Column Olympische stage in De Morgen van maandag 9 dec 2019

Olympische stage

De kop is eraf. Het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) heeft de voorbije weken verzamelen geblazen voor de klassieke preolympische stage. Een mislukte uitstap naar Sevilla niet te na gesproken – de tapastour eindigde toen net niet in een vechtpartij – was het sinds 1991 gebruikelijk om de hele equipe op Lanzarote uit te nodigen.

Wie de stage van 1995 heeft meegemaakt, spreekt nog over de ‘vergaderingen’ in de late, soms nachtelijke uren, overgoten met de nodige wijn en heel af en toe eindigend in agressie of in het verkeerde (atleten)bed. Het belette het Belgische olympisch team niet om een jaar later in Atlanta het beste resultaat ooit neer te zetten, met zes medailles waaronder twee keer goud.

Club La Santa is heel erg oké als trainingsomgeving, maar de Gloria Sports Arena in Belek aan de Turkse Riviera is gewoon top. Het is er iets kouder, maar meer sporten kunnen er terecht in ideale omstandigheden. Zo is België een hockeyland geworden en hockeyen doe je op een goed kunstgrasveld. Dat hebben ze in Belek. Hoe het bedrijf Gloria die Sports Arena van hen onderhoudt en financiert is een groot mysterie, maar zolang het daar draait moet dat de minste van de Belgische zorgen zijn.

Het was de deelnemers aan deze achtste preolympische stage verboden om openlijk alcohol te drinken. Die oekaze, waar meer goede dan slechte argumenten voor zijn, kwam vanuit het BOIC zelf. De olympische cultuuromslag is daarmee compleet. Ik heb de tijd nog meegemaakt dat op het BOIC de stafmeetings een uur werden verlaat en halfweg werden onderbroken door de secretaresse van de secretaris-generaal die de bestellingen voor het aperitief kwam opnemen.

Het BOIC hoopt op tien medailles. Dat is geen echte prognose, meer een soort wishful thinking. Op basis van de resultaten op EK’s en vooral WK’s in olympische disciplines en rekening houdend met de concurrentie van steeds sterker wordende sportlanden – nu komt Japan er nog eens bij – én steeds meer kleine landen die zich specialiseren in een sport waar ze goed in zijn, is een prognose tussen vijf en zeven medailles voor België veel correcter.

Is het BOIC veranderd? Dat vroeg ik aan collega’s die de ooit zo eerbiedwaardige instelling al een tijdje kennen. Niet echt, vonden ze. Wat vind jij van het BOIC en de sfeer op deze stage? Dat vroeg ik dan weer aan collega’s die er voor het eerst bij waren en al heel wat kilometers in de topsport hebben. De kwalificatie varieerde van oubollig, heel erg francofoon, tot ‘is het dat maar?’. Ikzelf vond de sfeer al bij al relax en dus goed om als journalist mee te maken.

Het BOIC wil de motor zijn van de topsport in België, maar is het niet (meer). Het topsportpad werd meer dan twintig jaar geleden verlaten en dat hebben ze nog niet helemaal teruggevonden, zoveel is duidelijk. Gaandeweg zijn ze verveld tot een selectiebureau voor olympische atleten, en toen ook dat wegviel door de strenge internationale limieten en quota werd het een tweejaarlijks logistiek centrum met onlangs een zware focus op marketing.

Het blijft een vervelende vaststelling dat als het BOIC niet zou bestaan, er meer rechtstreekse financiële steun naar de topsport zou gaan. Al te veel sponsoring, geld van de Nationale Loterij en vooral veel energie gaat nog steeds op aan behoeften creëren en organiseren van activiteiten in de rand die met topsport weinig vandoen hebben.

De meerwaarde van het BOIC is klein. Van elke topsporteuro in dit land genereert het BOIC 7,5 cent – ongeveer wat ze van de overheden en de Nationale Loterij krijgen – maar het heeft praatjes voor een hele euro. Zo zette de voorzitter van het BOIC zich op een slide op gelijke hoogte met de ministers van Sport, van een overschatting gesproken.

Gelukkig heeft de nieuwe wind die al een tijd door de Vlaamse topsport waait inmiddels ook het BOIC bereikt. Hulde wie het toekomt: het hockeysucces is dan wel voor het grootste deel betaald met Vlaams geld, de dromers in dat verhaal kwamen uit het BOIC. Misschien, heel misschien is er zelfs een kentering in de maak. Er is een nieuwe sportdirecteur aangetreden met Olav Spahl, een man van staal vergeleken met zijn voorganger Eddy De Smedt, en in het departement topsport is met Bob Maesen zowaar ook een ex- topatleet/olympiër beginnen te werken. De eerste ooit, dat zegt alles.

Na Tokio kiest het BOIC een nieuwe voorzitter in de plaats van Pierre-Olivier Beckers. Wie dat wordt maakt niet uit, als het maar iemand is met een (top)sportverleden die niet direct zit te azen op een adellijke titel en het IOC-lidmaatschap.

 

20191209_De-Morgen_p-19-mail

Verhaal over Rusland en doping in De Morgen van zaterdag 7 dec 2019

‘Schors die Russische handel’

In Rio waren alleen de Russische atleten niet welkom, in Pyeongchang moest het Russisch team een tijdje op de strafbank. Na het zoveelste bedrog buigt het mondiale antidopingagentschap WADA zich maandag over een aanbeveling tot een échte schorsing van Rusland.

In de late namiddag van 22 oktober lichtten meer dan enkele lichtjes op in de controlekamers van de verschillende intelligentiedepartementen van de Russische republiek. Dat de Duitse tv was langsgegaan bij Joeri Ganus, hoofd van Rusada, dát was geen geheim. De SVR, de GU, de FSB, alle afgekorte geheime diensten in Rusland hadden elke stap van die Duitsers op Russisch grondgebied gevolgd. Wat hun mannetje Ganus precies had gezegd en of hij zich de aanbevelingen ter harte had genomen, dat was nog afwachten.

IJdele hoop. Het Rusada heeft een geschiedenis van dissidenten (zie tijdslijn) en Ganus lijkt die traditie in eer te houden. Voor wie in dopingtoestanden is geïnteresseerd: zoek het op via YouTube of op de site van ARD – Ganus intikken volstaat. Al na enkele minuten, zonder dat er expliciet wordt naar gevraagd, geeft de CEO van het Russische antidopingagentschap Rusada toe dat zijn landgenoten bedrog hebben gepleegd.

Vladimir Poetin en zijn sportminister Pavel Kolobkov zullen zich de ogen hebben uitgewreven. Vervolgens zullen hun oren zijn beginnen te tuiten en niet zeker dat ze de hele 21 minuten hebben uitgekeken. Een paar vragen verder wijst Ganus al met een beschuldigende vinger naar de minister van Sport Kolobkov, zesvoudig medaillewinnaar in het schermen en bevriend met de grote baas. “Hij is verantwoordelijk voor deze tragedie. Er moet iemand anders komen.”

Over de rol van zijn president Poetin blijft Ganus op de vlakte. “Ik heb hem nooit gesproken, maar ik zou dat graag eens doen.” Zijn conclusie is wel zonneklaar: “Wij Russen hebben het weer eens verknoeid en als dat niet tot een zware straf leidt, wat dan wel?”

Ruim tweeduizend urinestalen

Verknoeid is licht uitgedrukt. De zoveelste Russische overtreding van de dopingregels komt hierop neer. Na hun rehabilitatie in september van vorig jaar bij het wereldantidopingagentschap WADA – die kreeg veel kritiek maar achteraf bekeken was het een geniale zet – werden de Russen verplicht om mee te werken aan het onderzoek. Ze moesten onder meer tegen 31 december van vorig jaar een authentieke kopie van de analytische data aan het WADA bezorgen en een maand later de meer dan tweeduizend urinestalen die het lab in bewaring had.

Dat ging al meteen mis. Aan die eerste voorwaarde werd een maand te laat voldaan en de stalen kwamen pas in april van dit jaar vrij. Terwijl de hardliners in de sport schreeuwden om strenge straffen, togen de analytici van het WADA onder leiding van een Duitse ex- politieman gespecialiseerd in cybercriminaliteit in alle stilte aan het werk.

Hun bevindingen waren niet minder dan hallucinant:

– De data waren niet compleet en niet correct.

– Honderden data tot en met 2015 (zie LIMS-Sobolevski-Migachev in de tijdslijn) waren verdwenen uit de kopie van 2019.

– De kopie bevatte ook ontelbare veranderingen en antidateringen.

– Mailverkeer werd aangepast en veranderd om getuigen te incrimineren.

– Op 23 oktober, na de eerste vragen van het WADA over die fraude, kwamen de Russen met nieuwe data die ze “nog hadden gevonden”; ook die bleken vol te zitten met vervalsingen.

Met de bekentenis van Ganus kunnen we twee kanten uit. Volgens Peter Van Eenoo van het Docolab in Gent is de kans erg groot dat Rusada het licht heeft gezien. “Het nieuwe Rusada laat vaak stalen bij ons analyseren, zoals in andere Europese labs, en de samenwerking is erg transparant. Anderzijds hou ik altijd een slag om de arm.”

Wat als Ganus mee in het Russische complot zit? Die these is op zijn minst even plausibel als dat hij de zoveelste gedegouteerde is in het Rusada. De kans dat de Russen zich weer hebben vergist in het aanstellen van een nieuwe baas in de dopingbestrijding lijkt klein, maar afgezien daarvan hebben ze in alle andere aspecten van de zaak onwaarschijnlijk geblunderd. Het geknoei met de databases is ofwel amateurisme van een kinderlijke naïviteit of ze rekenen op de twijfel die bij enkele sportprominenten zal ontstaan.

Het Russische antwoord is vrij simpel en zaait verwarring: “Ho maar, de database die wij hebben overhandigd is correct; de database die jullie hebben is vervalst door jullie klokkenluider(s).” Die bewering hebben de onderzoekers van het WADA inmiddels kunnen counteren. Uit de achterliggende cyberdata is makkelijk te achterhalen wanneer en hoe de data zijn aangepast en op dat moment waren de drie naar de VS gevluchte Russen niet meer in Moskou.

Deur op een kier

Maandag zal het WADA een beslissing adviseren aan de internationale sportbonden, het Internationaal Olympisch Comité (IOC) op kop. Dat wordt ongetwijfeld ‘schorsen, die Russische handel’. De mondiale atletiekfederatie IAAF zal niet op de stappen terugkeren: het aantal Russische atleten dat volgende zomer in Tokio loopt, springt en werpt zal op twee handen te tellen zijn.

 

Hoe het IOC zal reageren, is minder voorspelbaar. Sportpaus Thomas Bach, die in 2013 mede met de zegen van Poetin opvolger werd van Jacques Rogge, wees onlangs nog op de onschuld van de cleane Russische atleet.

Bach wil wellicht de deur op een kier houden, zoals in Pyeongchang bij de Winterspelen van 2018. De hele kwestie zal draaien rond hoeveel ‘Russia’ te zien zal zijn in Tokio. Uiteindelijk liepen de Russen in Zuid-Korea rond in hun kleuren en met ‘Olympic Athlete from Russia’ op de rug. Alleen hun vlag werd niet uitgehangen en hun volkslied is ook niet gehoord toen de medailles hun kant uitkwamen.

Niet in rood-blauw-wit maar in appelblauwzeegroen en Olympic Athlete op de rug, een beetje zoals de excuusploeg met olympische vluchtelingen, dat zou een mooi compromis zijn voor Tokio.

Historie vol doping

2008

Russische atleten en roeiers worden in de aanloop naar Peking uitgesloten van de Olympische Spelen omwille van fraude met urinestalen.

2010

In de marge van de Winterspelen van Vancouver raakt bekend dat Russische biatleten en langlaufers zich massaal zouden doperen.

Inmiddels is een werknemer van het Russische antidopingagentschap Rusada (Joeri Stepanov, wiens vrouw Julia atlete is) begonnen met lekken naar het wereldantidopingagentschap WADA van info over systematische doping.

2011

De directeur van het Rusada, Grigori Rodtsjenkov, en zijn zus worden door de Russen beschuldigd van fraude bij dopingcontroles
en afpersing van atleten met dopingproblemen. Rodtsjenkov probeert zelfmoord te plegen, belandt in het ziekenhuis maar gaat na genezing vrijuit en wordt weer directeur van het Rusada. “Met de verplichting mee te werken aan het dopingprogramma”, zegt hij zelf.

2012

In december mailt Daria Pisjalnikova (zilver op de Spelen van Londen in het discuswerpen) het WADA over een staatsgestuurd dopingprogramma. Later wordt ze zelf met terugwerkende kracht betrapt en verliest haar medaille.

2014

Op de Winterspelen in het eigen Sotsji wint Rusland 33 medailles, het hoogste aantal ooit, maar later zullen dertien medailles worden afgenomen na bewezen fraude met door de geheime diensten verwisselde stalen. Na een beroep bij het Arbitragetribunaal voor de Sport (TAS) in Lausanne verliest Rusland er uiteindelijk slechts vier.

In december komt het Duitse ARD met een eerste documentaire over het Russische staatsgestuurd dopingprogramma. De Russen ontkennen en zijn dat blijven doen.

2015

Die zomer arriveren twee Russen met vakantie in de Verenigde Staten. Tim Sobolevski en zijn partner Oleg Michagev zijn werknemers van Rusada en zijn de homofobie in hun thuisland en de dopingpraktijken moe. Ze vragen asiel aan. Sobolevski werkt vandaag op het dopinglab in Los Angeles. Zijn vriend was de IT’er van Rusada en heeft kopieën mee van het LIMS, het Lab Information Management System waar alle data van alle atleten en analyses op staan.

In november schorst de internationale atletiekbond IAAF Rusland voor onbepaalde tijd.

Op 10 november neemt Rusada-directeur Rodtsjenkov ontslag. Hij slaagt erin diezelfde week met dank aan zijn permanent internationaal congresvisum te vluchten naar de VS, waar hij sindsdien als klokkenluider in bescherming is genomen en een andere identiteit kreeg.

2016

In februari overlijden twee medewerkers van het Rusada, Vjatsjeslav Sinev en Nikita Kamaev, overwacht. Hun dood veroorzaakt paniek in Rusland en daarbuiten.

Half juli komt het eerste deel van het McLaren-rapport naar buiten. Zonder harde bewijzen, waardoor het Internationaal Olympisch Comité (IOC) Rusland niet kan/mag schorsen. De IAAF laat slechts twee zuivere Russische atleten toe. In december verschijnt deel twee en daaruit blijkt dat tussen 2011 en 2015 minstens duizend Russische gedopeerde sporters vrijuit gingen. De hele Sotsji- machinatie met verwisselde stalen wordt ook uit de doeken gedaan.

2017

Het jaar gaat op aan onderzoeken en verwijten heen en weer tussen Rusland, het WADA en het Westen. Op 5 december schorst het IOC het Russisch Olympisch Comité voor de Winterspelen van 2018, maar laat cleane Russen toe onder de olympische vlag en de omschrijving Olympic Athlete from Russia (OAR).

2018

Hoewel twee cleane Russen worden betrapt op de Winterspelen, laat het IOC Rusland opnieuw toe in de olympische familie. Ondertussen gaat de hertesting van oude stalen van 2008 en 2012 onverminderd door en maken de Russen een kwart uit van de retroactief geschorsten.

In september besluit ook het WADA de schorsing van Rusland op te heffen, met als voorwaarde dat de database van het Rusada voor eind dat jaar in hun bezit is. Het IAAF houdt de ban in stand.

2019

De gevraagde documenten worden overhandigd, maar na de deadline. Uit analyse blijkt dat die massaal zijn vervalst. Maandag beslist het WADA, met nieuwe voorzitter Witold Banka, meer dan waarschijnlijk om het Rusada en Rusland op non-actief te zetten.

 

 

 

20191207_De-Morgen_p-18-19-mail

Column Tijdritdilemma in De Morgen van zaterdag 7 dec 2019

Het tijdritdilemma

Het blijft een van de grote mysteries van de Belgisch topsport: ondanks een bijna totale desinteresse de laatste drie decennia is tijdrijden ineens een Belgisch specialisme geworden. Ineens was daar Yves Lampaert, daarna kwam Victor Campenaerts. Nog iets later probeerde Remco Evenepoel hoe het voelde om een uurtje plat te liggen en dat voelde goed. Campenaerts verbeterde in april in Mexico het werelduurrecord, Evenepoel won zilver op het WK in Harrogate. Tussen Mexico en Harrogate won Wout van Aert de tijdrit in de Dauphiné en aansluitend werd hij ook Belgisch kampioen, waarbij hij Lampaert, Evenepoel en Campenaerts klopte.

Resultaat van dat wonderbaarlijke 2019: niet alleen heeft België twee quotaplaatsen voor de olympische tijdrit en vijf kandidaten, maar in tegenstelling tot vorige Olympische Spelen toen het smeken was om een wegwielrenner te vinden die ook de tijdrit wilde rijden, hebben ze nu alle vijf goesting. Het grootste verschil: ze kunnen alle vijf prijs rijden. De vijfde is overigens Thomas De Gendt, die zichzelf een hele tijdrijder vindt en hij heeft nog gelijk ook.

Eén wielrenner is al zeker van zijn nominatieve quotaplaats en dat is Remco Evenepoel, die op het wereld- kampioenschap alleen in Rohan Dennis zijn meerdere moest erkennen. Normaal had Victor Campenaerts zich ook geplaatst voor Tokio 2020. Daarvoor moest hij gewoon bij de eerste acht eindigen op het WK, maar dat lukte niet. Campenaerts kwam ten val en werd elfde. Was hij op zijn fiets blijven zitten, dan hield deze column hier op.

Het was die woensdag in de mixed zone in Harrogate meteen duidelijk dat dit een heel vervelend scenario was, want wie moest nu de tweede tijdrijder op het WK worden? Een superspecialist of toch maar een wegrenner die later in de week ook goed uit de voeten zou kunnen op het erg selectieve parcours? Dat vraagstuk is vandaag nog steeds hangende en voorlopig is er geen oplossing en dus ook geen tweede naam.

Aldus tekent zich een dilemma af voor de wielerbond: kan die het zich veroorloven om werelduurrecordhouder Victor Campenaerts thuis te houden? En zo ja, ten voordele van wie? In een normaal sportland en in een andere sport zou men kiezen voor de combinatie beste atleet/beste voorbereiding, dus Campenaerts. Alleen zijn wij geen normaal sportland en is wielrennen een beetje een aparte sport waarin andere dan sportieve belangen spelen en de logica van de topsport soms ver zoek is.

De wielerbond moet zijn prioriteiten bepalen. Wat is belangrijker: één, misschien twee medailles halen in het tijdrijden? Of voluit gaan voor Remco Evenepoel in de wegrit? Een combinatie van beide nummers met Evenepoel twee keer als speerpunt? Voor wie niet mee is met de hele toestand van quota- en andere plaatsen: België heeft zeven plaatsen (twee voor de tijdrit en vijf voor de wegrit) maar eigenlijk zijn dat er vijf want dat is het maximaal aantal wegrenners dat een land naar de Spelen mag afvaardigen. Twee tijdrijders moeten ook de wegrit rijden of omgekeerd.

Zoals de kaarten nu liggen, gaat het voor de tweede startplaats in de tijdrit tussen Campenaerts en Van Aert. De eerste heeft bewezen dat hij kan pieken als hij 100 procent naar een evenement toeleeft. De tweede heeft bewezen dat hij een hele grote motor heeft, als hij tenminste snel weer zijn oude niveau haalt.

Van de week stonden ze samen in de krant. Ook dat is wielrennen: keiharde concurrenten en toch beschaafd samen een interview geven. Campenaerts wil die tweede plek, Van Aert ook. Campenaerts had die plaats kunnen eisen op basis van zijn status maar deed dat niet. Van Aert excuseerde zich dan weer bijna voor zijn olympische droom. Was een van beiden nog in dienst bij een ploeg gesponsord door de Nationale Loterij, dan had de wielerbond de knoop al lang doorgehakt, maar zowel Van Aert (het Nederlandse Jumbo-Visma) als Campenaerts (het Japanse NTT, vroeger Team Dimension Data) rijdt in het buitenland.

De logica bestaat erin dat Campenaerts voorlopig het tweede olympisch ticket krijgt, zich volle bak mag voorbereiden op de Olympische Spelen (dat wil zijn ploeg ook) en op een vastgesteld tijdstip vormbehoud toont. Geen enkele andere renner zal zo minutieus kunnen en willen focussen voor dat ene uur olympisch zo hard mogelijk rijden als Campenaerts. Haalt hij tegen juni geen niveau, dan wordt het plan B. Of dat Van Aert moet zijn, zal nog moeten blijken. De Gendt idem.

Toch even deze slotbemerking: renners die zichzelf de nek afrijden in de Tour en de Spelen snel-snel meepakken, die tijd hebben we hopelijk achter ons. Olympische Spelen zijn belangrijker dan een rit in Tour.

 

20191207_De-Morgen_p-19-mail

Column Toernooiploeg van maandag 2 dec 2019

Toernooiploeg

Eén keer ging Peter Vandenbempt zaterdag in de fout bij het becommentariëren van de meest vreemde loting in de geschiedenis. Nou ja fout, het was meer een korte aarzeling in de volgorde van de wedstrijden van de Belgen op het aanstaande Europees kampioenschap voetbal.

Soms leek het erop dat Peter nog voor Gullit, Casillas en alle andere sterren hun balletje hadden open gekregen – vooral Gullit had wat last – wist wat er uit het balletje zou komen, in welke groep het desbetreffende land moest worden ingedeeld en wanneer dat land ook nog eens tegen de andere landen uit de groep moest voetballen. Hij had duidelijk gestudeerd op de lotingsprocedure.

Ik heb inmiddels begrepen: een hele week lang. Geen mens behalve de secretaris-generaal ad interim van de UEFA die wellicht beter wist hoe die loting moest gaan, zou gaan en uiteindelijk ook ging, behalve Peter Vandenbempt (en ongetwijfeld met hem nog enkele andere commentatoren, maar die heb ik niet gehoord). Van de week kwam het nieuws dat de helft van de Vlamingen geen werkbaar werk heeft. Een loting uitvlooien die geen loting is, moet hoog staan in de lijst met onwerkbaar werk.

Wij wisten al dat er niet in Brussel zou worden gevoetbald en dat zout zullen we tot en met 12 juli nog honderden keren met veel plezier in de wonde strooien. Wij wisten ook al dat de Rode Duivels in Sint-Petersburg tegen de Russen moesten, in Kopenhagen tegen de Denen, maar wat we nog niet wisten: wat is het derde land tegen wie ook in Sint-Petersburg wordt gevoetbald? Dat kon – ik snap het nog steeds niet – alleen maar Wales of Finland zijn.

Het werd Finland. Behalve dat het niét Wales werd, gaf dat geen aanleiding tot vreugdeuitingen. Meteen werd gewezen op het feit dat we nooit winnen van Finland, dat Finland ook nog eens niet ver van Sint-Petersburg ligt en dat de Finnen wellicht massaal de oversteek zullen maken voor de wedstrijd tegen de Belgen. Een beetje zoals de IJslanders op het EK van 2016.

Dat is misschien iets te simpel geredeneerd: u moet weten dat de Finnen schrik hebben van de Russen (hun kolonisator tot honderd jaar geleden) en met de grote beer-buur eigenlijk het liefst helemaal niets te maken hebben. Het grensgebied – water, heide, bossen en veel muggen – is een soort niemandsland met aan beide zijden van de grens te veel militaire activiteit.

Wales, dat was pas een drama geweest. Die zijn amper met een goede drie miljoen waaronder drie voetballers die naam waardig, maar ze klopten België wel in de kwartfinale op die memorabele avond in Villeneuve d’Asq op 70 kilometer van mijn huis-tuin-terras waardoor ik anderhalf uur na de wedstrijd met een gin tonic naar de sterren in mijn tuin zat te kijken.

Wales was een toernooiploeg, onverzettelijk tegen elke tegenstander, en zo hebben de Rode Duivels hun tegenstanders niet graag. Intrinsiek behoren de Belgen tot de beste landen van Europa, samen met – dat vergeten we soms – Spanje, Frankrijk, Duitsland, Italië en Engeland. Wellicht is dit het sterkst bezette Europees Kampioenschap voetbal ooit. Het zal er op aan komen om deze goedweer- ploeg op het juiste moment, in de juiste vorm en vooral met de ingesteldheid van een toernooiploeg in het veld te krijgen.

Niet vergeten dat België in Rusland op het WK door het oog van de dunst mogelijke naald is gekropen, vooral dan tegen Japan. Iedereen heeft de mond vol van die fenomenale countergoal, excuus omschakelingsdoelpunt, Courtois-De Bruyne-Meunier-Lukaku- Chadli. Terecht, maar als Kawashima geen vliegenvanger maar een echte doelman was geweest, valt die kopbal van Jan Vertonghen nooit binnen en is België na de achtste finale naar huis.

Het geluk viel toen letterlijk uit de lucht. In normale toernooien moet je geluk afdwingen en dat vergt een heel andere ingesteldheid dan in een competitie. Laat alle nationale ploegen met een uit- en een thuiswedstrijd tegen elkaar spelen, geen twijfel mogelijk: België wint of eindigt heel hoog. Een eindtoernooi met rechtstreekse uitschakeling is een totaal ander verhaal: meer een mindgame dan tactiek, techniek of wat dan ook.

De Rode Duivels hebben vooralsnog niet de onverzettelijkheid van een toernooiploeg die slim en berekend maar te allen prijze voor
de winst gaat. Die in elke wedstrijd twee spelers ziet opstaan die dingen doen waarvan niemand vermoedde dat ze dat in zich hadden. Rusland met 7-1 geklopt in de kwalificaties? Wil niets zeggen. Denemarken zonder veel talent? Telt niet. Eerste op de FIFA-ranking? Wil niets zeggen. Straks op 13 juni in Sint-Petersburg tegen Rusland beginnen we zoals alle andere landen op nul. Het talent is er. Aan de bondscoach om hen onverzettelijkheid aan te praten.

 

20191202_De-Morgen_p-19-2-mail

Column Hillsborough in De Morgen van zaterdag 30 november 2019

Hillsborough

Ik ben drie keer moeten verschijnen voor de Raad voor de Journalistiek. Die bestaat nog niet zo lang als ik al bezig ben, dus het kan daaraan liggen dat het bij drie is gebleven.

De eerste keer omdat ik in een overduidelijke zaak van mensenhandel met Nigeriaanse voetballers door Roeselare een rechter uit Kortrijk, die de feiten niet bewezen achtte, een oen had genoemd. Die kon dat niet verdragen en stapte naar de Raad voor de Journalistiek. Hij kreeg geen gelijk, natuurlijk niet, maar ik was wel een halve dag kwijt.

De tweede keer was in 2014 toen ik in een persiflage voorafgaand aan het WK had gelachen met de Afrikaanse voetballanden omdat die altijd roepen voor een worldcup dat ze gaan winnen, maar er niets van terecht brengen. Dat is toe te wijzen aan veel oorzaken, waarvan er geen te maken hebben met het feit van donker te zijn, wel met een gebrek aan prestatiecultuur. Het stond daar een beetje anders, scherper, maar goed: meer nurture dan nature.

Een donkere halve Braziliaanse Belg die muziek speelt – uitgestuurd door KifKif – voelde zich aangesproken. Hij pleitte betrokken partij te zijn (anders mag je geen klacht indienen) en vond het nodig mij van racisme te betichten. Ik heb mijn zegje gedaan, en passant even de vooringenomen Afrikaanse juriste van Unia op haar plaats moeten zetten omdat ze onzin verkondigde en heb de zaak gewonnen. Weer een halve dag kwijt. Bon, wat ik aan zaak twee overhield, was een aversie voor KifKif, Unia en de Raad voor de Journalistiek.

Toen moest zaak drie nog komen en daarvoor moet ik eerst even terug naar 15 april 1989, toen ik van onze hoofdredacteur Paul Goossens de opdracht kreeg om naar Sheffield te reizen en daar verslag uit te brengen van een stadionramp. Wat ik deed en ik arriveerde op zondag, een dag na de ramp, in de sporthal naast Hillsborough Stadium waar alle lijken lagen. Ik liep daar tussen de bodybags samen met Margaret Thatcher, toen de premier van het Verenigd Koninkrijk.

Ik ben uiteindelijk naar Liverpool gereden en ben daar een week gebleven. Uit de getuigenissen van de Liverpool-fans die ik de dagen daarna sprak, was het duidelijk dat dit een drama was in de ergste zin van het woord. Omdat een heel stel fans – een aantal dronken en zonder ticket zoals toen de gewoonte was – bang was de wedstrijd te missen en begon te duwen tegen de ordediensten, de suppoosten en de hekkens, werden die door de politie opengezet. De fans zijn vervolgens allemaal het vak aan Leppings Lane binnengestormd, maar dat vak zat al vol. Uit de getuigenissen bleek dat de Liverpool-fans eigenlijk hun collega’s hadden verpletterd.

In 2016 verscheen ineens het bericht bij ons dat de dienstdoende commissaris uit die tijd, ene David Duckenfield, en bij uitbreiding het hele politiekorps verantwoordelijk was voor de dood van de 96 Liverpool-fans. Geen woord over de schuld van supporters die absoluut een vak in wilden dat al overvol was. Dat vond ik vreemd en ik schreef er een column over.

Waarop een Belg die af en toe naar Liverpool gaat kijken – heerlijke ploeg, heerlijke sfeer, dus hij heeft groot gelijk – klacht indiende tegen mij bij de Raad voor de Journalistiek.

Mijn inschatting was dat ze die zouden klasseren wegens niet ter zake doende. Maar neen, ik werd gesommeerd te verschijnen. Dat heb ik aan mijn laars gelapt met de melding dat ik zelden met lezers in discussie ga en al helemaal niet met voetbalsupporters. Iemand van onze bazen is in mijn plaats gegaan, waarvoor dank, heeft hetzelfde riedeltje als altijd afgehaspeld: een column is een mening
en iedereen is vrij een mening te hebben zolang die niet blablabla… Raad eens? Ik heb ook die zaak gewonnen. Gevolg: er mag gebeuren wat er wil, maar ik ga nooit meer naar de Raad voor de Journalistiek.

Daarna kreeg ik nog telefoon van de plaatselijke krant Liverpool Echo die mij net niet vilde voor zoveel onbegrip. Ik herhaalde mijn stelling: beschaafde mensen gaan niet ergens naar binnen waar geen plaats meer is en beginnen vooral niet te duwen met honderden tegelijk. “Zijn onze voetbalsupporters dan niet beschaafd?”, vroeg de journaliste. Ik zei: “Meestal niet en die van jullie zelden, remember The Heysel 1985.” Toen kreeg ze een beroerte.

Van de week is politiecommissaris David Duckenfield vrijgesproken. Justice is done. Het is te hopen dat Liverpool dertig jaar na de laatste titel de Premier League wint, dat zou ook gerechtigheid zijn. En misschien de wonden wat helen.

 

 

20191130_De-Morgen_p-19-mail

 

 

Portret Zlatan Ibrahimovic

Zlatan Ibrahimovic

Hij kocht zich deze week in bij een Zweedse voetbalclub, waarop fans van zijn moederclub in Malmö zijn standbeeld in de fik staken. Ibra laat niemand onbewogen, ook buiten Zweden niet.

 

Een snelcursus Ibrahimovic.

Hoeveel keer heeft hij de Champions League gewonnen?

Nul keer.

Hoeveel prijzen behaald met Zweden?

Nul prijzen.

Hoeveel keer kampioen gespeeld?

Elf keer, waarvan acht op een rij in vijf verschillende landen. (Eigenlijk dertien, maar twee titels werden Juventus afgenomen omwille van omkoping.)

Individuele internationale prijzen? Geen van betekenis.
Iconische doelpunten?
Emmers.

Ibra voor beginners ten slotte: zoek op YouTube op Iconic Ibrahimovic Solo Goal. Het bewonderende commentaar van Frank Snoeks krijgt u er gratis bij. De geschiedenis wil dat hij in die actie vier tegenstanders passeert, maar eigenlijk gaat het ‘maar’ om drie man, omdat de eerste verdediger die hij uitkapt kan terugkeren en weer wordt uitgekapt, nu in twee keer, waarna hij de bal voorbij de doelman en nog een verdediger in doel trapt. Daarom zijn het er eigenlijk vijf, maar drie volstaat.

Het was zijn laatste goal voor Ajax, de 5-1 tegen NAC Breda. Een week later was Ibrahimovic van Juventus. Opvallend in dat filmpje
is dat de regisseur tijdens de viering van de Ajax-spelers die bovenop Ibra liggen, even switcht naar de geblesseerde Rafael van
der Vaart die in een skybox uiterlijk onbewogen het vertoon gadeslaat. Enkele dagen eerder had Zlatan, zoals het bij Ajax op zijn
shirt stond, in een interland tussen Zweden en Nederland zijn Ajax-middenvelder Van der Vaart met een trap op de enkel naar de ziekenboeg gestuurd. Pas veel later zouden de twee vrede sluiten, voor zover vrede überhaupt mogelijk is met de immer getroebleerde Zweed.

Jammer maar helaas

Het oorspronkelijke gerucht luidde dat Ibra op zijn 38ste na twee jaar in de Amerikaanse soccer league zou terugkeren naar Zweden als voetballer. De Zweden zagen hem alweer in het geel-blauwe shirt opdraven als international. Jammer, maar helaas. Van de week raakte bekend dat hij zich had ingekocht bij Hammarby IF, een club die voor net niet de helft in handen is van Anschutz Entertainment Group, ’s werelds grootste sportbedrijf met belangen in verschillende sporten en clubs, waaronder ook Los Angeles Galaxy voor wie hij twee seizoenen lang uitkwam.

Zlatan werkt aan zijn nacarrière, zoveel is duidelijk. Of en waar hij nog zal voetballen volgend seizoen, is nog niet bekend. De fans van de ploeg van zijn stad Malmö, waar hij in de migrantenwijk Rosengård opgroeide, hebben alvast zijn in 2016 ingehuldigde standbeeld in brand gestoken omdat hij zich heeft ingekocht in het elitaire Stockholm. Erg zal hij dat niet vinden. Hij heeft het 2m60 hoge ding altijd een beetje beneden zijn waardigheid geacht. Iets in de grootteorde en grandeur van de David van Michelangelo had beter bij zijn status gepast.

Hij heeft er nog wel een huis, maar Malmö en het getto Rosengård waar negen op de tien migranten uit de voormalige Joegoslavische republiek of recenter de oorlogsgebieden in het Midden-Oosten komen, heeft hij achter zich gelaten. Hij groeide er samen met zijn moeder en later zijn vader op in penibele omstandigheden en belandde net niet in de criminaliteit, zoals veel van zijn jeugdvrienden. Aan veel erger dan kattenkwaad en het serieel stelen van fietsen heeft hij zich niet bezondigd, met dank aan de sport. Al ging hij met het stelen van de fiets van de assistent-coach van Malmö FF, een vergissing, bijna over het randje.

Zijn talent voor sport heeft hem van de zelfkant gered. Eerst taekwondo, dat hem op zijn zeventiende promoveerde tot zwarte gordel. Die sport zette hem niet alleen streetwise op voorsprong, maar kwam ook goed van pas in het voetbal, waar hij zijn eerder aangeleerde lenigheid en ruimtelijke perceptie maximaal benutte. Geen voetballer die zo mooi ballen uit de lucht kon halen of scoren op onmogelijke passes. Net nadat hij zijn zwarte gordel had omgegord, vroeg Arsenal of hij kon komen testen. Hij weigerde: “Zlatan doet geen audities.” Bij zijn Zweedse bestuur rolden de ogen uit de kassen en ze waren maar wat blij toen Ajax enkele jaren later doorzette en hem kwam halen. “If you fuck with me, I fuck you twice”, had sportief manager Leo Beenhakker hem gezegd. Haha, dát was taal die hij begreep, en hij ging naar Ajax.

Copyright © 2019 Belga. Alle rechten voorbehouden

Niemand zal bestrijden dat hij soms een genie op noppen is, maar Zlatan Ibrahimovic is ook de beste speler die nooit een internationale prijs won of de speler met de grootste mond die nooit een internationale prijs won. Of dat toeval is? De jury is eeuwigdurend in beraad.

Hoog patsergehalte

Zijn biografie heet Ik, Zlatan. Van een hoog patsergehalte gesproken. Dat geldt ook voor zijn quotes. Een van zijn meest beklijvende luidt: “Meestal wordt gezegd dat je geen legende kan worden voordat je dood bent. Dat geldt niet voor mij. Ik ben een levende legende.” Toen een journalist hem vroeg wat de strijd tussen Portugal en Zweden zou kunnen beslissen, antwoordde Hij: “Dat weet alleen god.” Waarop de journalist dacht gevat te zijn: “Dat wordt lastig om het aan hem te vragen.” Maar Zlatan, zo snel als kijken: “Nee hoor, je zit tegenover hem.”

Dat is grappig bedoeld en een beetje arrogant, maar toch gewoon grappig. Zoals die keer toen een andere journalist vroeg wat hij zijn nieuwe vriendin voor haar verjaardag had gegeven. “Niks. Ze heeft Zlatan al.” Minder grappig was toen hij moest vertrekken bij FC Barcelona van coach Guardiola, waarna die alles begonnen te winnen wat er maar te winnen viel. Hij wilde zich niet schikken in het meesterschap van het opdondertje dat luisterde naar de naam Leo Messi. Guardiola heeft altijd gewezen op de onverenigbaarheid van tactische discipline en Zlatan Ibrahimovic, die op het veld wilde lopen waar hij dacht dat hij op dat moment moest lopen. Zlatan: “Guardiola heeft een Ferrari gekocht (doelend op zichzelf, voor alle duidelijkheid, HV), maar rijdt ermee als in een Fiatje.”

Het is Ferrari, beter bekend als God en nog beter als Zlatan Ibrahimovic, te doen om de erkenning van zijn immense talent, en wie daar niet in meegaat, heeft het verkorven. Ooit was er die onschuldige poll van de Zweedse krant Dagens Nyheter. Ze wilden weten wie de grootste Zweedse sportpersoonlijkheid aller tijden was.

Op 1 stond tennislegende Björn Borg. Daar zou ook de rest van de wereld hem hebben gezet, dus veel discussie behoeft dat
niet. Zlatan stond op 2. De man die geen enkele internationale prijs had gewonnen, ging tafeltennisser Jan-Ove Waldner (dubbel wereldkampioen en olympisch goud in 1992), golfspeelster Anika Sörenstam (acht keer nummer één van de wereld) en skiër Ingemar Stenmark (twee keer olympisch goud en drie keer wereldkampioen) vooraf. Toen de krant hem trots contacteerde, reageerde hij erg bits. “Tweede worden is zo goed als laatste eindigen. Ik had op nummer één tot nummer vijf moeten staan.”

Zijn omloopsnelheid als speler zegt alles over wie hij is en hoe hij zich gedraagt: een onwaarschijnlijke einzelgänger die geniale fratsen kan uithalen die af en toe leiden tot onwaarschijnlijke doelpunten, maar zelden tot prijzen. Ibrahimovic scoorde voor zes verschillende ploegen in de Champions League, maar kwam nooit in de buurt van de beker met de grote oren.

Als international speelde hij op twee WK’s, maar kwam nooit in het stuk voor. De laatste twee gingen zelfs helemaal aan God voorbij, wat hem volgende ontboezeming ontlokte: “Een WK zonder mij is het niet waard om naar te kijken.” Op het EK van 2016 scoorde hij met een wereldgoal tegen België, die onterecht werd afgekeurd. Dat had de uitschakeling betekend voor de Rode Duivels, die later door Wales werden vernederd, maar de bal viel – het lot van het onbegrepen genie Zlatan – verkeerd. Zijn internationale carrière zat erop.

 

20191130_De-Morgen_p-36-37-mail

Column over R. Antwerp FC in De Morgen van 25 november 2019

Haten/bewonderen

Van de week had de profliga een ongewild maar interessant experiment: binnen de vier dagen een dubbele confrontatie tussen twee dezelfde ploegen, elk een keer uit en thuis. Die twee menen allebei dat ze aanspraak kunnen maken op de titel tweede beste ploeg van het land. De beste ploeg van het land is Club Brugge en daar valt geen speld meer tussen te krijgen tot ze in mei hun zoveelste titel ophalen.

Donderdag werd Antwerp-Gent verdiend 3-2 voor FC Antwerp en Gent-Antwerp gisteren eindigde op 1-1. Niet onverdiend uit het oogpunt van Antwerp, dat gelijkspel, omdat Gent in de tweede helft maar mondjesmaat wilde aanvallen en in de tweede helft van de tweede helft gewoon achterin bleef, hopend op een uitbraak. Verdiend zou dan weer te veel eer zijn omdat Antwerp er ondanks dat Gents achteruit kruipen aanvallend maar weinig van bakte.

De statistieken van beide wedstrijden zijn interessant. Gent had in elke wedstrijd het meeste balbezit: 55 procent tegenover 45. In Antwerpen donderdagavond schoot Gent veertien keer op doel en Antwerp dertien keer. Antwerp schoot daarvan zes keer on target, wat tussen de palen betekent, Gent had er vijf on target. Gent kreeg ook vijf gele kaarten, Antwerp maar vier.

Antwerp schoot gisteren een keer meer op doel dan Gent: twaalf tegen elf, waarvan elk twee keer tussen de palen. Over de twee wedstrijden genomen maakte Antwerp de helft meer overtredingen: 38 tegen 26. Opvallend: Antwerp beging meer overtredingen in de thuiswedstrijd (twintig) dan in de uitwedstrijd (achttien). Gent ook overigens: elf in Antwerpen en vijftien thuis. In Gent gisteren kreeg Antwerp zes gele kaarten uit twintig fouten en Gent maar één uit vijftien, maar dat had minstens twee keer geel kunnen zijn.

Antwerp is economisch een aanwinst voor eerste klasse – we kunnen gerust van een G6 spreken – maar sportief en voetballend blijft het gemengde gevoelens oproepen. Voor Antwerp zijn alle middelen goed om te winnen. De eerste twee seizoenen in eerste klasse stelde het zich in op de tegenstander, belette die in het spel te komen en hoopte zelf op een goaltje. Dit jaar kreeg het voetballend vermogen een upgrade. Antwerp kan verdomd aardig voetballen. Zoals ze oplossingen vinden van achteren uit om de bal voorin te krijgen, met veel lopende mensen op het middenveld, vlotte verticale combinaties, en alles wat daarbij hoort, soms knap. Het voetbal van The Great Old is niet langer hopeloos, de mentaliteit daarentegen…

Als de wedstrijd van gisteren in Europa was gespeeld, was Antwerp met zeven geëindigd. Dat eindeloze gemekker bij elke tegen hen gefloten overtreding, bij elke zogezegde aanslag op de eigen benen, die schwalbes van Refaelov en Mbokani (heerlijke voetballers, maar al even goede acteurs), dat naar de scheidsrechter vliegen, die woedende gebaren, dat uitschelden van de assistenten en de vierde ref. Eigenlijk moet Laszlo Bölöni gewoon elke wedstrijd naar de tribune en verdienen standaard drie of vier van zijn spelers rood.

Dat dit niet gebeurt, ligt geheel aan de scheidsrechter. Nicolas Laforge was donderdag een thuisfluiter maar een gelukkige, omdat hij met zijn gemakzucht hoegenaamd de wedstrijd niet heeft beïnvloed. Gent werd soms benadeeld, zoals bij het eerste tegendoelpunt, maar kon echt geen aanspraak maken op een gelijkspel en die 3-2 was zelfs al erg gevleid.

Nog slechter was de prestatie gisteren van Lawrence Visser. Ritchie De Laet had rood moeten krijgen toen hij Laurent Depoitre neertrok op weg naar Sinan Bolat. Dino Arslanagic had een tweede keer geel kunnen en moeten krijgen. Bölöni had naar de tribune gemoeten. Dat vierde ref Wim Smet die aanbeveling nooit uitsprak, is een raadsel. Het arbitrale kwartet was de weg kwijt en heeft zich een hele wedstrijd laten uitschelden. Met de wilde armbewegingen van Visser, die gisteren voor de tigste keer aangaf dat het voorbij moest zijn met zeuren, kan Filip Joos een hele Keek op de Week vullen.

Ook Antwerp is een raadsel. Jelle Van Damme is weg, maar de agressie is nog steeds die van een Servische militie onderweg in Bosnië (een kwarteeuw of zo geleden). Van trainer Bölöni zegt men dat hij geen gezag zou hebben, dat de kleedkamer baas is. Gisteren was er alweer een minirel met Kevin Mirallas. Het lijkt daar een zootje bij rood-wit, maar als ze tussen de gekalkte lijnen stappen is het één voor allen, allen voor één en moet alles en iedereen die in de weg staat eraan geloven. Het is voetbal met twee gezichten: om te haten en te bewonderen.

 

20191125_De-Morgen_p-19-2-mail

Interview Georges Leekens in De Morgen van zaterdag 23 november 2019

‘Geliefd zijn: daar deed ik het voor’

In T1, een nieuwe reeks op Play Sports, luchten voetbaltrainers hun hart. Doet uiteraard ook mee: de T1 aller T1’s, Georges Leekens (70). Van tovenaar tot sukkelaar, en soms omgekeerd. ‘Trainers zijn verslaafd aan erkenning.’

Hein Vanhaezebrouck, Philippe Clement, Yves Vanderhaeghe, Bob Peeters, Jacky Mathijssen, Ariël Jacobs en Glen De Boeck, ze zitten allemaal in de nieuwe reeks T1 op Play Sports. Globetrotter-trainer Georges Leekens, net voor de zomer teruggekeerd van zijn laatste avontuur bij een topclub in Iran, kon natuurlijk niet ontbreken.

Het record van de meeste trainersopdrachten voor een Belg had hij al langer en dat heeft hij de laatste jaren nog wat scherper gesteld. Sla zijn bio er maar eens op na, de langste die ooit in Zeno is verschenen. Verschillende keren heb ik – dorpsgenoot en quasi buur – hem raad gegeven. “Niet doen.” Later: “Hou ermee op, geniet van het leven.” Hij antwoordde: “Je hebt gelijk.” Een dag later tekende hij toch of stapte hij alweer een vliegtuig op omdat iemand hem had gezegd dat zonder hem het voetbal zou ophouden, dat er, kortom, geen leven was zonder T1 Leekens.

Die ene dag afgelopen zomer dat ik hem terugzag bij de bakker – gezond vermagerd, brede lach, de gsm eens niet in aanslag – was de eerste keer dat ik dacht: misschien is de cirkel eindelijk rond voor ‘de Georges’. Of zou hij dan toch, nog één keer, wie weet, als de juiste trein passeert…?

Georges Leekens: “De bladeren zijn aan het vallen, dus er komt af en toe wel iets mijn kant op. Is dit mijn fin de carrière? Dat hoop ik. Neen, sorry, dat bedoel ik nu juist niet. Wel, dat ik alleen nog iets ga doen als alles klopt. Mijn energie en mijn passie zijn niet weg. Maar ik ga niet meer werken in onmogelijke situaties.

“Mijn laatste club was in Iran. Niet in Teheran. In Tabriz, zoek maar op waar dat ligt. Azerbeidzjan, Turkije en Irak waren dichterbij dan Teheran. De ambassadrice was er op bezoek om een wedstrijd van mij bij te wonen, maar dat mocht ze niet. Een vrouw mag in Iran niet naar het voetbal.

“Veel passie voor voetbal, spelers die vol wilden gaan, maar ja, na drie maanden word je niet meer betaald, en hoor je van de spelers dat de Iraanse munt met 30 procent wordt gedevalueerd. Die Amerikaanse boycot, dat voelen ze daar. Vroeger zou ik nog wel zijn gebleven, maar nu had ik er geen zin meer in. Gelukkig is er nu de FIFA bij wie je kunt aankloppen om de rest van je contract te laten uitbetalen. Wat ik ook heb gedaan.

“Ik kom nog vaak op het voetbal. Laatst nog bij Gent tegen Saint-Etienne. De Red Flames tegen Litouwen heb ik gezien. Eric Gerets was er ook. Ik probeer wel weg te blijven bij clubs waar de trainer onder druk staat. Anders zie ik die foto’s al in de krant, met onderschrift: ‘Vanderhaeghe heeft een paar keer ongelukkig verloren en Leekens duikt op bij KV Kortrijk.’ Dat zou zonder bijbedoeling zijn, maar dat moet je vermijden.”

Hoe ging dat eraan toe in 1984, toen u voor het eerst trainer werd en bij middenmoter Cercle aan de slag ging?

“Vooroorlogs. Ik was aangesteld, had een contract getekend, maar moest nog eens voor de Raad van Eer komen, zoals dat daar heette, een man of tien die het te zeggen hadden vooral omdat ze de club sponsorden of geld toestaken. Men had mij ingeseind, dus ik wist wat ze zouden vragen. Eerste vraag: ‘Bent u katholiek?’ ‘Jazeker’, antwoordde ik. En dan nog wat vragen en het was goed: ik mocht beginnen.

“Ik haalde Ronny Desmedt van bij de jeugd om mijn assistent te worden. Wij deden alles met ons twee: trainingen, scouting én de jeugd coördineren. We hadden een keeperstrainer die één keer per week kwam, soms twee keer. Iedereen werkte nog, behalve ik en zes spelers, onder wie de buitenlanders zoals Wim Kooiman, Edi Krn#evi# en Kari Ukkonen. We trainden om twee uur en om half zes, voor wie er bij kon zijn.

“Waar ik dan later een beetje voor bekend ben geworden – het verbeteren van de randomstandigheden – dat heb ik daar voor het eerst toegepast. Ik vroeg van alles, ik zocht zelf naar een fitnesscentrum, ik wist vanuit mijn opleiding als kinesist dat het kon helpen. In die tijd namen de spelers nog hun vuile was gewoon mee naar huis. Ik ben toen wel begonnen met zorgen voor eten. Pistolets, belegd, of dat kon? Aha, daar ging de Raad van Eer voor zorgen. Uiteindelijk waren wij toen al een club zoals alle Belgische clubs vandaag: wij haalden spelers en verkochten die voor meer geld. Kooiman, Musonda en Krn#evi# zijn gekocht door Anderlecht, Kalusha ging naar PSV.”

De trainer als salesmanager, het is steeds erger geworden.

“Meerwaarde creëren op gehaalde spelers, dat was de taak van de trainer en nu nog. Cercle overleefde op die transfers, ongeveer alle clubs waar ik heb gewerkt. Bwalya Kalusha won later de Ballon d’Or de l’Afrique maar zat hier eerst zes maanden op de bank. Later is het Bosmanarrest gekomen en waren de spelers vrij bij einde contract, maar wisselden ze ook ineens veel sneller van club en werd het nog moeilijker om een goeie speler te houden. Tien seizoenen bij Club Brugge zoals bij mij het geval was, dat is niet meer van deze tijd.”

Waar heb je als trainer de beste randvoorwaarden gekend?

“Dan moet ik Hongarije antwoorden. Daar hebben ze het heel goed voor elkaar. In Telki, ten westen van Boedapest, hebben ze een heel mooi centrum gebouwd. Er lagen vier oefenvelden, op vraag van Bernd Storck (nu bij Cercle, HV) die er voor mij trainer was.
Ik heb er twee bij laten leggen, waaronder een kunstgrasveld, dat nu ook een overkapping heeft gekregen. Recent hebben ze hun nieuwe stadion ingehuldigd, het Ferenc Puskasstadion. Echt, een heel mooi stadion, iets om jaloers op te zijn. Je mag zeggen van (Hongaars premier) Viktor Orbán wat je wilt, maar het voetbal vaart goed met die man. De meeste clubs hebben modernere stadions dan in België, en er is een nationaal stadion.

“Maar eerlijk: onze topclubs hebben het ook goed voor elkaar. Club, Anderlecht, Genk, Gent, Standard: ze hebben de ideale voorwaarden gecreëerd om hun ploeg te trainen.”

Stel, je kunt een jonge, hitsige trainer raad geven, wat zeg je dan?

“Zorg voor een goeie staf, zorg voor wederzijds vertrouwen. Leer jezelf kennen, leer ook je groep kennen. Voor Philippe Clement is het snel gegaan. Ik vergelijk hem als trainer een beetje met Wouter Vrancken van KV Mechelen. Beiden heb ik als speler gehad. Het waren niet de meest begaafde voetballers, maar ze haalden alles uit hun carrière omdat ze wisten wat ze konden en niet konden. Dat worden meestal goede trainers.

“Ik vond de aanpak van Clement in de zaak-Diagne heel verstandig. Geen theater op het veld, binnenskamers oplossen: strenge boete – wellicht 5 procent want meer mag niet – en voor onbepaalde tijd geschorst. Waarom onbepaald? Omdat als je vijf blessures voorin hebt, je toch Diagne terug moet kunnen halen zonder gezichtsverlies.

“De belangrijkste raad die ik jonge trainers kan geven is deze: stap voor stap. Ik was laatst uitgenodigd door Emile Mpenza die bij Antwerp in de opleiding werkt. Dat deed mij veel plezier. Hij doet dat goed, Emile, slaat geen stappen over.”

Zoals: probeer niet van Cercle meteen naar Anderlecht te springen…?

(lacht) “Bijvoorbeeld. Dat was mijn hoogmoed. Het had kunnen lukken, maar het is mislukt. Vandaag zouden ze mij op handen dragen bij Anderlecht: we stonden vierde en speelden de kwartfinale van de UEFA-cup toen ik werd ontslagen en Raymond Goethals mij opvolgde. Constant Vanden Stock heeft mij toen bij zich geroepen en gezegd dat het jammer genoeg te vroeg was. Hij had mij
al gewaarschuwd dat ik niet zo aanwezig mocht zijn, meer moest kijken, luisteren en inspelen op wat er gebeurde, maar ik, jong trainersveulen, ik wilde alles meteen anders doen.”

Vincent Kompany, uw captain bij de Rode Duivels, heeft inmiddels ook leergeld betaald.

“Als hij mij had gebeld, dan had ik hem gezegd: niet doen, de kans dat het lukt, is miniem. Als je van geluk afhankelijk bent, doe het dan niet. Pas op, ik ben een grote fan van de mens en de voetballer Vincent Kompany, maar die dubbelfunctie was een vergissing.

“Kompany kwam van een andere wereld en van de beste ploeg ter wereld. Dat is Anderlecht niet, en dat weet Frank Vercauteren natuurlijk wel. Dus die heeft gedaan wat elke trainer zou doen: wat hebben we hier lopen en wat kunnen we daarmee op het veld? Afgezien daarvan hoop ik dat Vincent gezond wordt en 2020 haalt. We kunnen hem gebruiken.”

Kompany verbergt zich voor de pers. Dan wordt het extra lastig. In uw eerste periode ging u ook in tegen de media, later vond ik u dan weer erg meegaand.

“Jonge en oudere journalisten kregen evenveel tijd van mij. Dat viel niet in goede aarde. Je leert door scha en schande. Bij de nationale ploeg introduceerde ik de regel van drie open trainingen per week en drie persconferenties, de FIFA-norm. Tot dan was er elke dag een uur vraag-en-antwoord geweest met de pers en mochten ze bij alle trainingen. Internationaal was dat al lang niet meer en op de World Cup vorig jaar waren de eerste tien minuten van elke training open en dan sloften de spelers wat in het rond.”

Was Ernst Happel, uw coach bij Club, een voorbeeld voor u als trainer?

“Iedereen met wie ik heb gewerkt, is een beetje een voorbeeld. Je neemt altijd dingen mee. Ik heb Goethals gehad bij de nationale ploeg en Happel bij Club, van twee verschillende types gesproken. Goethals kon niet van je blijven als hij wat uitlegde, Happel was het liefst op zichzelf. Een kettingroker, een kaarter, zwijgzaam, maar een goeie voetballer, zelfs als trainer. Die trapte een bal waar hij hem wilde, fenomenaal.

“Onze vrouwen waren bevriend, wat niet belette dat Happel mij ook aanpakte. Ik mocht van hem bijvoorbeeld niet over de middellijn komen, maar die ene keer op Beringen kreeg ik de bal, ik rukte op, was al ver over de middellijn en werd nog steeds niet aangevallen, dus schoot ik maar: los in de winkelhaak. Dat was mijn revanche, dus liep ik naar de kant om te juichen, en eigenlijk ook een beetje om hem uit te lachen. Een week later zat ik op de bank. Voorts heb ik onder hem alle wedstrijden gespeeld.”

Een trainer moet een halve dictator zijn?

“Dat weet ik niet. Hij moet mensen beter maken, een soort humanresourcesmanager zijn. Hij mag vooral de spelers geen obsessies aanpraten, niet focussen op de negatieve dingen. Hij moet ook opvoeden. Zeggen wat kan en niet kan, maar ook dingen door de ogen zien als een speler buiten de lijntjes kleurt en toch presteert.

“In mijn geval wordt al snel verwezen naar het incident met Eden Hazard toen ik hem verving en hij een hamburger ging eten. Die hamburger kon mij niet schelen, wel zijn houding. Ik had hem vervangen omdat ik vond dat hij onze ploeg meer kon bijbrengen. Dat hij nu zo goed speelt omdat ik hem toen heb geschorst, wil ik ook niet gezegd hebben, maar hij moest toen wel op een andere manier omgaan met presteren. Later hebben we gezien dat hij wel zijn eigen wedstrijden analyseerde. Wij stuurden die beelden op en we konden zien wie ze had geopend. Hazard dus.

“Een trainer moet zelfvertrouwen uitstralen, ook al is het normaal dat hij twijfelt. Dat mag binnenskamers, maar naar de groep draait het om leiderschap. Belgische trainers stralen dat nog iets te weinig uit. Felice Mazzù bij Genk, dat is een verhaal van gebrek aan leiderschap. Hij zal het wel hebben geleerd, maar het was te laat. Een Nederlandse trainer komt ergens binnen en neemt doorgaans meteen de ruimte in. Die wil ook niets liever dan zich in het buitenland bewijzen. Dat was ook altijd een beetje mijn drijfveer: in onmogelijke landen onmogelijke dingen proberen.”

Op een zaterdagavond vroeg u mij of het een goed plan was om de nationale ploeg te verlaten en naar Club te gaan. Ik heb u dat afgeraden en u gaf mij gelijk….

“…en een dag later, zondag 13 mei 2012, ben ik toch naar Club gegaan. Ik weet het, dat was niet mijn sterkste beslissing. Ik had (manager) Vincent Mannaert toen hij ’s ochtends bij mij thuis arriveerde nochtans gezegd dat ik het niet zou doen, maar tijdens het ontbijt heeft Bart Verhaeghe op mij ingepraat. ‘Mijn werk met de Duivels was af, hij had mij nodig bij Club, we zouden binnen de drie jaar kampioen spelen, alles zou mogelijk zijn…’ Zeg mij ‘ik heb u nodig’ en ik ga met u mee. Zo ben ik. Is dat hunkeren naar erkenning? Ik denk het wel. Trainers zijn verslaafd aan erkenning.

“De mensen kennen mij niet, maar ik heb het nooit voor de G van geld gedaan, wel voor de G van geliefd. Ik had meteen spijt dat ik de nationale ploeg had laten schieten en Club was niet klaar voor wat ik wilde. Het is ook niet onmiddellijk goed gekomen, hè. Wanneer zijn ze kampioen geworden? In 2016, juist.”

Wat gebeurt dan in het hoofd, de maag en de darmen van een trainer die voelt dat het niet aanslaat?

“Ja, dat is afzien. Ik slaap zo al maar hooguit vijf uur op een nacht – wat mij in staat stelt veel sport te bekijken – maar toen sliep ik haast niet. De druk was vanaf het begin erg groot en ik ging daarmee slapen en stond ermee op. Iedereen zag dat ik verging van de stress en dat is mij eigenlijk nooit meer overkomen.

“Thuiskomen met die stress is ook geen lolletje. Je vrouw wil met je praten, maar jij slaat dicht en het enige wat je nog wil is naar tv kijken, om te vergeten, een beetje te ontspannen. Fout natuurlijk, want mijn vrouw is nog een groter stresskonijn dan ik, dus dat gaat op den duur op ons beiden wegen. Uiteindelijk komt het dan wel goed, omdat er ook een einde aan komt en het is zoals ze zeggen; waar je niet van dood gaat…

“Welnu, je wordt daar sterker van en dan kun je al eens andere dingen aan. Ik heb wel wat meegemaakt. Rare voorzitters, maar ook rare toestanden. In Tunis werd er door IS een aanslag gepleegd op het Nationaal Museum, en ben ik ’s avonds met mijn chauffeur een competitiewedstrijd gaan bekijken, alsof er niks was gebeurd. In mijn tweede periode in Tunesië werd een hotel overvallen door terroristen, met tientallen doden, een week nadat ik daar een lezing had gegeven voor trainers. In Algerije ben ik dan weer gevlucht voor een massale aardbeving. Dat zijn dingen die je snel weer vergeet.”

U zat vaak in het buitenland, zonder vrouw.

“Ja. Nu ja, ik wilde werken en dat waren de aanbiedingen. Kathleen wilde niet altijd mee omdat het er niet altijd erg geschikt was voor een vrouw, dus bleef ze thuis. Gelukkig heeft ze daar nooit spel van gemaakt. En ikzelf… je was ooit eens bij mij in Tunis en Monastir, je hebt gezien hoe je daar van ’s morgens tot ’s avonds bezig bent met vergaderen, trainen, eten, weer vergaderen.

“Werken in het buitenland heeft één groot nadeel: het is lastig om aan gezond eten te geraken. Je logeert vaak op hotel, eet elke dag op restaurant, drinkt al eens een glas. Wat dat betreft was Iran een goeie detox: zes maanden geen druppel alcohol, dat heeft mij goed gedaan.”

Hoe pakt Roberto Martínez het aan met de Rode Duivels?

“Als het slecht zou zijn, zou ik niet antwoorden, want ik geef geen kritiek op collega’s. Maar Martínez doet dat verstandig. Ik hoor hem zinnige dingen zeggen. Anderzijds heeft hij een groep die op het toppunt van zijn maturiteit zit. Ik weet wel dat ze de laatste twee echt belangrijke wedstrijden – tegen Frankrijk op het WK en Zwitserland voor de Nations League – hebben verloren, maar ik schat hen in op het niveau van Spanje. De Rode Duivels hebben de wil om te presteren en zijn niet te beroerd die ambitie uit te spreken, waardoor ze zichzelf onder druk zetten. Die druk kunnen ze aan. Ik geef België een grote kans op Euro 2020.”

 

20191123_De-Morgen_p-78_-Geliefd-zijn-daar-deed-ik-het-voor–all-mail

Column ‘Zo bezopen is het’ over voetbalvoordelen in De Morgen van zaterdag 23 november 2019

Zo bezopen is het

Deze week was het de beurt aan de wieler- en basketbalinstanties om hun nood te klagen over het onheil dat hun kant uitkomt als de politiek zou besluiten sportende grootverdieners te belasten en sociale lasten te doen betalen zoals u en ik.

De baas van de wielerbond zei aan het eind van zijn betoog wel: “Uiteraard moeten de hoogste lonen het meeste bijdragen.” Mooi zo, dan zijn we het daar al over eens. Dat is net de crux: omdat de hoogste salarissen níét het meeste bijdragen, ijveren de voetbalclubs voor het behoud van dat lucratieve systeem, waarbij de zwaarste lasten voor de zwakste schouders zijn en de lichtste lasten voor de sterkste.

Stel dat de hoogste lonen het meeste moeten bijdragen, wat is dan de definitie van ‘hoog’? 50.000 euro per jaar? 100.000 per jaar? Die sommen hanteert men in de ploegsporten waarbij niet op een bal wordt getrapt. Het voetbal wil hoog zo hoog mogelijk, bij 300.000 euro of zelfs 500.000 euro, las ik ergens.

Voetbal krijgt minimaal 150 miljoen euro voordelen per jaar, waarvan drie vijfde voor de top zes. Die zes ploegen recupereren hun belastingen of moeten geen sociale lasten betalen ten belope van gemiddeld 15 miljoen euro per jaar per club. De voordelen voor de andere zevenhonderd ploegen die een halve, één of enkele profs tewerkstellen, bedragen tussen 30.000 en 50.000 euro per jaar per club.

Het voetbal ijvert voor een overgangsmaatregel. Terecht. Je kunt niet decennialang een steeds grotere wortel toestoppen en die ineens wegnemen met de melding ‘zoek het nu maar uit’. Het voetbal weet ook dat er andere barema’s moeten komen voor hun RSZ, omdat dit systeem maatschappelijk onverantwoord is. De discussie – én de lobbying, want alle registers worden opengetrokken – zal gaan over welke barema’s, welke geplafonneerde bedragen en dergelijke meer.

Blijft voorlopig buiten schot: de recuperatie van de belastingen, die voor het Belgische profvoetbal 80 miljoen euro bedraagt. In theorie moet die worden aangewend voor de opleiding van jeugd, maar in de praktijk is daar geen controle op en dienen die sommen geld (tot 10 miljoen per grote club) vooral om jonge buitenlandse spelers onder 23 jaar klaar te stomen en door te verkopen.

De cijfers bewijzen dat. Zes op de tien profvoetballers in eerste klasse komen uit het buitenland. Ons voetbal is een kamelenmarkt, en de kamelenverkopers wordt niks in de weg gelegd. Wel integendeel, de overheid financiert mee een systeem waarbij tussenpersonen in 2018 37 miljoen euro aan commissie opstreken.

Hoe bezopen kan het zijn? De Belgische overheid subsidieert salarissen tot wel 2 miljoen euro, faciliteert een illegaal systeem van mensenhandel, en dat alles om de concurrentiepositie tegenover het buitenland te verbeteren van een business waarin het gemiddelde loon 211.000 euro per jaar (1A) bedraagt. Zó bezopen is het.

De domste reactie kwam uit het basketbal. Een woordvoerder wees op de korte carrières. Dat is het argument van vijftig jaar geleden: ze moeten binnen zijn als ze stoppen. Neen dus, iedereen kan/moet na zijn 35ste nog dertig jaar werken, zelfs wie een tijdlang goed oranje ballen door een net kon gooien.

Het wielrennen vreest dan weer dat het emplooi zou kunnen verdwijnen als sociale lasten en belastingen moeten worden betaald zoals in andere landen. Al van in de jaren zestig, toen de sociale lasten voor wielrenners op het minimum werden gezet, heeft België te veel wielerprofs. België – lees Vlaanderen – had dit jaar meer WorldTour-renners dan welk ander land ook in de wereld. Een sanering zou welkom zijn.

Een oud maar degelijk principe zegt dat de overheid moet ingrijpen waar de markt faalt. In de Belgische profsport is geen sprake van marktfalen. Subsidies zijn dus niet nodig. De luxe zal wat minder zijn, maar er zal heus nog wel worden gekoerst in België, en ook gevoetbald, gebasketbald of gevolleybald zonder die voordelen.

Het voetbal verwijt mij dat ik schijt waar ik eet. Jammer dan, maar ik ben in de eerste plaats burger, in de tweede plaats journalist en dan pas sportjournalist.

Op 22 maart 1997 heb ik mijn eerste verhaal over die problematiek geschreven (toen nog alleen over de sociale lasten en de groepsverzekering). Jongere collega’s hebben dit probleem opnieuw op de agenda gekregen, waarvoor hulde, maar evengoed merk ik dat de klassieke voetbaljournalist de andere kant opkijkt. In het verder uitstekende Extra Time heb ik daarover nog nooit een brede discussie gehoord.

Dit hoogst onrechtvaardige systeem moet op de schop, het is nu of nooit. Als het op de schop gaat, zal ik diezelfde avond een goeie fles opentrekken.

 

20191123_De-Morgen_p-19-mail

Column Banvloek in De Morgen van maandag 18 november 2019

Banvloek

Naar wat ik meen te moeten begrijpen, maar niet begrijp en eigenlijk ook niet wil begrijpen omdat er belangrijkere dingen in het leven zijn dan een lotingsprocedure, spelen de Rode Duivels volgend jaar zeker één en misschien wel twee wedstrijden in Sint-Petersburg. Voor wie het voetbal niet echt volgt: onder meer daar wordt een deel van de wedstrijden gespeeld van het Europees Kampioenschap dat u door de maag zal gesplitst worden als EURO 2020.

Er wordt gespeeld in twaalf steden van 12 juni tot 12 juli maar wel met 24 ploegen. Ze hadden dat ook tot twaalf kunnen beperken, dat was pas logisch geweest. Nu al zijn te veel onzinnige wedstrijden gespeeld door voetballers die te veel belangrijke duels moeten spelen en dan moeten ze straks aan het eind van een altijd loodzwaar seizoen weer tegen Janneke en Mieke alvorens voor de prijzen te spelen.

Zoals bekend wordt er niet in Brussel gevoetbald. Het toernooi is een beetje een eerbetoon aan Europa, dus ook de Europese Unie, maar de Europese hoofdstad is er niet in geslaagd een Euro-waardig stadion op te leveren.

Maar goed, Sint-Petersburg wordt het, Sint-Petersburg zal het zijn. White Nights noemen ze de week rond 21 juni daar, althans toen ik er voor het eerst belandde in 1994 voor de toenmalige Goodwill Games. Nike had het plein voor het Winterpaleis geclaimd door middel van een gigantische truck die over land was komen aanrijden en onderweg door de plaatselijke maffia werd beschermd. In de haven lag een mooi cruiseschip en daar kon je heerlijk Mexicaans eten. Alleen om 1u ’s nachts ging de zon heel even onder.

Wat herinner ik mij nog van die periode? Sobtsjak was toen burgemeester, Poetin zijn adjoint. We werden van het pershotel – Hotel Astoria waar Louise Bryant en John Reed zouden hebben gelogeerd toen ze betrokken raakten in de Oktober-revolutie (zie de film Reds) – naar het Marinsky-theater gebracht met een bus, geëscorteerd door gewapende politie. De terugweg liepen we, want de bus was gewoon het plein rond gereden en was gestopt voor een gebouw 200 meter verder, dat was het befaamde theater. Ach, de Goodwill Games, de voorlaatste editie was dat van het speelgoed van Ted Turner, ze worden een mooi hoofdstuk in mijn memoires.

Voor de Rode Duivels was Sint-Petersburg zowel de hel als al een paar keer de hemel, zoals vorig jaar om plaats drie tegen Engeland op de World Cup. Een halve week eerder waren ze in Sint-Petersburg onmondig gemaakt door de Fransen die zelf ook onmondig waren, maar meer geslepen. De 0-1 van toen en vooral de manier waarop de ene na de andere bepalende speler van de Belgen het liet afweten, dat moet de bondscoach nog steeds zorgen baren.

Dat wonderbaarlijke team – de gouden generatie die nu al meer dan een jaar eerste staat op de FIFA-ranking en daar nog wel een tijdje geparkeerd blijft – heeft in al die tijd nog één zo’n wedstrijd gespeeld waarin de uitslag allesbepalend was. Dat was 18 november 2018, in Luzern, tegen Zwitserland voor een plaats in de finale ronde van de Nations Cup. Weet u het nog? 0-2 voor en dan met 5-2 de boot ingaan?

Als de Rode Duivels één probleem hebben in de aanloop naar Euro 2020, dan wel dat ze te weinig wedstrijden van belang hebben gespeeld. Er wordt nu gepalaverd over het inpassen van oefenwedstrijden tegen sterke tegenstanders, maar ook daar schiet je niks mee op.

Hetzelfde geldt voor dat uitstekend rapport, die dertig op dertig die dinsdagavond tegen Cyprus ongetwijfeld zal leiden tot euforie. Dat wordt nu voorgesteld als een wereldprestatie, maar zo uitzonderlijk is dat niet. En het is nog minder een garantie op een goed eindtoernooi. Tsjechië haalde 30 op 30 voor Euro 2000 en ging er uit in een groep met Nederland en Frankrijk. Frankrijk verloor geen enkel punt voor Euro 2004 en werd in de achtste finale uitgeschakeld door Griekenland. Eind 2007 was er niemand met het maximum van de punten.

In 2011 eindigde Duitsland met 30 op 30 en schopte het tot de halve finale op het EK van 2012. Engeland verloor geen enkel punt in de aanloop naar het eindtoernooi van 2016 en Oostenrijk amper twee. Resultaat: Engeland ging er in de achtste finale tegen IJsland uit en Oostenrijk werd laatste in zijn groep.

Als de traditie zich doorzet dat teams die aan hun kwalificatie een eitje hadden er op hun eindtoernooi weinig van bakken, zijn de voortekenen niet echt gunstig. Erger nog: we moeten ons zorgen maken. De nummer 1 van de ranking die een toernooi wint, ook dat is een slecht voorteken: van de dertien EK’s en WK’s die sinds de start van de FIFA-ranking zijn georganiseerd, heeft alleen Spanje die banvloek kunnen doorbreken met winst op het WK van 2010 en EK van 2012.

 

20191118_De-Morgen_p-19-mail