeten bij betrekken die voor hen belangrijk is geweest. Waarom doen ze dat? Omdat ze het willen, omdat het oprecht is, maar uiteraard ook omdat het goed is voor hun imago.”

Wordt de nadruk op de emotionaliteit ook niet gestuurd vanuit uw vak? Er zijn nogal wat sportpsychologen – meer aanbod dan vraag, is de indruk.

“Er zijn sportpsychologen die zichzelf zien als onderdeel van het decor, die beschikbaar zijn als dat nodig is, maar geen voetlicht willen. Dat geldt voor mij. Ik heb destijds met Kevin Vanderperren (wereldtopper in het kunstschaatsen, hv) gewerkt en pas het allerlaatste kampioenschap heb ik toegezegd, op vraag van zijn choreograaf om mee in de kiss-and-cry-zone te gaan staan. Dat is die plaats naast de ijspiste waar ze wachten op hun punten en waar de camera op staat.

“En dan heb je collega’s die graag op de voorgrond staan. Als de media bellen uitspraken doen over de atleten die je zelf begeleidt, zou ik nooit doen. Alleen als de atleet en coach dat vragen of er toestemming voor geven. Of je uitspreken over atleten die je niet kent. Bijvoorbeeld over de fin de carrière van Federer, ik kan iets zeggen over fin de carrière maar niet over Federer.”

“Bij de topprestatie hoeft een sportpsycholoog in principe niet meer aanwezig te zijn. Vijfennegentig procent van ons werk moet vooraf gebeuren. Toen ik naar een competitieplaats dacht te gaan in Tokio, omdat ik ook weleens sport wilde zien, vroeg ik eerst aan de coach of het gepast was dat ik kwam kijken. Dat vonden ze altijd oké.

Die toonde wel oldskool mentale sterkte toen hij in juli in misschien zijn laatste wedstrijd werd ingemaakt met 6-0. Hij liep niet van de baan.

“Er zijn atleten die heel goed weten waar ze mee bezig zijn en die dat een plaats kunnen geven. Die hebben zoveel bereikt dat hun identiteit niet meer afhangt van die ene rampzalige verliesset.”

Hoe is de sportpsychologische begeleiding in Nederland geregeld?

“Ik ben in dienst met een contract dat NOC*NSF heeft met de VUB. Ik stuur een team aan van 37 experts, van wie de meerderheid verbonden is aan de vijf TeamNL-centra. Dat team bestaat uit topsportleefstijlcoaches, sportpsychologen, de gezondheidszorgpsychologen als eerstelijnspsychologen, klinisch psychologen en psychiaters. Die zijn volledig inzetbaar. Als teampsycholoog heb ik de Olympische Spelen van Rio en van Tokio begeleid en iemand uit mijn team was nu voor de eerste maal teampsycholoog tijdens de voorbije Paralympische Spelen. De vraag ligt nu op tafel: wat met de winterspelen van Peking in februari? We hebben nog nooit een psycholoog meegestuurd naar de Winterspelen. Moet er nu wel iemand mee? Dat zal intern besproken worden.”

De aanpak waar de Nederlanders u voor prijzen is de psycholoog op de achtergrond, als ondersteunende factor voor de coach.

“Andere landen trekken grote ogen: de nummer zeven op de medailletabel doet het met één psycholoog, hoe kan dat? Ik ben er niet van overtuigd dat meer psychologen ter plaatse beter is. Er is uiteraard ook nog het team van psychologen in Nederland dat ter beschikking staat. Het werk moet vooraf worden gedaan, op het niveau van de coach, de prestatiemanager en de medische cel. Zij staan zo dicht bij de programma’s dat ze meteen weten of het fout gaat.

“Er is bij ons af en toe ook geweend na een prestatie, maar moet daar een psycholoog naast gezet worden? Niet elke emotionele uitbarsting heeft een psycholoog nodig. Heel vaak is dat iets tijdelijks, vangt het team dat op of de coach. En maak de coach en het team sterk genoeg dat ze kunnen vaststellen dat een atleet mogelijk kan vastlopen en dat ze de psycholoog erbij betrekken om het van naderbij te bekijken en op te volgen.”

Wat was de rol van de psychologen in de gymschandalen?

“Over de gevallen zelf zal ik mij niet uitspreken. Er zijn gymnasten die het als misbruik hebben ervaren en er zijn gymnasten die het als hardheid hebben ervaren die bij topsport hoort. Druk van de coaches hoort bij topsport, maar wanneer wordt het een probleem? De sporters sterker maken dat ze grenzen kunnen trekken, is een van de oplossingen. Naast uiteraard de coaches duidelijk maken wat gepermitteerd is en wat niet. Dat grensoverschrijdend gedrag komt trouwens niet alleen voor in vrouwengymnastiek.”

Hebben sporters meer of minder problemen?

“Dat hebben we zes jaar geleden onderzocht samen met de Universiteit Amsterdam. Een op de vijf topsporters – actief of gestopt – ontwikkelt psychische problemen met disfunctioneel gedrag als gevolg. Die problemen moeten door een expert worden aangepakt. Dat hebben we vergeleken met de bevolking. Resultaat: een op de vijf Nederlanders die niks te maken heeft met topsport ontwikkelt eenzelfde type problemen. Er is dus helemaal geen specifiek probleem in de topsport.”

Column over De Tijd van Ons Leven in De Morgen van zaterdag 11 sep 2021

Amusante televisie

Als u na donderdagavond bent vergeten te checken: Iris Nechelput is nog steeds samen met Otto-Jan Ham en ze hebben ook nog drie kinderen. Idem voor Elodie Ouédraogo en Jeroom Snelders, nog steeds een koppel, met één zoontje. Of dat samenzijn bij beide koppels dezer dagen meer is dan wonen onder één dak ziet u volgende donderdag.

We zijn twee afleveringen ver van De tijd van ons leven op Eén en als u één zin moet onthouden van deze column is het deze: De tijd van ons leven is onzin die nergens over gaat, een belediging voor de topsport, maar het is goed verpakt en het is amusante televisie.

Als u zweert bij Canvas en onze pretnetten links laat liggen, deze update: in De tijd van ons leven trainen Otto-Jan Ham en Elodie Ouédraogo voor het WK tijdrijden, dat op 19 en 20 september tussen Knokke en Brugge wordt gereden. Niet het WK tijdrijden voor de media of voor BV’s, neen, het echte WK tijdrijden waar ook Wout van Aert en Lotte Kopecky aan meedoen. Die rijden die 43 en 30 kilometer tegen respectievelijk een dikke 50 en bijna 45 per uur.

De uitdaging van presentator Otto-Jan Ham en duizendpoot Elodie Ouédraogo bestaat erin een tijd neer te zetten waarmee ze niet laatste worden. Dus minimaal één wielrenner (m/v) kloppen. Dat mag ook iemand zijn die onderweg een wiel is verloren en te voet binnenkomt, zolang zij maar niet laatste in de uitslag staan.

Dat aspect van het verhaal bevreemdt al. Het lijkt onmogelijk dat Ham en ‘Elo’ door de UCI in de uitslag worden opgenomen. Die hebben geen licentie, al helemaal geen proflicentie, zijn niet geselecteerd door een nationale ploeg, enfin, tellen dus voor de juryleden van de UCI niet mee. Ik weet ook niet of Belgian Cycling daar zo mee is opgezet. Ze zijn er alvast niet bij betrokken en dat zegt genoeg.

BV’s, sport- of andere journalisten die uitdagingen aangaan die ze beter niet zouden aangaan, het is stilaan een uitgewoond format. Dat begon ooit met de jonge Karl Vannieuwkerke die renner wilde worden, maar het bleef bij een boek met die naam. Toch de meest lovenswaardige poging tot op heden van een BV die zijn dromen najaagt.

Intussen hebben we Ruben Van Gucht ooit de hele Ronde van Vlaanderen in zijn eentje zien rijden; superslechte tv maar hulde voor de prestatie. Maarten Vangramberen beet de voorbije jaren zijn tanden stuk op allerlei wereldrecords en blijft daarmee doorgaan, en ondertussen zagen we een nieuwslezeres balletdanseres worden. Dat laatste was geen topsport en Thomas Vanderveken die zich vergreep aan ‘Pianoconcert in a mineur’ van Edvard Grieg was dat ook niet, maar u begrijpt wat hier wordt bedoeld. Nu nog het format ‘journalist gaat uitdaging aan om aan journalistiek te doen’ en de cirkel is rond.

Tussendoor was er natuurlijk de uiterst grappige Saartje Vandendriessche die weerom een heel stel BV’s uitdaagde om het tegen haar op te nemen in gewaagde en minder gewaagde proeven. De overkill was toen al een feit, maar met Saartje kun je altijd lachen en dat is de bedoeling van dat soort programma’s, wat niet belet dat na De tijd van ons leven een moratorium op geteleviseerde midlifecrises op zijn plaats is.

Heel eerlijk, ik heb mij bijzonder vermaakt met de eerste twee afleveringen. Hoe het harmonieuze stel Ham-Nechelput licht neurotisch wordt van een man die eten begint af te wegen en ten slotte veel te mager wordt. Hoe Jeroom zijn plezante madam ziet transformeren in de gefocuste topatlete van weleer. En hoe een trainingsschema het doen en laten van een heel gezin bepaalt.

Been there, done that. In 2011 meer in het bijzonder, met een ironman als einddoel. Ook voor de televisie. Ik dacht in beperkte kring voor de regionale tv, maar nadien is die content goedkoop aan andere regionale zenders verkocht waardoor uit heel Vlaanderen reacties kwamen op mijn hybris.

Ik vond het van mijzelf nergens op lijken, maar wil er de heer Ham en mevrouw Ouédraogo toch graag tussentijds op wijzen dat ik van hun prestaties op de fiets voorlopig ook niet bepaald onder de indruk ben. Otto-Jan die ocharme 24 kilometer per uur gemiddeld reed tijdens de olympische tijdrit (op rollen nog wel, dus zonder de tegenwind), pff, wat was dat? Toen ik tien jaar ouder was haalde ik 30 gemiddeld over 180 kilometer (1.200 hoogtemeters), maar wel na 3,8 kilometer zwemmen en ik moest nog wat overhouden voor een marathonnetje.

Dat mag dus een stuk sneller. Aangezien het televisie is, en aangezien Woestijnvis aan de knoppen zit, denk ik dat het plots nog een stuk harder zal gaan. Maar voorlaatste worden? No way, tenzij er alsnog Nepalezen op teensletsen en Afghaansen in boerka, op bakfietsen, zijn ingeschreven. Goeie televisie die u moet zien? Neen, maar wel amusante tv. Al was het maar voor Jeroom, de Oscar van de beste mannelijk bijrol is voor hem.

Column BOIC-voorzitter in De Morgen van maandag 6 september 2021

BOIC-voorzitter

De sterkste voorzitter die het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité ooit had, was Raoul Mollet. Eentalig Frans, dictatoriaal, geen fan van vrouwen tenzij ze spontaan voor hem gingen liggen, maar anderzijds wel een visionair. Hij had bovendien een mooie eigenschap van sterke leiders: hij koos steevast voor sterke figuren. Wie hem intellectueel uitdaagde, die wilde hij rond zich.

Mollet was het die Jacques Rogge naar het hoofdbestuur van het olympisch comité haalde en hem zijn opvolger maakte. Jammer genoeg was er nog een andere sterke man die hij er eerder al had bijgehaald, en die ook veel ambitie had. Twee hanen op het olympisch erf was te veel. Adrien Vanden Eede won het in de machtsstrijd van Jacques Rogge die maar vier jaar voorzitter was en wiens impact dus beperkt bleef.

Vanden Eede volgde Rogge op in 1992 en ging ten onder aan alcoholmisbruik en malversaties. Na Vanden Eede werd François Narmon verplicht om Vanden Eede op te volgen. Hij had jarenlang als penningmeester het gesjoemel van Vanden Eede óf niet opgemerkt, óf niet willen opmerken en werd voor zijn verantwoordelijkheid gesteld. Puin ruimen, of mee worden gesleurd in een onverkwikkelijke zaak die op hem zou afstralen.

Narmon – de man van het Gemeentekrediet, later Dexia – was een bijzonder zwak voorzitter en in die jaren verloor het BOIC al zijn glans als superbond. Zijn opvolger in 2004 was Pierre-Olivier Beckers van de Delhaize-groep. Zijn spreuk toen hij in de adelstand werd verheven, luidde ‘Cum deo at homines’, of ‘Met god maar met mensen’. Geen mens die begreep waar dat voor stond, en dat gold ook een beetje voor die zeventien jaar dat zijn voorzitterschap heeft geduurd. Dat is het op twee na langste, na de negentien jaar van de nazi-sympathisant Henri de Baillet-Latour en de 24 jaar van Raoul Mollet.

Beckers zit inmiddels gebeiteld als IOC-lid en doet nu een stap terug. Het BOIC dat hij achterlaat, is een veredeld reisbureau dat – kort door de bocht, maar wel de realiteit – meer geld opmaakt voor het eigen (niet) functioneren dan het van de gemeenschappen en de nationale loterij toegestopt krijgt. Ik heb Beckers daar in 2006 al eens op gewezen, waarna hij totaal verbouwereerd de woorden stamelde: “Il faut que ça change”.

We wachten nog steeds op een beetje ‘change’ en misschien dat die er nu komt, want volgende vrijdag wordt zijn opvolger gekozen. Lange tijd leek dat een uitgemaakte zaak, zoals zo vaak in die bonden. Jean-Michel Saive was na zijn succesvolle tafeltenniscarrière opgenomen in de bestuurderskringen van de Franstalige sport en geraakte als atletenvertegenwoordiger uiteindelijk ook binnen bij het BOIC, waar hij zich handig naar een ondervoorzitterschap maneuvreerde. Hij werd de laatste jaren gegroomd om Beckers op te volgen.

Begin juli raakte bekend dat ex-judoka Heidi Rakels ook haar kandidatuur had gesteld en dat was een domper op de olympische machinaties. Rakels heeft een iets ander profiel dan Saive en dat is voorzichtig uitgedrukt. Er is namelijk geen enkele goede reden te bedenken om Rakels niet te verkiezen boven Saive.

Tegenover de sportbestuurlijke ervaring van die laatste heeft Rakels de troef dat ze niet is bezwaard door die ervaring, wat haar zal toestaan om de nodige veranderingen door te voeren. Saive (ex-nummer één) mag dan aan zeven Spelen hebben deelgenomen, hij heeft op die Spelen toch vooral het devies deelnemen is belangrijker dan winnen in daden omgezet. Hij geraakte nooit verder dan een kwartfinale. Rakels won brons in 1992 en werd vijfde in 2000.

Saive heeft weinig of geen opleiding genoten en maakte carrière via de cenakels van de Waalse partijpolitiek en administratie, twee communicerende vaten. Rakels timmerde tegelijk als judoka aan een succesvolle carrière en haalde een diploma burgerijk ingenieur computerwetenschappen. Na haar judo begon ze een bedrijf dat wereldleider werd in de beveiliging van bankensoftware. Dat heeft ze inmiddels deels verkocht nadat ze een tijdlang als CEO zelf de operationele leiding in handen had.

Saive is Franstalig. Rakels is Nederlandstalig. Ze zou na Rogge nog maar de tweede Nederlandstalige voorzitter van het BOIC kunnen worden. In de 115 jaar dat deze superbond bestaat, is die alleen tussen 1988 en 1992 door een Vlaming geleid. Ten slotte, niet onbelangrijk: Saive is een man, Rakels een vrouw.

Als de meest competente kandidaat tot de juiste taalrol behoort, de beste papieren heeft én een ambitieus programma, en ze is ook nog eens een vrouw, waarom is het dan lang niet zeker dat die vrijdag wordt gekozen? Antwoord: omdat zwakke mannen altijd kiezen voor andere zwakke mannen en nooit voor verandering.

Column Transfer Island in De Morgen van zaterdag 4 september 2021

Transfer Island

Vaak komt de vraag terug: waarom is voetbal zo populair? Hoe komt het dat een spel waarin heel weinig gebeurt de eerste wereldsport is? Dat uitgerekend de sport met de laagste score een hele planeet begeestert?

Een populaire verklaring verwijst precies naar die lage score, die saaiheid en daaruit voortvloeiend de onvoorspelbaarheid van de uitslag, in vaktaal de uncertainty of outcome. Dat is handig om de spanning erin te houden, maar ook om op te gokken. Voetbal heeft zijn populariteit – eerst in Engeland, zie The English Game op Netflix – te danken aan de gokindustrie die meteen helemaal mee was.

Dat is een hele juiste uitleg voor het prille begin van het edele spel. Daarbij komt nog dat het de enige sport was die de klassen van de negentiende-eeuwse standenmaatschappij oversteeg. Een keurgroep uit de adel en de betere burgerij was niet te beroerd om op een bal te schoppen tegen het zootje ongeregeld dat in de/hun fabriek werkte.

Die twee redenen volstaan niet langer om de status van eerste wereldsport te verklaren. De aantrekkelijkheid van het voetbal en voor sommigen de lelijkheid van het hedendaagse voetbal zitten hem vreemd genoeg vandaag ook in die twee maanden van het jaar dat de duiventillen opendeurdag houden en de duiven van melker wisselen.

Dat heet al een paar jaar de mercato en die is vaak spannender en kan op minstens evenveel media coverage rekenen als pakweg de Champions Leage-finale. De dynamieken zijn dezelfde: clubs proberen hun supporters tevreden te stemmen, maar in die twee maanden door aankopen op de kamelenmarkt. De technieken zijn die van Temptation Island: iedereen besnuffelt iedereen, de helft doet het met de andere helft en aan het eind worden relaties aangegaan die heel erg tijdelijk zijn.

De voorbije transferperiode stak er cijfermatig niet bovenuit, maar het was in alle opzichten – internationaal en nationaal – de meest spectaculaire in jaren. De zomermercato mag dan niet helemaal afgelopen zijn, wat nu nog wordt gespendeerd zal het verschil niet maken en dus becijferde het voetbalobservatieplatform CIES uit Zwitserland dat in de voorbije mercato voor 3,5 miljard euro en wat zakgeld aan spelers is verhandeld. Voor het hele jaar 2021 komt dat op een schamele 3,8 miljard (en zakgeld), het laagste bedrag in vijf jaar.

De euforie spatte niettemin van het persbericht af: de voetbaleconomie trekt weer aan, er wordt weer geld uitgegeven, we zijn op de goede weg. Dat laatste is voor discussie vatbaar: voetbal is de enige grote sport in de wereld die zesmaandelijks mensen verhandelt als koopwaar. De laatste tien seizoenen is zo door de clubs uit de vijf grote landen voor meer dan 35 miljard euro aan mensen gekocht en verkocht.

Daartegenover staat dat bij de twee meest opvallende transfers van deze zomer de ene speler haast voor niks en de andere voor helemaal niks van club is verwisseld. Voor een Cristiano Ronaldo die zich nog eens aan de Premier League wil wagen na jaren in de meer comfortabele Spaanse en Italiaanse eerste klasse kun je niet anders dan bewondering opbrengen.

Lionel Messi is de antipode van Ronaldo. Hij is nog maar aan zijn tweede club toe, Ronaldo aan zijn vijfde, waarbij zijn vijfde club (Manchester United) ook zijn tweede is. Ronaldo is vier keer verhuisd en heeft in totaal 245 miljoen euro gekost bij al die aankopen. Overigens staat Romelu Lukaku op één in dat cumulatief transfersommenklassement. Voor hem is bij zes verschillende transfers in totaal 327 miljoen euro betaald, maar misschien is dat niet zo’n beste en ook niet erg relevante statistiek, als je bedenkt dat voor Messi – voor zover bekend – nog nooit een rooie cent is betaald aan welke club ook.

Dat die Messi van club is veranderd, is op zich al onbegrijpelijk, maar dat Spanje die Messi heeft laten gaan, is erg dom. Het klopt dat ze daar (sedert kort) een veel stringenter financieel beleid voeren dan in welk ander land ook, maar de grote smaakmaker van je competitie laat je toch zomaar niet gaan? Die hou je toch ook bij Barcelona, waar hij een echte franchise player was, een speler die tot het huismeubilair behoort en die je met geen andere club kunt associëren.

Dat doet mij denken aan de terugkeer van Michael Jordan in 1995. Financieel-technisch was er voor hem geen plaats en kon die niet bij de Chicago Bulls terecht omdat hun payroll al te zwaar belast was. Toch mocht Jordan terugkeren in de NBA, zelfs weer bij de Bulls spelen en de Bulls mochten hem een salaris betalen dat meer was dan de totale toegestane salarismassa voor de rest van de ploeg. Geen haan of andere teameigenaar die ernaar kraaide. Jordan voor de competitie behouden in de juiste ploeg was goed voor de hele competitie.

Ook dat maakt voetbal zo aantrekkelijk of zo lelijk: er is geen sprake van algemeen belang, het is opeten of opgegeten worden.

Column Paralympics in De Morgen van maandag 30 augustus 2021

Paralympics

Heel goed dat de VRT zoveel aandacht besteedt aan de Paralympische Spelen. De ene bijdrage is beter dan de andere, maar over het algemeen krijg je een aardig beeld van wie daar voor België meedoet, waarom ze daar zijn en wat ze presteren. Ook en nog belangrijker dan de prestatie: wat dat met een mens met een fysieke beperking doet, kunnen sporten op het hoogst haalbare niveau en aandacht krijgen.

Ruben Van Gucht is de man met dienst in Tokio. Zo’n onvergetelijk interview zoals in Rio tussen Stefaan Lammens en Florian ‘Poef ‘Van Acker heeft de samenwerking nog niet opgeleverd, maar de Paralympics duren nog wel even. Ook goed gezien van de VRT en Sporza om Ruben Van Gucht in in korte broek te laten presenteren: zelfs zonder paralympische atleten ben je dan verzekerd van goede kijkcijfers.

België zit aan vijf medailles en dat na vijf dagen competitie. Nog twee medailles te gaan en de paralympische tricolore équipe heeft de valide selectie ingehaald. Wie weet doen ze beter. We hebben nog een hele week te gaan dus dat moet lukken. De vergelijking olympisch-paralympisch slaat evenwel nergens op.

Op de Paralympische Spelen van Tokio 2021 zijn 4.350 atleten ingeschreven en die zullen ongeveer 1.700 medailles onder elkaar verdelen. Dat laatste getal is een gokje want het International Paralympic Committee (IPC) is niet erg scheutig met getallen. Niet als het hun inkomsten betreft en ook niet als het data betreft die de relatieve sportieve waarde ten opzichte van de valide Spelen in kaart brengen.

Waar de valide atleet die naar de Spelen gaat, ongeveer één kans op elf heeft om een medaille te winnen (11.600 atleten voor 1.080 medailles) is dat bij de Paralympics 1 kans op 2,5. (De Special Olympics voor mensen met een verstandelijke beperking zijn helemaal een medaillefeest, want daar ben je pas speciaal als je géén medaille wint.) Het Belgian Paralympic Team met zijn 31 deelnemers komt voorlopig niet aan die 1 op 2,5, ook niet in Rio toen ze met elf medailles – waaronder vijf keer goud – eindigden. België ligt met die voorlopige vijf medailles wel op koers om boven de tien uit te komen.

Net als bij de Olympische Spelen – waarmee ze overigens geen uitstaans hebben, behalve dat ze om praktische redenen van dezelfde stad gebruikmaken – is bij de Paralympische Spelen de ene medaille de andere niet. Er zijn ooit competities geweest waarvoor atleten zelf de hele wereld rondbelden om toch maar genoeg concurrenten te vinden, waarna ze het IPC bombardeerden, randje chanteerden om alsnog die categorie paralympisch te organiseren.

Daartegenover staat dan Peter Genyn in de categorie T51, voor de verlamden vanaf de nek die alleen hun bovenste ledematen nog kunnen bewegen, de zogeheten paraplegen in een rolstoel. Voor hen waren deze Spelen oorspronkelijk bedoeld. Dat was in het Britse Stoke Mandeville kort na de Tweede Wereldoorlog toen er een overaanbod aan kwadri- en paraplegen uit de oorlog was teruggekeerd.

Daar zijn er ook vandaag nog steeds duizenden van te vinden in de wereld en de concurrentie in die klasse/categorie is moordend. Morgennacht start Genyn in de 200 meter en in de nacht van donderdag op vrijdag op de 100 meter, waarop hij wereldrecordhouder is. Genyn is goed voor twee keer goud, maar wordt wel al een jaartje ouder.

Als u meer achtergrond wil over de Paralympische Spelen, dan zijn dit twee aanraders. Op Netflix moet u absoluut Rising Phoenix zien. Wie denkt dat hij of zij er niet te best aan toe is en wie de kracht ontbreekt om door te gaan – een tip voor de valide atleten en hun plotse golf aan emotionele breakdowns – Rising Phoenix helpt u er vast bovenop.

De titel is ook de bijnaam van een atlete, de Italiaanse rolstoelschermster Bebe Vio, die ten gevolge van meningitis op haar elfde armen en benen verloor. Om te zien hoe ze schermt, moet u kijken, en als ze wint – en ze wínt – probeer het dan maar droog te houden.

Jammer, maar helaas, zoals aan elke medaille zit er ook een keerzijde aan de paralympische medaille, en dat is dan weer uitstekend journalistiek in beeld en woord gebracht in de BBC Panorama-docu getiteld: Paralympics, The Unfair Games?

De auteur van de docu heet Richie Powel en was zelf deelnemer. Hij formuleert samen met enkele hoofdrolspelers zoals Dame Tanni Grey-Thompson een striemende aanklacht. De Paralympische Spelen zijn hun doel voorbij geschoten, veel verder nog dan de Olympische Spelen.

Door gemanipuleer en misbruik van de classificatiesystemen, waarbij beperkingen worden ondergebracht in categorieën – quote uit de docu – “zijn de Paralympics een competitie geworden voor de minst beperkte die zichzelf het meest beperkt voordoet om in een zo laag mogelijke categorie te belanden en zo veel mogelijk medailles te winnen”.

Column Sympathie voor de 3×3 in De Morgen van 28 augustus 2021

Sympathie voor 3×3

Na drie dagen diep nadenken, raadplegen van het ethisch kompas, en een sportieve realitycheck: achter hun computer gezeten hebben de 3×3 Belgian Lions zich niet gedragen zoals het hoort, maar dat doet niks af van hun prestaties op het veld. Zonder dat creatieve computeren was er van dat pleintjesbasketballen in Tokio evenwel geen sprake geweest en dat is voorwaar een probleem.

Hier is wat de 3×3 Lions hebben uitgevreten. (Dit is bedoeld voor wie alleen maar de koppen leest in de kranten en op de sites.) De aanleiding om te mispeuteren was de vaststelling in 2019 dat basketbaldwerg België geen punten genoeg had in de ranking om in aanmerking te komen voor een plek in een olympisch kwalificatietoernooi (OKT). Dat vonden de Lions dieptreurig, want ze waren ervan overtuigd dat ze een kans hadden om die kwalificatie af te dwingen en in op de Olympische Spelen thuishoorden.

De truc om België hoger te krijgen in de ranking, was veel 3×3-toernooien organiseren en winnen. Dat had gekund, maar daar heb je tijd, toernooien en vooral de spelers voor nodig. In een klein land dat bovendien een toevluchtsoord is voor C- en D-spelers uit de Balkan en de VS, lopen die Belgen niet dik.

Wie, wat, waar en hoe heeft beslist om over te gaan tot het computermatig invoeren van fictieve toernooien, doet er niet toe. Tenzij het die aankomende notaris is geweest. Het notariaat heeft een nogal strenge gedragscode naar het schijnt en of creatief boekhouden met sportieve resultaten – administratieve fraude dus – bij die club door de beugel kan, is hoogst onzeker.

Even terug naar de essentie, in deze niet onbelangrijk. 3×3 is bezigheidstherapie voor gebuisde basketbalspelers en hoort niet thuis op de Olympische Spelen. Voorlopig althans. Jawel, 3×3 is spektakel, het is snel, het is mooi om naar te kijken, maar niet alles wat snel, mooi en spektakel is, verdient de olympische status. De kans dat pleintjesbasket een eigen weg inslaat zoals beachvolleybal, is niet bijster groot.

Dat gehannes met de kwalificatie alleen al… U zou eens moeten weten wat een team in een echte teamsport moet doen om op de Spelen te geraken. Alvast heel wat meer dan een account aanmaken bij de internationale basketbalbond en wat resultaten van toernooien ingeven.

De internationale basketbalbond FIBA heeft er een zootje van gemaakt in de aanloop naar de Spelen door op geen enkel moment de procedure te controleren waardoor fraude op grote schaal mogelijk was. Het zou wel heel vreemd zijn als alleen de Belgen zich achter de computer hebben gezet en handig gebruik hebben gemaakt van de systeemfouten bij de FIBA. De verantwoordelijkheid van de Belgische bond in deze al bij al grappige affaire? Olympische kwalificatie is de unieke bevoegdheid van de internationale federatie, niet van de KBBB. Wat niet belet dat ook die beter had moeten opletten.

Al die beschouwingen daar gelaten, hebben die Belgian Lions het sportief wel meer dan waargemaakt. In Graz ging het op het eerste OKT nog mis, maar in Debrecen hebben ze zich tegen de thuisploeg geplaatst voor Tokio. Ze hebben géén wedstrijden omgekocht, laat dat duidelijk zijn. Ook in Tokio niet. Daar klopten ze zelfs latere winnaar Letland in de poule.

In de halve finale kregen ze klop van diezelfde Letten en in de wedstrijd om brons kwamen de Lions er ook niet aan te pas tegen Servië. Die laatste twee wedstrijden waren een sof. Wisten ze toen al wat hen boven het hoofd hing en lieten ze het bewust schieten? Ze mogen alvast blij zijn dat ze geen medaille hebben gewonnen. Een verplichte teruggave had hen voor de eeuwigheid een vermelding bezorgd op alle Wikipedia-pagina’s en naslagwerken over Tokio 2020.

Ten slotte nog een woordje voor wie het vergrijp van de Belgian Lions naar de media lekte en hen (naar verluidt) hiermee chanteerde. Tenzij u een tegenstander bent die heeft geleden onder het creatief computeren van Celis en co., maar die kans is erg klein, bent u meer dan een beetje laf. Aan de collega’s die uitstekend journalistiek werk hebben geleverd: als ik dit nieuws in mijn mailbox had gekregen, vóór Tokio, had ik het ook gebracht. Ná de Olympische Spelen, het eeuwige gedoe met de kwalificatieprocedures van nieuwe disciplines en sporten en de mooie sportieve afloop kennende, neen, dan denk ik niet dat ik dat verhaal had opgeschreven als Het Groot Schandaal.

Dat is het ook niet. De Belgian Lions hebben zichzelf met een administratief handigheidje op de weg naar Tokio gezet, maar de eigenlijke kwalificatie hebben ze sportief afgedwongen en eenmaal in Tokio hebben ze zich ook nog eens de darmen uit het lijf gespeeld. Dat verdient waardering. Noem het voor mijn part onjournalistieke sympathie, ik beken.

Verhaal in De Morgen van maandag 9 augustus 2021 ‘Tokio conclusie’

Het rapport van Tokio 2021

In 1976 wonnen de Belgische springruiters brons en een dag later werd Karel Lismont derde in de marathon. Afgelopen weekend herhaalde dat scenario zich met de springruiters en Bashir Abdi. België eindigt zo op zeven medailles. Is dat goed?

Hoe uitzonderlijk zijn die zeven Belgische medailles?

Als iemand nog zou twijfelen aan de sportieve en, jawel, morele superioriteit van olympiërs, kijk dan eens de laatste kilometer van de marathon terug. In de nacht van zaterdag op zondag eindigde die met een onverhoopte Belgische medaille in een Belgisch- Nederlands-Somalisch onderonsje. Twee gasten, geboren en getogen in Mogadishu, die voor hun beider adoptielanden een unieke kans zien om te schitteren en elkaar aanvuren, waarbij de ene zijn zekere medaille on hold zet om de andere op sleeptouw te nemen. En dan samen uitkomen bij zilver en brons dat ze vieren als goud, mooier wordt de sport niet.

De wonderbaarlijke Bashir Abdi uit Gent liep in een bloedstollende finale in het spoor van zijn vriend Abdi Nageeye naar een derde plek. Iets later eindigde zijn grootste concurrent in eigen land Koen Naert als tiende en ook zij vielen in elkaars armen.

Om halfelf Belgische tijd is gisteren de strijd om de laatste gouden en zilveren medaille van de Spelen van de 32ste olympiade beslist: het ging om waterpolo, een clash tussen Servië en Griekenland. Servië verlengde zijn olympische titel. Iets eerder piloteerden de Amerikaanse vrouwen hun land naar de eerste plaats in de medailletabel, voor China.

Met 7 medailles (3 goud, 1 zilver en 3 brons) is België uiteindelijk 29ste geëindigd in de traditionele olympische medaillestand. Servië sprong in de allerlaatste wedstrijd van Tokio 2021 met dat waterpologoud nog over België. In de tabel volgens het totaal aantal medailles staat België 33ste.

Zeven medailles voor België is geleden van Londen 1948. Drie keer goud is geleden van Parijs 1924. Maar in Parijs waren slechts 378 medailles te winnen en in Londen 411. In Tokio waren dat er 1.080.

Zes medailles was voor de recente moderne Olympische Spelen (na de boycots van ’80 en ’84) het beste resultaat. Die werden behaald in Atlanta 1996 en in Rio 2016. Toen telkens met twee keer goud, maar wederom deze nuance: in Atlanta waren 842 medailles te verdelen, in Rio 973. Een vooruitgang van één medaille (van zes naar zeven) is dus statistisch logisch, wetend dat alle nieuwe sporten behalve rugby met zeven appelleren aan sporters uit rijke landen.

België ziet in de medailletabel nog steeds elf landen met minder inwoners en een lager bruto binnenlands product beter doen. Het beste van die kleine landen is Nieuw-Zeeland, dat met twintig medailles waarvan zeven keer goud zichzelf op plaats dertien parkeert.

Nationale euforie omwille van die zeven Belgische medailles is dus nergens voor nodig. De drie keer goud geeft bovendien een vertekend beeld. Dat overaanbod aan goud is het gevolg van enkele toppers die bevestigen, maar van wie lang niet zeker is dat die ook in Parijs nog dit niveau zullen halen.

Het intrinsiek niveau van België is en blijft meer dan tien medailles.

Hoewel conclusies op basis van deze vreemde Spelen uit den boze zijn, lijkt het toch alsof de Belgische sport op de goede weg is en dat de basis voor betere medaille-output aanwezig is. De zeven vierde plaatsen liggen in het verlengde van de vier vierde plaatsen in Rio. Idem voor de 26 topachtplaatsen (18 in Rio). Dit bewijst dat het potentieel voor tien podia aanwezig is en het bewijst eveneens dat investeren in wie behoort tot de wereldtop loont.

De vierde plaats van Noor Vidts is dan weer een ander verhaal. Zij werd als enige van de topachtfinishers tot dit jaar niet gesteund door Sport Vlaanderen. De reden? Ze had nog geen resultaten gehaald, maar haar trainer maakte wel deel uit van het meerkampproject dat wordt ondersteund. De motivatie om zonder salaris verder te doen kwam uit zichzelf. Meer van dat.

Geen enkele sport viel echt tegen of het zou tennis moeten zijn, dat al te vaak toerisme met een sporttas is.

Wielrennen, met dat ene zilver van Wout van Aert, mag stilaan de vraag beantwoorden of al die investeringen in het baanwielrennen wel de moeite waard zijn. Straks wordt een nieuwe wielerbaan gebouwd in Zolder. Als die moet dienen als schuiloord voor wegrenners en crossers die in de winter graag droog trainen en niet in de file willen staan richting die andere baan in Gent is dat een onverantwoorde uitgave. Het wordt een ander verhaal als daar een model aan wordt gekoppeld dat talent naar de wielerbaan draineert en daar ook kan houden.

Hoe presteerden de toplanden?

Nederland eindigt met 36 medailles zevende in de medailletabel en is het kleinste grote sportland van het noordelijk halfrond. Australië is dat van het zuidelijk halfrond. Beide landen behoren tot de sterkste stijgers met zeventien medailles meer, samen met Japan en China die er ook zeventien en achttien meer halen. Van thuisland Japan was dat min of meer verwacht. China is een grote verrassing, samen met Rusland, dat onthoofd als Russisch Olympisch Comité ging maar uiteindelijk met vijftien medailles in de plus uitkomt.

De top vijf in de medaillestand wint een recordaantal van 395 medailles waarvan 148 gouden. Het waren de Amerikaanse vrouwen van het volleybalteam die uiteindelijk de 39ste gouden medaille voor de VS bij elkaar tikten, waardoor hun land zowel in het aantal gouden medailles als het totale aantal op de eerste plaats kon finishen. Toch doen de VS het minder goed dan in Rio en leveren zeven gouden medailles in.

Andere flinke dalers in de top tien zijn Duitsland, nog maar eens, dat nu op 37 medailles uitkomt en zeven gouden plakken moet inleveren, waardoor het van plaats vijf naar negen zakt. In 1988 haalden Oost- en West-Duitsland samen 142 medailles (waarvan 102 voor de DDR). Vandaag wint het eengemaakte Duitsland minder medailles dan West-Duitsland alleen in 1988 en toen waren er 30 procent minder medailles te verdienen.

Ook Frankrijk deed het in de totaalstand niet goed (min negen) maar manifesteerde zich wel met acht medailles in teamsporten, waarvan drie keer goud. Zo behoudt het de tien gouden medailles van Rio.

Speelden corona en de tijdzone een rol?

Of er sprake is van een corona-effect is erg onduidelijk. Italië, dat in 2020 het ergst is getroffen door de epidemie, gaat er twaalf medailles en twee gouden plakken op vooruit. Misschien ga je van corona wel harder lopen, want de Italianen wonnen zowel de 100 meter individueel als de estafette. Ook coronaland Nederland, waar de topsport langer dicht bleef dan bij ons, deed het goed, net als China en Japan die op slot gingen.

Wellicht heeft corona geen effect gehad, tenzij dan op kleine en arme landen waar atleten zich minder goed konden voorbereiden. De grote landen wonnen samen meer medailles, maar tegelijk hebben meer landen dan ooit een medaille gewonnen: 94 tegenover 86 in Rio. Ook gouden landen zijn er ineens meer: van 57 naar 65. Bermuda, de Filipijnen en Qatar wonnen hun eerste gouden medaille. Burkina Faso, Turkmenistan en San Marino wonnen hun eerste medaille ooit.

Een indirect effect van corona zou het verminderd aantal dopingcontroles kunnen zijn. Zowel naar Rusland als naar China werd al uit Amerikaanse hoek met een beschuldigende vinger gewezen, maar na analyse blijkt toch dat de Amerikanen het zelf hebben laten liggen. Een aantal prestaties zal achteraf fout blijken en medailles zullen wisselen van eigenaar en land, dat is elke Spelen zo. Maar opmerkelijk en een primeur: geen enkele medaille werd op de Spelen zelf afgenomen door een positieve test.

Als China, Japan en Australië het samen opvallend goed doen, kan dat te maken hebben met de geopolitieke belangen in de regio, maar meer nog met de biologische klok. Het is bewezen dat atleten die grote tijdverschillen moeten overwinnen ook na een aanpassing nog met prestatieverlies te kampen hebben. Omgekeerd is dat uurtje verschil tussen Peking of Sydney en Tokio best te overbruggen.

Werden de toeschouwers fel gemist?

Tokio heeft prachtige maar onzichtbare Spelen georganiseerd. Dat buitenlandse bezoekers werden geweerd en delegaties werden beperkt, leek logisch. Dat de Japanse bezoeker van de Olympische Spelen ineens zijn tickets terugbetaald kreeg en moest thuisblijven, was een vergissing van formaat. Er was geen objectieve reden voor lege olympische stadions terwijl voetbal, honkbal en sumo in Japan wel publiek mochten binnenlaten.

De Spelen in Tokio, de tweede na die van 1964, hadden net als toen een mijlpaal kunnen zijn in de organisatorische geschiedenis van de Olympische Spelen. Nu zullen ze worden herinnerd van atleten die net hun uiterste best hadden gedaan en gewonnen of verloren, en die voor digitale schermen met het thuisfront enkele woorden konden wisselen.

De anticovidmaatregelen waren rigide, maar uiteindelijk leefbaar en ze hebben gewerkt, met amper honderd besmettingen in de hele olympische bubbel en waarvan de helft dan nog van Japanse vrijwilligers. De vijandigheid onder de Japanse bevolking tegenover olympiërs bleek een uitvinding van vooringenomen lokale correspondenten.

Uiteindelijk zal de geschiedenis uitwijzen dat Tokio zijn eigen Spelen heeft vermoord, enkel en alleen omdat later dit jaar verkiezingen plaatsvinden. Het hele avontuur heeft de Japanse belastingbetaler klauwen vol geld gekost. De totale investering wordt op meer dan 15 miljard euro geschat.

Was het jaar uitstel van de Spelen een wijze beslissing?

Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) en zijn voorzitter Thomas Bach kregen sinds maart 2020 tot en met vandaag bakken kritiek te slikken, maar wie met wat afstand analyseert, moet concluderen dat het IOC er wijs aan deed toen het vorig jaar de Spelen uitstelde. Het had evengoed zijn 25 miljoen euro kostende verzekering kunnen aanspreken, de Spelen schrappen en zonder te organiseren de miljarden oprapen.

Dat deed het niet, maar na dat uitstel viel de verzekering voor de editie van 2021 wel weg. (Alleen Peking 2022 is nog gedekt en daarna is het verzekeren van Spelen niet meer mogelijk.) De Japanse regering was het eens met dat uitstel, maar na een premierwissel wilde die alsnog de staart intrekken, waarop het IOC op de rem ging staan. Japan, het IOC en de wereldwijde sport zaten in een do-or-diescenario.

Dat ‘doen of sterven’ en vooral het sterven slaat op de wereldwijde sport en de internationale federaties die afhangen van het geld van de olympische beweging. Zonder het geld van Tokio 2021 had de helft van de olympische bonden geflirt met het faillissement. De Amerikanen, die zoveel kritiek hadden op de niet-afgelasting, zouden ook beter twee keer nadenken: zij krijgen voor deze olympische cyclus 750 miljoen dollar uit de olympische kassa, meer dan alle andere landen samen en meer dan alle sportbonden samen.

Ook de atleten zullen vroeg of laat beseffen dat het IOC er wijs aan heeft gedaan om die Spelen toch te laten doorgaan en dat zij de voornaamste begunstigden zijn van die koppigheid.

Parijs 2024, wat nu?

Voor België zouden Spelen in de achtertuin een aanleiding kunnen zijn om te investeren in een nog betere omkadering van topsport. Het verschil met de cultuursector is nog steeds bijzonder groot als men weet dat één eerbiedwaardige cultuurinstelling in Brussel evenveel of meer overheidssteun krijgt dan de niet minder eerbiedwaardige en veel beter presterende Belgische topsport samen.

In Parijs komt breaking (breakdance) op het programma, naast klimmen, skateboarden en surfen. Karate, honkbal en softbal verdwijnen weer, maar die laatste twee sporten komen vast terug in Los Angeles 2028.

Wat in de hectiek van het laatste weekend van deze Olympische Spelen wel is verloren gegaan, is een ultieme beslissing door de sessie van het IOC die bepaalt dat voortaan de executive board van het IOC de bevoegdheid heeft om sporten tijdelijk van het programma te halen als ze vindt dat die slecht worden beheerd. Dat is een eerste stap naar het snel kaltstellen van boksen en gewichtheffen.

Column 18 uit Tokio ‘Sport in België’ in De Morgen van maandag 9 augustus 2021

Sport in België

Het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) heeft vijf jaar na Rio zijn vierjaarlijkse vreugdedans gehouden. Daar hadden ze het recht toe, want er is cijfermatig beter gepresteerd dan ooit tevoren. Tegelijk was er ook een bepaalde berusting merkbaar bij de BOIC-top. Pierre-Olivier Beckers sluit zijn periode als Belgische olympisch voorzitter af en daar heeft hij meer aan overgehouden dan hij erin heeft geïnvesteerd, dat is eens wat anders dan zijn investeringen destijds bij Delhaize, maar dat is een ander verhaal.

Beckers is vast IOC-lid geworden en doet het daar niet slecht voor zover je het daar slecht kunt doen. Zo geniet hij aanzien als IOC- coördinator van de Spelen van Parijs 2024. Onderweg is hij op een blauwe maandag ook baron geworden. Waar zijn voorganger François Narmon geen enkele verdienste had voor de topsport kan Beckers zich de pluim op zijn hoed steken dat hij als hobby- hockeyer in die sport heeft geloofd van in het begin en dat de eerste investeringen in de nationale ploegen vanuit de kas van het BOIC kwamen.

Beckers vertrekt in september, kort daarna gevolgd door het andere BOIC-kopstuk, CEO Philippe Vander Putten. Die heeft in extremis geprobeerd om zelf voorzitter van het BOIC te worden, om zo zijn olympische status nog wat te rekken. In het jargon van de Boechoutlaan heet dat ‘een Adrientje doen’, naar Adrien Vanden Eede, die van secretaris-generaal (zo heette de CEO toen nog) in 1992 ineens (royaal) betaalde voorzitter werd. Dat leidde tot een quasi-ramp, maar ook dat is een ander verhaal.

Het is de verdienste van Beckers dat hij dat afblokte en naar een andere kandidaat-voorzitter op zoek ging en die vond in Jean-Michel Saive. Inmiddels is van nergens uit ook een tweede kandidaat opgedoken in de persoon van Heidi Rakels. Zij is in tegenstelling tot wat de Franstaligen in de Belgische sport vermoeden geen voorbode van een Vlaamse putsch, maar heeft op eigen kracht uitgevlooid dat dit wel iets voor haar kon zijn.

Als zakenvrouw, vrouw, olympiër met medaille (in tegenstelling tot Saive), ervaring in leiding geven en bovengemiddeld intelligent, lijkt zij een gedroomde kandidate voor het BOIC, dat al bijna 29 jaar door een Franstalige voorzitter wordt geleid.

De verhoudingen binnen de Belgische sport zijn een weerspiegeling van die in de Belgische politiek. En neen, dat is in dezen niet de schuld van de N-VA. Dat is wel het gevolg van een scheefgegroeide situatie waarbij wie de portemonnee trekt niks te zeggen heeft en voor de Olympische Spelen afhankelijk is van wat het veredeld reisbureau BOIC beslist.

Een voorbeeld daarvan is de niet-selectie van de Waalse zwemster Valentine Dumont. Die werd geweigerd op basis van onduidelijke en onsportieve redenen. Nooit eerder hebben Vlamingen na die beslissing zo gefulmineerd op de niet-selectie van een Waals talent als toen Dumont een no-go kreeg van het selectiecomité van het BOIC. Hun topsportdirecteur Olav Spahl, de man van staal, heeft daar meer dan één slecht punt gescoord.

De scheefgegroeide situatie is inmiddels een soort surrealisme geworden waarbij zelfs Magritte even zou slikken: de drijvende kracht achter de Belgische olympische sport is Vlaanderen met het verzelfstandigd agentschap Sport Vlaanderen (‘den Bloso’ van vroeger). Ruim twee derde van de middelen die worden geïnvesteerd in topsport komt uit Vlaanderen. Dat geldt zowel voor Vlaamse atleten als voor nationale projecten.

Ook het hockey wordt vooral met Vlaams geld betoelaagd. De 4×400, die geen medaille behaalde, heeft bezieler Jacques Borlée inmiddels bij Vlaanderen ondergebracht. Judoka Toma Nikiforov, Franstalige Brusselaar, zit ook bij Vlaanderen. Alleen de Vlaamse taekwondoka’s gingen de andere kant op, maar die trapten op deze Spelen geen deuk in een pakje boter.

Franstalig België investeert ook, maar dat levert nauwelijks wat op. Het heeft één atleet van niveau, en wat voor een: dubbel olympisch kampioene Nafi Thiam is het vleesgeworden schaamlapje van de Franstalige sport die schromelijk achterblijft bij Vlaanderen. Van de 44 Belgische topachtplaatsen in Rio en Tokio zijn er vier van Franstalige atleten. Negen topachtplaatsen zijn van nationale projecten, die steeds belangrijker geworden. Ook daarin investeert Vlaanderen het merendeel van het geld.

Dit is dus geen verhaal van separatisme maar van realisme. Het wordt tijd dat het BOIC zich conformeert aan de realiteit van het topsportveld en de betaler mee laat beslissen. Het zou nog beter zijn als de topsport binnen het BOIC zou worden geleid door zij die er 95 procent van de olympische cyclus mee bezig zijn en meer dan 90 procent van de fondsen ophoesten, de gemeenschappen.

Column 17 uit Tokio ‘De Mentale Spelen’ in De Morgen van zaterdag 7 augustus 2021

De Mentale Spelen

Een kwarteeuw geleden maakte ik kennis met een groot kampioen. Aan het eind van zijn carrière gekomen, vroeg ik hem een keer wat nu de rotste momenten waren als topsporter. Vandaag zou ik vragen: “Heb jij ooit last gehad van mentale issues en ben je daarna in therapie gegaan?” Maar toen wisten we niet dat die bestonden – issues én therapeuten.

Hij antwoordde: “Aan het eind van de zomer, toen ik merkte dat de vakantie en de zomer voor het gezin pas goed waren geweest als ik goed had gepresteerd. Als dat niet zo was, en er waren wel wat zomers dat ik het liet schieten, had het gezin geen goede zomer gehad. Dat vond ik vervelend.”

Die druk vond hij ‘vervelend’, maar ook niet meer dan dat. Hij gooide er nog achteraan dat kunnen omgaan met die druk precies het verschil maakt tussen seriële winnaars en occasionele winnaars. Zonder druk kwam in zijn geval van presteren niks in huis, was zijn conclusie.

Ik vraag mij al de hele Olympische Spelen af of ik jarenlang onder een steen heb gezeten. Omdat het mij nu pas opvalt dat zoveel wordt gehuild, zowel bij verlies (“wat ben ik ongelukkig”) als bij winst (“wat ben ik gelukkig” of “wat ben ik ongelukkig geweest” of gewoon “wat is de druk groot”).

U weet wel waar ik naartoe wil: ik heb het een heel klein beetje gehad met die tranen op het podium, ernaast en in de mixed zone. In het verlengde daarvan heb ik het ook gehad met die naar mijn bescheiden mening overdreven aandacht voor de mentale druk. Ik denk dat trouwens dingen die niet bij elkaar horen op één hoop worden gegooid.

Ik wil het in dat verband nog één keer hebben over Simone Biles, van wie ik vernam dat ze in de turnhal en in het olympisch dorp juist als een lachebekje door het leven ging. Alleen turnen lukte niet te best, want ze had last van ‘twisties’. Uit de uitleg van technici begreep ik dat twisties bestaan, dat ze een gevaar opleveren omdat de gymnast de ruimtelijke perceptie voor een deel kwijt is, maar ook dat twisties te maken hebben met een overload aan informatie. Je kunt dat een mentaal probleem noemen, maar ik hoorde dat ze in dit geval blokkeert door slechte coaching.

Vergelijk het met een tennisser die zoveel tips krijgt om aan zijn service te sleutelen dat hij geen bal meer over het net krijgt en onderhands moet serveren. De eerste die ik dat heb zien doen, was ene Michael Chang, een Amerikaanse Chinees die onder de druk bezweek op Roland Garros. Vreemd genoeg kraakte zijn tegenstander aan de overkant van het net daardoor nog meer, dat was Ivan Lendl.

Ook Nafi Thiam barstte na haar goud in huilen uit want het waren twee verschrikkelijke jaren geweest. Hoezo? Ze heeft twee zware dagen gehad, dat klopt. Je trainer moeten missen door een vals-positieve test, ik had die Japanners die mij zoiets hadden aangedaan vermoord. Die spanning die dan van je afvalt als het toch nog goed komt, alle begrip voor de emoties die dan vrijkomen.

Maar twee vreselijke jaren van ellende? Ik vond niks, behalve een bericht van begin februari van dit jaar. ‘Drama voor olympisch kampioene Nafi Thiam: ‘Mijn hart is gebroken… Waarom jij?” Ik dacht: jeetje, wat erg, dus toch… Ik las verder: Titus was dood. Bleek het om een hond te gaan.

Neen, praat mij niks aan, ik ben niet zo inslecht dat ik met mensen lach die hun huisdier hebben verloren. Maar, als megaster eerst de aanschaf van je huisdier, vervolgens het zindelijk maken, dan de spijtige dood en vervolgens je eigen verdriet uitgebreid op Instagram becommentariëren, waar is dat goed voor?

Zal ik de vraag meteen zelf beantwoorden? Dat is goed voor de eigen marketing. En zal ik daar meteen iets in het Frans achteraan gooien? On ne peut avoir le beurre et l’argent du beurre. In dit geval zorgen de sociale media voor een zorgvuldig opgebouwd imago (“kijk eens hoe sympa”) en zo voor l’argent. Maar dus ook voor immense druk. Dat gaat aan één stuk door: Twitter, Facebook, Instagram… Niet te weinig posten, ook niet te veel, maar toch een inkijkje geven in de privé.

Daarom mijn vrijblijvend advies aan alle topsporters: ik respecteer u en uw gezondheid. U mag huilen, u mag breken, ik zal mij verwijderen. Maar kom niet zeuren dat de druk die u zichzelf oplegt via de sociale media te veel wordt. Niemand verplicht u om al die randzaken erbij te nemen. Niemand verplicht u om uw privéleven te openbaren en al helemaal ik niet. Uw hond, ouders en familie interesseren mij niet, fotoshoots met u bekijk ik niet, ik doe niet aan Instagram en TikTok heb ik niet.

Het enige wat ik wil weten, is waarom u hebt gewonnen of waarom niet. En als dát voor te veel druk zorgt boven op al het andere, tja, het spijt mij zeer, ik zal het blijven vragen.