Column 2 uit Tokio: Brief van een leproos in De Morgen van zaterdag 17 juli 2021

Brief van een leproos

Dit is de eerste column uit Tokio, waar normaal over een week de Olympische Spelen moeten beginnen. Normaal, ja, want je weet nooit. Dat ligt niet aan de Spelen, ook niet aan corona – of een klein beetje – maar aan de Japanners en hun overheid, panisch als ze hier zijn voor virussen en bacteriën.

Ik was niet de eerste journalist die afgelopen dinsdagochtend in Tokio arriveerde. Wel de eerste Belgische journalist, voor zover ik weet. En zeker de eerste in de Toyoko Inn Tozai-sen Nishi-kasai in Edogawa-ku.

Edogawa is een stadsdeel van Tokio, een beetje naar het oosten gelegen. Nishi-kasai is het station op de metrolijn Tozai-sen. De wijk is niks bijzonders, relatief nieuw, maar wel gezellig en net, met kleine straatjes, her en der een hotel. Zoals het mijne, ook niks bijzonders.

Dit weekend komen nog journalisten, heeft de receptie mij verteld. Ik begrijp de receptie alleen als dat donkere meisje werkt. Zij komt uit Sri Lanka, vandaar dat ze Engels spreekt. Not good, zei ze over haar Engels. Ik heb haar op het hart gedrukt dat ze een multilinguaal wonder is te midden van 126 miljoen anderen die hooguit vier woorden over de grens spreken: yes, denkjoe, ok en bye bye.

Die taalkloof is een probleem. Aan eten geraken is een issue als je in quarantaine zit en niemand je begrijpt. Ik wil het zien als de Nederlanders hier arriveren. Dat ontbijt, holy crap. Als dat niet verandert, krijgen we hier oorlog: Japanners en Nederlanders en oorlog, dat heeft een geschiedenis. Er zit ook geen restaurant in het hotel en vanaf de dag van aankomst dinsdag tot en met gisteren moest ik in het hotel blijven.

Verhongeren dan maar? Ook niet, want er is Uber Eats als optie – zopas voor 30 euro sushi besteld. Ik heb nu pas begrepen dat alleen Lawson’s, een buurtwinkeltje zonder chocolade, in aanmerking komt voor een snel bezoek. In principe zouden dan alle Japanners de winkel moeten hebben verlaten en dan pas mag ik, de buitenlandse leproos, mijn inkopen doen.

Daar veeg ik mijn voeten aan. Ik ben al drie keer gewoon mijn hotel buiten gelopen naar de Family Mart iets verder, die is groter en ze hebben er betere chocolade. Tien minuten mag dat bezoek duren, maar in de gids ‘soft quarantaine’ die we hebben gekregen, staat vijftien minuten. Dat is dus oprekbaar. De man op de foto hierbij schrijft alle bewegingen nauwgezet op: wanneer ik buiten ga, wanneer ik terugkeer. Japanse hotelgasten kijken raar op als ze door hem streng worden aangemaand niet met mij in de lift te stappen.

De suppoost moet overbrieven wat ik doe en vooral wat ik niet doe, zoals binnen blijven. Ook de gewone Japanner mag ons fotograferen, zo staat in de gids, en als we dan op sociale media verschijnen kan de quarantainebrigade een onderzoek instellen en ons naar huis sturen. Bij elk bezoek aan de lobby kijk ik de man streng aan en net na het ontbijt gisteren heb ik hem gefotografeerd. Dat vond hij niet plezant, dat kon ik zo zien. Kan mij geen bal schelen. Hoe miserabel moet je leven zijn om met zo’n kepi op en witte handschoentjes aan twaalf uur aan een stuk aan een tafel in een hotellobby te zitten en op te schrijven wie wanneer binnenkomt?

Via Google Translate heb ik alle personeel aan de receptie al laten weten dat ik thuis drie PCR-tests heb gehad, ben gecontroleerd op de luchthaven na het landen en dat vandaag de Japanse overheid mijn eerste spuug is komen halen. Verder moet ik in de speciale app elke dag mijn temperatuur invullen en die is ook minder dan 37 graden, hoewel ik geen thermometer mee heb. Ten slotte heb ik mijn Europees covidpaspoort laten zien en gezegd dat ik dubbel ben ingeënt. Dat maakte wel indruk. Tijdelijk. Behalve voor het meisje van Sri Lanka ben ik een lepralijder, een potentiële superspreader, een seriële killer van Japanners, een buitenlander dus.

Die speekseltest, nog zoiets. (Als u aan het ontbijten bent, stop dan met lezen en eet eerst verder. Of omgekeerd.) Woensdag – dag 1 voor de Japanners, terwijl het eigenlijk dag 2 is, maar de dag dat je aankomt is voor hen dag 0 – stond een mannetje bij de balie. Of mister Hansa-san naar beneden wilde komen? En ter plekke in een buisje spuwen. De speekseltest, ik had er over gelezen.

Het spuug moet tot aan het streepje komen. Het buisje is geen centimeter doorsnede, ik daag u uit om daar een beetje proper speeksel in te krijgen. Op de luchthaven dacht ik slim te zijn en wilde het spuug dat van boven was blijven hangen naar beneden blazen. Voor de collega’s die nog moeten komen en dit lezen: niet doen, niet in blazen. Dat vliegt er zo weer uit. Meestal in je gezicht.

Verhaal uit Tokio: Wordt dit dan de gouden generatie? in De Morgen van zaterdag 17 juli 2021

Wordt dit dan de gouden generatie?

Ze zijn met meer dan ooit en volgens de prognoses zullen ze ook meer medailles halen dan ooit. Wie zijn de de helden en heldinnen van het Belgian Olympic Team, wanneer komen ze in actie en hoe moeten we hun kansen inschatten?

Disclaimer vooraf. Wat ook het resultaat wordt van deze Spelen, er valt geen peil te trekken op Tokyo 2020. Of: Tokyo 202ONE, een goed gevonden aardigheidje van de Amerikaanse zender NBC, de de facto eigenaar van de Olympische Spelen. Pas als alle andere ons omringende landen wel beter presteren en België niet, dringt een diepgravende analyse zich op, maar voorlopig staat deze conclusie als een huis: het gaat beter dan ooit met de Belgische sport. Nu nog de prijzen.

Helden en heldinnen van het Belgian Olympic Team, waar komt dat nu weer vandaan? Welnu, ik zat afgelopen maandag samen met de hockeyers op de vlucht(en). Eerst van Brussel naar Frankfurt, een stop-over van drie uur, dan van Frankfurt naar Tokio Haneda. Samen is een rekbaar begrip in een dikke Boeing. Ik vloog business, premium economy had ook gekund, maar met die 200.000 opgespaarde miles en de fin de carrière in gedachten, kon dat eraf.

De hockeyers, de wereldkampioenen met in hun rangen verschillende van de beste spelers in de wereld, vlogen gewoon economy. U leest het goed: geen lounge vooraf en tussenin, geen flight attendant die hen kwam instoppen, geen bed van twee meter, ook geen premium economy, wat meer beenruimte en een betere stoel inhoudt, maar de krappe zitjes. Inchecken, vliegen, uitstappen, dat alles tussen ‘de gewone mensen’.

In Tokio moesten ze nog eens vijf uur wachten op hun aansluitende vlucht naar Hiroshima. In totaal waren ze 24 uur onderweg, de wereldkampioenen. Toen ze in Tokio onderweg naar de speekseltest en andere formaliteiten voorbijliepen – athletes first – kon er nog een “tot volgende week” en een glimlach vanaf. “We hebben wat kunnen slapen, niet genoeg, maar toch”, zei hoofdcoach Shane McLeod. “It is what it is. Australië is nog verder.” Helden dus, jawel.

Het is geen vergelijking, maar toch: de Rode Duivels, halve finalisten op de laatste World Cup, en kwartfinalisten in Europa, reden voor het voorbije EK onder politiebegeleiding met de bus van Tubeke naar Charleroi, stapten op een privévliegtuig naar Sint- Petersburg (twee keer), Kopenhagen, Sevilla en ten slotte München, landden en werden subito presto vanaf de landingsbaan naar hun vijfsterrenhotel gebracht.

121 atleten, 20 sporten

Van de nationale hockeyploeg wordt verwacht dat ze een medaille halen, en niet zomaar een medaille, maar goud. Het goede nieuws is: zij verwachten dat ook van zichzelf.

En zo zijn er nog. In de tsunami aan sporten die over een week op u afkomt, hebben we de Belgische hoop op medailles ten behoeve van uw prioriteitenlijstje onderverdeeld in drie sterren, twee sterren en één ster. Eerst nog even dit: in een ander lijstje hierbij staan de medailles sinds 1988. Waarom 1988? Omdat dit de eerste niet-geboycotte Spelen zijn van de postmoderne sport. In de jaren 80 werd sport onder stuwing van de commercialisering (sponsoring en televisierechten) van een passie een professionele bezigheid. Atlanta 1996 blijven de voor België meest succesvolle Spelen met zes medailles. In Rio in 2016 haalde België ook zes medailles, ook twee keer goud (Greg Van Avermaet en Nafi Thiam), twee keer zilver (hockeymannen en zwemmer Pieter Timmers) en twee keer brons (judoka Dirk Van Tichelt en baanwielrenster Jolien D’hoore), maar tussen Atlanta en Rio is het aantal te winnen medailles gestegen met 15 procent.

Het grote verschil tussen Atlanta en Rio is het aantal sporten: in 1996 scoorden alleen zwemmen en judo, in Rio kwamen daar atletiek, wielrennen en hockey bij. Die tendens heeft zich nu doorgezet.

Dat meer atleten dan ooit zich hebben gekwalificeerd, zegt niet zo heel veel, omdat ook meer atleten dan ooit zijn toegelaten op de Spelen, meer atleten dan ooit hebben afgezegd in sommige sporten en het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité is afgestapt van eigen criteria, en de selectie aan de internationale sportbonden overlaat. Behalve dan in de schandalige niet-selectie van de beloftevolle zwemster Valentine Dumont, waarover het laatste woord nog niet is gezegd.

In extremis was er nog een afzegger deze week. David Goffin die altijd verrassend uit de hoek had kunnen komen in het tennistoernooi, blijft thuis met een enkelblessure.

Het Belgian Olympic Team bestaat dus uit 121 atleten, het blijft een record sinds de invoering van criteria, komende uit twintig sporten – ook een record. Daarbij dient te worden vermeld dat op het programma in Tokio vijf extra sporten zijn toegevoegd in vergelijking met Rio. Slechts in één daarvan – skateboarden street – hebben we deelnemers, een man en een vrouw.

DRIE STERREN

Helemaal bovenaan de lijst met quasi-certitudes op een medaille en een mooie kans op goud staan de wielrenners Wout van Aert en Remco Evenepoel, met de nadruk op die eerste. Van Aert zegt het niet met zoveel woorden, maar hij heeft zijn zinnen gezet op goud in de wegrit op zaterdag 24 juli. Evenepoel ook, het zal er voor beiden op aankomen niet in een scenario terecht te komen waarbij de ene voor de andere moet werken.

Het is te hopen dat bondscoach Sven Vanthourenhout een duidelijke hiërarchie vastlegt. Op woensdag 28 juli volgt dan de individuele tijdrit, met diezelfde twee klasbakken. Daar zou het al vreemd moeten lopen, wil Van Aert geen medaille pakken. Evenepoel is minder een certitude, maar kan verrassen.

Ook op zaterdag 24 juli beginnen de hockeymannen aan hun queeste naar olympisch goud. Zij zijn regerend wereldkampioen en verrassend verliezend finalist van de vorige olympische finale. Inmiddels is de ploeg van toen verjongd maar niet minder getalenteerd. Het verschil met de wereldtop bestaat er nu in dat België beter is bestudeerd door de tegenstand. Al heeft bondscoach Shane McLeod vast wel enkele andere patronen ingeslepen die nog niet te zien waren op vorige toernooien.

In Poule B moeten ze meteen tegen Nederland, dat hen enkele weken geleden in eigen land klopte in de halve finale van het EK. Dat gebeurde met shoot-outs en België was toen nog niet top. Na Nederland volgen nog Duitsland, Zuid-Afrika, Canada en Groot- Brittannië. Ook de vierde gaat door naar de kwartfinales op 1 augustus.

Gymnaste Nina Derwael, regerend wereldkampioene op de brug met ongelijke leggers, komt voor het eerst in actie met de Belgische gymequipe op zondag 25 juli in de allroundcompetitie. De finale is op 29 juli. Haar eigen individuele grote moment zou moeten volgen op zondag 1 augustus. Rond Derwael hangt een mistgordijn. Haar laatste optredens waren niet erg overtuigend, maar Derwael is een klasbak en een koele kikker. Het valt ook af te wachten wat de concurrentie uit China tevoorschijn tovert.

Voor de Amerikanen is Sunisa Lee (18) evenwel de favoriete voor goud op de brug.

Dinsdag 27 juli is de grote dag voor judoka Matthias Casse, regerend wereldkampioen in de -81 kilogram. In de mythische Budokan begint hij heel vroeg in de Belgische ochtend aan een lange tocht naar een medaille. Vijf jaar geleden won hij die al onrechtstreeks als sparringpartner in Rio van de bronzen Dirk Van Tichelt. De judoklasse van Casse is de zwaarst bezette van het mannenjudo. De Israeli Sagi Muki, Tato Grigalashvili uit Georgië (verliezend finalist op het WK tegen Casse maar winnaar op het EK), Vedat Albayrak (Turkije), Saeid Mollaei (Iraniër die voor Mongolië vecht) zijn geduchte tegenstanders – en dan moeten de Japanners nog komen.

Ook een bijna zekere medaille – zonder mentale of fysieke crash – is die van zevenkampster Nafi Thiam die op woensdag 4 augustus aan haar tweedaags toernooi begint. Zeker nu is gebleken dat haar grootste concurrente Katarina Johnson-Thompson (KJT) in december een scheur in de achillespees had opgelopen en pas deze week terug in competitie trad. Dat deed ze dinsdag met een bescheiden 6m10 in het verspringen, 67 centimeter minder dan haar pr dat ze in 2019 vestigde in Doha op de wereldkampioenschappen waar ze goud won ten koste van Nafi Thiam.

Toch is er ook wat voorbehoud aan te tekenen voor de vorm van Thiam. Haar laatste optredens in individuele nummers waren niet altijd even sterk, maar ze beweert op alle onderdelen progressie te hebben gemaakt. Zowel KJT als Nafi Thiam komen in Tokio aan de start in hun eerste zevenkamp van het jaar. Annie Kunz, Erica Bougard en Kendell Williams uit de VS zijn andere concurrentes voor de medailles. Tenzij een nieuwe Thiam opstaat.

Twee sterren

Zeilster Emma Plasschaert (Laser Radiaal) zeilt op zondag 25 augustus voor het eerst weg van het eiland Enoshima in de Sagami- baai (op zestig kilometer van het olympisch epicentrum). Zij zou op basis van haar talent en uitslagen evengoed bij de drie sterren kunnen worden onderverdeeld, maar zeilen blijft een sport waarin toeval een grote rol speelt.

Haar beste resultaten haalde ze in 2018 toen ze wereldkampioen werd en in 2019 toen ze het pre-olympisch event in Enoshima won. Sindsdien zijn de resultaten iets minder, maar de bijter in Plasschaert geeft nooit op.

Op zaterdag 24 juli beginnen tennisdubbel Elise Mertens en Alison Van Uytvanck aan hun toernooi. Eénentwintig jaar na Monami- Callens stevent België in het zwakst bezette tennistoernooi sinds de sport olympisch werd, af op een zogeheten soft medal, maar makkelijke medailles bestaan niet en een prijs blijft een prijs. Zowel Mertens als Van Uytvanck spelen ook het enkeltoernooi en vooral Mertens kan verrassen.

Op zaterdag 31 juli staat de gemengde aflossing triatlon op het programma. Met Valerie Barthelemy, Claire Michel, Jelle Geens en Marten Van Riel, vijfde op het WK van 2020, heeft België een stevige optie op het podium. Individueel heeft Marten Van Riel op zondag 25 juli een kans om te stunten.

Judoka Toma Nikiforov in de klasse tot 100 kilogram kan op donderdag 29 juli dicht bij podium komen, maar evengoed ontgoochelen. De Brusselaar die bij Sport Vlaanderen een contract heeft, is wereldtop. Zijn judo is risicovol en sensationeel.

Wielrensters Jolien D’hoore en Lotte Kopecky kunnen in de ploegkoers op vrijdag 6 augustus geschiedenis schrijven door een medaille te winnen. Alle metaallegeringen zijn mogelijk, ook geen medaille. Het zal er op aankomen om on-Belgisch voorin te fietsen en de Nederlanders te volgen. In het omnium op de laatste dag van de Spelen heeft Lotte Kopecky een kans op een tweede medaille.

Eén ster

Op zaterdag 24 juli in het holst van de Belgische nacht roeien Niels Van Zandweghe en Tim Brys in de lichte dubbeltwee hun eerste race op de Sea Forest Waterway. Zij zijn Europese top, maar de concurrentie in deze categorie is niet min en de resultaten van het Brugs-Gents duo waren de laatste jaren wisselvallig. Het kan alle kanten uit, maar de kortste weg naar roeimedailles blijft zo snel mogelijk achteruitvaren in een rechte lijn.

De nationale basketbalploeg vrouwen begint aan het toernooi op dinsdag 27 augustus met de zwaarste wedstrijd in groep C, tegen Australië. Later volgen nog Peru en China. Ook de derde van de groep gaat door, wat normaal moet lukken. Nadien wordt het altijd een dubbeltje op zijn kant. In principe zijn meer dan drie landen sterker dan België maar met dit team weet je nooit naarmate een toernooi vordert. Het EK heeft wel uitgewezen dat er geen antwoord komt als Emma Meesseman aan banden wordt gelegd, dus dat euvel moet nog even worden opgelost.

De atletiekploeg is de grootste van alle Belgische delegaties maar behalve Nafi Thiam zit er geen grote medaillekans in. De 4×400 gemengd op vrijdag 30 juli met de wonderbaarlijk herrezen Cynthia Bolingo maakt een kans op een medaille mits ze alle vier op de toppen van hun tenen lopen en de tegenstand niet. Jacques Borlée weet echter als geen ander zijn selecties te motiveren. Dat geldt ook voor de 4×400 mannen, die in een eventuele finale op zaterdag 7 augustus altijd kunnen verrassen.

Een andere kanshebber die moet stunten in een normaal veel te sterk veld, maar van wie uitschieters kunnen worden verwacht, is marathonloper Bashir Abdi op de laatste zondag (8 augustus).

Op maandag 2 augustus laten Lize Broekx en Hermien Peters hun boot te water voor de K2 500 meter sprint. De kajakkende goeie vriendinnen zijn mits een goede start in elke race kanshebber op podium. Intrinsiek kunnen ze een medaille halen, nu nog zichzelf overtuigen.

Op de voorlaatste zaterdag, 7 augustus, staan het duo Kenny De Ketele-Robbe Ghys aan de start van de 50 kilometer ploegkoers bij de mannen. Bij gebrek aan recente referentietoernooien is het koffiedik kijken: zowel de eigen vorm als die van de tegenstand is een raadsel, maar in de ploegkoers moeten Belgen altijd voor een medaille gaan.

Elke Olympische Spelen zijn er wel één of meer uitschieters die onverwacht een medaille halen. De kansen in de nieuwe sport skateboarden vallen moeilijk in te schatten. Maar als Kenny De Ketele in de omnium, Thomas Pieters en Thomas Detry in golf, Jorre Verstraeten in judo, Thomas Van Der Plaetsen in de tienkamp zichzelf overtreffen, komen ze in de buurt van medailles.

Verhaal 1 vanuit Tokio. Stilaan de Buik vol van de Spelen in De Morgen van vrijdag 16 juli 2021

Stilaan de buik vol van de Spelen

De Olympische Spelen, die over exact een week beginnen, hadden Japan wagenwijd moeten openen voor de wereld. Het draaide anders uit: Japan wil de Spelen en zijn buitenlanders niet langer. Als op 8 augustus het doek valt over zestien dagen verkrampt olympisme, dreigt de wereld ook Japan niet meer te willen.

Toen het op de sluiting van de Spelen in Rio vijf jaar geleden de beurt was aan Tokio om zich voor te stellen aan de wereld, begon het allemaal nogal voorspelbaar met een video van atleten en mooie beelden van wuivende bomen, bloesems en culturele iconen. En toen kwam een geniaal moment, te vergelijken met de queen die in de openingsceremonie van Londen 2012 samen met James Bond uit een vliegtuig kwam gesprongen.

In een volgende sequentie kwam premier Shinzo Abe in beeld, zogezegd live vanuit Tokio. Hij reed weg van het Japans parlement tot hij zich in de auto realiseerde dat hij niet op tijd in Rio kon geraken. Ineens werd hij getransformeerd in Super Mario, het digitale personage uit het computerspelletje Donkey Kong dat in 1981 de wereld veroverde en van Nintendo een sterk Japans merk maakte. Hij sprong in een buis die hem dwars door de aarde naar Rio bracht, waarna de echte Abe midden in de sluitingsceremonie ineens tevoorschijn kwam als de originele Mario, met rode pet en cape. Het Maracanã-stadion werd gek. Wat had Japan mooi gescoord en wat zou het een mooi feest worden over vier jaar.

Hoestje op een boot

Scoren was de hele opzet van de vierde Olympische Spelen op Japans grondgebied. Tokio 1964 had een nieuwe standaard gebracht op technologisch vlak en Japan als betrouwbare producent op vlak van elektronica in de markt gezet. De winterspelen van Sapporo 1972 en Nagano 1998 waren steriele, maar niettemin goed georganiseerde events en openden nog iets meer de vensters op de wereld. Tokio’s tweede grote olympische beurt, waarvoor in 2013 alle registers waren opengetrokken om de zomer- spelen binnen te halen, moest van Japan één groot instapraam maken en het traditioneel zo gesloten land opengooien voor de rest van de wereld.

In 2012 kreeg Japan 8 miljoen buitenlandse toeristen over de vloer. In 2019 waren dat er 32 miljoen en in het olympisch jaar 2020 hadden dat er 40 miljoen moeten zijn, om zo door te stijgen naar 60 miljoen in 2030. 2020 werd het eerste van voorlopig twee coronajaren en het buitenlands bezoek klokte af op 4,1 miljoen. Dat halen ze in de verste verte niet in 2021.

Wat is de wereld veranderd sinds die 21ste-augustusavond van 2016 in Rio. Niets wees op wat zou komen. De voorbereidingen verliepen nagenoeg vlekkeloos. Het mocht ook een yen kosten. Toen alles klaar was, op details na, arriveerde corona in Japan onder de gedaante van een spookschip waarop bemanning en toeristen steeds zieker werden. Een tachtigjarige Hongkonger die in Shenzhen was geweest, had zich op 20 januari 2020 in Yokohama, een havenstad in de agglomeratie Tokio, ingescheept op de Diamond Princess. Met een hoestje. Het eindigde met 712 geïnfecteerden van de 3.711 opvarenden. Veertien mensen stierven, allen passagiers. Op 1 maart kon de laatste het schip verlaten. Iets later ging de wereld dicht.

Op 24 maart 2020 kwamen het Internationaal Olympisch Comité (IOC) en de Japanse regering met een gezamenlijke verklaring: de Spelen zouden een jaar worden uitgesteld. Het IOC had de raad opgevolgd van de Wereldgezondheidsorganisatie, aanvankelijk tot ergernis van de Japanners, die de coviduitbraak onder controle hadden en in hun optiek weer eens moesten buigen voor het eurocentrisme en het gebrek aan discipline in de rest van de wereld, waar het virus zijn gang kon gaan.

In Japan volgde corona een atypisch verloop. Toen op 24 maart het IOC de eer aan Abe liet om het uitstel voor te stellen als een solidaire beslissing, had het land 73 nieuwe infecties gemeld. Op een populatie van 126 miljoen was dat niet eens een griepje. In 2020 kende Japan twee minigolfjes, en één grotere die begin december en op zijn top begin januari 2021 7.790 besmettingen per dag liet optekenen. Dit jaar kwam een tweede golf met een top op 16 mei (6.631 besmettingen). Sinds eind juni is het aantal gevallen weer verdubbeld naar 2.500.

Iedereen loopt in Japan met een mondmasker, zelfs in een verlaten straat, en dat voor vier keer minder besmettingen dan in België. De paniek is groot maar deels verklaarbaar. Behalve smetvrees van oudsher heeft Japan een oudere bevolking, en ondanks een goede gezondheidszorg weinig IC-bedden. En toch: 15.000 sterfgevallen is weinig vergeleken met België, dat er 25.000 telt voor tien keer minder inwoners.

Omotenashi

Maar Japan ligt in Azië, en in dit werelddeel houdt men van drastische maatregelen om het vreemde buiten te houden. Buitenlanders worden sinds corona onveranderlijk geïsoleerd als melaatsen, een beetje zoals toen de eerste westerlingen in de zeventiende eeuw arriveerden in Japan om handel te drijven. Dat waren vooral Nederlanders, en die werden samengezet op het eiland Deshima in de baai van Nagasaki. Eén keer per jaar mochten de gezonden onder de ‘roodharige barbaren’ in Edo – de oude naam voor Tokio – bij de shogun op bezoek.

De moderne versie ervan is wat professionele bezoekers aan de Olympische Spelen moeten ondergaan. Geordend per groep en bestemming van het vliegtuig gehaald, ‘verwelkomd’ door Japanners in ruimtepakken met gezichtsmaskers, tig controles doorlopen, dagen na elkaar een speekseltest ondergaan, drie dagen in quarantaine, veertien dagen geen openbaar vervoer gebruiken, verbod op contact met autochtonen buiten de olympische venues; niet-Japanners zijn de moderne melaatsen. Het is schieten met een kanon op een mug: op de achtduizend ingestroomde bezoekers (cijfer van midden deze week) werden vier positieve gevallen gedetecteerd, drie daarvan afkomstig uit Oeganda.page1image41908240

Copyright © 2021 Belga. Alle rechten voorbehouden

Isolatie, quarantaine, xenofobie in de letterlijke betekenis van angst voor de buitenlander, dat was helemaal niet aan de orde toen op 8 september 2013 het Internationaal Olympisch Comité in Buenos Aires zich boog over de verkiezing van de olympische stad van 2020. Het begrip dat toen de toon zette, was omotenashi, de gastvrijheid die Japan uniek zou maken.

De in Parijs geboren en vloeiend Frans, Engels en uiteraard Japans sprekende tv-presentatrice Christel Takigawa – met Japans paspoort, anders had dat niet gekund – prees omotenashi als: “De mooiste gastvrijheid van de wereld, die ons is overgeleverd door onze voorvaderen en diep geworteld is in onze moderne cultuur.” Dat Japanners proper zijn op zichzelf en hun omgeving, dat Japanners alles volgens de regels doen, dat Japanners alles terugbezorgen wat je verliest, dat was bekend, maar gastvrij?

Ook de voormalige Nederlandse diplomaat Freek Vossenaar, die jarenlang in Japan woonde, twijfelt in zijn uitstekend boek Kijken in de ziel van Japan (uitgegeven bij Balans) aan de oprechtheid van die gastvrijheid. Hij schrijft: “Omotenashi omvat onvoorwaardelijke liefde voor buitenlanders en culturele interactie, maar Japanners hebben juist moeite met al die vreemde invloeden. Mij bekruipt het gevoel dat Japanners de internationalisering het liefst zouden beleven als een keuzemenu: dit willen we en dit niet. Kun je het vreemde omarmen en het tegelijk op afstand houden?”

Het IOC geloofde het allemaal en had anderzijds een onweerstaanbare behoefte aan Olympische Spelen in een veilig en economisch stabiel land. In 2013 was al duidelijk dat Rio een hele klus zou worden. In augustus 2016, na extreem lastige Spelen in Rio de Janeiro, was het vooruitzicht om het olympisch circus vier jaar later in Japan op te slaan nog zowat het enige lichtpunt aan het olympisch firmament.

Lachwekkende regels

Niemand kon vermoeden dat het lichtpunt een nachtmerrie zou worden, buiten de wil om van het IOC, en van Japan en zijn bevolking, die aanvankelijk de hoogste enthousiasmescore ooit voor een olympische stad liet optekenen. In 2021 blijft van die meer dan 80 procent pro-OS nog slechts minder dan 20 procent over.

En zo ging dat geroemde omotenashi in de vrieskist. Orwelliaanse Spelen past beter bij OS dan Olympische Spelen. Het uitroepen van de noodtoestand en het weren en controleren van bezoekers van over de zeeën en oceanen was de voorlaatste zet om buitenlanders buiten te houden. Wie toch per se in Japan wilde zijn om professionele redenen – atleten, coaches, media en ander werkvolk – moet maar op de blaren zitten en zich de draconische en soms ook lachwekkende quarantaineregels laten welgevallen.

Elke dag in een buisje spuwen waarna dat buisje met spuug van een gaijin – een buitenlander – wordt opgehaald door een Japanner, de gedachte dat dit nu de praktijk is over heel Tokio en omstreken, werkt op de lachspieren. De overheidsbeambte in de hotellobby die volgens oud-communistische tactieken het doen en laten van de buitenlander rapporteert, gevolgd worden via een verplichte app op de verplichte smartphone, je associeert het toch eerder met Noord-Korea dan met een democratie.

Dit hadden vorig jaar, tien jaar na de kernramp van Fukushima, de Reconstruction Games moeten worden, voor Japan, voor de wereld rond Japan, een beetje voor de sport. Niks heropbouw, Tokio 2020 zal alleen maar afbreken en dat heeft de rigide regering in Japan deels aan zichzelf te danken.

Dat premier Shinzo Abe, sterke man en pleitbezorger van het nieuwe Japan, een jaar geleden moest afhaken omwille van gezondheids- redenen – officieel colitis ulcerosa, maar men vermoedt erger – heeft de Olympische Spelen geen goed gedaan, en het IOC beroofd van zijn belangrijkste partner in de Japanse regering. Niet het IOC, ook niet het organisatiecomité, maar het Japanse ministerie van Gezondheid is de dwarsligger. Zij hebben een week geleden tegen het IOC in verordonneerd dat de Spelen zonder publiek zullen plaatsvinden.

Yoshihide Suga heeft als tussenpaus niet de envergure van zijn voorganger Abe, en laat uitschijnen tegenover zijn Japanse publiek, dat in oktober naar de stembus moet om onder meer over hem te oordelen, dat zijn handen gebonden zijn door clausule 66 in het contract dat de gaststad met het IOC afsluit. De waarheid is iets complexer: alle partijen zitten samen in het bad en als het water wegloopt, is het hek van de dam. Afgelasting van de Olympische Spelen is geen optie: het merk Japan zou nog meer kelderen en de olympische sport zou door een woestijn moeten.

Bij afgelasting moeten IOC en de organisatie de sponsor- en televisiegelden terugstorten. De staat Japan krijg geen return op zijn structurele investeringen. De sportbonden, de nationale olympische comités en uiteindelijk de sport zien inkomstenstromen opdrogen. Afgelasten van de zomerspelen is maar gedeeltelijk gedekt door de verzekeringen en alle sporten behalve voetbal zouden zwaar worden getroffen in de portemonnee.

Wat dit uitstel heeft gekost, en wat de totale investering zal zijn in Olympische Spelen die nu door het thuispubliek worden uitgespuwd en volgens de laatste berichten wereldwijd door minder televisiekijkers zouden worden gevolgd, is niet duidelijk. Veel erger is de nevenschade die Japan als natie zal oplopen. Elke dag tot aan de openingsceremonie komen de media met nieuwe berichten, en niets van dat nieuws is positief.

De media – het doorgeefluik naar de wereld die hier niet mag komen – zijn zogezegd onderworpen aan een zachte quarantaine, in tegenstelling tot de sporters die hun hotel of het dorp nooit mogen verlaten, maar het voelt toch aan alsof we per abuis in Noord-Korea zijn geland. De journalistieke eindbalans zal negatief zijn: nu al spreekt men van overbodige Spelen, nergens voor nodig tenzij voor de olympische kassa, dystopische Spelen in een vijandige, kille, steriele setting.

Neen, Japan heeft dit nooit gewild, maar waarom is bij honkbal, sumo en voetbal wel publiek toegelaten en niet bij de Olympische Spelen? Omdat de Japanse sportliefhebber dat niet zou pikken.

Waarom mag van de klassieke olympische verbroedering der volkeren, ook in zijn meest gereduceerde vorm, geen sprake zijn? Omdat het gevaar net als eeuwen geleden van buitenaf komt. Atleten mogen niet mixen met andere bubbels: het is arriveren, sporten, slapen, eten per twee, en als ze klaar zijn, opzouten. Hebben ze het ongeluk op het podium te belanden, dan wordt hun nationale hymne gespeeld, nadat ze hun medaille van het pluchen kussen hebben gehaald en bij zichzelf omgehangen. Iedereen die hier was, zal straks blij zijn weer weg te zijn.

Column Queeste richting Spelen (Tokio deel 1) in De Morgen van maandag 12 juli 2021

Queeste richting Spelen

De kans is groot dat als u aan dit stukje toe bent, ik al ergens in de lucht hang tussen Brussel en Frankfurt. Daar zal ik uitstappen en mij naar de non-Schengenzone begeven en een poging doen om drie uur later op mijn vlucht richting Tokio Haneda te geraken.

Ik ben vandaag vertrokken naar mijn tiende Olympische Spelen, zomer en winter. In 1992, mijn eerste Spelen, was ik perschef van de olympische ploeg. Of het een met het ander te maken had, is niet duidelijk, maar het waren niet de beste Spelen voor het Belgian Olympic Team.

Het voor niet-kenners onverwachte brons van Heidi Rakels was het hoogtepunt. Vooral haar verhaal dat ze was moeten afvallen om Ulla Werbrouck te ontlopen in haar gewichtscategorie en dat zij wel scoorde en Werbrouck niet, bleek de pers te interesseren. Rakels was toen al een fascinerende vrouw, ultra-intelligent, in 1992 wel veel meer IQ dan EQ, maar ook heel dankbaar. Voor mij kan ze niets fout doen en toen ik deze week via-via hoorde dat ze kandidaat-voorzitter is voor het BOIC, had ze er meteen een supporter bij.

Vier jaar later zou Ulla Werbrouck haar gram halen op eenieder die haar te soft vond. Tijdens haar dopingcontrole hing haar gouden medaille rond mijn nek. Ik was toen in Atlanta als Nederlandse journalist, maar zowel het zwemgoud van Fredje als de vier medailles van de judobende van De Decker heb ik vanop de eerste rij meebeleefd.

Sydney was een feest. Hotel aan Darling Harbour, Nederland dat 25 medailles won waarvan twaalf gouden, ik wist niet waar eerst kijken. Athene coverde ik voor deze krant en voor Nederland. Ik draaide toen twee full times, het zweet breekt mij vandaag uit als ik er aan terugdenk hoe ik dat ooit heb rondgekregen.

Peking 2008 was een hoogtepunt voor deze krant. Alle groot nieuws hadden wij eerst. Mooie verhalen, goed in team gewerkt, het zou nooit beter worden. Tien maanden later lagen tien goede journalisten en ik buiten, nog tien andere goede vertrokken. Van die braindrain is de krant inmiddels hersteld en voor alle duidelijkheid, daar heeft mijn terugkeer in 2014 niets mee te maken. In 2016 ging ik naar Rio. Airbnb’tje op Copacabana, allemaal goed en wel, maar te veel chaos om goed te zijn. En toen kwam Tokio. Tokio 1964 was een technologische kwantumsprong en Tokio 2020 zou dat ook worden. En toen kwam corona. Arme Japanners. Hoewel ik hen alle 126 miljoen al een keer heb vervloekt, is dat gemeend.

Als ik in het begin van dit stukje schreef dat ik zou proberen om op de vlucht naar Tokio te geraken, is dat de realiteit. Ik heb zoveel documenten moeten invullen, uploaden, amenderen, weer uploaden, QR-codes aanvragen, questionnaires invullen, printen, scannen, weer uploaden, apps downloaden op de iPhone, dat ik zeker weet dat ik iets ben vergeten.

Ik heb in Tokio een dubbele functie: ik ben er als journalist en ik ben er als mijn eigen Covid Liaison Officer of CLO. Ik moet mijn personeel testen, dus mijzelf. Ik heb het gecheckt toen ik dit weekend mijn mails in mapjes heb gestopt: als CLO heb ik inmiddels dertig mails gekregen waarvan een aantal elkaar flagrant tegenspreken.

Ik heb hele handboeken geprint over hoe en waar testen, wat wel en niet doen. Ook heb ik een Written Plegde ingevuld. Een geschreven belofte dat ik mij aan de wetten van de Japanse staat zal conformeren. Dat heb ik ingevuld maar niet ondertekend, want je kan dat nergens ondertekenen. Vreemd. Daarnaast heb ik twee standaardformulieren van de Government of Japan laten invullen met negatieve PCR-tests 96 uur en 72 uur voor mijn vertrek.

Omdat ik op safe wil spelen heb ik afgelopen vrijdag in een labo een derde PCR-test laten doen en daarvan heb ik inmiddels ook de QR-code en de hele rimram geüpload naar Lufthansa, want die hadden aan de Japanse formulieren natuurlijk geen boodschap.

Ik arriveer normaal in Tokio om 1u deze nacht, dat is 8u lokale tijd. De Japanners bij de immigratie en de olympische desk zullen dan hopelijk fris zijn en vol goede wil. Ik denk dat ik alles heb gedaan wat ik moest doen, op een dingetje na: mijn activity plan dat aangeeft waar ik mij de eerste veertien dagen wil begeven, is nog niet goedgekeurd door de Government of Japan.

Ik heb in de loop van de voorbije maanden gemerkt dat er twee manieren zijn om hardleerse Japanners te bejegenen als ze niet doen wat jij wil dat ze doen of als ze je niet begrijpen of Engels schrijven dat niemand begrijpt. Of je blijft heel beleefd of je dreigt hen te vermoorden. De tweede tactiek heeft per mail een paar keer zijn vruchten afgeworpen. In Japan zal ik hem alleen in uiterste nood gebruiken, maar na een reis van in totaal negentien uur is uiterste nood een rekbaar begrip.

Column Recht op progressie in De Morgen van zaterdag 19 juli 2021

Recht op progressie

De discussie over wat een zuivere prestatie kan worden genoemd voor een door eigen kracht aangedreven mens op twee wielen is al een jaar of tien bezig. Het resulteerde in een tsunami van cijfers waaruit dan die ene allesomvattende waarde naar voren kwam: de hoeveelheid vermogen die een renner levert. Anders gezegd: de veelbesproken watts per kilogram lichaamsgewicht.

Deze week was ook weer van alles aan de hand over een al of niet zuivere Tour en dat begon jammer genoeg met Thomas De Gendt, die beweerde dat hij topwaarden trapte maar toch werd gelost. Dat soort opmerkingen is nefast in de wielrennerij, want die sport is erg bedreven in zelfverminking. Terwijl natuurlijk niemand de redenering omkeerde en naar de ploeg verwees. Hoe komt het dat een Australische sprinter de zegekoning is, de enige die prestigieuze wedstrijden/ etappes wint voor Lotto-Soudal, en waarom presteerden de Belgen wel in het voorjaar? En waarom presteert Brent Van Moer wel?

Alle credits voor De Gendt, die daarna benadrukte dat hij gewoon had bedoeld dat hij niet meer meekon en niemand wilde beschuldigen. Het kwaad was inmiddels wel geschied en vooral in Frankrijk koren op de molen van de flitspolitie die elke prestatie van een niet-Fransman of een renner uit een niet-Franse ploeg verdacht vindt. Wat een geluk dat daarna ene Ben O’Connor zichzelf bijna in het geel reed na een lange solo. Het geluk zat hem er vooral in dat hij voor AG2R-Citroen reed, een Franse ploeg.

Dat Tadej Pogacar nu een merckxiaanse marge heeft van meer dan vijf minuten op zes naaste belagers is niet verdacht maar perfect verklaarbaar. Pogacar had die marge vorig jaar ook op ongeveer dezelfde renners met dezelfde capaciteiten. De enige die daar nog tussen zat vorig jaar was Primoz Roglic, en met veel goeie wil kon je daar ook Richie Porte bij rekenen. Roglic was zijn voornaamste uitdager dit jaar. Jammer, maar helaas, we weten wat de moedige Sloveen is overkomen.

Pogacar, om het over fysiologie te hebben, heeft deze Tour geen buitensporige prestaties geleverd. Ja, er was die ene rit dat hij iedereen oprolde behalve Dylan Teuns en onderweg op de Col de Romme het klimrecord verbeterde, maar ook die prestatie bleef binnen wat men vandaag aanziet als normale fysiologische grenzen. Dat hij die rit niet won en de rit over de dubbele Ventoux door Jonas Vingegaard bergop uit de wielen werd gereden, werd dan weer als de wielerversie van een schwalbe vertaald. Zo is het nooit goed.

De klimtijden die in deze uiterst competitieve Tour worden neergezet komen niet de buurt van die twintig jaar geleden, maar zelfs als pakweg het Ventoux-klimrecord uit 2004 van Iban Mayo (55:51) ooit wordt verbeterd (Pogacar reed 57:16) is dat nog geen reden om iemand vals te beschuldigen. Wat las je deze week in sommige media? Jonas Vingegaard heeft het record van de Ventoux verbeterd. Neen. Jonas Vingegaard heeft in de laatste zes kilometer vanaf Chalet Reynard de beste tijd ooit gereden. Dat heeft alles te maken met wat je die eerste vijftien kilometer hebt gedaan en met het supertalent van Vingegaard, die drie minuten sneller klom dan Wout van Aert. Er stond ook nog eens vaker rug- dan tegenwind.

De discussie over wat fysiologisch al of niet normaal is, mag wel eens wat meer fundamenteel worden gevoerd. Geen mens die zal geloven dat de Ventoux oprijden in een halfuur legaal kan, toch niet binnen wat we nu als legaal aanvaarden. Anderzijds raakt het instellen van een bovengrens aan het menselijk kunnen op twee wielen aan de essentie van topsport: de eeuwige verbetering.

Uitgerekend in een van de aanvankelijk minst ontwikkelde sporten die de laatste jaren veel beter het beschikbare genetisch potentieel benut, is dat een slecht idee. Uitgaan van waarden uit het nabije verleden om het heden te beoordelen en grenzen op te leggen is een vergissing van formaat.

Elke sport heeft recht op progressie, ook het wielrennen. Als voetballers de afgelopen twintig jaar sneller zijn gaan lopen en dubbel zoveel meters maken tegen hoge intensiteit en twee keer zoveel wedstrijden spelen, waarom vinden we vooruitgang in het wielrennen per definitie verdacht?

Het beste argument om niet in doping als deus ex machina farmaceutica te geloven is nog wel dat het vaak om jonge renners gaat, beter geselecteerd, beter getraind, en behorend tot allemaal verschillende ploegen. Neen, ik steek mijn hand niet in het vuur voor deze generatie (voor niemand), maar ik heb niks objectiefs om aan hun eerlijkheid te twijfelen.

Column Blasfemie in De Morgen van 3 juli 2021

Blasfemie

Toen Sammy Neyrinck van de VRT in maart tijdens Nokere Koerse Mark Cavendish volgde, was daar de nodige dosis moed voor nodig. De Engelse ex-wereldkampioen en olympische medaillewinnaar kwam in die wedstrijd als een hoogbejaarde over de streep, ver na het peloton. Hij was gevallen en dat konden we zien in de rechtstreekse uitzending, maar de val was een val van niks (jawel, die bestaan ook in het wielrennen). Toch bleef hij nogal makkelijk liggen, uitgewoond als hij was.

Dan mag je eens iemand volgen die aan zijn comeback werkt en dan zie je uit eerste hand dat het voorlopig niet lukt. De logische vraag is dan: “Komt het nog goed met jou, Cav?” Die vraag kwam niet, begrijpelijk overigens. Van Mark Cavendish mag niemand iets zeggen of vragen over Mark Cavendish, tenzij hij Mark Cavendish heet. Op een andere terechte en onschuldige vraag van de reporter wilde Cav ook niet antwoorden.

Eergisteren vroeg een Nederlandse journalist of hij door zijn dubbele ritoverwinning in de Tour zijn contract had veiliggesteld voor volgend jaar. Goeie vraag, zonder meer. Niet voor Cav. Remember: niks vragen of zeggen over Mark C. tenzij je zelf Mark C. bent. Hij keek de journalist aan en zei: “No need to be smart.” Waarop de persman van Deceuninck-QuickStep zei dat het interview afgelopen was.

Maar neen, de Nederlander bleef doorvragen, zei dat het toch maar een logische vraag was, waarop Cavendish de discussie aanging. Hij kwam uiteindelijk uit bij een soort antwoord, namelijk dat hij Patrick Lefevere zijn beste boss ooit vond en dat ze er wel zouden uitkomen voor volgend jaar en o ja, dat hij volgend jaar graag nog zou rijden.

Lefevere zelf hebben we daar nog niet over gehoord. Niet schrikken als hij na deze Tour niet tot een deal komt met Cavendish. Zo is Lefevere: altijd bereid tot een gokje, maar ook slim genoeg om te stoppen met gokken als hij toevallig heeft gewonnen. Zoals hij ooit Philippe Gilbert liet gaan, waarna die geen platte prijs meer reed, zo zal hij ook Cavendish laten gaan. Hij was zijn beste investering ooit: minimale input, maximale output. Maar niemand die beter kan inschatten als het op is bij een renner.

Cavendish die twee keer wint in de Tour de France wordt nu omschreven als een sprookje. Nog een paar keer winnen en het wordt een nachtmerrie. In 2016 won hij zijn 28ste etappe en evenaarde daarmee Bernard Hinault. Althans op papier. Cavendish kan Hinault nooit evenaren of eventueel voorbijsteken. Hinault reed in de tijd dat een etappe winnen in de Tour nog niet de waarde van een villa had, dat sympathieke en ongevaarlijke vluchters niet door sprinttreinen op tweehonderd meter voor de streep werden ingehaald.

In die Tour van 2016 won Cavendish vier ritten in dienst van MTN-Qhubeka, dat later de naam zou veranderen in Team Dimension Data. Hij was na drie jaar bij Lefevere (toen Etixx-QuickStep) een volgevreten vedette geworden, moeilijk nog vooruit te branden en al helemaal geen trainingsbeest. Gevolg: de kilo’s vlogen eraan, waardoor een brug in een vlakke etappe al heel wat jus uit zijn benen haalde, hoewel het talent altijd zichtbaar bleef. Een buitenlandse megaster achter de veren zitten, dat bestond toen nog niet.

Cavendish laat het nu uitschijnen alsof hij altijd al zijn beste zelf is geweest bij Lefevere. Dat klopt niet. Hij reed eerst zes jaar voor HTC-Columbia, later T-Mobile, dan een jaar Team Sky, om vervolgens bij Lefevere onderdak te krijgen. In die drie jaar bij Lefevere won hij naast Kuurne-Brussel-Kuurne en de puntenruit in de Giro exact drie Tour-ritten. Nu heeft hij er vijf, zijn teller staat op 32.

Nog twee en hij evenaart Eddy Merckx, nog drie en hij heeft het record te pakken. Merckx zei gisteren aan een krant dat het hem niet kan schelen of Cav er nog drie wint en dat hij ze maar snel wint, want dat record stelt niks voor. Dat klopt maar ten dele. Merckx had moeten nuanceren: zo’n record op naam van Cavendish stelt niks voor.

Hinault en Merckx wonnen hun 28 en 34 Tour-ritten terwijl ze elke rit vooraan moesten eindigen maar ook af en toe een geschenk moesten uitdelen. Hinault won en passant tien grote rondes, Merckx elf, Cavendish nul. De monumenten? Cavendish één, Hinault vijf, Merckx negentien. Als Cavendish straks aan het eind van zijn carrière naar boven kijkt en zijn bril opzet, zal hij in de verte de enkels van Hinault en Merckx zien.

Gelukkig is hij zich bewust van de blasfemie die op hem afkomt als hij Merckx statistisch zou overvleugelen. Donderdag, na zijn tweede ritoverwinning, werd hij heel even Basil uit Fawlty Towers: “Don’t mention the name.” Als hij dat meent, mag hij er nog eentje winnen om er dan mee op te houden.

Column Überstomst in De Morgen van maandag 30 juni 2021

Überstomst

De Tour de France is een baken in het zomerse leven. De Tour kondigt aan dat de schoolvakantie definitief is begonnen. Het begin valt meestal samen met een groot muziekfestival – ik ben geen specialist maar was dat niet iets in eerst Torhout en later Werchter? – en ook met de eindfase van het tennistoernooi in Wimbledon. Rond die tijd vertrekken ook de voetbalteams op stage: puffen bij drie trainingen per dag, de basis leggend voor het seizoen, om dat seizoen uitgewoond te eindigen met nog drie trainingen per week.

Ook in de jaren van de World Cup voetbal eist de Tour zijn normale plaats op. Het wordt hooguit lastig als een aankomst van een mooie rit samenvalt met een voetbalwedstrijd in de namiddag.

Dat is helemaal anders in olympische jaren. Dan hangt de Tour er maar een beetje bij, er tussen om precies te zijn, geprangd tussen een Europees kampioenschap voetbal en de Olympische Spelen. Elke vier jaar krijgen we een heel drukke sportzomer en deze is extra druk voor Belgen want hij begon al met de Ronde van Italië waarvan we niet mochten zeggen dat Remco Evenpoel kans had om hem te winnen. Omdat we dat toch deden, heeft hij hem verloren. Dat onthou ik van de communicatie die onze kant uitkomt als de wind vanuit Schepdaal waait. Het zij zo.

Deze sportzomer zal ook nog eens extra lang duren omdat hier in België eind september nog wordt gekoerst om de mooiste trui van het peloton, die van de lgbtq+-gemeenschap en van de wereldkampioenschappen wielrennen.

Het hoogtepunt van de drukke sportzomer zijn evenwel de Olympische Spelen. Dat mag vreemd klinken want er worden geen grote schermen opgetuigd om Nafi Thiam of Matthias Casse te zien sporten/vechten om goud. Wel voor een groot voetbaltoernooi, en wees gerust, zodra corona (en de paniek) weg is, komen die schermen terug.

De Spelen zijn commercieel, evenementieel, organisatorisch en sportief veel belangrijker dan alle andere kampioenschappen. Atleten die goud scoren op de Spelen kunnen de rest van hun leven binnen zijn. Een voetballer die wereldkampioen wordt, zal daar wat zakgeld voor krijgen. Ooit was dat anders – Maradona was nooit de mythe geworden zonder zijn wereldtitel – maar vandaag worden carrières van voetballers afgemeten aan de triomfen met de club.

Atleten komen supergetraind, uitgerust en gepiekt naar de Spelen. Een voetballer komt uitgewoond na een zwaar seizoen met de club bij de nationale ploeg, houdt zich wat fit en hoopt het toernooi zonder kleerscheuren door te komen. Even terzijde, daarom is een World Cup in de late herfst van volgend jaar een bijzonder interessant experiment. De topspelers zullen daar veel fitter voor de dag komen.

Nog een bewijs, de Tour wijkt nooit, tenzij voor de Olympische Spelen (en voor corona vorig jaar). Dat is niet van alle tijden, van 1996 om precies te zijn, de eerste Olympische Spelen waaraan ook beroepswielrenners konden deelnemen. Ook deze Tour is een weekje eerder begonnen, om de belangrijkste wielrenners de tijd te geven om in Tokio te geraken. Dat alles voor drie medailles.

Een Tour die start in een laatste schoolweek, dat is een zwaktebod. De kijkcijfers zijn minder, de belangstelling langs de weg ook. Bovendien, meteen een eerste rit van 200 kilometer, dat is een cultuurschok. Gelukkig was er die voorlopig nog onbekende mevrouw die met één stom kartonnen bord en een nog stommere ingeving een half peloton deed vallen en een twintigtal renners blessures bezorgde die ze over drie weken in Parijs nog zullen voelen.

“Allez Opi-Omi…” als de bestemmelingen – grootouders ergens in Europa – dat hebben gezien, zouden ze hun dochter bij thuiskomst nooit meer mogen aankijken en moeten ze het hoederecht over hun kleinkinderen opeisen. ASO heeft klacht neergelegd. Terecht. Deze mevrouw moet worden opgespoord, bestraft en moet meebetalen aan de factuur. Het is te hopen dat de verzekeringen van de wielerteams hun schade op haar verhalen en het is vooral te hopen dat ze haar vinden. Niemand in heel Bretagne zal nu nog in een gele jas, met een hoedje op durven rondlopen en die bril, dat zullen wel contactlenzen worden.

Het argument dat die mevrouw al genoeg is gestraft door de sociale media slaat nergens op. Dat duurt hooguit een paar dagen en dan is dat ook weer voorbij. Het was geen bewuste aanslag, dat nu ook weer niet, maar dit had niets meer te maken met een ongeluk. Dit was niet stom, stommer, stomst maar überstomst, en dat mag hard worden aangepakt. Al was het maar om een voorbeeld te stellen voor die halfnaakte randdebielen die straks bergop meelopen.

Interview Wout van Aert in De Morgen van zaterdag 26 juni 2021

‘Moet ik trager rijden omdat collega’s minder goed zijn?’

Drie kilo in de plus en drie procent conditie in de min: Wout van Aert (26) begint na zijn operatie wat onzeker aan de Tour de France, die vandaag van start gaat. ‘Ooit ga ik voor de groene trui.’

Vorige zondag, het Belgisch kampioenschap. Wout van Aert raakt tot zijn eigen grote verbazing voorop met twee andere renners en ziet dat hij de snelste van de drie is. Iets later klopt hij Remco Evenepoel en Edward Theuns. Een jaar lang mag hij in wegwedstrijden de Belgische driekleur dragen.

Vier weekends geleden. Wout van Aert ontvangt bezoek op een terras in de Sierra Nevada. Voor het tweede jaar op rij zitten we voor een gesprek samen op een hele hoge berg. Vorig jaar op de Canarische Eilanden, nu in Zuid-Spanje. Dat scheelt toch al anderhalf uur vliegen.

We komen nader tot elkaar, beste Wout.

“Je bedoelt dat je nog altijd ver moet reizen om mij te spreken? Oké, dat klopt, maar hier heb ik tenminste de tijd om te gaan zitten. En om eerlijk te zijn: het is ook een welkome afwisseling als er eens iemand langskomt die je niet elke dag ziet. Als ik thuis ben, doe ik liever geen interviews en wil ik de weinige vrije tijd die ik heb met Sarah en Georges (vrouw en kind, red.) doorbrengen.”

Die hoogte is wel een dingetje bij jou.

“Ik heb dat nodig. Ik ben wel drie tot vier keer per jaar enkele weken op hoogtestage. We waren al op de Teide-vulkaan, daarna de Sierra Nevada en voor de laatste Tourstage was ik tot net voor het BK met de ploeg in Tignes in de Alpen. Wellicht volgt in augustus na de Olympische Spelen nog een stage in Livigno.

“Thuis heb ik ook een lagedruktent die de hoogte simuleert, maar omdat ik al zo vaak op hoogte-stage ben, gebruik ik die niet veel. Hoewel er een groot bed en nachtkastjes in kunnen en de motor in de kelder staat, is Sarah minder enthousiast.”

Weet jij wat die hoogte precies doet?

“Dat weet ik. Er is minder zuurstof, waardoor je lichaam meer rode bloedcellen aanmaakt. Een beetje zoals epo, maar dan op natuurlijke wijze. Dan is er ook nog het effect op de mitochondriën, de energiefabriekjes in de spiercellen, en dat effect is – voor zover ik weet – niet te halen met een hoogtetent.”

Heel goed, behalve dat hier op 2.300 meter niet minder zuurstof is dan beneden.

“Oké ja, maar hoe dat dan zit, dat weet Marc (Lamberts, zijn trainer, red.) beter dan ik. Door de lage luchtdruk komt de zuurstof minder makkelijk in de longen? Ja, klopt, nu weet ik het weer.

“De meeste stages ben ik alleen met de ploeg, maar voor de laatste Tourstage in Tignes hadden ze voor elke renner een appartementje geboekt en kon het gezin mee. Dat is een meerwaarde, want straks zijn we weer een maand weg en met die coronatoestanden is bezoek in de Tour niet toegestaan.”

Op de Teide vorig jaar bleek je goed hersteld te zijn van je crash in de Tour van 2019, maar eigenlijk zat je toen met meer vraagtekens dan antwoorden.

“De waarden waren goed, ik reed goed, ik klom goed, het gewicht kwam ook op orde, maar wat is dat waard in wedstrijden? Het kan zo goed gaan op training als je wilt, je moet het in een koers kunnen laten zien. Ik wilde na al die rust, revalideren en trainen wel weer eens grote wedstrijden rijden.”

En toen ging het op slot.

“Dat was balen. Ineens zaten we allemaal thuis. Heel even had ik het lastig, maar ik heb al snel de knop omgedraaid en mijn trainingen nauwgezet afgewerkt. Of die coronastop goed was voor mijn latere prestaties? Dat denk ik wel, maar dat kun je niet met zekerheid zeggen. Op de Teide in februari liep het ook al prima, maar ik had ook toch nog wat reactie af en toe. Dat is helemaal verdwenen met die vier extra maanden training.

“Met dezelfde logica wordt soms gezegd dat mijn ongeval in de Tour een geluk bij een ongeluk was. Dat is de theorie van de complete reset. Daar valt iets voor te zeggen, maar ik had het toch liever niet meegemaakt. Bovendien was ik in die Tour ook behoorlijk in vorm.”

Heb je jezelf verbaasd in 2020: zeges in de Strade Bianche, Milaan-San Remo, ritzeges in de Tour, het kon niet op?

“Toch wel. Die eerste grote wedstrijd was het al meteen prijs. De Strade dan nog, een van de allermooiste wedstrijden die ik nooit wil missen. Daarna Milaan-San Remo. Ik dacht: wat is dit hier allemaal? Je weet wel dat de vorm er is, maar het koersverloop was ook telkens in mijn voordeel, al dwing je dat natuurlijk ook zelf af door attent vooraan te rijden.”

Hoe voel je vorm?

“Cijfermatig, door op je vermogensmeter te kijken. Je weet welke waarden overeenstemmen met welke inspanningen en als je die haalt, dan weet je dat het goed zit. Gevoel is niet altijd een goede indicator. Ik heb weleens gehad dat ik in de aanloop naar een wedstrijd dacht ‘neen, vandaag wordt het niks’, maar dat het dingetje op mijn stuur aangaf dat ik toch mijn niveau haalde.

“Een ander referentiepunt is je omgeving, de ploeg. Ben je op stage en de rest van de ploeg zegt dat het al zwaar is geweest, terwijl jij denkt dat het best wel meevalt en dat er nog wel wat bij kan, dan geeft dat zelfvertrouwen.”

Jij bent een type dat een vorm heel lang kan vasthouden. Het is niet zomaar een piekje van een paar weken.

“Als ik een hele goede voorbereiding heb gehad en de basis is breed zoals in 2020, dan is het alsof die piek maanden kan duren. Dat voel je aan de recuperatie na een zware wedstrijd. De benen, het algemeen gestel, de zin om ertegenaan te gaan, dat zijn allemaal signalen, en als die goed zitten, is de moraal ook navenant en lijk je onvermoeibaar. Vorig jaar voelde ik tegen het einde die recuperatie iets minder worden en daardoor heb ik ook die sprint tegen Van der Poel verloren in de Ronde van Vlaanderen.”

Die heb jij verloren omdat het geen sprint was, maar een start zoals in een cyclocross en dan weet je dat Mathieu van der Poel altijd als eerste weg is.

(lacht) “Ja, dat was zowat de essentie van die finish. Toen ik aan de sprint begon, wist ik al wat ik fout had gedaan. Nadien heb ik die nog een paar keer overgedaan, kan ik je zeggen. Ik ben er een week niet goed van geweest. Het zal mij niet meer gebeuren, dat is zeker.

“Het was een unieke kans om een unieke wedstrijd op het palmares te hebben en dan laat je je zo in de luren leggen. Ik zeg niet dat ik zeker ben dat ik in een snellere sprint had gewonnen, maar dit was voor mij alvast het minst ideale scenario en wat scheelde het? Zeven centimeter misschien… Dus?”

Van der Poel die won, was het beste scenario om de angel een beetje uit jullie rivaliteit te halen.

“Ik snap wat je bedoelt, maar zo redeneer ik niet. Het klopt wel dat we het nu een beetje hebben verdeeld. Die rivaliteit vind ik niet per se vervelend. Ik rijd al mijn hele leven tegen Mathieu, en onze families en entourages komen elkaar ook al hun hele leven tegen. Dat zijn geen vrienden, juist, maar moet dat? Het is wel eens een keertje vervelend geweest, en Mathieu en ik trekken ook niet met elkaar op, maar zoals ik hem feliciteerde na de Ronde van Vlaanderen, dat zou hij ook bij mij doen. Mathieu kloppen of in zijn geval Wout kloppen, geeft wel een extra dimensie aan winnen, meer nog voor onze omgeving. Winnen van de ander is altijd plezanter.”

Volgens de broers Roodhooft, de managers van Alpecin-Fenix, let jij meer op Mathieu dan hij op jou. Omdat hij intrinsiek beter is dan jij, zeiden ze erbij.

“O ja? In de jeugd was hij een mikpunt voor mij, maar nu doe ik gewoon mijn ding. Rijdt hij mee, oké. Is hij er niet, ook oké. Is hij beter? Sommige dingen kan hij beter dan ik, zoals zijn finish of pure interval, maar andere dingen zoals lang klimmen en tijdrijden, daar ben ik dan weer beter in.”

Straks in de Tour is hij er ook bij en hij mikt op dezelfde ritten als jij en hij zal niet zo hard moeten werken als jij in de bergetappes.

“Ho maar, ik heb ook andere afspraken met de ploeg voor een aantal ritten. We zullen elkaar tegenkomen in een paar eindfases, daar ben ik van overtuigd. Dan hebben jullie weer stof om over te schrijven.”

Hij is zijn Nederlandse kampioenentrui kwijt en jij rijdt nu met de Belgische. Wat verandert dat?

“Niks, behalve dat Mathieu nu minder zal opvallen en ik iets meer. Voor het peloton om ons in de gaten te houden en voor de commentatoren, bedoel ik. De Belgische is wel een van de mooiste truien van het peloton en ik had eerlijk gezegd niet verwacht dat ik dat BK zou winnen.”

Inmiddels zijn we erachter gekomen dat er nog andere goeie renners zijn behalve De Grote Drie – jij, Van der Poel en Alaphilippe.

“Dat hebben wij altijd geweten, dat is niks nieuws. Ik vond dat gedoe over die Grote Drie echt overdreven en ook geen goeie zaak voor ons, Het leek wel alsof we het maar te verdelen hadden onder elkaar. Mathieu heeft de Strade Bianche gewonnen en ik de Amstel Gold Race, maar de monumenten in het voorjaar zijn gewonnen door Jasper Stuyven, Kasper Asgreen en Tadej Pogacar. Er wordt soms vergeten dat een koers winnen van heel veel factoren afhangt. In de eerste plaats van hoe goed je bent, maar daarna ook van het wedstrijdverloop en ook een deel geluk, waarmee ik niets afdoe van de kwaliteiten van de jongens die hebben gewonnen.”

Heb je Tom Pidcock gezien in de wereldbeker mountainbike in Nove Mesto?

“Ja, we wisten dat hij goed kon klimmen, maar zoals hij wegreed, daar zal Mathieu van der Poel toch ook van zijn geschrokken.”

En Remco Evenepoel in de Giro?

“Ook gezien, uiteraard. Ik ben het niet eens met de algemene consensus dat hij in de Strade-rit stuurfouten maakte. Ja, het waren stuurfouten, maar het is op die wegen net zoals in de cross: als je à bloc zit, máák je die fouten. Zo moeilijk is het daar niet rijden. Zit je comfortabel, met overschot, dan vlam je daar los door. Zoals Almeida, precies, die eerst lang genoeg doorreed om te tonen dat hij best wel in orde was. ‘Heeft iedereen gezien dat ik heb moeten wachten? Dan ga ik nu Remco helpen.'” (lacht)

Een overigens aardige Nederlandse collega vond dat jij vorig jaar in Tignes op Tourstage en later in de Tour zo hard op kop hebt gereden dat je ongewild Tom Dumoulin richting burn-out duwde.

(kijkt verwonderd) “Tja, het is hoe je het bekijkt natuurlijk. Ik reed in Tignes goed naar boven, bij de besten van de ploeg en ook in de Tour liep het goed. Moet ik dan trager rijden omdat collega’s minder goed zijn? Ik dacht het niet. Het kan best dat Tom door mijn tempo snel wist dat hij zijn niveau niet zou halen. Dat zoiets vervelend is voor een renner, daar kan ik inkomen, maar nogmaals, wat had ik moeten doen?

“Ik kan je wel zeggen dat die problemen niet zijn begonnen in Tignes en dat de ploeg al van in het begin van het jaar zag dat er wat scheelde met Tom. En ik kan je ook zeggen dat ik dit jaar niet zo hard en zo lang bergop reed.”

In Code geel, de inside roadmovie die de NOS met jullie draaide, zag je hem openlijk de tactiek van rit na rit op kop rijden in vraag stellen. Kreeg hij aan het eind geen gelijk?

“Code geel… (lacht) Ja, en daar zijn nog dingen uitgehaald ook, dus niet alles wat is gefilmd, is getoond. Zo gaat dat in een ploeg zeker? Ik weet niet of Tom een punt had.

Winnen we die Tour met Primoz Roglic, dan zou iedereen dat een fantastische teamprestatie hebben gevonden. Nu was het zogezegd de verkeerde tactiek.”

“Ik denk nog steeds dat het goed is om met je ploeg vooraan te rijden. Je bepaalt het tempo, je dicteert wat in de wedstrijd gebeurt en vooraan met al die ruimte verspeel je soms minder energie dan in het midden van het peloton waar het een gevecht is om je plaats te behouden.”

Jij leek in Code geel niet zo gelukkig dat je in de tweede rit van fiets moest wisselen om de gevallen Dumoulin te helpen, terwijl je zelf ambitie had.

“Ik heb dat zonder morren gedaan. Ik zei alleen dat ik die col had overleefd en had kunnen meesprinten voor de overwinning. Uiteindelijk klopte dat ook niet, want Marc Hirschi en Alaphilippe bleven voorop. Ik had hoogstens de sprint van de achtervolgers kunnen winnen.

“Die inside docu’s geven wel een mooi beeld van hoe het eraan toegaat. Niemand wist tot Code geel uitkwam van de zadelpijn die Dumoulin parten speelde. VTM heeft mij ook gevolgd (in ‘Wout, waar een wil is’, red.), maar daar hadden we iets meer te zeggen over het eindproduct. Ook onthullend was de Movistar-docu op Netflix (‘El día menos pensad’o, red.). Dat liep daar ook niet altijd zoals het hoort.” (lacht)

Hoe heb jij die dramatische laatste tijdrit beleefd, waarin jullie kopman de Tour verloor?

“Ik denk dat Primoz tien kilometer onderweg was, toen ik binnenkwam en op de hot seat mocht gaan zitten. Later kwam Dumoulin in mijn plaats, maar tegen die tijd was Pogacar vertrokken en bij het eerste tussenpunt had hij al heel wat achterstand ingehaald. Eerst was er paniek, maar toen dachten we: oké, dat is zijn tactiek, gokken op heel snel openen, straks komt het bergop wel goed. Maar hij bleef sneller rijden en toen kregen we ook beelden en tijden van Roglic en dat zag er niet te best uit.

“Ik ben toch even van slag geweest. De hele Tour gecontroleerd en dan op het laatst er zo afgereden worden. Het ergste vond ik dat eerste opdraaien op de Champs-Élysées. Dat is normaal voorbehouden aan de ploeg van de gele trui en ik had mij daar op verheugd. Nu was het voor UAE en Pogacar. Dat ze champagne dronken onderweg stoorde minder dan die Champs-Élysées.”

In België, de VRT op kop, vinden wij dat je door je ploeg te veel in een keurslijf bent gestopt in die Tour. En in de klassiekers ben je dan weer niet goed omringd.

“En zo is het altijd iets zeker? Ik kan België geruststellen: mijn rol in deze Tour zal iets vrijer zijn dan vorig jaar. Als ik denk dat ik voor de rit kan gaan, dan mag dat. Ik heb dat gevraagd aan de ploegleiding, ja. Bij de contractbesprekingen is dat ter sprake gekomen en daar waren we het snel over eens. Kijk, wielrennen is een ploegsport, maar je individueel palmares bepaalt ook welke renner je bent. En ik wil nog veel verschillende wedstrijden, truien en prijzen winnen.”

Ook de groene? Groen en geel in één ploeg, dat is iets van de tijd van Merckx.

“Waarom zou dat niet kunnen? Ooit wil ik voor het groen gaan. Dit jaar zal het er nog niet van komen. Ik denk dat geel en groen door dezelfde ploeg kunnen worden gewonnen als je het als ploeg een beetje slim aanpakt.”

Groen is een B-trui. Alleen geel telt.

“Daar ben ik het niet mee eens. De groene trui in de Tour betekent dat je altijd vooraan bent geëindigd en dat je meer kunt dan alleen vlakke etappes winnen. De tijd is voorbij dat je alleen met sprintoverwinningen groen won.”

Het wordt een Tour waaraan je een beetje onzeker begint.

“Met trainingsachterstand, zo eenvoudig is het. Ik heb een maand verloren door die appendixoperatie. Ik had net een week gerust, een week rustig gereden, was beginnen trainen en na twee fatsoenlijke trainingen moest ik alweer stoppen. Na die ingreep heb ik twee weken op de zetel gelegen en tv gekeken. Ik heb dus een winterstop ingelast in het voorjaar net op het moment dat ik volle bak moest trainen. Dat is niet oké.”

Ben je ongerust geweest toen die appendix dit voorjaar opspeelde?

“Aanvankelijk niet. Je hebt wat buikpijn, meer niet. Al snel werd het erger en ik was op dat moment in Girona met mijn vrouw en zoon. Halsoverkop zijn we teruggereden en na een dag was het ietsje beter. Dan denk je snel: ach, zorgen om niks, nu ben ik helemaal teruggereden voor een beetje buikpijn.

“Voor de zekerheid ga je eens langs in de kliniek en daar blijkt het toch de blindedarm te zijn. Alle symptomen wezen daar al op, maar je hoopt op een darmontsteking natuurlijk. Vanaf het moment van de diagnose heb je zelf niks meer in de pap te brokken.”

Het is sowieso een heftig jaar geweest. Je bent vader geworden. Trouwen, samenwonen en kinderen krijgen: altijd tricky voor een topsporter.

“Goh, ik ben elf jaar samen met Sarah, we zijn drie jaar getrouwd en ik heb nu een half jaar een zoontje. Het is mij in al die tijd sportief wel goed vergaan, denk je niet? Ik vind een kind een verrijking in het leven.”

Een kind is als een microgolfoven. Zolang je die niet hebt, mis je niks. Tot die er is, en dan kun je niet meer zonder. Maar ik doelde op het feit dat je vrouw terug naar de kliniek moest en jij een week minder of niet kon trainen.

“Het was niet de bedoeling dat iemand dat te weten zou komen, maar dat nieuws is door mijn goedbedoelende entourage ongewild verspreid. Dat was in de aanloop naar het WK veldrijden in Oostende en dat ik daar minder scherp was, wijt ik aan die ene week. Anderzijds vond ik dat een kleine opoffering als kersverse vader en helemaal de moeite waard voor wat er tegenover staat.

“Georges is trouwens een heel makkelijk kind. Hij sliep snel hele nachten door, al heb ik sowieso weinig last van slecht slapen. Ik ben een goede slaper en het gebeurt wel eens dat Sarah mij ’s ochtends vraagt of ik die nacht wakker ben geworden omdat zij heeft moeten opstaan voor Georges. Euh, neen dus.”

Jij rekent er dus op beter te worden tijdens de Tour. Dat is weinigen gegeven.

“Uiteindelijk heb ik vrij snel goed kunnen doortrainen, maar je zit met die achterstand en die blijft, hoor. Ik sta niet waar ik vorig jaar stond en die laatste week zal daar weinig aan veranderen. Het komt erop aan de momenten goed uit te kiezen en ook de ritten waar ik voor onze kopmannen Primoz Roglic en Steven Kruijswijk zal moeten werken.

“Ik zal nog steeds op kop rijden in beklimmingen, maar wellicht niet zo lang als vorig jaar. Het is geen verloren seizoen, misschien kan het mij zelfs wat extra frisheid opleveren met het oog op de Olympische Spelen.”

Dan is er nog één heikel puntje waarover we het moeten hebben. Je bent veroordeeld tot het betalen van 662.000 euro aan Nick Nuyens, omwille van contractbreuk die je pleegde in 2018. Wat doet dat met een mens?

“Het is alvast een uitkomst die wij niet hadden verwacht. Helemaal anders dan de uitspraak in eerste aanleg. Vreemd. Hoe dat nu verder gaat, gaan we nog bekijken. Cassatie of niet, dat is voor de advocaat. Wat het deed met mij, is simpel: ik ben er een dag niet goed van geweest en daarna merkte ik dat het sportieve weer de bovenhand nam. Gelukkig kwam dit in een intensieve trainingsperiode en niet in een week dat ik niet op de fiets zat.

“Als dit de uitkomst is, moet ik daarmee leven. Het gevoel hebben dat je er alles aan hebt gedaan en toch is het niet de uitkomst die je voor ogen had, dat is vervelend. Het is ook een hele hoop geld, maar het is een beetje zoals met die appendix: je focust dan beter op wat wél in je macht ligt.”

Waar ben jij over vijf jaar?

“Hier of ergens anders op trainingskamp, dat hoop ik althans.”

En over tien jaar?

“Dat valt nog af te wachten. Zolang ik graag met de fiets rijd, zie ik mij niks anders doen. School was niks voor mij. Ik deed wiskunde- wetenschappen en haalde mijn diploma zonder veel moeite. Toen moest ik kiezen en ik koos hogeschool, iets met informatica, niet te moeilijk, goed te combineren met de fiets. Toen ik prof werd, mocht ik van mijn ouders eindelijk stoppen met school en alleen nog doen wat ik graag deed, en dat was fietsen.

“Nu ik zoveel moet trainen, is die passie nog steeds even groot. Ik wil ook alles hebben geprobeerd op de fiets. Als ik die dirt road races zie in de VS met die duizenden deelnemers zoals bij de Dirty Kanza, kan ik niet wachten om daar met de gravelbike aan de start te staan. De eerste maanden van mijn revalidatie na mijn val in de Tour heb ik bijna altijd offroad gereden.

“Laatst op de Sierra Nevada vertelde Robert Gesink over een wegje dat hij had gevonden. Gravel, maar toch berijdbaar. Of we niet een keertje langs daar…? Ik was er meteen voor te vinden en Mike Teunissen met zijn crossverleden ook. Je had ons moeten zien, met onze dure racefietsen klimmend op dat gravelpad. Speciale bandjes? Helemaal niet, gewoon met onze wegbanden. Het was een beetje oppassen bergaf, maar wat hebben we ons daar geamuseerd.”

Verhaal vóór België-Portugal in De Morgen van zaterdag 27 juni 2021

U bent de nummer 1? Bewijs het

Eerst Portugal, te beginnen zondagavond, dan Italië, dan Frankrijk en dan een prijs. ‘We could use some big wins, want ze nemen ons niet serieus’, zei de bondscoach eind vorig jaar. Hij is op zijn wenken bediend door een speling van het lot en een raar toernooischema.

België is nummer één op de landenranking. Geen titels behaald. Portugal is nummer vijf. Is regerend Europees kampioen. Dus krijgt Portugal 9,2 miljoen dollar om met Nike te spelen. België krijgt 3,6 miljoen dollar van Adidas, nauwelijks meer dan Schotland.

En Portugal heeft voorin Cristiano Ronaldo, winnaar van vijf Ballon d’Ors, zeven titels in drie toplanden en vijf keer de Champions League. België heeft voorin Romelu Lukaku, eerste titel in een grote competitie dit jaar behaald. Lukaku stond deze week op de cover van Vogue, de Italiaanse editie welteverstaan. Ronaldo stond in 2014, halfnaakt, op die van de Spaanse editie.

Ook nog: Portugal heeft Rúben Dias, João Cancelo en Bruno Fernandes in het Premier League Team of the Year. België niemand. Bruno Fernandes staat in dat team op de plek van De Bruyne, maar in een ander Team of the Year, dat van de spelersvakbond, staan die drie Portugezen er ook in, nu samen met De Bruyne. Kan moeilijk anders, hij is door zijn collega’s als beste speler van het seizoen verkozen. Terecht, zegt de KDB-fanclub waarvan het bestuur geheel bestaat uit Belgische perslui. Player of the Year is meer een sympathy vote, zeggen anderen dan weer.

Neen, België mag dan bijna drie jaar op één staan in de landenranking en het talent van de Rode Duivels wordt erkend, maar om een echt powerhouse in de eerste wereldsport te worden, is meer nodig. Dit EK met dit speelschema is een geschenk uit de duizend. Win je, dan ben je dat powerhouse. Verlies je, liefst eervol, zegt iedereen: kan gebeuren, op naar de volgende.

Roberto Martínez was pissed eerder deze week toen een journalist poneerde dat België die negen op negen had behaald zonder echt goed te spelen. Dat was een terechte vaststelling, maar verder ook waardeloos, wetende dat juist heel volwassen ploegen hun inspanningen kunnen doseren en toch winnen. Wat baat het om zoals vijf jaar geleden een land helemaal in te blikken en de favorietenrol toegedicht te krijgen waarna je er in de volgende ronde sullig uitgaat? Je speelt maar zo goed als je tegenstander het toelaat, en ook maar zo goed als nodig is.

De wrevel van de bondscoach gaat dieper en verder terug dan die ene in zijn ogen vervelende opmerking. Aan hem is weleens ontlokt dat zijn Rode Duivels niet serieus worden genomen, dat men die ranking en die eerste plaats iets raars vindt en dat die niet de werkelijkheid reflecteert, dat België overrated is, zoals dat dan heet. Martínez: “Overrated. Underestimated ja, wij worden onderschat.”

Welnu heren Duivels en opperduivel Robert Martínez, dit is het moment om komaf te maken met underrated en/of overrated en de inlandse en buitenlandse twijfels weg te spelen. Dit is het moment – in de turbotaal van nu – om te shinen. U bent de nummer één en fier het te zijn? Bewijs dat het terecht is. Nooit zal een Europees kampioen meer toplanden hebben geklopt dan België.

Voorlopig is van die grote landen alleen Portugal een zekere tegenstander, zondag 21 uur in La Cartuja of in het stadion op het gelijknamige kunstmatige eiland waar in 1992 de Expo werd gehouden en in 1999 het WK atletiek. Sevilla, prachtige stad, maar bloedheet. Morgen zou het er verschrikkelijk warm zijn, 37 graden. Zondag nog gewoon heel erg warm, 34 graden, dat is ruim de helft warmer dan in Tubeke.

Italië in de kwart, dat kan ook Oostenrijk worden, en Frankrijk in de halve finale, dat kunnen Zwitserland of Kroatië of Spanje zijn. Misschien moet de UEFA zich eens buigen over het toernooischema. Wat zich vijf jaar geleden voordeed, heeft zich herhaald. Met zo goed als normale eindstanden na de groepsfase – alleen de tweede plaats van Spanje na Zweden is tegen de verwachtingen – huist in de ene tabelhelft op papier veel meer kwaliteit dan in de andere. Een en ander is mee in de hand gewerkt door de onmiddellijke clash in de achtste finale tussen Engeland en Duitsland. De winnaar van die wedstrijd zit in de andere toernooihelft met eerst Zweden of Oekraïne, en dan de overblijver van Nederland-Tsjechië en Wales-Denemarken.

Op Euro 2016 kwam België als tweede in de groep terecht in ook zo’n zwakke helft met alleen Portugal als topland, dat zelfs de latere winnaar werd. In de andere helft zaten Duitsland, Italië en Frankrijk. Tegen Hongarije ging dat perfect (4-0), al viel het tweede doelpunt pas twaalf minuten voor tijd. In de kwart ging het mis, 3-1-verlies tegen Wales en een kater van Lille tot Brussel, waar de Rode Duivels met het schaamrood op de wangen en ferm tegen hun zin nog een acte de présence gaven na hun terugkeer.

Op deze Euro was al snel veel te doen rond winnen of verliezen tegen Finland. Martínez zei: geen sprake van. De spelers herhaalden dat als een mantra. Win big, dat is de bottomline. Daar is het nu tijd voor. De laatste grote wedstrijd tegen dat soort
sluwe tegenstanders die maar doen wat ze moeten doen, geen millimeter wijken, en waarvan de machine afgesteld is op maximaal rendement, was Frankrijk op de World Cup van 2018. Toen werd het een jammerlijk maar (soms wordt dat vergeten) terecht 1-0- verlies. Op Euro 2016 ging het fout tegen Wales en op de World Cup 2014 toonde Argentinië wat cynisme in het voetbal allemaal kan opleveren.

De hele plotse voetbalnatie aan de Noordzee trekt zich dan weer op aan de wedstrijden in de zomer van 2018 tegen Japan en tegen Brazilië. Vooral die laatste partij is eigenlijk de enige referentiewedstrijd door de Gouden Generatie (misschien was dit de laatste vermelding) afgesloten met winst tegen een echt topland. Euro 2020 zal ons in 2021 wijzer maken: was België in Rusland al of niet een eendagsvlieg die geluk had dat ze een paar dagen mocht leven of was het de voorbode van een prijs?page1image12592896

Column Laurommeke in De Morgen van zaterdag 26 juni 2021

Laurommeke

Het moet hier nog even gaan over Laurel Hubbard, de transvrouw die als gewichthefster naar de Spelen gaat en kans maakt op medailles. Voor de goede gang van zaken en als journalistieke duiding behoort u te weten dat Laurel is geboren als Gavin. Ooit was Laurel een man, die aan gewichtheffen deed met niet al te veel succes.

Dat kan gebeuren, en daarbij kwam ook nog dat de jonge Hubbard twijfelde over zijn gender en zich veel comfortabeler voelde als vrouw dan als man. Niemand verandert van gender voor de lol en van gender veranderen, kan leiden tot een beter leven en iedereen heeft recht op een beter leven. Geen discussie mogelijk, tenzij in Hongarije. De vraag die zich in deze specifieke case stelt is deze: de matige gewichtheffer die de bovengemiddeld getalenteerde gewichthefster Laurel is geworden – een kruising tussen Laurel en Jerommeke – schept dat geen probleem?

Met de eerste verhalen over Laurel verschenen ook de eerste opinies. Zo had iemand het in een krant over de Olympische Spelen die willen verbinden en of inclusie van transgenders daar dan niet toe behoorde. Neen, topsport is niet inclusief, topsport is zo exclusief als maar kan en zeker als het vrouwentopsport betreft. Aan sport doen kan dan misschien een grondrecht zijn, aan topsport doen niet, tenzij je je inschrijft in strenge regels, zoals gewichtscategorieën, binaire geslachtsopdeling, minimale prestatiecriteria, nationaliteit en enkele andere bepalingen die er op zijn gericht een zo gelijk mogelijk speelveld te creëren.

Een tijd geleden zat ik met dokter Guy T’Sjoen in De afspraak, toen ging het over Caster Semenya, de intersekse atlete uit Zuid-Afrika die haar te veel aan testosteron met pillen moest onderdrukken om op haar 800 meter te mogen blijven aantreden. Die chemische castratie wilde ze niet en ze week uit naar de 5.000 meter maar daar komt ze niet in het stuk voor.

De endocrinoloog T’Sjoen gaf toe dat (te) veel testosteron een voordeel was en dat regulering op zijn plaats was, maar hij had het daar moeilijk mee. Ook in de Hubbard-case werd hij deze week door de media geraadpleegd en beaamde hij dat transvrouwen, ook al nemen ze vrouwelijke hormonen, een groot deel van de voordelen behouden uit hun mannelijke puberteit als ze die voor hun transitie hebben meegemaakt. Uit studies blijkt dat ze maar 5 procent van hun mannelijke spiermassa verliezen. Toch vond hij het een stichtend voorbeeld dat Hubbard zou worden uitgezonden naar de Spelen.

Van een endocrinoloog die van gendertransitie zijn USP heeft gemaakt, verwacht je niet anders dan een pleidooi voor maximale inclusie. Guy T’Sjoen die zich tegen de inclusie van transvrouwen in de vrouwensport uitspreekt, dat is de slager die veganisme predikt. Zijn standpunt is dus te begrijpen, maar het getuigt van gebrekkige kennis van topsport en weinig respect voor vrouwensport.

Er is een levensgrote kans dat Laurommeke straks in Tokio flink meer kilo’s boven het hoofd steekt dan de vrouwen in haar categorie. Ze heeft nu eenmaal die voordelen: mannelijke massa, mannelijk skelet en mannelijke aangeboren kracht. In gewichtheffen doe je daar niemand mee kwaad, behalve dat je medailles wint tegen mensen die wel heel hun leven hetzelfde geslacht hebben en dat is de overweldigend grote meerderheid.

De denkfout die hier wordt gemaakt is het vermengen van begrippen als gender en geslacht. Laurel mag doen wat ze wil, mag zich kleden zoals ze wil, denken zoals ze wil, van gender veranderen, er zit nog altijd een groot deel man in haar. Dat heeft niks te maken met biologisch reductionisme, maar alles met wetenschap. Daarom heb ik het moeilijker met de verbanning op de 800 meter van Caster Semenya, die helemaal niks heeft veranderd aan hoe ze op de wereld is gekomen, dan met die van Laurel Hubbard.

Door transvrouwen op de Olympische Spelen als vrouw toe te laten, open je een doos van Pandora waar al die pleitbezorgers (en ook de tegenstanders) aan voorbijgaan. Wat als een nieuwe Laurel Hubbard opstaat en pakweg wil gaan boksen, of worstelen, of voetballen of een andere contactsport wil beoefenen met een mannenlichaam in een vrouwensport? Antwoord: in boksen kunnen doden vallen en in die andere sporten zware blessures. World Rugby bant transvrouwen om die reden.

Het argument dat het om enkele uitzonderingen gaat en dat het daarom de moeite niet waard is om door te reguleren, kan je ook omkeren. Is het erg dat je enkele uitzonderingen topsport ontzegt, op hormonale en biologische gronden, om een hele hele grote meerderheid te beschermen? Net daarom zou je transvrouwen kunnen uitsluiten, al was het maar om het speelveld min of meer gelijk te houden en voor de veiligheid van de andere deelneemsters die nooit man zijn geweest.