Portret Tom Boonen (het laatste) in De Morgen van zat 8 april 2017

De renner die religie werd

Hij ging vreemd, snoof cocaïne, zat dronken achter het stuur, ontdook belastingen, won de laatste vijf jaar geen koers van belang meer en toch werd hij de Vlaamse chouchou op twee wielen. Een bericht uit Tomboonistan.

Geef toe, het is me een rijtje. Dat hij geen belangrijke koers meer won, tot daar aan toe, maar al het andere daar bovenop: vreemdgaan, drugs gebruiken, dronken rijden, een reuzeboete van de fiscus: BV’s vallen voor minder uit de gratie.

Niet Tom Boonen, die op 15 oktober 1980 ter wereld is gekomen in een onzichtbare oliejekker. Sinds de dag dat hij als 14-jarige in een afgekeurd autowrak dwars door de moestuin van een politieagent naar huis reed – voor de ogen van de brave man – glijdt alles af van Tommeke.

Hij is de postmoderne kruising van de Witte van Zichem en Tijl Uilenspiegel: kattenkwaad en erger wordt hem vergeven. Absoluties horen bij het katholieke Vlaanderen, maar dat uitgerekend die zondaar tussen al zijn misstappen door ook nog eens succesvol als marketingtool kon worden uitgespeeld? Ongezien. Tom Boonen stond al die tijd en staat ook vandaag nog prominent op de reclame- uitingen van zijn teamsponsors. Neem nu Quick-Step, de laminaatfabrikant: ‘Always ahead of the pack, from the classics to design’, luidt de tekst bij een foto van een halve Boonen-de-renner en een halve Boonen-in-maatpak.

Goed gevonden en dat geldt ook voor het initiatief van het Quick-Step-personeel om voor de voorbije Ronde van Vlaanderen een reuzetifo te maken uit laminaat met daarop zijn portret. “Behalve een icoon voor de ploeg is Tom Boonen ook uitgegroeid tot een symbool van ons bedrijf”, zei Bernard Thiers, de CEO van moederbedrijf Unilin in deze krant. “Een sterke persoonlijkheid en een rasechte winnaar, maar met de nodige krasjes die hem zo menselijk maken.”

Krasjes? Zeg maar deuken en af en toe liep er zelfs een wiel af.

De passe-partout Tom Boonen ís niet te vatten, behalve dan door wie ooit met Tom Boonen in aanraking is gekomen. Neem nu ondergetekende, begin 2009 boodschapper met minder goed nieuws, maar daarover verder meer. Of vervelende vragensteller bij de Vuelta in 2014 na een bloedhete etappe in Granada. Het is niet dat een renner je daarna nog graag ziet komen.

En toch, begin dit jaar, ging het zo bij het ontbijtbuffet in Hotel Sol y Mar in Calpe. Hij begon het gesprek met een warme “Hé, oewiest?” Waarop de standaardrepliek: “Goed, en met u? Laatste maanden? Veel gedoe zeker? Al plannen voor daarna?” Waarop een brede lach volgde: “Jaja, ik ga voor de tweede keer in mijn leven van mijn hobby mijn beroep maken. Ik ga iets met auto’s doen. Is dat geen goed plan of waa?” En weg was hij, koolhydraten laden voor een doorgedreven training, want ook dat is Boonen: tot op het laatst neemt hij zijn vak serieus.

Enkele weken geleden, daags voor Gent-Wevelgem in het D-Hotel in Marke, zelfde scenario maar in de lobby. Zijn witte fiets met gouden letters was daar klaargezet. Oogcontact werd vermeden, maar wat als de atleet zelf contact zoekt? Tom Boonen steekt zijn hand op, lacht zijn tanden bloot en vraagt “Alles oké?” Je knikt, zwaait terug en je wilt vooral niet dat hij te veel stappen zet, maar hij steekt de gang over en komt zelf goeiedag zeggen. De handdruk, het oogcontact, de knipoog, de hallo: alles is welgemeend aan Tom ‘what you see is what you get’ Boonen.

‘Geld is ook maar geld’

“Zou er iémand zijn die Tom Boonen haat? Ik denk het niet.” Dat zegt een oude getrouwe in het kader van de ploeg van Patrick Lefevere en voegt eraan toe: “Ik denk niet dat er nog een andere renner in het peloton rondrijdt die geen vijanden heeft.”

Er is een mooie sequentie in het vijfdelige Alles voor de koers dat Woestijnvis maakte voor Eén en dat in 2016 de ploeg van Boonen volgde. Als het nieuws bekend wordt dat hij nog vier extra maanden bij de ploeg zal blijven, zingt Niki Terpstra: ‘En we zingen van hoempa hoempa Tommeke Boonen.’ Boonen laat het zich welgevallen en zet zelfs een belachelijk tricolore hoedje op. Het zoveelste bewijs van zijn onaantastbare status in de ploeg: Boonen is de maat der dingen, alvast tot morgen, en wellicht ook daarna.

Is er dan nooit iemand boos op Boonen? Lore Van de Weyer, zijn partner en moeder van hun tweeling, zal ooit wel boos zijn geweest als hij het weer eens had uitgehangen. Maar professioneel? Het schijnt dat in een heel ver verleden Johan Bruyneel en Lance Armstrong heel even pissed zijn geweest, toen hij hun US Postal in 2003 verruilde voor Quick-Step/Davitamon.

Veertien jaar en goed vier maanden later zwaait hij daar af, nog een bewijs voor zijn trouw en zijn authenticiteit. Getuige daarvan wat hij aan zijn ploegleider en toeverlaat Wilfried Peeters had gestuurd, toen hij had gekozen om te blijven. Tom Boonen sms’te: ‘Is de enige juiste manier om af te sluiten. Bij de mensen aan wie ik alles te danken heb. Geld is ook maar geld.’

Heeft iemand zijn huis gezien in Mol in het tv-portret dat Koen Wauters van hem maakt voor VTM? Dat huis, oké, maar die tuin – zeg maar park – hallo zeg. ‘Geld is ook maar geld’ lijkt dan een gratuite opmerking, maar weeral niet bij Boonen. Die meent dat.

Toen de fiscus hem op de vingers tikte omdat hij zogezegd in Monaco resideerde, daar geen belastingen betaalde en eigenlijk in België woonde, en ook nog eens pakte op een Ierland-Luxemburgroute die diende om belastingen op portretrechten te ontwijken, resulteerde dat in een dading van om en nabij de 3 miljoen euro. “Het is niet dat Tom dat graag zal hebben betaald, maar wij hebben hem in de ploeg er nooit ook maar één keer over horen zeuren.”

 

De som zou velen in een acute depressie hebben gestort, maar Boonen verloor nooit zijn glimlach. “Ik verlies niet graag, maar ik kijk altijd vooruit. Morgen kun je weer winnen.”

Dat zei hij ook na de vorig jaar zo jammerlijk verloren sprint tegen Mathew Hayman in Roubaix. Dat was geen pose.

‘Tom mocht blijven’

Rudyard Kipling zal hij wel nooit hebben gelezen, laat staan het gedicht ‘If’. De belangrijkste zin hangt op Wimbledon en vrij vertaald luidt die: ‘Zolang je triomf en rampspoed op dezelfde manier tegemoet treedt’ (is er niks aan de hand). Het zou het levensmotto van Tom Boonen kunnen zijn. Wat die in 2007, 2008 en 2009 heeft meegemaakt, kraakt elke topatleet. Hij hing heel even uit zijn hengsels en won wel Parijs-Roubaix editie 2008 tussen alle coke- en xtc-histories, de Sofie-verhalen (hij had toen iets met een 16-jarig meisje), crashes met snelle auto’s en dronken rijden.

Is Boonen de weg kwijt, dan is hij op z’n best, zo lijkt het wel. Ondergetekende was eind 2008 nog maar eens een positieve plas op cocaïne en xtc op het spoor gekomen. Out of competition, dus niet strafbaar, maar hoogst vervelend voor de pr van de atleet die enkele maanden eerder al eens op hetzelfde was betrapt. Het was wachten tot ook die tweede positieve plas uitlekte, met spektakel tot gevolg.

De Morgen stelde voor om spektakel te vermijden en de onthulling te kaderen in een diepte-interview. Boonen stemde toe. Het gesprek vond plaats in hotel Diamante Beach in het Spaanse Calpe in januari 2009. Geconfronteerd met die tweede positieve plas luidde zijn antwoord: “Ik heb dat pas enkele weken geleden gehoord. Dus jij wist eerder dan ik wat er in mijne pies zat. Vind jij dat normaal?” Gevolgd door een lach.

Het werd een hard interview, no words left unspoken, een hoogtepunt voor de journalist en ook Tom Boonen was tevreden met het resultaat, net als de ploeg. De advocaten niet en alle verwijzingen naar coke gingen eruit. Vijf maanden later liep hij een tweede (aldus de berichten), maar eigenlijk derde keer tegen de coke-lamp en kon deze krant alsnog met een primeur uitpakken. Boonen gaf geen krimp, of misschien een beetje. Rond hem en de ploeg beefde de aarde.

Dokter Yvan Vanmol maakte alles vanaf de eerste rij mee. “Patrick Lefevere leek Tom te hebben opgegeven, begrijpelijk. Ik gaf geen cent meer voor hem. Maar dan heeft Frans De Cock, toen de baas van Unilin en Quick-Step, voor hem gepleit. Iedereen slaakte een zucht, Tom mocht blijven.”

Er was in die vergadering méér aan de hand dan een bedrijfsleider die door een marketingbril naar het probleem keek. Tom Boonen had met zijn authenticiteit veel harten voor altijd voor zich gewonnen en niet het minst die van de sponsors. Voorbedachten rade van een gladde jongen? Eerlijk: neen, Boonen is altijd Boonen, Tom is altijd Tom. Het werd geen vertrek langs de achterpoort, geen ‘salut en de kost’, hooguit een ‘Tommeke wat doe je nu?’, naar analogie met de oneliner die Michel Wuyts ontglipte toen Boonen in 2005 wereldkampioen werd in Madrid.

En de wielerliefhebbende goegemeente? ‘Zijn bruine bolleketten van ogen, zijn witte tanden, zijn ontwapenende glimlach: je moet stekeblind zijn om niet te zien dat Tom Boonen ne snelle gast is.’ Dat schrijft de schrijfster Ann De Craemer daartoe genood door het onvolprezen tijdschrift Bahamontes in hun recente Boonen-nummer. Ze heeft het goed te pakken, onze schrijfster, in dat stuk getiteld ‘De dromen maken de man (sexy)’, waarin ze aan het eind zelfs vraagt of ze bij zijn laatste douche in Roubaix over het muurtje mag komen gluren. En dat allemaal door een oude foto uit 2005 die u gezien moet hebben om te geloven dat hij bestaat. Vandaar dat we hem hierbij afdrukken.

Tom Boonen is dan nog geen wereldkampioen en is door de fotograaf gevraagd om in een bad met bonen te gaan zitten. Hij dacht aan gewone witte bonen en niet aan tientallen blikken bonen in tomatensaus die in een bad zouden worden gegoten, herinnert de fotograaf zich. “Hij schrok, maar zag er de gein wel van in en ging gewoon zitten.”

En inderdaad, kijk naar dat gezicht: de lichte beharing, de volle rode lippen en de ogen die niet weten of ze guitigheid dan wel melancholie moeten uitstralen. Een knappe gast, ongetwijfeld. Een knappe gast die niet naast zijn schoenen zou gaan lopen. Een knappe gast die veel deuken zou oplopen, maar in alle omstandigheden overeind klauterde. Het was in 2005 – dat gezegende jaar van winst in E3 Harelbeke, Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, Ronde van België, wereldkampioenschap en van bonen in tomatensaus in een bad in Oostende – dat Tom Boonen Vlaanderens chouchou werd.

Tom en de Tour: haat-liefde

Die status was zijn voorganger Johan Museeuw nooit te beurt gevallen. Te West-Vlaams, te lomp met de pers, te humeurig, te oneerlijk bij zijn eigen dopingaffaire (Boonen werd technisch gezien nooit op doping betrapt en sloeg ook meteen mea culpa), te veel dingen fout gedaan, maar Museeuw was wel een iets betere, completere wielrenner met meer overwinningen in grote wedstrijden in andere landen dan België. Greg Van Avermaet maakt ook die fout als hij Boonen tot de beste Belgische renner van de voorbije twintig jaar promoveert. Hij is niet de beste, wel de sympathiekste en meest charismatische.

Tom Boonen vervelde al te vaak tot een Peter Van Petegem XL: het vet was snel van de soep na het Vlaamse voorjaar. Bovendien is er nog iets aan Boonen: hij viel opvallend veel, weze het in de Tour, in het Midden-Oosten of in Vlaanderen, hij viel meer dan de andere toppers en dat terwijl hij bekendstond als een van de zuiverste, handigste renners van het peloton. Echt een mysterie.

De Tour, toch dé wedstrijd aller wielerwedstrijden, reed hij maar twee keer uit op zes starts. Hij won zes etappes en hield één keer de groene trui. Het was haat-liefde met de Ronde van Frankrijk: “Een grote ronde, dat is drie weken mottig zijn. Je staat op en je voelt je mottig. Je gaat eten, je voelt je nog mottiger. Je gaat koersen, je bent nog mottiger. Je probeert daar wat bij te steken, nog mottiger. Tegen dat je aan de finish bent, ben je een beetje op je positieven. Dan moet je terug beginnen eten, weer mottig. Dan volgt het avondeten, moet je nog eens eten. Weer mottig en dan ga je mottig slapen. Als je geluk hebt, krijg je geen diarree. Dat is de Tour.”

 

Tot spijt van wie het benijdt, maar een wereldster word je in het wielrennen als je in de grote rondes uitblinkt. Tom Boonen startte in veertien grote rondes en gaf twaalf keer op. Geen wonder dat ondanks zijn 123 individuele UCI-overwinningen de Boonen-obsessie beperkt blijft tot de regio Vlaanderen. Buiten de landsgrenzen kijkt men doorgaans vreemd op van de Boonen-mania. Het is vanop afstand ook moeilijk te begrijpen dat een renner die al vijf jaar geen koers van belang meer heeft gewonnen, zo wordt verheerlijkt.

Johan Museeuw mocht van Het Laatste Nieuws een brief schrijven. Daaruit bleek hoe die is veranderd nu de meridiaan niet langer door zijn bilnaad loopt, maar overdrijven in het andere uiterste is ook nergens voor nodig. Hij cijferde zichzelf volledig weg en bij de vergelijking met andere Belgische grootheden zette hij Boonen op gelijke hoogte met Roger De Vlaeminck en Rik Van Looy. De Vlaeminck is nooit wereldkampioen geworden, dat klopt, maar hij heeft elf monumenten gewonnen, waaronder ook Luik-Bastenaken- Luik, de Ronde van Lombardije en Milaan-San Remo. Zelfs met een vijfde kassei morgen in zijn laatste wedstrijd, komt Boonen niet eens in de buurt van De Vlaeminck. Rik Van Looy en Tom Boonen in één zin is helemaal blasfemie: Van Looy is de enige renner die alle grote klassiekers minstens één keer won en werd twee keer wereldkampioen.

Het laatste woord over Tom Boonen en de mania die zijn naam draagt, is voor de Nederlandse collega Thijs Zonneveld, van wie het erg goed gevonden Tomboonistan in de inleiding is gepikt. Dat was de titel van een column waaruit volgende passage die dit laatste Boonen-portret perfect samenvat. ‘Laten we wel wezen. Tom Boonen is in Vlaanderen niet God. En ook niet Allah, de paus, de premier, Gert (van Samson) of Romelu Lukaku. Hij is veel groter dan al die figuren samen. En ieder voorjaar wordt hij nog groter. Tom Boonen is geen wielrenner meer. Hij is een religie.’

Amen. Boonen.

Column Recreantensport in De Morgen van zat 8 april 2017

Recreantensport

Geloof maar niet dat Patrick Lefevere geen oplossing heeft voor volgend jaar. Maar hij en zijn mecenas Zdenek Bakala, die jaarlijks voor een niet nader gespecificeerd bedrag bijspringt, hebben natuurlijk een punt als ze stellen dat het vreemd is dat de sponsors niet in de rij staan voor de ploeg die – zo beweren ze zelf – het vaakst wielerwedstrijden wint.

Neen, Lefevere blijft er te rustig bij. Of hij heeft al een contract op zak maar maakt dat nog niet bekend. Of hij heeft een verlenging
van QuickStep op zak. In beide gevallen is het onzin om dat nu al bekend te maken en wacht hij beter de periode af waarin zijn team minder aan de bak komt, zoals in de zomer. Of Bakala heeft nog diepere zakken dan we konden vermoeden en die heeft een Tinkovje toegezegd.

Maar Bakala en Lefevere moeten natuurlijk niet klagen als geen grote sponsors worden gevonden om hun team op niveau te houden, want zo vreemd is dat niet. Ze winnen vaak, maar het internationaal wielrennen is een sport van drie grote ronden en vijf monumenten. Daarvan heeft QuickStep er geen enkele gewonnen. En de rest, dat is spielerei. Het heeft de afgelopen twee jaar de meeste wedstrijden gewonnen en werd voor een tribune van twee kamelen en een paardenkop wereldkampioen ploegentijdrijden. Fantastisch, maar dat telt niet.

Nemen we de WorldTour 2016 er even bij? Van de 27 wedstrijden op de kalender is er welgeteld één gewonnen door een renner van Lefevere: de Eneco Tour door Niki Terpstra. Etappes genoeg – hoewel, in de Tour de France ook maar eentje – maar etappes tellen vooral in wielergekke landen, zoals bij ons. (Dit jaar doen ze al beter in de WorldTour met Yves Lampaert in Dwars door Vlaanderen – nieuw in de WorldTour – en Philippe Gilbert in de Ronde van Vlaanderen.)

QuickStep is in 2016 zevende geworden in het ploegenklassement en de eerste renner van QuickStep was tiende in de WorldTour. Vervolgens kunnen we beginnen zeuren dat de ronderenners worden bevoordeeld, maar een niet-ronderenner, Peter Sagan, is wel op één geëindigd. De man van QuickStep op tien heet Daniel Martin, niet bepaald gezegend met een babbel of een charisma om laminaat of matrassen mee te verkopen.

Geen economische basis

Het predikaat ‘meest succesvolle ploeg’ slaat dus vooral op de Lage Landen waar de meeste wedstrijden zijn gewonnen, maar niet op wegwielrennen als internationale topsport. Dit soort misvattingen is illustratief voor het wielrennen zoals dat hier te lande als een regionale passie wordt bedreven en gehypet.

Hypen is gevaarlijk en mag worden bestreden. Toen ik directeur van Wielerbond Vlaanderen was, heb ik ooit in een tweet wegwielrennen een kleine, fijne sport genoemd en het kot was te klein. Laatst poneerde een verdwaalde marketeer van een onderzoeksbureau in deze krant dat wielrennen bij de vijf grootste sporten ter wereld was. Be-la-che-lijk.

Wielrennen staat rond plaats vijftien in een doordachte ranking van sporten opgemaakt door de website Sportek, waar meer mensen met verstand van sporteconomie zitten dan in het hele wielrennen samen.

Mijn tweet van destijds was bedoeld om onze/deze sport met haar beide voetjes op de grond te krijgen en van daaruit een realistisch groeiscenario op gang te krijgen. Elke econoom met kennis van sport zal beamen dat wielrennen in deze vorm met zijn buitensporige salarissen en wankele inkomsten geen enkele economische basis en nog minder een toekomst heeft.

Wegwielrennen wordt niet alleen beoefend in een ruimte waar het niet thuishoort – de openbare weg – maar het is er in al die jaren niet in geslaagd een standvastig verdienmodel op poten te zetten. Gevolg: de helft van de achttien WorldTour-teams overleeft bij de gratie van mecenaat, overheden en/of fietsmerken.

Met die laatste inbreng valt nog te leven, al zitten we met al die fietsenmerken nu terug in de economische realiteit van tussen de twee wereldoorlogen. Het toont tegelijk aan hoe het wielrennen is geëvolueerd van een profsport met een kleine achterban van recreanten naar een recreantensport met een erg smalle bovenbouw van profs.

Daar moet iets mee te doen zijn en Bakala had nog enkele ideetjes, die hij ging neerleggen bij UCI-voorzitter Brian Cookson. Hij ging niet in detail, maar dat doet er ook niet toe. Cookson is de vleesgeworden versnipperaar als het op vernieuwing aankomt. Neen, deze kleine, fijne sport is in de sporteconomie van de 21ste eeuw in sneltempo op weg naar de marginaliteit. Zeg niet dat u niet was gewaarschuwd en schiet ook niet op de boodschapper.

Verhaal over/met Tom Steels in De Morgen van zat 1 april 2017

‘Ik rijd nog af en toe,

om de aftakeling te checken’

Wereldberoemd werd hij als de bidongooiende driftkikker-renner die uit de Tour werd gebannen. Maar Tom Steels (45), de ploegleider, bezorgde vader en mens van goede wil, is de optimistische rustigheid zelve. Ook voor de Ronde.

Een deels nieuwe Ronde van Vlaanderen met een nieuwe startplaats en een lus over de Muur moet in detail worden verkend en zo stapt ondergetekende op de eerste echte mooie lentedag van 2017 in Oudenaarde in de auto van Tom Steels (45). Journalisten gaan op de achterbank, want het is werkendag en naast hem zit Isaac, een voormalig amateurrenner uit Zottegem die over een indiaanse parcourskennis van de Vlaamse Ardennen beschikt. Op het dashboard is een iPad vastgekleefd met ducttape. Op cruciale punten, en dat zijn er nogal wat, duwt Isaac op het rode opnamebolletje. Ondertussen worden alle kritieke passages, zelfs een stuk slecht beton, nauwgezet genoteerd en kijkt Isaac uit naar afsnijpunten voor de handlangers van de ploeg die de dag van de wedstrijd overal moeten klaarstaan met wielen.

Het eerste stuk van de Ronde die dit jaar in Antwerpen start, hadden ze al achter de rug. Tom Steels had bij het instappen zijn analyse klaar: “Vroeger vanuit Brugge waren de wegen breder. We moeten nu door verschillende dorpen waar het versmalt en het zal erop aankomen voorin te koersen om op dat parcours het minste energie te verspillen. Ik maak straks een powerpoint met filmpjes van alle cruciale punten. En de renners krijgen op hun Garmin ook nog extra info. Plus daarbij geven we tijdens de wedstrijd info via de oortjes.”

Op de lussen vanaf Oudenaarde komen we nog weinig verrassingen tegen. Vuilniskarren, tractoren en wielertoeristen krijgen de voorrang van chauffeur Steels. Iedereen wuift, vooral de wielertoeristen, tenzij dan die ene dikke die bijna boven was geraakt op de Koppenberg, maar jammer genoeg al naar de linkerkant van de weg was gedokkerd en met onze auto in zijn zog finaal opteerde voor de weide. De vernedering volgde: voet aan de grond.

“Thuis zullen ze vragen: en de Koppenberg, boven geraakt? Benieuwd wat hij zal zeggen. Misschien steekt hij het op die ambetanteriken van QuickStep.” Koppenberg en co. is bekend terrein maar in Parike plaatst Tom Steels toch een asteriskje bij Klaaie, zo’n typisch Vlaamse betonweg die moeilijk bolt en zich tegen de verwachte tegenwind hellend een weg baant door de velden. “Hmm. Dit is nieuw, een moeilijk stukje. Kijk, alleen al om dit hier nu te hebben gezien, is deze trip nodig. Het is altijd leuk als er achteraf iets wordt geprobeerd op een stuk dat je hebt verkend.”

Tom Steels is meer dan een verkenner. Tom Steels traint renners (onder anderen Julien Vermote, Yves Lampaert, Iljo Keisse, Matteo Trentin, maar ook Philippe Gilbert traint nu op zijn schema’s), is de architect achter de wereldtitel tijdrijden per ploeg behaald in Qatar en zat vorig jaar in alle grote rondes en haast alle klassiekers als ploegleider in de volgauto. Hij bespreekt de ploegtactiek vooraf en geeft de directieven door via de radiocommunicatie, de veelbesproken oortjes.

Om te weten hoe Tom Steels dat aanpakt, zou u Alles voor de koers moeten hebben gezien, de vijfdelige serie achter de schermen van de ploeg die toen nog Etixx-QuickStep heette. In de eerste aflevering kwam ook Parijs-Roubaix aan bod, waar Tom Boonen uiteindelijk in de sprint de duimen zal leggen voor Mathew Hayman.

Als ergens onderweg naar Roubaix op een kasseistrook de kopgroep breekt, krijgen we een beeld uit de volgwagen. Wilfried ‘Fitte’ Peeters zit aan het stuur maar is zo opgenaaid dat hij door de voorruit wil springen. “Een halve minuut Tom, dat kan niet in Roubaix, dat mag niet gebeuren. Dat moet dicht.” Gevolgd door enkele mokerslagen op het stuur. “’t Is naar de kloten, jong.”

Naast hem zit Tom Steels. Die lijkt na te denken, luistert naar Peeters en blijft stoïcijns rustig. Hij zegt: “Ja Fitte.” Denkt nog eens na. Peeters houdt het niet meer. Dan duwt Steels toch de knop van de intercom in. Op een toon, niet forser dan die waarmee een groep bejaarden naar de bus in Lourdes wordt gemaand, zegt hij: “Oké guys, you have to close the gap now.” Met de lichte nadruk op HAVE.

Even later rijden hun mannen het gat dicht. Tom Steels: “Dit is de rolverdeling in de Vlaamse klassiekers. Fitte rijdt, ik spreek, maar de tactiek bepalen we samen. Ik vond ook dat het gat dicht moest, maar ik zal dat rustig maar dwingend melden. Paniek is nergens voor nodig. Misschien redeneer ik nu als renner: ik haatte het als ze in mijn oor schreeuwden. Bergop mochten ze zelfs niks zeggen. Hoe vaak ik die oortjes niet heb uitgetrokken…” (lacht)

De passie van het winnen

Even later in diezelfde Roubaix 2016 biedt Steels zijn collega aan om zelf Tom Boonen naar zijn laatste Roubaix-finish – de voorlaatste bij nader inzien – te begeleiden, wat Peeters eerst weigert. “Neen, jij.” Waarop de emotie het wint van de ratio en Peeters zijn homeboy Boonen toch toespreekt. Op de wielerbaan waarschuwt hij Boonen nog om zich niet te laten insluiten door Sep Vanmarcke, precies wat gebeurt. Steels en Peeters zijn een asgrauw hoopje ellende na de nipte nederlaag van Vlaanderens meest geliefde renner.

“Die passie van het willen winnen gaat nooit voorbij. Na verlies ben je ongelukkig, maar niet kwaad. Ik word alleen nijdig als ik zie dat we hebben verloren omdat we als ploeg niet hebben gefunctioneerd, maar dat gebeurt uiterst zelden bij ons. Als iedereen heeft gereden volgens afspraak en het lukt niet, dan moet je dat aanvaarden.”

De winnaar in Steels zit goed bij QuickStep, want geen enkele ploeg won zo vaak koersen de afgelopen twee seizoenen als de formatie van Lefevere. QuickStep heeft ook de reputatie van een aanvallende ploeg te zijn, en tijdens de verkenning had Steels zich laten ontvallen: “Wij rijden altijd, de anderen bijna nooit, behalve dan Lotto en Van Avermaet en Sagan natuurlijk.” Maar zie, met Steels in de auto zat een renner van QuickStep afgelopen zondag te linkeballen en liet die het gat vallen, Niki Terpstra met name.

 

Steels slaakt een zucht. “Laten we het hierop houden: het was in Gent-Wevelgem ons dagje niet. De scenario’s die we voor ogen hadden, kwamen niet uit. Een wedstrijd om snel te vergeten.” Dat is de officiële communicatie, maar de GoPro-camera’s in de auto van Steels en Peeters registreerden ongeloof en woede. “Rijen godverdomme Niki, je laat geen gat vallen.”

De schone fiets

Tom Steels was zelf een begenadigd wielrenner. Een sprinter met één specialiteit: kampioen van België worden. Niemand heeft vaker de tricolore trui gedragen. Hij won vier titels, een record dat hij alleen heeft. “Als ik nu nog zou koersen, met wat ik nu weet over training, dan zou ik het anders aanpakken. Ik zou meer kans hebben gemaakt op een schone klassieker met mijn sprint en ik zou nog meer op snelheid hebben getraind en nog meer op de wielerbaan. Ik zou vooral minder trainen. De meeste wielrenners zitten te veel uren op hun fiets. Met vier goede trainingen per week kom je al een heel eind.”

Het einde van zijn carrière was geen feest. In 2002 vertrok hij bij Patrick Lefevere, reed even voor Landbouwkrediet, dan voor Lotto en stopte op 36 jaar met koersen bij opnieuw Landbouwkrediet. Hij was er klaar mee.

“Ik heb te veel tegenslag gekend op het laatst, vaak ziek geworden, de conditie niet meer op orde gekregen. Neen, ik kon geen fiets meer zien en ik heb nooit ook maar één moment aan herbeginnen gedacht. Ik heb wel een fiets, maar om nu te zeggen dat ik opnieuw ben beginnen rijden, neen. Ik reed tot voor kort alleen af en toe. (lacht) Om de aftakeling te checken, even zien waar mijn bodem ligt.”

Die bereikte hij vorig jaar en toen volgde de déclic. De Tom Steels die u eventueel in Alles voor de koers hebt gezien, heeft een lichte metamorfose ondergaan. Er is vet weg en er zijn spieren bij: per saldo is meer dan tien kilo verdwenen door meer sport, minder eten en minder alcohol. “Om wat te ontspannen na een stressdag, je kent dat in de wielerhotels…, is een flesje bij het eten gauw besteld. Dat elke avond, het was ondoenbaar geworden. Ik werd gewoon te dik en te snel moe. Dus ben ik maar beginnen lopen. Dat werkte perfect en ik voel mij nu een stuk beter. Laatst nog zestien kubiek hout gestapeld. Dat had ik vorig jaar nooit gekund.”

De liefde voor de fiets komt ook stilaan terug. “Ik heb nu zelf ook een Specialized Tarmac. Ik heb de indruk dat ze beter bollen dan vroeger. Ze zijn lichter, dat schakelt zo vlot, het zijn ook echt schone machines. Dat is natuurlijk niet de enige reden dat de renners zo hard rijden. Al die gerichte training, die core stability, het zijn gewoon betere atleten dan wij. Wij trokken ook soms flink door, maar nu gaat het nog veel rapper.”

Hij spreekt vol bewondering over de millennials op twee wielen die hij aanstuurt en dat is weinig aankomende vijftigers gegeven. Steels, voormalig socialistisch gemeenteraadslid van Sint-Niklaas en ooit protegé van dé Willockx, is van het empathische type. Als zijn renners na een bar slechte dag vol ijsregen het hotel halen, ziet hij mee af met de jongens, hoewel hij dat ook heeft meegemaakt. “Als ik ze dan ’s avonds weer zie lachen aan tafel, ben ik ook blij. Ik vind dit een prachtige generatie jonge mensen. Veel zelfstandiger dan wij, veel zelfbewuster ook. Ze weten wat ze willen, maar ze zijn niet harder dan wij, integendeel. Ik zeg soms: jullie mogen zo braaf niet zijn. Wij lieten ons nooit wegdringen. Ik heb ooit eens vijf kilometer lang oorlog gemaakt met Stuart O’Grady op weg naar de finish.”

De start van een avontuur

Steels komt van de wielerbaan, zo haalde hij in 1992 ook de olympische ploeg, en mannen van de wielerbaan zijn mannen van de wetenschap. Al snel kocht hij een vermogensmeter en samen met een informaticus ontwikkelde hij eigen software om op basis van vermogensmetingen tijdens de wedstrijd de conditie van wielrenners in kaart te brengen.

“Ik was begonnen met het begeleiden van wielrenners en toen is dokter Yvan Vanmol komen praten in opdracht van Patrick Lefevere. Plots was ik ploegleider, maar de software gebruik ik nog steeds. Zelf zoeken naar dingen die beter kunnen, dat heb ik van mijn vader. Tot ergernis van mijn vrouw. Als ik een toestel heb gekocht, zal ik kijken of ik dat kan opengooien om te zien of er iets aan kan worden verbeterd.”

Binnen afzienbare tijd zal Tom Steels ook op zijn eigen fiets een vermogensmetertje monteren, gewoon uit interesse. “Vooral dan om te zien wat ik niet meer kan. En ik wil ook nog wel verder studeren. Ik ben een autodidact. Ik heb geen diploma als trainer en dat voel ik toch als een gemis aan.”

De kans is levensgroot dat hij toch weer wat vaker op de fiets zal moeten, al was het maar als trainingsmaat van zijn eigen zoon. “Tijdens zo’n ritje vorig jaar met onze Rune had ik het iets lastiger dan verwacht. Het was tijd om iets aan mijn conditie te doen.” Rune is nu 13 en heeft onlangs zijn opleiding bij de Vlaamse Wielerschool afgewerkt. Hij mag dus starten bij de aspiranten. “Leen en ik hebben er alles aan gedaan om hem niet te veel aan te moedigen – een oude fiets, een oud paar wielen, niks nieuw – maar het hielp niet: onze Rune is gek van wielrennen.”

Fierheid kruipt waar ze niet gaan kan en zo tweette vader Tom op 20 februari een foto van een jongen, zijn zoon die op een koersfiets wegrijdt in de mist, met daarbij de woorden: ‘de start van een avontuur’. Waarop moeder Leen Goeman vader en zoon een reality check bezorgde door te tweeten: “Leer hem dan maar al eerst zelf de wasmachine in te steken na de training, papa!!”

Zorgen voor de kinderen

Het ouderpaar Steels-Goeman heeft zijn deel van de beproeving al gehad, zo ziet de buitenwereld dat althans. Zelf hebben ze een lichtjes andere visie. De oudste dochter Lobke (17) is zwaar mentaal en fysiek gehandicapt. Voor haar en nog acht andere kinderen bouwt een vzw (vzw Bijs) een aangepaste wooneenheid waar de kinderen de klok rond verzorging zullen krijgen. Het huis opent zijn deuren in januari 2018. Leen Goeman trekt mee de kar als voorzitter van de vzw en Tom Steels springt bij waar hij kan. Of dat een mens met een zware dagtaak en vele weken in het buitenland niet sloopt, luidt de logische vraag. Het antwoord is kort, zonder kortaf te zijn: “Het kost toch geen moeite om met je zoon of dochter bezig te zijn, daar krijg je energie van.”

De tweede telg – aspirant-wielrenner Rune, nu 13 – leek ook een zorgenkind te worden. Autisme was de diagnose en hij moest naar het bijzonder onderwijs, maar toen gebeurde iets wonderbaarlijks. “Ik heb het al vaak verteld: hij ging op scoutskamp en kwam als een ander kind terug. ‘Ik denk dat ik het zelf moet doen’, zei hij in de auto, en dat is precies wat hij geeft gedaan. Zijn resultaten schoten de hoogte in en op die school voor autisme was hij snel klaar. Hij wilde daar weg en heeft de resterende maanden nog een aantal van zijn medeleerlingen geholpen met hun rekenen. Nu zit hij in het tso en doet het daar prima. Elke dag gaat hij met de fiets naar school en dat werkt perfect.

“Ooit hebben we een voetbalploegje opgericht samen met ouders van kinderen met autisme, omdat die gasten het lastig hebben in hun sociaal functioneren. Maar nu heeft hij wielrennen ontdekt, een sport die hem past natuurlijk. Eenzaam in de training en een eenvoudige sport, ook sociaal minder gecompliceerd dan een ploegsport als voetbal. Rune heeft wel nog nooit een wedstrijd gereden en misschien dat na dat eerste koersje zijn goesting wel helemaal over is, maar ik denk het niet. Zo vastberaden heb ik hem nog nooit gezien. Dat ben ik ook: ik zal de vader zijn, niet de ploegleider, en ik zal hem nooit pushen, eerder zelfs afremmen.”

Column We Ride Flanders in De Morgen van zaterdag 1 april 2017

We Ride Flanders

‘Rijdt u ook een stukje mee met Ruben Van Gucht?” Dat vroeg een fan (die zijn er, jawel), want hij zou dan ook een stukje meerijden. Ik antwoordde: “Neen. Niks tegen Ruben, aardige gast, ken ik persoonlijk. Doet ook maar zijn werk en wie op de tv zit, ontkomt niet aan egotripperij. En ik haat kasseien.” Danig geschrokken van de gedachte, vroeg ik de naasten in mijn gezin om mij te colloqueren als ik ooit maar zou overwegen om twaalf uur op een fiets te zitten in een poging neussnuitend en ballenschartend zo veel mogelijk in beeld te komen in het zog van één of meerdere BV’s.

Ik beken: ik heb #voorderonde niet uitgekeken. Rond een uur of twaalf waren mijn tenen zo hoog opgekruld dat ik de tv niet meer kon zien. Een mooie gelegenheid om mijn ‘wilsverklaring euthanasie’ aan te passen. Als ik ooit de behoefte zou hebben om twaalf uur lang naar wielertoeristen te kijken en bij het luchtbeeld van de kerk van Hamme (met een keurig blokje tekst Hamme) de vraag van de commentator “Is dit de kerk van Hamme?” te beantwoorden, of ze dat dan konden herkwalificeren als een onomkeerbare coma. Laten we wel wezen: dit was Canvas niet, dit was Alzheimer-tv.

Als het de bedoeling was om de Ronde van Vlaanderen te hypen, dan misschien toch deze bemerking: hypen we die al niet een beetje te veel? Is er dan geen bovengrens aan parochialiteit? Of was het de bedoeling om de Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen te promoten?

Dat is alvast gelukt. Maar wist u dat de Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen sinds dit jaar veranderd is van naam en nu We Ride Flanders heet? Dat komt hierdoor: de editie 2017 is de laatste die in handen is van Golazo, het evenementenbureau van Bob Verbeeck. In 2008 heeft het toenmalige Corelio de rechten voor tien jaar verkocht aan Golazo. Die beweren op hun site dat We Ride Flanders van naam is veranderd door de internationalisering, maar dat is onzin. Volgend jaar wil Golazo ook nog organiseren, want een Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen maakt meer winst dan de Ronde van Vlaanderen zelf. Om die laatste reden wil ook Flanders Classics – eigendom van De Vijver Cycling, zeg maar Wouter Vandenhaute en Erik Watté en voor de helft ook Mediahuis – maar al te graag zélf de Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen organiseren.

Flanders Classics is al op de markt van de recreant actief en had vorige week bijvoorbeeld Gent-Wevelgem voor wielertoeristen, echt een aanrader. Alleen zijn de ritten van Flanders Classics goed voor maximaal 3.000 deelnemers en is de RVV voor wielertoeristen met zijn 16.000 deelnemers, van wie de helft buitenlanders, van een andere logistieke en organisatorische orde. Golazo, dat in verschillende landen grote events als marathons en wielergranfondo’s organiseert, kan als geen ander de massa veel geld laten betalen en met een goed gevoel naar huis laten gaan.

Elk weldenkend mens komt dan tot de slotsom: Flanders Classics en Golazo moeten de handen in elkaar slaan, misschien zelfs een joint venture aangaan, waarom niet? Golazo organiseert enkele minder belangrijke wielerwedstrijden voor profs, maar Flanders Classics heeft de mooiste eendagswedstrijden in Vlaanderen. Alleen valt met die wedstrijden alleen nauwelijks geld te verdienen. De expertise van Golazo, de meester-organisator, zou een toegevoegde waarde kunnen zijn.

Eén probleem: beide organisaties worden geleid door twee dezelfde types, alfamannetjes van wie de lichaamslengte omgekeerd evenredig is met het ego en die voorlopig met elkaar niet door één deur kunnen. Despootjes die geen tegenspraak dulden. Moneymakers, maar de ene al meer dan de andere (wie, dat mag u raden). Toch hebben Wouter Vandenhaute en Bob Verbeeck ook veel dingen gemeen. Om de toenadering tussen de heren wat te vergemakkelijken, lijsten we ze even op: bijvoorbeeld, zijn het af en toe hele aardige en gezellige gasten. Of nog: ze hebben een groot hart voor sport. Zeker ook: ze kunnen keihard zijn en zitten niet verlegen om een bloedbadje onder hun personeel. Ten slotte: het zijn competitiebeesten.

Daarom heeft Bob Verbeeck zijn RVV voor wielertoeristen omgedoopt in We Ride Flanders, organiseert hij straks in Brugge een Elfstedenronde en heeft hij de Driedaagse binnengehaald. Daarom heeft Wouter Vandenhaute met de start- en aankomstplaatsen Antwerpen en Oudenaarde afgesproken dat er, tenzij zijn eigen versie voor recreanten, vanaf 2018 veertien dagen voor en na de Ronde van Vlaanderen geen ander event mag worden georganiseerd, dus geen We Ride Flanders.

Er zijn twee scenario’s mogelijk. Of Verbeeck en Vandenhaute sluiten een monsterverbond. Of Verbeeck en Vandenhaute gaan de strijd aan. De allermooiste strijd zou er een zijn op de fiets, maar in dat geval gok ik op de grotere motor van ex-olympiër Bob Verbeeck.

Column over Stoffel en Honda op demorgen.be van maandag 27 maart 2017

Het moet onze eerste en enige Vlaming in de Formule 1 weer overkomen

Ik ben geheel mee met en heb alle begrip voor Stoffel Vandoorne, want ik heb ook gedoe met de elektronica van mijn auto.

Om de haverklap gaat het oranje lichtje branden van de banden en dan komt op de display ‘bandenspanningsysteem service’. Of zoiets, want ik let er al niet meer op na er zelf mijn compressor te hebben opgezet en verschillende pitstops. Er is niet echt iets aan de hand en als er toch iets aan de hand zou zijn, dan voel ik het niet.

Nu ik mij (een beetje) heb verdiept in de Formule 1, is mij alvast één ding duidelijk: of ik rij met een Formule 1-auto (niet dus), of ze kennen er daar ook niks van. Aan Honda moet ik het alvast ook niet vragen wat met mijn Volvo scheelt, want ze doen daar net hetzelfde als mijn garage: binnenkomen, elektronica resetten en hup weer weg. En als het een tijd goed is gegaan, begint de ellende vanzelf opnieuw. Om gek van te worden.

Het overkwam Stoffel Vandoorne gisterenochtend in zijn eerste race van het nieuwe F1-seizoen, het eerste seizoen dat hij als volwaardig rijder mag afleggen. Hij had een probleem met zijn stuurtje, moest binnenrijden, de pitstop duurde lang door die reset en dan mocht hij weer de baan op. Hij werd dertiende, wat toch al weer vijf plaatsen gewonnen is vergeleken met zijn positie op het startgrid en wat beter is dan zijn ploegmaat Alonso, die de wedstrijd niet kon uitrijden.

Stoffel had deze reactie klaar: “Het positieve is dat we de race hebben kunnen uitrijden.” Nou ja. Begrijpelijke reactie misschien voor een neofiet, maar hoe onbegrijpelijk is die toestand bij McLaren en Honda niet? Ik bedoel: je hebt maanden de tijd om een motor te ontwikkelen, die in te bouwen in een carrosserie, daar allerlei elektronica op te zetten en zeg nu niet dat het hersenchirurgie is, want de meeste van die dingen bestaan of zijn al een keer door anderen voorgetoond.

En dan slaag je er nog niet in om iets in elkaar te steken dat blijft rijden en als het even kan aan een respectabele snelheid.

Wat zei Vandoorne nog, als baken van rust en begrip: “De wedstrijd eindigen hadden wij niet verwacht. Tijdens de wintertests hebben we maximaal elf ronden achter elkaar gereden en nu uitrijden is een eerste stap vooruit.” Gevolgd door specialistentaal: “We hebben de pace nog niet, de package is nog niet goed genoeg en er is nog veel werk aan de winkel.”

Honda, dat in mijn straat nochtans een ijzersterke reputatie heeft inzake grasmachines, is nu de risée van de Formule 1.

Bij uitbreiding geldt dat ook voor Japan. De trots van het land van de rijzende zon slaagt er niet in om een motor te ontwikkelen en sneller te zijn dan ook maar één andere auto in de F1. Dat is wat Fernando Alonso gisteren ten minste zei. “Normaal eindigen wij laatste en voorlaatste.”

Op de pre race press conference enkele dagen geleden zaten enkele rijders samen en kregen de vraag wat er zou kunnen veranderen aan de F1. “V12-motoren,” zei er één. “Maar geen elektrische,” zei een andere. “En geen Honda”, zei Lewis Hamilton ook nog en iedereen gierde het uit. “Just joking”, voegde Hamilton er aan toe.

No, not joking at all.

Dat moet onze eerste en enige Vlaming in de Formule 1 weer overkomen: talent te koop, maar ze hebben een grasmachine onder zijn kont gestoken.

Het zal ons leren, ook deze krant en ondergetekende, om al te enthousiast zonder veel kennis van zaken hele pagina’s vol te pennen over het nieuwe wonderkind van de F1. Wonderkind of niet, Stoffel  is een groot talent en geniet nog steeds het voordeel van de twijfel, maar als je in de F1 geen competitieve auto hebt, ben je veroordeeld tot gerommel in de marge. De F1 is tegelijk technisch de meest eerlijke en sportief de meest oneerlijke sport van de wereld. U zal in deze krant nog wel eens een verhaal lezen over de F1, maar met de Stoffelhype is het nu even goed geweest.

Column Niet alles is te koop in De Morgen van 20 maart 2017

Niet alles is te koop

Sympathie hebben voor een van beide teams is des columnisten. Bijvoorbeeld: welke club in de bekerfinale verdiende sympathie op basis van het spel? Lastig, want de twee clubs hielden elkaar in evenwicht. Dan maar verder gezocht: welke club verdiende het meest om de beker te winnen op basis van bestuurlijke inspanningen zoals elke euro omdraaien, onbekende spelers lenen en beter maken, uit dat samenraapsel een competitieve ploeg puren en ook nog een tribune vernieuwen en een modern oefencomplex bouwen?

Zulte Waregem!

En daarom vond ik het terecht dat Zulte Waregem won en niet KV Oostende en daarom heb ik het tweetje gepleegd ‘Gelukkig is niet alles te koop in het Belgisch voetbal’ en daarom kreeg ik reacties (meer dan de helft met taalfouten) gaande van ‘onnozel kieken’ tot ‘goed gedaan, die Coucke op zijn nummer zetten’.

Dat laatste was helemaal niet de bedoeling. Marc Coucke weet dat ik sympathie koester voor zijn authenticiteit. Zoals ook voor het sprookje van KV Oostende met zijn kleurrijke figuren in de hoofdtribune en zijn businesscommunity die zo is weggelopen uit een film van Fellini.

Marc Coucke weet ook wat ik over zijn club denk – dat een sprookje zelden een meesterwerk wordt – en dat het succes van KV Oostende kunstmatig is en niet duurzaam zonder zijn miljoenen. (Dat geldt voor nog enkele ploegen, maar die speelden geen voetbal dit weekend.)

Ik citeer uit eerder werk, een column van eind vorig jaar toen een aantal clubs hun jaarrekeningen presenteerden:

“(begin citaat) Vorig jaar 4,5 miljoen euro verlies, nu 7 miljoen en volgend jaar komen daar nog eens de verbouwingskosten voor het stadion bij. Als KV Oostende ooit Europees wil spelen, zullen ze toch eens moeten uitleggen of die verliezen aanvaardbaar zijn. Ze zitten nog niet aan 30 miljoen euro over de laatste drie seizoenen, de grens voor de Financial Fair Play (FFP), maar dat hoeft ook niet om op de vingers te worden getikt: verlies moet enerzijds aanvaardbaar zijn en moet anderzijds worden gedekt door eigen vermogen. De levensvatbaarheid van KV Oostende als topclub blijft precair. Zonder de Couveuse Coucke is dit baby-topteam veroordeeld tot kansarmoede (einde citaat).”

De KVO-community heeft dit niet opgepikt of niet begrepen, dat laat ik in het midden. Dat Coucke een Gentenaar is die investeert en geen Chinees is een meevaller voor ons voetbal, maar is naast de kwestie. Investeringen in voetbalclubs zijn aan andere regels onderworpen dan appartementen bouwen of pretparken openen. Of nog: sportvoeding verkopen. Coucke heeft ooit met Etixx in Engeland meer aan promotie uitgegeven dan er ooit aan sportvoeding is verkocht, maar dat is een sector waar de FFP niet van toepassing is.

Voetbal is anders, meer gereguleerd en maar goed. Als KV Oostende Europees speelt (vooralsnog niet, tenzij ze bij de eerste vier eindigen of Zulte Waregem kampioen wordt) komen ze op de radar van de Financial Fair Play van de UEFA. Dat is een set regeltjes opdat investeringen in het voetbal een economische logica zouden volgen waardoor je niet zomaar geld kunt uitgeven om een team bij elkaar te kopen in de hoop dat daar ooit inkomsten tegenover zullen staan.

De 30 miljoen euro schuld die mag worden opgebouwd over drie seizoenen is een bovengrens, op voorwaarde dat de put wordt gedempt door eigen vermogen. In Oostende betekent dat bijpassen uit de diepe zakken van Marc Coucke. Gebeurt dat niet, dan ligt de bovengrens bij 5 miljoen euro gecumuleerd verlies over drie seizoenen en daar zit KVO alleen al met de laatste jaarrekening ruim boven. Even terzijde: speculeren op een dure transfer van Landry Dimata telt ook niet. Dat alles met de edele bedoeling de teams minder afhankelijk te maken van hun suikerooms zoals Coucke.

Tot zover de Europese regels, op maat van Europese omzetten die al snel rond de 100 miljoen draaien. In de realiteit bedraagt de gemiddelde omzet van de 98 clubs uit de vijf grote voetballanden 155 miljoen euro. In België is de gemiddelde omzet 20 miljoen
euro, vijf keer minder dan de hypothetische 100 miljoen. Als de Jupiler Pro League ooit de moed zou hebben om eigen strenge FFP-regels te hanteren, dan zou de toegestane schuld (met inbreng van eigen vermogen) 6 miljoen euro (30 gedeeld door 5) over drie jaar bedragen. In dat geval zou KV Oostende zijn uitgaven moeten laten zakken naar een niveau in overeenstemming met zijn voetbalgerelateerde inkomen. Volgens een ruwe schatting zou dat ongeveer de halvering van de Oostendse salarissen betekenen. Zo simpel of zo ingewikkeld is voetbal, maar niet aan zee. (Voorlopig.)

 

Niet alles is te koop

 

Column Aandachtszoekers in De Morgen van 18 maart 2017

Aandachtszoekers

Onder een bank in een kleedkamer ergens in het Kortrijkse staan nog een paar schoenen van mij. Dat kwam zo. Wij hadden nog één wedstrijd te gaan en er was niks meer te winnen of te verliezen. Aan de andere kant van het net (het was volleybal) stond een team dat bij winst niet zou zakken. Er was een halve afspraak binnen de basis dat we niet te hard ons best zouden doen, uit medelijden.

Dat verdween al snel omdat het agressieve thuispubliek ons van bij de eerste punten danig op de zenuwen werkte. Ik werd bij de opslag een bak bier beloofd om te missen, maar ik dronk/drink geen bier en ik serveerde een ace (ook wel per ongeluk). Het spel zat op de wagen. Aldus besloten we tijdens de eerste time-out nog eens onze kop ervoor te leggen. Resultaat: 1-3 gewonnen en dat andere team zakte. En toen moesten we gauw onze spullen in de kleedkamer bij elkaar grabbelen en het pand zo snel mogelijk verlaten. Mijn schoenen en mijn sokken ben ik vergeten.

Daar moest ik aan denken toen ik gisteren het radionieuws hoorde openen met de ondervraging van Joseph Allijns, voorzitter van KV Kortrijk, over de vermeende omkoping van enkele van zijn spelers in de verloren wedstrijd tegen Moeskroen. De federale politie voerde al informele gesprekken bij beide clubs en ook de anticorruptiecel van de UEFA was ermee bezig.

Dat laatste is een geruststelling: als Karl Dhont uit Loppem op de tafel is gesprongen, is er meestal weinig aan de hand, behalve dan een gebrek aan aandacht. Ooit schatte hij de Aziatische gokindustrie op drie keer de omvang van Coca-Cola – wat een rare vergelijking was – terwijl zijn vrienden van Europol becijferden dat tussen 2008 en 2011 aan 0,014 procent van de wedstrijden in het Europees voetbal een reukje zat en dat er in die vier jaar wel 8 miljoen euro in die business was omgegaan. Matchfixing en omkoping, het is maar hoe je het bekijkt, is een verwaarloosbaar probleem dat de sport over zichzelf afroept en waar enkele aandachtszoekers hun USP (uniek verkoopargument) van hebben gemaakt.

Wat overigens niet wil betekenen dat er bij KVK-Moeskroen niks is gebeurd of dat de spelers van Kortrijk er niet met hun klak naar hebben gesmeten. Dat laatste lijkt nog de meest plausibele verklaring: spelers die geen zin meer hebben, spelers moe na op zwier met de receptioniste van de plaatselijke garage, trainingen wat losser, een deel van de spelersgroep die de trainer buiten wil, wie zal het zeggen?

En jawel, misschien was er ook her en der een makelaar die belangen heeft bij beide clubs en die heeft laten uitschijnen welke uitslag hem het best zou uitkomen. Dit krijg je met een economisch systeem waarbij je makelaars de hele voetbalbusiness laat sturen. Schaf de transfer af en het probleem is opgelost.

Wedstrijden als KV Kortrijk-Moeskroen zijn ook onvermijdelijk in een competitiesysteem waarbij een ploeg die klaar is in het veld moet tegen een andere ploeg waarvoor winst van levensbelang is. Het effect daarvan is niet te onderschatten: die jongens aan de overkant met hun beperkte mogelijkheden hun stinkende best zien doen, dat wekt empathie op. De ene ploeg die vecht voor haar overleven
en de andere die haar schaapjes al op het droge heeft, is ook een nefast gevolg van het achterhaalde systeem van stijgen en dalen. Volgens economische criteria verdienen Westerlo of Moeskroen geen van beiden om in eerste klasse te blijven, maar misschien nog meer Moeskroen als vierde Waalse club.

Het ergste aan deze hele overtrokken zaak is natuurlijk dat het meest gesubsidieerde vermaak van het land blijkbaar niet in staat is tot zelfreiniging. Nu voert de federale politie godbetert (informeel) onderzoek naar omkoping van een voetbalwedstrijd die het bekijken niet waard was. Kan het nog gekker? Ze hebben daar bij de federale zowaar een cel voetbalfraude en die zat wellicht om wat actie verlegen. Zou eens iemand het nut van die cel in vraag willen stellen, alstublieft?

Een sport die niet de tempel van maagdelijke zuiverheid is en daar zelf grotendeels de schuld voor draagt door een wankel economisch systeem en het dulden van allerlei vreemde constructies en duistere figuren, moet zich niet tot de gemeenschap wenden om van haar rotzooi af te geraken.

Waarom koers niet op de VRT moet in De Morgen van zaterdag 18 maart 2017

Waarom koers niet op de VRT moet

Eurosport heeft het wielerhuis gekraakt: Milaan-Sanremo zit vanmiddag niet langer op de VRT. De Vlaamse wielerfan zal moeten wennen aan een ander zendernummer, andere stemmen en een andere kijkgewoonte.

Op vrijdag 31 maart zal Canvas de twaalf uur of langer durende fietstocht van VRT-sportjournalist Ruben Van Gucht over het vernieuwde parcours van de Ronde van Vlaanderen in beeld brengen. Op de Sporza-site staat: “Canvas brengt heel zijn Ronde live in beeld in een rechtstreekse uitzending van 12 uur. Met beelden van de motor en de helikopter, maar ook vanaf de fiets van Ruben. Zoals het bij een echte wieleruitzending hoort, zijn er ook commentatoren.”

Sven Nys is al aangezocht om een duo te vormen met Goedele Wachters. Er zal publiek zijn voor Van Gucht, want in de heuvel- en kasseizone krioelt het van de wielertoeristen op de vrijdag voor de Ronde. Het kind heeft een naam: #Voorderonde. #Voor1april had ook gekund, maar er zou geen verband zijn.

Neen, het is de VRT bittere ernst. “#Voor de ronde is de eerste echte ‘slow tv’ in Vlaanderen: een genre dat vooral in Noorwegen furore maakt met marathonuitzendingen van de mooiste boot- en treinreizen of ander nationaal erfgoed.”

Zijn ze gek geworden bij de VRT? Niet gek, misschien een beetje wanhopig. Afgezien van de vraag of wielrennen bij nóg meer slow tv gebaat is, als er sowieso al 95 procent van de wedstrijd niks gebeurt, kun je je afvragen of het tot de opdracht van de VRT behoort om deze mengeling van folklore, bezigheidstherapie en hobbyisme twaalf uur lang in beeld te brengen. Dat personeel, die camera’s en die helikopter, dat kost een cent. Het zal door andere onderbelichte sportevenementen – soms terecht en soms niet terecht – worden aangegrepen om te wijzen op de twee maten en twee gewichten waarmee de VRT naar sport kijkt.

Jeroen en Karsten

Misschien zal de VRT ter verschoning wijzen op de vrijgekomen wielerbudgetten, nu de openbare omroep de rechten van de Italiaanse wedstrijden niet meer heeft. U leest het goed: vanmiddag wordt het eerste klassieke monument gereden, de Primavera of Milaan- Sanremo, en u zal niet Michel Wuyts, evenmin José De Cauwer en ook niet Renaat Schotte of Karl Vannieuwkerke horen. Voor het eerst in een halve eeuw of zo moet u ook niet op de openbare zender afstemmen, maar op Eurosport.

Alle begrip voor de koersliefhebber die verweesd achterblijft. Uit een recente studie bleek dat die gemiddeld bijna zestig jaar oud is, geen early adopter dus. Gelukkig leest hij nog een krant, en deze redactie heeft het uitgevlooid: wie bij Telenet zit, stemt af op 210. Proximus heeft Eurosport op 70 zitten. Op voorwaarde dat de zendernummering niet is veranderd. In dat geval blijft alleen woordschilder Christophe Vandegoor op Radio 1 over.

De VRT heeft onmiskenbaar veel expertise inzake wielrennen, maar commentaar geven bij 200 mannetjes in fluolycra die op een fiets om ter eerst rijden, is ook geen hersenchirurgie. Probeer nu eens gewoon Jeroen Vanbelleghem en Karsten Kroon op Eurosport. Ze beginnen eraan om 14.15 uur. Die Vanbelleghem is (nog) geen household name maar kent zijn renners en spreekt keurig Nederlands: hij kan de zoon van Michel zijn, maar is een goede commentator. En doe niet moeilijk over Kroon. Die kent evenveel (of zelfs meer) van de moderne koers als José De Cauwer, en Waaslands of Noord-Nederlands verschillen niet zo heel veel van elkaar. Zelfs aan de onderbrekingen voor reclameboodschappen went u na een tijd.

Het is bijna niet te geloven, maar het zal toch gebeuren en wel vandaag: er zal worden gekoerst zonder de VRT. Dat is vorige week al uitgeprobeerd en dat lukte behoorlijk in de Strade Bianche en Tirreno-Adriatico. Het was wennen, vooral dan voor de VRT. Van Greg Van Avermaet die de ploegentijdrit met zijn BMC won, waren geen beelden te zien in Het Journaal. Ook samenvattingen kosten geld. Vreemd genoeg werd de overwinning ook niet woordelijk vermeld, wat perfect had gekund. Alsof de VRT iets wilde poneren: brengen wij het niet, dan is het niet gebeurd.

Renaat Schotte, die zich in mei ook die heerlijk relaxte Giro door de neus geboord ziet en nu naar Milaan-Sanremo is afgereisd voor interviews, is als vaste kracht voor de Italiaanse koersen het grootste slachtoffer. Hij mocht woensdag wel Nokere Koerse ‘doen’.

Vannieuwkerke heeft geen last van het verlies van de uitzendrechten. Die is niet voor één gat te vangen en omkadert vanavond de bekerfinale in het voetbal.

Hij mengde zich ook in de discussie VRT-Eurosport op de dag van de Strade Bianche. Die livereportage van de koers die Greg Van Avermaet bijna won, betekende de primeur voor Eurosport, dat zichzelf meteen lichtjes overdreven profileerde als Home of Cycling. Vannieuwkerke tweette: “Topkoersen met commerciële onderbrekingen, omdat het niet anders kan blijkbaar. Weg flow. Jammer.” En even later verduidelijkte hij: “1. er zijn koersen met spanningsboog die reclame verdraagt (vlakke ritten grote rondes). 2. essentie van sport = niet raken aan spanningsboog.”

Fijne, kleine sport

Een beetje kort door de bocht, vonden zelfs collega’s bij de VRT, wetende dat Vannieuwkerke zelf presenteert op de betaalzender Play Sports van Telenet, die niet die nood heeft aan reclameblokken. Als hij niet bij Play zit, dan bij de VRT, dat al jaren sportrechten vergaart met belastinggeld en ook nog eens mini-reclamespotjes verkoopt, waardoor er royaal veel tijd overblijft om te analyseren. Dat allemaal tot grote ergernis van de commerciële zenders, die hun omkadering noodgedwongen volstouwen met commercials.

Volgens professor Daam Van Reeth van de KU Leuven zou de Strade Bianche van 2017 (op Eurosport) in Vlaanderen tussen 300.000 en 350.000 kijkers minder hebben gehad dan de editie van 2016 (op VRT). De Omloop Het Nieuwsblad zag volgens Van Reeth dit jaar zijn kijkpubliek buiten België compleet wegsmelten. Vorig jaar was OHN in Nederland goed voor 320.000 kijkers. Eurosport, dat de rechten voor Nederland heeft, gaf, in tegenstelling tot vorig jaar, geen toelating aan de Nederlandse openbare omroep om de wedstrijd ook live uit te zenden. In Nederland keken nog geen 10.000 kijkers.

Tenzij de wielergekke Vlaming nu massaal op Eurosport afstemt – wat niet zal gebeuren – wordt wielrennen door deze evolutie op termijn herleid tot zijn ware economische proportie: een fijne, maar kleine sport, een soort biatlon op wielen.

Ten slotte nog dit. Als de VRT dan toch zo ongelukkig is zonder dat Italiaanse wielrennen, waarom heeft de openbare omroep dan niet hoger geboden? In de VRT-wandelgangen doet het verhaal de ronde dat Sporza zijn budget gehalveerd zag en wielrennen niet meer prioritair acht. De top zou helemaal niet ongelukkig zijn met wat minder wielrennen, onze regionale passie, maar ook een heel dure sport om te producen.

Welke reden ook, hier worden achterhoedegevechten geleverd. Die evolutie is al een paar jaar aan de gang, maar had het ondergefinancierde wielrennen en de kleine markt Vlaanderen nog niet bereikt: livesport hoort thuis op een sportkanaal. RCS, de Italiaanse eigenaar van die koersen, heeft zijn rechten verkocht aan de meest biedende en dat is Discovery Channel geworden, met zijn Europees sportfiliaal Eurosport.

Die evolutie is niet te stoppen en zal zich ook uitbreiden naar andere sporten. Wellicht zien we ook geen Olympische Spelen meer op Sporza/VRT en alleen nog op Eurosport. Het is dan een kwestie van tijd voor ook de interlands – zoals in Nederland – naar een commerciële zender verhuizen. Straks moet ook de Tour de France weer worden vergund, en die willen ze bij Eurosport ook maar al te graag.

 

Vlammende Vlaming, over Stoffel Vandoorne in De Morgen van 11 maart 2017

Vlammende Vlaming

Een jongetje uit Rumbeke bij Roeselare ontdekte als bij toeval dat hij heel hard en goed met auto’s kon rijden. Hij werd (bijna) de eerste Vlaming in de formule 1. De 21ste Belg ook, en misschien wel de eerste met meer talent dan geld.

Voor de deur van Worldkarts in Kortrijk hangen hangjongeren op hun fietsjes. Waarop wachten ze om naar binnen te gaan? De grootste tikt met zijn wijsvinger tegen zijn pet. “Zieje zot? Wetjehie wat dat kost?”

Worldkarts ligt aan de Spinnerijkaai in Kortrijk, een allesbehalve prestigieuze uithoek van Kortrijk. Ooit was dit het epicentrum van de vlasindustrie, vandaag ruikt het er naar het tarmac, rubber en viertaktbenzine in een lage en donkere hangar.

Het is woensdagnamiddag en dan verwacht je dat de mensensoort die ze tegenwoordig ‘kids’ noemen, zich uitleeft in de karts, misschien zoals wij destijds in de botsautootjes. Want stond het niet in de krant dat karting booming was door de successen van Stoffel Vandoorne (24)? En dat we als gevolg daarvan met ene Ugo de Wilde (14) uit Zaventem al een opvolger hebben voor onze eerste Vlaamse F1-rijder? Excuus, bijna eerste Vlaming, want de Franstalige jonkheer Christian Goethals uit Gullegem was de eerste toen hij in 1958 met een zelfgekochte Cooper-Climax eenmalig in de Grote Prijs van Duitsland meereed.

Maar die woensdag valt het toch een beetje tegen met die boom. De baan wordt ingenomen door welgeteld drie Franstalige vriendjes. Ze rijden trage rondjes en spinnen telkens weer bij de moeilijke bochten, tot ergernis van de man met dienst die een sprintje moet trekken naar de andere kant van de hangar om hun karts weer met de neus in de juiste richting te zetten. Ze hebben de actie Kinderen Baas Formule 1 geboekt. Twee keer twaalf minuten rijden, tussendoor een pannenkoek met suiker en een drankje. Kostprijs: 25 euro per kart. De hangjongeren hebben gelijk: dit kost een cent.

Bij Worldkarts, aan het einde van het Kanaal Bossuit-Kortrijk, zal op vraag van McLaren het officiële supporterslokaal van de Vandoorne-fanclub worden uitgebouwd. De eigengemaakte vlaggen en sjaals in zaal Valentino zijn verleden tijd.

Prestige, ruimte en vlotte bereikbaarheid in de nabijheid van autowegen waren eisen waar de zaal in Izegem niet langer kon aan voldoen, maar op een paar weken voor het grote debuut van de lokale rijder in de formule 1 is nog niks te zien. Het personeel weet van plannen. “De manager van McLaren is langsgeweest. We gaan hier een aparte shop openen, maar we weten nog niet wanneer en hoe.”

Toch vreemd dat in het hele gebouw niks verwijst naar Stoffel Vandoorne, die hier toch zijn eerste rondjes reed. Vooraleer Stoffel de wereld zal veroveren, zal hij eerst Vlaanderen voor zich moeten winnen. Laat hem dan maar alvast in Kortrijk beginnen.

Toevalmodel

Stoffel de schildpad uit De Fabeltjeskrant was zo traag dat de gebroeders Bever een stoommobiel voor hem maakten, zodat hij zich gemakkelijk en sneller kon verplaatsen. Stoffel Vandoorne, de rapste aller Belgen, is geboren in het jaar dat de laatste aflevering van De Fabeltjeskrant op de buis kwam. Toeval? Misschien, maar het leven van Stoffel Vandoorne hangt aan elkaar van de toevalligheden en zijn ontdekking is het product van het toevalmodel, dat in wel meer sporten van toepassing is.

Wat als zijn vader niet was gevraagd om de cafetaria van een kartingbaan in te richten? Wat als hij zijn zoontje niet had meegenomen? Wat als kleine Stoffel onwel was geworden van die weeë geur van benzine? Wat als de baas géén houtblokken op de pedalen had gemonteerd waardoor de te kleine Stoffel – 1m30 haalde hij niet en hij kon niet eens aan de pedalen – die eerste rondjes niet had kunnen rijden?

Als dat allemaal niet was gebeurd, dan was er nu geen hype, al valt het zoals met die kart-boom ook met die Stoffel-hype reuze mee. Niet voor vader Patrick Vandoorne evenwel. De man neemt zijn telefoon niet meer op, ook niet als het gaat om het checken van enkele feitjes. Trop is te veel, nu iedereen meesurft op het succes van zijn zoon. Waarvoor begrip, want waar waren wij toen de jongen en zijn ouders hun dure hobby zelf moesten bekostigen? Toen hij als 11-jarige met de 18-jarigen reed en won. Waarop die hem en zijn pa verweten dat hij 25 kilogram lichter woog en dat het zo niet moeilijk was dat hij won. Waarna ze de kart met 25 kilo verzwaarden en hij nog won. Toen ze per kartingwedstrijdje drie bandensets van elk 200 euro nodig hadden.

“Als je denkt dat het succes van Stoffel uit de lucht komt vallen en dat er geld achter zit, dan ben je mis”, zegt vader Vandoorne met een verbeten blik als het over geld en/of talent gaat. “Hij heeft gebouwd aan die carrière, stap voor stap, van als hij zes was. Hij heeft niks gekregen, alles zelf verdiend, op basis van talent. Alle goede rijders die vooraan eindigen in de formule 1, rijden daar op basis van talent. Stoffel kan wereldkampioen worden.”

Stuurwiel

Succes heeft veel vaders, ook dat van Stoffel Vandoorne. Er doet het verhaal de ronde dat hij een product is van de Zuidwest-Vlaamse neringdoeners die pa kenden en diene-klejnen-mé-ziene-hocar uit sympathie steunden. Ze heeft geholpen, hoe klein de bijdrage
ook. Daarnaast hebben ook de ouders – vader is binnenhuisarchitect en moeder bediende – flink gesponsord, maar het was vader die uiteindelijk zijn zoon zonder dat die ergens van wist, inschreef voor het Stuurwiel, een talentenjacht van de Royal Automobiel Club van België (RACB). Stoffel won die, zoals hij sindsdien ongeveer alles heeft gewonnen, tot dit jaar.

Bas Leinders, zelf ooit in de formule 1 aan de slag als tester, was in 2009 jurylid van het RACB Stuurwiel. Hij wist het toen al: “We hebben een nieuwe. Een ware revelatie: Stoffel Vandoorne steekt met kop en schouders boven iedereen uit.” De Vandoornes zelf twijfelden toen nog tussen in het karten blijven – hij kon bij een fabrieksteam meteen een salaris krijgen – of investeren in de éénzitterscompetitie. Geheel on-Belgisch, met de financiële steun van de RACB die de helft van het budget voor een F4-seizoen betaalde, kozen ze toch voor het dure en moeilijke traject.

Wat volgde waren titels, de ene na de andere. Eerst de F4, die hij won. Vervolgens de Formule Renault 2.0, wat de derde klasse is van de éénzitters. Dat was 2011, een cruciaal jaar want Vandoorne werd vijfde, niet slecht maar geen garantie voor de toekomst. In zijn tweede seizoen pakte hij de titel en de bijbehorende premie van 500.000 euro, zij het met wat geluk. Voor de laatste wedstrijd in Barcelona gingen de kwalificaties de mist in en in de race zelf tikte Vandoorne een andere auto aan waardoor het over en out was voor hem. Zijn Russische concurrent Daniil Kvjat (ook in de F1, maar bij Scuderia Toro Rosso) moest bij de eerste acht eindigen om hem te kloppen maar ging finaal de mist in.

Juist snel genoeg

Na dat jaar werd Stoffel Vandoorne opgenomen in het McLaren Young Driver Programme. De leerling industriële wetenschappen uit het VTI in Roeselare had indruk gemaakt, niet alleen met zijn hoofdprijs, maar vooral met zijn zelfgeschreven technische analyses van de races. Toen werd voor het eerst gesuggereerd dat België wel eens een nieuwe F1-rijder zou hebben. Het zou nog vier jaar duren. Meer persoonlijk geld had kunnen helpen, maar het is de verdienste van Vandoorne dat hij incontournable werd door zijn talent.

Hij startte in de Formule Renault 3.5 en werd tweede achter  Kevin Magnussen (nu bij Haas in de F1). In de twee jaar daarna werd hij tweede en eerste in de GP2 of Formule 2.0, dé wachtkamer van de F1. McLaren wilde hem definitief in hun stal, maar dan wel op de reservebank, in tegenstelling tot de meeste winnaars van de GP2 die meteen doorschuiven naar het grote werk. Dat deed hij zonder morren – McLaren loofde zijn professionele instelling – en hij won en passant ook een paar races in de Super Formula in Japan.

Tegelijk werd hij in de F1 als derde rijder op gelijke voet met Fernando Alonso en Jenson Button behandeld. In Bahrein vorig jaar mocht Stoffel Vandoorne, toch al 24, debuteren in de F1: hij viel voor de eerder gecrashte en gedeukte Alonso in en scoorde het eerste WK-punt voor McLaren dat seizoen door tiende te eindigen. Meer dan die plaats maakte hij indruk door alles uit de wagen en de banden te halen wat er inzat.

Formule 1 is veel meer dan zo hard en zo veilig mogelijk op het gaspedaal duwen en af en toe eens remmen. Door de complexe combinatie van brandstof, motor, banden en reglementaire beperkingen komt het erop aan om zoveel mogelijk rondjes een zo hoog mogelijk rendement uit de auto te halen. Banden sparen en benzine sparen, dat is de eerste vereiste in de huidige formule 1.

Een paar rondjes te hard rijden breekt je aan het eind meestal zuur op. “De kunst van juist snel genoeg rijden, is iets wat Stoff (het koosnaampje gebruikt door McLaren, HV) beheerst”, aldus teambaas Ron Dennis in Het Laatste Nieuws. “In Bahrein bewezen de computerdata dat hij niet één fout heeft gemaakt. Dat is uitzonderlijk.”

Werk aan de winkel

Maar hoe goed is Stoffel Vandoorne nu? Hijzelf dacht dat hij al langer klaar was voor een zitje en uitte dat op een rustige, bescheiden manier. Niemand met kennis van zaken die twijfelt: Vandoorne is erg goed, een supertalent. Op 26 maart, de dag dat hij 25 wordt, zit hij voor het eerst als eerste keus in een formule 1-bolide.

Jos Claes is een Belgisch ingenieur die werkt voor Dallara, de bouwer van de auto’s voor de GP2, World Series Renault en Super Formula, de categorieën waarin Stoffel Vandoorne de laatste jaren zijn successen behaalde. Hij zag zijn landgenoot vorig jaar aan het werk in Okayama in Japan. “Hij is fit en geconcentreerd en van nature heeft hij zoveel talent dat er een groot deel van zijn brain capacity overblijft om de anderen rondom hem in te schatten en in het oog te houden en tegelijk te analyseren hoe zijn auto rijdt. Dat brengt hij dan in detail over aan de ingenieur, die daarmee zijn eigen job beter kan uitvoeren. Stoffel kan goed het onderscheid maken tussen de belangrijke zaken en de mindere. Een auto is nooit perfect en Stoffel verstaat dat hij hoogstens twee van de drie problemen opgelost kan krijgen.”

Her en der wordt gespeculeerd op een scenario à la Max Verstappen, het Nederlandse F1-talent dat de voorbije twee jaar hoge ogen gooide. Een jongen uit Rumbeke en de eerste Vlaming in de F1 in een tot op heden overwegend Franstalig milieu zal in zijn eerste jaar een paar wedstrijdjes winnen en doorgroeien tot de grote schaduwfavoriet voor de wereldtitel. Dat is de verwachting, maar dat is allesbehalve realistisch.

De formule 1 is niet de GP2 of de Super Formula, waar alle rijders dezelfde auto krijgen en vaak de beste wint. In de F1 komt 15 procent van het presteren voor rekening van de rijder en de rest wordt bepaald door de auto en het team. Het toeval wil nu dat McLaren, na jaren aan de top zoals toen Jacky Ickx er reed, al een eeuwigheid niet meer het niveau haalt waarmee ze hun mythische reputatie hebben opgebouwd.

Het tweede meest succesvolle team uit de geschiedenis van de F1 heeft al 78 grand prixs – vier seizoenen op rij – geen wedstrijd meer gewonnen. McLaren doet er alles aan, maar blijft voorlopig achteroplopen inzake aerodynamica en aandrijving bij pakweg de Mercedes van Lewis Hamilton en Valtteri Bottas of ook de Red Bull van Daniel Ricciardo en Max Verstappen.

De nieuwe MCL32-bolide met de Honda-motor werd nochtans voorgesteld als de opvolger van diezelfde mythische combinatie auto- motor waarmee Senna en Prost jarenlang de circuits hadden gedomineerd. Maar de eerste tests waren niet positief en inmiddels is al de zesde Honda-motor gemonteerd.

Jos Claes: “Aan die tests moet voorlopig niet te veel aandacht worden besteed. Geen enkel team heeft zin om te tonen tot wat het in staat is. Maar om Vandoorne op een podium te krijgen is natuurlijk wel nog veel werk aan de winkel bij McLaren. Aan zijn intrinsieke talent zal het alleszins niet liggen.”

Column over Barça-PSG in De Morgen van 12 maart 2017

Le cadeau/El regalo

Het grootste verschil tussen voetbal en andere bal/ploegsporten als basketbal en volleybal is de time-out. Als Unai Emery van PSG time-outs had gehad, was Barcelona nooit aan zes goals geraakt. Maar als Luis Enrique drie weken geleden time-outs had gehad, dan was Barça ook nooit weggespeeld met 4-0.

Misschien moeten we blij zijn dat het meest oneerlijke spel van de wereld geen time-outs heeft want dan hadden we nooit over mirakels gesproken en nooit de comeback van de eeuw beleefd. Een time-out stopt de klok. De man langs de lijn kan in die ene minuut – of soms korter – transformeren van trainer-tacticus tot inspirator- motivator en indien nodig kan hij de confrontatie opzoeken met zijn supersterren die niet thuis geven. Na een time-out kan een team met een totaal andere ingesteldheid op het veld komen.

Misschien moeten we ook blij zijn dat video refereeing niet is ingevoerd. In dat geval was het wellicht 1-1 geworden al vroeg in de eerste helft, want dan had PSG een strafschop gekregen. Wie beweert dat Thomas Meunier in de tweede helft geen strafschop beging omdat hij ongelukkig voor de voeten van Neymar viel, moeten we teleurstellen. Nergens staat beschreven dat je een speler opzettelijk moet neerhalen om te worden bestraft. Domheid en/of onhandigheid is een basisrecht, maar je moet niet overdrijven en bij voorkeur niet in de grote backlijn. Dat struikelen van Meunier had de videoref wél als strafschop bevestigd.

Die op Luis Suárez in de negentigste minuut daarentegen was na het checken van de beelden zeker geannuleerd. Oké, Marquinhos legt even de hand op de schouder van Suárez, die vervolgens inhoudt, lichaamscontact zoekt en zich laat vallen. Onbegrijpelijk
van Marquinhos, maar nog onbegrijpelijker van de scheidsrechters die daarin zijn getrapt. Zou de controleur het aandurven de scheidsrechters in het mirakel van de eeuw een slecht rapport te geven?

Abstractie gemaakt van het hart dat sneller klopt bij zo’n stunt, de afkeer van dat samengekochte PSG en hun arrogante reactie na de heenwedstrijd, en de voorkeur voor Barça (ook bij steller dezes) gebiedt de eerlijkheid: dit was geen mirakel maar een samenloop van omstandigheden. Ongelukkig voor de ene partij, gelukkig voor de andere. Dit was een stunt met een heel vreemde afloop, geüpgraded naar mirakel omdat de media leven van overdrijving.

Aan de 4-0 van drie weken geleden heeft PSG meer verdienste dan Barcelona aan de 6-1 van woensdag. PSG heeft woensdag
niet alle maar toch veel ellende over zichzelf afgeroepen door maar één van de vele opgelegde kansen te scoren, door veel te verdedigend te beginnen en door het opeenstapelen van fouten. Op een deel van de eerste helft na kan geen mens beweren dat we het allergrootste Barça in actie hebben gezien.

Een collega vergeleek Neymar met Michael Jordan, twee mannen van de do or die, de buzzer beaters, de money time, het moment waarop de allergrootsten opstaan om het verschil te maken. Ik was in 1998 bij hét Game Six van de Bulls-Jazz NBA Finals. Op vijftien seconden van het einde stal Jordan de bal. Hij had daarvoor een nul op vijf gegooid, maar bon, hij was de Messi én de Ronaldo van zijn sport, dus bleef de bal weer bij hem. Jordan dribbelde naar de overkant en eenmaal op shotafstand gaf hij zijn verdediger Bryon Russell een zetje alvorens te scoren.

Achteraf in de perszaal wilde ik bij het herbekijken van de beelden de discussie aangaan met een Amerikaanse collega naast mij. “Dit was a charge (een aanvallende fout), ja toch?” Waarop de Amerikaan, met een licht sarcasme in de stem: “Waar jij over begint? This is a storybook ending.”

Als u uw pret niet verder wilt laten vergallen, stop dan nu met het lezen van deze rubriek en ga een latte zetten. Ver voorbij het sprookjesachtig einde van het mirakel is dit de realiteit: net zoals de Jazz in juni 1998 heeft PSG het woensdag weggegeven, net zoals toen hebben ook nu de scheidsrechters gefaald. La remontada was el regalo of le cadeau. Misschien ligt het echte mirakel wel in hoe de allergrootsten van de aarde steeds weer de wereld naar hun hand kunnen zetten.