Column ‘De vreselijke K2’ in De Morgen van zaterdag 23 januari 2021

De vreselijke K2

Beklijvend. Het is het enige woord dat past bij mijn twee gesprekken met de mythe Reinhold Messner, de eerste klimmer die alle achtduizenders solo en zonder zuurstof heeft bedwongen. Messner is inmiddels 76 en of hij nog wandelt of klimt, zijn jaks gaat bekijken in de alpenweiden boven Bolzano, ik zou het niet weten.

De Südtiroler Messner beoefende als een van de eersten bergbeklimmen als sport. Hij trainde zijn conditie met lopen, zijn techniek op lage rotswanden, wilde de eerste en de beste zijn. De aanleiding voor mijn eerste ontmoeting in 2003 was de vijftigste verjaardag van de eerste gelukte beklimming van de Mount Everest door de Nieuw-Zeelander Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay. Vijfentwintig jaar later zou Messner als eerste zonder de hulp van zuurstof op het dak van de wereld staan. Twee jaar later (1980) deed hij dat solo over en in één moeite reeg hij daarna alle veertien achtduizenders als kraaltjes aan een ketting. Messner is en blijft de maat der dingen in de hogere klimwereld.

Voor Messner was er enerzijds klimmen als een mix van esoterie, anarchie en Star Trek – steeds nieuwe routes zoeken, gaan waar niemand ooit was geweest – en anderzijds het commerciële klimmen, waarbij niet het klimtalent of de conditie maar de hoeveelheid zuurstof en het aantal helpers de kans op succes bepalen.

Hij had een dodelijke uitsmijter: “Zelfs mijn grootmoeder kan de Everest op. Als we 100.000 dollar betalen.”

De domkop in mij antwoordde: “Klimt uw grootmoeder dan nog?”

Messner antwoordde: “Neen, ze is al lang dood. Ik bedoel: ze sleuren om het even wie die berg naar boven.”

Messner deed zelf vijftien jaar over de veertien achtduizenders. Tweeënveertig klimmers zijn hem gevolgd, de meesten met de hulp van zuurstof. Hij zal ze ongetwijfeld showklimmers noemen. De laatste jaren is klimmen veranderd, nog extremer en vooral sneller geworden. Het beste voorbeeld is de Catalaan Kilian Jornet, die in 2019 de Everest als het ware naar boven liep in 26 uur, zonder zuurstof en zonder gebruik te maken van de vaste touwen langs de commerciële klimsnelwegen.

Wellicht kan Jornet op de goedkeuring van de grootmeester rekenen. Het mailadres van Messner werkt niet meer, ik kan het niet checken. Hopelijk maakt Messner ook een uitzondering voor Nirmal Purja. Die Nepalees – geen Sherpa, wat letterlijk betekent ‘mens uit het oosten’, maar een Magar – beklom alle achtduizenders in zes maanden en zes dagen. Met zuurstof, jawel. De 38-jarige Purja, een voormalig SBS-commando in het Britse leger die vocht in de bergen van Afghanistan, verbeterde dat record met bijna acht jaar.

Oké, hij woont in de buurt, is van bij de geboorte geacclimatiseerd en kan de bergen in wanneer hij maar wil. Klopt helemaal, maar deze maand presteerde Purja nog iets uitzonderlijks, van het meest extreme wat klimmers ooit is gelukt. Nadat alle achtduizenders waren bedwongen in ideale omstandigheden, meestal in de zomer, volgde de uitdaging om ze allemaal ook in de winter ‘te doen’.

Tot vorig jaar waren ze op dertien van de veertien pieken in de winter al eens boven geraakt bij -50, -60 graden, alleen op die vreselijke K2 niet. Overal waren ze ook al eens zonder zuurstof boven geraakt, alleen op de hoogste, de Everest, werd zuurstof gebruikt. Dat heeft te maken met de luchtdruk die in de winter meestal lager is dan in de lente/zomer, waardoor zuurstof minder makkelijk in de longen komt.

De K2 in de winter gold al langer als de ultieme uitdaging. Die berg in de Pakistaanse Karakoram is met 8.611 meter de tweede hoogste ter wereld én de tweede meest dodelijke met één overlijden op vier beklimmingen (de Annapurna I had tot voor kort 40 procent doden). Kazakken, Russen, Kirgiziërs, Canadezen, Amerikanen, Britten, Spanjaarden, allemaal hadden ze hun tanden op de K2 stuk gebeten en/of waren ze gestorven.

Tot vandaag een week geleden. Toen deden tien Nepalezen wat niemand van alle grote Europese en Amerikaanse klimmers hen had voorgedaan. Expeditieleider Nirmal Purja zorgde voor een primeur in de primeur: hij haalde de top van de K2 in de winter zonder zuurstof.

Of waar corona ook goed voor is. Door een gebrek aan klanten/toeristen/klimmers zag het klimmersvolk uit Nepal het inkomen verschrompelen. Waarna de gidsen van Seven Summits Trek zelf geld zochten en hun ultieme tocht in elkaar staken. Niet gehinderd door blanke toeristen/klimmers, konden de rasklimmers eindelijk eens voor zichzelf klimmen. Ze waren met tien en alle tien haalden ze tegelijk de top. Op de top hebben ze hun nationale hymne gezongen. Op de terugweg – het blijven dienstbare Nepalezen – borgen ze in één moeite het lijk van de diezelfde dag verongelukte Spaanse klimmer Sergi Mingote. De K2 was uitzonderlijk mild geweest met één dode voor tien gelukte beklimmingen.

Excuses voor deze uitstap, maar tussen alle voetbal en cross mocht u dit ook weten.

Interview Olivier Deschacht in De Morgen van zaterdag 23 januari 2021

‘Ik ben al drie jaar mijn glas aan het leegdrinken’

Hij wordt straks 40, maar hij hoeft geen standbeeld. Olivier Deschacht – acht lands-titels en met wat geluk straks 700 matchen in eerste klasse – doe je al plezier met een beetje respect. ‘In mijn gezicht zeggen waar het op staat, meer vraag ik niet.’

Afscheidstournee meets afscheidstournee, zo voelt het aan. De kans dat ik ooit een vierde bezoek aan huize Deschacht zal brengen, is onbestaande. Allebei lopen we op onze nog immer sterke – of beelden we ons dat in? – maar wel laatste benen. Hij als voetballer in eerste klasse en interviewee, ik als interviewer.

In maart 2009 hadden we onze eerste babbel, met de handrem op want, zo vroeg hij zich hardop af, waarom zou een ‘intellectuelenkrant’ in godsnaam in hem geïnteresseerd zijn? De kop luidde: ‘Privé ben ik supergelukkig, sportief zo niet. ‘Bijna twaalf jaar later is dat andersom, maar daarover later meer.

Het tweede interview vond plaats op zijn tennisclub, in een zomerzon. Hij had in 2014 zeven titels en 468 wedstrijden in het eerste van Anderlecht op zijn naam staan. Het record van Paul Van Himst (566 wedstrijden) zou er in november 2016 aan geloven. Over die trouw aan één club, daar ging het toen vooral over. De kop dat weekend: ‘Mijn grootste talent is mijn olifantenvel.’

Geen enkele voetballer die zo vaak ter discussie heeft gestaan als Olivier Deschacht heeft zulke goede resultaten bij elkaar gespeeld. Geen enkele speler die zoveel tegenslagen en tegenstand heeft moeten overwinnen, is zo vaak op het hoogste niveau teruggekeerd. Geen enkele verdediger die tussen zijn twintigste en dertigste amper drie doelpunten maakte, scoorde vaker tussen zijn dertigste en veertigste. Twaalf keer in zijn geval, en dan nog als centrale verdediger.

De aversie die Deschacht vroeger al eens te beurt viel, heeft voor algemene bewondering plaatsgemaakt. Journalisten die hem een gebrek aan snelheid verwijten, kunnen dan weer op een ferme terechtwijzing rekenen.

“Dat stond in een een wedstrijdverslag en dat was helemaal niet terecht”, zegt Deschacht. “Ik spreek hen erop aan, de collega’s van jou die niet beseffen dat elke verdediger die met de rug naar de achterlijn staat, altijd te traag is voor een aanvaller die in volle snelheid op hem afkomt. Sergio Ramos van Real Madrid zou ook te traag zijn geweest, en het was dan nog tegen Lukas Nmecha (aanvaller van RSC Anderlecht, red.), geen slechte hoor.”

Misschien stond je slecht gepositioneerd, atypisch Deschacht. Bedoelde de collega dat niet?

(zucht) “Normaliter is een goede positie innemen en anticiperen een beetje mijn specialiteit geworden, maar die ene keer stond ik slecht. Als je goed kijkt, zie je dat ik hem buitenspel wil zetten, maar ik aarzel en het mislukt, waardoor ik kansloos ben.

“Ik ben natuurlijk een fractie minder snel dan vroeger maar ik was altijd wel snel. En als ik eenmaal op gang ben, zijn er niet veel die mij er af lopen. Ik compenseer dat tekortje met mijn ervaring. Na al die jaren heb ik alle situaties op een voetbalveld wel eens meegemaakt.

“Alhoewel, weet je nog, een paar weken geleden, toen ik alleen voor de doelman kwam? Dat was nieuw voor mij en ik wist niet goed wat ik moest doen. Ik kreeg de bal en moest hem maar intikken, maar ik trapte hem over. Zo jammer.”

Is dit nu je laatste seizoen, of niet?

“Normaal gezien wel. Ik weet niet wanneer ik dat besluit neem. Misschien wel op de laatste speeldag. Ik weet niet wanneer ik objectief kan beoordelen of er nog een jaar bij kan. Het is nu winter en uiteraard heb ik met dit weer iets meer last van mijn oude kwaaltjes, zoals dat kraakbeenletsel aan mijn enkel. Ik was daardoor ooit een jaar uitgeschakeld.

“Vorig jaar vloog mijn schouder uit de kom en die hebben ze uiteindelijk geopereerd. Met dank aan de coronastop, want anders had ik dat misschien niet laten doen. Na de revalidatie ben ik er weer ingevlogen: drie uur per dag trainen. Dat heeft mij goed gedaan: een mooie, lange opbouw naar het tweede seizoen bij Zulte Waregem.”

Toen je de deur opendeed, zei je nog: ‘Ik ben versleten.’

“Tijdens de training voel ik mij goed. Vooraf, om in gang te raken, en daarna is het wat minder. Als jij hier nu niet was, lag ik daar op de zetel met de benen omhoog. Ik doe alles mee. Soms zegt de fysiektrainer: ‘Oli, doe maar rustig aan’, zoals bij een intensieve sprintoefening aan het eind van een training. Ik antwoord dan: ‘Morgen speel ik tegen gasten van 21, ik moet trainen als iemand van 21.’ Dat geloof ik ook: ik mag niet minder doen, ik moet meer doen, maar wel op een verstandige manier.

“Voor mij is het goed dat het voetbal zo is veranderd. Ontbijt op de club, lunch op de club, vooraf opwarmen voor de eigenlijke opwarming, dat is iets van de laatste jaren. Mbark Boussoufa die bij Anderlecht om vijf voor tien in de kleedkamer binnenkwam voor een training die om tien uur begon, dat was de normaalste gang van zaken.

“Op Anderlecht waren er nog jongens op doel aan het afwerken, als de eersten al in hun auto wegreden. Deze ochtend was ik om half negen op mijn werk, voor het verplichte ontbijt, dan de training, douchen, lunchen en daarna heb ik met Sammy Bossut, Laurens De Bock en Jelle Vossen tot twee uur nog wat gekaart.”

Een mauve janet aan tafel met twee boeren van Brugge, dat lukt?

“Probleemloos. Ooit hebben we elkaar het slechtste toegewenst, nu zijn we goede vrienden. Erger nog, Jelle, Laurens en ik spreken ervan om samen op reis te gaan. Yves Vanderhaeghe (coach van KV Kortrijk, red.), Yveske, moet mee, want we hebben een vierde man nodig om te manillen. Het klikt. Ik amuseer mij. Op mijn oude dag kan ik niet beter zitten, op maximaal 25 minuten van mijn huis.”

Jij hebt altijd heel graag gevoetbald en je bent nog eersteklassewaardig. Waarom zou je dan niet nog een jaar doorgaan?

“Het is dubbel. Dit is het afscheid waarvan ik heb gedroomd. In de maand december is alles gelukt. Antwerp 0-1, preassist van mij. Cercle 1-0, assist van mij. Eupen 3-2, winning goal. Dat heb ik nooit eerder meegemaakt. Ik geniet van mijn niveau. Als ik in april zou zeggen dat het voorbij is, dan ben ik bevredigd.

“Jij zegt dat ik het glas helemaal moet uitdrinken? Ik ben al drie jaar mijn glas aan het leegdrinken. Zestien jaar in eerste klasse met Anderlecht, acht titels, dat was een mooi moment geweest om te stoppen. Waren Marc Coucke en Hein Vanhaezebrouck toen bij mij gekomen en hadden ze gezegd ‘Kijk Oli, het is gedaan, we gaan stoppen’, dan had ik daar op dat moment vrede mee gehad.”

Vanhaezebrouck heeft je eerst gevraagd te blijven, maar dan vloog je ineens naar de B-kern. Het was je roemloze einde bij Anderlecht. Wat is er gebeurd?

“De wonde is genezen, maar het litteken is gebleven. Ik was zogezegd te negatief en ik zou stiekem met de pers praten. Maar nadat ik naar de B-kern was teruggewezen, werd er nog meer gelekt, dus ik was het niet geweest die dingen aan de pers doorbriefte. Vanhaezebrouck had mij op de bank gezet en op de bank ben ik geen vrolijke mens, al helemaal niet als dat zonder een woordje uitleg gebeurt en ik dat op het bord in de kleedkamer moet lezen.

“Ik vond dat ik in zijn driemansverdediging op links oké speelde. Kijk, de trainer Hein Vanhaezebrouck is een topper. Wat hij met Gent heeft gepresteerd, chapeau. Maar als mens heeft hij mij ontgoocheld. Niet eerlijk en rechtuit in mijn gezicht durven te zeggen waar het op staat, daar knap ik op af. Ik hoop dat hij nog eens een topclub kan trainen, ik ken geen enkele trainer die een pressing kan uittekenen zoals hij. Maar – en ik hoop echt dat hij dit leest – zijn omgang met spelers is zijn werkpuntje.

“Of het nu de kwaliteit van het gras is, of waarom het ene gras groener dan het andere is, hij heeft overal altijd een uitleg klaar. Tijdens de lunch op Anderlecht stond er eens een tenniswedstrijd op en hij analyseerde meteen waarom die ene speler niet zou winnen: zijn eerste opslagpercentage was te laag. Toppunt was: die speler verloor ook. Je kunt met Vanhaezebrouck niet discussiëren. Hij weet alles en hij heeft ook vaak gelijk, maar hij moet leren dat er ook andere mensen zijn die iets weten.

“Ik heb geen moeite met hem. Als ik hem tegenkom, doet hij alsof er niks is gebeurd: ‘Alles oké, Oli?’ Ik antwoord dan ‘Ja, alles oké, Hein.’ Van een trainer verwacht ik dat hij tactisch weet waar het over gaat, dat hij goede trainingen geeft, maar even goed dat hij als coach mens is. Af en toe eens informeren bij een speler, ook bij wie het wat minder gaat, of bij een bankzitter. Als Hein dat nu eens zou leren, dat zou al heel wat zijn.”

Na zo’n oplawaai zou je denken: Deschacht is op het voetbal uitgekeken, maar jij ging naar Lokeren en belandde van de regen in de drup.

“Uit frustratie heb ik nog voor een jaar bij Lokeren getekend. Dat leek oké. Peter Maes wilde mij er graag bij, maar wat een dramatisch seizoen: vier trainers, de voorzitter die zijn club wilde verkopen, drie technisch directeurs, mislukte transfers, alle ellende kwam samen.

“Ik heb dat overleefd ja, met dank aan vrienden die ik daar heb gemaakt: Kylian Overmeire, Steve De Ridder en Davino Verhulst. Je trekt je aan elkaar op en we amuseerden ons. We degradeerden omdat we niet genoeg kwaliteit brachten, niemand bracht eigenlijk genoeg. Als ik Steve De Ridder nu bij STVV bezig zie… Dat heb ik bij ons in Lokeren toen niet gezien.

“Ik dacht: dit kan niet mijn afscheid van het voetbal zijn. Toen belde out of the blue Zulte Wargem-coach Francky Dury. ‘Kom je eens af? We willen je er graag bij.’ Ik moest een week op proef komen meetrainen, maar na twee dagen wilden ze al dat ik tekende. Ik was in vorm, hoewel ik vier maanden niet had gevoetbald. Het voelde meteen goed.

“In de eerste oefenwedstrijd viel ik in en ik kreeg meteen applaus. Ik heb blind getekend, ik denk dat ik amper heb gekeken naar wat ze mij zouden betalen. En kijk, na vorig seizoen ben ik door de supporters tot speler van het jaar uitgeroepen.”

Wat is de rol van Dury in je heropstanding?

“De trainer is uitermate belangrijk. Hij moet je vertrouwen geven en blijven geven. Vergeet niet, ik heb ook slechte wedstrijden gespeeld. Ik lees bijna geen kranten meer, maar ik hoor wel hoe hij telkens respectvol over mij spreekt. Ik vraag niet veel. Gewoon elke dag een woordje, geïnteresseerd zijn: ‘Alles oké, Oli? Hoe voel je je?’ Dat helpt. En zeggen waar het op staat, in mijn gezicht, meer vraag ik niet.

“Van al mijn trainers staat Frank Vercauteren (nu coach van Antwerp, red.) op één, omdat hij mij heeft opgeleid en op de linksback heeft gezet. Op twee staat Francky Dury en dan komt John van den Brom (nu bij Racing Genk, red.), puur omwille van het menselijke aspect.

“Ik zal je een voorbeeld geven. Hoewel dat niet mocht, speelde ik af en toe nog wel een tennistoernooitje. Ook wanneer ik geacht werd te rusten. Op een dag – Anderlecht had een oefenwedstrijd in Athene en ik hoefde niet mee – kreeg Van den Brom te horen dat ik zo’n toernooitje was gaan spelen. Hij stuurt dan een berichtje dat zoiets niet de bedoeling was, meer niet.”

In 2014, ons laatste interview, wist je het niet precies. Weet je nu wel hoeveel matchen je in het eerste elftal hebt gespeeld?

“Meer dan 600 bij Anderlecht, dat weet ik. 604? (Wikipedia zegt 609, red.) Ik kijk daar niet naar en ik loop er ook niet mee te koop. Wat dat betreft zit ik bij een slechte club. Bij ons in de staf loopt Timmy Simons rond. Heeft die geen boek uitgebracht met zijn duizend wedstrijden? Heb ik één titel meer dan Timmy? Ik acht en hij zeven? Aha, kijk eens aan.

“En ik ben ook Merida-speler van de maand geworden (de verkiezing van beste speler van Zulte Waregem draagt de naam van een sponsor, red.). Ik heb hem daar gisteren nog op gewezen: ‘Timmy, je hebt de Gouden Schoen gewonnen, WK en EK’s gespeeld, je bent in het buitenland kampioen geworden, maar Merida-speler van de maand, dat ben je nooit geweest!'”

Ben jij niet een beetje te bescheiden? Je hebt meer talent dan je wilt laten uitschijnen.

“Ja goed, maar ik ben toch geen Ronaldo en mijn motor is niet van de grootste. Ik moet echt werken om mijn niveau te halen, dus zoveel intrinsiek talent heb ik ook niet. Ik kan wel voetballen, maar ik schreeuw dat niet van de daken. Als ik niet zou kunnen voetballen, dan draai ik zoals tegen Cercle als linksvoetige niet naar mijn verkeerde rechterbeen en dan raakt die voorzet met rechts niet tot bij onze aanvaller die scoort.

“Ik heb mij altijd met Belgische spelers op mijn positie vergeleken, en dan weet ik dat ik geen Thomas Vermaelen of Jan Vertonghen ben die bij Ajax en Arsenal hebben gespeeld. Anderlecht was mijn plafond. Ik kon naar ploegen die onderaan in de Premier League stonden, maar wat heb je daaraan? Jelle Van Damme heb ik ook nog gewaarschuwd toen hij naar Wolverhampton trok. Een half jaar later was hij terug, bij Standard.”

Zie je nog collega’s van bij Anderlecht?

“Het is nu met die corona wat moeilijker, maar we hadden met Tomas Radzinski, Bart Goor en Yves Vanderhaeghe een groepje van vier dat wekelijks padel speelde. Vincent Kompany zie ik als we tegen elkaar spelen. Een knuffel kan nog steeds. Ik heb altijd gezegd dat hij een goede trainer zou worden, maar ook dat de combinatie met spelen onmogelijk was.

“Samen met Kompany ben ik in 2002 in het eerste van Anderlecht gekomen. Hij was 16 en ik 21. Toptalent, Vincent, en nu is hij een toptrainer aan het worden. Ik ben aangenaam verrast hoe hij nieuwe jongens steeds weer kansen geeft. Hij is met Anderlecht op de goede weg.”

Anderlecht komt meer met wanbeheer in de media dan met goed voetbal.

“Geloof mij, ik weet niet wat daar allemaal aan de hand is. Ik ken alleen nog Frank Boeckx (keeperstrainer, red.) en ook die weet niet wat daar boven zijn hoofd gebeurt. Dat ik grote ogen trek als er weer iets in de krant verschijnt, dat wel. Allee, nu alweer Karel Van Eetvelt die vertrekt, wat is dat daar toch allemaal?”

Loopt dat proces tegen je gokveroordeling nog?

“Neen, dat cassatieberoep heb ik niet doorgezet, Ik heb die boete betaald: 25.000 euro. Dat is een periode die ik zo snel mogelijk wil vergeten. Het was belachelijk. De Kansspelcommissie heeft mij daar als een voorbeeld gebruikt. Daar hebben andere belangen gespeeld. De liaison-officier van de gerechtelijke politie bij de Kansspelcommissie die heel mijn dossier heeft onderzocht en die mij bezwoer: ‘Het is iets van niks, maar ik moet het toch onderzoeken’, die man heeft mij gebruikt.

“Wat later is hij zelf ontslagen omdat hij van gokbedrijven voordelen zou hebben aanvaard. Jammer dat de media vol zijn meegegaan in de veronderstelling dat ik aan matchfixing zou doen.”

Je hebt altijd een duale relatie met de media gehad.

“De laatste tijd overdrijven ze een beetje in de andere richting. Als er iets positiefs gebeurt, gaan ze daar zo op door dat ik denk: neen, dat hoeft ook niet. Ze zijn hun schade aan het inhalen, wellicht omdat ze denken: die kunnen we later nog gebruiken. Het is wat het is: bekende kop, een mening.

“Er is een tijd geweest dat ik elke dag alle kranten ontleedde en alles wist wat ze over mij hadden geschreven. (lacht) Die reacties op de websites van de kranten, hoe ze mij met de grond gelijk maakten, die las ik ook allemaal. Later kwamen daar nog eens de sociale media bij. Dat heb ik afgeleerd. Ik zit op de sociale media, maar ik lees geen reacties meer.”

Die vrouw die ik daarnet bij het binnenkomen even zag, is dat je nieuwe vriendin?

(lacht) “Dat is mijn moeder. Ik zal het haar zeggen, ze zal het als een compliment opnemen. Ze komt mij helpen met de kinderen als die straks van school komen. Ik woon hier alleen. Ik heb geen behoefte aan een nieuwe relatie. Annelien en ik zijn nu twee jaar uit elkaar.

(diepe zucht) “Ik was helemaal van slag van wat er in Anderlecht was gebeurd en hoe ik daar ben moeten vertrekken. Ik ben gaan uitgaan, alleen op reis, festivalletje hier, festivalletje daar. En dan gebeuren dingen die niet moeten gebeuren.”

Vrouwen?

“Geen commentaar. Was het anders gegaan in Anderlecht, dan waren Annelien en ik nu nog samen. Honderd procent zeker. Hier in deze kamer kreeg ik het telefoontje van Marc Coucke dat het voor mij bij Anderlecht voorbij was, na twintig jaar. Samen met Annelien heb ik hier staan bleiten.

“En nu…? We komen overeen, we hebben tenslotte samen twee kinderen van 5 en 9 en dat zijn spannende leeftijden. Maar ik heb wel spijt van hoe het is gelopen.”page3image53674816

Column Geopolitieke jurisdictie (o.m. over Kompany) in De Morgen van maandag 18 januari 2021

Geopolitieke jurisdictie

Vincent Kompany zal wel een oké trainer zijn en een gedreven coach, maar in de publieke sfeer heeft hij zich de laatste maanden vooral laten opmerken als redenaar. In beide landstalen steekt hij moeiteloos een oratio, desgevallend laudatio af waarmee hij al wie hem voorafging in dat vak en al wie na hem komt moeiteloos in hun hemd zet.

Vrijdagavond liet hij zijn uitgebreide woordenschat los op de maatschappij. Dat de scheidsrechter alsnog rood trok voor een overtreding van Kemar Lawrence, nadat hij eerst geel had gegeven, noemde Kompany niet zomaar belachelijk. Neen, het was interventionisme. Daar had de ref niet van terug en ik ook niet.

Ik acht mijzelf redelijk belezen, maar dit heb ik moeten opzoeken. Ziehier: interventionisme is een politieke of niet-defensieve actie ondernomen door een natie of staat of andere geopolitieke jurisdictie om een economie of maatschappij te manipuleren. Bij de rode kaart van Lawrence was geen sprake van een actie door een natie of staat, dus kwam de actie van een geopolitieke jurisdictie.

Dat geeft die mannen van de VAR meteen meer aanzien.
Busjesman vertrekt van huis en vrouw vraagt: “Moet je fluiten vanavond, schat?”

Antwoord busjesman, tot vóór vrijdag: (bedrukt) “Neen, ik zit in het busje.”

Antwoord busjesman, ná vrijdag: (monter) “Vanavond ben ik geopolitieke jurisdictie.”

Volgens Kompany had Lawrence geen rood mogen krijgen. De tackle was nochtans een Jamaicaanse variant van wat doorgaans een Afrikaanse tackle wordt genoemd. Dat is een tussenkomst met twee benen vooruit die het midden houdt tussen levensgevaarlijk voor uitvoerder en meer nog voor ontvanger, en een demonstratie van atletische lichaamsbeheersing in volle vaart, vliegend/klievend door de lucht.

Als tackles met twee benen tegelijk bestraft worden, komt dat door de kwalificatie ‘serious foul play’ die men aan de tackle toewijst en dat omhelst elke actie die de veiligheid van de tegenstander in gevaar brengt of die met buitensporige kracht en brutaliteit wordt uitgevoerd. Zo’n actie is bestrafbaar (punishable) met rood. Het is dus aan de geopolitieke jurisdictie op het veld en in de camionette om te bepalen of het rood is.

Hoewel die de speler niet echt raakt, valt voor dat rood van Lawrence iets te zeggen, om de heel eenvoudige reden dat het niet bestraffen van zo’n tackle een hele dynamiek in gang zet die je vooral niet wilt. Stel: speler van A vliegt tackelend met twee benen door de lucht en wordt nooit bestraft. Die intensiteit wordt dan de norm en dat kan hem een voordeel opleveren als zijn directe tegenstander de volgende keer niet meer in duel durft te gaan. Dat kan niet de bedoeling zijn. Net zo min als het wenselijk is dat een speler van B zich kort daarna geroepen voelt hetzelfde te doen. Voor je het weet zit het er bovenarms op.

Het spel verloopt steeds sneller en de duelkracht wordt steeds belangrijker, argumenteert Kompany. Helemaal juist. Maar je kunt je afvragen of het voetbal gewonnen is bij een aaneenschakeling van mini-oorlogjes, trek- en duwpartijen, halve en hele judogrepen en daarbovenop nog eens vliegende tackles. Als de voetbalregels daaraan paal en perk willen stellen, en het goede open voetbal bevoordelen, wie kan daar wat op tegen hebben?

Zaterdag ook nog een tirade gelezen tegen de rode kaarten voor voetballers die met gestrekt been naar de bal gaan en warempel- toch-wat-een-pech op de voet of enkel van de tegenstander belanden. Geen rood, vond de analist, ex-voetballer, en in één moeite diskwalificeerde hij de mening van iedereen die niet op zijn niveau had gespeeld. “Net zoals alleen wielrenners geplaatst zijn om over reglementeringen, normen en waarden in hun sport te oordelen, zijn ook alleen ex-voetbalprofs geplaatst om te oordelen.”

Dat is zo’n krankzinnige redenering die je makkelijk kunt counteren met een beetje historisch inzicht. Sport heeft nooit uitgeblonken in zelfregulerend vermogen, al helemaal niet als de gezondheid van de beoefenaar in het spel was. Bijna alle interventies voor meer veiligheid – in American football, rugby, ijshockey, voetbal, eventing, formule 1 (herinner u: “de halo willen we niet”) en tig andere sporten – komen van de periferie of zelfs van buitenstaanders.

Het voorbeeld van het wielrennen raakt dan nog eens kant noch wal. Uitgerekend die sport heeft er alle baat bij gehad dat de renners en wielerploegen de regels niet langer zelf bepaalden. Zo zijn we grotendeels van het dopingspook afgeraakt. Bovendien is het een ex-voetballer die in het voetbal de regels mee heeft bepaald. Hij heet Marco van Basten en hij was een veel betere voetballer dan Gert Verheyen.

Column Vaccinatievoorrang van zaterdag 16 jan 2021

Vaccinatievoorrang

De hoofdarts van het Belgisch olympisch comité, orthopedisch chirurg Johan Bellemans, maakt zich zorgen. Is er nog wel sprake van een level playing field als in het ene land atleten nu al worden ingeënt en in andere landen hun concurrenten nog maanden hun beurt moeten afwachten?

Neen, maar in het sportlandschap is er nooit sprake van een level playing field. Atleten die zich hypobare kamers (met verlaagde luchtdruk) en allerlei hulpmiddelen, trainers, kines en stages kunnen veroorloven, hebben ook een voorsprong op atleten die in hun dorp moeten trainen. Hoewel zelfs dat geen eenduidige waarheid is.

Onze fondlopers kunnen over de hele wereld gaan trainen, krijgen de beste zorgen en worden meestal naar huis gelopen door de eerste de beste Keniaan die nog maar een jaar spikes heeft, rond zijn dorp is gebleven en traint op bonen in plaats van ketonen.

Dit vaccin is een ander verhaal. De hele wereld kunnen overvliegen, in groep trainen, wedstrijden bezoeken, alles doen en laten (voor de sport) zonder de schrik om ziek te worden, dat heeft zo zijn voordelen tegenover atleten die in hun bubbel moeten blijven, om de haverklap in hun neus zo’n roerstokje tot in hun kleine hersenen geduwd krijgen en met de daver op het lijf lopen om dat virus toch maar niet te pakken te krijgen.

Getrainde sporters gaan niet dood van het virus, worden zelfs amper ziek, maar in deze fase van de voorbereiding op Olympische Spelen en andere toernooien is elk virus te mijden, ook een koutje. Dat is niet de enige randschade van de coronapandemie. Als Matthias Casse het met brons moet stellen op het EK judo en onlangs in Doha in de eerste ronde op zijn donder krijgt, komt dat omdat die jongen in maanden niet heeft kunnen sparren in zijn categorie.

De renners en staf van Team UAE zouden al ingeënt zijn. Een beetje dictatuur is altijd een voordeel en in de Emiraten kijken ze niet op een prerogatiefje min of meer. Team UAE is een staatsproject, net als de emir en zijn grote familie. Andere renners en ploegen van het WorldTour-peloton zijn – voor zover bekend – nog niet ingeënt. Je kunt dat bestempelen als een gebrek aan solidariteit van UAE, het
is wat het is. Als ze mij morgen in het woon-zorgcentrum van mijn moeder voorstellen om het overschotje van een flesje in mijn arm te jagen en over twee weken nog eens een overschotje, zeg ik ook geen neen.

U vindt het level playing field van onze atleten het verst van uw zorgen? U vindt topsport geen prioritair beroep? U vindt dat de culturele sector dan ook recht heeft op vaccinatievoorrang? U vindt dan wellicht ook dat atleten hun beurt moeten afwachten en in hun leeftijdsgroep rijtje moeten schuiven. Het is uw goed recht dat te menen.

Ik vind topsport ook geen prioritair beroep zoals zorgpersoneel of politiediensten of onderwijs. (Over die laatste hoor ik niemand zeggen dat ze voorrang krijgen terwijl ze wel prioritair zijn.) Anderzijds is topsport niet iets dat je eventjes niet kunt doen om het daarna weer op te pakken. Die vierhonderd Belgen die ons deze zomer zullen vertegenwoordigen op diverse grote toernooien kunnen we echt wel even tussendoor vaccineren, ergens op een plek waar ze de normale vaccinatie niet hinderen, gewoon door eigen medisch personeel. Op het BOIC, de KBWB en de KBVB, waarom niet? Dat zal de prik voor de rest van België met hooguit een uurtje verlaten.

Er is nog een aspectje aan dat hele vaccinatiebeleid dat onderbelicht blijft, en vooral dan de volgorde waarmee we de bevolking zullen uitnodigen: de voorrang voor de groep met onderliggende gezondheidsproblemen. Daar heb je er twee van: problemen waar niemand schuld aan heeft en problemen waarvoor je verantwoordelijk bent.

De vraag is dan simpel: moeten obesen/rokers/drinkers die zich tegen alle waarschuwingen in een diabetes tweetje en/of chronische longproblemen en/of leveraandoeningen op de hals hebben gehaald voorrang krijgen op de al of niet sportende medemens die zichzelf jarenlang wel heeft verzorgd?

Ik dacht het niet, maar daarover zullen de meningen wel verschillen. Uiteraard is het niet makkelijk om het onderscheid te maken tussen wat je jezelf hebt aangedaan en wat te maken heeft met pech, maar sporters zouden alvast niet ná deze groep moeten komen. Geef sporters die ons land internationaal vertegenwoordigen het statuut van essentieel beroep, lever dat vaccin en laat hen dat zelf logistiek regelen.

Ach wat, misschien is dit over een paar maanden geen discussie meer waard. De enige echte beslisser ligt bij het virus zelf. Het EK voetbal zie ik altijd doorgaan, maar als dat virus blijft razen tot in de lente zou Japan er kunnen voor kiezen om de Spelen te laten doorgaan zonder toeschouwers of zonder buitenlandse toeschouwers. Wordt het nog erger en bezwijken steeds meer Japanners, dan bezwijkt ook Tokio 2021 en wordt het Nokio 2021.

Column Ploegtactiek over BK veldrijden in De Morgen van maandag 11 januari 2021

Ploegtactiek

Rik Van Looy bezwoer mij ooit dat wielrennen geen ploegsport is. Dat was niet de schuld van de sport die zich daartoe niet zou laten lenen, wel van de sporters die het niet in zich hebben om in ploeg op te treden. Wielrenners waren volgens Van Looy spitsen in het voetbal: oog in oog met de doelman trappen ze altijd op doel.

Van Looy is al meer dan een halve eeuw gestopt en hij zal ook wel hebben gezien dat het ploegspel vooral in grote rondes tot in de perfectie is afgesproken. Hoewel – denk maar aan Sunweb in de Giro – het heel af en toe fout gaat of er nog wel eens een voor eigen rekening rijdt. Wees als kopman tevreden, aldus Van Looy, dat ze in je ploeg niet tegen jou rijden.

Daar moest ik aan denken toen ik in de eerste ronde van het Belgisch kampioenschap veldrijden na een bocht of drie Laurens Sweeck op kop zag rijden, met in zijn dankbaar spoor Wout van Aert en Toon Aerts. Sweeck viel op het eerste gezicht niets te verwijten. De ploegconsignes waren duidelijk: we hebben drie kopmannen en als die elk om beurten vooraan prikken, moeten Van Aert en Aerts – die niemand in steun hebben – telkens dat gat dichten.

Dus reed Sweeck als een gek op kop, heel goed wetende dat zijn ploegmaats Eli Iserbyt en Michael Vanthourenhout niet mee waren. Sweeck zei in de nababbel: “Ik had geen zicht op wat er gebeurde in het begin”. Daarmee komt hij in zijn ploeg niet weg, geloof mij vrij. Wielrenners weten dat wel. Die hebben voelsprieten. Die hebben ogen op hun gat. Die zien wie mee is en wie niet. Crossen is bochten draaien en bij elke bocht zie je een stuk van het veld. Eli en Michael waren niet mee en toch reed Sweeck vooraan de hele kopgroep aan flarden. Driekwart ronde verder werd hij het gedroomde lanceerplatform en weg was de raket Wout van Aert.

Ja, het was weer eens bingo bij de jongetjes van Pauwels Sauzen-Bingoal. De eerste ploegleider die werd geïnterviewd, vond nog wel dat Laurens Sweeck de ploegtactiek goed had begrepen. Ten minste, dát deel van het plan was goed gelukt, zei hij sarcastisch. Het tweede deel, dat de andere twee kopmannen op een halve minuut zouden moeten jagen, was een beetje anders uitgedraaid dan voorzien.

Later zouden ploegbaas Jurgen Mettepenningen en sportdirecteur Gianni Meersman zich al wat kritischer uitlaten. Toen in de laatste rondes bleek dat Van Aert helemaal niet meer uitliep, maar zelfs seconde per seconde prijs moest geven en Michael Vanthourenhout in normale omstandigheden en zonder pech zijn evenknie had kunnen zijn, kon Vermeersch zijn ergernis nog maar moeilijk verbergen.

En al die tijd bleef die Sweeck maar met opengesperde bek rondrijden. Hij bleef sleuren op kop, heel goed wetende dat iemand van zijn ploeg uit de achterste gelederen een halve minuut in zijn eentje had goedgemaakt. Iemand die niet zoals hij sinds 22 november het podium niet meer had gezien. Iemand die nota bene de laatste weken had bewezen dat hij van alle Sausjes de grote drie – van wie Van der Poel en Pidcock niet aanwezig waren om evidente redenen – kon benaderen. Wat men er achteraf ook van zegt, de ene Sauzen-man heeft de andere in de vernieling gereden en dat is niet voor het eerst in die ploeg.

Wout van Aert reed zowat een uur aan de leiding en won met geen twintig seconden voorsprong. Dat leverde een mooie driekleur op, maar erg comfortabel leek het allemaal niet. Van Aert heeft de rest alvast niet aan flarden gereden en je kreeg ook niet de indruk dat hij freewheelde. Een koploper in de cross heeft graag een minuutje of wat reserve, kwestie van een occasionele schuiver of een lekke band te kunnen opvangen. Waren Iserbyt-Vanthourenhout-Sweeck wel in trio bij hem gebleven samen met Toon Aerts, dan hadden ze hem het vuur aan de schenen kunnen leggen.

Van Aert zelf had een uitleg klaar. Hij had zes nachten amper geslapen. Bij zijn flashinterview kon hij zijn tranen nauwelijks bedwingen toen hij zijn vrouw Sarah bedankte omdat ze negen maanden voor het kind had gezorgd. Tja, zo gaat dat nu eenmaal in de natuur. Het is niet dat de vrouw er voor kiest dat die baarmoeder bij haar zit, maar bon, een bedanking is uiteraard op zijn plaats. De dracht tot daar aan toe, veel vrouwen vinden die leuk liet ik mij destijds wijsmaken. Ik heb die van mij eerder bedankt voor de bevalling.

De overwegingen van Van Aert bewijzen wel wat ik van in het begin heb gezegd. Er zijn drie privébesognes die de carrière van een atleet overhoop kunnen halen: alleen gaan wonen, samenwonen, kinderen krijgen. Nu zit hij nog op zijn wolk, maar hij zal snel weer op aarde staan.

Column De beste van de wereld in De Morgen van zaterdag 9 januari 2021

De beste van de wereld

Niet dat ik reclame wil maken voor de concurrentie, maar ik kijk toch halsreikend uit naar de column van René Vandereycken in Het Nieuwsblad. René vervangt Hein Vanhaezebrouck, die KAA Gent net voor eind maart in play-off 1 zal parkeren en zes jaar na de eerste aan een tweede titel zal helpen. Of niet, maar dat zien we dan wel weer.

René stond gisteren al met een quote in de krant. “Ik bewonder de topschutter Lukaku, maar ik vind hem nog altijd geen goeie voetballer.” Wellicht zeggen we over afzienbare tijd over hem ongeveer hetzelfde: Vandereycken is een veel betere columnist dan hij ooit trainer is geweest. De columnist Vanhaezebrouck was dan weer even goed als de trainer.

Lukaku geen goede voetballer… Pfff. Ik ben ook geen fan van Lukaku, maar dan als publiek figuur. Hij verkoopt iets te veel theater en debiteert te veel onnozeliteiten over zijn zogezegd helse jeugd om nog geloofwaardig over te komen. Maar Lukaku de voetballer is natuurlijk wel top. Dat is nu typisch René Vandereycken: een driekwartvol zwart glas zal hij krompraten tot het een halfleeg doorschijnend glas is.

Oké, soms springt nog weleens een bal van zijn voet en als Romelu wegzakt, zakt hij dieper dan de hele ploeg, maar Lukaku is een spits en een spits moet scoren en dat doet Lukaku. Meer zelfs, hij scoort aan de lopende band in een competitie waarin het lastig scoren is. Lukaku is een hele goede spits en dus een zeer goede voetballer, maar hij is niet – zoals een deel van onze media ons willen laten geloven – de beste spits ter wereld. Erving Haaland en Robert Lewandowski zijn alvast beter.

Niettemin, als het de bedoeling is om te gepasten tijde wat tegengas te geven en tegendraads te zijn, heten we René van harte welkom bij het broederschap der columnisten. De lidkaart en het stortingsformulier voor het lidgeld krijgt hij eerstdaags in de bus.

Tegengas is af en toe nodig. Waar dat vroeger omgekeerd was en die van ons niks konden, hebben we de laatste jaren de vervelende gewoonte aangenomen onze eigen kweek te overschatten. Zo is Kevin De Bruyne voor de Belgische media de beste middenvelder ter wereld. Journalisten schrijven dat niet altijd van ganser harte maar laten hun broek op hun enkels zakken in de hoop dat Kevin-de- beste hun een exclusief interview toestaat. In dezelfde serie verscheen ook al dat Thibaut Courtois de beste doelman ter wereld is, dat Eden Hazard de beste dribbelaar op links ter wereld is. Zelfs Toby Alderweireld, Jan Vertonghen en eerder Vincent Kompany waren de beste ter wereld in iets en Axel Witsel was de beste regelaar, ook van de wereld.

Dat is niet typisch Belgisch wil ik hier uitdrukkelijk nuanceren. Ik lees L’Equipe en de Nederlandse kranten. Zij vinden hun Kylian Mbappés en Frenkie de Jongs ook de beste van de wereld en dat zijn ze niet, Mbappé uitgezonderd misschien.

Naar het schijnt voert Kevin De Bruyne nu onderhandelingen met Manchester City over een verlenging en verbetering van zijn contract dat nu 18 miljoen euro per jaar waard is. Voorlopig vangt hij bot. Het CIES Football Observatory in Neuchâtel weet misschien waarom. Zij brachten de marktwaardes van de spelers in de grote vijf voetballanden in kaart. De Bruyne heeft een waarde van 71,9 miljoen euro, net iets meer dan zijn doublure Youri Tielemans. In de Premier League staan onze landgenoten met dit bedrag op de 29ste en 30ste plaats. Natuurlijk is de transfersom gelieerd aan leeftijd en contractduur en nog wat parameters, maar het is wel een indicatie. Net als de rangschikking als je filtert op ‘midfielder’. KDB de beste van de wereld? Niet volgens het CIES. Die zetten hem op plaats dertien en Tielemans op veertien.

De duurste Belg is Romelu Lukaku. Die zou voor net geen 100 miljoen van de hand gaan. Hij staat daarmee zestiende bij de aanvallers. Thibaut Courtois heb je al voor 48 miljoen en kost net iets meer dan Timothy Castagne. Axel Witsel krijg je voor een bedrag tussen de 15 en 20 miljoen. Eden Hazard (27,5 miljoen) is iets duurder, maar nog altijd 2,5 miljoen goedkoper dan Alexis Saelemaekers.

Zegt dat wat, zo’n rangschikking? Ja en neen. Neen, omdat marktwaarde kan fluctueren en het nooit algoritmes zijn die de prijs bepalen, al zou dat misschien te overwegen zijn. Ja, omdat de marktwaarde van de Belgen in verhouding tot de top fel is geslonken.

Zegt dat iets over de kansen op het EK volgende zomer? Ook niet. De Fransen, de Engelsen en de Duitsers hebben een duurdere selectie en ook dat heeft niks te betekenen. Behalve dan dat we ons beter nestelen in onze historische rol van underdog.

Column Wat is Sport? in De Morgen van maandag 28 december 2020

Wat is sport?

Vijfendertig jaar geleden – jawel, ik ben een boomer – volgde ik een paar zomers lang cursus aan de Sporthochschule. In ons werkgroepje met heel veel West-Duitse en een handvol Oost-Duitse piepjonge sportjournalisten (wellicht zat er ook een Stasi-mannetje bij) moesten we een antwoord verzinnen op ‘wat is sport?’ en vooral ‘wat is geen sport?’.

We geraakten nooit tot een allesomvattende volzin, wel tot enkele criteria waaraan moest voldaan zijn om van sport te kunnen spreken. Het moest een fysieke activiteit zijn, of nog beter, een inspanning die een gevolg had op hart- en bloedvaten. Bijkomende eis: er moest sprake zijn van algemeen geldende regels. Ten derde: de regelgebonden inspanning moest onder de vorm van een competitie tegen een tijd, volgens een score of om ter eerst.

Het scheren van de haag in een hoog tempo zou een vorm van competitie kunnen zijn als je dat tegen je buur doet, maar het staat vast dat daar geen algemeen geldende regels voor afgesproken zijn. Veruit het belangrijkste criterium is de inspanning, met een verhoogde activiteit op het niveau van hart- en bloedvaten. Hoeveel verhoogd? Dat is van geen belang.

Opgelet, niet alles waar je hart sneller gaat van kloppen en waar je gaat van hijgen, is sport. Als boomer herinner ik mij dat je op je adem kunt trappen van stomende seks, maar ook dat telt niet als sport omdat er bijvoorbeeld geen regels zijn en geen jury is die punten geeft. Behalve dan op Temptation Island, laten we dat als een twijfelgeval beschouwen.

Wat is ook geen sport? Alle sport waarbij bètablokkers helpen, dat zijn middelen die de hartslag vertragen. Dus: alle hersen- zogeheten-sport. De hengel-zogeheten-sport, de bridge- en schaak-zogeheten-sport. Allemaal verdomd moeilijk, maar geen sport.

En neen, wat men u ook wil wijsmaken: darts is geen sport, want ook daar helpen bètablokkers. Gisteren zag ik een obese Belg verliezen van een Engelsman op het WK darts. Een andere obese Belg, ene Dimitri Van den Bergh, gooide zich met een 4-0 wel naar de achtste finale. Ter plaatse verzin ik nu een bijkomend criterium om bepaalde skills en handigheden uit te sluiten als sport. Als de vermeende atleten, zeg liever beoefenaars, eruitzien alsof ze met hun onderliggende problemen snel in aanmerking komen voor het vaccin, wees dan zeker: het is geen sport.

Als bewijs dat darts wel sport zou zijn, worden soms rare argumenten gehanteerd. Bijvoorbeeld: doe het zelf maar eens. Onzin natuurlijk, er zijn wel meer dingen waarvoor je erg handig of slim moet zijn, die ik ook niet kan. Niet alles wat moeilijk is, is sport. Mijn dochter haar biochemiecursus vond ik onoverkomelijk moeilijk, maar dat zijn studies, geen sport.

Nog zo’n non-argument: schieten, dressuur en curling zijn ook sporten en zelfs met een olympisch statuut. Dat klopt en de repliek is simpel: het is niet omdat die handigheden ooit verkeerdelijk tot sport zijn opgewaardeerd dat we nogmaals die fout moeten maken.

Sommige bezigheden die aan alle criteria beantwoorden en in normale omstandigheden beoefend onbetwistbaar het predikaat sport verdienen, neigen zo tot het extreme dat je kunt betwijfelen of er nog wel sprake is van sport. De cross van gisteren in Dendermonde bijvoorbeeld. Wat was me dat voor een ongein, onzin en nonsens op een hoop?

Wie heeft dit in godsnaam verzonnen? Jurgen Mettepenningen natuurlijk. Die man heeft naast een ploeg ook enkele crossen in beheer en daarom bleef de kritiek veelal binnensmonds. Ik heb alvast van één staflid van een toptienrenner een whatsappje met ‘schande’ gekregen. En Mathieu van der Poel noemde het achteraf wereldbeker-onwaardig. Van de Sporza-commentatoren Michel Wuyts en Paul Herygers had ik meer moed verwacht. Het parcours in Dendermonde verdiende minimaal publiekelijk te worden gedesavoueerd.

Niet dus. Dat krijg je met die hele inteelt van rechtenhouders, organisatoren, commentatoren die zelf organiseren en renners en de rimram eromheen: als puntje bij paaltje komt, klitten ze in dat crosswereldje aan elkaar. Niet te geloven dat de UCI dit parcours heeft goedgekeurd. Als men zich nog afvraagt waarom mountainbiken populairder en meer wereldsport is dan dit regionale gedoe van modderploeteren/strontlopen, dat men dan het uurtje Dendermonde 2020 nog eens afspeelt. Dit had niks met de sport veldrijden te maken, zoals die is doorontwikkeld en zoals de internationale wielrennerij die graag vanuit de Vlaamse blubber wil halen. Dit was terug naar af.

Met Wout van Aert heeft de beste gewonnen. Dat is hem gegund, want uiteindelijk is dit een verhaal geworden van wattages, met dank aan de regen.

Copyright ©2020 Belga. Alle rechten voorbehouden

Column Knuffelboete in De Morgen van zaterdag 26 december 2020

Knuffelboete

Wat jammer dat de Pro League niet heeft doorgezet met die gele kaarten voor voetballers die vanuit een soort virale oerdrang elkaars lichaamssappen en aerosolen uitwisselen als ze een doelpunt maken. Knuffelkaart, die kn aan het begin, die alliteratie, die ideale drie lettergrepen,… daar was in de verkiezing voor het woord van het jaar geen woord tegen opgewassen.

Voor wie de laatste tijd onder een steen zat en die niet af en toe omhoog heeft geduwd, er is bij de publieke opinie ophef ontstaan over voetballers die zich voor de wedstrijd in een bubbel van een man of vijftien oppeppen, waarna de wedstrijd begint en ze bij een doelpunt op elkaar springen, diep in de ogen kijken, zoenen, vastpakken, toeschreeuwen, dat alles op anderhalve centimeter,… Na de wedstrijd volgt dan nog een begroeting van de tegenstander, inclusief de stafleden en bestuurders als die het veld zijn opgeraakt. Minimaal met een vuistje, soms met een mondkapje maar niet altijd. Meestal worden gewoon handen geschud en krijgen de intiemere concullega’s een knuffel.

Wat de eerste minister daarvan vond, vroeg iemand tijdens ‘De Zevende Dag’. De eerste minister – Alexander De Croo – keek zorgelijk en had een passend antwoord: “Wij vragen van iedereen om gewoontes op te geven: handen schudden, zoenen, in grote groepen elkaar zien. Dan hoort het niet dat voetbal gewoon doet alsof er niets aan de hand is zich niets aantrekt van de voorzorgsmaatregelen.”

De mevrouw die de vraag stelde, kreeg nogal snel de hoon over zich. Ze dook zelfs met voornaam en naam op in wat moest doorgaan voor een voetbalverslag. De voorzitter van de voetbalbond Mehdi Bayat vond het allemaal wat overtrokken en zag geen probleem, tenzij dan een perceptieprobleem.

Daar heeft hij helemaal gelijk. Voetbal is één groot perceptieprobleem en daar werkt hij zelf naarstig aan mee. Mehdi Bayat is naast bondsvoorzitter ook CEO van Sporting de Charleroi. Toen die club zich in september had gekwalificeerd voor de laatste voorronde van de Europa League, mengde hij zich onder de supporters en danste mee.

Dat de meeste van die supporters geen mondmasker droegen, vond hij geen probleem. Dat drie spelers meedansten – Dorian Dessoleil, Nicolas Penneteau en Guillaume Gillet – was ook geen probleem. “De politie keek toe, dan kan er toch niets illegaals aan zijn geweest?”, reageerde Bayat.

Het voetbal laat nooit een gelegenheid voorbijgaan om zich van zijn meest asociale kant te laten zien. Het zoveelste bewijs dat die sociale dimensie van de voetbalclub – hoe idealistisch de communitycel ook is en hoe goedbedoeld hun initiatieven zijn – voor heel wat bestuurders een rookgordijn is. Profvoetbal is de meest geprivilegieerde economische sector: welke andere industrie verdient grof geld met mensenhandel, kan alle maatschappijke regels aan de laars lappen en krijgt jaarlijks van diezelfde maatschappij 170 miljoen euro aan lastenverlagingen?

Donderdag kwam de Pro League dan met het voorstel om boetes te geven. Clubs bij wie de inbreuken vastgesteld worden, kunnen een boete van maximum 10.000 euro (1A) en 5.000 euro (1B) krijgen. Spelers en stafleden die inbreuken begaan zullen bovendien zelf een bijkomende ‘vergoeding’ van 750 euro moeten betalen, bovenop een verplichte inschakeling in sociale en maatschappelijke projecten.

10.000 euro op een (gemiddelde) omzet van 20 miljoen. Of 750 euro op een gemiddeld voetballerssalaris van 210.000 euro. De sportmedia vond dat hoge boetes. Vergelijk dat eens met 250 euro boete op een doorsnee nettoloon van 1.842 euro. Of met de 1.600 tot 32.000 euro en een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden bij een inbreuk op artikel 187 van de wet op de civiele veiligheid, waar de rechtbanken nu mee dreigen.

Juichen bij een doelpunt kan makkelijk worden gereglementeerd. Ooit sprongen doelpuntenmakers op de afrastering nadat ze hun shirt hadden uitgetrokken. Het ene noch het andere is toegelaten en wordt al een aantal seizoenen consequent met geel bestraft. Dat had tijdelijk ook gekund met doelpuntenvieringen die niet coronaproof verlopen.

Veel erger dan die opstoot van testosteron en gelukshormonen zijn natuurlijk de lockdownfeestjes die door voetballers zijn georganiseerd of waar een aantal voetballers werden opgepakt. Daar hoor je de Pro League niet over. Het recht houdt op aan de stadionpoort, was ooit de boutade van een sportadvocaat. Klopt helemaal: eens voorbij de poorten van het voetbalstadion begint een parallel universum van ongeziene privileges.

Column over 2021 in De Morgen van zaterdag 26 december 2020

Mijn Favoriete Speeltuin

Ik heb lang geaarzeld of ik wel wilde gaan, maar begin december heb ik dan toch mijn vliegticket voor de Olympische Spelen van 2021 geboekt. Om redenen die u inmiddels bekend zijn, zijn wij vorige zomer niet in Tokio geraakt. Ik vlieg graag met Lufthansa, waar ik inmiddels zoveel miles heb verzameld dat ik mijzelf tot in de pilotencabine kan upgraden, als ik dat zou willen. De ruimte net achter de pilotencabine – waar het allemaal iets luxer is, het eten beter, de bediening af en de bedden echt – volstaat. Dat is het plan.

Dit zal mijn laatste intercontinentale trip als journalist zijn en ik wil terugkeren in stijl. Als ik de volgende Spelen haal – bij leven en welzijn en voldoende goesting – is dat per trein. Van Lille naar hartje Parijs is een uurtje en van mijn huis naar Lille is ook een uurtje. Er zijn niet veel Olympische Spelen waar je in twee uurtjes op de plaats van bestemming bent, toch niet als je van thuis kunt vertrekken. Maar goed, dat is over drieënhalf jaar, een eeuwigheid voor een mens en in de journalistiek.

In 2021 is Tokio aan de beurt. Ik zag er lang tegen op. Tokio is nooit een feest, het is gewoon geen plezante stad. Combineer dat met die Japanse obsessie voor hygiëne en kadaverdiscipline, bovendien in pandemische tijden, en u weet wat ik bedoel. De laatste keer in Tokio is alweer twintig jaar geleden, maar ik gok dat het er nu niet minder druk is. Het hotel waar de organisatie mij tegen 120 dollar voor een nacht een kamer heeft toegewezen, ligt in een achterafbuurt, gelukkig wel op een boogscheutje van een metrostation. Google Street View laat zien dat mijn hotel het midden houdt tussen een bunker en een afwerkplek voor dolgedraaide salarymen en hun concubines.

Ik stel al mijn hoop op die terugvlucht in stijl en natuurlijk dat metrostation. Laten we hopen dat de snelste vorm van vervoer in Tokio ook tijdens de Spelen de snelste vorm van vervoer is. In Peking was dat de persbus, maar dan alleen nadat ik het IOC de oren van de kop had gezeurd over de files op Ring 2. Wonder boven wonder mochten een paar dagen later alleen de auto’s met oneven kentekens de weg op, een dag nadien de even kentekens. Ik denk nog steeds dat mijn gezeur bij de grote bazen van het IOC daar iets mee te maken had. In Tokio zal dat niet lukken. De opperbaas is al acht jaar een andere en mijn (olympische) status is tanende.

De Spelen zijn mijn favoriete speeltuin. Ik heb EK’s voetbal gecoverd en ook de laatste World Cup voetbal. Ik heb gezworen dat ik in november 2022 niet naar de World Cup in Qatar ga en dat heeft niks te maken met protest omwille van de Nepalezen die daar worden uitgebuit en vermorzeld bij de bouw van de stadions. Ik heb die Nepalezen in de Himalaya in lijfeigenschap van India op 5.000 meter hoogte ook wegen in rotsen zien uithakken. Het is overal wat, heb ik na al die jaren wel door.

Naar de World Cup voetbal krijgen ze mij niet meer, maar die Olympische Spelen in Tokio wil ik niet missen. Een eindtoernooi in het voetbal is als eten bij McDonald’s. Na een tijd heb je de hele menukaart gehad en weet je het wel: cheeseburger, gewone burger, chicken filet, met of zonder bacon, whatever, het blijft elke keer een burger.

Voetbal is fastfood: 64 voetbalwedstrijden in 32 dagen. Maar die zestien dagen van Olympische glorie zijn een bruisende uitgaansbuurt, met sterrenrestaurants – zwemmen, gymnastiek, atletiek – en een food court met exotische specialiteiten. Sportjournalistiek is voor mij altijd één groot avontuur geweest en daar geef ik niet meer op toe.

Interview Dirk Van Tichelt in ‘De Wending’ – De Morgen van 22 december 2020

‘Zoveel kracht dat het ineens krak zei’

Tokio in 2021 haalt hij niet meer. Judoka en olympisch medaillewinnaar Dirk Van Tichelt wordt na zijn sportieve pensioen wel gerecycleerd en ingezet ter behoud van een oude Belgische judotraditie: prijzen pakken. ‘Ik wil die jonge gasten de weg tonen.’

Interviews bij topsporters thuis waren ooit de regel. Dat gebeurde voor of na een training, of als het echt druk was tussen twee trainingen. Vaste prik om het ijs te breken was de vraag: wat doe je vandaag nog? Waarna een antwoord volgde zoals: nog wat kracht, nog wat techniek, beetje losrijden (wielrenners) of x aantal kilometer extensief als het lopers waren.

Een tip voor wanhopige collega’s die genoeg hebben van Zoom en andere fakegesprekken, bij Dirk Van Tichelt (36) kun je nog steeds aan huis komen. Met mondmasker aan de voordeur, zonder als je nadien ver genoeg aan de lange tafel gaat zitten. En je kunt nog steeds dezelfde vraag stellen.

Van Tichelt: “Wat ik vandaag nog doe als jullie weg zijn? Verder helpen met het renoveren van de badkamer. Elke olympische cyclus heb ik afgesloten met grote werken.”

Ben jij een van de indirecte slachtoffers van de coronapandemie?

“Ja, eigenlijk wel. Ik was van plan te stoppen eind 2020, maar dan na mijn vierde Olympische Spelen. Alleen, ja, die Spelen zijn een jaar uitgesteld. Na Rio heb ik het van jaar tot jaar bekeken in de optiek van ‘alles wat er nog bijkomt is mooi meegenomen’. Ik deed het nog wel erg graag, zeker met al die jonge gasten die er waren bijgekomen. Die hielden mij jong en ik kon hen een beetje wegwijs maken. Als je dan zo’n talent als Matthias Casse kunt helpen, geeft dat voldoening.”

Was er een moment dat je de klik hebt gemaakt: het is genoeg, ik stop?

“Die nek die pijn deed, die hernia is de hoofdreden. Ik had tien jaar geleden al eens een inspuiting gehad. De pijn was toen weggegaan. Twee jaar geleden is die teruggekomen en weer weggegaan door een inspuiting. Nu was ze sneller terug en heb ik twee spuiten gekregen. Toen ik in de zetel lag en geen kant op kon, kwam mijn zoontje mij vragen om op de trampoline te spelen. Ik moest zeggen: papa kan niet, hij heeft te veel pijn. Dan denk je: is het dat allemaal nog waard?

“Ik heb toen tegen mijn vriendin gezegd: ik denk dat het goed is geweest. Jaja, zei ze, morgen heb jij een afspraak bij de kinesist en die zal je wel weer oplappen. Effectief, ik voelde mij veel beter en ik sprak anders: ‘Oh Esther, het heeft goed gedaan, het komt in orde.’ Het weekend erna verbeterde het niet meer. Ik terug naar de specialist.”

In de pijnkliniek?

(knikt) “Dan zit je al ver, dat klopt, maar dat hoort bij topsport. Die sprak overigens niet van stoppen. Het was niet gevaarlijk als ik zou doordoen, zei die. Ik moest alleen een beetje oppassen dat ik met mijn hoofd niet op de grond terechtkwam. Dat is natuurlijk een heel goede raad, maar waar je met je hoofd terechtkomt, dat ligt in judo vaak aan je tegenstander. Ik ben ook nog bij een neurochirurg langsgegaan en die zei ook dat ik verder kon. Alleen was het zaadje van de twijfel geplant en dat is blijven groeien.

“Komt daarbij dat ik door corona nog nooit zo intensief met mijn kinderen heb samen geleefd. Ik sliep de laatste jaren meer met Matthias Casse dan met mijn vriendin. Ik had nog die droom van mijn vierde Olympische Spelen, maar al het andere dat ik daarvoor moest missen had ik nu ook gezien. Voeg daarbij nog het besef dat langer doorgaan mij later weleens heel hard zou kunnen spijten.

“Hoe ik dat dan aan mijn manager heb gezegd dat ik wilde stoppen, weet je dat ik dat niet eens meer weet? Het was een proces en het heeft even geduurd voor ik om was. Een maand ongeveer was het van ja, neen, ja, neen… Tot het ja was.”

Had je niet moeten stoppen in januari 2019 nadat die voorste kruisband was afgescheurd?

“Dat was stom, hoe dat is gegaan. We waren op een internationale stage in Oostenrijk en de training zat er eigenlijk op toen een jonge talentvolle judoka nog eens naar mij toe stapte voor een gevecht. Ik dacht: allee, waarom niet, het is een goeie en ik vecht er graag tegen, nog eentje. Ik probeerde die uit alle macht te gooien, over mijn schouder en daarbij zette ik zoveel kracht vanuit mijn been dat het ineens krak zei.

“Niet opereren was toen een optie. Mijn vriendin heeft ook judo gedaan op hoog niveau en loopt al tien jaar met een niet-herstelde voorste kruisband. Dat geeft iets meer slijtage en topsport zit er dan niet meer in, maar het kan. Ik heb er even over nagedacht maar dan toch snel de knoop doorgehakt: repareren, zo snel mogelijk revalideren en dan de vierde Spelen.

“Ik had anderhalf jaar om te revalideren en mijn olympisch ticket af te dwingen. Dat liep niet best, althans niet in wedstrijden. In Abu Dhabi verloor ik om de derde plek, maar ik moest in het voorjaar nog wel in wat grote toernooien een resultaat neerzetten om mij te kwalificeren. Ik had tegen de trainer gezegd: als jij het niet meer ziet zitten met mij, zeg het mij, dan stop ik ermee.

“Hij vond dat ik nog heel goed vocht. Dat bleek ook uit de trainingen. Tegen Matthias Casse, wereldtop in een categorie hoger, ging het nog steeds gelijk op en dan weet je dat je internationaal niet bent uitgespeeld. Toen corona alles stillegde, zag ik dat eerst als een buitenkans: eindelijk nog eens de conditie opbouwen en een stevige basis leggen. De rest volgt dan wel. Maar de rest kwam niet.”

In Tokio Olympische Spelen in de mythische Budokan, dat was wel een mooie afsluiter geweest.

“Bwa. Ik weet dat in 1964 het eerste olympisch judotoernooi ooit daar is doorgegaan en dat Anton Geesink er die Japanner heeft geklopt. Maar om dat nu een mythische plek te vinden, neen.”

The Beatles waren de eersten in 1966 om er live op te treden. En Made in Japan van Deep Purple is daar opgenomen.

“O ja? Dat wist ik niet. Het is een mooie hal, dat wel, met de vorm van een tempel. De Budokan ligt ook in het groen. Maar als ik ergens ben om te vechten kan dat evengoed in een vervallen kot. Ik heb er geen te beste herinneringen aan. Het was vorig jaar het eerste WK na mijn operatie en ik verloor meteen in de eerste ronde.”

Is je glas nu helemaal leeg?

“Daar trek ik mij niet te veel van aan. Ik kijk niet terug. Ik zal wel een ander glas vinden om uit te drinken. (lacht) Ik ben daar nuchter in. De knop is omgedraaid en ooit moest er een einde aan komen. Het lukt best, ook omdat ik die collega-judoka’s niet meer heb gezien. Misschien als ik terug op hun training kom dat het dan erger wordt.”

Je zou in de begeleiding van de toptalenten gaan werken, klopt dat?

“Daar is vorige week een beslissing in gevallen. Ik ga de junioren vanaf achttien jaar voor mijn rekening nemen. Ik denk wel dat dit mij ligt. Ik heb bovendien alle nodige diploma’s, zowel trainer A als licentiaat lichamelijke opvoeding.”

Dat laatste op zich is al knap dat je dat als topsporter er nog bij hebt genomen.

“Ik wilde een diploma hebben voor ik stopte. De eerste twee kandidaturen heb ik in twee jaar gedaan. Wel telkens tweede zit. Ik zei altijd: die tweede zit is in de prijs van de inschrijving inbegrepen. Over de twee licenties heb ik nog eens vijf jaar gedaan, tot en met de thesis die ging over de kumi-kata, het vastgrijpen van de tegenstander bij het begin van het gevecht. Mijn promotor was professor Peter Clarys, zelf een judoka.

“Daar heb ik nog een mooi verhaal over. Ik was net begonnen op de VUB toen we een Belgisch kampioenschap hadden. Een van mijn tegenstanders was die prof, maar ik herkende hem niet meteen. Ik wist wel: die heb ik al eens gezien, maar ik dacht in het judo. Nadien begon het mij te dagen: dat is verdorie die prof van mij. Die week heb ik een training verlegd om bij hem in de les te kunnen zijn. De eerste vijf rijen bleven zoals altijd vrij en ik ging pal voor hem zitten. Komt die prof binnen, kijkt in het auditorium en ziet daar die gast zitten die hem de zondag voordien een ippon had aangesmeerd. Ik was toen nog een gewone junior die elk EK in de eerste ronde verloor en helemaal niet bekend. Met een brede smile keek ik hem aan. Hij is zijn les begonnen met vertellen over onze wedstrijd.”

Je bent een van de drie Belgische mannen die ooit een prestigieuze judomedaille hebben gewonnen. Robert Van de Walle blijft de keizer met goud en brons. Ken je je klassiekers?

“Jaja. Robert was op dat WK in Tokio ook uitgenodigd, net als Ulla Werbrouck (goud in Atlanta, HVDW) trouwens. Ik ken de Belgische traditie in judo. Ik zat in 1997 als jonge judoka met het hele gezin gekluisterd aan de tv voor dat EK waar Jean-Marie Dedecker en zijn nationale ploeg negen medailles wonnen, waarvan zes keer goud. Een weekend later was het familiedag met de nationale ploeg en daar was ik ook om fotokaartjes en handtekeningen te verzamelen.

“Dat EK in Oostende was uniek en zal nooit meer worden verbeterd. Dat waren andere tijden. Voor een klein land als België wordt het steeds moeilijker om te concurreren met andere, grotere landen of landen waarin judo meer beoefenaars heeft. Neem nu Georgië. Matthias Casse verliest op het EK van een Georgiër. Waarom denk je? Omdat Matthias weinig of geen tegenstand heeft gehad in eigen land. Hij zat vast door corona, kon niet naar het buitenland en kon alleen met zijn broer sparren. Die Georgiërs zijn met drie in hun categorie aan elkaar gewaagd en die maken elkaar beter.

“Judo is een wereldsport. Een kleine sport, dat wel, maar uit alle continenten komen medaillekandidaten. Als ik dan hoor hoe hier euforisch over veldrijden wordt gesproken… Alles in het veldrijden wordt gewonnen door Vlamingen of een Nederlander die in België woont.”

Wat nu in het judo? Je graden wat bijspijkeren via kata’s?

“Zeg nooit nooit, maar nu heb ik daar geen zin in. Ik ben zwarte gordel tweede dan en die heb ik moeten halen omdat je anders niet naar de Spelen mag. Om nu al die andere graden te halen, ik zie daar het nut niet van in. Die kata’s (stijloefeningen met nadruk op de perfecte uitvoering, HVDW), dat is een beetje hetzelfde als een student die alles van buiten blokt, grootste onderscheiding haalt, maar die niks in de praktijk kan brengen.”

Robert Van de Walle was ook eerst behept met het demonteren van de tegenstander en is pas aan het einde van zijn carrière over zijn sport gaan nadenken.

“Die filosofie, dat sacrale in het judo interesseert mij wel. Ik heb wedstrijdjudo gedaan en dat gaat dan meestal zonder veel bij na te denken. Je trekt die andere over en hij valt. Of niet. Maar hoe dat nu zit met dat spel van de krachten, waarom en wanneer iemand valt, daar stel ik mij meer en meer vragen over. Dus misschien komt het er nog van. Overigens vraag ik mij af waarom ik geen graadverhoging heb gekregen na mijn olympische medaille. Vroeger was dat het gebruik, maar dat heeft de gradencommissie afgeschaft.”

Is het judo veranderd tussen 2007 toen jij internationaal doorbrak en nu?

“Er zijn reglementsaanpassingen gekomen om te beletten dat het onder impuls van de Oost-Europeanen te veel op worstelen ging lijken. Ze hangen nu minder over elkaar dan in het begin toen ik judo deed. Verder blijft het doel toch die andere op de grond kegelen. Hoe dat dan gebeurt, is toch met geoorloofde middelen.

“Judo is altijd een faire sport gebleven, met respect voor de tegenstander. Het gaat erom de andere uit te schakelen door hem te immobiliseren, niet door hem knock-out te slaan of zo te kwetsen dat die niet meer verder kan zoals in boksen. Oké, er is de wurging en dat is een techniek waarbij de gewurgde moet afkloppen of hij valt flauw. Sommigen doen dat niet. Ik heb het zelf nooit meegemaakt, maar ik heb er al genoeg weggewurgd.”

Van de Walle sprak over armklemmen en trekken tot het krak zegt.

“Juist, maar die krak is niet het been dat breekt, wel de ligamenten van het gewricht die worden uitgerekt. Doet ook geen deugd en je kunt natuurlijk afkloppen, waarna je verloren bent. Japanners kloppen bijna nooit af. Ik herinner mij een kamp tegen Akimoto, nu een van de Japanse vrouwencoaches, op de Masters. Op een gegeven moment had ik hem op de grond in armklem. Ik dacht k’em ‘um en heb daar met mijn twee armen aan zijn arm getrokken tot ik helemaal leeg was. Die had echt heel veel pijn, dat kon niet anders, maar niet afkloppen. Dus riep de scheidsrechter na een tijd ‘mate’ en we konden herbeginnen. Hij met één lamme arm en ik met twee compleet lege armen. Hij heeft die kamp nog gewonnen want hij stond een bestraffing voor. Niet te geloven.”

Op de Olympische Spelen haal je ex-judoka’s – ze mogen nog zestig zijn – er zo uit.

“Dat geloof ik best. Beetje moeilijk te been, die kop wat scheef omdat er nog pijn in de nek zit, en die bloemkooloren natuurlijk. Het is een sport die je redelijk sloopt, toch op topniveau. Ik heb nu nog wat pijn aan mijn nek, maar dat gaat al veel beter. Ik kan alweer op de trampoline. Mijn vingers doen pijn als ik moet knijpen, die hebben jaren de judogi van die andere moeten vastpakken en maar trekken en sleuren. De impact van die duizenden keren dat je bent moeten vallen, is niet te onderschatten.

“Heb ik nu spijt? Bah neen. Ik zou het direct opnieuw doen, op dezelfde manier. Oké, ik heb wat pijntjes en als ik Robert en Ingrid (Berghmans, HVDW) zie stappen, dan weet ik dat mij dat ook te wachten staat. Dat komt door het judo en dat hebben we mooi gehad. Wat er later van komt, zien we dan wel weer.

“Ik ga training geven aan junioren en op clubniveau zie ik mij ook nog wel zelf aan judo doen. Je kunt wel degelijk een beetje judoën. Grondwerk kun je lang volhouden, maar allemaal wel met een andere intensiteit. En de tegenstand zal natuurlijk ook minder zijn. Ik heb hierboven nog mijn fitnessmateriaal staan en nu ik voor het eerst lang heb gerevalideerd van mijn nek, na twee spuiten met cortisone, kan ik opnieuw wat trainen.”

Dat dertien jaar topjudo sloopwerk is, was hem niet aan te zien toen hij in de eerste coronagolf deelnam aan De container cup, een programma van VIER dat furore maakte omdat atleten van allerlei kunne het tegen elkaar opnamen in verschillende korte disciplines. Mathieu van der Poel werd de eindwinnaar, maar het programma kreeg een populariteitsboost nadat de wervelwind Dirk Van Tichelt was gepasseerd. Vlaanderen leerde een topsporter-academicus kennen die zich op allesbehalve academische wijze vloekend, schurkend, zwetend en boerend doorheen de vijf proeven naar de leiding worstelde. Vooral zijn prestatie bij het golfen ging viraal, minder omwille van die 116 meter dan om zijn swing die leek op houthakken met een golfclub.

Is ‘Start to golf’ hier in Tessenderlo op de Millennium-club niks voor jou?

(lacht) “Neen, niet echt. Ik dacht dat ik een try-out moest doen voor dat programma. Toen bleek dat Pieter Timmers en Remco Evenepoel al waren gepasseerd en dat het menens was. Ze hadden die proeven doorgestuurd maar daar had ik niet naar gekeken. Ik heb boven nog wel een loopband en een spinfiets staan. Had ik het geweten, dan had ik daar wel een paar keer op getraind om te zien wat de beste tactiek was. Ik denk dat ik zelfs het zadel van die fiets niet heb verzet, ook het wattage niet. Ik vond het wel plezant. Weet je dat ik nooit méér in de kranten heb gestaan en mijn naam heb horen vernoemen dan met dat programma?”

Hoor ik daar kritiek op de media?

“Een beetje wel. Jullie beseffen niet hoe frustrerend een gebrek aan aandacht is. En hoe dat doorwerkt? Neem nu sponsoring. Na Rio, waar ik brons won, hebben mijn manager en ik het hele Autosalon platgelopen om autosponsoring te krijgen. Elk merk vond het tof dat we langskwamen en ze kenden mij allemaal, overal wilden ze een selfie. Maar toen weer contact werd opgenomen, vingen we overal bot. ‘We gaan het toch niet doen.’ Waarom? Omdat ik maar eens om de vier jaar in de media kom. Rio is de laatste keer dat ze een hele wedstrijd hebben laten zien van mij of van een andere judoka, van hajime (het begin) tot sore-made (het einde).

“Op dat laatste EK vochten Sami Chouchi en Matthias Casse tegen elkaar voor brons. Twee wereldtoppers, twee Belgen tegen elkaar. Waarom wordt die wedstrijd niet uitgezonden? Waarom moet het altijd wielrennen en voetbal zijn? De eerste de beste voetballer die zich laat vallen met een gefakete blessure en meteen weer opstaat, krijgt meer zendtijd dan om het even welke olympische wereldtopper. Ik kan daar niet bij. In andere landen is dat beter verdeeld. Dus wil ik iets veranderen? Ja, ik wil iets veranderen. Als ik maar één journalist kan beïnvloeden dat die naar zijn baas gaat en zegt dat ze iets meer aan judo moeten doen, of een andere olympische topsport, heb ik mijn doel bereikt.”