Verhaal over marathon onder de twee uur in De Morgen van maandag 14 oktober 2019

Marathonrecord: straffe maar geen zuivere koffie

Twee uur lang leverde een Keniaan in een wit shirt en witte schoenen, te midden van zeven mannen in het zwart met roze schoenen, een van de saaiste en tegelijk meest fascinerende sportprestaties aller tijden. Hij vertrok om 8.15 uur aan 21 kilometer per uur achter een elektrische auto en hield dat 1 uur, 59 minuten en 40 seconden vol. Maar daar zaten zijn hazen en zijn schoenen ook voor veel tussen.

Geen mens is begrensd, luidde de tagline achter de Ineos 1:59 Challenge, het project van de chemiegigant om met de snelste marathonloper ter wereld de 42,195 kilometer onder de twee uur af te leggen. De mens is wel degelijk begrensd, maar er zit meer rek op technologie en het creëren van ideale omstandigheden een rol kunnen spelen. Dat is precies waar het vandaag over ging.

Een eerdere poging daartoe – toen Sub2Hr geheten – was mislukt in de lente van 2017 op het autocircuit van Monza. De bochten waren flauw, maar het waren er toch te veel, en toeschouwers waren er te weinig. In Wenen vandaag stonden ze hier en daar rijen dik langs het lijnrechte parcours op de Praterallee waar Eliud Kipchoge en zijn ‘hazen’ – de hulplopers – vier rondjes en een half liepen. Iets voorbij kwart over tien werd geschiedenis geschreven: zaterdag liep de mens een marathon voor het eerst onder de twee uur.

De wedstrijd was alleen te volgen op de Ineos-livestream en de commentaar was daardoor niet bepaald het meest journalistieke of neutrale ooit. De prestatie van Kipchoge werd in een bui van overdrijving in één adem vernoemd met Sir Edmund Hillary, die als eerste de Mount Everest had bedwongen, en met Neil Armstrong, die in 1969 als eerste een voet op de maan had gezet. Ook de vier minuten-barrière op de mijl van Roger Bannister in 1954 kwam even ter sprake, maar dat was dan weer te veel eer voor Bannister.

Geen officieel record

De superlatieven waren twee uur lang te horen, en dat voor een prestatie die niet verder zal geraken dan het Guinness Book of Records. In een officiële recordtabel of een recordboek zal Eliud Kipchoge niet te vinden zijn, althans niet de 1u59.40 maar wel zijn 2u01.39 van september 2018 in Berlijn, het echte wereldrecord. De tijd van vandaag onder de twee uur blijft de snelste marathonafstand lopend afgelegd.

Dat laatste is geen diskwalificatie. Er is weinig mis met wat Ineos en Kipchoge vandaag hebben neergezet, maar de prestatie verdient enige contextualisering. Neem nu de hazen. Ook het echte marathonrecord kwam tot stand met lopers die het tempo aangaven, maar die worden in echte marathons wel geacht aan de wedstrijd te starten en het zo lang mogelijk vol te houden. Daar wringt het schoentje. Soms lopen ze tot kilometer 25 aan mooie recordtempo’s, tot de hazen wegvallen omdat die geen dertig of meer kilometer tegen 2’50 aankunnen, waarna de recordloper in zijn eentje de klus niet kan klaren.

In Wenen kreeg Kipchoge elke vijf kilometer zeven nieuwe hazen, stuk voor stuk wereldtoppers. Na testen in de windtunnel bij de Belgisch professor Bert Blocken bleek dit de ideale formatie: vijf liepen in een perfecte V-formatie voor hem en twee achter hem, wellicht om de luchtweerstand achter hem te verminderen en om hem op te rapen als hij zou struikelen. Voor de gelegenheid was het asfalt van de Praterallee – 4,8 kilometer – heraangelegd. Onderweg kreeg Kipchoge ook zijn eten aangereikt, waar hij in officiële wedstrijden langs een tafel moet passeren. Er reed ook een auto voor die het tempo aangaf met een laserstraal.

Nog een geluk dat deze prestatie is geleverd door de marathonloper die ook het officiële record op zijn naam heeft, maar dat zal niet beletten dat naar de schoenen zal worden verwezen. Terecht. De parallel met de zwempakken die tien jaar geleden een tsunami aan records veroorzaakten, is niet veraf. De vijf snelste officiële tijden op de marathon zijn allemaal gelopen in 2018 (één) en 2019 (vier) en allemaal op de Nike Vaporfly. Alle andere lopers, inclusief Kipchoge vandaag, liepen op de Vaporfly Next%. Die Next% bewijst dat er nog een procentje loopeconomie werd gewonnen.

Geen enkele atleet wil toegeven dat de schoenen voor die opmerkelijke verbetering hebben gezorgd. Kipchoge zelf deed vorig jaar in Berlijn ruim één minuut af van het marathonrecord, de grootste progressie in meer dan vijftig jaar. Ook onze Belgen Koen Naert en Bashir Abdi lopen op die schoenen en ook zij geven niet graag toe dat de schoen met carbonzool bij hun spectaculaire verbeteringen een rol heeft gespeeld.

De Vaporfly verbetert de loopeconomie. Bij een test aan de University of Colorado lieten zestien lopers tussen 1,59 procent en 6,26 procent verbetering optekenen. Het gemiddelde was die vier procent in de naam van de schoen en dat is niet hetzelfde als vier procent sneller lopen. Kipchoge liep dan nog op een verbeterd prototype van de Vaporfly Next%.

Nogmaals, dit alles – al of niet verboden ideale condities, hazen, auto, laser pacing, asfalt, parcours en de niet verboden schoenen – doet niets af van de fenomenale prestatie van Eliud Kipchoge. Dat op de Nederlandstalige Wikipedia-pagina van de Keniaan het marathonrecord al is vervangen door de 1u59, is evenwel niet terecht. De Engelse deed beter. Daar stond de tijd in cursief met daarbij de correcte vermelding: een experimentele loop over de marathonafstand.

 

 

Marathonrecord-mail

Column ‘Emma of Nina Help!’ in De Morgen van maandag 14 oktober 2019

Emma of Nina? Help!

Dat wordt een lastige, straks als de mail arriveert om te stemmen voor Sportman, Sportvrouw, Trainer en Sportploeg van het Jaar. Sportman, dat lukt nog wel, die zijn niet zo dik gezaaid. Ik denk nu spontaan, zonder lijsten te raadplegen, aan die Matthias Casse, vicewereldkampioen op zijn 22ste in een van de sterkst bezette judocategorieën. Sportploeg? Doe maar de 4×400 mannen zeker na hun eerste WK-medaille? Trainer, dat houden we nog in beraad.

Maar dan, Sportvrouw, help. Emma Meesseman won de titel in de WNBA, dat de Amerikanen met hun gekende bescheidenheid tot het WK voor clubteams hebben omgedoopt. Ze zitten er niet helemaal naast, al wil ik weleens zien wat zo’n Jekaterinenburg, waar Meesseman een halfjaar speelt, zou kunnen inbrengen tegen een Washington Mystics, waar ze het andere halfjaar speelt.

Meesseman had in die titel een cruciale rol. Ze werd niet voor niets most valuable player van de finales. Even terzijde, een kleine correctie: in nogal wat media werd gemakshalve getoeterd dat ze MVP was geworden. Neen, de MVP van de competitie was Elena Delle Donne, haar ploegmaat, en die prijs was al even bekend. Meesseman was MVP van de WNBA Finals, de minireeks van dit jaar vijf wedstrijden om de kampioen aan te duiden.

Geen 48 uur later: gymnaste Nina Derwael stond onder druk van een Engelse die 15 punten had gescoord. Ze kon zich geen misstap veroorloven. Goed dat ze aan die brug met ongelijke leggers niet moet stappen, juist, maar ze moest er na al dat gezwaai en gezwier wel nog van springen en ze heeft een zere voet. Een stapje te veel bij de landing kon haar 0,3 punten kosten en ze had een oefening die 15,2 waard is in normale omstandigheden.

Als laatste van acht was ze aan de beurt. De tegenstand had stappen gezet, dat wist ze, maar zij had er ook gezet. Ze was consistenter geworden, de moeilijkste oefening ter wereld zat in haar systeem ingeslepen. Wat kon fout gaan? Van alles. Ze wist nergens van, niet wat Simone Biles had gedaan, ook niet wat Rebecca Downie had gescoord. En toen turnde ze de perfecte oefening. Gracieus als altijd, met een verbluffend gemak, in een waanzinnig tempo zwierde ze het door het zwerk en de afsprong, daarbij verzette ze geen teen. 15,233 en wereldkampioene voor het tweede opeenvolgende jaar.

Kunnen we prestaties in twee zo totaal verschillende sporten, van twee zo totaal verschillende sporters vergelijken? In de ene sport eindigt het bij 1,70 meter, de lengte van Nina Derwael. In de andere begint het bij 1,70 meter en Emma Meesseman is 1,93 meter. Vergelijken is onmogelijk, maar die ene keer voor de Sportvrouw van het Jaar en al die andere prijzen zal het toch moeten.

Zowel basketbal als gymnastiek is een wereldsport. Van alle continenten komen ze om prijzen te winnen, al heeft basketbal in tegenstelling tot gymnastiek ook Afrikaanse inbreng, waar gymnastiek dan weer een sterker Aziatisch contingent tegenover zet. Meesseman speelt een ploegsport en is deel van een geheel, maar die titel van MVP en haar statistieken zijn een individuele prestatie waard. Zonder haar had haar team niet gewonnen.

Her en der zullen stemmen opgaan om twee prijzen toe te kennen. Tegen dat kleindenken moeten we ons te allen prijze verzetten. Een sportland moet leren omgaan met luxe en zal moeten trancheren: Derwael die zichzelf opvolgt als Sportvrouw, of toch Meesseman.

In betere sportlanden is ooit nog wel een ander criterium gehanteerd toen ze er niet uit geraakten. De sportvrouw van 2000 in Nederland werd wielrenster Leontien van Moorsel, die drie keer goud had gewonnen op de Spelen van Sydney. Geen discussie mogelijk met drie keer goud? Toch wel. Inge de Bruijn, de zwemster, had ook drie keer goud gewonnen en zwemmen was en is een veel mondialere sport dan vrouwenwielrennen. Toch kreeg Van Moorsel de prijs. In Nederland zijn het de atleten die kiezen en die vonden Van Moorsel bijna zonder uitzondering sympathieker dan De Bruijn. Ik heb hen allebei gekend en voor die keuze viel wat te zeggen.

Ik heb Derwael één keer ontmoet, vier jaar geleden. Aardige meid, heel voorkomend, niks op aan te merken. Idem voor Meesseman, die ik nooit heb ontmoet maar van wie alle medespeelsters vol zijn. Ook dat criterium biedt geen soelaas.

Mijn stem zal het verschil niet maken en daarom ga ik voor Meesseman op één en Derwael op twee. Dat is geen waardeoordeel maar puur subjectief: mijn verste herinnering van sport was toen ik als kind meeging met mijn basketballende moeder. Een stem als een eerbetoon aan mijn mooie jeugd, mag dat?

Emma of Nina? Help

Verhaal over Nike, rebels en niet omkijken in De Morgen van zaterdag 12 oktober 2019

Nike: rebels en nooit omkijken

Discutabele records of pogingen daartoe, zoals dit weekend. Racisme. #MeToo. Discriminatie. Te lage lonen. Atleten op het slechte pad. Technologische en gewone doping – al of niet vermeend. Niks kan marktleider Nike raken. Controverse verkoopt. 

Als de weersvoorspellingen uitkomen, doet Eliud Kipchoge vandaag zaterdag in Wenen een nieuwe poging om de marathon te lopen onder de twee uur.

Op het autocircuit Monza had hij in 2017 26 seconden te veel nodig. Op de Weense Praterallee die hij na een aanloopstrook van 1,2 kilometer bereikt, zal hij vier rondjes van telkens 8,6 kilometer lopen, draaien aan de twee rotondes en dan nog een vijfde rondje niet helemaal afmaken. Totaal: 42,195 kilometer. De Ineos Challenge 1.59, heet het project.

Kipchoge wordt gemend door 41 hazen, van de bes-te lopers in de geschiedenis die zich ten dienste stellen van de stunt. Hij draagt voor de gelegenheid ook gloednieuwe hoogtechnologische schoenen met een carbonzool, de Vaporfly Next%, een upgrade van de Vaporfly 4% waarmee hij in Monza liep. Hij zou er een volle procent aan loopeconomie door winnen en Kipchoge heeft maar 0,35 procent verbetering nodig.

Als het record wórdt gebroken, zal iedereen wijzen, of de beschuldigende vinger uitsteken, níét naar Ineos, ook niet naar Kipchoge zelf, maar naar Nike. Het commentaar zal variëren van bewondering tot bedrog, maar de consensus zal zijn: een marathon onder de twee uur, dat moeten de schoenen zijn. 35 jaar na de iconische eerste Mars Blackmon-commercial van Spike Lee met hoogvlieger Michael Jordan – ‘It múst be the shoes’ (zie YouTube) – zullen ze bij Nike glimlachen: de cirkel is rond.

Ook toen was er van alles te doen over de schoenen van de (ook zwarte) man die namens Nike marktleider Reebok zou verdringen. De NBA wilde de rood-zwarte schoenen zelfs verbieden, want niet in lijn met de kledingregels van de NBA, maar ook toen trok Nike zich niks aan van de heisa. Wel integendeel, 35 jaar geleden werd controverse de brandstof voor een nooit geziene dominantie van de wereldmarkt van sportgoederen.

De primeur was voor 1987, toen Nike bij Yoko Ono de rechten kocht op de song ‘Revolution’ van John Lennon. In een van de weinige interviews die oprichter Phil Knight ooit gaf, aan de Harvard Business Review in 1992, gaf hij toe dat marketing de sleutel was voor het succes van Nike. “We hebben altijd geloofd dat je de consument wakker moest schudden. Niemand zal hetzelfde kopen als ze steeds hetzelfde verhaaltje horen.”

Nike capteerde de tijdgeest van de Amerikaanse popcultuur en bracht die in de sport. De Nike-commercials zijn een eigen leven gaan leiden en werden een subcultuur. Ze kwamen uit de koker van jonge creatives van het toen nog exclusief Portlandse agentschap Wieden&Kennedy, inmiddels een wereldwijde speler. Daarin zat ook al de filosofie verscholen van ‘gewoon dóén en vooral niet omkijken’.

Basketbalster Charles Barkley bijvoorbeeld, die in 1993 in een filmpje zegt “Ik ben betaald om tegenstanders te slopen op basketbalvelden en niet om (tegen de ouders) jullie kinderen op te voeden.” Schande, want dat ging in tegen de heersende Amerikaanse cultuur van rolmodellen. In 1995 kwam Nike dan weer met een iconische campagne If You Let Me Play, opgebouwd rond jonge vrouwen die de kans moesten krijgen om aan sport te doen. In bijna alle recente reclamecampagnes en spotjes figureren minderheden en is diversiteit een thema, zonder dat het drammerig wordt.

In 1988 portretteerde Nike een tachtigjarige recreant-loper in een campagne. Een jaar later was het de beurt aan de eerste zichtbare paralympiër om in primetime zijn verhaal te doen. In 1995 volgde een hiv-positieve loper. Meer recent was er de campagne voor meer gelijkheid in de maatschappij, in navolging van de gelijkheid in de sport, en in datzelfde jaar volgde een reclame met vijf moslimvrouwen met als tagline ‘What will they say about you?’

1988 was een cruciaal jaar. Nike was in 1980 al eens marktleider geworden ten koste van Adidas en bouwde die voorsprong later uit met Michael Jordan, maar ineens boomde de fitnessrage en werd Reebok twee jaar lang het eerste sportmerk in de VS.

Pas drie jaar later was Nike weer on top of the world. In 1988 volgde dan die opmerkelijke advertorial op de Golden Gate-brug in San Francisco met de tachtigjarige jogger Jim Stack die zeventien miles per dag liep en waarin hij ongevraagd meldt dat hij zijn valse tanden thuis laat liggen als hij loopt. Het contrast met superatleet Michael Jordan kon niet groter zijn. Aan het eind verschenen dezelfde drie woorden: Just Do It.

Die hadden een speciale lading, want ze waren een variant op ‘Let’s do it’, wat een ter dood veroordeelde wel eens pleegt te zeggen op weg naar zijn executie. Phil Knight had bij de eerste presentatie van Just Do It gezegd: “I don’t need this shit.” De reclamejongens vroegen om hen te vertrouwen en de rest is geschiedenis.

Hoe groot en machtig Nike wel is? De waarde wordt geschat op 128 miljard dollar. Het stelt wereldwijd 40.000 mensen te werk. Oprichter en aandeelhouder Phil Knight bezit 32 miljard euro en is nummer zestien op de lijst van rijkste Amerikanen.Met 34,35 miljard dollar voor het laatste fiscale omzetjaar, en stevige winst, is Nike even groot als de eerste vier achtervolgers opgeteld, zijnde Adidas, Under Armour, New Balance en Puma. De naakte omzetstijging van 11 procent is de grootste deze eeuw.

Daarmee zet Nike de analisten een neus. Die hadden gevreesd dat de versie 2018 van Just Do It in hun gezicht zou ontploffen. Die ronduit activistische campagne had als hoofdrolspeler Colin Kaepernick, de American footballspeler die knielde tijdens het volkslied uit protest tegen het politiegeweld op zwarten in de VS. Kaep werd daarvoor gevild op Twitter door Trump en de helft van de Amerikanen vonden zijn protest maar niks, maar Nike gaf uitgerekend hem een hoofdrol en vooral een stem. De tagline van de campagne was ‘Believe in something, even if it means sacrificing everything’. Geloven in zijn zaak, dat deed Kaepernick, en hij gaf ook alles op, want hij kreeg geen nieuw contract meer in de NFL.

“Vraag je niet af of je dromen gek zijn. Vraag je af of ze gek genóég zijn. Ze zijn gek tot je ze doet. Just do it”, zo eindigt Kaep – compleet met afrokapsel – zijn commercial. De reacties waren nochtans furieus. De hashtags #JustBurnIt en #BoycottNike deden het erg goed op de sociale media. Trump triomfeerde en voorspelde een neergang voor Nike. Goed bekeken van Nike, vonden marketeers in de VS. Bij de jonge bevolking bedroeg de steun voor Kaepernick tussen de 80 en 90 procent.

De polarisering rond Nike was heftig en is dat nog steeds. Nike-schoenen werden in het openbaar verbrand en het logo gebannen. De voorzitster van de Amerikaanse gymnastiekbond Mary Bono tweette een fotootje van haar golfschoenen waar ze het Nike-logo met zwarte stift had overschilderd. Dat was buiten de zwarte topgymnaste Simone Biles gerekend. “*Mouth drop*”, reageerde de (door Nike gesponsorde) gymnaste sarcastisch. “Neen hoor, we hebben geen slimmere voorzitter nodig en ook geen sponsors of zo.” De Republikeinse Bono trad daardoor na vier dagen CEO-schap al terug.

Vandaag is Nike een hoofdrolspeler in de Amerikaanse cultuuroorlog en verkoopt en passant voor miljarden dollars rebellie aan vooral millennials in de vorm van schoenen en kledij voorzien van een merksymbool dat stamt uit de Griekse oudheid. Het Griekse niké, vandaar naaikie uitgesproken, betekent overwinning. De swoosh is de vleugel van Athena Nike, godin van de overwinning, zoals zij op de Akropolis in marmer is vereeuwigd.

Vandaag mag Nike dragen dan een statement zijn, ooit stond Het Product centraal: betere, lichtere, schokdempende schoenen voor lopers. Nike-oprichter Phil Knight begon als schoenenverkoper van een ander merk, Tiger, vandaag beter bekend als Asics. Vanuit de laadruimte van zijn pick up leverde hij schoenen op loopwedstrijden die begin de jaren 70 in de VS als paddenstoelen uit de grond schoten.

Samen met zijn coach Bill Bowerman zocht de ex-atleet naar schokdemping voor de harde ondergrond waarop ze moesten trainen. Bowerman, die het begrip jogging introduceerde in de VS in een handleiding over recreatief lopen, goot rubber in een wafelijzer en het prototype van de wafelzool was geboren. Hun bedrijfje Blue Ribbon Sports werd de voorloper van het huidige Nike. Bowerman is al overleden. Knight is 81. “Het maakt niet uit hoeveel mensen je merk haten, zolang er meer zijn die van jou houden”, is een bekende uitspraak van Phil Knight. Na de dood van een van zijn zoons in een duikaccident, trad hij nog maar zelden op de voorgrond.

Brave en stoute atleten

Adidas was het eerste sportmerk om te zweren bij ‘endorsements’, commerciële contracten met atleten die materiaal (en vaak ook geld, soms heel veel geld) krijgen om de boodschap uit te dragen. Nike heeft er een kunst van gemaakt om atleten aan zich te binden en dat heeft hen geen windeieren gelegd. Neem nu de basketbalspeler Michael Jordan, die ze in 1984 meteen vastlegden en voor wie ze een paar maanden later de eerste versie van de Air Jordan op de markt brachten. (Later deze maand doet versie 34 haar intrede.)

Inmiddels heeft de grootste sporter aller tijden zijn eigen sub brand binnen Nike. Omzet voor producten – schoenen, maar ook kleding – met daarop het bekende Jordan-logo, de dunkende hoogvlieger met de benen wijd open: 3 miljard dollar. Royalty’s voor Jordan in 2019: 130 miljoen euro, drie keer meer dan de bestbetaalde atleet in de Nike-stal.

Met Jordan nooit problemen, vandaar. Dat was niet het geval met de andere sub brand, gedreven door de ooit beste golfer ter wereld Tiger Woods. Toen die in 2009 door ontrouw en huiselijk geweld in opspraak kwam, moesten ze bij Nike even slikken. Phil Knight kwam met de mededeling “this is part of the game”. “Als je met atleten contracten aangaat, kan dit gebeuren.”

Kobe Bryant tekende in 2003 een vijfjarige overeenkomst ter waarde van veertig miljoen dollar. Enkele dagen later werd hij gearresteerd voor verkrachting. Daar gingen de plannen voor een Bryant-merk naast dat van Jordan. Later werd de klacht geseponeerd en was er sprake van seks met wederzijdse toestemming. Het Bryant-label kwam er nooit.

Bryant, Woods en vele anderen bleven aan boord, maar af en toe moest Nike ook een contract verscheuren. De atleet-sprinter Justin Gatlin, olympisch goud op de 100 meter in Athene 2004, was de eerste bij wie de ‘misconduct clause’, of slechtgedragclausule, werd geactiveerd toen hij werd betrapt op doping. Marion Jones, een andere atlete, vloog in de gevangenis in het laatste jaar van haar contract. Dat werd niet hernieuwd.

In 2007 werd de American footballspeler Michael Vick veroordeeld tot gevangenisstraf voor het organiseren van illegale hondengevechten. Nike verbrak meteen het contract. Toen een vrijgekomen Vick in 2011 opnieuw de pannen van het dak speelde, haalde Nike hem weer aan boord. “Michael geeft zijn fout toe. Iedereen verdient een tweede kans”, was de reactie op het protest van vooral hondenliefhebbers.

Het meeste verdriet van een stopgezet partnership had Nike in 2012 met de ‘klaarblijkelijk onoverkomelijke bewijslast’ tegen Lance Armstrong. Hun steun aan de door Armstrong opgerichte foundation Livestrong ter bevordering van kankeronderzoek bleef echter overeind en vandaag verkopen ze nog steeds 98 producten met de gele signatuur van Livestrong.

Nike had ten slotte geluk dat blade runner Oscar Pistorius, hoewel wereldberoemd, maar een Zuid-Afrikaan zonder onderbenen was en geen valide Amerikaan. De laatste Nike-campagne rond de snelle man op zijn veren had als tagline ‘Ik ben de kogel in de kamer’. Bepaald vervelend, wetende dat Oscar P. kort daarna zijn vriendin Reeva Steenkamp doodschoot. Nike was snel om de campagne terug te trekken. “Dit is een zaak van de politie. Wij geven verder geen commentaar.”

CEO in de problemen

Ze mogen dan al jaren heel ‘diverse’ campagnes maken, ook Nike kreeg al het verwijt dat het racistisch was, of althans ongevoelig voor racisme. En de kritiek kwam van Colin Kaepernick, een van hun gezichten. Dat was afgelopen zomer, toen voor 4 juli, de nationale feestdag in de VS, Nike een Air Max-versie had gemaakt met daarop de Amerikaanse zogeheten Betsy Ross-vlag. Dat is dezelfde Stars and Stripes als van vandaag maar met dertien sterren die dateert uit de Amerikaanse revolutie (tegen Engeland) en wordt net als de confederale vlag uit het zuiden misbruikt in uiterst rechtse blanke sferen.

Kaepernick wees op het gevaar en Nike trok zijn staart in en de schoenen terug. Republikeinen uitten daarop hun woede op alle mogelijke manieren, tot en met het intrekken van staatssteun voor een nieuw Nike-distributiecentrum in Arizona. Ook in linkse kringen krijgt Nike kritiek. “Dat is het lot van de marktleider”, antwoordde Phil Knight daar steevast op. Nike verkoopt rebellie in het noorden met producten gemaakt in het zuiden, waar naaisters – vaak zijn het vrouwen – in slechte werkomstandigheden schoenen en kledij assembleren. Nike greep in bij de eerste klachten en verdubbelde de salarissen tot ze ver boven het landelijk gemiddelde lagen.

De laatste jaren zijn de klachten minder geworden, maar plots kwam Nike vorig jaar in het oog van een andere storm terecht. #MeToo had de weg naar Beaverton, voorstad in de bossen rond Portland, Oregon, gevonden. Daar ligt de hypermoderne Nike-campus en
op die campus werden vrouwen in het verleden lastiggevallen en onheus bejegend of gediscrimineerd. Nog een andere discriminatie werd aangeklaagd door vrouwelijke atleten: in hun contract was een clausule opgenomen dat het Nike-sponsorcontract kon worden stopgezet bij zwangerschap. In The New York Times zei sprintster Allyson Felix dat Nike haar na haar zwagerschap 70 procent minder wilde betalen. CEO Mark Parker tackelde het probleem door een stel toplui de deur te wijzen en de zwangerschapsclausule te laten schrappen.

Dat werd gepercipieerd als een staaltje van doortastend leiderschap, het soort dat een bedrijf nodig heeft als het elk jaar een groei tussen 5 en 10 procent wil halen. Parker haalde zijn targets en bleef mede daardoor altijd buiten schot, tot vorige week.

Normaal was het incident gekoeld zonder blazen – ook omdat het een kleine sport betreft – maar ‘het geval Alberto Salazar’ en het Nike Oregon Project, opgezet om in het langeafstandslopen te scoren met een basiskamp op de Nike-terreinen, dreigt een zware dobber te worden.

Nike heeft geen traditie van een harde aanpak van betrapte atleten, zeker niet als er wat twijfel is rond de schuldvraag. Zo bleef het merk achter Maria Sjarapova staan, ook toen die werd geschorst voor zelf gemeld gebruik van meldonium, een product dat plots in de dopinglijst was opgenomen. Nike geloofde de Russin en bleef haar uitbetalen.

Dat, en ook de late beslissing van Nike om Armstrong te dumpen, heeft destijds kwaad bloed gezet bij de bazen van het Amerikaans dopingagentschap USADA. Toen die in hun vijfjarige onderzoek naar malversaties bij het Nike Oregon Project op mails stuitten van de trainer en de endocrinoloog naar de CEO van Nike, was hun aandacht gewekt.

Nog meer toen bleek dat die mails ook gingen over experimenten met testosterongel die Salazar had opgezet bij zijn zoons en L- carnitine bij een trainer-wetenschapper in hun groep.

Officieel zijn Nike en zijn CEO zich van geen kwaad bewust – “Salazar heeft niks intentioneels fout gedaan”. Hoewel de kans bestaat dat alles te goeder trouw gebeurde, blijft het onhandig van Parker om per mail in discussie te gaan over de minimale hoeveelheid van een verboden middel die nodig is om niet positief te zijn. Voor Nike is er geen vuiltje aan de lucht en de atleten uit de groep kregen vorig jaar al een mail dat er een batterij topadvocaten voorzien was bij problemen en dat de factuur voor Nike was. Slim, nog maar eens.

 

Nike rebels

Column de NBA en de Chinese Muur in De Morgen van zaterdag 12 oktober 2019

Chinese Muur

Van alle Amerikaanse profcompetities zijn de basketballeagues NBA (mannen) en WNBA (vrouwen) de meest libertijnse. Vrije meningsuiting, homohuwelijken (althans in de W-versie), Trump-bashing, Black Lives Matter… You name it, they do it. In het basketbal kan het allemaal, of alvast meer dan in andere Amerikaanse sporten. Maar niet altijd en vooral niet overal. Vrije meningsuiting heeft zijn geopolitieke grenzen, ook in de sport.

Vijftig jaar geleden al waren Bill Russell van de Celtics en Lew Alcindor van UCLA (later beter bekend als Kareem Abdul-Jabbar van de Lakers) bij de bekendste activisten voor gelijke rechten voor zwarten in en buiten de sport. Onder andere daardoor was basketbal tot halfweg de jaren 80 de minst populaire van alle Amerikaanse profsporten. Geen tien jaar later was het een geldmachine zonder concurrentie en dat is het gebleven tot vandaag.

De trigger destijds was de verschijning van de goddelijke Michael Jordan. Hij redde (samen met David Stern) de NBA van de ondergang en zette en passant ook Nike op de kaart als marktleider in de sportgoederenbusiness. De eerste expansiegolf van de NBA dateert van het begin van de jaren 90 toen Dream Team I neerdaalde in Barcelona en met de toenmalige heilige drievuldigheid van het basketbal (Michael Jordan, Magic Johnson en Larry Bird) olympisch goud won.

De NBA werd de eerste Amerikaanse competitie die buiten de landsgrenzen aandacht kreeg. First we take Europe, then the world, was hun devies. Al heel snel viel hun oog op China. Een slimmerik had namelijk uitgevlooid dat voor elke Amerikaan tien sportschoenen in omloop waren. Voor elke Chinees was dat 0,1 sportschoen, dus één paar per tien Chinezen of honderd keer minder. Shirts en andere merchandising: idem. Dat kon beter.

De Houston Rockets gingen in China de beste Chinees Yao Ming (2,29 meter) halen, met de steun van alle andere teameigenaars want wat goed was voor één team, was in de extreem herverdelende NBA goed voor alle teams. De Rockets hadden in 1995 hun historische rode shirt gewisseld voor toen moderne streepjes en keerden snel terug naar het rood, kwestie van de Chinezen extra op te vrijen. Rood en Yao Ming bleken een voltreffer. Elk jaar werd de groei van de NBA in China in dubbele cijfers geschreven.

De Engelse Premier League kan maar dromen van wekelijks 800 miljoen Chinezen die de competitie kijken op smartphone, digitale media of gewoon op tv. De deal met Tencent (internet) en CCTV (Chinese staats-tv) loopt in de miljoenen. Tencent zag in de laatste vier jaar zijn abonnees voor de NBA verdrievoudigen en CCTV tekende meteen voor dertig jaar.

En nu dreigt aan al dat moois een abrupt einde te komen. Door één luttel, vrijwel onmiddellijk verwijderd tweetje van ene Daryl Morey. “Fight for freedom, stand with Hong Kong”, had die geschreven. Tot zijn dollar/ yuan viel en ook die van de NBA, en de Rockets en de NBA over elkaar heen vielen in hun excuses richting China.

Toppunt van dat alles: die Morey is algemeen manager van de Houston Rockets, nota bene het ex-team van Ming en die is dan weer voorzitter van de China Basketbal Association en zag zich verplicht heftig te reageren tegen zijn Rockets. Het Chinese consulaat in Houston was woedend, Chinese bedrijven zegden hun partnership op. De anchor van CCTV kwam met een statement: we houden meer van het Chinese rood dan van het Rockets rood.

De snelle knieval van de NBA werd dan weer op felle kritiek onthaald door zowel de Republikeinen als de Democraten in de VS, waarop de grote NBA-baas Adam Silver moest kiezen: de Chinezen blijven zalven of zijn thuismarkt geruststellen dat hij niet had gecapituleerd voor China. Hij koos voor het laatste: “We zullen de vrije meningsuiting van onze mensen blijven verdedigen.” Voor de tweede keer reed de NBA zich te pletter tegen de Chinese Muur.

De timing voor deze rel kon niet slechter zijn. Niet alleen is er Donald Trump die de Chinezen pest met zijn invoerrechten, net deze week plande de NBA twee oefenwedstrijden in China. Niet met de Rockets, nog een geluk, maar met de Lakers en LeBron James en de Brooklyn Nets en Kyrie Irving. De eerste wedstrijd is donderdag netjes doorgegaan, maar de rechtstreekse uitzending, alle verwijzingen in de straten van Sjanghai, alle speciale festiviteiten, persconferenties en dergelijke meer werden door de autoriteiten afgelast. Spelen, bek houden en opkrassen. Vandaag staat de tweede wedstrijd op het programma. Morgen zal het NBA-circus ervanonder muizen in de hoop dat tegen de start van het seizoen begin november de gemoederen zijn bedaard, thuis, in Hongkong en in Peking.

 

Chinese Muur

Verhaal over Emma Meesseman in De Morgen van dinsdag 8 oktober 2019

Belgische topper ‘met ijs in de aderen’

Vannacht kan een Belgische voor de tweede keer de titel in het Amerikaanse basketbal winnen. Emma Meesseman uit de Westhoek is pas 26 en nu al een van de toppers in de meest mondiale vrouwenploegsport.

‘Playoff Emma is having some fun’, titelde de huiskrant The Washington Post na de halve finales. Daarin speelde Emma Meesseman uit Ieper haast in haar eentje de Las Vegas Aces naar huis. De beelden gingen de wereld rond en na haar dertiger in wedstrijd twee van die halve finale kwamen de tweets uit onverdachte hoek. Kyle Kuzma van de LA Lakers postte, inclusief de schrijffout: ‘Messeman is cash flames.’ Waarop zijn ploegmaat LeBron James replyde: ‘FACTS!!!!!’ en vijf vlammetjes.

De Women’s National Basketball Association (WNBA) mag dan financieel het ondergeschoven kindje van de Amerikaanse profsport zijn – met één salaris van LeBron (32 miljoen euro) kunnen alle WNBA-speelsters drie keer worden betaald en dan hebben ze nog zakgeld over – rise to the occasion weten Amerikanen te waarderen.

Emma Meesseman is op een punt aanbeland waar haar illustere voorgangster Ann Wauters is afgehaakt. Na acht seizoenen in de WNBA en een paar keer heel dicht langs de kampioenschapsring te zijn gepasseerd, kon de toen 36-jarige Wauters met de Los Angeles Sparks eindelijk de titel pakken, na Frankrijk, Rusland, Zuid-Korea en Spanje het vijfde land waarvan ze kampioen werd. Ze speelde door slijtage in haar laatste Amerikaanse seizoen minder dan ooit, maar leverde een niet-onbelangrijke bijdrage op cruciale momenten. Voor Meesseman zou het na Frankrijk (Villeneuve d’Ascq) en Rusland (Jekaterinenburg) de derde competitie zijn waarin ze schittert.

Wauters en Meesseman zijn alleen in lengte te vergelijken. Wauters is 1,95 meter, Meesseman is 1,92 meter. Wauters kende haar gloriejaren als center, onder de borden waar slagen en ellebogen worden uitgedeeld, Meesseman blijft het liefst uit de duels weg. Wauters is handig aan de bal, Meesseman is nóg handiger. Wauters gooide heel af en toe een driepunter, Meesseman scoort deze play-offs de threes tegen meer dan 40 procent. Wauters kreeg nooit de erkenning die ze verdiende, wordt Meesseman de Sportvrouw van 2019?

Ze lijkt daardoor meer en meer op de vrouwelijke versie van Dirk Nowitzki. De levende legende van de Dallas Mavericks is ook zo’n Europeaan op wie niemand een etiket kon plakken. Lang en toch geen center, een shooter die zowel met het gezicht naar de ring als fadeaway (jumpshot terwijl je achteruit springt) kon scoren en de balbehandeling van een spelverdeler.

Schitterend hoe Meesseman zondag eerst met drives scoorde en toen de boulevards werden gedicht haar boomlange verdedigster naar de driepuntlijn meenam. Daar zette ze een actie op (pick and pop voor de kenners), waarna ze vrij kwam en de ene na de andere driepunter zoefde door het net. Die derde finalewedstrijd waarin moest gewonnen worden in Connecticut jaste ze in het vierde kwart dertien punten binnen. Haar ploegmaat Elena Delle Donne zei het eerder al deze play-offs: “Meesseman heeft ijs in haar aderen.”

Haar coach bij de Belgische nationale ploeg, de Belgian Cats, is Philip Mestdagh. Hij coachte haar ook in haar jonge jaren, tot ze als jonge Europese speelster van het jaar werd gekozen en een lucratief Russisch contract tekende. “Ik schrik er niet van dat ze zo’n allesbepalende rol speelt in de zwaarste competitie ter wereld. Ze speelt met vertrouwen en coach Mike Thibault (ooit assistent bij de Bulls toen Michael Jordan daar belandde, HVDW) speelt haar uit op haar beste positie. Meesseman houdt er niet van om het gevecht aan te gaan met de boomlange en harde centers. Laat haar maar naar openingen zoeken. De Mystics zijn het ideale team voor haar.”

Wie Meesseman in de WNBA onverstoord aan het werk ziet, kan niet anders dan vergelijken met de nationale ploeg op het Europees kampioenschap van juli. Daar verloren de Belgian Cats in overtime met vier punten hun kwartfinale tegen Frankrijk. Op het EK scoorde Meesseman ook net geen twintig punten per wedstrijd, maar in die kwartfinale leek het alsof ze aan banden werd gelegd door soms een drievoudige verdediging, waarna ze de vrije speelster niet kon vinden.

Haar bondscoach springt in de bres: “Je mag de Cats niet vergelijken met de Mystics, met allemaal speelsters aan wie ze de bal kwijt kan. Bij ons was alleen Kim Mestdagh goed bij shot dat EK.” De statistieken geven Mestdagh gelijk. In die kwartfinale scoorde ze ook 24 punten.

Nog maar 26 en al aan haar zesde seizoen toe bij de Mystics, die haar in 2013 uitkozen als negentiende, in de tweede (kneusjes)ronde. In het tempo waarmee ze zich nu onmisbaar maakt, zou ze de meest ervaren Europese speelster ooit kunnen worden in de VS. Alleen is year round basketball, zoals de Amerikanen dat noemen, zwaar, erg zwaar. In 2018 bleef ze al eens weg uit de VS na jaren een viervoudig programma te hebben gedraaid: de nationale competitie in Rusland, de EuroLeague, tussendoor of erna de Belgian Cats en in de zomer nog eens de WNBA. Geen enkele ploeg die haar wil missen.

Mestdagh: “Een haantje de voorste wordt ze nooit. Ze leidt een team door haar prestaties en staat nog maar aan het begin van haar evolutie.”

Begin november komen de Belgian Cats weer samen voor EK-kwalificatiewedstrijden en in februari nemen ze deel aan het olympisch kwalificatietoernooi.

 

Emma Meesseman

Column over La Thiam in De Morgen van zaterdag 5 oktober 2019

La Thiam

Ik heb mijn Sportvrouw van het Jaar al: Emma Meesseman. Of die nu met haar Washington Mystics al of niet de WNBA-titel pakt, het maakt niet uit. Wat ze heeft gepresteerd in het basketbal volstaat. In Europa bij de allerbesten en titels winnen, in de VS bij de allerbesten en bejubeld worden door LeBron James en dat in de meest mondiale van alle vrouwensporten, wie doet beter?

Oké, de welhaast perfect door het zwerk zwierende Nina Derwael misschien, volgende week in Stuttgart, maar die is al een keer Sportvrouw geworden. Het is nu of nooit voor Meesseman, want volgend jaar begint Kim Clijsters weer te tennissen. In het besef dat die Sportvrouw van het Jaar werd na winst in het onooglijke toernooi van Luxemburg, staat ze na één winstpartijtje tegen de nummer tweehonderd vast weer bovenaan in alle polls.

Nafi Thiam wordt het niet en dat is een goede zaak, in de eerste plaats voor haar. De idolatrie mag nu even ophouden. Een medium schreef: dus toch menselijk. Had iemand daaraan getwijfeld dan? Jawel. De voorbije weken zijn alleen maar lyrische verhalen verschenen over ‘La Thiam’. Zij is de enige Belgische atlete die wereld-, Europees en olympisch kampioen is geworden in haar discipline, hulde daarvoor. Fred Deburghgraeve is de enige andere met een Belgische identiteit, maar hij deed nog een slagje beter en werd wereldrecordhouder.

Nafi Thiam, zo las ik bij ons, zou beter zijn dan Eddy Merckx. Thiam zou de beste atlete ter wereld kunnen zijn, vond een collega, mannen en vrouwen mixed. Dat laatste is onzin en vergelijken met Merckx is drie keer onzin want sporten vergelijken is al lastig, laat staat verschillende seksen en prestaties geleverd met vijftig jaar verschil tussen. Bovendien, als Thiam zo uitzonderlijk is, waarom staat het wereldrecord al 31 jaar op naam van Jackie Joyner-Kersee? Doping? Oké, point taken. Maar waarom is dat Europees record van Carolina Klüft ook al twaalf jaar oud?

Ik wil best een eind meegaan in het enthousiasme voor de meerkamp, maar niet al te ver. Als meerkampers het stadion binnenkomen, dan komt iets binnen. Het zijn geen Ethiopische geraamtes die je ter plekke aan het suikerinfuus zou willen leggen. Ook geen kogelstoters die het stadion binnen waggelen. Ik heb donderdag in een erg masochistische bui het kogelstoten vrouwen uitgezeten
en mij hogelijk verbaasd dat er maar één atlete bij was die haar gewicht omhoog had gekregen door spiermassa te kweken. Bij de rest waren de pondjes overduidelijk door de mondjes gekomen (idem voor de mannen overigens). Na de hormonale check een obesitascheck?

Meerkampers zijn dan weer de mooiste specimen in het atletiekwalhalla. Nafi Thiam en Thomas Van der Plaetsen zijn begiftigd met een goddelijk lijf. Soms worden ze complete atleten genoemd, maar dat verdient toch enige nuancering. Als atleet zijn ze eerder incompleet en dat is ook de reden dat ze in de meerkamp zijn gebleven.

Elk kind dat op atletiek gaat, krijgt alles voor de kiezen: gooien, springen, lopen. De talenten kiezen vervolgens één discipline uit waarin ze goed zijn en gaan zich vervolmaken. Weinig tot geen kinderen kiezen ervoor om in de meerkamp te blijven. Het is meer hun gebrek aan talent niet voor het ene, niet voor het andere dat hen in die richting duwt. De minderheid blijft daar ook hangen, de rest haakt gewoon af. Meerkamp is geen bewuste keuze voor een godenstatus in de atletiek, maar ook een beetje een zwaktebod.

Wat hiervoor staat, is vloeken in de kerk, maar de meeste Belgische atleten en kenners (niet uit de meerkamp) denken off the record hetzelfde. Die lofbetuigingen aan het adres van Thiam vinden ze een beetje overdreven. Ze wijzen erop dat ze geen progressie heeft gemaakt op haar zwakke punten. In een whatsappje gisteren (naam en adres bij de redactie bekend): “Wat heb ik gezegd? Time to go to work, Nafi.”

Ze was eenoog in het land van de blinden en dat vond ze cool. Alleen is er nu een andere eenoog bij gekomen en die heeft haar zowaar geklopt. Minder cool én een probleem. Katarina Johnson-Thompson verloochende haar roots en de Britse meerkampschool en ging bij de Franse wereldrecordhouder Kevin Mayer trainen. Met succes. Niet Thiam maar KJT is voortaan de meest complete incomplete atlete van de wereld en als Thiam dat nog wil omdraaien zal ze zich mogen haasten.

KJT heeft haar achterstand in het werpen verkleind, springt haast even hoog en ver en is heel wat beter in de loopnummers waarin ze ook nog beter wordt. Voor Thiam ging het tot nog toe vanzelf door een gebrek aan tegenstand. Als ze olympisch kampioen wil worden, zal ze harder, beter en gerichter moeten trainen, misschien met andere, gespecialiseerde trainers. De speeltijd is voorbij.

 

20191005_De-Morgen_p-19-mail

Verhaal over Alberto Salazar: top of donkere magie? in De Morgen van zaterdag 5 okt 2019

Top of donkere magie?

 

De beste langeafstandscoach in de historie van de atletiek is uit de sport verbannen voor vermeende inbreuken tegen de dopingregels. Maar Alberto Salazar, gesteund door zijn atleten, Nike en een hele rits anderen, laat het daar niet bij en stapt naar het TAS.

Zes jaar na de eerste geruchten over grensoverschrijdend medicinaal gedrag in het Nike Oregon Project denkt het Amerikaanse antidopingagentschap Usada eindelijk genoeg bewijs te hebben om Alberto Salazar (61) en zijn endocrinoloog Jeffrey Brown te schorsen. Salazar zou zich hebben bezondigd aan het in bezit hebben en transporteren van testosteron (wellicht voor eigen gebruik), het promoten van infusen met L-carnitine (een niet-verboden voedingssupplement), het bemoeilijken van dopingcontroles en – dé smoking gun, aldus Usada – het toedienen van een te grote hoeveelheid L-carnitine bij een hulpcoach die als haas fungeerde op training.

Conclusie van Usada: Salazar liet winnen prevaleren op de gezondheid van zijn atleten. Straf: vier jaar.

De Nederlandse Sifan Hassan – Ethiopische met een Nederlands paspoort sluit beter aan bij haar fysiologie – had vorige week op de openingsdag van het WK atletiek in Doha in haar 10 kilometer de laatste anderhalve kilometer afgedraaid in 3:59, de negende snelste tijd van het jaar op de 1.500. Hassan (pr van 3:55) trok haar schouders op en grapte na haar wereldtitel op de 10.000 meter nog dat ze met haar coach Salazar ruzie zou moeten maken over welk ander nummer ze in Doha nog zou lopen. Salazar wilde de 5.000, zij de 1.500.

Eergisteren deed Hassan haar zin en liep ze in de halve finale van de 1.500 helemaal van achteren in één ruk naar voren om te winnen. Vandaag in de finale is ze de grote favoriete op die 1.500. Salazar had niks meer te zeggen. Meer zelfs, hij zag zijn accreditatie geannuleerd en werd weggestuurd. Niet door haar maar door de internationale atletiekfederatie IAAF, nadat maandagnacht een bericht was binnengelopen dat Usada een ban van vier jaar had uitgesproken.

Opgejaagd wild

Finally, slaakten velen een zucht. Maar evenveel hadden als reactie: ridiculous.

Eindelijk of belachelijk, top of donkere magie, dat is nu het debat. Niet de minsten sprongen in de bres voor hem. Wereldrecordhouder op de marathon en fervente dopinghater Paula Radcliffe had het net niet over spijkers op laag water en vond dat er te veel energie en geld in dit onderzoek was gegaan. Nike, dat een building op de campus in Beaverton naar Salazar heeft genoemd, bleef bij monde van de CEO vierkant achter hem staan. Het heeft er alle schijn van dat Salazar het juridische apparaat van Nike zal kunnen gebruiken om zijn straf bij het Arbitragetribunaal voor de Sport (TAS) aan te vechten.

Is dit de val van een mythische coach die de grenzen heeft opgezocht en overschreden, of heeft het Usada zijn macht te veel opgerekt? Salazar hééft in een grijze zone geëxperimenteerd. Of zijn atleten daarbij betrokken waren, is zeer de vraag. Wat hem kan worden verweten, is zijn vraag aan de atleten om bij dopingcontroles geen melding te maken van de infusen met het aminozuur L- carnitine. Dat is toegestaan met een limiet van 50 milliliter per zes uur. Salazar zegt daarover dat hij geen slapende honden wilde wakker maken.

Dat op Salazar wordt gejaagd, staat als een paal boven water. De BBC zit al langer met twijfels en vond getuigen die bereid waren een boekje open te doen over zijn Nike Oregon Project (NOP), dat in 2001 was gestart en tot doel had op de atletiekbaan de Afrikanen het hoofd te bieden. De BBC was bovenmatig geïnteresseerd omdat hun eigen Somalische Brit Mo Farah richting Salazar was getrokken. Uiteindelijk zou Usada dertig getuigen vinden om over de al of niet illegale praktijken van Salazar te getuigen, onder wie ex- marathonloopster Kara Goucher en voormalig NOP-coach Steve Magness.

Bij de eerste geruchten was ook sprake van het overdreven toedienen van schildklierhormoon, slaappillen, pijnstillers en astmamedicatie aan zijn atleten, maar van die beschuldigingen is nu geen sprake meer. Wat dan met die andere feiten? Is het toedienen van een infuus aan een hulpcoach die niet in competitie uitkomt wel verboden? Is het toedienen van testosterongel aan zichzelf en aan zijn zoons verboden? Wellicht niet. Is het slim? Ook niet, en de uitleg die daarop volgde – “ik wil weten of mijn atleten niet ongemerkt testosteronzalf krijgen opgesmeerd” – is dat nog minder.

Bewondering voor Armstrong

Salazar kwam in 2015 met een gedurfd statement dat deed denken aan Lance Armstrong, die hij trouwens adviseerde om met L- carnitine te werken toen die weer triatleet wilde worden. “Ze zullen eerder het lichaam van Jimmy Hoffa vinden dan bewijzen tegen mij.” Hoffa was een bekende vakbondsleider met maffiaconnecties die in 1975 verdween en van wie het lichaam nooit is gevonden.

Salazar heeft het Usada en zijn kolerieke baas Travis Tygart met zijn opgestoken middelvinger op de zenuwen gewerkt. Dat Salazar zijn bewondering voor Armstrong nooit heeft verborgen, heeft dat nog versterkt. Dat Nike nooit een prijs betaalde voor de steun aan Armstrong en vierkant achter het Oregon Project van Salazar bleef staan, maakt alles nog erger.

Toch zitten er elementen in het Amerikaanse dossier die het Usada voor het TAS als een boemerang in het gezicht kunnen treffen. Het arbitragepanel van Usada schrijft namelijk letterlijk dat Salazar niet werd gedreven door slechte bedoelingen om dopingovertredingen te begaan. Het panel was zelfs verbaasd over de voorzichtigheid van de betrokkene bij elke nieuwe techniek of substantie in relatie tot de WADA-regels. Een getuige bevestigt dat hij er steeds op hamerde dat de regels werden gevolgd. Volgend aflevering: binnenkort op uw scherm vanuit Lausanne.

HANS VANDEWEGHE

 

 

20191005_De-Morgen_p-18-mail

Column Het Eekhoff-dilemma in De Morgen van maandag 30 september 2019

Het Eekhoff-dilemma

Dit was/is de tijd van de disfunctionele mondiale sportbonden. Welke nu de meest disfunctionele is, de wielerbond UCI of de atletiekbond IAAF, dat juryberaad zal langer in beslag nemen dan de jury er vrijdag over deed om Nils Eekhoff zijn wereldtitel af te nemen.

Wat de atletiekbond bezielde om in de bloedhete zandbak Qatar, Doha dus, een wereldkampioenschap te organiseren op een tijdstip van het jaar dat de temperatuur ’s nachts nauwelijks onder de dertig graden zakt, weet iedereen: geld. Dit WK is een schandaal. Het stadion dat u op televisie ziet – áls u kijkt – en dat leeg is, is open én heeft airco. Qua ecologische voetafdruk kan dat tellen.

De IAAF is een armlastige bond die wordt geleid door een ex-atleet, maar Sebastian Coe worstelt met het verleden. Zijn voorganger Lamine Diack is samen met zijn zoon en naaste medewerkers op de IAAF door de Franse autoriteiten aangeklaagd voor corruptie. Dat ging iets verder dan gewoon geld aanvaarden. Bij Lamine Diack kon je destijds riskante dopingstalen laten verdwijnen tegen betaling. Niet alleen de Russen kenden dat systeem.

U hebt daar tot nog toe heel weinig over vernomen omdat de IAAF graag die vuilnis binnenskamers houdt en de atletiekmedia nooit verder kijken dan startschot en finish. Die donkere episode verdient in al haar glorie te worden belicht: de voorzitter van de grootste olympische bond regelde het verdwijnen van positieve dopingstalen, stak geld in zijn zakken en die van zijn familie en deed ook helemaal niks om in Afrika of Jamaica performante dopingtesten op poten te zetten.

De UCI is dan weer een armlastige en tegelijk archaïsche bond die je alleen maar kunt verwijten dat hij wordt geleid door een stel vleesgeworden voorbeelden van het principe van Peter. Vrij vertaald: een soms competent persoon wordt op een niveau gepromoveerd/verkozen dat hij/zij niet aankan. Twee problemen: je haalt de competentie weg waar die goed werk leverde en je creëert incompetentie op een hoger niveau.

Dat de UCI naar Harrogate ging met dat WK kun je haar niet verwijten. Een WK in de herfst riskeert af en toe regen. Dat de wegen onderlopen, dat had men misschien moeten voorzien en na afgelopen dinsdag is daar terdege rekening mee gehouden. Wielrennen is een buitensport en in tegenstelling tot cricket kan die wel doorgaan in een plensbui.

Een renner drie uur nadat hij een flagrante overtreding heeft begaan zijn wereldtitel afnemen, is dan weer een apart debat waard, dat nog steeds woedt. Zelf ben ik voorstander van een duidelijk reglement: wat niet mag, móét worden bestraft. Binnen redelijke termijn weliswaar en dat is een debat in het debat waard. Is het redelijk om iemand iets af te nemen wat hij op ogenschijnlijk rechtmatige wijze heeft gewonnen als achteraf beelden opduiken die bewijzen dat hij iets heeft gedaan wat onrechtmatig is? Staat de straf (wereldtitel afnemen) in verhouding tot het vergrijp (minutenlang achter een auto aanrijden en af en toe eraan hangen)?

Op het eerste gezicht antwoord je twee keer neen, maar er zijn er die twee keer ja hebben geantwoord en hier tekent zich een interessante breuklijn af. Die ligt niet bij ervaringsdeskundigheid maar bij wat je verwacht van een atleet in relatie tot het reglement. Nogal wat Angelsaksische commentatoren konden zich vinden in de beslissing van de jury. Die draaiden de vraagstelling om: is het redelijk om iemand niet te straffen als die beelden maar laat opduiken? Neen, was hun antwoord. Die calvinisten/lutheranen toch, altijd weer streng in de leer.

Zij kregen tegenwind uit Nederland. Vaak zijn dat calvinisten, maar voor de gelegenheid even niet, begrijpelijk. Ook bijna alle volgers uit traditionele wielerlanden waaronder België stonden op de achterste poten. Die hebben het tot een kunst verheven om nogal laks om te gaan met de regels. Dat komt door onze katholiek geïnspireerde volksaard en is wielrennen niet ooit de meest katholieke van alle sporten genoemd? Analist en ex-wielrenner Eddy Planckaert stelde gisteren in de studio: “Wat men niet ziet mag.” (En komt je fout toch uit, ga biechten en regel een aflaat.)

Het mag, als het niet wordt gezien/ontdekt, is dezelfde redenering waarmee jarenlang dopinggebruik in het wielrennen is vergoelijkt en ontkend. “Ik ben niet betrapt, dus het telt niet.” Wie naar die tijd terug wil, moet zijn hand opsteken. Overigens is het Eekhoff-incident goed begrepen en niet langer een dilemma. Aleksej Loetsenko, een orthodoxe christen, had gisteren ook pech en liet zich netjes terugbrengen tot in het peloton door zijn ploegmaats. Dat hadden de Nederlanders vrijdag ook kunnen doen.

 

Het E-dilemma

Interview Tim Declercq-Yves Lampaert in De Morgen van zaterdag 29 sep 2019

‘Uren op kop rijden, dat is me te saai’ Yves Lampaert

‘Ik kan niks anders, dat is de realiteit’ Tim Declercq

Winnen? Zélf winnen? Dat wordt (erg) lastig. Maar welke Belg zondag ook wereldkampioen op de weg wordt in Yorkshire, hij zal de hardwerkende hardrijders Lampaert en Declercq om de nek vliegen. Een dubbelgesprek met de assistkoningen van het peloton.

Streekgenoten en ploegmaats al bijna tien jaar lang en altijd in de eerste loopgraven van het peloton te vinden, dat schept een band, maar die ene dag in de Vuelta in 2017 stormde het tussen de gezworen vrienden. Ze vertellen het met tranen in de ogen, van het lachen.

Tim Declercq: “Hij vond dat ik moest wachten met op kop te gaan rijden, maar de renners die weg waren, heetten niet voor niks Thomas De Gendt, Alessandro De Marchi en Silvan Dillier, machtig goeie coureurs. Nadat we waren gaan plassen, hadden ze twee minuten en zei ik tegen Yves: ‘Ik ga beginnen te rijden.’ Ik wilde die voorsprong binnen de perken houden. Hij werd woedend: ‘Och gij dommekloot, ge gaat weer alles alleen moeten doen.'”

Yves Lampaert: “Tim is altijd zenuwachtig en getiktakt om op kop te rijden. Ik werd kwaad: ‘Je weet niet wat het is om op kop te rijden. En ik kom je niet helpen.'”

Declercq: “En ik dan weer tegen hem: ‘Ik kan beter op kop rijden dan jij.’ Enfin, dat ging minutenlang door totdat Niki Terpstra naar voren kwam gereden. ‘Jongens, nu stoppen, het hele peloton lacht jullie uit.’ Maar hij voegde er wel aan toe: ‘Tim, jij hebt gelijk, we geven hun geen zeven minuten.'”

Vrienden zijn het, zoals gezegd, streekgenoten, én ploegmaats. Wij spraken hen afgelopen week in Yorkshire waar ze samen trainden – niet in hun vertrouwde Deceuninck-Quick-Step-uitrusting, maar in die van de Belgische nationale ploeg. Zondag wordt het WK hier afgesloten met de langverwachte wegrit, 285 aartsmoeilijke kilometers lang.

Het wordt zondag echt stormweer en het parcours is al niet het meest veilige.

Lampaert (bekijkt de beelden van de voorspellingen): “Liggen wij hier niet juist buiten? Het kan nog veranderen zeker? Goh ja…en dan nog. ’t Zal dan voor de Belgen zijn. Dat ik woensdag in de tijdrit ben gevallen, dat was niet de schuld van het parcours, maar van mij.”

Declercq: “Het asfalt ligt inderdaad wat onregelmatig, maar je hebt best nog wel wat grip, zolang het geen apocalyptische toestanden worden zoals dinsdag met die plassen op de weg. Het zijn soms heel smalle wegen en soms ook lange zware hellingen, maar allemaal nogal ver van de eindmeet. Hopelijk starten ze wat later. 8u40, dat ben ik niet gewend hoor, ik ben een slapertje.”

Lampaert: “We zijn hier al om vier uur binnen, dat is dan vijf uur in België. Ik denk dat het daarmee te maken heeft.” Hebben jullie dit jaar veel samen opgetrokken?

Lampaert: “Het voorjaar waren we wel veel samen, daarna niet meer. Ik heb toen nog gezegd, en het was gemeend: het zal dan op het WK zijn dat we weer samen rijden.”

Declercq: “Zodra het bekend was dat ik niet naar de Tour ging en hij wel, hadden we een totaal ander programma. Ik vond het jammer van de Tour, maar in mijn achterhoofd speelde het idee om mij in de Vuelta te tonen. Het viel wel mee, ik heb mij zonder Yves ook geamuseerd.”

Jullie trainen ook vaak samen.

Lampaert: “Ik woon in Hulste onder Ingelmunster, hij in Houthulst. We treffen elkaar aan het Kanaal Roeselare-Leie en dan doen we onze trainingsritten, zoveel mogelijk met de vaste groep van De Melkerie, met Stijn Steels, Bert Van Lerberghe, Jens Debusschere, Jonas Rickaert.”

Declercq: “Waar onze groepsnaam vandaan komt? Toen we nog allemaal bij Topsport Vlaanderen reden en Dwars door Vlaanderen verkenden, was Bert Van Lerberghe de hele tijd aan het melken of we toch niet te veel hellingen zouden doen. Het komt dus van het werkwoord melken, zeuren.”

Wat zijn de regels op training?

Lampaert: “Onze enige regel is de Strava-regel. (lacht) Als we thuiskomen, en we downloaden onze rit, willen we op het kaartje een schoon rondeke zien.”

Dat lijkt eerder een dwangneurose dan trainen.

Declercq: “Gelukkig zit niet iedereen op Strava, maar de mannen die het hebben, willen na afloop een proper toerke zien op hun laptop. Regel één: dezelfde weg heen en terug is een no-go. Regel twee: kruisingen zoveel mogelijk vermijden maar dat is moeilijk als iedereen van alle windrichtingen komt, dus is het zoeken om voor iedereen goed te doen.”

Lampaert: “Het is toch in de eerste plaats de Strava van Tim waarmee rekening wordt gehouden.”

Declercq: “Niet waar. Die van Rickie (Rickaert, HV) ook. Podium is trakteren, dat is regel drie.” Lampaert: “En dat is altijd voor dezelfde.”

Ja, net nog de Ronde van Slovakije gewonnen, mooi zo. Zes overwinningen dit jaar al.

Lampaert: “Dank u. De koers viel voor mij ook eens in de juiste plooi. Ik had een goeie tijdrit gereden en tweede gesprint op een technische aankomst. Toen Elia Viviani de bonificaties wegpakte in de laatste rit door Arnaud Démare te kloppen in de sprint, was het voor mij. Met één seconde, maar het was genoeg.

“Wat zei jij, zes overwinningen? (neemt de uitdraai van ProCyclingStats en trekt grote ogen) Ik heb maar vier keer gewonnen: twee UCI-overwinningen en twee kermiskoersen, Gullegem en Izegem, en Patrick Lefevere was altijd aanwezig én content.”

Declercq (kijkt mee): “Je hebt al 81 dagen gekoerst dit jaar, méér dan ik.”
Lampaert: “Ik heb een beetje opslag gehad, ik moet een beetje meer werken.”
Declercq: “Als dat het criterium zou zijn, dan moet je veel meer rijden dan ik.”

Niet dat ik het er extra wil inwrijven, maar jij hebt als prof nog nooit gewonnen, dat klopt?

Declercq: “Euh ja, ja, maar ik heb wel twee keer IWT Oetingen gewonnen…”

Lampaert: “Ik wist het, ik wist dat het ging komen. Hij is daar recordhouder.” (gelach)

Declercq: “Jaja, de Internationale Wielertrofee Oetingen, een 1.2 wedstrijd (eendagskoers van de tweede categorie, red.), maar wel met profs. Ik wil de top tien hier leggen hoor.”

Lampaert: “Doe maar…”

Declercq: “Er zitten wrede namen tussen: euh… Silvan Dillier, Loïc Vliegen, Mike Teunissen… Eén keer solo en één keer in de sprint met drie. Toen was ik nog rapper dan nu.”

Lampaert: “Je had ze gewoon karamel gereden, die mannen konden niet meer sprinten.”

Declercq: “Ik ben ooit getest aan de UGent onder de Dexa-scan en daaruit bleek dat ik vooral trage spiervezels heb. Al mijn trainingen en die lange stukken op kop rijden heeft dat nog versterkt. Yves heeft zijn explosiviteit beter behouden.”

Ik heb jullie leren kennen op de stages met Topsport Vlaanderen in Calpe…

Lampaert: “Een schone tijd. En toen konden we niet vermoeden dat we ooit bij de beste renners van het land zouden worden geselecteerd op een heel selectief parcours dan nog.”

Declercq: “Van jou had je dat nog eerder kunnen verwachten dan van mij.”

Lampaert: “Weet je dat wij al samen rijden van bij de beloften, bij Soenens-Constructglass, wat ook geen topploeg was? Met een jaar tussen zijn we allebei bij Topsport Vlaanderen terechtgekomen, een ideale tussenstap, en later bij Lefevere. Had jij niet nog meer dan ik een droom om prof te worden? Je was er toch al ernstiger mee bezig, ook door je studies.”

Declercq: “Totaal niet. Maar ik studeerde bewegingswetenschappen en wilde vooral goed trainen. Pas vanaf het vierde jaar beloften ben ik ervoor gaan leven, nadat ik zevende was geworden in Parijs-Roubaix.”

Tim is twee jaar ouder, komt later dan Yves bij de opleidingsploeg Topsport Vlaanderen, waar Yves al na twee jaar vertrekt en jij, Tim, moet nog een jaar langer wachten om door te stromen. Stak dat?

Declercq: “Ik heb heel veel slechte eigenschappen maar jaloezie is daar niet bij. Ik misjeunde hem Quick-Step niet, maar ik wilde het voor mijzelf ook wel natuurlijk. Voor hem was ik content, bovendien zat ik dat jaar fysiek in het sukkelstraatje.”

Lampaert: “Ik denk wel dat ik een beetje een voorbeeld was voor hem, zo van ‘ik moet dat ook kunnen’. Dat gevoel had ik.” Declercq: (ernstig) “Een voorbeeld wil ik hem nu niet noemen, dat kan tegen mij worden gebruikt.”
Lampaert: “Allee how.”

Declercq: “Het is altijd plezant geweest om met Yves te kunnen blijven trainen. Hij was gemotiveerd om te trainen en hij motiveerde mij ook om te blijven proberen. Ik heb vijf jaar bij Topsport Vlaanderen gezeten en ik dacht al dat ik deel ging uitmaken van het meubilair, maar toen kwam die kans.”

Die je zelf afdwong door een mail te sturen naar Patrick Lefevere: ‘Ik ga geen koersen winnen, maar ik kan wel iets betekenen voor je ploeg.’

Declercq: “Chique van Patrick dat hij inzag dat ik potentie had. Wat ik moet doen bij Deceuninck-Quick-Step, ligt mij beter dan koersen voor eigen rekening bij Topsport Vlaanderen. Ik heb geen explosiviteit: gaan we met vijf, zes of zeven naar de meet, dan ben ik vijfde, zesde of zevende.”

Lampaert: “Yvan Vanmol (ploegarts, HV) kwam op een dag bij mij op de kamer en vroeg naar Tim, hoe dat zat met zijn inhoud en zo. Ik zei: ‘Yvan, om op kop te rijden kun je geen betere hebben’. Begrijp mij goed, Tim heeft het aan zichzelf te danken.”

Jijzelf kon ook naar Trek.

Lampaert: “Ik weet het en ik heb lang getwijfeld of dat niet beter zou zijn voor mij. Quickstep, man, man, wie daar allemaal rondreed toen ik er bijkwam: Boonen, Kwiatkowski, Cavendish, Martin, al mijn helden. Maar mijn moeder heeft altijd gebabysit op de dochter van Luc Maes van onze sponsor Latexco en hij heeft mij richting zijn ploeg geduwd. ‘Jij gaat dat goed doen,’ zei hij en dan heb ik bij Lefevere getekend.”

Wat is jullie status op dit WK?

Declercq: “Die van mij is duidelijker dan die van Yves: 100 procent helper, mij wegcijferen voor de ploeg. Wat voor werk ik precies zal moeten opknappen, dat zal de koers uitwijzen. Het ideaal is dat er een Belg mee voorop is, dan moet ik niet rijden. Maar je zou de teambesprekingen bij Nederland, Frankrijk en Italië moeten kunnen horen. Daar is regel één: géén Belg in de vroege vlucht.”

Remco Evenepoel, gedreven door zijn tijdritzilver, die op één van die hellingen wegknalt, is dat geen mooi scenario?

Declercq: “Dat zullen die andere landen niet toelaten, tenzij inderdaad op een straffe helling, maar dan is het nog ver. Iedereen mag wegrijden, maar als er een van óns aanzet, dan hoor je tak-tak-tak. Dat is het peloton dat massaal bijschakelt omdat we niet zouden wegraken.”

Lampaert: “Dat gebeurt ook tijdens het jaar met onze ploeg. Wij mogen niet mee in de vroege vlucht.”

Welke rol wil jij?

Lampaert: “We hebben twee absoute kopmannen met Philippe Gilbert en Greg Van Avermaet, daarna kom ik met nog wat anderen. Ik zal wellicht ook momenten hard op kop moeten rijden, ik ben daar niet te goed voor. Als het gaat om de koers openbreken, zijn Oliver Naesen en ik wel de geschikte gasten.”

Leg uit alstublieft: de kunst van het op kop rijden.

Declercq: “Je kijkt wie mee is in de vlucht en je schat in wat ze kunnen. Vervolgens kijk je wie komt helpen. Daarna is het simpel: rijden, maar zorgen dat je wat overhoudt, dus checken met de vermogensmeter. Rijden ze niet snel, dan is de vraag: kunnen ze niet harder, of spelen ze ermee? Het gevaarlijkste is een vlucht die twee minuten heeft op twintig kilometer van de finish en ineens vol gas gaat rijden, waarop die info bij ons te laat binnenkomt.”

Lampaert: “Achter Tim zit je goed, hoor. Ik kan mij goed klein maken. Eigenlijk schelen wij niet zoveel in gewicht, maar ik ben aerodynamischer dan Tim en daardoor moet hij veel meer vermogen leveren.”

Declercq: “Toen ik als nieuweling ging testen, zei de prof dat als ik zou gaan roeien, hij mij meteen wilde begeleiden. Ik ben toch blij dat ik in het wielrennen ben gebleven. Het is altijd mijn droom geweest om op kop te kunnen rijden bij Deceuninck-Quick-step.”

Lampaert: “Bij mij was het ook een droom die uitkwam, maar dat urenlang op kop rijden, neen, daar houd ik niet van. Het is mij te saai. Ik maak liever een praatje in het peloton. In de Tour heb ik veel op kop moeten rijden en dat waren hele lange dagen.”

Declercq: “Ik kan niks anders, het is de realiteit. Bij mijn eerste wedstrijd met de ploeg moesten we naar Argentinië en ik reed zo lang en zo hard op kop dat de kranten mij daar ‘El Tractor’ noemden. Dat had wel wat: het past ook beter bij mij dan ‘El Ferrari’.”

Lampaert: “Ik heb een trucje als ik toch op kop moet rijden: ik kan dat niet zo lang en zo hard als Tim, maar ik rij dan een korte tijd zó hard dat ze het geweten zullen hebben. Daar wordt het peloton erg zenuwachtig van en dan komen ze over me en moet ik niet meer op kop. (lacht)”

Declercq: “Onze grootste stunt dit jaar was die waaierrit in de Vuelta. Vanaf kilometer nul. Primoz Roglic was niet mee, die zat toen achterin. Dat was geen plan, we wilden met de ploeg vooraan zitten, er was rugwind en we zijn vol gas gaan rijden. 220 kilometer verder, na 2.800 hoogtemeters en tegen 50 gemiddeld, waren we binnen en winnen dan ook nog eens de etappe met Gilbert.”

In die Vuelta is Timmeke Declercq ook even de grote Alejandro Valverde de les gaan lezen.

Lampaert: “Daar zit Tim niet mee. Voor hem is iedereen gelijk. Het was wel lastig, denk ik, want die Spanjaarden spreken geen Engels. Wat zei jij nu weer: zero class?”

Declercq: “Zero class, ja. Kijk, als iemand valt tijdens volle koers, moet je niet wachten, maar je begint ook niet vol te rijden omdat er is gevallen. Dat ben ik even gaan zeggen, toen Roglic achterop was geraakt en de Movistars begonnen te rijden. Hij protesteerde en stak zich weg achter zijn sportdirecteur. Ik zei hem: ‘Nee neen, jij bént Movistar, dit doe je niet.’ Hij heeft dan ingehouden. ’s Avonds is Jumbo-Visma van Roglic ons komen bedanken.

Lampaert: “Eigenlijk is dat wel een chique type, die Valverde. Altijd vriendelijk, heb je nooit miserie mee. Alleen spreekt hij geen Engels en mijn Spaans beperkt zich tot ‘Todos bien?’ en ‘Caliente hé?’.”

Onder een grote pet van het eigen kledingmerk R.EV passeert Remco Evenepoel onze tafel en zegt slaapwel. Zijn twee DCQS-maats zwaaien en wensen hem een even goeie nacht. Hij heeft die middag de wereld verbaasd door als tweede te eindigen in de tijdrit, de jongste ooit die dat voor elkaar kreeg.

International in het voetbal en international in het wielrennen, en prijzen pakken, dat heeft niemand hem voorgedaan. Zijn lichaamstaal is wel nog steeds die van een voetballer.

Lampaert: “Ja, maar hij heeft de beroepsernst van een triatleet. Zijn schema volgt hij nauwgezet, hij leeft totaal voor zijn sport. Alles is met een bedoeling: de beste worden. Zo’n attitude, zo’n persoonlijkheid, dat wordt een leider: ik was van dag één onder de indruk. Geen druppel alcohol ook.”

Declercq: “Toen we daarnet zijn medaille met een druppelglaasje bubbels vierden, schonk hij in, maar bleef er zelf af.”

Lampaert: “Toen op de eerste stage het glas toch tot aan zijn lippen werd gebracht en de groepsdruk groot was, bleef hij neen zeggen. Tim heeft toen gezegd ‘stop’.”

Declercq: “Hij wilde niet en een mens heeft toch het recht om geen alcohol te drinken? Hij liet zich niet intimideren. Chapeau.”

Lampaert: “Zijn overwinning in San Sebastián, pfff, nooit gezien. Allee, goed gedaan Remco, mee tot op 30 kilometer en moeten lossen, normaal jongen. Olala, hij komt nog eens terug, mooi zo. Wablief, hij brengt ook nog bidons? Klasse hoor, koers geslaagd. Watteuh? Hij is zelf gaan aanvallen. Zot, ze pakken hem wel terug. Neen dus. Wreed manneke.”

En wat met die andere Poel?

Lampaert: “Een fenomeen, Mathieu van der Poel. Zo’n machtsmens, die sprinten in de Ronde van Engeland, jongens. Het is te hopen dat hij nog veel gaat mountainbiken en crossen en een beetje minder bij ons komt rondrijden (lacht).”

Declercq: “Talent is soms universeel. Mathieu heeft dat. Die kan wellicht alles goed. Pingpongen zal hij ook winnen. Net als Julian Alaphilippe: hij koerst als de beste, maar laat hem drummen, de beste, dansen, de beste, bowlen, de beste. In Livigno zijn we op een boksbal gaan slaan voor punten: daar was hij ook de beste in.”

Oké, en nu de vraag van tien miljoen: je raakt voorop met Alaphilippe, Van der Poel, Trentin, en jullie ploegmaat Alaphilippe rijdt van jullie weg. Wat doe je?

Lampaert: “Als ik kan meespringen, dan spring ik mee. Herinner je je het WK in Bergen in 2017 nog? Toen reden Gilbert, Alaphilippe en Terpstra, allemaal van onze ploeg, ook achter elkaar aan. Dat is even lastig, maar dat is niet blijven hangen. Die ene zondag zitten we niet in dezelfde ploeg. Je kunt er enerzijds alles aan doen om iemand van de Belgen te laten winnen en anderzijds toch vermijden dat je iemand van de ploeg die jou betaalt in het verlies rijdt. Dus, als Alaphilippe wegspringt, is het aan die twee anderen om te reageren want die weten ook dat wij ploegmaats zijn. Dat kan in mijn voordeel uitdraaien.”

Declercq (droog): “Ik ben al lang blij dat mij dit niet zal overkomen.”

 

Yves Lampaert-Tim Declercq

Column R.EV 1703 in De Morgen van zaterdag 28 sep 2019

R.EV 1703

Woensdag in de mixed zone – de tijdrit voor de profs was volop aan de gang – slaakte een deel van de media een zucht van opluchting toen de eerste tussentijd van Rohan Dennis op het scherm verscheen. Een collega zei droog: “Remco mag wereldkampioen worden, maar niet als ik moet werken.” Dat kan als toppunt van cynisme overkomen voor wie niet in het vak zit. Dat is het niet en dat leg ik even uit.

Eerst dit: nogal wat journalisten vereenzelvigen zich met hun onderwerp, laten elke relativering varen en krijgen een natte broek, c.q. vallen in katzwijm als ze hun action heroes mogen aanschouwen. Sommigen sportjournalisten hebben daar ook last van, maar na een tijd in het vak mindert dat al snel. Althans bij de meesten onder ons. De gewaardeerde collega die ons aan het lachen kreeg woensdag, behoort zelfs tot de jonge garde, die heeft het dus snel begrepen.

Zijn achterliggende redenering was deze: bij een eventuele titel van Evenepoel zou het thuisfront van nieuwsmanagers, adjuncten, halve en hele hoofdredacteurs tot en met de voltallige eindredactie prompt zijn gaan samenzitten om hele katernen vrij te maken om de nieuwe held van alle zijden te belichten. Waarbij de reporters ten velde alles van a tot z over de held zouden moeten neerpennen en ook iedere Belg in Harrogate en daarbuiten vragen wat hij/zij ervan vond.

Bij tussentijd twee was het ongeveer duidelijk dat bij een normaal verloop zonder calamiteiten Remco Evenepoel niet zou winnen. Bij elke bocht van Dennis zag je collega’s denken: wees verstandig Rohan. Bijna ging het toch nog mis. Hij deed op een haar na een Van Aertje, scheerde langs de dranghekken, maar het liep goed af. Remco werd tweede en niet pechvogel Campenaerts, die ook zonder die pech een kwaaie klant had gehad aan zijn veel jongere collega.

Het is nu officieel: er zijn geen goede excuses meer om Remco Evenepoel niet in de categorie fenomenen in te delen. Of aliens in de sport, dat mag ook. Vergeet de “ja, maar”, gevolgd door “die was er niet”, “het was niet de juiste periode van het jaar” en wat al niet meer. Die jongen tart alle wetten van de sport en daarmee gepast omgaan, is een beetje lastig. Dat geldt voor de pers, maar ook voor de entourage. Zowel zijn ploegbaas Patrick Lefevere als papa Patrick vonden het geen slechte zaak dat Rohan Dennis er nog een niveautje boven uitstak. Of ze dat menen? Misschien wel. Diep van binnen? Ik denk het niet.

Remco Evenpoel ís een fenomeen. Noem mij één andere die zowel voor nationale selecties van het voetbal als het wielrennen is opgeroepen. En die prijzen heeft gepakt. Noem mij één andere die op die jonge leeftijd al die prestaties levert, die branie tentoonspreidt, die teksten debiteert. “We gaan nog wat meemaken met dat gastje”, zei een collega. Ook daarmee kan je alle kanten uit.

Dat hij nog veel zal winnen. Eind vorig jaar was het nog gissen hoeveel progressie nog in hem zat, omdat hij op jonge leeftijd al zwaar had getraind. Dat is achterhaald. Deze jongen zal nog progressie maken, hoeveel is onduidelijk maar ook onbelangrijk. Wie in San Sebastian met het peloton speelt, kan veel koersen winnen.

Dat hij sterallures zal krijgen en dat hij overal lak aan heeft. Neem dat gedoe met die sokken. Hij prutste net na de start halfweg zijn scheenbeen en kwam daarna met een uitleg dat zijn BOA-sluiting haperde. Onzin, dacht ik direct. BOA-sluitingen zitten op de koersschoenen en niet op je scheenbeen. Later gaf hij toe dat hij de sok die hij verplicht had moeten laten zakken, weer optrok. Dat is dus lak hebben aan alles, want daardoor flirtte hij met de uitschakeling.

Dat hij een voetballer is die toevallig is beginnen te koersen (wat helemaal klopt) en zodoende ook een andere attitude in de koers heeft geïntroduceerd. Als je hem door het hotel ziet sloffen onder zijn grote pet van het eigen kledingmerk R.EV 1703, dan denk je spontaan aan een voetballer. Zelfs de jonge VDB had niet de branie en de guts van Remco Evenepoel. Wel een kledingmerk, maar dat kwam te laat.

Denk nu maar niet dat Remco Evenepoel is gekomen om morgen mee te rijden en tot in de finale nog wat bidons te brengen. Misschien dat de anderen dat van hem verwachten, ten slotte is de koers een milieu met een strenge hiërarchie, maar ook daar heeft hij lak aan. Ik denk dat hij morgen op de lastigste van de hellingen nog voor ze terug zijn in Harrogate een zware cartouche zal afschieten. Dat hij zal voorop geraken, alleen of met nog een paar, en dat hij vervolgens zal rijden om voorop te blijven en dat de andere landen lang zullen mogen jagen om hem terug te halen. Morgen blijft hij niet voorop. Nog niet. Hoewel.

 

Remco R.EV 1703-mail