Column Dropper post in De Morgen van maandag 22 maart 2022

De dropper

Matej Mohoric. Ik heb hem zien winnen, alleen aankomen.

In een verslag stond: …”In de afdaling nam Mohoric alle risico’s, en dit resulteerde in het lossen van de tegenstand. Op de Via Salviati had de Sloveen het echter wel lastig, maar hij behield zijn voorsprong…”

Zoek de fout.

Via Salviati, juist. San Remo heeft geen Via Salviati, wel een Via Roma. Bovenstaande knip- en plakwerk van wieleflits.nl gaat over het WK beloften van 2013 in Firenze. Een goede acht jaar geleden stond ik in de VIP-zone aan de aankomst in Firenze toen Matej Mohoric als eerstejaarsbelofte de tegenstand aan gort reed en alleen op ons afstormde. 

Het was mijn laatste WK als wielerbobo, in één van de mooiste steden van de wereld reed ik elke ochtend over het afgesloten parcours op mijn plooifietsje naar de aankomst. Dwars door de Renaissance, langs het Baptisterium en de Duomo, op die afgesleten, platte plavuizen die er al lagen toen Machiavelli er de straat overstak. 

Bij de juniores op de weg won een lange Nederlander, Mathieu en nog wat, zijn pa had ook gekoerst en heette Adrie. In de tijdrit won een tedere, schuchtere junior van wie ik nog steeds de viering achteraf met de Belgische delegatie op mijn iPhone heb staan. Igor Decraene zou net geen jaar later overlijden.

Wie die tegenstand dan wel was op dat WK voor beloften van 2013? Louis Meintjes werd tweede, de Noor Sondre Holst Enger werd derde. Dat werden geen grote coureurs, neen, dat klopt. Zij waren mogen weg rijden uit de achtervolgende groep die zich gewonnen had gegeven. Daar zat Julian Alaphilippe bij, met wie Mohoric op de laatste klim naar Fiesole dertig seconden pakte, maar de jonge talentrijke Fransman moest net voor de top afhaken. Davide Formolo reed toen ook achter hem, net als Caleb Ewan. En Simon Yates. Onze Jasper Stuyven werd 25ste op 1’14.

Die doodsverachting waarmee Mohoric zich zaterdag van de Poggio naar beneden stortte dat moet er al van bij de geboorte hebben ingezeten, dat kan haast niet anders. Hoe hij zaterdag twee keer een crash kon vermijden, probeer dat niet thuis. Probeer het zelfs niet als collega-wielrennen. Misschien moet Mohoric het zelf ook niet meer proberen, want bij dat recht blijven was meer geluk dan kunde gemoeid.

Hoe hij in die goot terechtkwam en daar uit jumpte, oké, dat kunnen er nog, maar de meesten zouden hun evenwicht dan al zijn verloren. Hoe hij daarna zijn achterwiel onder hem voelde wegglippen en dat corrigeerde, waarna hij weer ternauwernood een muur kon vermijden, dat doet hij wellicht geen twee keer. Voor hetzelfde geld en op een minder stukje wegdek laat hij daar driehonderd gram vel achter op het asfalt.

Je leest nu dat een dropper post op de fiets van Mohoric voor het verschil zou hebben gezorgd. Een dropper post is een zadelbuis die met een druk op de knop kan worden verlaagd en – net zo handig – weer kan worden verhoogd. Die techniek komt uit het mountain biken, en bestaat al sinds 1984. De hoge (normale) zadelstand is handig bij het klimmen om de volledige trapefficiëntie te kunnen gebruiken en de lage stand is dan weer handig bij het dalen.

Volgens Sven Nys heeft Mohoric een fysiek en psychologisch voordeel gehaald uit de dropper. Sven Nys is een groot renner geweest, en een degelijk mountain biker, en ik spreek hem met schroom tegen als het over de fiets en alles wat daarbij komt kijken gaat, maar sta mij toe te twijfelen aan dat voordeel. 

Psychologisch oké, maar dan eerder als placebo. Fysiek? Hoezo dan? Je kan er niet harder mee trappen, want daar voor dient de dropper niet. Wordt hier misschien fysisch, zoals in natuurkundig, bedoeld? Dan kom je al snel uit bij de aerodynamica. De afdaling van de Poggio is geen klassieke afdaling van een Alpencol, waar je negentig haalt zonder te trappen, maar bestaat uit de ene na de andere haarspeldbocht, waarna steeds weer moet worden opgetrokken. Je wint op de Poggio door te trappen, niet door niet te trappen, zowel bergop als bergaf.

Als mountain bikers hun zadel laten zakken, is dat niet om beter te kunnen trappen of een vermeend aerodynamisch voordeel. Ze willen hun zwaartepunt naar achteren kunnen verleggen om in steile afdalingen niet over kop te gaan en om de tractie op hun achterwiel behouden. Zo steil is de Poggio is niet, van aerodynamica zonder trappen is nauwelijks sprake en Matej Mohoric is minstens één, en wellicht twee keer zijn achterwiel kwijt geweest. Hij trapte ten slotte ook nog een keer door met de aankomst in zicht, maar dat loste hij zelf op. Klasse hoor, en hij won verdiend. Matej Mohoric is gewoon de beste daler van het hele peloton. Of de grootste zot, zo u wil. En hij kan vreselijk hard trappen, ook dat nog.

Column over Strava in De Morgen van zaterdag 19 maart 2022

Strava

UAE Team Emirates doet niet mee met Netflix. Erg jammer, want de kans is groot dat UAE met Tadej Pogacar de Tour wint. En als hij hem niet wint, is dat ook jammer.

Netflix wil bij de Tour-ploegen de vlieg op de wand zijn, ook in de bus. Met meerdere camera’s en met GoProotjes die je de eerste dag nog ziet hangen, maar die je na een uur koers alweer bent vergeten. De voorbeelden zijn El día menos pensado over Team Movistar en Drive to Survive, waarin Netflix de F1 van binnenuit volgde (en ook verschillende keren het winnende team niet in de loop had).

UAE argumenteert: “We hebben nu de juiste balans. We hebben al onze eigen cameraman, een fotograaf en een mediaman.” Lees: er loopt al zoveel volk rond op die bus dat we in de Tour geen behoefte hebben aan nog een baasje met een cameraatje. Bovendien, en dat zeggen ze er natuurlijk niet spontaan bij, je weet nooit wie je aan boord haalt.

UAE had wel nog een uit- smijter klaar. “We begrijpen dat andere ploegen wel meedoen, want die hebben de publiciteit nodig. Dat is voor ons niet aan de orde. Als we straks weer kunnen meedoen om de Tour-zege volstaat dat.” Anders gezegd: we hebben onze eigen prioriteiten.

Of die publiciteit overigens opweegt tegen het ongemak van die vlieg in je bus, dat zullen we eind juli weten. Voor het geld moet je het alvast niet doen, zegt Patrick Lefevere. “We krijgen peanuts van Netflix.”

Een ander gehoord argument is dat van de openheid, transparantie met een schoon woord. De wielerwappies waren er snel bij om de huis clos van ‘Pogi’ en co. verdacht te maken. Geen inkijk willen geven? Hola, wat gebeurt daar op die bus? Zouden ze daar nog transfusies steken op weg naar de start, of als ze terugkeren naar het hotel? Waar is de transparantie?

Welnu, topsport staat haaks op transparantie en dat heeft niks te maken met het verbergen van doping. In topsport kom je het best zo goed mogelijk voorbereid aan de start. Die voorbereiding gebeurt ideaal in alle rust en stilte, ver van de concurrentie. Over trainingen communiceer je zo min mogelijk, over doelen en tactieken idem. Jouw zekerheid moet de onzekerheid zijn van de tegenstand. Is hij klaar? Staat hij scherp? Hoeveel heeft hij getraind?

Vroeger had niemand daar uitstaans mee. Oké, renners die naast of achter hem trainden in de tijd van Roger getuigden daarna in de gazet over zijn goede forme en moral. Idem voor Johan Museeuw, die een rist renners meenam op training, soms concurrenten. Die wisten dan te melden: “De Johan, wat rijdt die rap zeg.”

Vandaag gaat dat er anders aan toe en dat heeft alles te maken met Strava. Onbegrijpelijk waarom toppers op zo’n openbaar digitaal platform hun trainingen openbaren. Alsof een voetbalploeg na de tactische trainingen nog eens een videootje van de geoefende standaardsituaties op de clubsite zou zetten, zo voelt dat hele Strava-gedoe aan. In de staf van sommige ploegen zijn ze daar niet onverdeeld gelukkig mee en vragen ze om specifieke trainingssessies en lactaat- en andere testen niet te delen.

Maar dan nog. Neem nu Mathieu van der Poel. Volgens Strava heeft hij vorig jaar na de Ronde van Vlaanderen nauwelijks nog gefietst. Je vindt een mountainbike-ritje in de Vlaamse Ardennen samen met Tim Merlier en dan nog twee korte crossen in de wereldbeker. Daarna niks meer. Zou hij echt een halfjaar zonder computertje hebben gereden?

In november haspelde hij op Zwift weer een toertje af. In januari was er een back-on-the-bikerit van zestig kilometer. Vanaf februari staat alles op Strava: hartslag, vermogen, cadans en uiteraard het aantal kilometer. Hij heeft dit jaar al 4.500 kilometer op de fiets gezeten.

Daar zitten indrukwekkende prestaties bij, zoals onlangs boven Calpe. Een blok van een kwartier tegen 470 watt tijdens een lange training, niet slecht. Behalve de concurrentie de ogen uitsteken ontbreekt elke logica van het delen van zo’n segment. Vandaag rijdt hij Milaan-Sanremo. Zonder Strava had hij kunnen zeggen dat hij kilometers kwam vreten en wel zou zien waar het schip strandt. Nu is het hele veld gewaarschuwd: Mathieu is terug en hij zal oké zijn.

Wout van Aert zat donderdag op Strava aan 7.500 kilometer. Van Aert is ook een redelijk open Strava-boek; ooit postte hij in zijn revalidatie een wandeling met zijn vrouw. Zo verguld was hij dat hij al zes kilometer kon wandelen tegen 3 kilometer per uur. Tadej Pogacar had eergisteren in 2022 volgens zijn Strava-account nog maar 4.300 kilometer op de fiets gezeten. De amateur, sommige gepensioneerde wielertoeristen halen meer. Pogacar is misschien de slimste: minder posten, meer winnen.

Column Progressie in De Morgen van maandag 14 maart 2022

Progressie

Wat hebben we geleerd van Parijs-Nice en Tirreno-Adriatico?

Aan Belgische zijde, dat Wout van Aert zijn ego en koersdrang ondergeschikt heeft gemaakt aan de trainingswetenschap. Hij rijdt zich niet langer de pleuris in ritten die er voor hem niet toe doen, behalve dan gisteren toen hij overuren moest presteren om zijn kopman Primoz Roglic te redden. Hij levert de vermogens die hem zijn opgedragen van hogerhand en geen watt per kilo per minuut meer. Heel slim met het oog op wat in deze contreien nog voor hem op de plank ligt.

Nog aan Belgische zijde, dat Remco Evenepoel soms mentaal een probleem heeft. Als hij het gevoel heeft dat het niet lukt, dat de anderen misschien beter zouden kunnen zijn, laat hij het snel lopen. (Al is dat makkelijk opgeschreven als je niet op die fiets zit, helemaal juist.) Koude is zijn ding niet en extra steil ook niet met zijn gabarit, maar intensieve begeleiding van een sportpsycholoog zou hem kunnen helpen om de situaties waarin hij verzeild geraakt juist in te schatten.

Je krijgt bij Evenepoel soms de indruk dat hij begint te panikeren als hij het lastig krijgt. Als hij rondkijkt en er rijden er nog een paar met de vingers in de neus rond slaat dat stante pede in zijn benen. Maar die benen en die motor moeten pas perfect zijn in de Ardennen- klassiekers. Daar draait het in eerste instantie om bij hem. Talent en kunde zat. Die ene van Luik naar Luik kan hij met de juiste mentale ingesteldheid nog steeds winnen.

Aan internationale zijde, dat het zonder ongelukken weer een Sloveens duelletje wordt straks in de Tour de France. Dat ‘zonder ongelukken’ is niet overbodig. Het zou niet de eerste aangekondigde showdown zijn die de mist ingaat door een ongelukkige val van een topper in een van de eerste ritten. Of Primoz Roglic in staat zal zijn om met Tadej Pogacar te wedijveren, daar mag aan worden getwijfeld na diens demonstratie in de koninginnenrit van Tirreno. Als dit Pogi’s basisniveau is en er nog een laagje afwerking bovenop kan, o wee Tour-peloton.

En wat hebben we geleerd van het wielrennen in het algemeen?

Deze maand verscheen het boek God Is Dead, geschreven door Andy McGrath. Het kreeg ook een vertaling in het Nederlands. De ondertitel is The Rise and Fall of Frank Vandenbroucke. Juist, onze VDB, die blijkbaar geen rust wordt gegund en van wie het aura steeds feller gaat schijnen, tot het pijn doet aan de ogen en niemand nog de werkelijkheid ziet.

VDB was een hele aardige man, geen al te beste echtgenoot hebben we inmiddels geleerd, wellicht ook een groot maar vergooid wielertalent. Hoeveel van dat talent kan worden toegeschreven aan farmacologie zullen we nooit weten, maar zelfs met de pillen en spuiten die bij hem in overvloed aanwezig waren heeft hij maar één monument gewonnen. Eén: Luik-Bastenaken-Luik. Was hij niet doodgegaan in omstandigheden die je niemand toewenst, dan was hij nu vergeten en zou hij in het peloton geen plaats meer hebben. Hooguit in Extra Time Koers. Misschien.

Wielrennen is de enige sport die zijn gedegradeerde helden altijd maar weer recycleert, tot ze een status krijgen die hen helemaal niet toekomt. Op voorwaarde dat ze te snel dood zijn gegaan. Neem nu die rit van afgelopen zaterdag met die dubbele Cippo Monte Carpegna. Een hommage aan Marco Pantani, hallo? Wat VDB voor de eendagswedstrijden was, was Pantani voor de rittenkoersen: een zwaar gedopeerde en verslaafde die de weg kwijt is geraakt.

Hommage? Hebben we iets gemist? Er is geen reden om op het graf van die arme drommels te spuwen, maar welke sport behalve wielrennen zet cocaïneverslaafden en hardleerse dopinggebruikers op een voetstuk? Het jaar dat Pantani de Giro won (zijn enige keer), won hij ook de Tour de France. Dat was 1998, de Tour van Festina. Pantani en Festina en 1998 moeten we ons blijven herinneren, niet als een heroïsche periode om te eren maar als een donker verleden waar we nooit meer naar terug willen.

Oké, er zat wel een goed kantje aan die rit van zaterdag. Tadej Pogacar vernederde de tegenstand in die klim. Hij deed dat volgens de vermogenspolitie in 19 minuten en 29 seconden en tegen een gemiddeld vermogen van 6,5 watt per kilogram lichaamsgewicht. Bijna twintig minuten, daar had Marco Pantani mee gelachen. Dat reed hij achterstevoren op die klim. Zijn record op training was 16:22. U leest het goed: ruim drie minuten sneller, dat is twee tot drie kilometer per uur sneller rijden. Of 8,05 watt per kilogram lichaamsgewicht. En dat, beste lezer, kan de gelukzalige conclusie zijn van dit weekend: wielrennen is de enige sport die progressie heeft gemaakt, door erop achteruit te gaan.

Column CCCP in De Morgen van zaterdag 12 maart 2022

CCCP

Nikolai Sjarsjoekov is Rus, maar in dienst van de Chinezen en in die hoedanigheid nog actief op de Paralympische Spelen in Peking en wijde omstreken. The New York Times profileerde hem als een potentieel toekomstig medaillewinnaar met grote kans op goud. Ik citeer: “Hij heeft van het zwalpende para-ijshockeyteam van China een medaillekandidaat gemaakt, geheel in de stijl van the old Soviet hockey powerhouses.”

Ho maar, New York Times, rustig aan. Ken je klassiekers. Ten eerste krijgt een coach geen medaille. Ten tweede is blasfemie nergens voor nodig. Aan de oude Sovjet-ploeg hou ik warme herinneringen over. Zo verdiepte ik mij destijds in de KLM-aanvalslijn van de Sovjets en – jeugdzonde – ik was fan. KLM stond voor Kroetov-Larionov-Makarov, de wonderbaarlijke aanvalslijn met een fenomenale schaatstechniek, een onverbiddelijke hardheid en een alles en iedereen uitputtende conditie. Achter die KLM-lijn stonden de Sovjets in hun sterkste opstelling met verdedigers als Kasanotov en Fetisov. De doelman was de legende Vladislav Tretjak.

Van de Sovjet-sport bleef al niet veel meer over en nu duwt een boycot hen helemaal terug naar de sportmiddeleeuwen. Het kan niet anders en het is niet anders, die cancelling van de Russen is onvermijdelijk, maar vroeg of laat zal ik heimwee hebben naar die stoïcijnen van de wereldsport.

In mijn sport, volleybal, waren dat het duo Aleksander Savin-Viatsjeslav Zaitsev, middenman en spelverdeler. Ergens in mijn kast liggen nog hun shirts. Geruild tijdens het EK volleybal in België in 1987, niet voor een van mijn shirts want die interesseerden hen niet, maar voor een paar flessen cognac. Kan ik die nog dragen? Zou iemand nog weten waar dat CCCP op de rug en dat écusson op de borst met hamer en sikkel voor staat? Die muts van Sotsji 2014 met daarop Russia hou ik voortaan voor werk in de tuin, de achtertuin.

Rusland – excuus, het Russisch Olympisch Comité, afgekort ROC – heeft op de voorbije Winterspelen in Peking 32 medailles gewonnen, het beste totaalaantal ooit. ROC was de zesde identiteit waaronder Russen zich sinds het begin van de moderne sport presenteerden. Tussen 1900 en 1912 namen Russische sporters deel aan de Spelen als atleten van l’Empire russe, het Russische keizerrijk.

Na de Oktoberrevolutie van 1917 grepen de communisten de macht en keerden na Wereldoorlog I niet terug in de internationale sport. Pas in 1952 in Helsinki waren ze weer van de partij en kaapten 71 medailles weg, net na de 76 van de Verenigde Staten. Van 1956 tot en met 1988 won de Sovjet-Unie de meeste medailles. Alleen Mexico 1968 in de achtertuin van de VS vormde daarop een uitzondering.

De 132 zomermedailles van Seoel 1988 zijn nog steeds een record voor één land op niet-geboycotte Olympische Spelen. Wie toen al naar sport keek, heeft ongetwijfeld herinneringen aan de ‘Hymne van de Sovjet-Unie’, dat meeslepende, licht bombastische volkslied dat tot 1977 zonder tekst werd gespeeld.

Vladimir Poetin stamt uit die tijd. Hij zag niet alleen het Oostblok en zijn land uit elkaar vallen, maar onderging als sportliefhebber ook de verschrompeling van de grootste sportmacht die de wereld ooit heeft gekend. De meest zichtbare veruitwendiging van de sterkte van de USSR voltrok zich juist in de wereldsport. Nationale trots bij sportsuccessen was een van de redenen dat Poetin in 2000 de oude nationale hymne van een nieuwe tekst liet voorzien.

Zo klinkt sinds begin deze eeuw bij elke sportsucces weer het op één na mooiste volkslied bij Russisch goud. Smaken verschillen, maar voor de prijs van het mooiste is dat van de DDR (‘Auferstanden aus Ruinen’) een stevige kanshebber. Dat horen we niet meer sinds 1990; wanneer en of de Russische hymne nog eens in een sportstadion wordt gespeeld, daar hebben we het raden naar.

Nooit eerder in de geschiedenis van de sport is zo’n groot sportland zo drastisch uitgesloten van de internationale sport. Er was Zuid- Afrika, maar dat stelde nauwelijks iets voor toen het bijna dertig jaar aan de kant moest omwille van zijn apartheid. China was nog geen sportland en bovendien verkoos het zelf om pas in 1980 (op die ene Chinese zwemmer in Helsinki 1952 na) voor het eerst aan Olympische Spelen deel te nemen.

Geen enkel ander sportland is ook zes keer van naam veranderd, al of niet gewild. Na L’Empire russe kwam de Sovjet-Unie, in 1992 gevolgd door het Gemenebest van Onafhankelijke Staten, om in 1996 als Rusland op te treden. Vanaf 2016 werden de Russen na hun dopingmisdrijven ondergebracht onder de noemer Olympic Athletes from Russia en sinds Tokio werd het Russian Olympic Committee Athletes. Erg benieuwd wanneer Russische sporters zich weer kunnen en durven vertonen op het internationale sporttoneel. En hoe? Russia of neutraal? Nederig, of trots? Ingetogen of vol haat?

Column Eddy Pogačar in De Morgen van maandag 7 maart 2022

Eddy Pogačar

Het wielerseizoen dat traditioneel begon met het eerste monument Milaan-Sanremo, begint voortaan in de glooiende plooien van Toscane. De Strade Bianche van 2021 was daarvan het beste bewijs. De final countdown vorig jaar op weg naar Siena was de natte droom van elke organisator: alle betere renners van het peloton reden en streden vooraan.

Mathieu van der Poel, Julian Alaphilippe, Egan Bernal, Wout van Aert, Tom Pidcock en Tadej Pogačar, daarmee kan je een heel seizoen lang vijf sterren uitdelen bij elke voorbeschouwing. Van eendagswedstrijden over klassiekers en meerdaagse rittenkoersen tot en met de grote rondes, al die namen komen daarvoor in aanmerking, alles hebben die gasten gewonnen. De allerbeste onder de besten die dag bleek Mathieu van der Poel en plots werd hij tot ‘beste renner van de wereld’ bevorderd.

Vier van de zes waren er zaterdag niet bij. Bernal telt nog zijn breuken, Van der Poel zijn versleten tussenwervelschijven en ex-winnaar Van Aert – “de nieuwe beste renner van de wereld”, aldus Vlaanderen – let op zijn batterijniveau met het oog op het nog grotere werk. Een dag voor de wedstrijd kreeg Tom Pidcock – “de beste offroadrenner van de wereld” – het aan zijn maag. In de wedstrijd zelf vielen nummer vijf en reservegetal Tiesj Benoot weg. De val van Julian Alaphilippe was prachtig in beeld gebracht. Spectaculair, net als de windstoot die verdacht veel leek op die van een ventilator die plots op volle kracht wordt aangezet. Of van een helikopter die overvliegt.

Is het dan verwonderlijk dat Tadej Pogačar als enige van die supergeneratie overblijft en alleen vooraan rijdt in de eerlijkste koers van het hele jaar, op voorwaarde dat er niet te veel lek wordt gereden? Niet echt. Is het dan terecht om hem het etiket – daar gaan we weer – “beste renner van de wereld” op te kleven? Helemaal. Honderd procent. Dat zat er al aan te komen de dag dat hij zijn eerste Ronde van Frankrijk won in die memorabele klimtijdrit op La Planche des Belles Filles. En dat heeft hij bevestigd met zijn fenomenaal 2021.

Nog maar 23 jaar en al zo goed. Zo compleet. Hij kan klimmen, hij kan tijdrijden, hij kan sturen, hij kan koersen, hij kan sprinten als het moet en het onderweg wat lastig is geweest. Hij wint na één dag en na 21 dagen. Merckxiaans is al vaak gebruikt om wielerexploten te duiden, soms terecht, soms onterecht. Een carrière met het epitheton Merckxiaans, aan die blasfemie heeft nog geen wielerkenner zich gewaagd. Tadej Pogačar komt na Bernard Hinault het dichtst in de buurt van Eddy Merckx. Hij heeft ook dat engelachtige. Zelfs als hij uitlegt dat hij ook maar doet waar hij goed in is, heeft hij iets van de jonge Merckx.

Inner Ring, een wielersite, had een mooie beschrijving. “Tadej Pogačar, plukjes haar in de wind, heeft nog alles van een cherubijnse junior. Als hij naar de ploegauto komt rijden, verwacht je dat hij een Kinder Bueno krijgt, eerder dan een gel. But the whole chase group behind looks beaten.”

Twee keer Ronde van Frankrijk, Luik-Bastenaken-Luik, Ronde van Lombardije, Strade Bianche, Tirreno-Adriatico, Ronde van Californië, twee keer UAE Tour, dat kan tellen. Gisteren viel ook op dat Poga#ar in vergelijking met de Tour van 2020 nog meer atleet is geworden. Hij leek een beetje hoekig op weg naar Siena, een laat gevolg van die valpartij, maar dat was een momentopname. Hij is geen bonkige sprinter. Hij is ook geen klimmend geraamte zoals Chris Froome. Hij is één en al body, voorzien van flinke benen. Hij zit overal tussenin. Niet te lang, niet te klein, niet te dun, niet te dik. En binnenin een flinke motor.

Een dag na het exploot heeft van de vermogenspolitie alleen de onvermijdelijke Antoine Vayer al iets gepost over de 450 watt die Pogastrong (begrijpt u hem?) trapte na vijf uur koers. Hij noemt hem een mutant. De rest zwijgt wijs.

De enige tijdsvergelijking die er toe deed in die wedstrijd was de kloof tussen hem en zijn achtervolgers. Die steeg maximaal naar anderhalve minuut, om dan onder de minuut te blijven hangen. Over de laatste klim naar de Piazza del Campo deden Annemiek van Vleuten en Lotte Kopecky 88 seconden. Tadej Poga#ar had zeven seconden meer nodig. Hij wist dat de buit binnen was en een late kramp riskeren na die solo van vijftig kilometer was nergens voor nodig.

Tadej Pogačar is geen mutant, het is ook geen nieuwe Merckx omdat vergelijkingen met een halve eeuw geleden nergens op slaan. Tadej Poga#ar is gewoon een steengoede, complete renner en jawel, al een jaar de beste van de wereld.

Column Blyat (godverdomme) in De Morgen van zaterdag 5 maart 2022

Blyat (godverdomme)

Stel, je heet Alexander Andropov of Alexandra Andropova (x hebben ze daar nog niet) en na je benen te hebben verloren in de Krim heb je je op sport voor andersvaliden gestort. Eerst in het militaire herstelcentrum en later thuis bij de liefhebbende familie, die nog steeds de dag vervloekt dat je werd opgeroepen naar Rostov-aan-de-Don om van daaruit met je divisie de Krim binnen te vallen. Waar het mis ging.

Stel, je bent zo goed geworden in je sport dat je deel bent gaan uitmaken van het Russische paralympisch team, excuseer, van het team van het Russische paralympisch comité. Waarom die semantiek, daar ben je nog niet achter. Het had iets te maken met de manipulatie van Russische dopingdata en een straf, zo ging rond in de atletencommunity, maar het fijne weet je daar niet van. Bovendien, wat maakt het uit? Wit/blauw/rood blijft wit/blauw/rood en er staat ‘Russian’ op de rug.

Stel, je bent naar Peking afgereisd voor de Paralympische Spelen, ruim op voorhand zoals het playbook dat voorschreef, kwestie van die Chinese virushysterie ter wille te zijn. Je familie en naasten hebben in de aanloop naar het grote moment bijeengelegd voor een nieuw racekarretje en ook dat is zonder blutsen in Peking aangekomen.

Stel, je zit in quarantaine. Je hebt internet, beter en sneller dan thuis en niet eens zo gecensureerd, en dan komt het binnen. Je land, je leger is nog maar eens Oekraïne binnengevallen. Om wat te doen? Dat weet je niet. Ja, weer iets met Russen beschermen, maar dat verhaaltje geloof je niet meer.

Stilaan gaat het dagen… De ene na de andere dominosteen valt, de ene na de andere Rus of Russische organisatie wordt gecanceld. Annulirovaniye, annulering, het woord valt voor het eerst. Niet de Spelen, die gaan door, maar wat met ons? Gelukkig wordt het Internationaal Paralympisch Comité geleid door een wereldvreemde onnozelaar die Andrew Parsons heet en die meent dat hij en zijn bond boven alle wereldgedruis verheven zijn. Witte en andere Russen zijn welkom, maar onder neutrale vlag.

Of toch niet. Die bom valt een dag later. Oké, een spreekwoordelijke versie, niet te vergelijken met wat op Oekraïne valt, maar toch. Drie jaar de pleuris getraind, drie jaar geschraapt en gespaard, borsjtfestijnen georganiseerd, ingelegde augurken verkocht, de lokale maffiabaas aangesproken en dan zit je eindelijk in Peking, lig je op medaillekoers en moet je, blyat, terug naar huis.

Ik heb met je te doen, maar het is niet anders, Alexander of Alexandra. De nevenschade van de oorlog is duizenden malen erger dan een Russische paralympiër die zijn/haar ding niet zal kunnen doen in Peking en omstreken.

Eén grote sport duldt voorlopig nog Russen op kampioenschappen maar dan als neutrale atleet en dat is het zwemmen. Nu ja, als één bestuur van een wereldbond met één been in de alzheimerkliniek zit, dan wel die zwemclub van de FINA. Vladimir Poetin is zijn zwemorde kwijt en alle zwemtoernooien in Rusland worden gecanceld, maar de zwemmende Rus(sin) is nog welkom in Boedapest in juni op het WK?

Dat zal niet gebeuren. Net als met de Paralympics zullen atleten uit andere landen eisen dat de Russen – toch al niet de meest geliefde en betrouwbare na erg wisselende resultaten – worden gebannen. Is het hypocriet om Rusland en de Russische atleten zo zwaar te straffen, terwijl andere autocratische regimes ongemoeid worden gelaten? In één adem worden dan regimes uit het Midden-Oosten en Azië (lees: China) genoemd. Die hebben ook boter op hun hoofd, toch? Juist, maar die zijn niet zo sportgek als de Russen en hun Poetin.

Bovendien zijn de meeste andere problemen interne aangelegenheden. In het geval van China paste de onderdrukking van de Oeigoeren aanvankelijk zelfs in de internationale strijd tegen moslimterrorisme. Wellicht/allicht zijn de Chinezen nadien doorgeschoten. Dat kunnen wij heel erg verkeerd vinden, maar zoals een voorzitter van zo’n wereldsportbond mij ooit toefluisterde, misschien niet toevallig in Peking: onze westerse democratie is niet de enige staatsvorm en dat wij die samen met onze waarden aan de wereld willen opdringen, vinden veel van die andere landen uiterst arrogant.

Rusland is vele stappen verder gegaan. Het is een naburig land binnengevallen, wil een democratisch verkozen regering omverwerpen en zaait dood en vernieling onder de burgerbevolking. Dat is in Europa ongezien sinds Adolf Hitler en co. Het is niet te vergelijken met wat de Serviërs in de jaren negentig hebben uitgevreten en ook die zijn een tijdje van het sporttoneel verbannen. De dag dat China Taiwan binnenvalt, dan pas zullen we weten of we selectief verontwaardigd zijn. Laten we daar maar niet op hopen.

Column Oorlog en Vrede in De Morgen van maandag 28 februari 2022

Oorlog en vrede

Zaterdagochtend, koers, en met toeschouwers. In het Kuipke in Gent is nog maar eens een VRT-journalist opzettelijk zijn perskaart thuis vergeten en presenteert met kennelijk genoegen de opening van het koersseizoen in opdracht van de commerciële entiteit Flanders Classics. Iedereen mee in de polonaise, maar dat wisten we al dat de sportjournalistiek naar de kloten gaat.

Erger en nieuw: nu is ook de wereld aan de beurt. Wat kan die koers ons schelen? Zopas is bekend geraakt dat de Belgische ambassade in Kiev bij de Fransen gaat schuilen. Polen heeft beslist dat het onder geen beding – waar dan ook ter wereld – tegen Rusland zal voetballen voor die openstaande plek in de World Cup. In Oekraïne vechten mensen voor hun land. De koers is al vertrokken als Oekraïens president Volodymyr Zelensky denkt dat de situatie onder controle is. Voorlopig toch.

Als Wout van Aert in de aanloop naar de Bosberg de rest met zijn surplus aan vermogen kennis laat maken, probeert Vladimir Poetin hetzelfde tweeduizend kilometer naar het oosten. Het schiet niet op zoals verwacht. Inmiddels is hele wereld tegen Rusland en tegen Poetin.

Van Aert ook, althans dat vermoeden bestaat. Hij heeft overtuigend gewonnen en aan het eind van het interview, waarin hij uitlegt dat hij eigenlijk nog beter zou moeten kunnen als het echte werk er straks aankomt, verwijst hij naar de oorlog in Oekraïne. Een oprecht en mooi gebaar. Overal in de wereld vragen sporters – zelfs Russen – dat de waanzin ophoudt. De gek in het Kremlin geeft geen krimp.

Zondagochtend. Weer is het koers. Nu rijden ze van Kuurne richting Brussel en dan terug naar Kuurne, of toch ongeveer. Dit is het openingsweekend van het wegseizoen in België en dan weten we van geen ophouden en rijden we twee dagen na elkaar. Er valt niet aan te ontkomen: België is nu eenmaal het epicentrum van de wereldsport die wegwielrennen niet is en nooit zal zijn.

Een sport waarin België voor de bulk aan werkgelegenheid zorgt heeft een probleem en dus heeft wielrennen een probleem. Honderdvierentwintig Belgen denken dat ze hun boterham gaan verdienen met koersen. In Nederland zijn er dat bijvoorbeeld 57, maar ook Spanje en Italië hebben met respectievelijk ruim vier en vijf keer meer inwoners minder profrenners (114) dan wij.

Ergens in het oosten is Kiev nog niet in handen gevallen van het Russische leger. Er is spectaculair nieuws van het sanctiefront: de Russen worden uit het internationale betalingssysteem Swift gegooid. Elon Musk zal voor internet zorgen. De man heeft satellieten hangen boven Oekraïne. Kunnen die niet een beetje naar het noorden opschuiven en wat substantieels droppen op dat fort naast het Rode Plein…

Wie zal straks winnen in Kuurne? Een baroudeur? Of toch een sprinter? Voor de lieve vrede en rust in België-koersland hopelijk eentje van QuickStep-Alpha Vinyl, de ploeg die een dag eerder is weggereden door Jumbo-Visma.

Als met nog vijftig kilometer te rijden duidelijk wordt dat er een hergroepering zit aan te komen en een peloton met sprinters naar de aankomst rijdt, laat Poetin weten dat hij de eenheden met nucleaire wapens in de hoogste staat van paraatheid heeft laten brengen. Karl Vannieuwkerke en zijn sidekick José De Cauwer hebben alle smalltalk gehad en dus begint KVN maar in het West-Vlaams te zingen, een lied van Johny Turbo. Nog liever Poetin? Neen, dat nu ook weer niet, maar dat heeft Michel Wuyts ons nooit aangedaan.

Ondertussen worden steeds meer betogers in Rusland opgepakt. Vierhonderdduizend Oekraïners zijn gevlucht, melden de agentschappen als Fabio Jakobsen zich onweerstaanbaar losrukt uit een chaotische laatste rechte lijn. Hij houdt Caleb Ewan nog net af. Patrick Lefevere zal tevreden zijn en de Angelsaksische pers kan nu even ophouden met hun gestook om Mark Cavendish in plaats van Jakobsen naar de Tour te sturen. Een snelle switch naar BBC World News leert dat er vredesgesprekken zijn opgestart tussen Rusland en Oekraïne. Ergens in de buurt van Tsjernobyl.

Fabio Jakobsen is als Oekraïne: je gunt hem al de voorspoed van de wereld. Genoemd naar Fabio Casartelli, die in 1995 in de Tour ten val kwam en overleed, crashte hij zelf anderhalf jaar geleden in de laatste rechte lijn van een etappe in de Ronde van Polen. De verwondingen waren vreselijk en zijn leven hing aan een zijden draad. De Poolse urgentiearts die per helikopter arriveerde heeft volgens insiders zijn leven gered.

Jakobsen wint Kuurne-Brussel-Kuurne. Hij is blij en geeft een heldere uitleg over wie hij is, wat hij deed, hoe hij heeft gewonnen en eindigt met wat hem en een heel deel van de wereld bezwaart: de oorlog. Van alle sporters zijn wielrenners het meest van de wereld.

Column Seks zonder condoom in De Morgen van zaterdag 26 februari 2022

Seks zonder condoom

Sport is sinds gisteren een wapen tegen de oorlog. Wat heet wapen? Eerder een waterpistool. Deze week schreef een journaliste op Twitter dat Rusland sportief in de (olympische) ban moest, net als Zuid-Afrika destijds met de apartheid. “Die boycot was toen ook succesvol.”

O ja? In 1962 werd door de algemene vergadering van de Verenigde Naties verordonneerd dat Zuid-Afrika niet welkom was op de Spelen van 1964. Apartheid is afgeschaft in 1990, bijna dertig jaar na de sportieve ban. Zuid-Afrika keerde pas in 1992 terug op de olympische scene.

Sport heeft met politieke ommekeer weinig of niks te maken, maar dat kan nooit een reden zijn om Rusland sportief niet uit te sluiten. Alstublieft. Zo snel als maar kan, zo hard als maar kan en ook zo lang als maar kan. Tot die gek uit het Kremlin is verdreven. Daarna valt weer te praten. Misschien.

Haal alle kampioenschappen weg uit Rusland. Sluit Russische atleten en teams voor onbepaalde tijd uit van de sport. Verbied sponsoring door Russische bedrijven en verbied sponsoring door westerse bedrijven in Rusland. Schors alle Russen in de besturen van de continentale en wereldsportbonden. En dreig met uitsluiting van landen die zich niet aan die sancties houden en toch internationale contacten aanknopen.

Als de UEFA daardoor in de problemen komt omdat het Gazprom als sponsor heeft, omdat het Sint-Petersburg als speelplaats voor de Champions League-finale heeft/had gekozen, omdat het de Gazprom-baas een zitje heeft gegeven in het hoofdbestuur, omdat Rusland straks tegen Polen (en later misschien tegen de winnaar van Tsjechië-Zweden) moet voor een plaats in de World Cup van Qatar, jammer maar helaas.

Rusland-Polen op 24 maart, die wedstrijd kun je als UEFA of FIFA toch niet laten doorgaan? De drie mogelijke tegenstanders van de Russen hebben al laten weten dat ze er niet aan denken om daar te voetballen. Maar is voetballen tegen de nationale ploeg van een agressor dan wel normaal?

Gisteren kreeg het Internationaal Olympisch Comité terecht het verwijt dat het wel erg laat was met zijn veroordeling van de inval in Oekraïne en Ruslands derde (!) schending van ‘de olympische vrede’ die nog tot 20 maart moest duren. Maar wat dan te denken van de FIFA? Oor-ver-do-vend stil bleef het in Zürich. En de UEFA? Die haalde de Champions League-finale weg uit Sint-Petersburg en gaf ze aan Parijs. En ook: interlands van Rusland en Oekraïne moeten op neutraal terrein worden gespeeld. Neutraal? Neutraal is laf.

De vrijage van het voetbalbestel (bonden en clubs) met twijfelachtige regimes, weze het via hun investerings- of genationaliseerde maatschappijen, is altijd al met argusorgen bekeken. Toen de UEFA na Schalke 04 in 2012 in zee ging met Gazprom voor de Champions League was de verwondering totaal. Gazprom verkoopt niks, tenzij aan regeringen, waarom wilden die op shirts of op boarding staan?

In 2007 catalogeerde het erg kritische Duitse fanzine 11Freunde de Schalke-Gazprom-deal als seks zonder condoom. Verleidelijk, maar minstens even gevaarlijk. Vijftien jaar later hebben ze gelijk gekregen. Gazprom verdwijnt nu van de Duitse velden, net als Aeroflot (sponsor van Manchester United) van de Engelse.

In de hoop dat de horror in Oekraïne snel stopt is het nu al uitkijken naar de eerstvolgende hate game tussen Oekraïne en Rusland. Hun onderlinge voetbalconfrontaties beperken zich tot twee wedstrijden in de voorronde van Euro 2000. De Russen speelden thuis gelijk en in Kiev verloren ze met 2-1. Van animo was toen geen sprake. Vladimir Poetin werd ook pas in 1999 eerste minister.

De sportgeschiedenis kent wel wat hate games met Russen in een hoofdrol. De eerste was de waterpolowedstrijd tussen Hongarije en de USSR op de Olympische Spelen van Melbourne. Die kwam net na de invasie van Boedapest in 1956 door Russische tanks. De volledige hal jouwde de Russen uit en Hongarije won met 4-0. Tegen het einde van de wedstrijd braken gevechten uit tussen de spelers. De helft van de Hongaren vroeg politiek asiel.

De hate games aller hate games waren evenwel de twee wedstrijden op het WK ijshockey van 1969 in Stockholm tussen de CSSR of Tsjechoslowakije en de USSR, die in 1968 Praag was binnengevallen. De Tsjechoslowaken wonnen twee keer, wat in Praag aanleiding gaf tot straatprotesten tegen de Russische bezetter, die daarna extra hard terugsloeg.

Geen sport kan een oorlog stoppen, jammer genoeg, en in deze acute fase moet Oekraïne in de eerste plaats veel sterkte en moed worden toegewenst. Ooit wordt het weer beter. Via de sport je gram halen weegt misschien niet op tegen de ellende en de ravage, maar het is de mooist denkbare van alle revanches.

Column Wintersport(centrum) in De Morgen van maandag 21 februari 2022

Wintersport(centrum)

page1image37826752

De Morgen – 21 Feb. 2022 Pagina 19

HANS VANDEWEGHE sportjournalist @hansvdw

En zo zijn de zestien dagen van heerlijke Winterspelen in een wip voorbij. Opstaan en ontbijten met op de achtergrond gekras van ski’s op de sneeuw of schaatsen op ijs. Waarna de Spelen stopten bij de VRT, maar gelukkig had je nog de NOS, want die gingen de hele dag door.

Er wonnen 29 landen een medaille, België staat op de eenentwintigste plaats. Overigens heeft Rusland, excuseer het Russisch Olympisch Comité, met 32 het beste medailletotaal ooit gerealiseerd. Jammer dat maar zes keer goud werd gewonnen en helemaal dramatisch was het verlies in de ijshockeyfinale, van Finland nog wel. Misschien een ideetje voor Vladimir? Ooit was Finland ook van Rusland.

België heeft de unieke buit – historisch zou wat aanmatigend zijn – van godwelaannogtoe twee medailles voor de op een na grootste winterdelegatie die ons land heeft afgevaardigd. Zonder het goud van Bart Swings op de massastart zou het brons van Hanne Desmet op de shorttrack maar bleekjes uitvallen. De medaille van Desmet wordt deels overschaduwd door Swings en zijn goud, behaald ten koste van haar lief. Sport kan soms wreed zijn, maar zonder vervelend te willen doen, kwam het gouden Swings niet toe die vlag te dragen bij de sluitingsceremonie?

Negentien atleten vaardigde ons land af. Die presteerden niet allemaal naar behoren of naar wat we konden verwachten. Soms was daar brute pech mee gemoeid. Neem nu de vals positieve Kim Meylemans, al die ellende, al die tranen, dat schiet niet op. Haar achttiende plek is absoluut niet relevant voor haar intrinsieke talent. De alpineskiërs bakten er dan weer niets van en hadden nauwelijks excuses: vier DNF’s op vijf starts is beschamend.

Tijdens de Spelen viel wel eens te beluisteren dat België beter minder atleten zou uitsturen. Niet doen. Selecties voor Olympische Spelen wijzen zichzelf uit. Het komt niet de Belgische bonden, niet de overheden en al helemaal niet het Belgisch Olympisch
en Interfederaal Comité toe om te beslissen wie naar de Spelen mag. Daarvoor bestaan internationale quota en wie zo’n plaats bemachtigt, mag de toegang tot het grootste sporttoneel niet worden ontzegd.

Doe je dat wel, dan is dat beroepsverbod. Nationale criteria, strenger dan de internationale, houden geen steek, want als elk land alleen maar kanshebbers zou selecteren, heb je na de top een heel groot gat en vervolgens een handvol toeristen. Zo kwam Nederland (zeventien medailles waarvan acht goud) ook met een zeventienjarige kunstschaatsster naar de Spelen. Die kwam niet aan de enkels van ‘ons Loena’ maar werd wel bejubeld omwille van haar achttiende plaats.

Zelfs de Dienst van Toerisme van de Hoge Venen, een rist buitenlanders met een verdwaalde Belg ingeschreven als de Belgische biatlonploeg, hoorde op de Spelen thuis. Als de internationale bond vindt dat België aan biatlon doet, dus biatleten heeft en die bond heeft gecheckt dat die van ons geen gevaar vormen voor de anderen – er wordt wel geschoten hoor – dan mogen die voor mijn part naar de Spelen.

Oké, het mocht iets meer zijn. Het beste resultaat werd geschoten en gelopen door Lotte Lie, een halve Noorse: 45ste en 64ste. De mannen klasseerden zich telkens weer tussen de exoten, met als uitschieters (wellicht misschieters) enkele plaatsen in de negentig. Geen idee dat zoveel biatleten toegelaten waren op de Spelen.

Waarvoor wel criteria op hun plaats zijn, is voor de subsidiekranen. Meelopers verdienen niet de ondersteuning van atleten die echt kans maken op een plaats in de top of op een goede dag in de buurt van de medailles komen. Geen flauw benul wat die biatlonploeg heeft gekost, maar overheidsgeld moet daar niet aan worden gespendeerd, ook niet als het overheidsgeld van Franstalig België is. Niet het minst omdat het hoofdzakelijk om buitenlanders gaat die een Belgisch paspoort hebben genomen omdat ze in eigen land niet meer aan de bak komen.

Laat deze succesvolle Spelen het begin zijn van een bescheiden maar ambitieuze topsportcultuur in wintersport. En kies waar je voor gaat. Dat bobsleeën… België heeft meer bobs dan vrouwen en nul mannen om er in te springen. Topsport is niet gebaat bij dat soort hobbyisme. Wat zou kunnen helpen om mee te beginnen, is een topsportcentrum voor ijssport. De gouden medaille van Bart Swings is een mooie aanleiding om een ijshal met een vierhonderdmeterbaan te bouwen. Lange baan, shorttrack, curling, kunstschaatsen, allemaal op één locatie. Het is niet uit te leggen dat al je medailles onder Nederlandse paraplu zijn behaald en dat je beste Belgische mannelijke olympiër aller tijden in eigen land niet terecht kan voor zijn sport.

Verhaal over goud van Bart Swings in De Morgen van maandag 21 februari 2022

Bart Swings is baas, boven alles en iedereen

page1image38215184

De Morgen – 21 Feb. 2022 Pagina 18

Eén cartouche weg en dan een tweede en een derde in achtervolging op de Nederlanders. Waarna hij een vierde keer aan de bak moest en ook een vijfde pijl verschoot. Geen paniek, België. Dit was waarvoor hij had getraind, dit was skeeleren op ijs, dit was zijn moment. Met de streep in zicht was hij niet meer te houden. Goud, zoveel mooier dan dat zilver van vier jaar geleden.

Na zijn drie olympische starts in de afstandsraces, met eerder bescheiden uitslagen, heeft Bart Swings gedaan wat hij had beloofd. Na zilver in Pyeongchang ging hij vol voor het olympisch goud in Peking. Vijftien rondjes lang controleerde hij het hele veld. Nooit was hij uit de eerste drie, twee derde van de gaten reed hij dicht. In de sprint klopte hij twee Koreanen, onder wie de man die hem vier jaar eerder te snel af was.

Nooit eerder heeft een Belgische sporter zo’n meesterschap aan de dag gelegd en dat in een mondiaal veld. Swings hoopte na afloop dat zijn adoptieland Nederland het hem zou vergeven dat hij hun onderdanen had teruggehaald. En of. Op de Nederlandse tv kreeg hij een staande ovatie van het publiek in het omkaderend programma.

Nederlanders weten schaatsprestaties te waarderen en van Swings, wonend in Heerenveen en schaatsend voor het Nederlandse professionele Team IKO, hebben ze al langer een hoge pet op. Voormalig olympisch kampioen Mark Tuitert, die Swings van het skeeleren kent, en zijn collega’s spaarden hun lof niet. “Meesterlijk. Verbluffend vakmanschap. Gedurfd geracet en gewonnen. Als er één verdiende te winnen…”

Het predikaat onbelgisch viel niet, maar was op zijn plaats geweest: nooit eerder heeft een Belg zo overtuigend aangekondigd goud gewonnen. Alle ogen waren gericht op Swings, laatste Belgisch ijzer in het vuur van Peking 2022. Op het brons dat uit de lucht kwam vallen voor shorttrackster Hanne Desmet na, waren de resultaten middelmatig geweest. Soms met terechte excuses, meestal niet. Onder de middelmaat was de algemene conclusie en met die wetenschap in gedachten moest Swings de baan op.

In een interview dat eerder in deze krant verscheen was dit zijn laatste quote: “In Sotsji in 2014 heb ik vooral genoten, maar wist ik na afloop wat ik wilde in Pyeongchang: een medaille. Die heb ik gehaald. In Pyeongchang heb ik mij voorgenomen om nog eens vier jaar alles te geven en beter te doen dan zilver. Dat geeft druk, maar die heb ik nodig. Druk tilt mij naar een hoger niveau.”

Die was nog toegenomen na zijn overtuigende winst op het EK, maar daar werd een wedstrijdverloop geschreven alsof alleen hij mocht winnen. Nooit kwam hij op kop, nooit reed hij zelf een gat dicht, altijd zat hij vooraan uit de wind, tot hij in de laatste halve ronde fris als een hoentje het hele veld oprolde. In Peking zou het andere koek zijn, dat wist hij.

Dat bleek meteen na de eerste ronde. Ontsnapping na ontsnapping probeerde iemand weg te geraken. En het was telkens Swings die het gat dichtreed. “Doe nou eens een keertje niet Swings”, aldus de Nederlandse analisten, in de hoop dat een Nederlander weg zou geraken, maar oprecht bekommerd omdat hij met zijn krachten woekerde. Was een vlieg hem gepasseerd, hij was er nog achteraan gegaan, zo hitsig stond de minzame Leuvenaar.

Tegenstanders uit het skeeleren kennen die twee gezichten. Een heel aardige man die je alles gunt buiten de wedstrijd, een meedogenloze killer als het startschot is gegaan. Laat de massastart nu net skeeleren op ijs zijn, laat hem nu ook de fysiologische capaciteiten hebben die hij van jongs af aan heeft ontwikkeld: rustig rijden, versnellen, inhouden, weer rustig, knallen als het moet en naarmate de wedstrijd vordert de pees erop en aan het eind overhouden voor de sprint.

Hij had zoveel over, deze Bart Swings. De Koreanen dachten allicht dat ze die genereuze Belg die voor hen het hele veld had samengehouden, even konden oprollen. Niet dus. Eén Bart Swings. Twee Jae-Won Chung. Drie Seung-Hoon Lee. Nummer vier werd Joey Mantia, eerder deze week geout als het lief van Hanne Desmet. Ook hem zagen we de hele wedstrijd niet. Allen ondergingen ze de wet van Swings. “Ik voelde mij zo sterk vandaag dat ik niets zou weggeven.”

Skeeleren als geheim

De formule van Swings is dat hij anders traint dan de andere schaatsers. Hij maakt deel uit van een schaatsteam dat gefixeerd is op de afstanden, zeg maar tijdritten, en hij rijdt die ook zelf. In dat team heeft hij schaatstrainers, die aan zijn techniek hebben gewerkt. Zijn fysieke voorbereiding en algemene belasting worden gemonitord door Jelle Spruyt, die hem begeleidt van toen hij als tiener begon met skeeleren.

Spruyt en Swings kennen hun sport als geen ander en weten dat interval – korte inspanningen afgewisseld met rustige recuperatiestukken – het geheim is van een goede massastart op ijs, zoals dat ook het geheim is van skeeleren. Zelfs de veelbesproken sprint in de massastart is niet echt een sprint zoals in het wielrennen, maar een all out intervalinspanning van vijftien seconden.

Zo traint Swings ook op de fiets, waar hij meer uren op slijt dan op het ijs: duurtraining voor de basis uiteraard, maar ook heel veel zogeheten blokken, korte en langere hevige inspanningen afgewisseld met recuperatie.

Met dank aan die training, die hem fysiologisch op het lijf is geschreven, heeft hij het hele veld in Peking gedomineerd. Hij was heel even die renner die in een selecte kopgroep in de laatste vijf kilometer van een topklassieker op alles reageert wat beweegt, er zijn hoofd bijhoudt en het dan onweerstaanbaar zelf afmaakt in de sprint.

Zoals Swings reed, dat heet suprematie. Belgiës beste mannelijke naoorlogse olympiër – goud en zilver – is zowaar een wintersporter en zijn naam is Bart Swings uit Herent bij Leuven, burgerlijk ingenieur van studie, snelschaatser van professie en meester van zijn eigen universum.