Column over Nairo Quintana/Tramadol in De Morgen van zaterdag 20 augustus 2022

Hoe schoner, hoe vuiler

Met Nairo Quintana is nog eens een tweevoudige groterondewinnaar (Giro 2014, Vuelta 2016) en een tweevoudige runner-up van de Tour (2013, 2015) betrapt op een verboden middel. Weliswaar zes jaar na zijn laatste grote triomf, maar toch. Zo’n profiel dat tegen de lamp loopt, dat was toch al geleden van 2012 toen Alberto Contador retroactief overwinningen moest afstaan.

Quintana mag nog een schim zijn van zijn betere zelf, dit is een opdoffer voor de sport, niet min, niet meer. Een steen in de schoen ook van zijn ploeg Arkéa-Samsic, lid van de Mouvement pour un Cyclisme Crédible, de zelfverklaarde heiligen van peloton. Voor de Colombiaan is het misschien het einde van zijn carrière.

Quintana komt ervan af met een boete en schrapping uit de uitslag. Dat lijkt een lichte straf, maar de logica daarachter is dan weer dat zwaardere straffen juridisch aanvechtbaar zijn voor het Hof van Arbitrage voor Sport.

Tramadol is technisch gezien (nog) geen doping omdat het wereldantidopingagentschap WADA te lam, te lui, te laks (of een combinatie van dat alles) is/was om de duidelijke aanwijzingen van onheus gebruik om te zetten in een verbod, met daaraan gekoppeld een straf. De wereldwielerbond UCI vond die aanwijzingen wel duidelijk genoeg en heeft vanaf 2019 actief gezocht naar het middel dat bij ons vooral onder de merknaam Contramal wordt verkocht.

Het is een morfineachtige pijnstiller die tot de opioïden wordt gerekend. Zwaar spul met zombieachtige neveneffecten, dus niet geschikt om mee te fietsen. Toch vond men bij een steekproef meer dan tien jaar geleden dat meer dan vier op de honderd renners zich aan de tramadol hadden gewaagd. Die kwam er omdat klokkenluider Taylor Phinney had getuigd over buitensporig gebruik en dat had gekoppeld aan de vele valpartijen.

Dat was een misvatting. Tramadolgebruik is serieus verminderd, maar de valpartijen zijn gebleven. De reden voor gebruik is erg eenvoudig en gaat terug op de origine van doping: sporters lijden pijn bij zware inspanningen en alles wat die pijn vermindert (of minder doet lijken) is goed. Omwille van dat effect verdient tramadol een plaats op de dopinglijst. Het is onmiskenbaar een prestatiebevorderend middel.

Waarmee we bij de grijze zone van de dopingbestrijding zijn aanbeland. Alle pijnstillers of ontstekingsremmers hebben een prestatiebevorderend effect. Je wilt de atleten de kost niet geven die tot het gaatje gaan met de hulp van paracetamol (wielrennen) of ibuprofen, diclofenac, naproxen en aanverwanten (alle balsporten). Iedereen bij wie de pijn jaar na jaar vervelender gaat opspelen, komt vroeg of laat in de verleiding. Ook die middelen – pijnbestrijdend, dus prestatiebevorderend én ongezond – helpen en zadelen de sport op met een vervelende dilemma.

Door Quintana is de verleiding natuurlijk groot, dat is te begrijpen: weeral dat wielrennen, weeral die ‘doping’…Leren ze het daar nooit?

Nuance is op zijn plaats. Uit de preliminaire testing die heeft geleid tot de tramadolban (in wielrennen) is gebleken dat het middel ook in andere sporten wordt gebruikt. Alleen de UCI heeft besloten tot actie over te gaan en dat is niet de eerste keer. Als bewijs een historisch rijtje, citerend uit eigen eerder werk.

– In 1955 was de UCI de eerste bond die een soigneur schorste omdat hij zijn renners dopeerde.

– In de jaren zestig was de UCI de eerste bond om in de reglementen een artikel over doping op te nemen, om een medische commissie op te richten binnen de federatie (1964), om de aanbevelingen van de eerste internationale dopingconferentie over te nemen (1965), om een heel hoofdstuk van de reglementen aan doping te wijden, om als eerste urinestalen te analyseren (1966) en om een dopinglijst te publiceren en straffen uit te spreken. Veertien renners kregen in 1967 tussen 2.000 Franse francs boete en drie maanden schorsing.

– In 1996 was de UCI de eerste bond om bij zijn atleten bloed af te nemen.

– In 2001 was de UCI de eerste om de Franse epotest te gebruiken, tegen de wil van WADA.

– In 2007 was de UCI de eerste bond om het bloedpaspoort te gebruiken, tegen de wil van WADA.

– In 2009 was de UCI de eerste bond die stalen retroactief liet testen en een renner schorste.

– In 2019 testte de UCI als eerste op tramadol en vaardigde een eigen strafreglement uit, tegen de wil van WADA.

Hoe schoner het wielrennen probeert te worden, hoe vuiler het lijkt. Geen sport heeft meer gedaan om het dopingspook te bedwingen. Het goede nieuws in weerwil van het slechte nieuws zoals Quintana: wielrennen is op goede weg.

Column Veni, vidi, Popovici in De Morgen van dinsdag 16 augustus 2022

Veni, Vidi, Popovici

Zaterdag is dé sportprestatie van het jaar 2022 geleverd. In Rome, perfecte plaats. Door David Popovici, perfecte naam, perfecte atleet. Bijna alles klopte aan zijn honderd meter vrije slag: de eerste vijftig, de tweede vijftig (!), de start, het onderwaterwerk, het was de perfecte race. Resultaat: 46.86 en wereldrecord.

Wat klopte niet? Je moest zoeken om iets te zien van die honderdmetervrijslagfinale. Door niet te kiezen voor de European Championships in München, maar naar Rome uit te wijken, kreeg de Europese zwembond LEN maar minimale coverage en zo voltrok een historische sportprestatie zich in de quasi anonimiteit. Op Een was dat na middernacht.

Een tip voor wie in 2024 in Parijs sportgeschiedenis live wil meemaken: je kan naar het gymnastiek willen voor Nina, of naar het hockey voor de Belgian Lions/Panthers, zevenkamp voor de triple van Nafi desnoods, maar ding toch vooral mee naar tickets voor de finale van de 100 meter vrije slag. En ook voor de 200 meter. Dat worden koningsnummers op les Jeux Olympiques de Paris 2024.

David Popovici. 46.86 in 22.74 en 24.12. Laat dat even bezinken en bedenk dat een honderd meter zwemmen geen sprint is zoals de 100 meter op de atletiekbaan. Die duurt maar tien seconden en beroept zich op één energiesysteem: creatinefosfaat en ATP. Een honderd meter in het zwemmen maakt gebruik van het glycolysesysteem waarmee het lichaam onderweg ATP (adenosinetrifosfaat) aanmaakt zonder de hulp van zuurstof.

Beetje ingewikkeld misschien na die hete dagen, maar niet zonder belang. Het gevolg is dat het lichaam in razendsnel tempo een soort afvalstoffen als bijproduct aanmaakt, waardoor de inspanning steeds moeilijker vol te houden is. De honderd meter vrije slag is daarom te vergelijken met een 400 meter in de atletiek: het gaat om techniek, tactiek, balans, indeling en uiteraard de daarbij passende atletische capaciteiten.

De nieuwe wereldrecordhouder David Popovici is zeventien jaar. 17! Zijn wereldrecord is tegelijk een wereldrecord bij de juniores. Dat hebben alleen Michael Phelps en Ian Thorpe hem voorgedaan. Met alle respect voor die wereldzwemmers, zij deden het op de minder sterk bezette afstanden, niet in het koningsnummer.

Haal de beelden van het wereldrecord van Popovici erbij, desnoods op YouTube – TikTok was helemaal erg geweest – en bekijk de hele race: van het opkomen van de finalisten tot het gejuich achteraf. Iets wat u opvalt? Let op zijn lichaam. David Popovici is 1m90 en weegt 79 kg. Dat is Wout van Aert aan het eind van het crossseizoen.

Haal nu nog eens andere beelden op, bijvoorbeeld Cesar Cielo of Alain Bernard, wereldrecordhouders uit 2009. Beiden zijn minstens vijftien kilo zwaarder. En zoek dan naar Pieter van den Hoogenband uit 2000, 1m90 en 80 kilogram droog aan de haak. De zwemstijl van Popovici en VDH is haast identiek: die hoge elleboog, die lange slag, die amplitude, dat golvende van een orca. Popovici is één seconde sneller dan VDH. Hij is een betere starter en hij is leniger, waardoor hij sneller keert en beter is onder water.

Is Popovici dan VDH 2.0? Wat zie je als je Popovici ziet zwemmen? Dat appte ik zaterdag naar Van den Hoogenband. Hij zat op een zeilboot in Turkije met zijn gezin, maar binnen de minuut antwoordde hij. “Absoluut. Ik zie de pure zwemmer, genieten geblazen.”

Mijn data-obsessie kennende, voegde hij er een link aan toe naar een artikel over de honderd meter als evenwichtsoefening tussen hard afgaan en iets minder hard maar toch nog hard genoeg terugkeren. En onderweg ook nog eens alles goed doen. 24.12 op de tweede vijftig is ronduit fenomenaal, buitenaards, al helemaal als je de eerste vijftig onder de 23 draait.

Dat de Europese zwembond het Foro Italico in Rome had uitgekozen om in de volstrekte anonimiteit een EK te organiseren, was ongelukkig, maar er zat wel een aardige symboliek aan vast. Het wereldrecord van Cielo op de 100 meter vrije slag (46.91, 2009) werd ook in het Foro Italico gezwommen.

Alleen zwom Popovici zijn supertijd in een strakke zwembroek, net als Van den Hoogenband destijds. Cielo en Bernard, die eruit zagen als bodybuilders, deden het in Speedo-pakken die hun drijfvermogen aanzienlijk vergrootten. Ian Thorpe trok zelfs tot 2004 twee polyurethaanpakken boven elkaar aan, wat zijn prestaties in perspectief zet.

Tot zaterdag dateerden op één na alle wereldrecords op de vrije slag bij de mannen uit 2009 of vroeger. 2009 was het laatste jaar waarin de drijfpakken waren toegelaten. Popovici heeft als eerste de ban doorbroken. Nu nog de 200 meter vrije slag, waar de 1:42.00 van Paul Biedermann geldt als het scherpste wereldrecord ooit.

Column over Serena Williams in de Morgen van zaterdag 13 augustus 2022

De vleesgeworden uitzondering

Ze is aan haar afscheidstournee begonnen. Die zal kort en krachtig zijn, en daar moet zij zich gelukkig om prijzen. En wij ook. In Toronto ging ze er al in de tweede ronde uit tegen Belinda Bencic, twaalfde op de ranking: 6-2 en 6-4. Er was een staande ovatie en er vloeiden tranen. Nu volgen nog het toernooi in Cincinnati en dan de US Open, met ongetwijfeld meer tranen, en dan is het afgelopen. Dat liet ze eerder deze week weten middels een interview. In een modeblad.

Atypisch en toch wereldtop. Serena Williams deed in haar hele carrière ongeveer alles anders dan wat tot dan als het normale pad naar succes gold. Zij was de vleesgeworden uitzondering die de regel bevestigde. Een voorbeeld was ze niet. Williams is beter niet te volgen, en ook al niet te imiteren, zeker niet in deze übercorrecte tijden.

Opgegroeid in een achterstandswijk. Getraind en gecoacht in de meest cruciale fase van haar ontwikkeling door haar vader, die zelf nog moest leren wat voor sport tennis was en vooral niet was. In het circuit gestapt met een air van hier tot ginds. Samen met pa en ma, haar iets oudere en minder getalenteerde zus en een trouwe clan van familieleden en naasten.

Niks aantrekken van techniek, gratie, ook niet van de heersende zeden en gewoontes inzake kledij, maar gewoon in een tutu of een catsuit opdraven. Meppen en brullen en tieren en briesen tot de ballen juist vielen. Toernooien en hun publiek wegzetten als white trash, umpires uitschelden, uitgesloten worden (zoals tegen Kim Clijsters), tegenstanders kleineren, niks zeggen op persconferenties, maar evengoed lofzangen en diepere beschouwingen afsteken. Een comeback maken zonder noemenswaardige ranking en er meteen uitgaan op Wimbledon. Een afgang en dan plots was er dat interview in Vogue. “Ik drijf weg van het tennis.”

Vrouwentennis, zeg maar de hele vrouwensport, heeft nooit een atlete, een kampioene gekend als Serena Williams en dat zal ook nooit meer gebeuren. Het meest opvallende aan Williams was haar fysieke verschijning. Te dik volgens de algemeen aanvaarde fitheidsnormen van de topsport, ogenschijnlijk te veel kont en borsten om haar niet in de weg te zitten bij haar slagen en verplaatsingen.

Trainingsijver? Als het moest, maar ook niet overdreven veel. Dieet? Ook niet. En toch: ze was snel en krachtig en gedurende lange tijd in haar loopbaan had ze zelfs een goede fysieke conditie. Zoals zij die 25 jaar heeft kunnen volmaken, zonder erg veel blessures, was ze een freak of nature. Je kunt alleen maar gissen wat ze met een afgetraind lichaam nog meer had kunnen bereiken. Dan had ze ongetwijfeld die 24ste en 25ste grandslamtitel gewonnen. “Ik had er dertig kunnen winnen”, zei ze zelf.

Drieëntwintig en geen 24, het doet weinig af van haar aura. Dertig had daar even weinig aan toegevoegd. En toch is het jammer voor het tennis, voor de sport, voor de zwarte atlete in het algemeen en Williams in het bijzonder dat ze niet aan die 25 of meer is geraakt. Nu blijft de Australische Margaret Court de statistische nummer één aller tijden.

Behalve van die overwinningen op de vier grote toernooien is de Australische vooral bekend als wereldvreemde pastor van de conservatief-evangelische gemeenschap in Perth. In volle apartheid beweerde Court dat Zuid-Afrika het rassenprobleem beter aanpakte dan de VS. In 2017 legde ze nog uit dat het overaanbod lesbiennes in het tennis een soort besmetting was door lesbische koppels die andere jonge meisjes hadden meegesleurd in hun ‘perversiteit’. Transgenders zouden dan weer best een duiveluitdrijving krijgen.

Een jaar nadat Court die laatste onzin op de wereld los had gelaten, stond Williams in de finale van de US Open tegen een toen nog relatief onbekende Japans-Amerikaanse. Die zou zij, twee keer forser, met huid en haar opeten en Court evenaren, om later te verbeteren.

Niet dus. Het begon met een coaching violation. Vervolgens sloeg ze haar racket kapot na het verlies van een game op een dubbele fout. Tweede waarschuwing en automatisch een punt voor de tegenstander. Waarna ze de umpire ook nog eens een dief noemde en een derde waarschuwing kreeg, wat haar meteen een heel game kostte. Het werd 6-2 en 6-4 voor Naomi Osaka.

Williams zei dat haar bestraffing a gender thing was. De volgelingen van Williams vonden het a race thing. Niet slim. Williams, die tijdens en na haar zwangerschap geen bal over een net sloeg, had dat jaar toch 18 miljoen dollar verdiend en was de beste betaalde atlete gebleven. Betaald worden om niks te doen en te zijn wie je bent, dan pas overstijg je je sport, en heb je eigenlijk niet te klagen.

Column over Brittney Griner in De Morgen van maandag 8 augustus 2022

Dubbele nachtmerrie

De krant The New York Times publiceerde vorige week een foto van IK-1 of Strafkolonie Nr. 1 in Novoye Grishino, een stadje ten noorden van Moskou. Het is een vroeger weeshuis, omgebouwd tot gevangenis voor vrouwen. Daar wacht de basketbalster en basketbal-ster Brittney Griner op haar terugkeer naar de Verenigde Staten. De tweevoudig olympisch kampioene is 2,06 meter en slaapt er op een te korte matras.

Haar terugkeer is voor ten vroegste over een paar weken, en ten laatste over negen en een half jaar. Dat is de straf die Griner heeft gekregen omdat ze twee ampullen met cannabisolie in haar bagage had zitten toen ze op 17 februari vanuit de VS op Sjeremetjevo landde en niet naar Jekaterinenburg vloog maar achter de tralies.

17 februari was precies een week vóór Poetin besloot om Oekraïne een bezoekje te brengen in het kader van zijn speciale militaire operatie. De troepenopbouw en het spierballengerol waren dan al een tijd aan de gang.

Dat Griner en al die andere buitenlanders die in Rusland sportten toch zo lang mogelijk zijn gebleven of tegen een heikele geopolitieke achtergrond toch zijn teruggekeerd, heeft te maken met contractuele verplichtingen. Maar evenzeer met kortzichtigheid. In Rusland was veel geld te verdienen, het meeste geld van de hele wereld in haar sport.

De keuze voor Rusland was al langer discutabel. Het was al veel eerder dan 24 februari 2022 een nare dictatuur, en dat hebben
die sportsterren heel even vergeten om te kunnen cashen. Andere Amerikanen als Jamierra Faulkner, Epiphanny Prince en Becky Hammon gingen nog een stap verder en lieten zich tot Russische naturaliseren, per speciaal presidentieel decreet, en speelden zelfs met de Russische nationale ploeg.

Voor wie het belangrijk vindt: de eerste twee zijn zwart, Hammon is blank en zij kreeg destijds de meeste kritiek. Zij is nu coach van het WNBA-team in Las Vegas en sprak haar gruwel al uit over wat Griner is overkomen. Dat is ongetwijfeld een nachtmerrie, maar als je
in hetzelfde tasje als je vaper cannabis (weze het in olie) binnen probeert te smokkelen in een land dat bekendstaat als erg streng voor drugs, dan geldt hiervoor geen andere kwalificatie dan dom, dommer, domst.

De uitleg nadat ze schuldig had gepleit, dat ze de cannabisolie nodig had om haar blessures te verzachten, moest als verzachtende omstandigheid gelden, maar klinkt als onzin. Griner wilde op tijd en stond een beetje high worden in haar appartement in Jekaterinenburg. Niet meer, maar ook niet minder. Dat is verboden in het land van haar werkgever en dat had ze moeten weten. Of het negen en een half jaar gevangenis wettigt, doet niet ter zake. Tien jaar had ook gekund want dat was het maximumtarief voor haar vergrijp, en die Russische strafmaat heeft voor alle duidelijkheid niks te maken met de gruwel in Oekraïne.

De nachtmerrie is dubbel: voor Griner en voor de Amerikaanse regering. Een zwarte, openlijk lesbische Amerikaanse atlete – de eerste lesbienne met een Nike-contract – gevangen in een land dat een grondige hekel heeft aan alles wat ook maar ruikt naar, aldus de Russen, westerse verdorvenheid zoals homorechten en drugs, wat moet je daarmee als je Joe Biden bent?

Mevrouw Griner, Cherelle, heeft al geklaagd dat Biden niet genoeg doet. Je zal maar president van de VS zijn en dan het dossier- Griner op je bordje krijgen. Enerzijds wil je niet in een conflict betrokken worden, maar je levert toch wapens en logistieke steun tegen een vijand. Waarna je aan diezelfde vijand beleefd moet vragen om één van je staatsburgers eventjes te pardonneren, hoewel die een vergrijp heeft gepleegd en daarvoor is bestraft volgens de geldende regels van dat land.

Niet makkelijk, het dossier-Griner, niet voor Griner en sympathisanten, maar nog minder voor de Amerikaanse regering. Dat de VS er nu aan denken om een atlete die voor het bezit van cannabisolie is veroordeeld te ruilen voor de grootste illegale wapenhandelaar van de wereld is helemaal absurd.

Olympische kampioenen in de bak, dat is een uitzondering. Met uitzondering van Mamo Wolde, winnaar van de marathon in 1968 en politiek gevangene in Ethiopië, lijkt het inmiddels wel een Amerikaans specialisme. Marion Jones (2000) loog over doping en zat een jaar vast. Tim Montgomery (2000) kreeg vijf jaar voor het dealen van heroïne, net als sprinter Bob Hayes (1964, een jaar). Cassius Clay, later Muhammad Ali, moest ook vijf jaar brommen, maar zat geen dag. Griner heeft de twijfelachtige eer de eerste olympisch kampioene te zijn die gevangen zit in een ander en openlijk vijandig land.

Column over CDK in De Morgen van 6 augustus 2022

Alles om het te maken

Grappige gimmick was het, en tegelijk ook veelzeggend: het filmpje van Charles De Ketelaere die op een rode knop duwde telkens als zijn naam door Italianen fout werd uitgesproken. Het duurde ook even voor er iets te horen was dat leek op zijn naam. Dat is veelzeggend omdat de uitspraak van zijn naam nu eenmaal niet voetbalplanetair bekend is.

Of daar verandering in komt, is de vraag. Maar als één Belgisch talent de potentie heeft om uit te groeien tot een wereldvoetballer, dan De Ketelaere. Het is niet bekend of de harde kern van AC Milan zich daarvan bewust is. Evenmin of ze genoegen nemen met deze mercato.

Tot dusver gaf de Italiaanse kampioen 39 en nog wat miljoen euro uit aan transfers, waarvan 32 miljoen voor een Belg die de modale Milanees vast nog niet was opgevallen. Het management heeft wel nog een maandje natuurlijk, maar als de nieuwe Amerikaanse eigenaars met Milan omgaan zoals de Glazers ooit omgingen met Man United – zuinig, zuiniger, zuinigst en de winst afromen – zal het rood-zwarte kot snel te klein zijn.

De Ketelaere heeft deze week op training, zijn eerste training, gescoord. In een oefenpartijtje acht tegen acht. En hij zou vandaag substantiële speeltijd krijgen in l’ultima partita amichevole tegen Vicenza. Dat stond in een krant. Het directe bewijs dat de prestaties van De Ketelaere voortaan onder een vergrootglas worden bekeken en het indirecte bewijs dat in ons land veel te veel over sport wordt geschreven.

Zo kwamen we ook van alles te weten over de familie – die was donderdag alweer thuis – en kregen we in de sportkranten een promo- interview met de makelaars die maar één doel voor ogen hadden: niet het geld was belangrijk maar het welzijn van de speler die ze al van hun zestiende begeleiden en hebben behoed voor het kwade.

We leerden ook dat Jozefien in Milaan was gebleven. Jozefien is het lief van Charles. Kinderen zijn er (nog) niet, en of Charles en Jozefien een huisdier hebben is een goed bewaard geheim. Desgevallend zal dat te gepasten tijde ook in de media verschijnen.

Jozefien is 20 en De Ketelaere 21. Dat is jong voor mensenkinderen die in de 21ste eeuw zijn geboren. Jozefien en Charles, van hotel mama naar een echt hotel, een suite mogen we hopen. Daar zitten ze nu, in afwachting van een mooie flat allicht, hopelijk met dakterras, een ontspanninngsruimte voor de community mét zwembad, maar bovenal met een goede, stille warmtepomp. In Milaan kan het in de zomer bloedheet zijn, in de winter berekoud en in de tussenseizoenen kan het alle kanten op, vaak met mist. Het is ook te hopen dat Jozefien goed met de auto kan rijden. Milaan in de spits lijkt een beetje op Caïro.

De Ketelaere heeft alles om het te maken in Milaan, maar hij is als een IKEA-meubel: er moet zelf nog wel wat aan gebeuren. Een goede raad: als er eens een vijsje lijkt te ontbreken of een poot verkeerd is ingedraaid, vooral geen paniek. Het al of niet slagen van De Ketelaere is zoals het samenzetten van zo’n Zweedse kast, het is vooral een mentale kwestie.

De Ketelaere dicht men flair toe als hij voetbalt. Dat is geen flair, dat is zijn manier van bewegen. Dat gebeurt achteloos, moeiteloos, zonder veel verspilling van energie. Zijn oog-voetcoördinatie is exemplarisch. Vreemd genoeg had hij dat ook met oog-hand want De Ketelaere was ooit een begenadigd tennisspeler, een topper in wording. Daar is dus een gen(combinatie) aan het werk die we nog niet kennen.

De Ketelaere in beweging op een voetbalveld is altijd in balans. Speelt hij in de spits, dan is hij Marco van Basten: korte draai, vista, snelle trap, gepast weglopen. Speelt hij lager, dan is hij een fluïde aanvallende middenvelder die ziet wat de spits vóór hem van plan is en die de juiste pass verstuurt. Als hij dat een paar keer met Zlatan Ibrahimovic zou kunnen flikken – hem bedienen op het juiste moment met de juiste snelheid – dan is zijn broodje gebakken. Het is vooral te hopen dat ze hem bij Milan zo diep mogelijk voorin posteren.

Als De Ketelaere in het kampioenenteam van AC Milan doorbreekt en een plaats verwerft onder de zon van de Serie A doet hij beter dan alle andere Belgen, inclusief de zogeheten gouden generatie. Romelu Lukaku is dat niet gelukt, hij had veel omwegen nodig. Vincent Kompany evenmin, hij moest via Hamburg. Noem ze maar op: Eden Hazard via Lille en Kevin De Bruyne, waar heeft die overal niet gezeten voor hij aan de top van de voedselketen terechtkwam? De Ketelaere van de Gistelsesteenweg in Sint-Andries kan de eerste Belgische voetballer worden die vanuit de Belgische competitie onmiddellijk een factor wordt in een topteam.

Column Ecologische voetafdruk in De Morgen van 1 augustus 2022

Ecologische voetafdruk

Paniek in Engeland. In het noorden is een cricketwedstrijd haast niet kunnen doorgaan. Een jonge speler is onwel geworden in zijn eerste ODI (one day international). Dat gebeurde in Chester-le-Street, in de county Durham. In het noorden! Waar het nog meer regent en koeler is dan in de rest van het eiland, was het zo bloedheet afgelopen weekend dat de spelers uitzonderlijk waterstops kregen. Die jongen kon er desondanks niet tegen.

Hitte en sport is een steeds terugkerend item als er over niet veel anders te berichten valt en als het uitzonderlijk heet is. In de zomer dus. Topsporters leren best met hitte om te gaan. Olympiërs weten dat al langer. Ik kan mij behalve Sydney in 2000, waar het de ene dag winter en de andere dag hoogzomer was, geen Olympische Spelen herinneren waarin het niet zestien dagen bloedheet was. Tokio 2021 en Peking 2008 spanden de kroon.

Ook de Tour de France Hommes kreeg met de hitte te maken en opnieuw werd de paniektrom geslagen: wordt het niet veel te heet om te koersen? Het wórdt veel te heet en dat is onze eigen schuld, maar als er nu één sport is die wat hitte kan hebben, dan wel wielrennen. Bij sommige andere sporten is de paniek soms wel terecht.

Ik heb ooit in een moordend heet Sevilla op het WK atletiek van 1999 de laatste kilometer van de 50 kilometer snelwandelen traag gewandeld. (Niet uit vrije wil, maar omdat we met de viplimo van toen nog gewoon vooraanstaand IOC-lid Jacques Rogge door dat afgrijselijke snelwandelen niet meer tot aan het stadion geraakten.)

Het kwik scoorde ruim boven de veertig graden. Wij uit de auto. Puffend onze weg verdergezet, maar zie, daar kwamen de wandelaars aangehobbeld. Dat beeld van die uitgemergelde, uitgedroogde halve lijken die wanhopig uitkeken naar de poort van het stadion, waar ze nog een rondje moesten heupwiegen, het zal mij altijd bijblijven.

Maar vooral dan toch het beeld van de Mexicaan die was beginnen te lopen in achtervolging op een official die hem in de laatste kilometer had uitgesloten omdat hij voor de derde keer fout had gehobbeld. De official was geen partij voor de Mexicaan en het kwam tot een handgemeen.

Langeafstandslopen en snelwandelen en alle events in de buitenlucht waar ze ook al snel twee, drie uur of langer over doen zijn veel gevaarlijker in de hitte dan wielrennen. Wielrenners hebben nog het geluk van hun hoge snelheden die vanzelf afkoeling geven. Net als de vertering van voedsel een discriminerende factor is in topsport is de vertering van hitte dat ook. Wie niet tegen de hitte kan, moet wat trager rijden en minder kilojoules verbranden en zodoende minder warmte genereren, het is niet anders.

Te heet is te heet natuurlijk. Zoals wanneer je het zweet niet meer kwijt kunt. Daarvoor bestaat in de wielrennerij zoiets als een hitteprotocol. Technisch gezien had dat in de Tour de France een paar keer kunnen worden toegepast, maar wat moet je dan met het vipvertrekdorp, met het vipaankomstdorp, met de rechtstreekse uitzending? Met de karavaan? De Tour is de Tour, heiliger dan heilig in Frankrijk en voor het peloton dat met corona heeft beseft dat het de almacht van ASO voor eens en voor altijd zal accepteren.

Dat de koers zich vragen stelt over het klimaat kan best. Het klimaat kan zich veel meer vragen stellen over de koers. Wielrennen
is met de fiets rijden. Dat is de meest ecologisch verantwoorde vervoersmodus, na wandelen. Paradoxaal toch dat op deze planeet wellicht geen sport te vinden is met een zwaardere ecologische voetafdruk dan het wielrennen in het algemeen en de Tour de France en de andere grote rittenwedstrijden in het bijzonder.

De Tour is een rondtrekkend circus en zoals bekend zijn verplaatsingen de grootste uitstoters van CO2. QuickStep-Alpha Vinyl berekende dat de jaarlijkse CO2-uitstoot gelijk was aan een auto die 179 keer rond de wereld rijdt of 539 retourvluchten tussen Brussel en New York. Dat is voor een heel seizoen wellicht een flinke onderschatting.

Om al deze CO2 te compenseren zijn 3.099 voetbalvelden aan bos nodig. Om dat te compenseren helpt QuickStep mee een bos te planten. Niet in Wevelgem, waar elke boom een feest is, maar in Bretagne. Lovenswaardig, maar wel greenwashing. Overigens is er voor 2022 niks meer te vinden van het zogenaamde #itstartswithus.

Doe dat voor de Tour maal 22 ploegen, reken daarbij de verplaatsingen van meer dan honderdduizend mensen elke dag over een afstand van honderd kilometer of meer, allemaal in auto’s met verbrandingsmotoren. Rij de Galibier op een dag voor de Tour en kijk wat daar allemaal geparkeerd staat in de mooie natuur en je beseft op slag dat wielrennen op deze schaal, met deze logistiek, onmogelijk vol te houden is.

Column Positieve discriminatie in De Morgen van 30 juli 2022

Positieve discriminatie

De sportzomer van 2022 is een bijzondere sportzomer, nu al, en we zijn nog niet eens halfweg. Het is de zomer van de sportvrouw, tot 2022 mediageniek schromelijk verwaarloosd in twee sporten waar de Vlaming een beetje wild van is: voetbal en koers.

Misschien heb ik ooit een andere zomer onder een steen gezeten, maar in mijn beleving is het een dijkbreuk dat voor het eerst alle wedstrijden van het EK voetbal (voor vrouwen) worden uitgezonden. Dat EK vindt plaats in Engeland, het land dat beweert voetbal te hebben uitgevonden. De klassieke Engelse voetbalfan loopt niet wild voor het EK en dat is een understatement.

Wie al eens bij een voetbalwedstrijd in Engeland was, zal dat niet verbazen. Je ziet mannen, in kostuum of in jeans. De academicus, door de week lunchend in zijn poshe eliteclub, naast de vrachtwagenchauffeur, die drie keer per dag in zijn cabine eet en slaapt. Iedereen vloekt en schreeuwt. Bijna zonder uitzondering passeren ze langs de pub vooraf en achteraf. Soms zijn er vrouwen in hun gezelschap, meestal niet. Voetbal is in Engeland, zeg maar Groot-Brittannië, a man’s game.

Het besef dat vrouwen ook kunnen en vooral willen voetballen, kwam toen (de nog bitter jonge) Keira Knightley de hoofdrol vertolkte in Bend It Like Beckham. Die hele goede film werd druk bekeken en becommentarieerd, door oud, door jong, door vrouwen, door mannen, maar toch vooral voor de jonge vrouwenlichamen en in het bijzonder nieuwe beauty Knightley.

In The Guardian verscheen midden in het EK een verhaal, meer een exposé. ‘Waarom deze krant volop bericht over het EK en hoe de trollen van antwoord te dienen.’ Het was een verschoning, heel erg voorspelbaar: journaliste volgt EK voor vrouwen en maakt zich boos over de berichten die ze in haar mail vindt. De teneur van de mailers was duidelijk: stop met ons dat vreselijke vrouwenvoetbal door de strot te duwen.

Vrouwenvoetbal is niet vreselijk, het is anders dan mannenvoetbal. Toegegeven, het staat (voorlopig) verder af van de mannenversie dan andere balsporten zoals vrouwenvolleybal – vaak mooier dan bij de mannen – en vrouwentennis. Vrouwenbasketbal staat ook ver af van het fysieke ‘above the rim’ van de mannen, maar de lichamelijke handicap van de vrouw tegenover de 3,05 meter hoge ring levert andere, heel aardige sport op.

Vrouwenvoetbal is geen andere sport. Het is traag en minder krachtig dan mannenvoetbal, de versie die de maat der dingen is. Daarom wordt het vaak aangezien als een flauw afkooksel. Spanning kan veel goedmaken en dat ontbreekt nogal eens. Wat zou helpen is het veld korter maken, de doelen kleiner en de bal lichter, maar daar willen de vrouwen niet van weten.

Veel sport wordt geconsumeerd door kijkers die graag baasjes zien bewegen, genieten van af en toe wat opwinding en op tijd en stond wat spanning. Of het technisch en tactisch klopt, daar ligt de gemiddelde voetbalconsument niet wakker van omdat hij/zij er in wezen niks van snapt. Vrouwenwielrennen wordt doorgaans beter onthaald dan vrouwenvoetbal. Als Marianne Vos, Lotte Kopecky en Lorena Wiebes naar de meet stormen, rijden ze tien kilometer per uur minder snel dan de mannen, maar dat maakt niks uit. Een sprint is een sprint, een klim is een klim en wegrijden van een concurrent is even mooi bij vrouwen als Jonas Vingegaard die Tadej Pogacar lost.

Hooguit zijn er die vreemde momenten in een vrouwenpeloton waarbij helemaal niks gebeurt, maar internationaal is er alvast de laatste jaren geen gebrek aan vuurwerk. Of er zijn de rare valpartijen en de veronderstelling dat vrouwen niet zo goed kunnen sturen. Dat ook de mannen vreemde valpartijen veroorzaken op plekken in het parcours waar je dat niet verwacht, wordt gemakshalve over het hoofd gezien.

Blijft de vraag of we de topsportster een dienst bewijzen met positieve discriminatie zoals het uitzenden van het EK voetbal en de Tour de France Femmes. Wellicht wel. Of vrouwensport daardoor ooit evenveel kijkers en bezoekers zal trekken als mannensport, en dezelfde economische waarde zal genereren? Neen, dat is niet realistisch. Sport is tenslotte uitgevonden voor en door de man en verder ontwikkeld in functie van zijn hormonen, en daarom zal de mannenversie ook de vrouwelijke consument meestal meer boeien.

Als het uitzenden van vrouwentoernooien helpt om vrouwentopsport te ontwikkelen, te professionaliseren, naar een hoger niveau te tillen, is de missie geslaagd. Als het gevolg daarvan is dat méér vrouwen een salaris krijgen en daardoor van hun sport kunnen leven, zonder de sterren te veel te betalen zoals bij de mannen, kan het vrouwenmodel zelfs als voorbeeld dienen.

Column Andere Tijden in De Morgen van 25 juli 2022

Andere tijden

Deze Tour is de snelste uit de geschiedenis. De 42,5 kilometer per uur is sneller dan Lance Armstrong in 2005. Toen reden ze met een gemiddelde van 41,7 naar Parijs. Haal de verdachtmakingen maar boven, maar let een beetje op.

De meeste spectaculaire etappe van de laatste week was die naar Hautacam. Jonas Vingegaard won die. Tadej Pogacar werd tweede. Het was een superetappe, zonder supertijd. Maar liefst zeventien renners reden ooit Hautacam sneller op dan Vingegaard. Pogacar had de 31ste tijd. Ze deden er twee en drie minuten langer over dan Bjarne Riis in 1996. De snelste 25 beklimmingen van die berg dateren overigens van de edities 1994 en 1996, met uitzondering van Vingegaard dit jaar en Armstrong die op dertien staat.

Dit zijn andere tijden. Als het Tour-peloton sneller naar Parijs is gefietst dan ooit tevoren zegt dat niks over een eventueel nieuw wondermiddel maar alles over de parcoursopbouw, het voluntarisme van de renners en de gemiddelde kwaliteit van de Tour-renner.

Ja, de hegemonie van Team Jumbo-Visma is opvallend. Neen, dat is niet hetzelfde als verdacht. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de TJV-staf zich met zijn rennersbegeleiding in de grijze zone begeeft. TJV mag dan al geen grote fan zijn van Strava, hun prestaties zijn fysiologisch niet buitenaards.

Alle clementie voor het Nederlands-Belgische TJV ten spijt, als UAE of Bahrain-Victorious het geel, het groen en een hele zak ritten had gewonnen, dan zouden er op de persconferenties heel vervelende vragen zijn gekomen. Meer zelfs, dan hadden ze al de Franse politie op hun dak. Het wordt trouwens hoog tijd dat de resultaten van die invallen bij Bahrain openbaar worden gemaakt. En als er geen resultaten zijn, dat er dan excuses komen.

Voor koersland België is het geel van Vingegaard ondergeschikt aan het groen van Wout van Aert. Navelstaarderij van de ergste soort. Er is maar één trui die telt in deze wedstrijd en dat is die gele die ze gisterenavond na drie weken hebben uitgereikt aan die Deen op de Champs-Elysées. Al het andere is geneuzel in de marge, te vergelijken met de prijs voor de beste kostuums op de Oscar-uitreiking.

Kan Van Aert de Tour winnen? Die vraag kwam vorig jaar al een keertje opborrelen nadat hij zowel een bergrit, een tijdrit als een massasprint had gewonnen. De repliek was toen voor de hand liggend: hij heeft die ritten gewonnen omdat de toppers niet thuis gaven en hij tussenin wat snipperdagen kon nemen. Dat klopte enigszins voor de editie 2021, maar niet dit jaar.

Een snipperdag in 2022 betekende dat Van Aert vanaf de eerste honderd meter een ontsnapping in gang zette. Tot grote ergernis van de helft van peloton, die meteen verplicht waren van in het begin te koersen. Dat ze boven de 42 gemiddeld zijn uitgekomen dit jaar is voor een groot deel de verdienste van de superstrijdlustige Van Aert.

Deze Tour heeft hij bewezen dat hij dag na dag na dag kan recupereren. Hij kan gaan, kan weer gaan, nog eens gaan en als hij heel veel is gegaan en het bobijntje stilaan moet aflopen, kan hij ook nog een tijdrit winnen.

Waarom zou Van Aert de Tour niet kunnen winnen? Die vraag werd deze week gesteld. Eén antwoord sprong eruit, dat van zijn trainer Marc Lamberts. “Top tien misschien, maar winnen niet. Wout heeft geen vetreserve, dus lichter worden kan niet. Bovenlichaam alleen vermageren, hoe doe je dat? De drempel van Wout ligt 0,6 watt per kilogram lichaamsgewicht lager dan de drempel van de beste klassementsrenners.”

Johan Bruyneel denkt ook dat Van Aert niet de juiste fysiologie heeft om de Tour te winnen. Armstrong denkt dan weer van wel, maar geeft toe dat Bruyneel er meer van kent. Bruyneel vergeleek hem qua gabarit met Miguel Indurain en eerder al kwam ook Eddy Merckx ter sprake.

Het is goed om de mensheid eraan te herinneren dat dit andere tijden waren. In de jaren zeventig reed het hele peloton op anabolen en corticosteroïden; in de jaren negentig op hoog octaanbenzine. Indurain was klant bij preparatore professore Francesco Conconi. Die zocht naar een methode om epo op te sporen, cashte daarvoor elk jaar een miljoen dollar van het Internationaal Olympisch Comité en spoot daarmee zijn sporters vol om dan doodleuk tegen het eind van het jaar te verklaren dat hij veel progressie had gemaakt, maar de methode, neen, die had hij nog niet.

Van Aert is geen Indurain. Als Van Aert de Tour wil winnen, zal hij naar Parijs op bedevaart moeten en een parcours met twee lange tijdritten en hoogstens twee aankomsten op een lange col moeten afsmeken. Of hij moet Fransman worden, dan mag hij zijn ideaal parcours zelf invullen.

Column Club Bayern in De Morgen van zaterdag 23 juli 2022

Club Bayern

België is het Duitsland van de kleine voetbalcompetities geworden. Het Bayern van België is Club Brugge en dat heeft het voor de helft aan zichzelf te danken, en voor de andere helft aan Royal Sporting Club Anderlecht en in mindere mate aan Standard de Liège.

Dat die laatste club het niet meer trekt in het door Vlaanderen gedomineerde voetbal en als regionaal boegbeeld mee ten onder gaat met Wallonië, daar zit nog enige logica in. Maar Anderlecht? In de nog te schrijven geschiedenis van de Jupiler Pro League in de 21ste eeuw zal aan de teloorgang van de hoofdstedelijke grootheid meer dan één hoofdstuk worden gewijd.

Wie had ooit kunnen voorspellen dat het fiere, haast aristocratische paars-wit een meeloper zou worden, vijf jaar lang geen prijs meer zou pakken?

Niemand? Toch wel. Ik ken iemand. Ik leerde hem kennen in 2001. Hij was toen makelaar en is dat nog steeds. In 2003 zei hij: “Let op mijn woorden: Herman Van Holsbeeck gaat nu naar Anderlecht. Hij heeft Lierse naar de kloten geholpen en binnen vijf jaar is Anderlecht naar de kloten.” In een moeite deed hij de mechanismen achter de teloorgang haarfijn uit de doeken.

De makelaar, met wie ik nog steeds contact heb, herinnert mij af en toe aan zijn profetische woorden. De man zijn groot gelijk kwam wat later dan verwacht, maar dat had dan weer vooral te maken met het instituut dat zich zo moeilijk liet slopen. Anderlecht won zijn laatste titel en supercup (twee prijzen) in 2017.

Anderlecht was een vehikel geworden om een aantal mensen slapend rijk te maken, wel vaker de finaliteit van het voetbal. Zolang de omloopsnelheid van het voetbaltalent in Neerpede hoog bleef, en op de in- en uitgaande transfers genoeg kon worden getoucheerd via de juiste tussenpersonen, was al de rest (ook het sportieve) bijkomstig.

De twee Brabanders die Club Brugge leiden hebben goed gekeken naar Anderlecht en hebben vooral gezien hoe het niet moet. Uiteraard is persoonlijke verrijking ook hen niet vreemd, getuige daarvan de recente verkoop van hun aandelen aan een Amerikaanse investeerder. Met dat verschil dat ze pas cashten nadat ze van hun club het powerhouse van het Belgische voetbal hadden gemaakt en de club ook nog eens beter werd van die transactie. Zo’n handelswijze heeft een naam: goed beheer. Dat ze daarvan de vruchten konden plukken met een Anderlecht in volle dégringolade was toeval, maar maakt het des te pijnlijker.

Club is nu voor de derde keer op rij kampioen geworden en voor de vierde keer in vijf jaar. Het heeft nog wel even te gaan voor het echt het Bayern van België is; die van München zijn voor de tiende keer op rij kampioen.

Club Brugge is niet onklopbaar, ook vorig jaar niet. Gent speelde vier keer tegen de kampioen en won drie keer. Die ene keer dat het verloor, thuis en onterecht, heeft het rechtgezet in de terugwedstrijd in Brugge. Alles opgeteld werd het 10-1 voor de Gentenaars. Maar Gent haalde play-off 1 niet, Club wel en daarin knikkerde het Union van de leidersplaats om die niet meer af te staan. Zo werkt een competitie. Je mag al eens een aantal wedstrijden minder zijn, maar regelmaat loont.

Het seizoen 2022-’23 wordt onverwacht spannend. Toen iedereen ervan uitging dat er nog een tijdje met achttien in eerste klasse zou worden gevoetbald, kwam een onverwachte aap uit de mouw: vanaf 2023 zijn er weer zestien ploegen, een play-off 1 met zes ploegen en de punten blijven gehalveerd. Dat was een nederlaag voor Club Brugge, dat de halvering van de punten liever zag verdwijnen omdat die ingreep de verdienste van de regelmaat in het reguliere seizoen teniet kan doen. Terug naar zestien was ook een nederlaag voor de kleine clubs die nu al badend in het zweet wakker worden van het schrikbeeld van drie rechtstreekse dalers.

Ondertussen is gebleken dat de salarissen nieuwe recordhoogtes hebben bereikt. De meeste clubs hebben een negatief eigen vermogen of geen buffer. In het plan van de nieuwe CEO van de Pro League, Lorin Parys, wordt voor het seizoen 2023-’24 een negatief eigen vermogen bestraft met puntenaftrek.

Dat wordt nog leuk: clubs die zich in de winter blauw betalen aan salarissen van inderhaast inkomende spelers om hun seizoen te redden, om vervolgens een seizoen later punten te moeten inleveren. De inzet van het komende seizoen is niet wie kampioen wordt, wie play-of 1 haalt en wie Europees mag spelen. De belangrijkste strijd van 2022-’23 is financieel-economisch.

Column over Jan Ullrich in De Morgen van maandag 18 juli 2022

Mythische renners

Er is een boek verschenen over Jan Ullrich, geschreven door Daniel Friebe. Jan Ullrich: de man, de mythe, de waarheid, zo heet het boek, uitgegeven bij Thomas Rap. Het leest als een trein, de hollandismen in de vertaling moet u er wel bij nemen.

Niet toevallig dat het nu verschijnt, exact 25 jaar na zijn eerste en laatste Tour-overwinning. Eerste en laatste, jawel. Zijn palmares met een Tour (1997), een Vuelta (1999) en olympisch wegritgoud (2000) valt al bij al mager uit voor iemand die door velen die zijn pad kruisten – niet het minst Lance Armstrong – de grootste motor op een fiets werd genoemd. The best there never was, is de toepasselijke ondertitel in het Engels.

Ik ben het boek pas beginnen te lezen toen ik in het Hoge Noorden regenbuien moest uitzitten. Zonde, want die zondag in Rostock, toen ik wachtend op de ferry van een dag later naar Warnemünde fietste, ben ik zowaar door Lütten Klein gereden, het Linkeroever van Rostock. Blijkt uit het eerste hoofdstuk dat kleine Jan daar is opgegroeid en daar de pletsen tegen zijn kop kreeg van zijn agressieve vader die later het gezin zou verlaten.

Een treurige typische DDR-woonwijk, zoals Friebe het omschrijft, is Lütten Klein nu ook weer niet. Meer zelfs, enkele kilometers verder liggen van de mooiste stranden van de Oostzee, waar de nomenklatoera van de SED kwam verpozen. Je kon veel slechter opgroeien. Friebe heeft rond Ullrich alles en iedereen kunnen bevragen, alleen Ullrich niet. Ondanks het gemis van Ullrich blijft het een erg lezenswaardig en meticuleus geresearcht boek.

Ullrich is een mythe geworden. Frank Vandenbroucke bij ons en Marco Pantani: evengoed mythes. Dat zagen we onlangs nog in een prachtige maar al even leugenachtige docu met de vrienden van Pantani. Neem die drie en doe er nog Armstrong bij en je hebt de vier meest besproken en beschreven renners van rond de eeuwwisseling. Met dat verschil dat het palmares van Armstrong met zeven Tour de France-overwinningen de mythe rechtvaardigt. Twee van de vier zijn dood, Ullrich was bijna dood. Alleen Armstrong heeft de storm van zijn bestaan doorstaan.

Armstrong is iets meer dan twee jaar ouder dan Ullrich, maar al in 1993 stonden ze op dezelfde pagina. Armstrong werd in een helse regenbui wereldkampioen in Oslo. Hij was amper 22 jaar en had op kop gereden met een jagende Miguel Indurain in de achtervolging en alleen wat corticoïden in het lijf, terwijl Indurain toen al aan de epo zat. Een dag eerder had Ullrich bij de amateurs gewonnen.

Armstrong vond Ullrich de enige ernstige bedreiging in zijn Tour de France-jaren. Pantani? Mayo? Te kleine motoren. Ullrich, dat was andere koek. Maar volgens zijn eigen trainer Michele Ferrari dwaalde Armstrong. “Hun fysiologische waarden zullen niet ver uit elkaar liggen, maar Lance reed zoals de Kenianen lopen: efficiënter.”

Ter aanvulling op het boek krijgt u nog twee anekdotes mee. Ze typeren hoe het er in die tijd aan toe ging.

De Tour van 2003 had Armstrong nooit gewonnen als Ullrich niet ziek was geworden aan het begin van de Tour. Dat was eigen schuld dikke bult, want Ullrich had zich een koortsaanval op de nek gehaald omdat hij met slecht bewaarde Actovegin had gewerkt. Actovegin was toen nog toegestaan. Het is afkomstig van kalfsbloed en bevordert de zuurstofhuishouding in het bloed.

Pas in de tweede week kwam Ullrich weer een beetje bij en reed hij in de tijdrit naar Cap Découverte Armstrong in de vernieling. In de laatste tijdrit naar Nantes verkende Armstrong het parcours wel en Ullrich niet. De Duitser kwam in de regen ten val op een rotonde en verloor de Tour met één luttele minuut.

Een jaar later zou het dan gebeuren. Maar Armstrong was in 2004 beter dan in 2003. Ullrich trouwens ook. Hij was beginnen te ‘werken’ met dokter Eufemiano Fuentes in Madrid om bloeddoping te organiseren buiten de ploeg. Armstrong had Manuel Beltrán overgekocht van T-Mobile en wist zo dat Ullrich bij Fuentes klant was, net als nog twee van zijn eigen ploegmaten.

Halverwege die Tour, toen de karavaan in de Pyreneeën was aanbeland en een levering bloed uit Madrid op weg was naar een appartement dat dokter Fuentes maanden van tevoren al had gehuurd, liet Armstrong een niet nader genoemde renner van zijn US Postal-ploeg de bestelling afblazen. Het was te gevaarlijk, er was te veel politiecontrole. Fuentes, met maar lieft zes gsm’s op zak, was toen al paranoïde. De bloedzakjes voor de drie van US Postal bereikten zo nooit de Tour. Het bloed van Ullrich evenmin. Armstrong had drie van zijn pionnen ingeruild voor de koningin van de andere kant. Schaakmat volgde.