Interview Museeuw-Peeters in De Morgen van 24 dec 2016

Wat voorafging

In 2007 bekende Johan Museeuw dat hij op het einde van zijn actieve carrière als topwielrenner naar verboden middelen had gegrepen. Na zijn openbare biecht voelde Museeuw zich enigszins in de steek gelaten, niet het minst door zijn gewezen kamergenoot Wilfried Peeters, met wie hij dikke vrienden was.

‘We hebben iets te weinig met elkaar gebeld’

Tien jaar deelden Johan Museeuw (51) en Wilfried Peeters (52) lief en leed en sliepen ze meer met elkaar dan met hun vrouwen. Toen werd er één op doping betrapt en kwam een beetje ruis op de broederband. ‘De media wilden een wig tussen ons drijven.’

Johan, ik heb je horloge nog, maar ik heb nu een andere aan.”

Wilfried Peeters klinkt verontschuldigend als hij zijn pols toont. Tegen ondergetekende: “Ik ben gek op horloges en Johan heeft mij ooit een dure Breitling cadeau gedaan. We reden een koppeltijdrit. Waar was dat nu weer, Johan?”

Johan Museeuw: “Baden-Baden, de Breitling Cup.”

Wilfried Peeters: “Ik had er toch moeten aan denken om het juiste horloge aan te doen.”

Johan Museeuw glimlacht minzaam. Er is hoegenaamd geen kilte als ze elkaar in het lieflijke Bazel treffen, halfweg Nevele en Mol. Het horloge verraadt een hiërarchie die nooit meer zal verdwijnen – die van de kopman en zijn luitenant-dienaar – maar deze ontmoeting is ook al weer dertien jaar nadat de laatste van het broederpaar is gestopt.

De tijden zijn veranderd en zo ook de hoofdrolspelers. Peeters-de-wegkapitein is inmiddels een gevierd ploegleider geworden in het team van Patrick Lefevere. Museeuw-de-kampioen reist Europa rond en fietst overal waar men hem vraagt. Soms heeft hij ook een mening over het werk van zijn kompaan van weleer en soms valt dat niet goed. Met de nadruk op soms, want terwijl de wereld rondom hen dacht dat er ruzie was, dronken zij af en toe koffie met elkaar.

Dubbelinterviews sloegen ze af en waarom ze dan voor deze krant toch gingen zitten, voor een gesprek over toen en nu, over wat er al die tijd goed en dan heel even fout ging, behoort tot het colloque singulier. Laten we het erop houden dat het terug te voeren is op een gemeenschappelijk dieptepunt, straks alweer tien jaar geleden.

Ze zijn ook nog eens beiden aangestoken door een virus. De ene heeft het op de stembanden maar zal daarom niet minder spreken, de andere lag een week in de zetel en heeft geen fiets gezien. Het is Johan Museeuw die terwijl hij de wijn kiest, van wal steekt met een filosofische beschouwing. “Weet je wat ik heb geleerd? Dat gezondheid het belangrijkste is in je leven. Een vallingske is banaal, maar ik heb wel een week niet kunnen sporten en dan voel ik mij echt slecht.”

Kwestie van het ijs te breken dat er amper ligt, beginnen we met een YouTube-filmpje uit hun wonderjaar 1996. Modest, een typetje gespeeld door Kurt Defrancq, is bij de Tourstart van 1996 in Den Bosch. Hij bezoekt de kamer van twee renners: Johan Museeuw en Wilfried Peeters. Hij verwondert zich over de naakte vrouw die tussen hen in hangt (daar speciaal opgehangen), over de Playboys (daar speciaal gelegd), over de badkamer, over het toilet, over de koffer van Museeuw met Calvin Klein-ondergoed. Ondertussen liggen de twee renners op hun bed en kijken geamuseerd toe.

Peeters: “Godverdomme jongens, kijk eens hoe mager ik toen stond. Ik ben laatst nog eens op de fiets gesprongen toen we met de ploeg in Calpe waren. In mijn eentje, kwestie van geen vergelijkingspunten te hebben. (zucht) Jij bent veel minder veranderd dan ik, Johan. Fiets je nog veel?”

Museeuw: “Ik ben ook veranderd, wat wil je, maar die vrouw aan de muur is wellicht nog het meest veranderd. (Alleen mannen aan tafel, dus lachen.) Ik fiets nog drie keer per week, rustig. Het hoeft allemaal niet meer. Weet je wat ik mij herinner van die tijd? Onze eerste laptop die we mee hadden op de kamer. Een Toshiba, zo groot en zo zwaar, dat weet ik nog. Dat moesten we hebben natuurlijk. We waren ook de eersten met een hartslagmeter. En de eerste gsm, jongens, dat was ook een ontdekking.”

Peeters: “Cipo.”

Museeuw: “Ja, Mario Cipollini was de eerste die een gsm had. Op training ging ineens de telefoon af. Hij greep in zijn achterzak, nam die telefoon, trok de antenne eruit en riep ‘prooontooo!’ Wij grote ogen trekken.”

Peeters: “Ik belde later naar huis en ik zei: ‘Moet je horen wat ik heb gezien: Cipo belde met thuis vanop de fiets, helemaal draadloos.”

Museeuw: “Dat was in 1993, ons eerste jaar samen in de ploeg. Een gsm was in België nog niet te krijgen, maar kort daarna had je die wel al in Luxemburg. Hup, wij tweeën naar Luxemburg om zo’n ding te halen.”

Peeters: “We hadden wel een Luxemburgs adres nodig waar we die op inschreven, maar Patrick had een vriend die daar woonde, een bloemenwinkel, en dat adres gaven wij op. We hadden toen een tijdlang allebei een 0352-nummer en zo’n grote Motorola-gsm. Het eerste wat ik niet meer moet hebben als ik uit de koers weg ben, is die gsm. Dan kunnen ze mij niet meer bereiken.”

Museeuw: “Vergeet het. Je kunt niet meer zonder dat bakske.”

 

Jullie kamer was wel rommelig toen.

Peeters: “Daarin vonden we elkaar meteen. Aan het eind van de Tour zat een halve koffer van mij bij hem en omgekeerd. Ik ben ooit met een linkse schoen van mij en een rechtse van hem thuisgekomen.”

Museeuw: “Er zat minimaal verschil op onze orde.”

Peeters: “Maar dat was de schoonste tijd van mijn leven, veel beter dan wat ik nu meemaak. Toen ik in 1998 alleen naar de Tour moest omdat hij op zijn knie was gevallen in Roubaix, was ik eenzaam. Ik lag toen wel met Stefano Zanini op de kamer en die heeft mij Italiaans geleerd.”

Museeuw: “Wij reden met Italianen in een Italiaanse ploeg, maar eigenlijk spraken we in het begin geen woord Italiaans.”

Waren jullie van in 1993 de beste vrienden?

Peeters: “Hij vond mij een een blagueur. (naar Museeuw) Dat is waar, toch? Ik stond er in het peloton om bekend dat ik veel praatte en Johan zei niks, nog minder dan nu. Maar goed, Patrick Lefevere dacht dat ik hem kon helpen om in de klassiekers in de finale bij te staan en ik kwam bij de ploeg. Zijn vaste slaapmaat was Dirk Demol maar die was meestal reserve en zo ben ik op de kamer van Johan beland.”

Museeuw: “We zaten we meteen op dezelfde golflengte. We konden al eens lachen, trokken ons niet te veel aan, we hadden allebei geen orde en we hadden dezelfde interesses. Bovendien zorgde hij goed voor mij. Ik vergat soms gewoon het kamernummer of ik vond mijn sleutel niet meer en dan was Wilfried er om mij uit de nood te helpen. Op de fiets hadden we dezelfde ingesteldheid: er moest worden gewerkt. Wij waren de eersten die in december samen naar Calpe trokken om te trainen en we huurden daar een penthouse voor een hele maand.”

Peeters: “Paraiso Mar, het staat er nog. Het ging eigenlijk anders. Johan vroeg wat ik ging doen. Ik zei: ik ga naar Calpe om daar te trainen. En hij weer: goed idee, ik ga mee.”

Peeters: “In een penthouse met vier slaapkamers. Ik dacht dat we toen zesduizend frank betaalden voor een maand, 150 euro. Als ik daar ben voor de begeleiding van een fietsvakantie en we rijden er voorbij, kan ik het niet nalaten om daarover te beginnen. Wij deden dat uit onszelf: je kon er veel beter trainen, we werden met rust gelaten. Onze vrouwen waren er soms bij, soms niet. We namen een verzorger mee, meestal Dirk Nachtergaele en die kon gratis logeren. Hij nam dan wat vakantie en ’s avonds masseerde hij ons. Elke dag deden wij onze kilometers.”

Peeters: “Het was echt trainen, elk dag weer. Tom Steels is een keer meegekomen en na drie dagen was hij helemaal de nek af gereden. Maar even later won hij wel een etappe in de Ronde van Middellandse Zee.”

Waren jullie allebei trainingsbeesten?

Museeuw: (haalt de schouders op) “Ik reed graag en veel, soms hard, soms minder hard.”

Peeters: “Johan, er waren geen vijf coureurs die jou konden volgen op training. Ik ben veel sterker geworden door met jou op te trekken. Hoe-veel bleven er naast jou rijden?”

Museeuw: “Niet veel, maar als je een grote motor hebt, kun je meer. De kunst is om je lichaam te kennen en ik wist wat mijn motor aankon.”

Jullie zaten niet alleen een heel jaar op elkaars lip, jullie brachten ook nog eens de meeste vakanties samen door. Hoe gek is dat niet?

Peeters: “Er bestaat misschien een ander beeld van hem, maar Johan is erg gemakkelijk. Hij vroeg wat ik zou doen en ik zei iets en hij antwoordde: oké. Skiën deden we in Livigno en hij ging mee. Wij konden het met elkaar vinden, de vrouwen hadden een goeie band en de kinderen speelden samen.

“Johan paste zich ook aan. Hij verdiende veel meer dan ik, maar een goedkoper hotel was voor hem ook goed.”

Museeuw: “Ik vond het altijd best en ik vond het ook wel makkelijk dat iemand de beslissingen nam. Ik herinner mij niet één keer dat we woorden hebben gehad. Niet over wat we wilden doen, niet over geld, dat werd allemaal onder vrienden geregeld.”

Misschien omdat de hiërarchie bekend was. Museeuw was de afmaker, Peeters de aanbrenger en de wegkapitein.

Peeters: “Ik was één jaar beschermde renner, bij Telekom. Om koersen te winnen. Het werd mijn slechtste jaar want ik kon niet met de druk om. De eerste koers die Johan en ik samen reden, won hij meteen en dat was mijn schuld. Ik wilde op kop rijden om hem af te zetten in de sprint maar hij wilde niet. Hij voelde zich niet goed, zei hij.

“Ik reed toch op kop, het kwam samen en ik hoorde even later over de speakers dat Johan Museeuw de sprint had gewonnen. Dat was een mooi begin.

“Er was maar één wedstrijd waar ik een beetje mijn gang mocht gaan en waar ik mij goed voelde: Parijs-Roubaix. Ik ben er tweede en derde geworden en ik had kunnen winnen. Ik koerste vaak mee tot het eind en dat was een voordeel. Zo heb ik ook Gent-Wevelgem gewonnen in 1994. Ik demarreer uit een groepje van elf, Franco Ballerini springt mee, Johan blijft zitten en de rest ook. Ik heb toen de sprint gewonnen, maar slecht gesprint. Veel te veel zenuwen, typisch.”

 

Museeuw: “Jij was wel geen knecht. Een knecht rijdt mee in de koers tot een bepaald punt. Jij reed gewoon mee tot diep in de finale. Dan ben je meer een super-luitenant. Je had minimaal één keer Roubaix moeten winnen.”

Peeters: “Ik weet het.”
Museeuw: “We zijn ook een paar keer samen naar de aankomst gereden.”
Peeters: “Zo heb ik de Omloop der Vlaamse Gewesten gewonnen. Ik mocht als eerste over de meet.”

Was jij een dankbare kopman?

Museeuw: “Wat is dankbaarheid? Dat zit soms in kleine dingen. Na mijn wereldtitel in Lugano kreeg ik een envelop met daarin postzegels. Ik wist dat Dirk Nachtergaele postzegels verzamelde en ik heb die aan hem gegeven. Een kleine geste maar hij was daar blij mee.”

Peeters: “Dat is beter dan geld geven, want als je de volgende keer weer wint en je geeft geen geld, krijg je achterklap. Die raad heb ik Tom Boonen ook gegeven. Het horloge dat ik van Johan heb gekregen, is van een andere orde natuurlijk. Hij was mijn vriend en ik was een horlogefreak, maar toen kon ik daar geen 2.500 euro aan besteden.”

Museeuw: “Kopmanschap, dat heb je, of niet. Wilfried had het talent om veel te winnen, maar hij was geen kopman omdat hij soms te zenuwachtig was in de koers. Ik vraag mij nu bijvoorbeeld af of Stijn Vandenbergh (verhuisde van Quickstep naar AG2R, HV) die verantwoordelijkheid zal aankunnen. Het is soms makkelijker om vanuit de schaduw een finale te rijden dan als ze weten dat het voor jou is. Bovendien: het besef dat ze jou in een zetel naar de aankomst brengen en dat jij het moet afmaken, daar kan niet iedereen mee om.”

Peeters: “Het is misschien een stommiteit geweest van mij als ploegleider dat ik Stijn in 2013 heb laten doorrijden met Luca Paolini. Daar is hij beginnen te denken: ik kan het ook. En dan komt de entourage er nog eens bij die zegt: denk nu vooral aan jezelf.”

Het superjaar van jullie ploeg was toch vooral 1996. Jullie komen met drie van dezelfde ploeg op de piste van Roubaix aan, Johan wint, en in Lugano wordt hij wereldkampioen.

Museeuw: (lacht) “We waren dat jaar vroeg weg in Roubaix, hè Wilfried?”

Peeters: “Ík was vroeg weg ja, samen met Desbiens en Zabel en wie komt er achter mij aan, met nog 150 kilometer te rijden: verdoeme, Johan Museeuw. Patrick riep: dat kan niet, dat kan niet, maar hij hier, trok zich daar niks van aan.”

Museeuw: “Ja maar, Erik Zabel was mee en dat was geen gewone. Ik heb dan wel geen meter kop gedaan en jullie met drie wel.”

Peeters: “Tegen het Bos van Wallers werden we teruggepakt en toen zat Johan nog fris. Andrea Tafi begon te rijden samen Luca Bortolami en Johan sprong mee. Ik ben nog elfde geëindigd. Op het WK in Lugano zat ik ook in de ploeg maar in de tweede ronde ben ik gevallen. Ik wist dat Johan goed was. Op training zat hij twintig hartslagen lager dan ik en normaal was dat maar tien. Toen dacht ik al dat hij een kans maakte.”

Museeuw: “Lugano was de perfecte race voor mij. Ik heb gereden zoals ik het aanvoelde en dat is de beste methode. Niet te veel nadenken, koersen vanuit de buik.”

Jullie kinderen koersen tegen elkaar en lijken iets minder getalenteerd dan hun vaders.

Museeuw: “Stefano rijdt bij de beloftenploeg van Mathieu van der Poel. Hij wordt beter, en ik laat hem doen. Zolang hij er plezier in schept, moet hij blijven rijden. Yannick is van een ander niveau.”

Peeters: “Stefano en Yannick hebben veel contact, op de koers en via de sociale media uiteraard. Yannick is in het veld beter dan ik ooit. Hij rijdt uiteraard bij Crelan-Vastgoedservice (Wilfried Peeters stond mee aan de wieg van die ploeg, HV) en hij was top als nieuweling en junior. Hij werd Belgisch, Europees en bijna wereldkampioen, maar vorig jaar was het ineens veel minder.

“Ik begeleid hem niet want als ik iets zeg, is het toch niet goed. ‘Ik ben Quickstep niet’, antwoordt hij als ik vind dat hij te weinig traint. Nu gaat het beter, nadat ik hem toch eens ferm heb toegesproken. Onze kinderen zijn verwend. Heeft hij een paar wielen of een kader nodig, dan zorgt pa met al zijn contacten daar wel voor.”

De idee leeft dat jullie ruzie hadden.

Peeters: “Wij ruzie? Ik ben nooit kwaad geweest op hem. Nooit. Ook niet als hij wat zei over de tactiek van onze ploeg die soms mijn tactiek was. Waarom? Omdat ik weet dat de media hem hebben misbruikt. Ze wilden een wig drijven tussen ons. Ik vind het nog altijd spijtig dat wij niet meer kunnen samenwerken, want mijn tijd samen met Johan was de mooiste van mijn leven.”

Museeuw: “Ik heb vorig jaar besloten dat ik nog wel over vroeger wil praten, maar niet meer alleen nog over het negatieve. Ja, er was de doping in onze tijd en ja, wie wilde presteren moest vroeg of laat op die trein springen. Maar ik wil het vooral hebben over het positieve dat ik heb onthouden.”

Peeters: “Die doping speelde zich af in de geest van die tijd. Zoals het vroeger niet zo verkeerd was om met enkele glazen op in de auto te stappen, om tegen 180 km per uur naar de zee te vlammen, om in het zwart te werken… Dat kan allemaal niet meer, terecht, zoals doping ook niet meer kan.”

Ben je nooit bang geweest dat ze jou op de beklaagdenbank wilden zetten om te boeten zoals Johan?

Peeters: “Ik heb gedaan wat ik moest doen en ik heb van niks in mijn carrière spijt. En voor die vent hier (wijst naar Museeuw) blijf ik het diepste respect koesteren. Had ik hem meer kunnen steunen? Misschien. Maar dacht je dat het makkelijk was voor mij? Ik had een droomjob en ik had die nodig want ik heb goed verdiend maar ik ben niet binnen. We hadden misschien wat meer moeten bellen, maar dat was al eerder verminderd. Eerst bel je vijf keer, dan drie keer, dan nog één keer, je weet hoe dat gaat.”

Museeuw: “Mij hebben ze opzij moeten zetten. Ze konden niet anders en dat snap ik ook. Ik was beschadigd uit die affaire gekomen en het was lastig om mij in een propere ploeg te handhaven. Toen was ik ontgoocheld, maar ik heb het leren begrijpen. We weten hoe het allemaal is gegaan. Ik heb getwijfeld, geef ik eerlijk toe, maar nu ben ik blij dat ik niemand heb meegetrokken.”

Je was een tijd geleden even in beeld bij BMC.

Museeuw: “Dat klopt. Allan Peiper heeft mij tijdens de uitreiking van de Kristallen Fiets nog gezegd dat hij het jammer vond dat ons plan niet is kunnen doorgaan. Ik vermoed dat het boven zijn hoofd is tegengehouden.”

Peeters: “Wat moest je dan doen?”

Museeuw: “De voorjaarsklassiekers, tactisch adviseren, vooraf en in de auto. Zou ik het nu nog doen? Ik weet het niet. Komt die vraag nog? Ik betwijfel het. Maar ik ben 51 en inmiddels dertien jaar uit de koers weg. Uiteraard zie ik op tv dingen gebeuren waarvan ik denk: doe dat toch anders. De vraag is: zou ik dat in de auto ook kunnen? Dat weet ik dus niet.

“Bovendien heb ik sinds een paar jaar niet meer de drang om van alles te willen. Ik wil maar één ding: mij amuseren op de fiets, samen met andere mensen. Af en toe moet ik weleens aan de spaarcenten zitten, maar dat is niet erg. Ik ben toch niet van plan om het allemaal mee te nemen.”

Column Tsunami op demorgen.be van 19 dec 2016

Wat een ellende, die ziekmakende tsunami aan sportprijzen

Wat een ellende. De warmste week noemen ze dat. Zelfs als Deboosere zegt dat het droog is, hangt je fiets na een simpel ritje onder de modder. Op straat loop je om de haverklap tegen verkouden mensen aan. En na vier uur doen ze buiten het grote licht uit en floept die ellendige kerstverlichting aan. Neen, dit zijn niet de vrolijkste weken van het jaar.

Komt daar nog eens bij: die ziekmakende tsunami aan sportprijzen. Collega’s hadden de tel bijgehouden: dit weekend is Nafi Thiam de vijfde prijs gaan ophalen. In oktober was Thiam als Rising Star van de Europese Atletiekfederatie gelauwerd. De internationale bond IAAF kon niet achterblijven en gaf haar diezelfde prijs. We moeten een beetje eerlijk blijven, eigenlijk zijn dit achterafprijsjes. Internationaal vragen ze zich nog altijd af of dat meisje geen two day wonder was en wij zouden ook beter een slag om de arm houden, maar zo zijn wij niet in de sportwoestijn België. Wij vonden Thiam al onze beste sportvrouw toen ze met een EK-bronsje naar huis kwam en we negeerden de allerbeste bokster van de wereld.

2016 was natuurlijk super met dat Olympisch goud, dus konden we weer niet om Nafi Thiam heen: ze kreeg van de atletiekbond de Gouden Spike, de vierde op rij al. Dat was dan prijs drie voor 2016. Vorige week kreeg ze prijs vier: de Nationale Trofee voor Sportverdienste.

Dat is met afstand de meest archaïsche en niet-transparante prijs in prijzenland. Een klein clubje buigt zich onder de auspiciën van de stad Brussel elk jaar over wie de Trofee moet krijgen. Soms slaat ze daar de bal compleet mis, wellicht door een flagrant gebrek aan sportkennis. Zo vonden ze in 2008 niemand om de prijs aan te geven. Tia Hellebaut had weliswaar goud gewonnen, maar die had hem al eens gekregen en aangezien je die geen twee keer kon krijgen, dan maar niemand, redeneerden ze. Ze zagen daarbij over het hoofd dat Ann Wauters datzelfde jaar voor de vijfde keer Europees speelster van het jaar was geworden.

Ook redelijk hallucinant zijn die amechtige pogingen om het taalevenwicht te respecteren. De laatste tien jaar is de prijs vijf keer aan een Franstalige uitgereikt en dus ging dit jaar Nafi Thiam met de Trofee lopen en niet pakweg Greg Van Avermaet of zelfs Pieter Timmers. Die had hem misschien nog het meeste verdiend voor zijn opmerkelijk parcours en zijn zilver op gevorderde leeftijd in een olympisch koningsnummer.

Nafi Thiam haalde zaterdag haar vijfde prijs op: die van Sportvrouw van het Jaar. Die prijs wordt uitgereikt na een bevraging onder de leden van de Sportpersbond, ook een raar clubje. Voetbaljournalisten willen niet weten dat er nog andere sporten bestaan en stemmen met tegenzin (of niet) op wielrenners. Omgekeerd stemmen wielerjournalisten zelden op voetballers. Journalisten die andere sporten coveren, proberen daarom zo weinig mogelijk op voetballers en wielrenners te stemmen. En Franstaligen stemmen bij voorkeur op Franstaligen.

En zo gebeurde het dat David Goffin afgelopen zaterdag de derde genomineerde was voor de Sportman van het jaar terwijl Dirk Van Tichelt in één van de zwaarste judocategorieën toch maar mooi olympisch brons had behaald. Goffin tenniste dit jaar erg regelmatig. Hij speelde zich het ene na het andere toernooi de ziel uit het lijf voor puntjes, maar als het erom ging spannen, gaf hij niet thuis. Conclusie: in potentie geniaal, maar te weinig werker en vooral te weinig atleet.

Ook komisch was de verkiezing van trainer van het jaar. Dat had natuurlijk Shane McLeod van het zilveren hockeyteam moeten zijn. Hockey werd terecht Ploeg van het Jaar, maar McLeod mocht niet worden verkozen omdat hij een buitenlander is. Verander dat snel tegen 2018. Als we de World Cup winnen, kunnen we die arme Roberto Martínez geen prijs geven. Hoe belachelijk zou dat niet zijn?

Ten slotte, niks tegen haar trainer Roger Lespagnard, maar iedereen die zijn oren te luisteren legt bij de specialisten, krijgt te horen dat Nafi Thiam misschien wel ondánks en niet dank zij Lespagnard staat waar ze nu staat. Die moet ook bevestigen en de toekomst zal uitwijzen of hij het talent van Thiam kan conserveren en verbeteren, dan wel zal verknoeien.

Column Import-Export in De Morgen van 17 dec 2016

Import-export

Van de week werden van twee clubs de jaarrekeningen in de kranten besproken. Afgezien van de onmogelijkheid om een compleet beeld te krijgen van hoeveel geld er echt in zo’n club omgaat – daarvoor zou je alle vennootschapjes moeten consolideren en dat wil men vaak niet – hebben de media gelijk als ze besluiten dat de Belgische clubs alleen maar goeie zaken doen als ze veel spelers kunnen verkopen. Bij voorkeur naar een groot voetballand en het liefste nog naar Engeland.

Boekhoudkundige cijfers worden altijd weer op verschillende manieren geïnterpreteerd: de ene krant sprak van 300.000 euro winst voor Anderlecht, de andere van 1,6 miljoen euro. Is dat het verschil tussen netto- en brutowinst? Zou kunnen, maar dat lijkt mij sterk. Waar de kranten het wel eens over waren, was het verlies van de FC Coucke. Vorig jaar 4,5 miljoen euro, nu 7 miljoen en volgend jaar komen daar nog eens de verbouwingskosten voor het stadion bij. Als KV Oostende ooit Europees wil spelen, zullen ze toch eens moeten uitleggen of die verliezen aanvaardbaar zijn. Ze zitten nog niet aan 30 miljoen euro over de laatste drie seizoenen, de grens voor de Financial Fair Play, maar dat hoeft ook niet om op de vingers te worden getikt: verlies moet enerzijds aanvaardbaar zijn, wat dat ook mag betekenen, en moet anderzijds worden gedekt door eigen vermogen. Met andere woorden: iemand moet dat putje vullen. Daar hebben ze Coucke voor aan het strand van Oostende en die zal dat nog wel even blijven doen.

Bij andere clubs is de financiering veel onduidelijker, maar de levensvatbaarheid van KV Oostende als topclub blijft precair. Zonder de Couveuse Coucke is dit baby-topteam veroordeeld tot kansarmoede. Zolang hij er de stekker niet uittrekt of Perrigo niet langskomt om de boel te kopen, zijn ze daar nog een tijd gerust.

Het meest belangwekkende cijfer van de week over ons Belgisch voetbal kreeg het minste aandacht. De Zwitserse onderzoekseenheid CIES, die al jaren de demografie van het voetbal in kaart brengt, had becijferd dat van alle onderzochte landen België met afstand de grootste exporteur was van minderjarig talent. Er zijn momenteel 38 voetballers met een Belgische identiteitskaart van jonger dan 18 jaar lid van een buitenlandse club: 18 in Nederland, 10 in Frankrijk, 6 in Engeland en 4 in andere landen. Zweden was nummer twee, maar al op respectabele afstand met 23 spelertjes, net als Frankrijk. Nederland heeft er bijvoorbeeld maar 13.

Met de toenemende export van talent van eigen bodem stijgt ook de import van goedkope buitenlandse werkkrachten. Een week eerder had CIES een ander rapport en daaruit bleek dat België van alle 31 onderzochte landen op drie landen na het meest buitenlanders had in de kernen: 60 procent. Nederland zat aan 35 procent.

De omloopsnelheid van de voetballer in de Belgische competitie is dan nog eens schrikwekkend hoog. Door die voortdurende talent drain en personeelswissels lijken onze voetbalclubs eerder op hun plaats bij de duivenbond. De finaliteit van ons profvoetbal is fout: enerzijds heel veel volk uit het buitenland halen en anderzijds ze samen met de talenten van eigen bodem zo snel mogelijk weer aan het buitenland verkopen.

Dat buitenland vindt België met zijn lage instapvoorwaarden voor niet-Europeanen een fantastisch transitland voor de import en export van half afgewerkte voetbalproducten. Samen met onze eigen generatie talentrijke jongeren willen ook alle buitenlanders hier zo snel mogelijk weg omdat ze geen vertrouwen hebben in de Belgische postformatie. Onterecht, maar we zitten er wel mee.

Nederland doet beter als het erop aankomt jong binnen- en buitenlands talent aan zich te binden en de weg te wijzen naar de absolute top. Na Engeland en Italië is Nederland voor min 18-jarigen het derde voorkeurland om hun voetbalkunsten verder te ontwikkelen. Vervolgens blijven ze ook gemiddeld twee tot drie jaar langer dan bij ons zodat de club er ook nog wat aan heeft. Ajax heeft Kasper Dolberg vorig jaar gehaald voor 270.000 euro. Zoals die zich ontwikkelt, wordt dat maal honderd. Belgische teams zouden zich beter concentreren op een paar grote buitenlandse talenten en die afwerken in plaats van elke zomer en winter weer enkele scheepsladingen goedkope voetbalcarrosserieën te laten overkomen in de hoop dat er een grote motor met goede voeten bij zit.

Column over Floyd Landis op demorgen.be van maandag 12 dec 2016

 

Het hoe en waarom van die positieve plas van Floyd Landis, daar had ik het fijne willen van weten

Wout Van Aert heeft zaterdag gewonnen van alle anderen en Mathieu van der Poel. Mathieu van der Poel heeft zondag gewonnen van alle anderen en Wout Van Aert.

Anderlecht heeft niet gewonnen van Club. Gent heeft niet gewonnen van Oostende. Zulte Waregem heeft niet gewonnen van Lokeren.

Maar stopte onze wereld nu met draaien?

Niet bepaald. De mijne stond wel heel even stil toen ik A. F. Th. van der Heijden bij Friedl’ Lesage hoorde vertellen over de dood van zijn zoon Tonio. Dat was zondag pal op de middag en toen moesten Anderlecht en Club en Gent en Oostende nog aan hun wereldpartijen beginnen. Maar A. F. Th. is geen sport.

Het meest opzienbarende in de sport dit weekend stond in L’Equipe Magazine en omdat niet elke lezer van De Morgen zich lezer van L’EM mag/kan noemen, wil ik u laten meedelen in mijn vreugde, verbazing, en ook een beetje ergernis.

Ze hadden een beetje dikke man op de cover. Hij droeg een baseballpet en zag er uit als een plantenkweker omdat hij te midden van de planten in een serre stond. Ik ben geen kenner, maar ik had snel door dat het cannabisplanten waren, ook al omdat de kop op de cover mij een beetje in die richting dwing: Fume, c’est du Floyd. Rook, het is Floyd. De alliteratie blijft steken in de vertaling. De onderkop was nog duidelijker: ‘Na de alcohol en de inzinking is Floyd Landis, de geroyeerde winnaar van de Tour van 2006, een handelsreiziger en verkoper in cannabis geworden. Hij heeft ons ontvangen in Colorado.’

Mij niet, L’Equipe Magazine heeft hij ontvangen, voor alle duidelijkheid. Ik had ook wel willen gaan en dan had ik Landis nog wel eens willen vragen hoe dat precies in zijn werk is gegaan toen in 2006. Hoe hij in godsnaam in de zestiende etappe acht minuten had kunnen verliezen om die een dag later bijna helemaal terug te winnen en vervolgens twee dagen later het geel terug te pakken en de Tour te winnen. Nu ja, niet echt, want na die miraculeuze zeventiende etappe waar hij uit de doden was opgestaan, bleek uit een urinetest dat zijn testosteron-epitestosteron ratio 12-1 was en bij nadere controle bleek de testosteron in zijn lichaam deels van buitenaf te zijn toegediend. Twee keer prijs en Landis terug naar af.

Maar het hoe en waarom van die positieve plas, daar had ik het fijne willen van weten. Had hij een bloedzak genomen die hij nog ergens achter de hand had voor noodgevallen en die zichzelf toegediend via de bekende weg: adertje prikken, zakje ophangen aan de gordijnrail en wachten tot de 250, 350 of misschien wel 500 cc in het lichaam waren gedruppeld?

Zo zal het wel zijn gegaan, maar waar kwam dan die testosteron vandaan? Was het zijn bloed of dat van een ander met dezelfde bloedgroep, en had die dan testosteron genomen of was hij zelf tijdens een training voor de Tour de France aan de testosteron gegaan, wetende dat hij in de VS toch moeilijk buiten competitie zou worden gecontroleerd? In L’Equipe Magazine zegt hij dat hij nooit testosteron heeft genomen, maar wel al het andere heeft gedaan. Het mysterie blijft.

 

Wat kan het toch raar lopen in de wereld. Hier hebben we een ex-gedopeerde atleet die aan de drank was, die drugs slikte, die alles deed wat zijn Amish-gemeenschap verafschuwde en die nu ook nog eens een winkeltje in cannabisproducten heeft geopend in Leadville en als vertegenwoordiger afnemers bezoekt over heel Colorado. Die staat heeft cannabis en afgeleiden overigens gelegaliseerd dus op de keper beschouwd doet Landis niks fout.

En 1.500 kilometer naar het zuidoosten woont een ander ex-gedopeerde atleet, ooit zijn baas, Lance Armstrong, en die mag geen poot verzetten, geen fiets verkopen en geen berichtje posten of het wordt gezien als uiting van arrogantie. En om de absurditeit helemaal compleet te maken: Floyd Landis heeft in 2010 een proces aangespannen tegen Armstrong, Johan Bruyneel, Tailwind Sports en al wie bij die ploeg nog was betrokken. De klacht was dat overheidsgeld (US Postal) was gebruikt om een ploeg te doperen. De schadeclaim is 100 miljoen dollar en daarvan zou Floyd Landis 30 procent kunnen krijgen omdat hij als klokkenluider de zaak heeft aangespannen. Maar over die hypocrisie ging het dus niet in de publireportage van L’Equipe Magazine met de gevallen engel.

Column This ís Soccer in De Morgen van 11 dec

This ís soccer

Gisterenochtend ging het op Radio Eén in De Ochtend over Theo Francken, de N-VA en de wereldvreemde rechters. Rond de tijd dat ik aan de dagelijkse latte macchiato begon, haalden ze Christian Denoyelle, voorzitter van de Hoge Raad voor de Justitie, voor hun micro. Die vergeleek het gedoe van uitspraken naast zich neerleggen en aanvechten met een voetbalmatch waarbij gele en rode kaarten en uitsluitingen en regels zoals niet met de hand spelen niet werden aanvaard door een deel van de spelers. Zo dreigde het voetbal te ontaarden in een chaos en op de duur zou dan niemand meer naar het voetbal willen gaan kijken, want het was een soort rugby geworden.

Interessante en omwille van het simplisme ook een verdienstelijke vergelijking, en ongetwijfeld koren op de molen van de nieuwscheffen op allerhande redacties die steeds benadrukken dat hun moeder en de mensen aan de toog het onderwerp ook moeten begrijpen. Beetje jammer dat de hoge man van de Hoge Raad er het rugby bij haalde, want als er nu één sport aan elkaar hangt van wederzijds respect, regels waartegen niét wordt gezondigd en de autoriteit van de scheidsrechter als metafoor voor de rechterlijke macht nóóit in twijfel wordt getrokken, dan wel rugby. Als klap op de vuurpijl: rugbysupporters schelden ook, maar staan niet gescheiden.

Eén keer per jaar is het mijn plicht u te wijzen op het filmpje van rugbyscheidsrechter Nigel Owens dat u op YouTube kunt vinden als u zijn naam en ‘this is not soccer’ intikt. Let op hoe hij die ene speler de regels en de machtsverhoudingen uitlegt en besluit met ‘we spelen geen voetbal’. Dat laatste sloeg op het in twijfel trekken van de sportiefrechterlijke macht. Vorig jaar gaf hij op de World Cup een Schot die nogal makkelijk neerging een uitbrander: “Als je zo wilt duiken, moet je hier over een week of twee terugkomen.” De wedstrijd werd gespeeld in St. James’ Park, normaal het voetbalstadion van Newcastle United.

Owens, zeg ik er maar even bij, is niet de eerste de beste ref: hij floot de laatste World Cup-finale en hij is een getrouwde homo die daar openlijk voor uitkomt. Twee keer hebben ze hem homofoob bejegend en twee keer heeft hij een klacht ingediend. In de stadions hoor je niks. Stel je voor dat hij een voetbalscheidsrechter was in dit land en pakweg in Gent een discutabele beslissing zou nemen. Tegen Club. Je wilt het niet gedroomd hebben.

Ik ben het niet eens met de stelling dat het voetbalpubliek zich misdraagt omdat die arme abonnees slecht worden behandeld, niet genoeg worden begeleid in hun fanschap en niet genoeg inspraak krijgen. Ik ben het wel eens met alle community en andere sociale programma’s die clubs willen verankeren in hun omgeving, maar men mag niet doorschieten in dat stammengevoel want dat is dan weer al te snel de aanleiding voor supportersoorlogen.

Die geschifte en gefrustreerde supporters in rood-wit en zwart-wit van vorig weekend, kunnen we daar alstublieft eens keihard tegen optreden? Kunnen we ook eens stoppen met eieren leggen onder dat crapuul dat aan een abonnement het recht ontleent om wedstrijden te ontregelen, mensen te beledigen/bedreigen en een stadionbezoek voor alle normale mensen hoogst onaangenaam te maken?

Al te lang is men meegegaan in de premisse dat het voetbal het eindstation was voor alle maatschappelijke problemen. Neen, voetbal en de hele voetbalcultuur zijn zelf het probleem. Dat bewijst het rugby dat dezelfde roots heeft, maar een andere weg is ingeslagen. Voetbal is een sector die meer mag dan alle andere sectoren samen terwijl het een verpletterende maatschappelijke en ecologische voetafdruk heeft.

Voetbal profiteert van minimale belastingen en microscopische sociale lasten, organiseert openlijk mensenhandel, wordt/werd internationaal geleid door een corrupte bende, krijgt overheidspersoneel cadeau om de veiligheid te garanderen, verwarmt en verlicht hele velden een hele week lang en open tribunes de dag van de wedstrijd en dat alles tot grote tevredenheid van alle gretige afnemers, waaronder ondergetekende. Maar als een deel van de voetbalklanten zich misdraagt, is het nooit de schuld van de voetbalklant, het voetbalproduct of de voetbalwinkel, maar van de maatschappij. Het wordt tijd dat de overheid de voetbalsector voor zijn verantwoordelijkheid plaatst. Beheers die handel. Of betaal lasten zoals elke andere economische activiteit.

Column Mecenaat in De Morgen van 3 dec 2016

Mecenaat

Interessante suggestie gelezen van de week in Voetbalmagazine van zwemcoach Ronald Gaastra, bekend van het zilver van Pieter Timmers en eerder het goud van Fred Deburghgraeve. Hoewel hij dat eerst niet van plan was, denkt Gaastra nu dat Pieter Timmers best nog wat zou willen doorzwemmen, maar wel niet aan een schamele 1.500 euro per maand.

1.500 euro? Dat zal wel het nettosalaris zijn dat hij als topsporter van Sport Vlaanderen krijgt en daar zou dus wat bij moeten, via sponsoring bijvoorbeeld, of mecenaat. De sponsors stonden na Rio blijkbaar niet te dringen, dus hebben we het over mecenaat. Gaastra opperde dat een voetbalclub Pieter Timmers een salaris van 50.000 euro zou kunnen toestoppen. Hij verwees met naam en toenaam naar KAA Gent en hun manager Michel Louwagie, die in zijn vrije tijd ook voorzitter is van de nationale zwembond. Wel grappig, maar tegelijk een beetje wanhopig. Ook een beetje zoals we Ronald Gaastra kennen: om te jennen.

Toch is de achterliggende gedachte niet zo absurd als ze lijkt: waarom verplichten we niet bij wet dat een percentage van de tv-gelden de andere sporten ten goede moet komen? Tien procent van wat in België aan tv-rechten wordt betaald zou dan een hulpkas of een OCMW van de topsport spijzen. Dat kan in België 15 miljoen euro opbrengen en dan moeten we dat nog verdelen over Franstaligen en Vlamingen, maar daar komen we wel uit.

Van de overheid moeten we niks verwachten. Er is geen extra geld voor topsport. Ik heb op een terras op Copacabana de arm van de minister omgewrongen en hij was formeel: er komt niks bij. Stel dat er wel extra geld zou zijn, ware het dan wenselijk om dat in de vorm van een extra salaris aan een gearriveerde en uitgebreid gefêteerde topatleet uit te geven in de hoop dat hij zijn pensioen uitstelt? Ik dacht het niet.

Hoe gaat dat in andere landen? Neem Nederland, het geboorteland van Gaastra en waar Timmers ook heeft gezwommen. Zilver in Nederland is net-niet-goud. Het zilver van Timmers is het mooiste zilver uit de Belgische sportgeschiedenis, maar het is zilver. Er zit meer waarheid dan men zou denken in de Nike-boutade You don’t win silver, you lose gold.

Pieter Timmers zou in Nederland een stipendium krijgen, zo heet daar de overlevingsbeurs voor topsporters. Dat bedrag is vergelijkbaar met zijn nettosalaris als bediende bij Sport Vlaanderen, maar Timmers is statutair oneindig veel beter af als bediende bij Sport Vlaanderen dan in Nederland als beurstrekker. Als hij in Nederland 10.000 euro boven zijn stipendiuminkomsten gaat met sponsoring, prijzengeld of wat dan ook, wordt die beurs dienovereenkomstig ook nog eens verminderd.

Sport Vlaanderen vraagt niet wat Pieter en zijn Els nog bijschnabbelen aan optredens, verschijningen, sponsoring, startgelden en premies. Hij is bij sportspreker.be te boeken aan 2.250 euro voor drie uur + administratiekosten. Sport Vlaanderen checkt ook niet wat hij verdient aan sponsoring bij AA Drink, Vivaldis Interim, The Night Store, Kia en of het innovatief sponsorplatform BeStrong namens hem in actie is geschoten. Hoeveel die extra’s ook opleveren, hij blijft altijd zijn salaris behouden. Zijn Belgische premie van 30.000 euro voor het zilver werd minimaal belast. In Nederland zou hij 22.500 krijgen voor dezelfde medaille en zou het bedrag als salaris worden belast.

Neen, Timmers en andere Vlaamse/Belgische topsporters hebben absoluut niet te klagen en de vergelijking tussen zwemmers en voetballers of wielrenners gaat gewoon niet op. In sport word je betaald volgens je economische waarde en de uren dat je daar over kniest en zeurt, kun je beter wijden aan training.

Eigenlijk verdienen onze staatsatleten te veel. Wat zou je niet besparen als je de salarissen halveert, niet langer diploma- en leeftijdsafhankelijk maakt en met prestatiebonussen werkt? Het vrijgekomen geld kun je dan besteden aan het verbeteren van de topsportprogramma’s.

Je zou jonge talenten een ideaal traject kunnen bieden en een voorwaardenscheppend beleid kunnen voeren waarbij de ambitieuze atleet wordt uitgedaagd om in ideale omstandigheden de best mogelijke prestaties neer te zetten. Blijken die prestaties uiteindelijk niet te volstaan om van te leven, jammer maar helaas, dan is de speeltijd voorbij en is het tijd om aan het echte leven te beginnen.

Verhaal over pedo-schandaal in Engels voetbal in De Morgen van 3 dec

Ze waren nergens veilig

Seksueel misbruik in het turnen of in de zwemsport, we kijken er jammer genoeg niet gek meer van op. Maar nu blijkt ook het stoere Engelse voetbal een kwalijke geschiedenis van pedofiele misstanden te kennen. ‘Het komt in alle sporten voor.’

‘Hoe voetballers zich door die pedofielen lieten doen, allemaal mietjes. Als het mij was overkomen, had ik die homo verrot geslagen.’

Alzo tweette Eric Bristow, voormalig dartskampioen en een icoon van de Britse pub. Neen, niet iedereen in Engeland was even begripvol over de misbruikte voetballers die dertig jaar na de feiten alsnog hun anonimiteit vrijwillig hebben opgegeven om te getuigen over de donkerste periode in hun leven.

Tijden zijn veranderd en deze Member of the Most Excellent Order of the British Empire heeft het geweten. Vooral het op één hoop gooien van pedo’s en homo’s brak hem zuur op: op slag verloor MBE Bristow al zijn lucratieve contracten – onder meer als analist bij Sky Sports – en als toemaatje kreeg hij een klacht voor haatzaaierij aan zijn broek.

Dit verhaal begint in de jaren 70, maar daarom is het niet minder waar en ook niet minder waard om alsnog te worden verteld. Het is een onverwerkt verleden dat als een onderhuidse zweer is opengebarsten. Sport is erg goed in mistoestanden met de mantel der liefde bedekken en de reactie van de incrowd op doping en pedoseksualiteit, die verder niks met elkaar te maken hebben, volgt dezelfde absurde logica: het verleden, hoe duister ook, laat je best rusten.

En zo kwam het dat Andy Woodward ogenschijnlijk out of the blue op 16 november van dit jaar in The Guardian vertelde hoe hij seksueel was misbruikt door zijn jeugdcoach, ene Barry Bennell. Nog geen week later herhaalde Steve Walters dezelfde verhalen, gevolgd door een waterval aan beschuldigingen over misdragingen door Barry Bennell, maar ook door andere jeugdcoaches.

Na een week was dit de stand van zaken: Bennell, tijdelijk op vrije voeten, is opgenomen in het ziekenhuis omdat men vreesde dat
hij de hand aan zichzelf zou slaan en acht andere jeugdcoaches zijn preventief opgepakt omdat ze verdacht worden van honderd seksuele handelingen met minstens dertig slachtoffers. De helpline kreeg meer dan 860 oproepen en stuurde zestig gevallen door naar de politie. Operation Hydrant, de nationale politiehub die seksueel misbruik coördineert, voert onderzoek naar 17 verschillende figuren in de sport en op 24 verschillende plaatsen.

Een van de clubs die in de kijker zou lopen, is het grote Chelsea FC, waar een inmiddels overleden staflid zich ook zou hebben vergrepen aan minstens één jong voetballertje aan wie de club smartgeld zou hebben betaald om de zaak uit de media te houden. Chelsea zegt de zaak te onderzoeken.

Vreselijk geheim

Criminologe Tine Vertommen voert aan de UAntwerpen en Thomas More onderzoek naar seksueel geweld in de sport. Met het Europees Voice-project verzamelt ze getuigenissen van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de sport. “Verkrachting is de meest extreme vorm van grensoverschrijdend gedrag”, zegt Vertommen. Aan de andere kant van het spectrum heb je de suggestieve opmerkingen of de trainer die te vaak en te lang over de schouders van meisjes komt wrijven.

“Wat in Engeland nu naar boven komt, verbaast mij enerzijds niet, omdat we weten dat een hele kleine minderheid als een roofdier op kwetsbare kinderen jaagt. Anderzijds is dit toch een van de zeldzame gevallen waarbij de masculiene sport in opspraak komt, niet omdat het minder zou voorkomen, maar omdat er nog steeds een taboe rust op mannelijk slachtofferschap.”

Het Engels verhaal is exclusief voetbal, exclusief mannelijke jeugdcoaches en exclusief jongens. De feiten zijn terug te voeren op de jaren 70, 80 en 90. Dat Woodward alsnog besloot om publiek te gaan, heeft te maken met zijn overtuiging dat hij het topje van de ijsberg is, dat de getuigenissen die in 1998 Bennell in de gevangenis deden belanden voor het misbruiken van zes jongens maar een fractie zijn van het totale misbruik. Dat er volgens hem en anderen sprake moet zijn van een pedofiel netwerk.

Woodward zat laatst bij BBC2 op de sofa de hele tijd te huilen en hij is vandaag nog even getormenteerd als toen als 11-jarige. Je zou voor minder als je merkt dat het roofdier dat jou jarenlang misbruikt, ineens ook interesse toont in je twee jaar oudere zus, iets wat je ouders goedkeuren waardoor hij thuis blijft slapen en van de gelegenheid gebruikmaakt om ’s nachts in je slaapkamer te verschijnen en je te verkrachten.

“Hij had het voor jongetjes met donker haar en een zwakke persoonlijkheid. Ik was geen sterke jongen en dan dreigde hij mij nog eens af: hij zou mij, mijn ouders en mijn zus vermoorden als ik iets zou zeggen. Ik was zo bang van die man, maar ik wilde vooral niet van het voetbal worden gehaald.”

Woodward was 18 toen zijn zus trouwde met Barry Bennell. “Daar stond ik dan. Ik moest vrolijk zijn op het feest terwijl ik zijn strot wilde uitrukken. Van mijn 11de leefde ik met een vreselijk geheim en daar speelde mijn schoonbroer de hoofdrol in.”

Drie jaar hield het huwelijk stand. Bennells reputatie was vanaf 1994 al naar de verdoemenis toen hij in de Verenigde Staten voor de verkrachting van een van zijn voetballertjes naar de gevangenis moest. De rechter sprak meteen over ‘een onverzadigbare appetijt voor jongetjes’. Hij kwam vrij en in 1998 moest hij in Engeland verschijnen: nog eens negen jaar gevangenisstraf.

 

Na zijn vrijlating werd hij in 2015 extra veroordeeld voor een oud vergrijp en kreeg twee bijkomende jaren opsluiting waarvan hij er één moest uitzitten. Terwijl Woodward publiek ging, leefde Bennell als een vrij man in Milton Keynes. Daar werd hij vorige week vrijdag met een ambulance weggebracht.

Alle sporten

Barry Bennell mag dan een monster zijn geweest, hij was een expert in het voor zich winnen van de kinderen op wie hij zijn oog had laten vallen. Zijn huis was een soort minispeeltuin met rare dieren, pooltafels, drankautomaten, televisieschermen en veel fun. Zijn voetballertjes kwamen graag en soms bleven ze met acht tegelijk slapen in die leuke stapelbedden die hij in een paar kamers had neergezet waarna de ene na de andere eraan moest geloven.

Bovendien was de meester-verleider ook een meester-opleider. Heel wat voetballertjes onder zijn hoede stroomden door naar grote clubs en hij had een bijzonder oog voor talent. Zoals Woodward en andere slachtoffers stellen: “Hij was een van de best jeugdcoaches van het land en wij wilden prof worden. Die droom wilden wij niet opgeven en daar maakte hij misbruik van.”

Tine Vertommen vindt Bennell het archetype van de pedoseksuele pleger in de sport. “Hij doet alles voor de club en de club houdt van hem. Hij is goed met kinderen – dat zijn haast alle mannen met pedofiele gevoelens – en kan zich in hun wereld verplaatsen. Hij weet goed tot hen door te dringen en krijgt het vertrouwen van de ouders en van de club. En hij merkt ook meteen wie hij kan misbruiken: onzekere, introverte, kwetsbare of sociaal geïsoleerde kinderen.”

Bennell was een voetbaltrainer, maar voetbal heeft niet het monopolie op pedofilie en seksuele roofdieren bij kinderen. “Het komt in alle sporten voor”, weet Vertommen, zelf een ex-zwemster en getrouwd met de befaamde Nederlandse zwemcoach Ronald Gaastra. “Vaak wordt gesuggereerd dat sporten met weinig kledij zoals zwemmen of turnen, individuele sporten en contactsporten gevoeliger zouden zijn voor die mistoestanden, maar daar is geen bewijs voor.”

Preventiebeleid

Ook jeugdcoaches hebben niet het monopolie op seksueel grensoverschrijdend gedrag. Uit een enquête die Vertommen afnam in Vlaanderen, meldde 1,5 % van de 2044 respondenten dat ze vóór hun 18de tot seks waren gedwongen. “Maar daaruit bleek ook dat de overgrote meerderheid van de handelingen werden gesteld door mede-sporters en andere volwassenen binnen de club, en niet door coaches.”

Zoals in alle schandalen wordt het vuil op een hoop geveegd en in één hoek achtergelaten. Nu elke Engelse krant – de tabloids op kop – één of meerdere verhalen wil van voetballers die zijn misbruikt, is het lastig om door de bomen het bos nog te zien.

Het leed was ongetwijfeld niet te overzien, maar niet elke voetballer die bij Bennell is gepasseerd en al of niet is gemolesteerd, is mislukt als prof omwille van Bennell. Ook niet elke voetballer die er is gepasseerd en die daarna in een depressie verzeilde, aan de drank geraakte of zelfmoord pleegde (Gary Speed, ex-bondscoach van Wales) zou zonder Bennell wel op het rechte pad zijn gebleven of nog leven. The Daily Mail vond van de week ene Matthew Monaghan die als jeugdinternational voor Wales was gerekruteerd door Barry Bennell om bij Crewe Alexandra te voetballen, maar op zijn 14de als talent werd opgepikt door Manchester United. Hij misdroeg zich, dronk zich lazarus, ging uit, trainde niet meer, kreeg ruzie met Alex Ferguson en wijt zijn wegglijden nu aan Bennell.

Wat Gary Speed betreft, kwam zijn familie met een communiqué dat Speed niet was misbruikt. Bennell herinnert zich dat ook niet, maar als het wel zo was, voegde hij eraan toe, zou hij het toch niet toegeven. De enige gepaste conclusie is: de schade is groot en onmeetbaar.

De Engelse voetbalbond denkt alvast niet aan een doofpotoperatie of aan damage control. Tine Vertommen: “De Football Association is al jaren aan het werk om misbruik in de sport te voorkomen. Zo hebben ze een structureel preventiebeleid, voert men bij aanwerving van een coach een criminal history check uit en heeft men nu bijkomend een 24/7 hulplijn geïnstalleerd. Ik pleit daar ook voor in Vlaanderen, maar men denkt niet dat daar nood aan is, terwijl uit alle bevragingen blijkt dat er wél een probleem is.”

De FA schrapte weliswaar in 2003 een kinderbeschermingsprogramma en ligt daarvoor onder vuur, maar heeft wel 8.500 zogeheten beschermingsofficieren over het hele land. Jaarlijks worden 55.000 controles op goed gedrag en zeden uitgevoerd, en zo’n 35.000 vrijwilligers kregen een opleiding in kinderbescherming.

Schuldig verzuim

Nu de doos van Pandora open is, moet al het vuil aan de oppervlakte komen. Ook het kader waarbinnen dit misbruik kon gedijen, zal worden onderzocht, want er lijkt wel degelijk medeplichtigheid in het spel. Binnen Crewe Alexandra mocht Bennell zijn gang gaan en ook bij Manchester City waar hij eerder had gewerkt en waar ouders hadden gewezen op zijn seksuele voorkeur, beperkte men zich tot waarschuwen dat hij niet alleen mocht zijn met jongetjes.

De inmiddels 76-jarige sportdirecteur Dario Gradi van Crewe Alexandra lijkt op z’n minst schuldig verzuim te kunnen worden verweten. Barry Bennell kon er jarenlang zijn gang gaan, terwijl hij bij andere clubs uit de buurt al niet meer bij jeugdwedstrijden mocht komen kijken.

Gradi bracht wel vaker spelertjes per auto naar het huis van Bennell met wie hij niet alleen goed bevriend was, maar ook een zakenrelatie onderhield. Zo kreeg Gradi tien procent op de transfer van jonge spelers, maar overhaalde hij het bestuur om de helft daarvan aan Bennell te geven. In 1993 werd vanuit de club al gewaarschuwd aan ouders om hun kinderen niet mee te sturen met Bennell op Amerika-reis. Daar zou hij een jaar later op heterdaad worden betrapt terwijl hij een voetballertje penetreerde.

In 1996 bracht het programma Dispatches op Channel 4 een documentaire over Bennells misdaden. De reactie was eerder lauw. De politie onderzocht de handel en wandel van Bennell een jaar later, maar Andy Woodward ging pas bij het zesde bezoek en de juiste vraagstelling overstag. Dat was in 1997. Twintig jaar heeft het geduurd voor het deksel er helemaal afging. Zijn interview in The Guardian heeft niet iedereen gelezen, maar het gesprek van Victoria Derbyshire op BBC2 met vier gebroken, huilende veertigers ging de wereld rond.

Column Houdini in De Morgen in De Morgen van 26 nov

Houdini

Zijn alle voetbaltrainers obsessionele zeuren? Er loopt alvast maar één voetbaltrainer in eerste klasse momenteel echt gelukkig en die kwam dan ook maandag blij gezind naar Extra Time om een dik uur te lachen en te grollen: dat was Francky Dury van Zulte Waregem.

Zijn ploeg heet het best voetballende team van eerste klasse te zijn. Daar zullen Michel Preud’homme en Hein Vanhaezebrouck, die met 3-0 van Zulte Waregem won, het alvast niet mee eens zijn, maar die zijn het zelden eens met Dury. De reden is mij vreemd. (Enfin, niet echt, maar het colloque singulier heeft ook bestaansrecht.) Wellicht is ook Peter Maes van Genk, die Dury ook met 1-0 klopte, het daar niet mee eens.

Een beetje gelijk hebben ze natuurlijk wel: Zulte Waregem is de herfstkampioen en heeft de meeste punten, maar de best voetballende ploeg moet vooral op zijn best voetballen vanaf maart, en liefst ook nog in april en helemaal in mei. Elke week is er wel een best voetballende ploeg van het moment en de best voetballende ploeg moet vooral topwedstrijden winnen op het best mogelijke moment en dat is in de play-offs.

Maar dit stukje ging over zeurende trainers en dan hebben we er al twee opgenoemd. Michel Preud’homme was deze week pissed omdat een respectabel voetbaljournalist had durven verwijzen naar het parcours van AA Gent vorig jaar in de Champions League: gedurfd aanvallen, scoren, winnen en tweede ronde halen. “Ik ben Gent niet”, beet Michel de journalist toe. Hij bedoelde “ik ben Hein niet” want ook tussen Preud’homme en Vanhaezebrouck botert het niet te best. Ik zou niet weten hoe dat komt, maar toen het van de week op de radio ging over slechte werkrelaties als oorzaak voor een burn-out had ik plotsklaps te doen met trainers die overal vijanden zien en zeuren en kankeren en overal complotten vermoeden.

Vanhaezebrouck was trouwens ook pissed, maar dan op zijn manier. Donderdag nog in de krant over de scouting bij Gent die er maar niet in slaagt om een speler aan te brengen die vanaf zijn komst een meerwaarde is. Zo kon zijn discours tenminste worden samengevat. Hij gaf als voorbeeld dat er zelfs ooit een speler was gepasseerd die in zijn eerste interview zei dat hij eigenlijk geen boodschap had aan voetbal. Die (dure) speler heeft hij zelden opgesteld en snel weer verkocht. Dat was Erik Johansson en die speelt nu voor Kopenhagen, dat over twee weken naar Club Brugge komt in het kader van de Champions League. Hij speelde al 25 wedstrijden voor dat team, wat laat vermoeden dat zijn desinteresse in voetbal eerder een gimmick was. Gisteren vermoedde Vanhaezebrouck dat Braga in de slag was met Sjachtar Donetsk.

En dan is er René Weiler, die – bij het tikken van dit stukje – nog steeds coach van Anderlecht is en die de bijnaam de Houdini van Neerpede verdient, als hij het uitzingt tot het eind van het seizoen. Zelden heeft een zeurende, piekerende trainer zichzelf zo in nesten gewerkt als deze op het eerste gezicht erg minzame Zwitser. Weiler was ook pissed, vorig week nog, toen hij de helft van zijn kern de mantel uitveegde: die kan het niet, die is te traag, die wil het niet, die verstaat het niet.

René Weiler is een jonge trainer en dat merk je aan zijn onfunctioneel gezeur. Het is niet slim om in het openbaar je spelersgroep af te vallen, want dan valt de spelersgroep bij de eerste keer dat het tegenzit jou ook af, en zonder pardon ook in het openbaar. Precies wat gebeurde na het verlies in Waregem: de spelers zegden hoe ze hadden willen voetballen en voegden er langs de neus aan toe dat de trainer het anders had gewild, waarna ze toch hun goesting hadden willen doen.

Onbegrijpelijk, vond Weiler het, hoe interne discussies uit de kleedkamer hun weg naar de krantenredacties hadden gevonden. Kan iemand René Weiler het nummer van Trond Sollied geven met de raad hem eens te bellen? Sollied had al vijftien jaar geleden een klare kijk op de werkrelaties van de trainer. 1. Je hebt alleen maar vijanden. 2. Trainerschap is één lang gevecht. 3. De trainer en de spelers zijn gedoemd tot een machtsstrijd.

Verhaal over Chinezen die voetbal opkopen in De Morgen van 26 nov

DE BAMBOE-REVOLUTIE

China moet aan het voetbal, verordonneerde de president. Op het veld lukt dat niet zo best en dus kopen Chinese bedrijven zich massaal in het Europees voetbal in. Na Inter is nu ook AC uit Milaan in Chinese handen. Liverpool is het volgende doelwit.

Een Chinees sterft en reist naar de hemel. God zegt hem dat hij recht heeft op één wens. Zegt de man: “Moge Japan naar de bodem van de oceaan zinken.”
God zucht: “Dat is te lastig. Heb je nog een wens?”
De man: “Oké, dan wil ik dat China de World Cup voetbal wint.”

“Oei,” zegt God, “wat was je eerste wens ook alweer?”

Chinezen zijn bezeten van voetbal, terwijl wij hen alleen kennen – niet geheel ten onrechte – van getruukte weddenschappen op gele kaarten, corners, aantal goals, nota bene in onze achterafwedstrijdjes maar ook in China zelf. Jaarlijks worden vele spelers en officials geroyeerd vanwege banden met de gokmaffia, en de eerste Chinese eigenaar in het Engels voetbal zit inmiddels ook achter de tralies.

Van dat belabberde imago wil de Chinese overheid af, maar dat was niet de enige reden voor president en partijleider Xi Jinping om zelf in april van dit jaar het startsein te geven voor de lange mars op het mondiale voetbal. Xi Jinping is bezeten van voetbal en sinds april van dit jaar zijn de doelen in de tijd uitgezet, erg ongewoon voor China. Tegen 2020 wil China 20.000 trainingscentra, 70.000 voetbalvelden en 50 miljoen spelers. Tegen 2030 moet er één voetbalveldje liggen per 10.000 Chinezen en wil China een World Cup organiseren.

Uiteraard moet er dan ook worden gewonnen en niet verloren, zoals onlangs van Syrië. Kan het erger? Een land in burgeroorlog, met alle spelers in de diaspora en met een coach die 300 euro per maand verdient, klopte op de donkere donderdagavond van 6 oktober in Xi’an de Chinese would-besupersterren met 1-0. Rellen braken uit en het ontslag van de voorzitter van de Chinese voetbalbond werd geëist. Vijf dagen later werd het in Tasjkent ook nog eens 2-0 voor de Oezbeken.

De Chinese nationale elf, net van plaats 81 naar 78 gestegen, is terug naar af. Erger nog: voor de kwalificatie voor de World Cup 2018 in het naburige Rusland hebben ze een mirakel nodig. Op naar Qatar 2022. Of China 2026, 2030, wie zal het zeggen?

Gezagsgetrouw

Qiang guo meng is Chinees voor de droom van een rijk en sterk China. Vertaald naar sport: als sport belangrijk is in de wereld, moet China belangrijk zijn in de sport. Dat lukte in de zomer van 2008 op de eigen Olympische Spelen toen het de Amerikanen in aantal gouden medailles klopte. Sindsdien is China weer ingehaald door de VS en godbetert ook door de Britten en dat vinden ze heel erg.

In Rio haalden ze maar 70 medailles meer (tegenover 101 in Beijing) en de reactie was er één van ontkenning: de weg naar eventueel succes was ineens belangrijker dan het succes zelf. Op het sportveld verliezen ze vaker dan ze winnen, maar winnen kan op veel manieren. Je kunt succes maken en je kunt het kopen. Zo richten Chinezen zich tegenwoordig op de bestuurskamers van de Europese voetbalteams en kopen zich de laatste jaren massaal in.

De rijke Chinees is daarmee meteen gezagsgetrouw, want heeft de grote baas niet gezegd dat voetbal een prioriteit is?

Dat was overigens niet de enige boodschap van Xi Jinping. Voor de Chinese investeerders, ondernemers en rijken had hij nog een opdracht: tegen 2025 moet de Chinese sporteconomie 800 miljard euro omzetten. Een redelijk ambitieuze doelstelling, die nooit kan worden gehaald aangezien de wereldbusiness van de sport op de afgeronde som van 1.000 miljard dollar wordt geschat. Ga en investeer in sport, luidde het marsorder.

Professor Simon Chadwick van de Salford University in Manchester doceert het vak sportindustrie en is bekend met China. Hij zegt dat de plotse liefde voor de sport voor veel rijke Chinezen aanleunt bij opportunisme. “Als de president zegt dat het goed is om in voetbal te investeren, zullen ze daarin meegaan. Voetbal wordt dan een soort extra troef op een visitekaartje, puur om de partijleiding te plezieren, ook in de hoop meer business met de overheid te kunnen doen.”

In oktober van vorig jaar bracht Xi Jinping een bezoek aan het trainingscentrum van Manchester City en kort daarop kocht China Media Capital alle aandelen die de eigenaars van de City Football Group (eigendom van de Abu Dhabi United Group) kwijt wilden, zijnde 13 procent. Er bestaan nu plannen om na Manchester City, New York City en Melbourne City ook een team als Sjanghai City in het leven te roepen.

The real deal

Chinese investeerders deden ook in eigen land hun best om de partijbaas te plezieren. Zo werd de laatste jaren flink geïnvesteerd in de China Super League. De officiële profcompetitie in China is één en al extravaganza. Veel last van de Europese financiële fair-playregels hebben ze daar niet en zo kon het gebeuren dat Jiangsu Suning afgelopen winter bij Shaktar Donetsk Alex Teixeira weghaalde voor 45 miljoen euro en een salaris van 12 miljoen euro. En dat voor een club met een omzet van 70 miljoen euro en 20.000 toeschouwers. Chinees voetbal is verlieslatend. Guangzhou Evergrande FC kocht zelf drie Brazilianen en gaf daarna een verlies aan van 147 miljoen euro.

 

Maar the real deal voor een Chinees met geld en een voetbalhart is een Europees team opkopen, als het even kan volledig en in het andere geval gedeeltelijk. Grote voorbeelden zijn de Amerikaanse Glazer-familie bij Man United, de Rus Abramovitsj bij Chelsea en de Arabieren bij Manchester City of Paris St-Germain.

De voorbije twee jaar hebben Chinese investeerders meer dan 3 miljard euro betaald voor gedeeltelijke of volledige overnames van de voetbalbusiness van diverse Europese clubs. De lijst met participaties (zie kader) groeit steeds aan. Overigens verzinkt dit in het niets bij de 100 miljard euro die Chinese bedrijven in de wereldeconomie buiten China investeerden in het eerst kwartaal van 2016.

Professor Chadwick: “Chinezen willen geld verdienen met voetbal, maar tegelijk past het in de guanxi, de kunst van het relaties smeden. Voetbal vergemakkelijkt dat.”

De eerste Chinese investeerder in het buitenlandse voetbal was Carson Yeung, een Hongkong-chinees die in 2009 Birmingham City FC kocht, waarop zijn team degradeerde. In 2014 werd hij zelf veroordeeld voor witwaspraktijken.

Tot nog toe zijn geen nieuwe ongelukken bekend, maar alle Chinese participaties dateren pas van de laatste twee jaar. In de Premier League zijn nu zestien van de twintig teams in buitenlandse handen, maar in slechts twee spelen Chinezen voorlopig een rol. Daarom hebben ze hun pijlen ook gericht op andere landen, zoals Spanje, Frankrijk en Italië.

De Chinezen die in Spanje binnen zitten bij Atlético Madrid, zijn niet de eersten de besten. Dalian Wanda Group is het bedrijf van Wang Jianlin, de tweede rijkste Chinees. Het is een conglomeraat met onder meer Amerikaanse mediabedrijven als de AMC- bioscopen en Legendary Entertainment in Hollywood. Wang is gek van sport. Voor zijn sportportfolio kocht hij onlangs Infront Sports & Media, een marketingbedrijf dat alle wintersporten controleert (Beijing organiseert de winterspelen van 2022), maar onlangs ook het hele Ironman-triatloncircuit.

Voorlopig bezitten Chinezen nog geen absolute topteams in het voetbal. Maar dat is een kwestie van tijd, want alles heeft zijn prijs. In de meest kwetsbare van de grote Europese voetbaleconomieën, Italië, hebben ze alvast in de eerste voetbalstad Milaan alle grote teams ingepalmd.

Het Hurun Report, dat de fortuinen van de rijkste Chinezen bijhoudt, spreekt van een ware jacht op voetbalteams. Uitgever en samensteller van de lijst, Rupert Hoogewerf, zegt: “China heeft 596 dollarmiljardairs, meer dan de VS. Ik schat dat dertig onder hen een voetbalteam in Europa willen.”

Eén team geniet vandaag bijzondere aandacht: Liverpool FC, een slapende reus. De Amerikaanse eigenaar Fenway Sports Group van John Henry weigerde een eerste bod, maar de geruchten aan de Mersey gaan steeds meer in de richting van an offer you can’t refuse van meer dan 1 miljard pond, met de hulp van de zwakke pond, die nu nauwelijks meer waard is dan de euro.

Belangenvermenging

Clubs denken dat met de komst van een Chinese (mede-)eigenaar de grote Chinese markt zich zal openen. De Premier League ziet al die buitenlandse investeerders dan weer met lede ogen komen, maar is anderzijds niet vies van hun geld.

Ook niet als ze tv-rechten kopen, zoals de Chinese streamingdienst PPTV, die vanaf 2019-2020 de rechten heeft verworven voor 220 miljoen euro per jaar. Noot van de financiële adviseurs van de Premier League: PPTV is in handen van Sunming en Sunming is de baas bij Inter Milaan én heeft een team in Jiangsu. Dus toch maar opletten.

Wie in Engeland belangen heeft van meer dan 10 procent in één club, mag in een andere Engelse club nooit een belang nemen van meer dan 9,9 procent. Nu al kijken ze in Engeland met argusogen uit naar hoe de Liverpool-saga zich ontwikkelt. Als de China Everbright Group naar wordt verwacht een substantiële aandeelhouder wordt van Liverpool FC, zit meteen ook de Chinese staat als hoofdaandeelhouder mee aan tafel. In dat geval zullen alarmbellen afgaan, want diezelfde Chinese staat heeft als hoofdaandeelhouder van China Media Capital ook al 13 procent in Manchester City.

Professor Simon Chadwick: “Soms weten we niet wie de eigenaars zijn van de bedrijven die investeren. Soms wil de Chinese overheid ook niet toegeven dat zij achter een constructie zitten. Zo is in het geval van AC Milan uiteindelijk gebleken dat Haixa Capital, ook al een investeringsvehikel gecontroleerd door de staat, mee aan het roer zit.”

Het kan altijd nog gekker in de jungle van de voetbalbusiness. De Wolverhampton Wanderers zijn nu eigendom van Fosun International, een investeringsmaatschappij die zelf aandelen heeft verworven in GestiFute, het bedrijf van supermakelaar Jorge Mendes. Ook die constructie wordt nauw in de gaten gehouden, maar aangezien haast alle clubs in de Engelse tweede klasse schulden maken en vers kapitaal meer dan welkom is, wordt af en toe een oogje dichtgeknepen.

De Premier League heeft inmiddels wel een contract gesloten met een bedrijf dat kandidaat-investeerders helemaal doorlicht. Daardoor heeft Hull City een bod moeten verwerpen omdat de heren Dai Xiu Li en Dai Yongge faalden voor de fit and proper person test.

Chadwick: “De Chinese investeerders die op kleinere teams afkomen, zijn vaak commerciële avonturiers. Ze redeneren: wij kopen een kleiner team, we promoveren, we worden bekend in China en dan zijn we schatrijk in plaats van rijk. Dat werkt niet. Alleen grote teams zijn bekend in China, en behalve Manchester City en misschien Liverpool zijn die voorlopig niet te koop.”

 

20161126_de-morgen_p-82_chinees-kapitaal-slokt-het-voetbal-op-all-mail

Grande Dame Ann (Wauters) in De Morgen van zat 19 nov

De grande dame van het Belgische basketbal

Na Frankrijk, Rusland, Zuid-Korea, Spanje, België en Europa won Ann Wauters (36) recent ook de titel in de VS. Een hoogtepunt waar ze nog een seizoen Turkije aan vastplakt en tussentijds de nationale ploeg aan rust, gestalte en ervaring helpt. Een gesprek met de beste Belgische sportvrouw die nooit erkenning kreeg.

Op 24 oktober landde ze in Brussel na dik vier maanden Los Angeles. Ze gaf een persconferentie, sliep één nacht in haar bed in Bellegem en reisde meteen naar haar nieuwe team Agü Spor Kayseri in het midden van Turkije. Afgelopen zondag speelde ze daar nog een competitiewedstrijd en dan was het hollen naar het vliegveld. In de nacht van zondag op maandag stak ze opnieuw de sleutel in de deur van haar huis in Bellegem, nu voor drie nachten.

Woensdag sloot ze aan bij de nationale ploeg, een dagje na de anderen en na twee dagen bij het gezin. Vandaag, zaterdag 19 november, speelt ze met de Belgian Cats thuis tegen Wit-Rusland en woensdag in Polen. Vandaar gaat het in één ruk terug naar Turkije. En zo houdt ze dat al achttien jaar lang vol, die zes maanden tot en met de bevalling van Vince uitgezonderd, maar toen had ze tijdens de zwangerschap al een contract getekend met Valencia.

Haar vrouw Lot Wielfaert (40), met wie ze samen drie kinderen grootbrengt, keek er hoegenaamd niet van op toen Ann enkele weken na de bevalling al begon te trainen. “Ann heeft speciale genen. Zij heeft Vince (5) op de wereld gezet, ik onze dochters Lou (5) en Dree (2). Vince is de enige die nooit ziek is. Die Wautersen zijn oersterk.”

Dat blijft een behoorlijk mysterie. Jij bent 36 maar lijkt weinig te mankeren, terwijl je jaren aan een stuk dubbele seizoenen hebt gedraaid.

Ann Wauters: “Eigenlijk heb ik alleen last aan één knie. Met om de zoveel maanden inspuitingen met hyaluronzuur kan ik het onder controle houden, maar dat kraakbeen is natuurlijk aan het wegslijten. Verder heb ik eigenlijk niks. Ik ben trager geworden vergeleken met tien jaar geleden, minder explosief en ik recupereer minder makkelijk, maar ik ben slimmer geworden tegen steeds atletischer speelsters. En ik doe het nog even graag. Als ik twee dagen niet kan sporten…”

Lot Wielfaert: “… loopt ze ferm ambetant. Gelukkig hebben we hier in huis een fitnesszaaltje. Zelfs op vakantie op de Malediven staat Ann op de loopband.

“Zitten we in de Provence, dan rijdt zij per koersfiets de Ventoux naar boven en ik erachteraan met de auto. Anderzijds is dat precies wat ik vanaf heel jonge leeftijd zo bewonder in Ann: die vastberadenheid, die discipline, die wil. Alles zal ze doen om zo fit mogelijk haar vak te kunnen beoefenen.”

Ann: “Ik zit zo in elkaar. Het is niet dat ik een ADHD’er ben, want ik kan ook gewoon rustig zitten en niks doen. Trainen geeft structuur aan wat ik doe en ik ben nog steeds gek op basketbal, dus waarom zou ik stoppen?”

Lot heeft ook basketbal gespeeld. Dus kunnen jullie samen trainen.

Lot: “Ik heb ook basketbal gespeeld, maar ik heb er minder last van. (lacht) Bovendien, we zijn in het verleden weleens samen gaan trainen, maar dan bepaalde zij wat ik moest doen en dan was het alsof ik in het leger zat. Als we naar een pleintje gingen en ik haar ballen moest aangeven, was het altijd mijn schuld als ze miste. Neen dus, wij samen trainen is geen goed idee.”

Ann: “Ik ben ook voor mijzelf kritisch hoor. Een verloren wedstrijd betekent een nachtje piekeren.”

Je hebt nu ook de titel gewonnen in Amerika met de LA Sparks. Hoe was Los Angeles?

Ann: “Super gewoon. We woonden in Marina del Rey aan de rand van Venice Beach, twee blokken van het strand met Muscle Beach en die basketbalveldjes van White Men Can’t Jump. Trainen doen ze daar in één lange sessie en dus waren wij om 2 uur klaar. Ik zat bijna elke dag met Lot en de kinderen op het strand. Toen ik de mail kreeg van de coach van de Sparks, had ik serieuze twijfels of ik dat nog wilde doen, maar Lot zei: ‘Hmm, L.A.’ Toen zag ik het ook wel zitten. Anderen ook. (lacht) Ik dacht nog: tiens, zo veel bezoek hebben we nooit gehad in Rusland. En ze staan ook niet te dringen om naar Turkije te komen.”

Wat je zegt. Kayseri ligt in Centraal-Anatolië. Wat ga je daar zoeken, behalve een mooi contract allicht?

Ann: “Dat contract heeft meegespeeld, maar ik vind Turkije een mooie competitie. Het glas is nog niet helemaal leeg, wel bijna en ik ga het helemaal uitdrinken, want ik wil na mijn carrière geen spijt hebben dat ik iets niet heb gedaan of dat ik nog zin had in basketbal en toch ben gestopt. Ik heb het altijd jammer gevonden dat Canberra toen niet is doorgegaan omdat mijn mama ziek was, maar in Australië geraken we weleens met een gewone reis. Australië staat nog op mijn bucketlist, nietwaar Lot?”

Lot: “Ann hééft een bucketlist. We hebben onlangs haar eerste lijstje met wat ze wilde doen nog teruggevonden. Dat had ze opgeschreven in Samara. Een huis bouwen stond daar onder meer op en net zoals het meeste wat op dat lijstje stond, is dat gerealiseerd. Ann is bijzonder planmatig, een beetje het tegenovergestelde van mij. Maar wat Kayseri betreft, ik blijf hier met de kinderen en ik kom alleen in de schoolvakanties af. Ze zijn 5,5 en 2 en dan kunnen ze rustig naar de kleuterklas.”

Ann: “Dat wordt dus elke dag FaceTimen. Hopelijk ontploffen er niet te veel bommen, want dan gaat in Turkije het internet op zwart. In afwachting van de vakanties zal ik veel Netflix kijken. Mijn leven is makkelijker want ik kan uitslapen, maar ik denk dat ik het lastig zal krijgen. Voor Lot met die drie kinderen wordt het ook zwaarder.”

 

Jij was ooit keuze nummer één in de WNBA, in hét basketballand. Steekt het niet dat je deze keer weinig aan spelen toekwam?

Ann: “Ja natuurlijk. Ik heb nooit eerder een hele wedstrijd op de bank gezeten en nu wel. Ik was daar niet blij mee. Of het terecht was?”

Lot: “Neen, het was niet terecht, de coach roteerde gewoon te weinig, waardoor jullie de ene wedstrijd wonnen, maar de andere weer verloren.”

Ann: “Ik had mijzelf wel iets vaker in het veld gebracht, dat wel. We waren natuurlijk met vier voor die ene plek op de center, maar dat had ik hem ook gevraagd: wat kan ik jullie bijbrengen? Een bepalende rol vanaf de bank, zei hij. Uiteindelijk gebruikte hij mij nauwelijks en we zijn kampioen geworden. Dus heeft hij gelijk. (lacht) Maar ik was niet echt gelukkig, neen.

“En toch is het een unieke ervaring geworden. Een van onze teameigenaars was Magic Johnson (de legende van de Los Angeles Lakers, HV). Hij is naar alle finalewedstrijden komen kijken, zelfs in Minneapolis. In wedstrijd vier thuis konden we het afmaken: Magic, Kobe Bryant, Snoop Dogg en Floyd Mayweather zaten naast het veld, maar we verloren. Magic wachtte ons op in de kleedkamer.
Zo inspirerend, zo motiverend, die stem, die glimlach, het was muisstil: been there, zei hij, het is ooit voor ons thuis niet gelukt tegen de Celtics, maar we zijn in Boston gaan winnen en dat kunnen jullie ook. Echt waar: door die speech zijn wij de vijfde wedstrijd bij de Minnesota Lynx gaan winnen.”

Vroeger had je het weleens over het omgekeerd racisme van de zwarte collega’s naar de Europese speelsters. Merk je dat nog?

Ann: “Neen. Het team had vijf Europese speelsters, met opzet, om meer teamspirit in de ploeg te krijgen want Europeanen spelen het spel collectiever. Maar wij kwamen natuurlijk midden in die Black Lives Matter-storm terecht. Boeiend hoor, die raciale verdeeldheid waar dat land nog steeds mee kampt.”

Lot: “Er is wel wat aan de hand, hè Ann. Wat Alana heeft meegemaakt, dat kunnen wij ons niet inbeelden.”

Ann: “Neen zeg. Alana Beard, een zwarte teammate die in een mooie auto rijdt, was van training onderweg naar huis en werd tegengehouden door de politie. In 2015 was in Texas iets fout gegaan met een zwarte vrouw die ook was tegengehouden door de politie en die in de gevangenis was beland en daar was gestorven. Dus was Alana’s eerste reactie om haar handen boven op het stuur te leggen toen de politie op haar toestapte. Op veilig spelen en vooral geen aanleiding geven tot meer. Vreselijk. Die discussie over Black Lives Matter toonde mij dat wij gewoon niet weten wat het is om daar op te groeien en zwart te zijn.”

Lot: “Racisme zit in de onderbuik van de blanke Amerikaan. En nu is ook nog die Trump verkozen. Dat had mijn broer, die in New Jersey woont, trouwens voorspeld.”

Zwarte Pieten kennen ze daar ook niet.

Ann: “Ik ben erover begonnen, uitgerekend deze zomer. Zwarte Piet, zwart geschilderd, een hulpje van een blanke heilige, daar kunnen ze echt niet bij. Ja maar, zei ik, hij is zwart door de schoorsteen en het is een traditie enzovoort. Ook dat ging er echt niet in. Als je er bij stilstaat, is het natuurlijk zo fout als wat.”

Waar hebben jullie het liefst gewoond? Niet in Jekaterinenburg, neem ik aan.

Ann: “Hoewel, dat was ook niet zo slecht. De laatste keer, met Dree die enkele maanden was en daar ziek werd, was er te veel aan. Ik dacht toen echt: ik ben klaar met het buitenland.”

Lot: “Ann kreeg een aanbod van Villeneuve-d’Ascq, hier bijna om de hoek, en ze heeft meteen getekend.”

Ann: “Los Angeles deze zomer was echt tof, maar het beste was wellicht Valencia. Mooi weer, mooie stad, we woonden ook prima aan de opera, maar we huurden tijdens de hete zomer een huis aan het strand. Plus, we wonnen daar de Euroleague (de Champions League van het basketbal, HV).”

Lot: “San Antonio was ook prima, met al dat Mexicaans eten.”

Ann: “Daarna ging ik bij Galatasaray spelen in Istanbul, en ook daar was het echt goed wonen. Mooie stad, jammer van de instabiliteit in dat land. Moskou was minder. We woonden dicht bij het Rode Plein, maar het verkeer is er verschrikkelijk, waardoor je minder buiten komt.”

Twee getrouwde vrouwen met drie kinderen, hoe leg je dat uit in het buitenland?

Ann: “Niet uitleggen wat niet moet worden uitgelegd. In Californië is het natuurlijk geen item, same sex marriage wordt daar aanvaard. In Turkije praat je daar alleen over met je medespeelsters, maar die hebben meteen zoiets van: daar moeten wij hier niet mee afkomen. Je past je aan. En als de kuisvrouw denkt dat Lot mijn zus is, dan mag ze dat denken. Dat maakt het voor iedereen makkelijker.

“Ik ben er in België een paar keer op aangesproken waarom ik niet méér rolmodel ben, bijvoorbeeld voor het lesbisch huwelijk, maar dat ligt niet in mijn aard. Ik stop het hoegenaamd niet weg, en ik praat erover, maar ik wil ook geen uithangbord zijn. Hetzelfde met politiek. Jij zegt nu ook: je hebt bij Poetin, Erdogan en Trump gespeeld. Ja dat klopt en ik mis eigenlijk alleen nog Noord-Korea en China. Ik heb daar een mening over, maar had ik daar dan niet moeten gaan spelen? Ik kan het gewicht van de wereld niet dragen.”

Je wil niet zeggen wanneer je stopt, maar dit duurt geen jaren meer. Al een idee wat je gaat doen?

Ann: “Jawel. Ik ga bij Atticus werken, het atletenbegeleidingsbureau van Jesse De Preter (ooit businesspartner van Vincent Kompany, HV). Ex-volleybalinternational Julie Rumes zit daar ook en haar ken ik van toen ze met Tomas Van Den Spiegel in Moskou woonde. We kwamen elkaar tegen in de fitness en we hebben contact gehouden.

“En ik wil mij aansluiten bij Pulso-Preventielab in Zwevegem. Ik denk aan een project om basketbaltalent te helpen ontwikkelen. Ik geloof in het Amerikaanse systeem waarbij de atleet naast de teamtraining investeert in zijn eigen lichaam om die concurrentiestrijd met de andere te winnen. Ik ben sinds 2015 A-trainer basketbal en zelf coachen zal ik ook ooit wel doen, maar nu even niet. Als ik stop met spelen, is het omdat ik klaar ben met dat bestaan. Meteen hetzelfde leven gaan leiden, zittend naast het veld, lijkt mij geen goed idee.”

En dan de vraag die altijd terugkomt: de erkenning of het gebrek eraan, steekt dat nog?

Ann: “Bij Lot en mijn omgeving meer dan bij mij.”

Lot (blaast): “Jij vindt dat niet belangrijk en je krijgt ook erkenning, maar dan vooral in het land waarin je speelt of van je sport (Ann Wauters werd vijf keer Europees speelster van het jaar, HV). Maar ik blijf het een gebrek aan Belgische topsportcultuur vinden.”

Ann: “Ik heb tijdens mijn beste jaren concurrentie gehad van Kim Clijsters en Justine Henin. Vervolgens wint Tia Hellebaut goud. Nu is er Nafi Thiam, terecht dat die wint, want wat een prestatie. Kim Gevaert is ook nooit Sportvrouw van het Jaar geworden. Is dat een troost? Ik moet niet getroost worden, maar een beetje meer erkenning had wel gemogen. Ik won in 2015 met Villeneuve-d’Ascq de FIBA EuropaCup en bij het daaropvolgende Sportgala was ik niet eens uitgenodigd. Ik zou daar bitter om kunnen zijn, maar ik lach dan liever eens.”